| Ingediend | 21 januari 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 12 februari 2026 (na 22 dagen) |
| Indiener | Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
| Beantwoord door | Jurgen Nobel (VVD) |
| Onderwerpen | gezin en kinderen sociale zekerheid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z00994.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1096.html |
Ja, ik ben bekend met het NOS-artikel naar aanleiding van het Nibud-rapport «De financiële knip op 18 jaar».
Het Nibud-rapport laat zien dat veel huishoudens met kinderen minder te besteden krijgen zodra een kind 18 jaar wordt. Dit komt vooral doordat ouders dan geen recht meer hebben op kinderbijslag en kindgebonden budget, waardoor het huishoudinkomen daalt. Tegelijkertijd komen er extra kosten bij, zoals de premie voor een zorgverzekering. Naast kinderbijslag en kindgebonden budget kan ook ondersteuning via gemeentelijke regelingen vervallen zodra een kind 18 jaar wordt, hoewel dit niet is meegenomen in het Nibud-onderzoek.
Ik begrijp dat het voor sommige huishoudens lastig kan zijn om deze inkomensdaling op te vangen, en ik begrijp ook dat mensen zich hier zorgen over maken. Het gaat soms immers om grote bedragen. De inkomensterugval door verlies aan kinderbijslag en kindgebonden budget kan – omgerekend naar maandbedragen – oplopen tot € 436 per kind voor tweeoudergezinnen. Bij alleenstaande ouders kan dit oplopen tot € 715 per kind als het jongste kind 18 jaar wordt.
Het is onvermijdelijk dat de ondersteuning voor de kosten van kinderen op enig moment ophoudt te bestaan. Op dit moment ligt die grens op 18 jaar. Dat is ook de leeftijd waarop jongeren meer rechten krijgen (zoals het recht om te stemmen, zelfstandig auto te rijden of te trouwen) en ook meer verantwoordelijkheden (bijvoorbeeld dat jongeren een zorgverzekering moeten afsluiten of aansprakelijk zijn voor schulden die zij maken). In dat kader is 18 jaar ook een logische leeftijd om te verwachten dat jongeren zelf financieel meer gaan bijdragen.
Het vervallen van de kinderbijslag en het kindgebonden budget betekent niet dat er helemaal geen ondersteuning meer is. Zodra een kind 18 jaar wordt, zijn er een aantal andere regelingen die kunnen helpen om de inkomensdaling op te vangen. Zo komen de meeste jongeren in aanmerking voor zorgtoeslag. Jongeren die studeren komen in aanmerking voor studiefinanciering. Jongeren die nog voortgezet onderwijs volgen komen in aanmerking voor de tegemoetkoming scholieren (WTOS). En jongeren die niet werken of studeren kunnen een beroep doen op algemene bijstand.
Ouders en kinderen kunnen ook zelf een bijdrage leveren door in te spelen op het feit dat een kind 18 jaar wordt en dat de regelingen dan stoppen. Ouders zouden bijvoorbeeld meer uren kunnen gaan werken. En meerderjarige kinderen kunnen wellicht ook bijdragen in de kosten als zij studiefinanciering ontvangen, een bijbaan hebben, en eventueel meer uren gaan werken. Studenten die vanwege een medische beperking niet kunnen bijverdienen naast hun studie, kunnen mogelijk via hun gemeente studietoeslag krijgen. En als het echt niet lukt om rond te kunnen komen, dan kunnen mensen voor onvoorziene bijzondere omstandigheden ook een beroep doen op individuele bijzondere bijstand.
Het is vooral belangrijk dat ouders met hun kinderen (en eventueel de gemeente) in gesprek gaan over de financiële gevolgen van 18 jaar worden, en over de mogelijkheden om hiermee om te gaan.
Ik ben ermee bekend dat het recht op kinderbijslag en kindgebonden budget vervalt zodra een kind 18 jaar wordt.
Het effect van 18 jaar worden op kansenongelijkheid hangt af van de individuele situatie. Niet alleen regelingen voor meerderjarige kinderen zijn van belang, maar ook de mogelijkheden die ouders en kinderen zelf hebben om een inkomensdaling op te vangen spelen een belangrijke rol. Als ouders meer uren kunnen gaan werken, of als meerderjarige kinderen een bijbaan hebben, hoeft dat niet automatisch te leiden tot grotere kansenongelijkheid. Op langere termijn kan het hebben van een bijbaan helpen om waardevolle vaardigheden te ontwikkelen, een netwerk op te bouwen en werkervaring op te doen, wat kansenongelijkheid zelfs kan verminderen.
Het klopt inderdaad dat de verhogingen van het kindgebonden budget in de afgelopen jaren tot gevolg hebben gehad dat ouders nu meer kindgebonden budget verliezen wanneer een kind 18 jaar wordt. Hoewel dit een nadeel is, was dat voor de regering destijds geen reden om af te zien van de verhogingen van het kindgebonden budget, omdat de wens om huishoudens met kinderen gericht te ondersteunen zwaarder woog. Het is daarom van belang dat ouders bij dreigende geldzorgen naar de gemeente gaan om te bezien wat passende ondersteuning voor hen zou kunnen zijn.
Ik herken dat de inkomensdaling voor eenoudergezinnen groter kan zijn dan voor tweeoudergezinnen. Dit is het geval in situaties waarin het jongste kind 18 jaar wordt. In principe zijn de bedragen per kind binnen de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor eenouder- en tweeoudergezinnen gelijk. Voor 17-jarigen is dat – omgerekend naar maandbedragen – € 141 per kind aan kinderbijslag en maximaal € 295 per kind aan kindgebonden budget. Alleenstaande ouders ontvangen binnen het kindgebonden budget echter een verhoging van het bedrag in de vorm van de zogenaamde alleenstaande ouderkop (ALO-kop). De hoogte van dit bedrag (€ 279 per maand) is onafhankelijk van het aantal kinderen. Als een kind 18 jaar wordt en er zijn geen andere kinderen jonger dan 18 jaar, dan verliezen eenoudergezinnen dus in totaal € 715 per maand aan kinderbijslag en kindgebonden budget, terwijl dit voor tweeoudergezinnen € 436 per maand is.
Ik begrijp dat een inkomensdaling moeilijker op te vangen is als deze groter is, en dat het voor alleenstaande ouders dus moeilijker kan zijn. Tegelijkertijd is de inkomensverandering niet het enige dat relevant is. Uiteindelijk is het ook belangrijk hoeveel mensen onderaan de streep te besteden hebben. Een grotere inkomensdaling betekent daarom niet automatisch dat eenoudergezinnen altijd moeilijker rond kunnen komen dan tweeoudergezinnen. Het Nibud-onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat de financiële situatie van een alleenstaande ouder in de bijstand met twee kinderen van 15 en 18 jaar doorgaans beter is dan de financiële situatie van een stel in de bijstand met twee kinderen van dezelfde leeftijd – ook nadat een kind 18 is geworden. In de begrotingen die het Nibud opstelde voor dit onderzoek is bovendien geen rekening gehouden met een aantal regelingen die in de praktijk wel een rol kunnen spelen, zoals kinderalimentatie. Een deel van de kinderen van gescheiden ouders heeft hier recht op totdat zij 21 jaar worden.
Op basis van het Nibud-onderzoek kan dus niet meteen worden gesteld dat de financiële gevolgen van 18 jaar worden vaker tot problemen leiden in eenoudergezinnen dan in tweeoudergezinnen. Daarom zie ik op dit moment geen reden om specifiek voor alleenstaande ouders te onderzoeken hoe de inkomensdaling bij 18 jaar kan worden opgevangen of verzacht. Het antwoord op vraag 10 gaat wel uitgebreider in op de mogelijkheden om de gevolgen van een inkomensdaling in algemene zin te matigen.
Ouders zijn inderdaad financieel verantwoordelijk voor hun kinderen totdat zij 21 jaar worden. Maar dat betekent niet dat meerderjarige kinderen van 18–20 jaar geen enkele bijdrage kunnen leveren. Het is belangrijk dat ouders tijdig met hun kinderen in gesprek gaan over de financiële gevolgen van 18 jaar worden, en de mogelijkheden om hiermee om te gaan.
Nee. Doordat er verschillen zijn in kosten van een studie, zullen er ook verschillen in inkomsten en uitgaven zijn tussen huishoudens met mbo- en hbo/wo-studenten. Die verschillen zijn er enerzijds tussen de onderwijstypes onderling, maar ook tussen opleidingen binnen hetzelfde onderwijstype kan dit het geval zijn. Zo verschillen de uitgaven van studenten in het mbo en hbo/wo op het gebied van schoolkosten (deze zijn over het algemeen hoger in het mbo3) en de hoogte van het les- en collegegeld. Het collegegeld in het hbo en wo ligt met € 2.601 hoger dan het lesgeld van € 1.458 in het mbo. Verder betalen minderjarige mbo-studenten geen lesgeld, terwijl minderjarige hbo- en wo-studenten wel collegegeld betalen.
De situaties van huishoudens met mbo- en hbo/wo-studenten zijn niet goed met elkaar te vergelijken, zoals ook in het antwoord op vraag 8 is uitgelegd. Het saldo van inkomsten en uitgaven daalt ten eerste harder in huishoudens met studerende hbo-/wo-studenten zodra het kind 18 jaar wordt, doordat het inkomen van een gezin met een minderjarige hbo/wo-student al hoger is dan dat van een gezin met een minderjarige mbo-student. De reden hiervoor is dat minderjarige hbo/wo-studenten al studiefinanciering ontvangen en mbo-studenten nog niet.4 Tegelijkertijd betaalt een minderjarige hbo/wo-student al wel collegegeld en een minderjarige mbo-student nog geen lesgeld. Verder ontvangt een mbo-student die 18 jaar wordt studiefinanciering en betaalt lesgeld (vanaf het studiejaar nadat die 18 jaar is geworden). De hbo/wo-student die 18 jaar wordt, krijgt dus al studiefinanciering en betaalt al collegegeld. Voor beide huishoudens geldt dat de kinderbijslag en kindgebonden budget vervallen zodra het kind 18 jaar wordt.
Hoewel het inkomen van een gezin met een hbo/wo-student harder daalt zodra het kind 18 jaar wordt, is het saldo van inkomsten en uitgaven nadat het kind 18 jaar is geworden wel vergelijkbaar met dat van een huishouden met een mbo-student.
Zoals toegelicht in de antwoorden op vraag 2 en 4 bestaan er al verschillende regelingen die kunnen helpen om de inkomensdaling op te vangen, en daarmee de mogelijke effecten op kansenongelijkheid te matigen.
Ik zie op dit moment geen aanleiding om dit nu verder te onderzoeken. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 zijn er op dit moment al regelingen die kunnen helpen om de inkomensdaling op te vangen.
Ik zie op dit moment geen aanleiding om extra stappen te nemen naar aanleiding van het rapport. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 zijn er op dit moment al regelingen die kunnen helpen om de inkomensdaling op te vangen.
Ja.