| Ingediend | 12 januari 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 27 januari 2026 (na 15 dagen) |
| Indiener | Gideon van Meijeren (FVD) |
| Beantwoord door | David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
| Onderwerpen | europese zaken internationaal |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z00230.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-961.html |
Ja.
Ja, ik ben bekend met Raadsbesluit 2024/2643. Dit betreft het sanctieregime naar aanleiding van Russische destabiliserende activiteiten. Op de sanctielijst bij dit Raadsbesluit staan personen die hierbij betrokken zijn, ongeacht hun nationaliteit. De reikwijdte van artikel 29 EU is niet beperkt tot maatregelen die alleen personen in derde landen raken. Bepalend is of de maatregelen nodig zijn om doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU te bereiken, zoals neergelegd in artikel 21 VEU. De Unie kan, met inachtneming van de daarvoor geldende juridische kaders en waarborgen, ook sancties opleggen aan EU-burgers en -ingezetenen.
De overwegingen bij het besluit vormen een toelichting en zijn niet juridisch bindend. Het besluit ziet op acties of beleidsmaatregelen van Rusland die de democratie, de rechtsstaat, de stabiliteit of de veiligheid in de Unie of in een of meer van haar lidstaten, in een internationale organisatie of in een derde land ondermijnen of bedreigen, of die de soevereiniteit of de onafhankelijkheid van een of meer van haar lidstaten of van een derde land ondermijnen of bedreigen. Het kabinet is van mening dat deze activiteiten de fundamentele waarden en de veiligheid, onafhankelijkheid en integriteit van de Unie ondermijnen of bedreigen.
Het gedrag van personen die hierbij betrokken zijn hoeft niet per se strafbaar te zijn. Sancties worden opgelegd om een verandering in het beleid of van de activiteiten van externe actoren teweeg te brengen, niet om personen verantwoordelijk te houden voor het plegen van strafbare feiten.
EU-sanctiemaatregelen, zoals besluit 2024/2643, voldoen wel degelijk aan verschillende juridische eisen en rechtsstatelijke waarborgen. Hierover bestaat bestendige rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU.
Als een persoon op de EU-sanctielijst wordt geplaatst, moet de Raad deze persoon de elementen meedelen waarover hij tegen die persoon beschikt om zijn besluit op te baseren. Vervolgens moet de Raad die persoon de mogelijkheid bieden zijn standpunt over de tegen hem in aanmerking genomen redenen naar behoren kenbaar te maken.2 De plaatsing op de lijst wordt regelmatig geëvalueerd (zie artikel 10 van het besluit). Als de Raad nieuwe gegevens in aanmerking neemt om de persoon te handhaven op de lijst, dan dient de persoon voorafgaand te worden gehoord.3 Telkens als de Raad een besluit jegens de betrokken persoon vaststelt, dus zowel bij het initiële besluit als bij besluiten tot handhaving op de lijst, heeft de persoon het recht om hiertegen beroep in te stellen bij het Gerecht van de Europese Unie (artikel 263 van het EU-werkingsverdrag). Tegen de uitspraken van het Gerecht staat hoger beroep open bij het Hof van Justitie.
Het vermoeden van onschuld verzet zich voor alle duidelijkheid niet tegen de aanname van beperkende maatregelen. Deze maatregelen zijn preventief van aard en betreffen geen strafrechtelijke vervolging.4
Gelet op deze waarborgen ben ik van mening dat adequate rechtsbescherming wordt geboden aan personen die op EU-sanctielijsten worden geplaatst.
Het Gerecht kan de rechtmatigheid van het besluit tot plaatsing op de lijst toetsen, het gaat niet om een marginale toets. De rechterlijke toets houdt onder andere in of het besluit berust op een voldoende solide feitelijke grondslag, met andere woorden of er voldoende bewijs aanwezig is in het dossier om de redenen die de Raad opvoert te onderbouwen. Hierbij geldt dat ten minste één van de redenen toereikend onderbouwd moet zijn om als grondslag van het besluit te dienen.5 Het Gerecht kan ook nagaan of fundamentele rechten zijn geschonden, zoals de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechtsbescherming. In rechtspraak is erkend dat de Raad in het kader van het evenredigheidsbeginsel een ruime beoordelingsbevoegdheid heeft op gebieden waar politieke keuzen met ingewikkelde beoordelingen moeten worden gemaakt. Alleen wanneer het besluit in het licht van het beoogde doel kennelijk ongeschikt is, tast dit de wettigheid van de beperkende maatregel aan.6
Ja.
Voor ieder individu geldt dat er voorafgaand aan sanctionering een bewijspakket wordt samengesteld waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de in het sanctieregime geformuleerde criteria. De betrekking van de betreffende persoon is hierbij geen uitsluitend criterium.
Over de motiveringsplicht die op de Raad rust bestaat vaste rechtspraak van het Hof van Justitie. De Raad moet specifieke en concrete redenen te geven waarom hij van mening is dat de maatregel moet worden vastgesteld. Het is echter niet noodzakelijk dat alle relevante feiten en omstandigheden worden gespecificeerd. Het is voldoende dat de betrokkene de strekking van de maatregel kan begrijpen.7 Het Gerecht kan nagaan of de motiveringsplicht is nagekomen.
Het opleggen van een sanctie heeft tot doel om verandering teweeg te brengen in het beleid of activiteiten van externe actoren en niet om personen of entiteiten verantwoordelijk te houden voor het plegen van strafbare feiten. Opgelegde sancties zijn daarnaast niet gericht tegen het enkel uiten van een mening door individuen, maar tegen de destabiliserende acties of beleidsmaatregelen van Rusland zoals beschreven in het antwoord op vraag 3.
Het kabinet erkent dat het instellen van beperkende maatregelen de vrijheid van meningsuiting, zoals neergelegd in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de EU, kan inperken. Deze bij wet gestelde inperkingen kunnen op grond van artikel 51, lid 1, van het Handvest echter worden gerechtvaardigd met het oog op de door de EU erkende doelstelling van algemeen belang om vrede en veiligheid van haar volkeren te bevorderen (zie artikel 3, lid 5, VEU).
Nee, daartoe ben ik niet bereid. Sancties zijn bestuursrechtelijke maatregelen gericht op gedragsverandering en worden niet opgelegd ter vervolging van strafbare feiten. Het is daarom voor het opleggen van sancties niet doorslaggevend of de activiteiten strafbaar zijn of niet. Voor dit sanctieregime is doorslaggevend of personen verantwoordelijk zijn voor, uitvoering geven aan, steun verlenen aan of voordeel behalen uit destabiliserende acties of beleidsmaatregelen van Rusland.
Ja.