| Ingediend | 21 november 2025 |
|---|---|
| Beantwoord | 26 januari 2026 (na 66 dagen) |
| Indiener | Doğukan Ergin (DENK) |
| Beantwoord door | Jurgen Nobel (VVD) |
| Onderwerpen | bestuur parlement |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2025Z20269.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-956.html |
Tijdens het debat heb ik, in reactie op uw vragen over een Trouw-artikel over de Catshuissessie met moslimjongeren, aangegeven dat ik naast de in het artikel aangehaalde reacties ook andere reacties over het gesprek zelf heb ontvangen. Daarbij gaat het om deelnemers die ik na afloop van het gesprek gesproken heb en om een aantal berichten die ik van een van de deelnemers aan de Catshuissessie heb ontvangen in mijn persoonlijke LinkedIn-inbox.
Hierbij gaat het om berichten die ik, na afloop van de Catshuissessie, op 27 augustus en op 29 augustus heb ontvangen.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 1 heb ik tijdens het debat verwoord dat ik van diverse aanwezigen andere reacties over het gesprek zelf heb ontvangen, zowel na afloop van het gesprek als later op digitale wijze.
In uw eerdere Kamervragen is niet gevraagd naar een geanonimiseerde opsomming, maar naar «de volledige correspondentie, inclusief de reacties en berichten». In de beantwoording op deze vragen is toegelicht waarom het niet wenselijk is om de correspondentie op de gevraagde manier openbaar te maken. Ik vind het belangrijk dat burgers zich vrij voelen om hun ervaringen rechtstreeks met een bewindspersoon te delen. Dat kan alleen als zij erop kunnen vertrouwen dat hun persoonlijke berichten niet zonder meer openbaar worden gemaakt. Het waarborgen van dat vertrouwen is van groot belang voor een open en veilige uitwisseling tussen burgers en overheid, zeker bij gevoelige onderwerpen als discriminatie en uitsluiting. Daarbij gaat het hier om enkele betrokkenen.
Ondanks deze toelichting, houdt u vast aan uw verzoek. Een goede verhouding tussen parlement en kabinet acht ik van groot belang en vanzelfsprekend hecht ik waarde aan het, waar mogelijk, verstrekken van gevraagde inlichtingen. Daarom heb ik betrokkene geïnformeerd dat de correspondentie geanonimiseerd openbaar wordt gemaakt. Het gaat om twee berichten, verzonden op 27 en 29 augustus jongstleden.
In het eerste bericht wordt geschreven: «Hoi Jurgen, ik wil je graag even bedanken voor het gesprek van vandaag. Ik voelde dat je daar oprecht zat om te luisteren en helpen. Dat waardeer ik enorm. Ondanks (of door) de emoties en zwaarte, denk ik dat we de eerste «muren» hebben afgebroken en een hele mooie stap hebben gezet. Bedankt voor je bereidwilligheid, openheid en aanwezigheid ondanks de drukte!».
De reactie hierop is: «Goedemorgen [naam], bedankt voor je bericht. Ik vond het een constructief gesprek. Jammer van de negatieve berichtgeving over het overleg in de media.».
In het tweede bericht wordt geschreven: «Fijn om te horen. Ja dat is inderdaad jammer, maar ik kijk terug op een waardevol gesprek waarin we samen een mooie stap hebben gezet.».
Ja. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 1 en 4.
Zie hiervoor het antwoord op vraag 1 en 4.
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Zie hiervoor het antwoord op vraag 1 en 4.
Het verzoek om de correspondentie ziet toe op mondelinge gesprekken en ontvangen berichten in mijn persoonlijke LinkedIn-inbox. Het beoordelen van de wijze waarop deze informatie openbaar gemaakt kan worden, kostte meer tijd dan op voorhand voorzienbaar was.
Voor de goede orde merk ik op dat voor de informatievoorziening aan de Kamer niet de Woo, maar artikel 68 van de Grondwet het wettelijk kader vormt. Zoals ik in het antwoord in vraag 4 heb toegelicht is de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen aan de orde. Daarbij vind ik het belangrijk dat burgers zich vrij voelen om hun ervaringen rechtstreeks met een bewindspersoon te delen, zonder dat zij bang hoeven te zijn dat deze berichten openbaar worden gemaakt. Deze uitleg heeft u niet op andere gedachten gebracht. Nu ik een goede verhouding tussen parlement en kabinet van groot belang achten waarde te hecht aan het, waar mogelijk, verstrekken van gevraagde inlichtingen, heb ik betrokkene geïnformeerd dat de correspondentie openbaar wordt gemaakt.
Ik kom aan uw verzoek tegemoet door bij vraag 4 de geanonimiseerde versie van berichten te verstrekken.
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Zoals aangegeven is voor de informatievoorziening aan de Kamer niet de Woo, maar artikel 68 van de Grondwet het wettelijk kader. Het recht op inlichtingen van een Kamerlid op grond van artikel 68 van de Grondwet is minimaal even sterk als het recht op openbaarheid onder de Woo. Kamerleden hoeven zich dan ook niet op de Woo te beroepen om toegang tot informatie te krijgen.
Op 16 december 2025 heeft u hieromtrent een uitstelbrief ontvangen.
Hierbij laat ik u weten dat ik in verband met de benodigde afstemming de vragen van het lid Ergin (DENK) over het niet naar tevredenheid beantwoorden van een vraag over de Catshuissessie met moslimjongeren niet binnen de reguliere termijn van 3 weken kan beantwoorden. Ik streef ernaar de antwoorden zo snel als mogelijk aan uw Kamer te sturen.