Kamervraag 2010Z08454

De executie van sergeant Meijer op 12 mei 1940

Ingediend 19 mei 2010
Beantwoord 16 juni 2010 (na 28 dagen)
Indiener Remi Poppe (SP)
Beantwoord door
Onderwerpen defensie internationaal
Bron vraag https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2010Z08454.html
Bron antwoord https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20092010-2663.html
1. Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 1997–1998, nr. 728 en nr. 1252.…
2. Zie artikel 359 van de Army Forces Act van 2006 en de toespraak van de Franse president Nicolas Sarkozy in Douamont op 11 november 2008, zie De Volkskrant 12 november 2008.
  • Vraag 1
    Herinnert u zich uw antwoorden op Kamervragen in 1998 over de executie van sergeant Meijer in de meidagen van 1940?1

    Ja.

  • Vraag 2
    Bent u van oordeel, nu deze terechtstelling 70 jaar geleden is, dat – wat er ook van de inhoud van het krijgsraadvonnis van 12 mei 1940 gedacht kan worden – de uitvoering van het doodvonnis van sergeant Chris Meijer in strijd is met de toen geldende wetgeving, meer in het bijzonder met artikel 200 Rechtspleging Landmagt (een aanzegtermijn van een doodvonnis van twee dagen en geen paar uur zoals bij sergeant Meijer) en met artikel 4 van het Koninklijk Besluit van 26 april 1922 over de ten uitvoerlegging van een doodvonnis (een executiepeloton van twaalf leden en niet vijf zoals bij sergeant Meijer)?

    Met uitzondering van de termijn en de wijze van executie heeft de berechting van sergeant Meijer conform de toen geldende rechtspleging plaatsgehad. Er valt thans niet meer te achterhalen welke feiten en omstandigheden er toen toe hebben geleid dat er op deze punten van de rechtspleging is afgeweken.

  • Vraag 3
    Bent u van oordeel, dat als de wettelijke bepalingen correct waren toegepast het uitstel van de executie dat daarvan het gevolg zou zijn geweest, zou hebben geleid tot afstel, gezien de terugtrekking van de Grebbelinie waartoe op 13 mei 1940 besloten werd? Indien nee, waarom niet?

    Zie antwoord vraag 2.

  • Vraag 4
    Is het waar dat generaal-majoor Harberts, op basis van door hem veronderstelde grote lafheid onder Nederlandse militairen, de door hem samengestelde krijgsraad bij installatie meedeelde een doodvonnis voor Meijer te verwachten om zo «een afschrikwekkend voorbeeld» te stellen om de Nederlandse militairen tot harder vechten aan te zetten?

    Ja.

  • Vraag 5
    Is een dergelijke uitspraak als van generaal-majoor Harberts, voorafgaande aan de zitting op 12 mei 1940 van de krijgsraad, te beschouwen als beïnvloeding van de krijgsraad? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is het dan na 70 jaar niet eindelijk gerechtvaardigd om de onafhankelijkheid van de krijgsraad van destijds alsnog in twijfel te trekken, en de terdoodveroordeling van sergeant Chris Meijer, en uitvoering van deze uitspraak van de krijgsraad nog diezelfde dag, te betreuren?

    Zoals al door mijn ambtsvoorganger W. den Toom en de minister van Justitie, mr. C. H. F. Polak, in 1970 is gemeld, moet het houden van de toespraak van de generaal-majoor Harberts in strijd worden geacht met de algemene beginselen van het strafprocesrecht. De leden van de Krijgsraad hebben verklaard niet door de toespraak van de generaal-majoor Harberts beïnvloed te zijn. (Handelingen TK 1969–1970, Aanhangsel nr. 1251).

  • Vraag 6
    Heeft u kennisgenomen van de ontwikkelingen in Engeland en Frankrijk naar aanleiding van de executie van deserteurs in de Eerste Wereldoorlog?2 Bent u bereid het voorbeeld van Engeland en Frankrijk te volgen voor Nederlandse «deserteurs» in de Tweede Wereldoorlog? Indien neen, waarom niet?

    Ik heb kennis genomen van de ontwikkelingen in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Ik ben niet bereid dit voorbeeld te volgen. Het door de vraagsteller aangehaalde artikel uit de Armed Forces Act 2006 van het Verenigd Koninkrijk heeft betrekking op executies tijdens de Eerste Wereldoorlog. De feiten en omstandigheden van de zaak-Meijer laten zich niet vergelijken met de gevallen die geleid hebben tot de formulering van artikel 359 van de Armed Forces Act 2006. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat de ter dood veroordeelde Britse militairen in een aantal gevallen geen volwaardig proces hebben gehad of leden aan de verschijnselen van post traumatische stress. Evenals mijn ambtsvoorganger in 1998 heeft gemeld aan de kamer (handelingen vergaderjaar 1997–1998, nr. 728 en nr. 1252) heb ik geen reden te twijfelen aan het proces van de sergeant Meijer.

  • Vraag 7
    Bent u bereid uw standpunt zoals verwoord in de eerdere Kamervragen te wijzigen en sergeant Meijer op passende wijze te rehabiliteren?

    Neen.


Kamervraag document nummer: kv-tk-2010Z08454
Volledige titel: Vragen van het lid Poppe (SP) aan de minister van Defensie over de executie van sergeant Meijer op 12 mei 1940 (ingezonden 19 mei 2010).
Kamerantwoord document nummer: ah-tk-20092010-2663
Volledige titel: Vragen van het lid Poppe (SP) aan de minister van Defensie over de executie van sergeant Meijer op 12 mei 1940 (ingezonden 19 mei 2010).