Kamervraag 2016Z06313

De belemmeringen voor personen met een visuele beperking om als raadslid te kunnen functioneren

Ingediend 29 maart 2016
Beantwoord 19 april 2016 (na 21 dagen)
Indieners Astrid Oosenbrug (PvdA), Manon Fokke (PvdA), Otwin van Dijk (PvdA)
Beantwoord door Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA)
Onderwerpen bestuur gemeenten
Bron vraag https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2016Z06313.html
Bron antwoord https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20152016-2329.html
  • Vraag 1
    Kent u de berichten dat raadsleden mede vanwege de problemen die zij vanwege hun visuele beperking ondervinden bij het raadswerk, hun raadslidmaatschap neer leggen?1

    Ja.

  • Vraag 2
    Zijn u andere voorbeelden bekend van raadsleden of andere politici die (mede) vanwege een visuele of een andersoortige beperking genoodzaakt zijn om hun raadslidmaatschap neer te leggen? Zo ja, hoeveel voorbeelden zijn u bekend en wat was de aard van de problemen die deze raadsleden ondervonden?

    Het Ministerie van BZK houdt niet bij hoeveel politieke ambtsdragers een visuele of andersoortige beperking hebben dan wel om die reden hebben moeten aftreden. De toekenning van de voorzieningen is een verantwoordelijkheid van de bestuursorganen. In incidentele gevallen wordt het ministerie benaderd met vragen over te treffen voorzieningen. De variëteit in situaties is vrij groot. Het kan gaan om de behoefte aan een doventolk, een voorlezer voor blinden, een ringleiding voor slechthorenden of een aangepaste auto.

  • Vraag 3
    Deelt u de mening dat het te betreuren is dat raadsleden met een beperking (mede) vanwege die beperking hun raadslidmaatschap moeten staken? Zo ja, waarom en wat kunt u doen om te voorkomen dat raadsleden om die reden met hun raadswerk moeten stoppen en om het democratisch bestuur toegankelijker te maken voor mensen met een beperking? Zo nee, waarom niet?

    Het is inderdaad te betreuren indien politieke ambtsdragers hun werk moeten neerleggen vanwege hun beperking. Zoals ik heb betoogd in mijn bij brief van 4 juni 20152 naar de Tweede Kamer gestuurde visie op de rechtspositie van politieke ambtsdragers, is één van de kernwaarden van democratie dat het dragen van politieke en bestuurlijke verantwoordelijkheid in beginsel voor een ieder openstaat. Daaruit vloeit voort dat de rechtspositie toetreding tot politieke ambten mogelijk maakt voor geschikte kandidaten en dat de rechtspositie bijdraagt aan een evenwichtige afspiegeling van de samenleving in vertegenwoordigende lichamen en bestuurlijke functies. Dit zijn dan ook onderdelen van het in die visie opgenomen richtinggevend kader voor de invulling van de diverse soorten regelingen en voorzieningen in de rechtspositie van politieke ambtsdragers. Voor de voorzieningen waarop decentrale politieke ambtsdragers op dit moment al aanspraak kunnen maken ingeval van een structurele functionele beperking, verwijs ik u kortheidshalve naar de beantwoording van vraag 4. Op dit moment ben ik op ambtelijk niveau aan het verkennen of meer nodig is. Zie ook het antwoord op vraag 6.

  • Vraag 4
    Welke voorzieningen zijn er voor raadsleden met een beperking om hen te ondersteunen bij de uitvoering van hun raadswerk? Zijn deze voorzieningen in alle gemeenten beschikbaar? Hoeveel gebruik wordt er van deze voorzieningen gemaakt?

    In de rechtspositiebesluiten van alle decentrale voorzitters, dagelijks bestuurders en volksvertegenwoordigers is geregeld dat dergelijke politieke ambtsdragers met een structurele functionele beperking aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming voor de bekostiging van een voorziening als bedoeld in artikel 35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De WIA kent voorzieningen tot bevordering van de arbeidsparticipatie van (overheids)werknemers met een structurele functionele beperking. Het gaat daarbij om arbeidsplaatsvoorzieningen en voorzieningen ter ondersteuning van toeleiding naar arbeid.
    Indien een arts oordeelt dat het om een structurele functionele beperking gaat en betrokkene bekostigt zelf zo’n WIA-voorziening, dan dient het college de tegemoetkoming toe te kennen. Hier is geen discretionaire bevoegdheid. Het mag uitsluitend een vergoeding of tegemoetkoming in geld behelzen, geen voorzieningen in natura, omdat de grondslagen in de Provincie-, Gemeente- en Waterschapswet tot voor kort niet toestonden dat er in de rechtspositiebesluiten niet-financiële voorzieningen worden verstrekt. Ik ben voornemens deze rechtspositionele bepalingen aan deze recente wijziging aan te passen zodat in de toekomst ook niet-financiële voorzieningen kunnen worden verstrekt.

  • Vraag 5
    Deelt u de mening dat zolang raadsleden met een beperking (mede) vanwege die beperking als raadslid moeten stoppen, de genoemde voorzieningen blijkbaar niet toereikend zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?

    Ik begrijp uit het persbericht dat het terugtreden van het betreffende raadslid niet zozeer lag aan de ontoereikendheid van de voorzieningen of aan het gebrek aan medewerking bij de toekenning ervan. Betrokkene heeft ervaren dat zij minstens driemaal zoveel tijd moet investeren in het raadswerk dan haar ziende collega’s, ondanks hulp en hulpmiddelen, en dat dit naast al haar andere werkzaamheden en activiteiten niet meer was op te brengen. Naar mijn mening kan dus niet in algemene zin worden betoogd dat de voorzieningen niet toereikend zijn omdat het voorkomt dat raadsleden met een beperking (mede) vanwege die beperking als raadslid moeten stoppen. Dit soort zaken is erg afhankelijk van de individuele omstandigheden.

  • Vraag 6
    Is er al uitvoering gegeven aan de motie van de leden Voortman en Van Dijk?2 Zo ja, hoe? Zo nee, op welke termijn gaat u uitvoering geven aan deze motie?

    In de motie wordt de regering verzocht te onderzoeken in welke mate mensen met een beperking een vertegenwoordigende of een bestuurlijke functie hebben, wat belemmeringen daarvoor zijn en maatregelen te nemen om belemmeringen voor actieve deelname aan de democratie weg te nemen.
    In samenwerking met de beroepsverenigingen van politieke ambtsdragers en de bestuurlijke koepelorganisaties wil ik ambtsdragers met een structurele functionele beperking benaderen met de vraag welke belemmeringen zij in de praktijk ervaren. Ik zal ook organisaties voor mensen met een handicap benaderen met dezelfde vraagstelling. De uitkomsten van deze inventarisatie zal ik betrekken in de al lopende evaluatie van Dijkstalwetgeving waarover ik in 2017 de Tweede Kamer schriftelijk zal inlichten. In het kader van deze evaluatie wordt onder meer bezien op welke wijze eventuele belemmeringen voor deelname aan de democratische instituties kunnen worden weggenomen.

  • Vraag 7
    Leidt digitalisering ertoe dat het democratisch bestuur minder toegankelijk is voor mensen met een beperking? Zo ja, waarom, en wat wordt daar momenteel tegen gedaan? Zo nee, waarom niet?

    Dat hoeft niet. Digitalisering kan mensen met een beperking ook helpen om zelfstandig te participeren, met minder ondersteuning van anderen. Digitalisering maakt het bijvoorbeeld makkelijker voor mensen die moeite hebben met informatie op papier, door de mogelijkheid van teksten te laten voorlezen, vooringevulde formulieren aan te bieden en filmpjes met ondertiteling te laten zien en – voor visueel beperkten – foto’s van een beschrijving te voorzien.
    Maar het verbeteren van de toegankelijkheid is een continu proces. Overheidsorganisaties doen gebruikersonderzoek. Doorontwikkeling van voorzieningen vindt mede plaats op basis van dergelijk onderzoek. Overheidswebsites moeten voldoen aan de webrichtlijnen (WCAG 2.0). Deze Webrichtlijnen bevatten richtlijnen voor techniekonafhankelijke toegankelijkheid voor websites. Ze moeten daarmee goed werken op diverse apparaten zoals tablets, smartphones en hulpapparatuur. Ook webgebaseerde mobiele applicaties ofwel web apps vallen onder de werkingssfeer van deze internationale standaard, geadopteerd als de Europese standaard EN 301 549 en in de nationale standaard de Webrichtlijnen. Met de naleving van de webrichtlijnen moet het voor mensen met een auditieve of visuele beperking gemakkelijker zijn om zelfstandig om te gaan met digitale informatie.
    Op deze manieren wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de toegankelijkheid van de digitale overheid voor zoveel mogelijk mensen.

  • Vraag 8
    Hoe verhoudt het bericht dat het eventueel onvoldoende toegankelijk zijn van het democratisch bestuur voor visueel gehandicapten zich tot het aangenomen amendement van het lid Otwin van Dijk3 over uitvoering van het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap4, waarin algemene toegankelijkheid geborgd wordt?

    Het amendement dat in de noot bij vraag 8 wordt genoemd is vervangen door amendement met nummer 56 dat in combinatie met subamendement nummer 576 is aangenomen.
    Het voorgestelde artikel 2a van de Wgbh/cz luidt, voor zover hier van belang:
    Het antwoord op de vraag hoe het eventueel ontoegankelijk zijn van het democratisch bestuur zich verhoudt tot het voorgestelde artikel 2a van de Wgbh/cz is mede afhankelijk van de AMvB op grond van het tweede lid van artikel 2a, welke AMvB nog in ontwikkeling is.


Kamervraag document nummer: kv-tk-2016Z06313
Volledige titel: Vragen van de leden Oosenbrug, Otwin vanDijk en Fokke (allen PvdA) aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de belemmeringen voor personen met een visuele beperking om als raadslid te kunnen functioneren (ingezonden 29 maart 2016).
Kamerantwoord document nummer: ah-tk-20152016-2329
Volledige titel: Vragen van de leden Oosenbrug, Otwin vanDijk en Fokke (allen PvdA) aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de belemmeringen voor personen met een visuele beperking om als raadslid te kunnen functioneren (ingezonden 29 maart 2016).