Kamervraag 2026Z15247

De juridische erkenning en vindbaarheid van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen

Ingediend 1 juli 2026
Beantwoord 7 september 2026 (na 68 dagen)
Indiener Songül Mutluer (GroenLinks-PvdA)
Beantwoord door van Bruggen
Onderwerpen recht staatsrecht
Bron vraag https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z15247.html
Bron antwoord https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2951.html
1. K. van Tiggelen, «Postume tussenadoptie. Juridische erkenning en vindbaarheid van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen», Nederlands Tijdschrift voor de Mensenrechten | NJCM-Bulletin 2026/51, nr. 2, p. 197 e.v.
  • Vraag 1
    Kent u het artikel «Postume tussenadoptie. Juridische erkenning en vindbaarheid van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen»?1

    Ja.

  • Vraag 2
    Is het waar dat vanwege de afwezigheid van formele registratie van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen er sprake is van «een lacune in het juridische en administratieve systeem, waardoor deze kinderen juridisch en administratief onvindbaar blijven»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, acht u het bezwaarlijk dat deze lacune bestaat en waarom?

    Het is een afschuwelijke (en gelukkig ook uitzonderlijke) situatie wanneer een overleden, pasgeboren kind wordt aangetroffen, zonder dat duidelijk is om wie het gaat of wie de ouders zijn. In die situatie wordt als volgt gehandeld. Van een niet-geïdentificeerde overleden pasgeborene wordt aangifte gedaan van de geboorte door of namens de burgemeester van de gemeente waar het kind is gevonden. De ambtenaar van de burgerlijke stand neemt voorlopige namen in de geboorteakte op, in afwachting van het koninklijk besluit waarbij de voornamen en de geslachtsnaam van het kind worden vastgesteld. De onbekende plaats- en dag van geboorte worden op aanwijzing van de officier van justitie in de akte vermeld, waarbij de gemeente van vinding als plaats wordt aangehouden. Dezelfde identiteitsgegevens worden opgenomen in de overlijdensakte, dan wel de akte van lijkvinding. Mocht de situatie zich voordoen dat de geboortemoeder en eventuele meeouder later bekend worden, dan kunnen de aktes via de officier van justitie en rechter worden verbeterd. De aangifte wordt, met de beschikbare gegevens, door de ambtenaar van de burgerlijke stand verwerkt in de registers van geboorten en overlijden, maar niet in de BRP, omdat overheidsinstanties hun gegevens niet nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen worden dus wel geregistreerd, maar zijn niet direct publiek vindbaar.
    Overlijdensakten die ouder zijn dan vijftig jaar en geboorteakten die ouder zijn dan honderd jaar zijn openbaar en kunnen worden opgevraagd via de (plaatselijke) archieven of online bijvoorbeeld via het Centrum voor familiegeschiedenis. Dat geldt dus ook voor de geboorte- en overlijdensakten van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen. Afschriften van de geboorte- en overlijdensakten kunnen voor die periode alleen worden opgevraagd wanneer men belanghebbende is. Dat is in deze gevallen vaak lastig aantoonbaar. Daarnaast moet de belanghebbende ook duidelijke richtlijnen geven naar wiens geboorte- en overlijdensakten hij of zij op zoek is om gericht de registers te bevragen.

  • Vraag 3
    Deelt u de mening van de auteur van het genoemde artikel dat de huidige Nederlandse praktijk ook een potentieel mensenrechtelijk tekort betreft in de zin van dat deze praktijk en de bestaande regelgeving op gespannen voet staan met het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, die het recht op naam en identiteit waarborgen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?

    Nee, mijns inziens is er geen sprake van een mensenrechtelijk tekort in ons huidige Nederlandse stelsel. Het is juist dat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM)) het recht op bescherming van het privéleven waarborgt en het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK) het recht op naam en identiteit. Echter, het EVRM en IVRK bevatten geen concrete verplichting om inschrijving voor niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen te faciliteren. Er is mij ook geen EVRM jurisprudentie bekend over dit exacte onderwerp.

  • Vraag 4
    Wat is uw mening over de oplossing die de genoemde auteur voorstelt ter correctie van het genoemde rechtstekort, namelijk het inzetten van «postume tussenadoptie»? Ziet u zelf andere mogelijkheden om dit tekort te corrigeren en, zo ja, welke dan?

    Ik zie de voorgestelde oplossing van de zogenoemde postume tussenadoptie niet als een passende oplossing voor het verbeteren van de publieke vindbaarheid van deze kinderen. Mijn verwachting is namelijk niet dat postume tussenadoptie zal bijdragen aan de identificatie en publieke vindbaarheid van het kind voor diens familie. Het leed dat achter dit soort cases schuilgaat wordt hiermee evenmin voorkomen. Daarnaast lijkt het voorstel van postume tussenadoptie vooral gericht te zijn op naamgeving. Naamgeving is in het Nederlandse systeem primair belegd bij de ouders. Wanneer blijkt dat er geen geboorteaangifte van een levend dan wel stil geboren kind is gedaan, wordt met naamgeving door middel van postume tussenadoptie getreden in de autonomie van de ouders en wordt de relatie van het kind met de ouders in symbolische zin doorbroken. Immers, onbekend is of het kind al een naam had, of welke naam de ouder(s) in gedachten had(den) maar vrijwel vast staat dat de naam na de tussenadoptie niet de naam is die het kind via de ouders zou hebben gekregen. Om deze redenen zie ik geen aanleiding om de wetgeving aan te passen. Daarbij geldt ook dat het om een zeer beperkt aantal kinderen per jaar gaat, en dat gevallen van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen sinds 2023 niet meer zijn voorgekomen.2

  • Vraag 5
    Overweegt u om de wetgeving aan te passen, zodat de registratie en juridische erkenning van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen verbeterd gaat worden? Zo ja, hoe en op welke termijn gaat u hier zorg voor dragen? Zo nee, waarom niet?

    Zie antwoord vraag 4.

  • Mededeling - 22 juli 2026

    Hierbij deel ik u mede dat de schriftelijke vragen van het lid Mutluer (PRO), van uw Kamer aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over de juridische erkenning en vindbaarheid van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen (ingezonden 1 juli 2026) niet binnen de gebruikelijke termijn kunnen worden beantwoord, aangezien nog niet alle benodigde informatie is ontvangen. Ik streef ernaar de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.


Kamervraag document nummer: kv-tk-2026Z15247
Volledige titel: De juridische erkenning en vindbaarheid van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen
Kamerantwoord document nummer: ah-tk-20252026-2951
Volledige titel: Antwoord op vragen van het lid Mutluer over de juridische erkenning en vindbaarheid van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen