| Ingediend | 11 juni 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 8 juli 2026 (na 27 dagen) |
| Indiener | Corrie van Brenk (PvdA) |
| Beantwoord door | Hans Vijlbrief (D66) |
| Onderwerpen | arbeidsvoorwaarden werk |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z12775.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2495.html |
Ja, ik ben hiervan op de hoogte. Voordat ik inga op de gedane uitlatingen, geef ik eerst een duiding van de terminologie. De grote verplichtstelling heeft betrekking op de wettelijke verplichte deelneming aan een bedrijfstakpensioenfonds op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. De kleine verplichtstelling betreft de contractueel overeengekomen deelneming aan een pensioenregeling op grond van een cao.2 Ik ben op de hoogte van het feit dat de Europese Commissie in 2022 een EU-Pilot (informele pre-infractiefase) is gestart naar aanleiding van een individuele klacht uit Nederland. De EU-Pilot heeft betrekking op de vraag waarom een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds de rechtsvorm van een stichting opgericht naar Nederlands recht dient te hebben (hierna: stichtingsvereiste). In het kader van de EU-Pilot heeft een aantal informele gesprekken plaatsgevonden tussen het Ministerie van SZW en de Europese Commissie en is informatie over de Nederlandse pensioenwet- en regelgeving gedeeld. Op basis van deze uitwisseling zijn de diensten van de Europese Commissie van mening dat Nederland, door te eisen dat een (verplichtgesteld bedrijfstak-)pensioenfonds een Nederlandse stichting moet zijn, een ongerechtvaardigde belemmering van de Europese vrijheden zou hebben geïntroduceerd. Ook een entiteit uit een ander EU land zou deze taak moeten kunnen uitvoeren, mits daartoe uitgenodigd door de sociale partners van een bedrijfstak.
Zoals ik uw Kamer eerder heb laten weten3, was de vraag of de verplichtstelling als zodanig strijdig is met EU-recht geen onderdeel van de EU-Pilot en daar zijn dan ook geen conclusies aan verbonden. Bij de totstandkoming van de Wtp is ook stilgestaan bij en getoetst of de verplichtstelling onder het nieuwe stelsel houdbaar is. De conclusie is dat dat het geval is. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen. Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd.
Het parlement is via de memorie van antwoord bij de behandeling van de Wtp sinds 24 maart 2023 van de EU-Pilot.4 Met de Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2026 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken.5
Vanuit de Europese Commissie of de Europese Ombudsman is er geen informatie gedeeld over de klacht. De EU-Pilot heeft betrekking op de vraag waarom het stichtingsvereiste geldt voor een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds. De betreffende wetswijziging zal worden meegenomen in de implementatiewetgeving van de lopende herziening van de IORP II-richtlijn.
Bij de totstandkoming van de Wet toekomst pensioenen is de houdbaarheid van de verplichtstelling in het nieuwe stelsel uitgebreid aan de orde geweest6.
De conclusie is dat ook onder de Wtp de verplichtstelling houdbaar is. Deze conclusie is onderdeel van het uitgebreide wetgevingsproces geweest, waaronder advisering door de Raad van State. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen. Zoals ik uw Kamer eerder heb laten weten, was de vraag of de verplichtstelling als zodanig strijdig is met EU-recht geen onderdeel van de EU-Pilot en daar zijn dan ook geen conclusies aan verbonden.
Deze vraag is hier niet aan de orde, zoals volgt uit het antwoord op vraag 3.
Het aantal actieve deelnemers bij alle (type) pensioenfondsen tezamen bedraagt circa 6,7 miljoen (2024). Het belegd vermogen van alle (type) pensioenfondsen tezamen bedraagt circa 1.624 miljard euro (Q1 2026), waarvan circa 1.285 miljard euro (Q1 2026) bij bedrijfstakpensioenfondsen.7
Zoals ik ook bij het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, is bij de totstandkoming van de Wtp de houdbaarheid van de verplichtstelling in het nieuwe stelsel getoetst. De conclusie is dat ook onder de Wtp de verplichtstelling houdbaar is.
In de Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2026 ben ik hierop ingegaan.8 De in 2022 gestarte EU-Pilot had betrekking op de vraag waarom het stichtingsvereiste op een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds van toepassing is. In het kader van de EU-Pilot heeft een aantal informele gesprekken plaatsgevonden tussen het Ministerie van SZW en de Europese Commissie en is de informatie over de Nederlandse pensioenwet- en regelgeving gedeeld. Op basis van deze uitwisseling zijn de diensten van de Europese Commissie van mening dat, door het stichtingsvereiste, Nederland een ongerechtvaardigde belemmering van de Europese vrijheden zou hebben geïntroduceerd. De vraag of de verplichtstelling als zodanig strijdig is met EU-recht geen onderdeel van de EU-pilot en daar zijn dan ook geen conclusies aan verbonden. Bij de Wtp is de houdbaarheid van de verplichtstelling, ook vanuit het Europese recht, onderbouwd. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen.
Voor het punt van het stichtingsvereiste is een wetswijziging in voorbereiding, zodanig dat het stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt. Deze instellingen moeten echter wel een rechtspersoon zonder winstoogmerk zijn en er mogen geen uitkeringen aan oprichters worden gedaan, conform het doel van een Nederlandse stichting. Op deze manier wordt de noodzakelijke bescherming van de pensioendeelnemers – dat pensioengelden inclusief rendementen/winsten ten goede komen aan deelnemers – geborgd.
Daarnaast dient een pensioenuitvoerder uit een andere lidstaat waarborgen waaronder een governancesysteem te hebben, dat de afbakening van taken en de controle van werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden omvat, dat hetzelfde resultaat bereikt als de governance die van toepassing is op een in Nederland gevestigde pensioenuitvoerder. In overleg met de diensten van de Europese Commissie en de nationale toezichthouders zal worden onderzocht hoe deze op resultaten gebaseerde beoordeling zo effectief mogelijk kan worden uitgevoerd, rekening houdend met de voorwaarden die gelden onder de (herziene) IORP II-richtlijn en het in Nederland gehechte belang aan de adequate bescherming van de belangen van deelnemers en gepensioneerden bij een verplichtstelling. De betreffende wetswijziging zal worden meegenomen in de implementatiewetgeving van de lopende herziening van de IORP II-richtlijn.
De EU-Pilot is gestart in 2022. In de afgelopen jaren heeft er een informele dialoog in de vorm van meerdere vertrouwelijke gesprekken plaatsgevonden tussen de Europese Commissie en Nederland. In deze gesprekken is de vraag behandeld of er sprake kan zijn van een ongeoorloofde belemmering van de Europese vrijheden. Een EU-Pilot is geen openbare procedure. Het parlement is via de memorie van antwoord bij de behandeling van de Wtp sinds 24 maart 2023 op de hoogte.9 Met de Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2026 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken.10
Het is goed om vast te stellen dat het aan sociale partners is om de pensioenregeling af te spreken en de onderbrenging bij een bedrijfstakpensioenfonds te bepalen. In de afgelopen jaren is het niet voorgekomen dat daarbij het verzoek is gekomen om de regeling onder te brengen bij een buitenlandse uitvoerder en dat dat werd verhinderd door de Nederlandse wetgeving. Daarom ben ik van mening dat het voldoende tijdig is dit in de implementatiewetgeving van de IORP II-herziening mee te laten lopen.
Zoals onder andere aangegeven bij vraag 8 is de Europese Commissie in 2022 een EU-Pilot gestart naar aanleiding van een individuele klacht uit Nederland.
Op basis van deze uitwisseling zijn de diensten van de Europese Commissie van mening dat, door het stichtingsvereiste, Nederland een ongerechtvaardigde belemmering van de Europese vrijheden zou hebben geïntroduceerd. Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd.
Sociale partners besluiten over de inhoud van de pensioenregeling en de onderbrenging bij een bedrijfstakpensioenfonds. In de afgelopen jaren is het niet voorgekomen dat daarbij het verzoek is gekomen om de regeling onder te brengen bij een buitenlandse uitvoerder en dat dat werd verhinderd door de Nederlandse wetgeving. De kans op schadeclaims acht ik gelet hierop te verwaarlozen.
Het is primair aan sociale partners om verplichte deelneming aan een bedrijfstakpensioenfonds aan te vragen. Het is aan sociale partners om desgewenst de interesse bij buitenlandse uitvoerders in kaart te brengen.
Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd. Voor zover noodzakelijk zullen dergelijke situaties daarin worden meegenomen. De instellingen die een verplichtstelling uitvoeren moeten, zoals ik in het antwoord op vraag 7 heb aangegeven, wel een rechtspersoon zonder winstoogmerk zijn en er mogen geen uitkeringen aan oprichters worden gedaan, conform het doel van een Nederlandse stichting.
Invaren is het omzetten van bestaande pensioenaanspraken en -rechten van de oude naar de nieuwe Wtp pensioenregeling.11 Invaren gebeurt altijd bij hetzelfde pensioenfonds, dit is een interne collectieve waardeoverdracht, en dus niet een uitgaande waardeoverdracht naar een andere uitvoerder.
Waardeoverdracht naar een buitenlandse pensioenuitvoerder is nu al onder voorwaarden op grond van de Pensioenwet mogelijk.12 Dat gaat ook gelden voor de waardeoverdracht van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat, gelet op het wetsvoorstel in voorbereiding, zodanig dat het stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt.
Het is aan sociale partners om de pensioenregeling af te spreken en de onderbrenging bij een pensioenuitvoerder te bepalen. Zij maken daarbij de weging wat in het belang is van alle groepen deelnemers.
Ik ben bekend met de betreffende rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat (o.a.) het stichtingsvereiste zal adresseren, zal ook worden ingegaan op de relevante jurisprudentie voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen in het licht van de uitvoering van de pensioenregeling.
Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd. Deze herziening volgt de gebruikelijke procedure van een wetgevingstraject, met de bijbehorende toetsen.
Die vraag is nu niet aan de orde, de situatie waar het hier om gaat is het stichtingsvereiste bij verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen in relatie tot het EU-recht.
Onderdeel van de procedure bij een EU-Pilot is dat de Europese Commissie beziet of de gekozen oplossing voldoet. Als dat zo is dan is de kwestie opgelost, indien de Europese Commissie oordeelt dat het onvoldoende is, dan kan alsnog een infractieprocedure worden gestart. Indien die procedure zou eindigen in een boete, is dat een aangelegenheid van de Europese Commissie en de Nederlandse Staat. Individuele werkgevers staan daarbuiten.
Overigens ga ik ervan uit dat met verwijzing naar de Booking.com zaak wordt gedoeld op de rechtszaken tussen Booking.com en Stichting pensioenfonds PGB over de (premievordering in verband met) de verplichte aansluiting van Booking.com bij Stichting pensioenfonds PGB.13 Het vervallen van het stichtingsvereiste brengt geen wijziging aan in de werkgevers die onder de werkingssfeer van een verplichtstelling vallen. De voorgenomen wetswijziging houdt in dat het stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt. Sociale partners kunnen als gevolg daarvan ook de pensioenregeling onderbrengen bij een verplichtgestelde pensioeninstelling uit een andere lidstaat.
Het parlement wordt via de reguliere wijze meegenomen bij het wetstraject van de implementatiewet herziening van de IORP II Richtlijn. Ik wissel hierover uiteraard graag met uw Kamer van gedachten tijdens de reguliere commissiedebatten pensioenonderwerpen, waarvan de eerstvolgende nu gepland staat op 10 september 2026.
Het standpunt over het openbaar maken van adviezen van de landsadvocaat is meermaals toegelicht.14 Bovendien staat het geheel los van de situatie rondom het stichtingsvereiste waar het hier om gaat.
Ik kan het belang van de houdbaarheid van de verplichtstelling in het nieuwe stelsel onderschrijven. Zoals ik ook in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, is hier bij de totstandkoming van de Wtp uitgebreid bij stilgestaan, ook in debatten met uw Kamer, en is getoetst of de verplichtstelling onder het nieuwe stelsel houdbaar is. De conclusie was dat dat het geval is. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen.