| Ingediend | 28 januari 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 20 februari 2026 (na 23 dagen) |
| Indiener | Sarah Dobbe |
| Beantwoord door | David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
| Onderwerpen | internationaal organisatie en beleid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z01621.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1162.html |
De situatie in Noordoost-Syrië, inclusief in en rond Kobani, is de afgelopen periode zeer volatiel en complex geweest. Door de gevechten tussen het leger van de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) in het noordoosten van Syrië, zijn sinds 6 januari 157.500 mensen ontheemd geraakt en is, met name in Kobani, de toegang tot onder meer water, voedsel en elektriciteit ernstig beperkt geweest. Op basis van de vele tegenstrijdige berichten en de moeilijkheden om berichtgeving te kunnen verifiëren, is het lastig om vast te stellen wie welke verantwoordelijkheid voor de geschetste problemen in en rondom Kobani draagt.
Sinds 25 januari bereiken humanitaire konvooien van VN-organisaties en partnerorganisaties Kobani, Qamishli en Al-Hasakah via drie humanitaire corridors. Het kabinet beschikt niet over indicaties dat er nu sprake zou zijn van een totale blokkade van Kobani. Volgens de VN zijn er de afgelopen weken twee VN-konvooien met 52 vrachtwagens met hulpmiddelen in Kobani aangekomen. Ook is elektriciteit in het gebied sinds 9 februari hersteld, volgens het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC). Basisvoorzieningen zijn echter nog steeds ernstig ontregeld, geëxplodeerde mijnen beperken bewegingsvrijheid en distributie, en goederen en brandstof komen slechts beperkt binnen via commerciële routes.
Het is van groot belang dat de hulp verder wordt opgeschaald en brede toegang tot de getroffen gebieden wordt verleend, aangezien de beperkte humanitaire middelen, toegang en volatiele situatie er voor zorgen dat niet alle hulpbehoevenden bereikt kunnen worden. Het kabinet pleit daarom via de EU en rechtstreeks bij de Syrische autoriteiten voor volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang voor alle hulporganisaties. Ook het VN Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA) staat hierover in contact met de Syrische overgangsautoriteiten.
Zie antwoord vraag 1.
Zie antwoord vraag 1.
Zoals gesteld in het antwoord op voorgaande vragen is er ruime internationale aandacht voor het conflict in Syrië, en meer in het bijzonder de situatie in het noordoosten. Ook het kabinet kijkt niet weg van de humanitaire situatie in noordoost-Syrie, waaronder Kobani, maar staat in nauw contact met humanitaire partners ter plekke. Steun aan deze organisaties om hun werk te blijven verrichten zal worden voortgezet.
Berichten over geweld en mensenrechtenschendingen in Syrië zijn zeer ernstig. Het kabinet volgt de ontwikkelingen nauwgezet. Geweld tegen burgers wordt daarbij altijd ondubbelzinnig veroordeeld en Nederland zet zich daarbij internationaal actief in voor berechting van geweldplegers. Zie ook de beantwoording op vragen 7 en 8.
Het kabinet maakt zich verder binnen de EU hard voor het instellen van gerichte sancties tegen personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en sektarisch geweld. Deze maatregelen zijn erop gericht de verantwoordelijken te treffen en de Syrische bevolking of economie zodoende te ontzien. Het kabinet en de EU blijven de situatie in Syrië nauwlettend volgen en nemen waar nodig passende en proportionele maatregelen.
Het kabinet keurt elke vorm van geweld tegen burgers in Syrië af en onderstreept, ook in EU-verband, dat consequenties dienen te worden verbonden aan schendingen van het internationaal recht. Het kabinet brengt dit consequent op zowel in bilaterale contacten met de Syrische overgangsautoriteiten, als multilateraal via de diverse EU- en VN-mechanismen.
Voor een beoordeling of er sprake is van een oorlogsmisdrijf is het nodig alle feiten en omstandigheden te kennen. Het kabinet roept op tot zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek naar de feitelijke omstandigheden, zodat een bevoegde rechter hierover een uitspraak kan doen.
Het kabinet spreekt in directe contacten en via de VN en EU de Syrische overgangsregering consequent aan op haar verantwoordelijkheden, waaronder het bieden van volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang voor hulporganisaties en het waarborgen van de rechten en veiligheid van alle Syriërs, ongeacht religie of etnische achtergrond.
Het kabinet acht zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek door de Syrische overgangsautoriteiten naar vermeende oorlogsmisdrijven en mensenrechtenschendingen van essentieel belang. Het kabinet dringt hier consequent op aan, zowel in bilaterale contacten met de Syrische overgangsautoriteiten, als in multilateraal verband.
Daarnaast spelen VN-instanties – zoals de VN-Bewijzenbank IIIM, de Commission of Inquiry en het OHCHR Veldkantoor in Damascus – een belangrijk rol in het onderzoek en documenteren van mensenrechtenschendingen in Syrië. Het kabinet steunt IIIM en het OHCHR landenkantoor in Damascus zowel politiek als financieel met respectievelijk € 1 miljoen en € 2,5 miljoen. Ook zet Nederland zich in de VN-Mensenrechtenraad actief in voor de verlening van het mandaat van de Commission of Inquiry voor Syrië, zodat onderzoek naar mensenrechtenschendingen wordt voortgezet.
Tot slot dragen verschillende internationale organisaties en het Syrisch maatschappelijk middenveld ook bij aan het in kaart brengen van de vermeende oorlogsmisdrijven en mensenrechtenschendingen. Nederland steunt Impunity Watch en het International Center for Transitional Justice in hun inspanningen om samen te werken met de Syrische transitieregering en hun expertise in te zetten ten behoeve van het tegengaan van straffeloosheid (waaronder documentatie van mensenrechtenschendingen).
Zie antwoord vraag 7.