| Ingediend | 3 februari 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 24 maart 2026 (na 49 dagen) |
| Indiener | Jimmy Dijk (SP) |
| Beantwoord door | Mariëlle Paul (VVD) |
| Onderwerpen | arbeidsomstandigheden werk |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z02186.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1414.html |
Ja.
Het Vlaams Parlement handelt naar eigen bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Het is niet aan mij om een oordeel over dit handelen uit te spreken. In Nederland geldt het uitgangspunt dat de veroorzaker van schade aan gezondheid, natuur of milieu verantwoordelijk is voor het herstellen van die schade.
In Nederland geldt het uitgangspunt dat de veroorzaker van schade aan gezondheid, natuur of milieu verantwoordelijk is voor het herstellen van die schade. Hiertoe zijn verschillende civielrechtelijke, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke mogelijkheden, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Er zijn echter meerdere factoren die bepalen of het mogelijk is om tot aansprakelijkstelling te komen. Deze zijn relevant bij de afweging of verdere juridische stappen mogelijk en wenselijk zijn. Het is uiteindelijk aan de rechter om vast te stellen of er sprake is van juridische aansprakelijkheid en of er schadevergoeding moet worden toegekend.
Eerder liet het kabinet door de Landsadvocaat onderzoeken of Eternit civiel aansprakelijk kon worden gesteld voor saneringskosten van asbestwegen. Uit het advies bleek dat verhaal juridisch weinig kansrijk was, waardoor het kabinet geen civiele procedure startte.2 Uiteraard blijft het kabinet het verloop van de ontwikkelingen in Vlaanderen volgen. Wanneer deze hiertoe aanleiding geven zal opnieuw onderzoek naar de mogelijkheid van aansprakelijkheidsstelling worden gedaan.
Het is een belangrijk uitgangspunt van het kabinet dat de vervuiler betaalt. Indien het mogelijk is om in een concrete situatie de kosten op de vervuiler te verhalen, dan wordt daar op ingezet. Echter er spelen bij aansprakelijkheid, zoals genoemd bij vraag 4, meerdere factoren die worden meegewogen in mogelijkheid en wenselijkheid van juridische stappen.
Nee, zie hiervoor het antwoord op vraag 3 en 4.
Nee, zie mijn antwoord op vraag 4.
In zijn brief van 4 juli 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 25 834/25 883, nr. 199, hierna: de brief) is de toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid uitgebreid ingegaan op de motie waaraan u refereert. In deze zogenaamde «spreekt-uit-motie» (Kamerstukken II 2024/25, 25 883, nr. 507) is de wens verwoord om de absolute verjaringstermijn van asbestschade van 30 jaar (artikel 3:310 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) met terugwerkende kracht te laten vervallen voor alle asbestslachtoffers.
Sinds 1 februari 2004 geldt deze lange verjaringstermijn niet meer voor schadeveroorzakende gebeurtenissen die vanaf die datum hebben plaatsgevonden (artikel 3:310 lid 5 BW). De motie heeft dus het oog op slachtoffers die vóór 1 februari 2004 zijn blootgesteld aan asbest. Er is daarom in de motie sprake van het met terugwerkende kracht afschaffen van de verjaringsregeling.
In de brief beschrijft de toenmalig Staatssecretaris het streven van het kabinet om het beroep op verjaring door de (voormalig) werkgever van het slachtoffer tot een minimum te beperken en de stappen die vanuit dat oogpunt sinds eind 2021 door de voormalig Minister voor Rechtsbescherming en de voormalig Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) zijn gezet. Cruciaal daarin is de afspraak van 21 oktober 2022 van de leden van de Raad van Toezicht en Advies van het IAS, waaronder werkgeversorganisaties en het Verbond van Verzekeraars. Zij hebben het IAS-convenant aangevuld met een bepaling waarin staat, dat de convenantspartijen, waaronder werkgeversorganisaties en verzekeraars, niet langer een beroep doen op de absolute verjaringstermijn (zie par. 2.1 van de brief).
Ook het huidige kabinet is van mening dat, zoals ook beschreven is in de brief, het op deze wijze met terugwerkende kracht wijzigen van de wet op gespannen voet staat met de rechtstatelijke beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Dit past een betrouwbare overheid niet (zie par. 3 van de brief). Daarnaast is het van belang te onderkennen dat de oorzaak van het niet-slagen van een bemiddelingspoging van het IAS om tot een schadevergoeding van de (voormalig) werkgever voor het asbestslachtoffer te komen, gelegen is in een complex van factoren. Het gebrek aan bewijs over wat er zich lang geleden heeft voorgedaan, vormt daarbij het grootste knelpunt. Dit wordt niet opgelost door het met terugwerkende kracht schrappen van de verjaring (zie par. 2.4 van de brief). Dit alles afwegend, meent het kabinet dat andere wegen prevaleren om asbestslachtoffers tegemoet te komen boven het met terugwerkende kracht afschaffen van de verjaringstermijn.
De belangrijkste vorm van tegemoetkoming is de Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers (hierna: de TAS) en de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom (hierna: de TNS-regeling), waarop in het volgende antwoord nader wordt ingegaan. Het kabinet blijft ook in de toekomst graag in gesprek met het IAS om samen te werken in het belang van de slachtoffers.
Er is in alle gevallen erkenning voor het ontegenzeggelijke grote leed van asbestslachtoffers met mesothelioom. Een slachtoffer heeft daarom in alle gevallen recht op een financiële tegemoetkoming van de staat van € 27.030 op grond van de TAS of de TNS-regeling, ook als de asbestblootstelling veel langer dan 30 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Het IAS zet zich ook in om tot een schadevergoeding voor het slachtoffer te komen door kosteloze bemiddeling tussen het slachtoffer en zijn (voormalig) werkgever, in alle gevallen waarin sprake is van vermeende asbestblootstelling in loondienst (zie par. 1.3 van de brief).
Zie het antwoord op vraag 8. Verder verwijs ik graag naar de brief van 4 juli 2025. Daarin is uitgebreid ingegaan op aanpassing van het IAS-convenant, de zogenoemde doorbrekingsrechtspraak van de Hoge Raad en de mogelijkheid die het deelgeschil het slachtoffer kan bieden in het beperkt aantal gevallen dat er nog een beroep op verjaring wordt gedaan (zie par. 2.1, 1.2, respectievelijk 2.2 – 2.4 van de brief). Deze ontwikkelingen dragen bij aan de mogelijkheid van het slachtoffer om zijn schade te verhalen op zijn (voormalig) werkgever. Zoals in het antwoord op vraag 7 al aangegeven, is het kabinet graag bereid om samen met het IAS verder te zoeken naar mogelijkheden om het leed van asbestslachtoffers te verzachten en hun juridische lijdensweg te bekorten.
Ja.
Hierbij deel ik u mede dat de beantwoording van de Kamervragen van het lid van Dijk (SP) over «het bericht «Vlaams parlement eensgezind over aanpak asbestproducent: «Externe juridische expertise inwinnen»« niet binnen de gestelde termijn van drie weken mogelijk. Voor een zorgvuldige beantwoording van de vragen is interdepartementale afstemming nodig.