Gepubliceerd: 29 juni 2026
Indiener(s): Thierry Aartsen (VVD)
Onderwerpen: arbeidsomstandigheden werk
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36978-3.html
ID: 36978-3

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

1.1. Korte inhoud wetsvoorstel

Dit wetsvoorstel regelt drie grondslagen in de Arbeidsomstandighedenwet. Ten eerste bevat het een grondslag voor een doorlopend kennisprogramma beroepsziekten. Deze grondslag biedt de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (verder: Minister) een duurzame basis om periodiek subsidie te verstrekken aan een samenwerkingsverband van instellingen voor het verrichten van kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten.

In het verlengde daarvan regelt dit voorstel dat de totstandkoming van het kennisprogramma verder kan worden uitgewerkt in een subsidieregeling en een hoofdlijnennotitie(s) in de bijlage daarbij. De Arbeidsomstandighedenwet, de subsidieregeling en een hoofdlijnennotitie samen vormen het kader waarbinnen voor een bepaalde periode subsidie kan worden aangevraagd voor de uitvoering van het kennisprogramma.

Om wat voor kennisactiviteiten het moet gaan, beschrijft de Minister in de hoofdlijnennotitie. Met de hoofdlijnennotitie geeft de Minister dus aan waar hij wil dat onderzoek naar wordt gedaan. Daarnaast stelt hij hierin nadere eisen aan het samenwerkingsverband. Denk hierbij aan eisen over de reeds opgebouwde kennis en ervaring van de instellingen in het samenwerkingsverband en de samenwerking met partijen buiten het samenwerkingsverband. Maar ook aan de periode waarbinnen de kennisactiviteiten moeten worden afgerond.

Voor het thema stoffengerelateerde beroepsziekten zal het standaard om een periode van vijf jaar gaan. Na afloop van de projectperiode kan de Minister een nieuwe hoofdlijnennotitie publiceren. Er volgt dan een nieuwe financieringsronde en een nieuwe subsidieperiode. De gevraagde kennisactiviteiten kunnen daarbij voortbouwen op het eerdere thema. Ook kan de Minister na zo’n periode accenten van de inhoud verschuiven, uitbreiden en/of andere thema’s en doelen aanwijzen. Ook kan het samenwerkingsverband dat subsidie heeft ontvangen voor de nieuwe aanvraagperiode de samenstelling wijzigen.

De subsidietoekenning verloopt via het proces van een subsidietender, waarbij één samenwerkingsverband de subsidie krijgt toegekend. Meer uitleg over de wettelijke structuur en het proces van subsidietoekenning volgt in paragraaf 7.

Ten tweede bevat dit wetsvoorstel een grondslag voor tegemoetkomingsregelingen voor beroepsziekten. De bestaande tegemoetkomingsregelingen voor beroepsziekten zullen na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel op deze grondslag zijn gebaseerd. Het gaat hierbij om de volgende twee tegemoetkomingsregelingen:

1. De Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten (Regeling-TSB).1 Deze regeling biedt (voormalig) werkenden met een stoffengerelateerde beroepsziekte de mogelijkheid een financiële tegemoetkoming aan te vragen bij de overheid. De tegemoetkoming is geen schadevergoeding. De tegemoetkoming is bedoeld als een maatschappelijke erkenning van het opgelopen leed.

De huidige regeling staat open voor de volgende ernstige beroepsziekten: longkanker door blootstelling aan asbest en/of respirabel kristallijn silica, allergisch beroepsastma door allergenen en chronic-solvent-induced encephalopathy (cse) door vluchtige oplosmiddelen zoals bedoeld in artikel 4.62a van het Arbeidsomstandighedenbesluit 2, neus-(bijholte) kanker door houtstof en silicose door kristallijn silica. De regeling wordt in de toekomst uitgebreid met meer stoffengerelateerde beroepsziekten. Zie voor de meest recente informatie over de regeling de Kamerbrief en de rapportage in de bijlage daarbij.3

2. De Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014 (Regeling-TAS).4 Dit is een tegemoetkomingsregeling voor (voormalig) werkenden met de beroepsziekten mesothelioom of asbestose.

Ten derde biedt dit voorstel een wettelijke grondslag voor het reeds bestaande Steunpunt RI&E (risico-inventarisatie en evaluatie) en ook de mogelijkheid tot het verlenen van subsidie aan dit Steunpunt. De regering maakt hiermee de structurele financiering van de activiteiten van dit Steunpunt mogelijk.

1.2. Waarom is deze wetswijziging nodig?

De regering vindt deze wetswijziging noodzakelijk om de volgende redenen:

Ten eerste is de kennis over beroepsziekten in Nederland nog onvoldoende. De opbouw van kennis over stoffengerelateerde beroepsziekten is daarbij prioritair. Voor de opbouw daarvan ontbreekt in Nederland vanuit ons systeem een stimulans. Dit hangt samen met het sociale systeem dat Nederland hanteert: het zogenaamde «risque social». Binnen dit systeem is het voor een uitkering door arbeidsongeschiktheid niet nodig dat een werkende kan aantonen dat hij ziek is geworden door zijn werk met een gevaarlijke stof. Mede door dit systeem is de kennis over stoffengerelateerde beroepsziekten in Nederland minder groot dan in landen waar een ander systeem geldt. Dat systeem heet: «risque professionel». Daarbinnen is het wel nodig voor een uitkering dat een (voormalig) werkende kan aantonen dat hij ziek is geworden door zijn werk met een gevaarlijke stof. Er is nog veel tijd en een stabiele structuur nodig om de kennis over (stoffengerelateerde) beroepsziekten in Nederland te vergroten. Door het ontbreken van een stimulans vanuit ons sociale systeem hiervoor, vindt de regering het noodzakelijk om deze ontwikkeling te bevorderen.

Ten tweede passen betrokkenen de kennis over stoffengerelateerde beroepsziekten die er is onvoldoende toe in de praktijk. Dit bemoeilijkt een goede preventie op de werkvloer, vroegsignalering, vroegdiagnostiek, medische diagnostiek en behandelmethoden. Huisartsen, medische specialisten en bedrijfsartsen in Nederland herkennen veel gezondheidsklachten nog niet als stoffengerelateerde beroepsziekten. Ze vragen hier nog te weinig over door. Opleiders van huisartsen, medisch specialisten en bedrijfsartsen besteden nog te weinig aandacht aan de mogelijkheid dat een cliënt ziek is geworden door zijn arbeidsomstandigheden. Ten slotte zijn (voormalig) werkenden in Nederland zelf er onvoldoende alert op dat hun probleem zijn oorsprong kan vinden op de werkplek.

Ten derde: bij meerjarige kennisprogramma’s moet er een bepaalde zekerheid worden geboden voor het voortbestaan en de uitbreiding daarvan. De doelen van een dergelijk kennisprogramma zijn niet in korte tijd te behalen. Ook is het belangrijk dat de juiste medewerkers worden aangetrokken en voor langere tijd kunnen worden behouden. De betrokken medewerkers moeten daarvoor bijvoorbeeld ruim op tijd duidelijkheid hebben over de duur van hun arbeidscontract. Dit kan worden geboden door in elke hoofdlijnennotitie duidelijk aan te geven wat de duur van de subsidieperiode is. Ook is het van belang de subsidieregeling ruim voor het aflopen van een subsidieperiode te wijzigen in verband met een nieuwe subsidieperiode. Zodat er ruim op tijd duidelijk is of contracten kunnen worden verlengd en/of welke onderzoekers moeten worden geworven.

Dit alles vraagt om stabiliteit èn flexibiliteit voor het programma. De regering wil dit bieden met een grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet voor de subsidiëring van samenwerkingsverbanden voor kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten.

Het kennisprogramma zal zich de eerste decennia in ieder geval richten op de opbouw van kennis rondom stoffengerelateerde beroepsziekten. Stoffengerelateerde beroepsziekten zijn ernstige ziekten die mensen hebben opgelopen door hun werk met gevaarlijke stoffen, gassen of dampen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan asbest, allergenen en oplosmiddelen. De grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet voor het kennisprogramma beperkt zich echter niet tot enkel stoffengerelateerde beroepsziekten, maar omvat beroepsziekten in het algemeen. Dit maakt het mogelijk om in de toekomst, of als daar tussentijds een acute noodzaak voor is, binnen dit kennisprogramma ook onderzoek uit te laten voeren naar andere dan stoffengerelateerde beroepsziekten.

De reden om de financiering van een samenwerkingsverband verder in te kaderen met een subsidieregeling, met in de bijlage een periodieke hoofdlijnennotitie is tweeledig:

1. Het kennisprogramma kan zo – na afloop van een subsidieperiode – worden aangepast aan nieuwe omstandigheden. Waarbij het voortbestaan van het kennisprogramma zelf door de grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet is geborgd en het dus steeds betekenisvoller kan worden door de aanpassing of uitbreiding ervan.

In geval van dringende actualiteiten is het daarnaast mogelijk om – lopende een subsidieperiode – een nieuwe hoofdlijnennotitie toe te voegen aan de regeling om in te spelen op deze actualiteit.

2. Het samenwerkingsverband dat het kennisprogramma uitvoert, kan periodiek van samenstelling wijzigen. En zo worden aangepast aan nieuwe omstandigheden.

Verder kennen de Regeling-TSB en de Regeling-TAS op dit moment allebei een tijdelijke grondslag in de Kaderwet SZW-subsidies. De regering vindt de erkenning van getroffenen erg belangrijk en wil dit daarom beter geregeld hebben. Met dit wetsvoorstel stelt zij daarom voor om beroepsziekteregelingen van een blijvende grondslag te voorzien. Doel hiervan is de tegemoetkomingen voor getroffenen beter te borgen.

Daarnaast zal de Regeling-TSB in de loop van de tijd, zoals eerder aangegeven, steeds meer stoffengerelateerde beroepsziekten bevatten. De door de regering ingestelde onafhankelijke «Adviescommissie lijst beroepsziekten» adviseert over de stapsgewijze uitbreiding van de bestaande regeling met andere beroepsziekten.5 Ook in dat verband moet de kennis over stoffengerelateerde beroepsziekten in Nederland worden vergroot, verspreid en toegepast.

Een wetswijziging is ook nodig voor het Steunpunt RI&E. Het Steunpunt RI&E werkt momenteel op basis van een driejarige subsidie. Deze subsidie loopt ten einde op 31 april 2027. Daarna is nieuwe financiering vereist. Het is de wens van de regering en sociale partners verenigd in de Stichting van de Arbeid om deze financiering structureel te maken om de continuïteit van het Steunpunt RI&E te waarborgen. De regering is van mening dat een bepaalde zekerheid geboden dient te worden bij de (door)ontwikkeling van een ondersteuningsorganisatie. Met een financiële waarborg kan meer aandacht uitgaan naar de ontwikkeling van de dienstverlening van het Steunpunt naar bedrijven en burgers. Voor de duidelijkheid: het gaat hierbij dus niet om de oprichting van een nieuwe organisatie, het Steunpunt bestaat al sinds 2004, maar om de financieringsstructuur.

2. Aanleiding voor dit wetsvoorstel

Werkgevers moeten hun werknemers een gezonde en veilige werkomgeving bieden. Ze zijn hierbij verplicht een risico-inventarisatie en evaluatie te doen. Als er sprake is van gevaarlijke stoffen op de werkvloer gelden hier nog extra vereisten. Denk hierbij aan het bijhouden van een stoffenregistratie en het inschatten van de risico’s van blootstelling aan deze stoffen. In het geval van kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische stoffen moet er op grond van de Europese CMR-richtlijn per medewerker een blootstellingsregistratie worden bijgehouden.6 Met mutagene stoffen worden hierbij stoffen bedoeld die een verandering in het genetische materiaal van een cel veroorzaken en met reprotoxische stoffen, stoffen die schadelijk zijn voor de voortplanting.

Daarnaast zijn er grenswaarden voor maximale blootstelling voor de meest schadelijke stoffen gesteld. Het opstellen hiervan gebeurt op Europees niveau en op nationaal niveau. Als er niet op nationaal niveau grenswaarden zijn gesteld, dan moet een werkgever zelf veilige grenswaarden afleiden.

De blootstelling moet binnen de grenswaarden voor veilige blootstelling blijven en de werkgever moet daarvoor de nodige maatregelen treffen.

De werkgever heeft dus een zorgplicht. Aan de andere kant heeft ook de werknemer de verplichting om zorg te dragen voor zijn eigen veiligheid en die van collega’s. Dit is geregeld in de Arbeidsomstandighedenwet.

Het komt voor dat (voormalig) werkenden een stoffengerelateerde beroepsziekte krijgen. Zij kunnen hun werk- of opdrachtgever hiervoor aansprakelijk stellen en een beroepsziekteclaim indienen bij de civiele rechter. Beroepsziekteclaims behoren tot de meest ingewikkelde claims binnen de letselschade. Werknemers ervaren verschillende belemmeringen:

  • – Het is moeilijk voor de werknemer om de werkgever aansprakelijk te stellen. Zeker als de relatie goed is.

  • – Beroepsziekten kunnen meerdere oorzaken hebben. Zo wordt bijvoorbeeld 80% van de gevallen van longkanker veroorzaakt door roken. Het is daarom vaak moeilijk om aan te tonen dat longkanker is veroorzaakt door blootstelling aan een gevaarlijke stof, damp of gas op het werk.

  • – De ziektebeelden en de klachten zijn soms moeilijk aantoonbaar en/of niet duidelijk genoeg.

  • – De procedures duren lang (gemiddeld ruim vier jaar, maar tien jaar is geen uitzondering) en kunnen kostbaar zijn voor de (voormalig) werkende (15.000 – 70.000 euro).

  • – Sommige ziekten, zoals longkanker door asbest, kunnen in een ver verleden zijn opgelopen. Hierdoor is sommige «bewijslast» verdwenen. Misschien bestaat het bedrijf niet meer en/of zijn de medische dossiers niet zo lang bewaard.

In 2000 is de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers ingevoerd. Dit is de voorloper van de huidige Regeling-TAS uit 2014. De overheid wilde het leed erkennen van werknemers die mesothelioom hebben gekregen door het werken met asbest. Mesothelioom is een dodelijke ziekte. De ziekte is monocausaal. Dat wil zeggen dat deze alleen door asbest kan zijn veroorzaakt. De tegemoetkoming betreft geen schadevergoeding. Dit betekent dat de tegemoetkoming geen verband houdt met de feitelijke schade die een werkende door zijn ziekte lijdt.

Eerder, in 1998, hadden sociale partners, verzekeraars en de rijksoverheid het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) opgericht. Het IAS had aanvankelijk primair de taak namens het asbestslachtoffer met de (ex)werkgever of diens verzekeraar te bemiddelen over een schadevergoeding. Dit om hiermee het asbestslachtoffer zoveel mogelijk te ontlasten. Na de invoering van de Regeling-TAS kreeg het IAS ook een rol in de uitvoering van deze regeling; het IAS adviseert de Sociale verzekeringsbank (SVB) over de toekenning van de tegemoetkoming.

In 2003 is de Regeling-Tas zodanig gewijzigd dat de tegemoetkoming voortaan als voorschot wordt verstrekt. Het slachtoffer ontvangt zo spoedig mogelijk na aanvraag de financiële tegemoetkoming van de SVB. Slaagt de bemiddeling over een schadevergoeding vervolgens, dan wordt de tegemoetkoming teruggevorderd. In dat geval kan de tegemoetkoming worden beschouwd als voorschot. Slaagt de bemiddeling niet, dan wordt de tegemoetkoming definitief.

Vanaf 2007 kwamen ook niet-werknemers met mesothelioom in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming. Hiertoe is de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom (Regeling TNS) ingevoerd. De uitvoering van deze regeling is eveneens belegd bij het IAS en de SVB.7

Werknemers en niet-werknemers die door het werken met asbest de ziekte asbestose hebben gekregen, kunnen sinds 2014 eveneens een beroep doen op de Regeling-TAS en de Regeling-TNS. Ook asbestose is een monocausale ziekte. In dat jaar is de Regeling TNS aangepast en is de huidige Regeling-TAS vastgesteld. In 2019 meldde zich het 10.000e asbestslachtoffer bij het IAS. Nog altijd melden zich jaarlijks ruim 600 asbestgetroffenen.

De derde regeling die is ontwikkeld voor beroepsziekten door gevaarlijke stoffen is de regeling voor chronic-solvent-induced encephalopathy (CSE). Het gaat om een ernstige aandoening van het centrale zenuwstelsel als gevolg van de langdurige blootstelling aan oplosmiddelen in diverse beroepen zoals drukker, schilder, autospuiter en parketteur. CSE is een monocausale ziekte. Echter, de symptomen kunnen ook door andere oorzaken verschijnen. De vaststelling van CSE is daardoor lastiger dan bij de eerder genoemde mono-causale beroepsziekten die veroorzaakt zijn door asbest (meshothelioom en asbestose). De vaststelling van CSE is een ingewikkeld proces van uitsluiting van andere aandoeningen, waarbij diverse deskundigen ingezet moeten worden. Voor meer informatie over de ziekte kan de website van de patiëntenorganisatie Organisch Psychosyndroom (OPS) worden geraadpleegd: www.stichtingops.nl. De CSE-regeling is in 2017 in werking getreden en in 2023 opgenomen in de Regeling-TSB.

De Sociaal Economische Raad benoemde in zijn advies uit december 2012 een aantal mogelijkheden om het proces van de ingewikkelde claims te verbeteren.8Het betrof onder meer het aanstellen van gespecialiseerde rechters en een (verplichte) aansprakelijkheidsverzekering voor werkgevers tegen de financiële risico’s van schade als gevolg van beroepsziekten. Geen van de opties bleek te kunnen rekenen op draagvlak.

Er volgden verschillende incidenten met blootstelling aan chroom-6 bij Defensie en de gemeente Tilburg. De gemeente Tilburg werkte hierbij samen met de Nederlandse Spoorwegen. De onafhankelijke commissie Tilburg chroom-6 stelde in haar rapport van 31 januari 2019 dat het stelsel van individuele schadeafhandeling van beroepsziekten via het aansprakelijkheidsrecht nog steeds problematisch was.9 Dit was voor de toenmalig Staatssecretaris van SZW aanleiding om op 1 juli 2019 de commissie Vergemakkelijking Schadeafhandeling bij Beroepsziekten, VSAB onder leiding van Ton Heerts (hierna: commissie Heerts) in te stellen.10 De commissie kreeg tot taak advies uit te brengen over een betere organisatie van schadeafhandeling bij beroepsziekten door stoffen en daartoe verbetervoorstellen te doen. Op 14 mei 2020 heeft de commissie haar advies uitgebracht.11

De commissie Heerts heeft het Kabinet geadviseerd over een betere organisatie van het proces van schadeafhandeling bij beroepsziekten door blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Heerts adviseerde onder andere om een laagdrempelige en toegankelijke procedure in te richten voor een tegemoetkoming (geen schadevergoeding). Met de tegemoetkomingsregeling zou de samenleving, aldus de commissie, uitdrukking geven aan haar betrokkenheid bij het leed dat door het werken met gevaarlijke stoffen in het arbeidsproces is veroorzaakt.

Deze tegemoetkoming zou de route naar het aansprakelijkheidsrecht niet afsnijden; het zou mogelijk blijven voor getroffenen om een claim in te dienen bij de civiele rechter. In tegenstelling tot de Regeling-TAS uit 2014 zijn aanvragers van de Regeling-TSB niet verplicht gesteld om mee te werken aan een civiele claim richting de (voormalige) werkgever.

De commissie Heerts adviseerde ook om een voorziening voor bundeling, ontwikkeling, verspreiding en toepassing van kennis over stoffengerelateerde beroepsziekten in te richten. En hierbij rekening te houden met al bestaande, samenwerkende instellingen in Nederland die zich hier al voorzichtig mee bezig hielden.

De regering heeft aangegeven beide adviezen om zetten in beleid.12 Dit is inmiddels voor het grootste gedeelte gedaan. Dit wetsvoorstel is het sluitstuk daarvan. Een toelichting op de acties die zijn ingezet naar aanleiding van de adviezen van de commissie Heerts volgt in de paragrafen 3 en 4.

Ten slotte bevat dit wetsvoorstel een grondslag voor de financiering van het Steunpunt Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E). Zoals eerder is vermeld is de RI&E een wettelijke verplichting voor iedere werkgever met ten minste één werknemer in dienst. De RI&E is de basis van een gezonde en veilige werkomgeving en bestaat al sinds 1994. De RI&E is een Europese verplichting die voortkomt uit de Europese Kaderrichtlijn 89/391. In de RI&E dient de werkgever te inventariseren welke arbeidsrisico’s zich voordoen in de organisatie. Vervolgens dient de werkgever in het plan van aanpak maatregelen te treffen om de geïnventariseerde risico’s te minimaliseren of te beheersen. Het Steunpunt RI&E helpt bedrijven en branches met informatie en hulpmiddelen zodat zij kunnen voldoen aan de wettelijke RI&E-verplichting. Ook andere belanghebbenden zoals werknemers en zzp’ers kunnen terecht bij het Steunpunt RI&E. Het opstellen van een RI&E wordt, door met name het midden- en kleinbedrijf (tot 25 werknemers), ervaren als een complexe taak13 14 15. Het opstellen kost tijd en geld van de werkgever, bijvoorbeeld om deskundige bijstand te vragen voor het opstellen en toetsen van de RI&E. Taken die het Steunpunt RI&E op zich neemt zijn bijvoorbeeld het beantwoorden van vragen van werkgevers: ben ik als werkgever verplicht een RI&E op te stellen? Is er voor mijn branche een branche RI&E beschikbaar? Waar moet ik starten als ik een RI&E wil opstellen? Ook onderhoudt het Steunpunt online hulpmiddelen, zoals de Route naar RIE.

Het Steunpunt RI&E bezit niet de arbokennis waarover arbokerndeskundigen beschikken. Het Steunpunt stelt dan ook geen RI&E’s op en kan daar ook niet inhoudelijk bij meedenken.

Het Steunpunt RI&E bestaat sinds 2004. De Minister is opdrachtgever. Het is in overleg met sociale partners opgericht. Het Steunpunt maakte van 2004 tot 2007 onderdeel uit van het Arboplatform van de Sociaal-Economische Raad (SER). Na 2007 is besloten het Steunpunt onder te brengen bij onderzoeksinstituut TNO. In 2011 werd gestart met een nieuw zelfreguleringsinstrument om het voor werkgevers eenvoudiger te maken om aan de RI&E-verplichting te voldoen: de introductie van de erkende branche RI&E. Bedrijven met minder dan 25 werknemers die gebruik maken van een erkende branche RI&E hoeven hun RI&E niet te laten toetsen. Met de introductie van de erkende branche RI&E ontstond een nieuwe structuur van het Steunpunt. Branche RI&E’s moesten erkend worden en er werd besloten dat de erkenningsprocedure uitgevoerd moest worden door de sociale partners (werkgever- en werknemersvertegenwoordigingen) in de Stichting van de Arbeid. De Stichting werd op dat moment formeel eigenaar van het Steunpunt RI&E. In de Stichting werd een werkgroep opgericht voor het Steunpunt met daarin een vertegenwoordiging van werknemers en werkgevers: FNV, CNV, VCP, MKB-Nederland, Uneto-VNI en VOB.

Echter bleven het secretariaat van het Steunpunt en de bijbehorende website bij TNO. In 2023 rees de vraag of TNO nog de meest voor de hand liggende organisatie is voor het beheer van het secretariaat van het Steunpunt. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, opdrachtgever en financierder van het Steunpunt RI&E, heeft de werkgroep in de Stichting van de Arbeid vervolgens advies hierover gevraagd.

De werkgroep sprak unaniem de voorkeur uit om het Steunpunt RI&E onder te brengen bij de SER in plaats van bij TNO. De voornaamste reden was het contact met sociale partners en het Arboplatform, een initiatief van de SER waar allerlei informatie rondom arbeidsomstandigheden voor werkgevers wordt ontsloten. Het Steunpunt sloot volgens de werkgroep goed aan bij de reeds bestaande SER-initiatieven. Vanaf 1 mei 2024 is het secretariaat van het Steunpunt ondergebracht bij de SER. De driejarige subsidie die het Steunpunt RI&E ontvangt voor haar werkzaamheden loopt tot 1 mei 2027. Het is de wens van de regering en sociale partners om deze financiering structureel te maken om de continuïteit van het Steunpunt te waarborgen. Dit wetsvoorstel biedt daarom een wettelijke grondslag voor structurele subsidiering zodat het Steunpunt haar taken duurzaam kan uitvoeren.

Het bieden van een wettelijke grondslag voor subsidiering van het Steunpunt RI&E is niet een nieuwe financiële verplichting, maar een verduidelijking van een unanieme structurele intentie.

3. Uitwerking Kabinetsreactie adviescommissie Heerts

Per 1 januari 2023 heeft de regering een belangrijke eerste stap gezet op het gebied van de uitwerking van het advies van de commissie Heerts: erkenning van getroffenen van stoffengerelateerde beroepsziekten. Op dat moment is de Regeling-TSB in werking getreden.

De tweede stap volgde op 1 juli 2023. Op die datum heeft de regering een aantal – al bestaande en samenwerkende – instellingen in Nederland met kennis van stoffengerelateerde beroepsziekten een subsidie verstrekt voor een eerste werkprogramma over beroepsziekten door gevaarlijke stoffen.

De subsidie is verstrekt aan het samenwerkingsverband Landelijk expertisecentrum stoffengerelateerde beroepsziekten (Lexces).16 Dit samenwerkingsverband was door de heer mr. drs. Bruins aangeraden.17 Bruins was gevraagd hier, als verkenner, onderzoek naar te doen naar aanleiding van het advies van de commissie Heerts. En de regering hierover te adviseren. Bruins constateerde dat veel hoogwaardige kennis over deze ziekten geconcentreerd was in een zeer beperkt aantal, kleine, zeer deskundige instituten.18

Daarnaast heeft SZW ingezet op het verder ondersteunen van werkgevers en werknemers. Bijvoorbeeld door het ontwikkelen van handreikingen over wettelijke verplichtingen. Denk bijvoorbeeld aan een werkwijzer over gevaarlijke stoffen of over het werken met nano- of ultrafijnstof. Ook is er een toolbox gezond werken met stoffen ontwikkeld en beschikbaar gemaakt via het Arboportaal: www.arboportaal.nl.

Hierin zitten hulpmiddelen die werkgevers en werkenden helpen bij het veilig werken met gevaarlijke stoffen. Hierin wordt specifiek aandacht besteed aan werken met chroom 6.

Het sluitstuk van de uitwerking van het advies van de commissie Heerts vormt dit wetsvoorstel om het kennisprogramma en beroepsziekteregelingen van een grondslag te voorzien. Zodat dit permanente voorzieningen worden. Het voornemen is om een samenwerkingsverband van private en publieke instellingen te financieren voor de ontwikkeling en uitvoering van een kennisprogramma stoffengerelateerde beroepsziekten. Dit programma bouwt voort op het onderzoeksprogramma dat van juli 2023 tot en met juni 2028 op basis van een tijdelijke projectsubsidie wordt uitgevoerd door het Lexces.

Zoals in paragraaf 1.2 al is aangegeven, kiest de regering er in dit wetsvoorstel voor om het kennisprogramma betrekking te laten hebben op beroepsziekten in het algemeen. De regering maakt deze keuze met het oog op eventuele toekomstige ontwikkelingen die nader onderzoek naar andere dan stoffengerelateerde beroepsziekten wenselijk of noodzakelijk maken. Mocht er in de toekomst behoefte bestaan aan onderzoek naar een bepaalde niet-stoffengerelateerde beroepsziekte, dan kan de Minister op basis van het voorgestelde stelsel in dit wetsvoorstel een hoofdlijnennotitie uitbrengen die zich richt op deze beroepsziekte. Op dat moment kan er subsidie worden verstrekt aan een samenwerkingsverband voor het doen van nader onderzoek naar deze beroepsziekte, in lijn met de hoofdlijnennotitie.

4. De doelen van het kennisprogramma

Op grond van het voorgestelde artikel 9a van de Arbeidsomstandighedenwet kan de Minister van SZW subsidie verstrekken aan een samenwerkingsverband voor de uitvoering van kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten. Deze kennisactiviteiten dienen in ieder geval de volgende doelen:

  • 1. Het bundelen van kennis over beroepsziekten in binnen- en buitenland.

  • 2. Het – zo nodig – ontwikkelen van nieuwe kennis.

  • 3. Het verspreiden van kennis over de doelgroepen binnen Nederland: huisartsen, medisch specialisten, bedrijfsartsen, arbeidshygiënisten, preventiemedewerkers, veiligheidsdeskundigen en ergonomen. Maar ook: werkgevers, werkenden en relevante beroep- en zorgopleiders.

Het is de bedoeling dat door het kennisprogramma de kennis over beroepsziekten zich steeds verder uitbreidt en verspreidt. Bruins, die het Kabinet heeft geadviseerd over de uitwerking van het advies van de commissie Heerts over de kennisopbouw van stoffengerelateerde beroepsziekten, sprak in dit verband over «een kenniscirkel». Zie voor de werking van de kenniscirkel het onderstaande overzicht.

Overzicht werking kenniscirkel

  • – Het samenwerkingsverband van instellingen vormt een «eerste ring» binnen de kenniscirkel.

  • – De betrokken onderzoekers van de instellingen van het samenwerkingsverband in de eerste ring bundelen de bestaande kennis uit binnen- en buitenland.

  • – Dit betreft ook kennis die zij ontwikkelen in samenwerking met doelgroepen en/of bedrijven in de praktijk. Deze vorm van onderzoek wordt ook wel «werkplaatsonderzoek» of «praktijkgericht onderzoek» genoemd. Het betreft wel kennis die veralgemeniseerd kan worden. Het betreft dus geen praktijkonderzoek dat alleen van toepassing is op één specifieke situatie.

  • – Zo nodig vult het samenwerkingsverband de kennis aan met nieuw onderzoek.

  • – Het samenwerkingsverband betrekt instellingen buiten de eerste ring voor aanvullende kennis en/of expertise, via onderaanbesteding. Deze instellingen vormen de «tweede ring» in de kenniscirkel.

  • – De betrokken onderzoekers verspreiden de kennis over de doelgroepen, zodat zij de kennis kunnen toepassen.

De regering wil met dit kennisprogramma ervoor zorgen dat de kennis verbetert van alle betrokken doelgroepen over beroepsziekten door gevaarlijke stoffen, gassen en/of dampen. Het kennisprogramma bouwt voort op de uitkomsten van het tijdelijke onderzoeksprogramma naar stoffengerelateerde beroepsziekten dat is uitgevoerd door een samenwerkingsverband van kennisinstellingen onder de naam Landelijk Expertisecentrum Stoffengerelateerde Beroepsziekten (Lexces).

Het kennisprogramma sluit nadrukkelijk aan bij de kennis die internationaal is opgebouwd. Het betreft hier niet alleen fundamenteel wetenschappelijke onderzoekskennis, maar ook kennis over de verspreiding en toepassing van deze kennis en wetenschappelijke inzichten op het gebied van de gedragsverandering die hiervoor nodig is. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de kennis die beschikbaar is via het Europees Agentschap for Safety and Health at work (EU OSHA) of buitenlandse overheidsinstanties. Het is ook belangrijk dat er kennisgenomen wordt van de Europese bepalingen op het terrein van gevaarlijke stoffen, zoals die bijvoorbeeld zijn opgenomen in de Kaderrichtlijn veiligheid en gezondheid op het werk uit 1989.19

Het kennisprogramma richt zich niet op het uitvoeren van interventies op het gebied van inzicht in verantwoordelijkheden en gedragsverandering.

Het legt wel een kennisbasis neer voor andere partijen om dit op te pakken. Via deze interventies kunnen de doelgroepen zich bewuster worden van hun verantwoordelijkheden en gedrag. En meer inzicht krijgen in hoe hun verantwoordelijkheid te nemen en gedrag te veranderen. Denk hierbij aan dat zij daadwerkelijk meer maatregelen nemen ter preventie. En voor vroegsignalering, vroegdiagnostiek, medische diagnostiek en behandelmethoden.

Op die manier kan het doorlopend kennisprogramma er uiteindelijk aan bijdragen dat minder mensen ernstig ziek worden door hun werk en dat mensen die ziek zijn geworden, sneller worden gediagnosticeerd en beter worden geholpen. Een mogelijk neveneffect is dat mensen met een beroepsziekte, waaronder stoffengerelateerde beroepsziekten, beter hun weg naar de regelingen voor financiële tegemoetkomingen weten te vinden, dan nu het geval is. De regering verwacht dat het kennisprogramma ook hier in de toekomst een bijdrage aan gaat leveren.

5. De doelen van de grondslag voor beroepsziekteregelingen

Zoals gezegd kennen de Regeling-TSB en de Regeling-TAS op dit moment allebei een tijdelijke grondslag in de Kaderwet SZW-subsidies. Deze grondslag is niet bedoeld als een duurzame basis voor de verstrekking van financiële middelen, waaronder tegemoetkomingen. In dit wetsvoorstel is daarom, in artikel 9b, een duurzame grondslag opgenomen voor de verstrekking van tegemoetkomingen aan personen die lijden aan een beroepsziekte. Met een definitieve grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet voor genoemde regelingen en mogelijk nieuwe regelingen voor tegemoetkomingen bij beroepsziekten, borgt de regering de tegemoetkomingen voor getroffenen van beroepsziekten.

Om te kunnen beoordelen of iemand in aanmerking komt voor een tegemoetkoming, omdat hij of zij lijdt aan een beroepsziekte, is het onvermijdelijk dat er gegevens worden verwerkt die iets zeggen over de gezondheid van deze persoon. Dit zijn bijzondere persoonsgegevens. Op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) is daarom een expliciete grondslag vereist om deze gegevens te mogen verwerken. Om buiten twijfel te stellen dat gegevens over gezondheid mogen worden verwerkt voor het verstrekken van tegemoetkomingen, bevat het voorgestelde artikel 9b een expliciete grondslag voor de verwerking van gegevens over gezondheid.

6. De doelen van de grondslag voor het steunpunt RI&E

Het Steunpunt RI&E kent op dit moment een tijdelijke grondslag in de Kaderwet SZW-subsidies. Deze grondslag is niet bedoeld als een duurzame basis voor de verstrekking van financiële middelen. In dit wetsvoorstel is daarom een wettelijke grondslag opgenomen voor structurele financiering van het Steunpunt RI&E. Met een specifieke grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet borgt de regering ondersteuning voor werkgevers, brancheorganisaties, zzp’ers en werknemers middels het Steunpunt, nu en in de toekomst. De grondslag is conform de unanieme wens van de sociale partners verenigd in de Stichting van de Arbeid.

7. Wettelijke structuur van het kennisprogramma

De Arbeidsomstandighedenwet, de subsidieregeling en de hoofdlijnennotitie samen vormen het kader waarbinnen subsidie kan worden aangevraagd voor het kennisprogramma. De subsidietoekenning verloopt via het proces van een subsidietender, waarbij één samenwerkingsverband de subsidie krijgt toegekend.

7.1. Wettelijke grondslag en wettelijke eisen

De Arbeidsomstandighedenwet bevat, na de wijziging middels dit wetsvoorstel, een wettelijke grondslag voor de subsidiëring van één samenwerkingsverband voor de uitvoering van kennisactiviteiten in het kader van het kennisprogramma. En ook de eisen waaraan de instellingen binnen het samenwerkingsverband moeten voldoen om in aanmerking te komen voor financiering. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de eis dat de individuele instellingen binnen het samenwerkingsverband rechtspersoonlijkheid bezitten of onderdeel uitmaken van een rechtspersoon.

7.2. Subsidieregeling

Een samenwerkingsverband kan in groepsverband, als consortium, op grond van de eisen in de Arbeidsomstandighedenwet, de onderliggende subsidieregeling en de hoofdlijnennotitie subsidie aanvragen voor de uitvoering van kennisactiviteiten. Alleen instellingen die geen onderdeel uitmaken van de Staat, zoals universiteiten en stichtingen, maar ook gemeenten en/of zelfstandige bestuursorganen met een eigen rechtspersoonlijkheid (zbo’s) kunnen subsidie ontvangen.

In de subsidieregeling staan onder andere de procedure voor de subsidieaanvraag en administratievoorschriften waar de ontvanger van een subsidie aan moet voldoen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan:

  • 1. Hoe het samenwerkingsverband de aanvraag moet indienen.

  • 2. Hoe de aanvraag vervolgens wordt behandeld en beoordeeld.

  • 3. Wat de weigeringsgronden zijn.

  • 4. Wat de administratievoorschriften – na toekenning – zijn.

  • 5. Hoe er over de voortgang gerapporteerd moet worden.

  • 6. Hoe de subsidievaststelling werkt.

  • 7. Wanneer de subsidie kan worden ingetrokken of teruggevorderd.

Geïnteresseerde samenwerkingsverbanden kunnen tijdens het aanvraagtijdvak een aanvraag voor subsidie indienen. Het aanvraagtijdvak en subsidieplafond worden in de regeling bekendgemaakt. Na sluiting van het tijdvak worden de ingekomen aanvragen beoordeeld. Het samenwerkingsverband dat voldoet aan de gestelde eisen in de Arbeidsomstandighedenwet en de subsidieregeling, en op grond van de hoofdlijnennotitie het hoogste aantal punten heeft, zonder dat een uitsluitingsgrond van toepassing is, krijgt de subsidie. De subsidie wordt verstrekt op basis van één voorstel voor een samenhangend kennisprogramma van één samenwerkingsverband.

Als in het samenwerkingsverband een of meer instellingen zitten die behoren tot de Staat, dan zal de Minister alleen subsidie verstrekken aan de instellingen van het samenwerkingsverband die niet tot de Staat behoren. Na inwilliging van een dergelijke subsidieaanvraag zullen de tot de Staat behorende instellingen van het samenwerkingsverband via een opdracht worden gefinancierd. Voor de tot de Staat behorende instellingen die financiering ontvangen, zullen in beginsel dezelfde verplichtingen gelden als de instellingen waaraan op grond van deze regeling een subsidie is verleend.

Er is gedurende de gehele subsidieperiode de mogelijkheid voor instellingen binnen het samenwerkingsverband («de eerste ring») om samen te werken met instellingen buiten het samenwerkingsverband («de tweede ring»).

Aangezien de subsidie een langere periode betreft (en we niet in de toekomst kunnen kijken), moet het samenwerkingsverband ruimte beschikbaar houden om specifiekere kennis en expertise die in de eerste ring niet beschikbaar is, te betrekken en te financieren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan specialistisch laboratoriumonderzoek en/of expertise op thema’s die ten tijde van de publicatie van de hoofdlijnennotitie nog niet kenbaar waren.

De subsidieregeling, met in de bijlage de hoofdlijnennotitie, wordt in de Staatscourant gepubliceerd en is daarmee voor iedereen toegankelijk.

7.3. Hoofdlijnennotitie

In de hoofdlijnennotitie (bijlage bij de regeling) licht de Minister zijn visie op het kennisprogramma toe. De hoofdlijnennotitie bevat de nadere eisen die hij stelt aan het samenwerkingsverband en de thema’s en de doelen van het kennisprogramma. Een samenwerkingsverband dat in aanmerking wil komen voor financiering, moet ook aan deze eisen voldoen en een nadere invulling geven aan de thema’s en doelen in de hoofdlijnennotitie.

In de hoofdlijnennotitie zal worden gewerkt met een puntenstelsel en, eventueel, uitsluitingsgronden. Voor elk onderdeel in de hoofdlijnennotitie kan een bepaald aantal punten worden behaald. Hierbij kan het zo zijn dat een vast aantal punten wordt toegekend als aan het onderdeel wordt voldaan en er geen punten worden toegekend als dit niet het geval is, maar er zullen ook onderdelen zijn waarbij het aantal punten afhangt van de mate waarin de subsidieaanvrager aan het betreffende onderdeel voldoet. Als bijvoorbeeld een eis in de hoofdlijnennotitie is dat een samenwerkingsverband ervaring heeft met het verrichten van bepaalde vormen van onderzoek, dan zal een subsidieaanvrager met slechts weinig ervaring op dit vlak minder punten krijgen dan een subsidieaanvrager met uitgebreide ervaring.

Uitsluitingsgronden in de hoofdlijnennotitie zijn onderdelen waar een subsidieaanvrager zonder meer aan moet voldoen. Als aan een of meer van deze onderdelen niet wordt voldaan, dan komt de subsidieaanvrager niet in aanmerking voor subsidie. Dit belemmert een subsidieaanvrager overigens niet om bij de eerstvolgende hoofdlijnenpublicatie een nieuwe subsidieaanvraag in te dienen.

De verstrekking van subsidie is altijd gekoppeld aan een hoofdlijnennotitie. Dit houdt in dat er pas subsidie kan worden aangevraagd en verstrekt op grond van artikel 9a van de Arbeidsomstandighedenwet en de subsidieregeling als er een hoofdlijnennotitie is gepubliceerd. Bij elke hoofdlijnennotitie hoort ook een aanvraagtijdvak en subsidieplafond. Deze worden opgenomen in de subsidieregeling in de Staatscourant.

7.4. Wetenschappelijk ondersteunend bureau

Ter ondersteuning van het samenwerkingsverband stelt de regering een wetenschappelijk ondersteunend bureau ter beschikking dat is ondergebracht bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Bij dit bureau werken gespecialiseerde medewerkers, die het samenwerkingsverband kunnen ondersteunen door de algemene coördinatie van het inhoudelijke onderzoeksprogramma (waaronder het opstellen daarvan en het voorbereiden en opstellen van de voortgangsrapportages en eindrapportage) en de verspreiding van informatie naar derden, op zich te nemen. Indien gewenst door het samenwerkingsverband kunnen zij ook de financiële verantwoordingsrapportage van de subsidie op zich nemen.

Maar uitsluitend in de rol van penvoerder. Het RIVM kan als onderdeel van de Staat zelf geen subsidie ontvangen. Daarnaast draagt het bureau zorg voor de afstemming met de Regeling-TSB.

De ondersteuning door het bureau wordt gefinancierd middels een opdrachtverlening door de Minister van SZW aan het RIVM volgens de raamcontracten Rijksopdrachtgevers-RIVM die daarvoor zijn opgesteld. Dit vindt plaats buiten de subsidie aan het samenwerkingsverband voor de uitvoering van het kennisprogramma om.

8. Wettelijke structuur van het Steunpunt RI&E

Het Steunpunt RI&E bestaat sinds 2004 maar was tot dusver niet in de wet opgenomen. In artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet wordt de wettelijke taak van het Steunpunt RI&E nu opgenomen. Daarnaast wordt een delegatiegrondslag opgenomen voor het aanwijzen van een organisatie die als Steunpunt RI&E fungeert. Tot slot wordt opgenomen dat de Minister het Steunpunt RI&E subsidie kan verlenen.

9. Verhouding tot hoger recht

9.1. Grondwet

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Grondwet heeft een ieder recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Dit recht kan bij of krachtens de wet worden beperkt.

In artikel 9a zijn de grondslag en enige voorwaarden opgenomen voor het verstrekken van subsidie voor kennisactiviteiten binnen het kennisprogramma. Bij de verstrekking van deze subsidies zullen er persoonsgegevens worden verwerkt. Het gaat dan in ieder geval om gegevens van de penvoerder, indien deze een natuurlijke persoon is, of, indien de penvoerder geen natuurlijke persoon is, de gegevens van de contactpersoon van de penvoerder. Als deze persoonsgegevens worden verwerkt, dan levert dit een beperking op van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

In het geval van het voorgestelde artikel 9b, dat de grondslag biedt voor het verstrekken van tegemoetkomingen bij beroepsziekten, zal de verwerking van persoonsgegevens onvermijdelijk zijn. Om te kunnen vaststellen of een persoon recht heeft op een tegemoetkoming, zullen er namelijk persoonsgegevens over deze persoon moeten worden verwerkt. Deze verwerkingen van persoonsgegevens leveren een beperking van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer op.

Met de voorgestelde artikelen 9a en 9b wordt voorzien in een grondslag op het niveau van de wet die artikel 10 van de Grondwet vereist voor beperkingen van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De regering is daarbij van mening dat de beperkingen van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer die voortkomen uit de subsidieverstrekking op grond van artikel 9a en de verstrekking van tegemoetkomingen op grond van artikel 9b, noodzakelijk zijn om de subsidie respectievelijk de tegemoetkoming te kunnen verstrekken en te waarborgen dat dit op terechte gronden gebeurt. In het geval van de hiervoor bedoelde subsidieverstrekking zal de verwerking van persoonsgegevens tevens noodzakelijk zijn om te kunnen nagaan of gedurende de looptijd van de subsidie wordt voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden.

Om de beperking van het hiervoor genoemde recht zo klein mogelijk te houden, zal bij de uitwerking van de subsidieverstrekking in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 9a, zevende lid, ernaar worden gestreefd om de verwerking van persoonsgegevens tot een minimum te beperken.

Bij de Regeling-TSB en de Regeling-TAS is de verwerking van persoonsgegevens reeds getoetst. Bij eventuele toekomstige tegemoetkomingsregelingen zal per regeling worden beoordeeld welke persoonsgegevens nodig zijn voor het verstrekken van een tegemoetkoming. Hierbij zal het uitgangspunt zijn dat alleen die gegevens worden verwerkt die voor dit doel en eventueel voor het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk zijn. Dit laatste kan alleen als op grond van artikel 5, lid 1, onderdelen b en e en artikel 9, lid 2, onderdeel j, van de AVG, in samenhang met artikel 89 AVG en artikel 24 UAVG (Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming) het gebruik van de persoonsgegevens noodzakelijk is voor het onderzoek en aantoonbaar verenigbaar is met het doel van de regeling. Het is daarvoor wel noodzakelijk dat de gegevens worden gepseudonimiseerd.

In het geval van het voorgestelde lid 7 en 8 van artikel 5 van de Arbowet, dat de grondslag biedt voor het Steunpunt RI&E, is er geen sprake van verwerking van persoonsgegevens. Het Steunpunt verwerkt bij haar werkzaamheden op grond van deze leden geen persoonsgegevens.

9.2. Internationale verdragen

Op grond van artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Artikel 8, tweede lid, van het EVRM bepaalt de voorwaarden waaronder een inmenging in het recht op respect voor het privéleven is toegestaan. Een inmenging moet zijn voorzien bij wet en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor een van de in het lid genoemde doelen.

Daarnaast bepaalt artikel 17, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (verder: IVBPR) dat niemand mag worden onderworpen aan een willekeurige of onwettige inmenging in zijn privéleven.

De verwerkingen van persoonsgegevens die voortkomen uit de verstrekking van subsidie op grond van artikel 9a en de verstrekking van tegemoetkomingen op grond van artikel 9b, leveren een inmenging op in de hierboven genoemde rechten. Naar het oordeel van de regering zijn deze inmengingen echter te rechtvaardigen. Zij vinden namelijk hun grondslag in de wet, te weten de voorgestelde artikelen 9a en 9b van dit wetsvoorstel, met een uitwerking in lagere regelgeving. Door deze uitwerking zal er van willekeur als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van het IVBPR ook geen sprake zijn.

De inmenging in het recht op respect voor het privéleven, zoals verwoord in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, is naar het oordeel van de regering zowel bij de subsidieverstrekking op grond van artikel 9a als de verstrekking van tegemoetkomingen op grond van artikel 9b, noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land, zoals genoemd in artikel 8, tweede lid, van het EVRM.

De verwerkingen van persoonsgegevens zijn namelijk nodig om te voorkomen dat ten onrechte een subsidie of tegemoetkoming wordt verstrekt en, in het geval van de subsidieverstrekking, zodat kan worden nagegaan of een subsidieontvanger zich houdt aan de verplichtingen die zijn verbonden aan de verleende subsidie.

Het is de bedoeling van de regering om de inmenging in het recht op respect voor het privéleven zo beperkt mogelijk te houden. Om die reden zal, zoals al is opgemerkt in de vorige paragraaf, in de ministeriële regeling tot uitwerking van de subsidieverstrekking en de op artikel 9b gebaseerde tegemoetkomingsregelingen ernaar worden gestreefd om de verwerking van persoonsgegevens tot een minimum te beperken. Bij het opstellen van de bestaande Regeling-TSB en de Regeling-TAS is dit uitgangspunt reeds gehanteerd.

9.3. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

In artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (verder: Handvest) is het recht van een ieder op eerbiediging van onder andere zijn privéleven opgenomen. In artikel 8, eerste lid, van het Handvest is het recht van een ieder op bescherming van zijn persoonsgegevens vastgelegd. Het tweede lid van artikel 8 schrijft voor dat als gegevens worden verwerkt, dit op een eerlijke manier moet plaatsvinden, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Daarnaast heeft een ieder recht op inzage in zijn gegevens en rectificatie hiervan. Artikel 52, eerste lid, van het Handvest bevat de voorwaarden waaronder de rechten in het Handvest kunnen worden beperkt.

Omdat de eisen die het Handvest stelt aan de verwerking van persoonsgegevens en de beperking van de in het Handvest opgenomen rechten samenvallen met de eisen die in de Algemene verordening gegevensbescherming (verder: AVG) zijn opgenomen, wordt verwezen naar paragraaf 9.4.

9.4. Algemene verordening gegevensbescherming

De AVG is een Europese verordening die regels bevat over de verwerking van persoonsgegevens. De AVG is niet op alle verwerkingen van persoonsgegevens van toepassing, maar alleen op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en op de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen (artikel 2, eerste lid, AVG).

Uit artikel 5 van de AVG volgt een aantal eisen waaraan dient te worden voldaan bij het verwerken van persoonsgegevens. Zo dient de verwerking plaats te vinden op een zodanige wijze dat het voor betrokkenen rechtmatig, behoorlijk en transparant is. De verwerking dient daarnaast gebonden te zijn aan specifieke doelen en de gegevens moeten toereikend, ter zake dienend en beperkt tot het noodzakelijke zijn. Voorts geldt de eis dat de verwerkte gegevens juist zijn, dat gegevens niet langer mogen worden bewaard dan nodig en dat maatregelen worden getroffen ter bescherming van de integriteit en vertrouwelijkheid van de gegevens.

Naar het oordeel van de regering is er bij zowel de subsidieverstrekking op grond van het voorgestelde artikel 9a als de verstrekking van tegemoetkomingen op grond van het voorgestelde artikel 9b, sprake van de verwerking van persoonsgegevens waarop de AVG van toepassing zal zijn.

De regering is voorts van mening dat de verwerking van persoonsgegevens beantwoordt aan de in de AVG opgenomen eisen van rechtmatigheid, behoorlijkheid, transparantie, doelbinding en minimale gegevensverwerking. De verwerking van persoonsgegevens zal namelijk haar basis vinden in de voorgestelde artikelen 9a en 9b en de daarop gebaseerde subsidieregeling respectievelijk tegemoetkomingsregelingen. Deze regelingen zullen zo worden opgezet dat alleen persoonsgegevens worden verwerkt als dit nodig is voor de subsidieverstrekking en het verstrekken van een tegemoetkoming. Daarbij geldt dat alleen die persoonsgegevens worden verwerkt die voor dit doel nodig zijn. In het geval van de bestaande Regeling-TSB en de Regeling-TAS zijn deze uitgangspunten meegenomen bij de totstandkoming van deze regelingen.

Bij de daadwerkelijke verwerking van persoonsgegevens zal er tevens op worden toegezien dat dit in overeenstemming met de AVG plaatsvindt. Dit houdt onder meer in dat er technische en organisatorische maatregelen zullen worden genomen om onrechtmatige verwerkingen van persoonsgegevens te voorkomen en dat de gegevens die worden verwerkt, juist zijn. Bij de uitvoering van de bestaande Regeling-TSB en de Regeling-TAS is hier al in voorzien.

In het geval van het voorgestelde lid 7 en 8 van artikel 5 van de Arbowet, dat de grondslag biedt voor het Steunpunt RI&E, is er geen sprake van verwerking van persoonsgegevens. De AVG is hierop niet van toepassing.

Verwerking van bijzondere persoonsgegevens

In het kader van de verstrekking van tegemoetkomingen op grond van het voorgestelde artikel 9b, zullen, zoals eerder aangegeven, onvermijdelijk gegevens over gezondheid worden verwerkt. Dit om vast te kunnen stellen of iemand recht heeft op een tegemoetkoming, omdat hij of zij lijdt aan een beroepsziekte. Gegevens over gezondheid zijn bijzondere persoonsgegevens in de zin van de AVG. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de AVG is de verwerking van bijzondere persoonsgegevens in beginsel verboden, tenzij een van de uitzonderingen in artikel 9, tweede lid, van de AVG van toepassing zijn.

Bij de bestaande tegemoetkomingsregelingen (Regeling-TSB en Regeling-TAS), die in de toekomst het voorgestelde artikel 9b als basis zullen hebben, worden ook gegevens over gezondheid verwerkt. Deze verwerkingen zijn tot nog toe gebaseerd op de uitzondering op het verbod om gegevens over gezondheid te verwerken in artikel 30, eerste lid, onderdeel a, van de UAVG.

Met dit wetsvoorstel stelt de regering voor om de verwerkingen van gegevens over gezondheid niet langer te baseren op het hiervoor genoemde artikel uit de UAVG, maar hier een zelfstandige uitzondering voor te creëren. Dit in de vorm van het voorgestelde vierde lid van artikel 9b. Deze voorgestelde uitzondering zal niet alleen van toepassing zijn op de al bestaande Regeling-TSB en Regeling-TAS, maar ook op eventuele nieuwe tegemoetkomingsregelingen die op het voorgestelde artikel 9b zullen zijn gebaseerd.

De nieuwe uitzondering zal het mogelijk maken om ook partijen die niet tot de genoemde partijen in artikel 30, eerste lid, van de UAVG, behoren, gegevens over gezondheid te laten verwerken. Dit biedt ruimte om bijvoorbeeld stichtingen die de belangen behartigen van personen die lijden aan een bepaalde beroepsziekte, een ondersteunende en zelfstandige rol te geven bij de uitvoering van een tegemoetkomingsregeling, bijvoorbeeld in een adviserende rol. Vanwege de bijzondere aard van gegevens over gezondheid zal hier terughoudend mee worden omgegaan. Hiermee wordt bedoeld dat het betrekken van partijen, die geen bestuursorgaan zijn, altijd het gevolg zal zijn van een kritische afweging of dit noodzakelijk is. Uiteraard geldt voor elk van de partijen die betrokken zijn bij de uitvoering van een tegemoetkomingsregeling en daarbij gegevens over gezondheid verwerken, dat zij zich dienen te houden aan de beginselen en eisen in de AVG.

Een andere reden voor de opname van een nieuwe uitzondering op het verbod om gegevens over gezondheid te verwerken, is dat de uitzondering in artikel 30, eerste lid, onderdeel a, van de UAVG primair ziet op de verwerking van gegevens over gezondheid in de context van de sociale zekerheid. De regering acht het gelet daarop zuiverder om een zelfstandige uitzondering te scheppen voor de verwerking van gegevens over gezondheid bij de uitvoering van tegemoetkomingsregelingen die zijn gebaseerd op artikel 9b van de Arbeidsomstandighedenwet. Hiermee wordt ook buiten twijfel gesteld dat het verwerken van deze gegevens toelaatbaar is, mits de verwerking noodzakelijk is voor een goede uitvoering van die regeling en artikel 30, vierde lid, van de UAVG in acht wordt genomen.

De uitzondering op het verbod om gegevens over gezondheid te verwerken past naar het oordeel van de regering in de uitzonderingsgrond die is opgenomen in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene verordening gegevensbescherming. De noodzaak voor de verwerking van gegevens over gezondheid is in dit geval om te kunnen beoordelen of iemand recht heeft op een tegemoetkoming, omdat hij of zij lijdt aan de beroepsziekte(n) waarop de tegemoetkomingsregeling betrekking heeft. Deze verwerkingen kunnen daarbij worden aangemerkt als verwerkingen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van specifieke rechten van de betrokkene en ter uitvoering van verplichtingen op het gebied van het arbeidsrecht (de Engelse tekst van de AVG spreekt in dit verband over «the field of employment»). Het hiervoor bedoelde recht is het uit artikel 9b, eerste lid, en de tegemoetkomingsregelingen voortvloeiende recht van een betrokkene op een tegemoetkoming, indien hij lijdt aan een beroepsziekte en voldoet aan de voorwaarden voor een tegemoetkoming, en het recht om een zodanige tegemoetkoming aan te vragen. De hiervoor bedoelde verplichting is de verplichting van de relevante partijen die uitvoering geven aan een tegemoetkomingsregeling om, als een aanvraag om een tegemoetkoming is ingediend, vast te stellen of een persoon lijdt aan een bepaalde beroepsziekte en voldoet aan de voorwaarden voor een tegemoetkoming. De lidstaatrechtelijke grondslag, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de AVG, is in dit geval het voorgestelde artikel 9b, vierde lid.

De passende waarborgen, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de AVG, bestaan in dit geval allereerst uit de afbakening van partijen die gegevens over gezondheid mogen verwerken (alleen bestuursorganen en instellingen die op grond van een tegemoetkomingsregeling (mede) zijn belast met de uitvoering hiervan) en de eis dat de verwerking van deze gegevens noodzakelijk moet zijn voor een goede uitvoering van een tegemoetkomingsregeling. Daarnaast is artikel 30, vierde lid, van de UAVG van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit houdt in dat de bestuursorganen en instellingen die zijn belast met de uitvoering van een tegemoetkomingsregeling de gegevens over gezondheid alleen mogen laten verwerken door personen die op grond van hun ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel op grond van een overeenkomst tot geheimhouding zijn verplicht.

9.5. Staatssteunanalyse kennisprogramma

Er is een staatssteunanalyse van het onderdeel kennisprogramma beroepsziekten uitgevoerd. Samengevat is de uitkomst als volgt:

De subsidie aan het samenwerkingsverband leidt niet tot staatssteun, omdat de te subsidiëren activiteiten geen economische activiteiten zijn. Het samenwerkingsverband bundelt, ontwikkelt (indien nodig) en verspreidt wetenschappelijk gefundeerde kennis over stoffengerelateerde beroepsziekten in Nederland. Hierbij kan het gaan om heel fundamenteel onderzoek naar de relatie tussen een stof/stoffen en een beroepsziekte, maar ook naar meer toegepast onderzoek zoals in een werkplaats, bijvoorbeeld samen met beleidsmedewerkers van een stichting of gemeente of ervaringsdeskundigen met de ziekte. De partijen in het samenwerkingsverband zijn bijvoorbeeld universiteiten, stichtingen en agentschappen. In ieder geval organisaties zonder winstoogmerk. Het samenwerkingsverband krijgt binnen een beperkt aantal hoofdlijnen in de Arbeidsomstandighedenwet, de subsidieregeling en een hoofdlijnennotitie heel veel ruimte om het kennisprogramma zelf vorm te geven. De echte kennis en expertise zit immers aan de kant van het samenwerkingsverband en niet aan de kant van het Ministerie van SZW.

Er is op dit moment geen sprake van een markt. Wel van een beperkt aantal instellingen met de benodigde kennis en expertise. Deze instellingen ontvangen als het «samenwerkingsverband Lexces» een tijdelijke subsidie voor de uitvoering van de kennisactiviteiten zoals die ook in het kennisprogramma worden gevraagd. De kennis die zij bundelen, ontwikkelen en verspreiden is voor anderen toegankelijk. Er zijn geen andere aanbieders.

Ook de Europese Commissie (EC) beschouwt de beoogde kennisactiviteiten (bundeling, onderzoek en verspreiding) als activiteiten die buiten het toepassingsbereik van de staatssteunregels vallen. Dit valt terug te lezen in paragraaf 2.5 van de Mededeling van de EC hierover.20 Specifiek worden in deze paragraaf de volgende activiteiten genoemd:

  • a) opleiding met het oog op meer en beter gekwalificeerd menselijk kapitaal;

  • b) het verrichten van onafhankelijk onderzoek en ontwikkeling met het oog op meer kennis en een beter inzicht, daaronder begrepen samenwerking bij onderzoek en ontwikkeling;

c) de verspreiding van onderzoeksresultaten.

9.6. Staatssteunanalyse Steunpunt RI&E

Er is een staatssteunanalyse van het onderdeel subsidiëring van het Steunpunt RI&E uitgevoerd. Daaruit volgt dat de financiering aan het Steunpunt RI&E geen staatssteun betreft. De begunstigde is geen onderneming. De SER is een adviesorgaan waarin ondernemers, werknemers en onafhankelijke deskundigen (kroonleden) samenwerken, om tot overeenstemming te komen over belangrijke sociaaleconomische onderwerpen. De SER faciliteert in dit verband een aantal zaken die te maken hebben met gezond en veilig werken. Ook de werkzaamheden voor het Steunpunt RI&E vallen hieronder. De SER bezit rechtspersoonlijkheid en is dus een instelling die een activiteit van de Minister kan overnemen.

De SER is een onafhankelijk adviesorgaan zonder winstoogmerk en ontvangt met deze subsidie de financiële middelen om het secretariaat de activiteiten van het Steunpunt en de bijbehorende RI&E-hulpmiddelen te laten uitvoeren en beheren. Zonder subsidiering kan de SER deze dienst niet verlenen. Om het Steunpunt te bemensen neemt de SER personeel in dienst. De SER ontvangt de subsidiemiddelen en ondersteunt daar kosteloos werkgevers en werknemers mee. De activiteiten passen bij andere activiteiten die de SER, onder andere via het communicatieplatform «Arboplatform», onderneemt.

Er wordt een dienst verleend gericht aan Nederlandse bedrijven en branches, volgend uit en gebaseerd op Nederlandse arbeidsomstandighedenwetgeving. Er is geen sprake van beïnvloeding van marktwerking tussen de lidstaten. De dienstverlening van het Steunpunt is gericht op met name het midden- en kleinbedrijf en heeft vooral een informatief en stimulerend karakter. Het is in die zin een centraal informatie- en ondersteuningspunt over de wettelijke RI&E-plicht. Het Steunpunt geeft antwoorden op vragen als: Wat is een RI&E? Hoe lang is een RI&E geldig? Wat kost het maken van een RI&E? Wat levert een RI&E mij op? Welke hulpmiddelen zijn beschikbaar? Onder welke sector valt mijn bedrijf? Wanneer ben ik vrijgesteld van toetsing? Wie moet ik betrekken bij het opstellen van een RI&E? Enzovoorts. De markt, zakelijke dienstverleners, die ondernemingen ondersteunen met het opstellen van een RI&E, zullen hierdoor niet financieel-economisch bevoordeeld of benadeeld worden omdat de ondersteuning van het Steunpunt RI&E aanvullend is aan de bestaande dienstverlening vanuit bijvoorbeeld arbodiensten. Het Steunpunt beschikt niet over inhoudelijke kennis en expertise om te adviseren over specifieke risico’s binnen organisaties of sectoren. Arbodienstverleners en arbokerndeskundigen beschikken wel over die kennis en helpen bedrijven in de praktijk met het opstellen van en adviseren (het zogeheten toetsen) over de RI&E. De activiteiten van het Steunpunt liggen daarmee niet in het vaarwater van de activiteiten van arbodienstverleners en arbokerndeskundigen. Het Steunpunt ondersteunt de werkgever maar de werkgever blijft primair verantwoordelijk voor het opstellen van de RI&E. De SER is een adviesraad met bestuurlijke taken en bevoegdheden. Er is dan ook geen sprake van economische activiteiten. Het bekostigen van activiteiten van de SER wordt dan ook niet opgevat als staatsteun.

10. Verhouding tot nationaal recht

Kaderwet SZW-subsidies

De Kaderwet SZW-subsidies bevat een algemene grondslag voor de Minister om subsidies te verstrekken voor activiteiten die passen binnen een aantal beleidsterreinen, waaronder het arbeidsomstandighedenbeleid. Op basis van deze wet zou ook subsidie kunnen worden verstrekt voor de kennisactiviteiten voor het kennisprogramma beroepsziekten en de activiteiten van het Steunpunt RI&E waarop dit wetsvoorstel betrekking heeft. De regering is echter van mening dat voor de subsidiëring van de kennisactiviteiten voor het kennisprogramma beroepsziekten en het Steunpunt RI&E, bedoeld in dit wetsvoorstel, een zelfstandige grondslag op zijn plaats is.

De Kaderwet SZW-subsidies noemt geen concrete activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen, maar spreekt slechts over activiteiten die passen binnen bepaalde beleidsterreinen. De precieze activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt, zullen overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van de Kaderwet SZW-subsidies moeten worden uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling.

Indien de subsidiëring van kennisactiviteiten voor het kennisprogramma beroepsziekten en het Steunpunt RI&E, bedoeld in dit wetsvoorstel, zou worden gebaseerd op de Kaderwet SZW-subsidies, dan zou de subsidieverstrekking feitelijk gebaseerd zijn op een algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling. Vanwege de structurele, doorlopende activiteiten van het kennisprogramma en het Steunpunt RI&E en de doelen die worden nagestreefd acht de regering dit onwenselijk. Om deze reden kiest de regering met dit wetsvoorstel voor een zelfstandige grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet voor de subsidiëring van de in dit wetsvoorstel bedoelde kennisactiviteiten voor het kennisprogramma beroepsziekten en de activiteiten van het Steunpunt RI&E.

Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS bevat onder meer regels van procedurele aard op het gebied van de verstrekking van subsidies en is van toepassing op subsidies die overeenkomstig de Kaderwet SZW-subsidies worden verstrekt. De voorschriften in de Kaderregeling zijn ook bruikbaar voor subsidies die op grond van het voorgestelde artikel 9a van de Arbeidsomstandighedenwet zullen worden verstrekt. Om deze reden zal in de subsidieregeling die op grond van het voorgestelde artikel 9a, zevende lid, moet worden opgesteld, de Kaderregeling van toepassing worden verklaard.

Comptabiliteitswet 2016

De Comptabiliteitswet 2016 bevat regels die onder meer zien op de rijksbegroting, het beheer van rijksmiddelen en de Algemene Rekenkamer. Op grond van artikel 4.10 van deze wet moeten subsidieregelingen een vervaldatum bevatten. In de op artikel 9a, zevende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet te baseren subsidieregeling kennisprogramma beroepsziekten, zal deze bepaling in acht worden genomen.

Andere kennisinitiatieven

In verhouding tot het nationaal recht noemt de regering hier verder nog de andere kennisinitiatieven op het gebied van beroepsziekten die zij heeft geïnitieerd. Zo voert ZonMw in opdracht van de Minister het subsidieprogramma «Innovatieve arbozorg voor betere arbeidsgerelateerde zorg» uit. De scope van dit programma is breder dan alleen stoffengerelateerde beroepsziekten. Het programma biedt drie programmalijnen met experimenteerruimte om nieuwe werkwijzen uit te proberen om te voorkomen dat mensen ziek worden of zelfs overlijden door arbeidsomstandigheden. Binnen het programma wordt ruimte geboden voor verkenningen, het opzetten van samenwerkingsverbanden en kennisinfrastructuren en vernieuwing van de opleiding bedrijfsgeneeskunde.

Kennisneming, kennisdeling en samenwerking met initiatieven zoals bijvoorbeeld het bovengenoemde initiatief zijn gewenst.

11. Gevolgen kennisprogramma beroepsziekten

11.1. Effecten op de kennis

Het beoogde effect is dat de doelgroepen meer kennis hebben over beroepsziekten door gevaarlijke stoffen, dampen of gassen. En dat zij deze kennis toepassen in de praktijk. Door de kennisvergroting worden de doelgroepen zich immers bewuster van het mogelijke verband tussen de ziekteverschijnselen en bepaald werk. En ook van hun gedrag rondom de beroepsziekten. Zo worden zij gemotiveerd om dit gedrag te veranderen.

Denk hierbij bijvoorbeeld aan het voeren van gesprekken in de behandelkamers over de relatie tussen de ziekteverschijnselen en het werk, het verwerken van de kennis in trainingen en opleidingen, maar ook het zoeken van oplossingen op de werkvloer door werk- en opdrachtgevers en werkenden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan:

  • 1. Het vervangen van een gevaarlijke stof door een niet gevaarlijke stof (bijvoorbeeld het gebruiken van verf op waterbasis).

  • 2. Het zoeken van een technische oplossing (bijvoorbeeld: de toepassing van een goed ventilatie- en/of afzuigsysteem)

  • 3. Het zoeken van een organisatorische oplossing (bijvoorbeeld regelen dat onbeschermde werkenden niet in de ruimte mogen komen waar met een gevaarlijke stof wordt gewerkt).

  • 4. Het goed gebruiken van persoonlijke beschermingsmiddelen (denk bijvoorbeeld aan het juiste gebruik van een mondkapje).

Het effect in het algemeen is dat door een betere preventie, minder mensen ziek worden door het werken met een gevaarlijke stof. En ook dat meer mensen eerder gediagnosticeerd worden als ze wel ziek zijn geworden. Hierdoor lopen ze mogelijk minder kans om heel ernstig ziek te worden. En ten slotte is een verwacht effect dat de behandeling van mensen die ziek zijn geworden, verbetert. Hierdoor verloopt de ziekte mogelijk minder ernstig.

Een mogelijk neveneffect is dat het kennisprogramma eraan bijdraagt dat (voormalig) werkenden met een stoffengerelateerde beroepsziekte de Regeling-TSB goed weten te vinden. En dat mensen die een aanvraag doen voor de Regeling-TSB worden gewezen op het kennisprogramma.

11.2. Overige gevolgen

De inrichting van een blijvend kennisprogramma vraagt van instellingen in Nederland die dit kennisprogramma in samenwerking willen uitvoeren tijd en aandacht voor:

  • 1. Het inrichten van een samenwerkingsverband met een voorstel ter invulling van een onderzoeksprogramma.

  • 2. Het doen van een subsidieaanvraag (private instellingen) of uitwerking van een opdracht (publiekrechtelijke instellingen).

  • 3. Het uitvoeren van de projecten na de beslissing voor financiering.

  • 4. Het verantwoorden van de resultaten.

Van de in paragraaf 4 genoemde doelgroepen vraagt het kennisprogramma vooral tijd om aan te sluiten bij onderzoek (bijvoorbeeld praktijkgericht onderzoek via werkplaatsen of praktijkgericht onderzoek bij een bedrijf) en het nemen van praktische maatregelen, zoals bijvoorbeeld het anders inrichten van processen. Hierbij kan gedacht worden aan het standaard opnemen van de vraag welk beroep iemand uitoefent bij het gesprek tussen een arts en de patiënt over de ziektegeschiedenis. En ook het onder de loep nemen van het gebruik van beschermingsmiddelen. Tot slot moeten opleidingen mogelijk worden aangepast. Overigens zijn al deze activiteiten op vrijwillige basis. Uit deze wet zelf vloeien geen wettelijke inhoudelijke of informatieverplichtingen voort. Zoals eerder betoogd, verwacht de regering wel een gedragsverandering bij de doelgroepen, omdat zij via kennisvergroting en de bewustwording van gedrag, gemotiveerd raken om het gedrag te veranderen.

11.3. Regeldruk

Door de gevolgen die hierboven zijn genoemd, kunnen de verschillende doelgroepen regeldruk ervaren. Regeldruk bestaat uit de eenmalige en structurele administratieve lasten, waaronder kennisnemingskosten en inhoudelijke nalevingskosten voor de verschillende doelgroepen. De regeldruk wordt verder beschreven in paragraaf 14.1.

Het oorspronkelijke voorstel betrof een tweetrapsraket van aanwijzing en subsidiëring. Dit was naar aanleiding van een advies van de Landsadvocaat. Ook was het voorstel om de hoofdlijnennotitie als zelfstandig document te publiceren in de Staatscourant. Om regeldruk te voorkomen is besloten de tweetrapsraket te vervangen door een enkelvoudige subsidietender en de hoofdlijnennotitie als bijlage bij de subsidieregeling op te nemen.

12. Gevolgen grondslag beroepsziekteregelingen

Het beoogde effect van een structurele grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet voor tegemoetkomingsregelingen is dat is zeker gesteld dat alle getroffenen van beroepsziekten in de toekomst in principe een tegemoetkoming kunnen krijgen via tegemoetkomingsregelingen. En dat hun privacyrechten voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens daarbij goed zijn geborgd.

Op dit moment functioneren de Regeling-TAS en de Regeling-TSB nog op tijdelijke grondslagen, via de Kaderwet SZW-subsidies. Zij zullen na inwerkingtreding van het voorgestelde artikel 9b een structurele grondslag hebben.

13. Gevolgen grondslag Steunpunt RI&E

13.1. Effecten op naleving RI&E-verplichting

De naleving van de wettelijke RI&E verplichting is laag. Uit de monitor van de Nederlandse Arbeidsinspectie, Arbo in Bedrijf 2024–2025, blijkt dat 68 procent van alle werkgevers een RI&E bezit, waarvan een derde van de bedrijven slecht scoort op de kwaliteit (volledigheid en actualiteit) van de RI&E. Kleine bedrijven beschikken minder vaak over een RI&E dan grote bedrijven: van de bedrijven met minder dan 5 werknemers heeft 59 procent een RI&E, voor bedrijven met 5–9 werknemers is dat 68 procent, voor bedrijven met 10–49 werknemers is dat 84 procent, voor bedrijven met 50–99 werknemers is dat 90 procent, en voor bedrijven met 100 of meer werknemers heeft 96 procent een RI&E (Arbo in Bedrijf 2024–2025). Het verschil in naleving van de RI&E-verplichting tussen grote en kleine bedrijven bestaat al geruime tijd. Om met name werkgevers bij te staan en te ondersteunen in het opstellen van de RI&E, is het Steunpunt RI&E geïnitieerd. Het beoogde effect van een structurele grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet is dat werkgevers duurzaam worden ondersteund bij het opstellen van een RI&E. Met de ondersteuning draagt het Steunpunt bij aan de naleving van de wettelijke verplichtingen uit artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet. Werkgevers kunnen zo makkelijker een RI&E opstellen en daarmee een veiligere en gezondere werkomgeving bieden, meer investeren in preventie en het aantal werkgerelateerde doden en zieken terugdringen.

13.2. Tegengaan misbruik en oneigenlijk gebruik/handhaafbaarheid

Er zijn voorwaarden aan de subsidie verbonden. Het Steunpunt legt verantwoording af middels een activiteitenverslag, een financieel verslag en in de controleverklaring en een rapport van een accountant.

Het niet voldoen aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn of het niet (geheel) verrichten van de activiteiten kan tot gevolg hebben dat de subsidie geheel of gedeeltelijk wordt teruggevorderd. Een registratie van (ernstige) onregelmatigheden bij subsidies wordt bijgehouden met het oog op het tegengaan van misbruik van subsidie.

14. Regeldruk

14.1. Regeldruk Kennisprogramma beroepsziekten

Regeldrukkosten zijn de kosten die betrokkenen moeten maken om aan de wettelijke verplichtingen te kunnen voldoen. Het is goed als de doelgroepen kennis nemen van deze regeling, maar dit is op basis van deze regeling geen verplichting. De regeldrukgevolgen voor instellingen en doelgroepen worden verder uitgewerkt in de subsidieregeling. Het beschikbaar stellen van het wetenschappelijk ondersteunend bureau dat is ondergebracht bij het RIVM heeft het doel de lasten voor het samenwerkingsverband te verlichten.

De kosten voor het RIVM en de apparaatskosten voor de overheid zijn geen regeldrukeffecten, maar gevolgen voor de overheid. Ook deze worden verder uitgewerkt in de subsidieregeling.

14.2. Regeldruk Steunpunt RI&E

De wetswijziging van artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet heeft geen regeldrukeffecten. Het doel van dit voorstel is enkel om het sinds 2004 bestaande Steunpunt een wettelijke grondslag te geven en om de financieringsstroom richting het Steunpunt, die op dit moment een tijdelijk karakter heeft, structureel te maken.

Het voorstel kent daarom geen extra regeldrukkosten bovenop de huidige situatie. Er is ook geen effect op de ervaren regeldruk. Voor bedrijven en burgers die op dit moment gebruik maken van de diensten van het Steunpunt verandert er niets.

14.3 Regeldruk grondslag tegemoetkomingsregelingen beroepsziekten

De regeldrukgevolgen voor aanvragers van de al bestaande Regelingen- TAS en -TSB zijn in de (wijzigingen van die) regelingen zelf uitgewerkt. In het geval er nieuwe beroepsziekten aan de TSB-regeling worden toegevoegd of geheel nieuwe regelingen worden opgesteld, dan zal de regeldruk bij de (wijziging van die) regelingen zelf worden toegelicht.

15. Financiële gevolgen

15.1. Financiële gevolgen grondslag kennisprogramma

De aanpassing van de Arbeidsomstandighedenwet voor een grondslag voor een doorlopend kennisprogramma leidt niet tot nieuwe financiële gevolgen voor de overheid. Er is structureel budget gereserveerd voor een kennisprogramma stoffengerelateerde beroepsziekten. Dit betreft voorlopig ongeveer 5,5 miljoen euro per jaar.

Dit geld is bedoeld voor subsidie voor en/of opdrachten aan instellingen binnen het samenwerkingsverband voor het uitvoeren van kennisactiviteiten over stoffengerelateerde beroepsziekten. En voor de kosten voor de ondersteuning van de uitvoering van het kennisprogramma door een wetenschappelijk ondersteunend bureau dat is ondergebracht bij het RIVM.

15.2. Financiële gevolgen van grondslag tegemoetkomingsregelingen beroepsziekten

Voor wat betreft de Regeling-TSB en de Regeling-TAS zijn de financiële gevolgen voor getroffenen en de Staat besproken in de respectievelijke regelingen zelf en in de begroting van SZW. Voor nieuwe beroepsziekteregelingen zal dit ook worden gedaan.

15.3. Financiële gevolgen van grondslag Steunpunt RI&E

Het creëren van een grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet voor een doorlopende financiering van het Steunpunt RI&E leidt niet tot nieuwe financiële gevolgen voor de regering. De regering financiert het Steunpunt RI&E al sinds 2007. Op dit moment loopt er al een driejarige tijdelijke subsidieregeling voor het Steunpunt RI&E die in totaal 1,5 miljoen euro omvat. De wettelijke grondslag biedt de mogelijkheid om deze subsidieregeling om te zetten in een duurzame vorm van financiering. De financiële toezegging die de overheid al heeft gedaan aan de SER (voorheen TNO), die het Steunpunt RI&E op zich neemt, wordt met deze grondslag structureel gemaakt. De bedragen zullen jaarlijks geïndexeerd worden. Dit geld is bedoeld voor de activiteiten die het Steunpunt RI&E voor de regering uitvoert.

16. Uitvoering

16.1. Uitvoering van het kennisprogramma beroepsziekten

Het proces van aanvraag en toekenning van subsidie vindt plaats volgens het proces van een subsidietender. Dit betreft een inhoudelijke beoordeling en onderlinge rangschikking door de Minister van de aanvragen. De subsidietender moet voldoen aan criteria van objectiviteit, transparantie en non-discriminatie. Het te volgen proces is naar het oordeel van de regering transparant, omdat uit de wet, subsidieregeling en de hoofdlijnennotitie duidelijk zal volgen wanneer een aanvraag kan worden ingediend, wat hiervoor nodig is en hoe deze wordt beoordeeld. Daarnaast zal de Minister een openbare oproep voor het indienen van subsidieaanvragen plaatsen op de daartoe geëigende websites. De criteria waaraan subsidieaanvragen zullen worden getoetst, zijn daarnaast zo objectief mogelijk vormgegeven. De transparantie en non-discriminatie zijn verder gewaarborgd, doordat de Minister in de motiveringen bij de afwijzingen en toekenningen niet alleen inzicht zal geven in de redenen voor afwijzing, maar ook in de redenen voor toekenning van de subsidie aan een andere subsidieaanvrager.

Geïnteresseerde samenwerkingspartijen van instellingen kunnen in een vast tijdvak een aanvraag voor subsidie indienen. Na sluiting van het aanvraagtijdvak, dat bekend zal worden gemaakt in de hoofdlijnennotie (bijlage bij de subsidieregeling), beoordeelt de Minister, eventueel na het inwinnen van advies van een of meer onafhankelijke experts, welke aanvragen volledig zijn en voldoen aan de voorwaarden in artikel 9a van de Arbeidsomstandighedenwet en de subsidieregeling. Ook controleert de Minister of een of meer uitsluitingsgronden in de hoofdlijnennotitie van toepassing zijn. Is de aanvraag onvolledig, voldoet deze niet aan een of meer voorwaarden in de Arbeidsomstandighedenwet of de subsidieregeling, of zijn een of meer uitsluitingsgronden van toepassing, dan zal de Minister deze aanvraag afwijzen.

Na de hierboven beschreven controle van de aanvragen gaat de Minister na welk samenwerkingsverband het meest geschikt is om de kennisactiviteiten in de hoofdlijnennotitie uit te voeren. Het meest geschikte samenwerkingsverband is het samenwerkingsverband dat op grond van de hoofdlijnennotitie het hoogste aantal punten heeft behaald.

Aan dit samenwerkingsverband zal uiteindelijk subsidie worden verleend. De overige aanvragen zullen daarbij worden afgewezen, nu per hoofdlijnennotitie slechts aan één subsidieaanvrager subsidie zal worden verstrekt.

Het samenwerkingsverband rapporteert gedurende de looptijd van de financiering jaarlijks over de voortgang van de kennisactiviteiten aan de Minister. Elke instelling binnen het samenwerkingsverband stelt jaarlijks voor de Minister een financiële verantwoording op over de besteding van de ter beschikking gestelde financiële middelen. Deze verantwoording wordt opgenomen in het jaarlijkse voortgangsverslag. Hierbij kan ondersteuning worden geboden aan het samenwerkingsverband door het wetenschappelijk ondersteunend bureau, dat is ondergebracht bij het RIVM.

De Minister van SZW controleert of aan de subsidievoorwaarden en/of opdrachtverplichtingen is voldaan. Bij het niet voldoen aan de subsidievoorwaarden of opdrachtverplichtingen kan worden besloten tot intrekking van de subsidie of opdracht en kan geld worden teruggevorderd.

16.2. Uitvoering van tegemoetkomingsregelingen

De inregeling van een structurele grondslag vraagt op zich geen bijzondere tijd en aandacht van de uitvoerende instanties van de Regeling-TAS en de TSB-regeling.

Voor wat betreft de Regeling-TSB en de Regeling-TAS wordt de uitvoering toegelicht in de toelichting bij de respectievelijke regelingen zelf. Bij nieuwe beroepsziekteregelingen zal dit ook worden gedaan.

De verantwoordelijkheid voor gezonde en veilige arbeidsomstandigheden ligt altijd bij de werkgever dan wel opdrachtgever; een tegemoetkomingsregeling doet daar niets aan af. Het is belangrijk dat werkgevers en opdrachtgevers zich blijven inspannen voor goede arbeidsomstandigheden. Daarmee kan worden voorkomen dat werkenden nog steeds beroepsziekten als gevolg van blootstelling aan gevaarlijke stoffen, gassen of dampen oplopen. Werkgevers en opdrachtgevers die hun zorgplicht niet nakomen (bijvoorbeeld door geen preventieve maatregelen te nemen) blijven in principe aansprakelijk voor de schade (artikelen 7:611, 7:658, 6:162 en 6:175 BW). Op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet wordt bovendien gehandhaafd door de Nederlandse Arbeidsinspectie. Deze toezichthouder heeft een uitgebreid instrumentarium aan bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen tot haar beschikking, waaronder de mogelijkheid om een bestuurlijke boete op te leggen. In het geval van zeer ernstige (gevolgen van) overtredingen (bijvoorbeeld overlijden) van de Arbeidsomstandighedenwet kan het strafrecht worden ingezet.

Als al een schadeclaim is toegewezen, is er geen of slechts een gedeeltelijk recht op een tegemoetkoming. Het in dat geval te volgen proces zal in de afzonderlijke regelingen worden toegelicht.

16.3. Uitvoering van het Steunpunt RI&E

De inregeling van een structurele grondslag vraagt geen bijzondere tijd en aandacht van de SER. Momenteel voert het secretariaat van het Steunpunt, reeds ondergebracht bij de SER, al de activiteiten uit op basis van een driejarige subsidie. Zij zullen dezelfde taken toebedeeld krijgen wanneer de Minister overgaat op een structurele financiering.

17. Evaluatie

Deze wetswijziging wordt vijf jaar na inwerkingtreding geëvalueerd.

18. Consultatie en advies

Voorafgaand aan de internetconsultatie hebben juridische medewerkers het wetsvoorstel, de subsidieregeling en voor zover van toepassing de hoofdlijnennotitie getoetst op uitvoerbaarheid, bezwaar- en beroepsprocedures en handhaving.

De structurele financiering voor het Steunpunt RI&E is besproken met TNO, de SER en sociale partners verenigd in de Stichting van de Arbeid. De concrete wetteksten zijn voorgelegd aan beleidsmedewerkers van de SER en de Stichting van de Arbeid.

Schriftelijke ronde Stichting van de Arbeid

Het wetsvoorstel is voorafgaand aan de internetconsultatie via een schriftelijke ronde aangeboden aan de Stichting van de Arbeid. De FNV had één fundamentele reactie op het wetsvoorstel. De FNV stelde voor om de volgende definitie van een beroepsziekte te hanteren: een ziekte of aandoening als gevolg van een belasting waarvan het voorshands aannemelijk is dat deze in arbeid of arbeidsomstandigheden heeft plaatsgevonden.

De regering kan dit voorstel niet overnemen. De reden daarvoor is, is dat het voor de classificatie van een beroepsziekte noodzakelijk is dat de oorzakelijkheid tussen een gevaarlijke stof en een ziekte op populatieniveau kan worden vastgesteld. Hiervoor is het hanteren van het begrip «in overwegende mate» in de definitie van beroepsziekte noodzakelijk. Op individueel niveau is het een ander verhaal: dan is het inderdaad in veel gevallen heel moeilijk om aan te tonen dat een ziekte in overwegende mate door de arbeidsomstandigheden is veroorzaakt. Het is daarom dat er in de TSB-regeling (dus voor de verbetering van de aantoonbaarheid op individueel niveau) aanvullend het begrip «voorshands aannemelijk» is geïntroduceerd. Zoals hierboven uitgelegd, is dit echter volgens de regering niet het begrip dat thuishoort in de feitelijke definitie van wat wel als een beroepsziekte kan worden geclassificeerd en wat niet.

Internetconsultatie

In de periode van dinsdag 22 april tot en met dinsdag 20 mei 2025 zijn de voorstellen voor de eerste twee grondslagen (kennisprogramma beroepsziekten en beroepsziekteregelingen) en de subsidieregeling kennisprogramma beroepsziekten, met in de bijlage de hoofdlijnennotitie, voor een openbare consultatie aangeboden via www.internetconsultatie.nl. De grondslag voor het Steunpunt RI&E is daarna toegevoegd.

Er zijn acht reacties binnengekomen, waarvan één niet-openbaar. Eén openbare reactie is afkomstig van de FNV. De inhoud van deze reactie werd ondersteund door FNV Arbonetwerk, De Astmavereniging Nederland en Davos en de Asbestslachtoffers Vereniging Nederland en ook door een anonieme reageerder. Deze vier reacties hadden daarnaast geen verdere opmerkingen. Hieronder volgt een samenvatting van de reacties op de internetconsultatie, waarbij is aangegeven in hoeverre dit heeft geleid tot wijzigingen in het conceptwetsvoorstel.

Alle reacties zijn overwegend positief over het voorstel met enkele specifieke bezwaren op onderdelen van het voorstel. De FNV en De vereniging van Advocaten voor Slachtoffers van Personenschade (ASP) maken vooral bezwaar tegen het verplaatsen van de definitie van beroepsziekte van de Arbeidsomstandighedenregeling naar de Arbeidsomstandighedenwet. Beide organisaties zijn bang dat hiermee de aandacht voor preventieve activiteiten (onbedoeld) belemmerd wordt. Ook vrezen zij een verslechtering van de aansprakelijkheidspositie van mensen met een beroepsziekte. Tenslotte ziet de FNV als effect ook nog een verenging van de zorgplicht.

Het is niet de bedoeling om aan het begrip beroepsziekte een bredere werking te geven dan voor de melding en registratie van beroepsziekten, het samenwerkingsverband voor kennis over beroepsziekten en beroepsziektetegemoetkomingsregelingen. Naar het inzicht van de regering leidt het verplaatsen van de begripsbepaling daar ook niet toe. De term beroepsziekte komt in de Arbowet ook alleen voor in artikel 9 en in het voorgestelde 9a en 9b. Het nemen van preventieve maatregelen voor een gezonde en veilige werkvloer is niet beperkt tot het al dan niet bestaan van het gevaar van een beroepsziekte, die verplichting is breder dan dat. Dat is op dit moment al zo en verandert niet door het verplaatsen van een begripsbepaling. Desalniettemin is ervoor gekozen om in de definitie nu expliciet op te nemen dat deze alleen betrekking heeft op de artikelen waarin de genoemde onderwerpen zijn geregeld, zodat hier geen twijfel over kan bestaan.

De Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) benadrukt het belang van de structurele financiering van kennisontwikkeling. Hiervoor verwijst de regering naar paragraaf 15.1. Hierin is aangegeven dat er structureel geld is gereserveerd voor kennisontwikkeling over stoffengerelateerde beroepsziekten. Daarnaast benadrukt de NVAB het belang dat álle beroepsziekten in aanmerking komen voor een aanvullende vergoeding, om willekeur en ongelijkheid tussen beroepsgroepen en ziektebeelden te voorkomen. De regering streeft ernaar dat de TSB-regeling wordt uitgebreid met de beroepsziekten door gevaarlijke stoffen die door de onafhankelijke Adviescommissie lijst Beroepsziekten daarvoor aan de regering worden voorgedragen.

Uit de niet-openbare reactie blijkt dat er onduidelijkheden zijn over de taken en verantwoordelijkheden van de penvoerder en de ondersteuning door het wetenschappelijk ondersteunend bureau dat is ondergebracht bij het RIVM. Naar aanleiding hiervan zijn in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel de taken van het bureau verduidelijkt en in toelichting op de subsidieregeling de taken van de penvoerder.

Ook is gebleken dat de bepaling waarin was opgenomen dat het intellectueel eigendomsrecht moest worden overgedragen, niet in lijn is met de afspraken die gemaakt zijn in de academische wereld. Ook lijkt dit onderwerp meer passend in de ministeriële regeling dan op wetsniveau. Het zevende lid van artikel 9a is daarom na de internetconsultatie geschrapt. In de subsidieregeling zullen regels worden gesteld over openbaarmaking van data en intellectueel eigendomsrecht.

Adviescollege toetsing regeldruk

Ook is het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) gevraagd advies uit te brengen over de regeldrukeffecten. Dit zijn de kosten die betrokkenen moeten maken om aan de wettelijke verplichtingen te kunnen voldoen. Het ATR heeft ook gekeken naar ervaren regeldruk. Regeldruk ontstaat als de verplichtingen niet goed aansluiten op hoe betrokkenen hun werk hebben georganiseerd. Het ATR heeft geadviseerd de regeldruk in kaart te brengen, conform de Rijksbrede methodiek.

Het eindoordeel van het ATR is:

Het wetsvoorstel indienen en de regeling vaststellen nadat met het adviespunt rekening is gehouden. Het conceptvoorstel is hierop aangepast. Dit heeft tot gevolg gehad dat de regeldrukbeschrijvingen zijn verplaatst naar de toelichting op de subsidieregeling en dat deze beschrijvingen in lijn zijn gebracht met de Rijksbrede methodiek.

Na het advies van het ATR is de wettelijke grondslag voor het Steunpunt RI&E toegevoegd aan het voorstel. Dit is besproken met het ATR, maar heeft geen aanleiding gegeven tot een aanvullende reactie van het college van het ATR.

Advies Autoriteit Persoonsgegevens

Daarnaast is de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) geraadpleegd over het concept. De AP heeft geen aanmerkingen op het concept.

Samenwerkingsverband Lexces, bureau Lexces en TNO

Na de internetconsultatie is gesproken met het samenwerkingsverband Lexces, het RIVM (bureau Lexces) en TNO over hun reflecties op het wetsvoorstel en de subsidieregeling. Relevante reflecties zijn verwerkt, zoals over de taken van de penvoerder, de positie van het wetenschappelijk ondersteunend bureau dat bij het RIVM is ondergebracht en de mogelijkheid voor een kennisinstituut als TNO (een ZBO) om deel uit te maken van een samenwerkingsverband dat subsidie wil aanvragen.

SVB

De SVB heeft een uitvoeringstoets uitgevoerd over artikel 9b. Hierop is een overbodig stukje tekst in artikel 9b, derde lid geschrapt.

19. Bekendmaking en inwerkingtreding

De wetswijziging wordt bekend gemaakt in het Staatsblad. De bijbehorende subsidieregeling, met in de bijlage de hoofdlijnennotitie, wordt gelijktijdig bekend gemaakt in de Staatscourant.

Op de websites van SZW, de rijksoverheid en het UVB zal een aankondiging komen te staan voor belangstellende samenwerkingsverbanden om een subsidieverzoek in te dienen. Zodra de wet en de regeling bekend zijn gemaakt, zullen daar linkjes naar het Staatsblad en de Staatscourant bij worden geplaatst.

II. ARTIKELSGEWIJS

Artikel I

Artikel I, onderdeel A (artikel 1)

In de Arbeidsomstandighedenregeling staat op dit moment een definitie van het begrip beroepsziekte. Het begrip beroepsziekte komt echter ook voor in de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit, en heeft daar dezelfde betekenis als de betekenis die in de Arbeidsomstandighedenregeling aan dit begrip wordt gegeven. Aangezien het begrip beroepsziekte ook terugkomt in de nieuwe artikelen van de Arbeidsomstandighedenwet die in dit wetsvoorstel zijn opgenomen, wordt nu voorgesteld om de definitie van beroepsziekte die in de Arbeidsomstandighedenregeling is opgenomen, te verplaatsen naar de Arbeidsomstandighedenwet. De definitie van beroepsziekte heeft alleen betrekking op het bestaande artikel 9, en op de voorgestelde artikelen 9a en 9b.

Om dit te benadrukken wordt het verband tussen deze artikelen in de definitie benoemd. Omdat de definitie hierdoor niet binnen de structuur van artikel 1, eerste lid, past, wordt een nieuw derde lid voorgesteld.

Artikel I, onderdeel B (artikel 5, zevende en achtste lid)

Zevende lid

In dit lid wordt de taakomschrijving van het Steunpunt RI&E opgenomen. Zie voor een verdere omschrijving van deze taken hoofdstuk 2 van het algemeen deel van de toelichting. Hoewel de verplichtingen van artikel 5 zich richten tot de werkgever, kunnen ook werknemers en ZZP’ers gebruik maken van de diensten van het Steunpunt RI&E. Brancheorganisaties kunnen een instrument als bedoeld in artikel 14, twaalfde lid, onderdeel b, onderdeel 2, opstellen, de zogenaamde branche RI&E. Om die reden kunnen ook zij ondersteuning van het Steunpunt RI&E vragen. In het zevende lid is ook een delegatiegrondslag voor de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgenomen om een instelling aan te wijzen die de taken van het Steunpunt RI&E uitvoert.

Achtste lid

Momenteel wordt het Steunpunt RI&E gefinancierd met een tijdelijke subsidie op grond van de Kaderwet SZW-subsidies. Met het opnemen van een financieringsgrondslag in de Arbeidsomstandighedenwet is de continuïteit van het Steunpunt RI&E gewaarborgd.

Artikel I, onderdeel C (artikelen 9a en 9b)

Met dit onderdeel wordt voorgesteld om twee nieuwe artikelen toe te voegen aan de Arbeidsomstandighedenwet.

Artikel 9a

In het eerste lid van het voorgestelde artikel 9a is een bevoegdheid opgenomen voor de Minister om subsidie te verstrekken voor kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten. Het gaat hierbij om kennisactiviteiten die passen binnen een hoofdlijnennotitie die als bijlage bij de door de Minister vastgestelde subsidieregeling wordt gepubliceerd.

De subsidie wordt op aanvraag verstrekt. Alleen samenwerkingsverbanden die voldoen aan de eisen in het voorgestelde artikel 9a van de Arbeidsomstandighedenwet, de daarop gebaseerde subsidieregeling en de hoofdlijnennotitie, kunnen in aanmerking komen voor subsidie. Zoals volgt uit het voorgestelde zesde lid, is de subsidie gekoppeld aan de hoofdlijnennotitie en kan er per gepubliceerde hoofdlijnennotitie aan slechts één samenwerkingsverband subsidie worden verstrekt.

Het tweede lid bepaalt waar een samenwerkingsverband aan moet voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen. Dit wordt verder uitgewerkt in de subsidieregeling.

Een samenwerkingsverband kan ook uit publiekrechtelijke rechtspersonen of onderdelen daarvan bestaan. Aan deze partijen kan ook subsidie worden verstrekt, met uitzondering van instellingen die een onderdeel zijn van de publiekrechtelijke rechtspersoon de Staat. Dit omdat geldstromen binnen één publiekrechtelijke rechtspersoon geen subsidie zijn.21

Gelet hierop, is in het derde lid expliciet bepaald dat als een samenwerkingsverband bestaat uit een of meer instellingen die onderdeel uitmaken van de Staat, alleen subsidie zal worden verstrekt aan de andere instellingen van het samenwerkingsverband. Dit wil overigens niet zeggen dat deze instellingen geen financiering kunnen krijgen voor de kennisactiviteiten die zij als onderdeel van het samenwerkingsverband verrichten. Als een subsidie wordt verleend aan de instellingen van het samenwerkingsverband die geen onderdeel uitmaken van de Staat, dan zal tevens een financiële bijdrage worden verstrekt aan het orgaan of de organen van het samenwerkingsverband die onderdeel uitmaken van de Staat. De verstrekking van deze financiële bijdrage zal plaatsvinden overeenkomstig de (begrotings)regels die hierop van toepassing zijn.

In het vierde lid is opgenomen dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de subsidie voor het kennisprogramma. Het gaat hierbij om onder meer voorschriften over het indienen van een subsidieaanvraag, de bekendmaking van het tijdvak waarin dit kan worden gedaan en de verplichtingen die rusten op de subsidieontvangers. Ook zullen regels moeten worden gesteld over het bedrag van de subsidie, de uitbetaling hiervan, de intrekking en wijziging van een verstrekte subsidie en de terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiegelden.

In het vierde lid is tevens opgenomen dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de kennisactiviteiten waar het onderzoeksprogramma op ziet. De omschrijving van de kennisactiviteiten heeft de vorm van een hoofdlijnennotitie die als bijlage bij de ministeriële regeling wordt gevoegd. Dit is geregeld in het vijfde lid. Het vijfde lid bepaalt tevens welke andere onderwerpen ten minste in een hoofdlijnennotitie moeten worden opgenomen. De hoofdlijnennotitie bevat daarnaast een deel van de criteria aan de hand waarvan wordt bepaald aan welk samenwerkingsverband een subsidie wordt verstrekt. De overige criteria zijn de criteria in het voorgestelde artikel 9a van de Arbeidsomstandighedenwet en de subsidieregeling die op dit artikel zal zijn gebaseerd.

Het zesde lid koppelt de subsidieverstrekking aan een hoofdlijnennotitie: de Minister kan per uitgebrachte hoofdlijnennotitie aan slechts één samenwerkingsverband subsidie verstrekken.

Artikel 9b

Op grond van het eerste lid van het voorgestelde artikel 9b kan de Minister een tegemoetkoming toekennen aan personen die lijden aan een beroepsziekte. Wat onder een beroepsziekte moet worden verstaan, volgt uit de begripsbepaling van dit begrip die met dit wetsvoorstel tevens aan de Arbeidsomstandighedenwet zal worden toegevoegd.

De bestaande tegemoetkomingsregelingen voor beroepsziekten waarvoor de Minister verantwoordelijk is, namelijk de Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten en de Regeling tegemoetkoming Asbestslachtoffers, zijn gebaseerd op artikel 9 van de Kaderwet SZW-subsidies. Dit artikel geeft slechts een grondslag om op tijdelijke basis tegemoetkomingen te verstrekken. Indien dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven, zullen deze bestaande tegemoetkomingsregelingen in het vervolg berusten op het voorgestelde artikel 9b van de Arbeidsomstandighedenwet, waardoor zij een permanente wettelijke grondslag zullen hebben.

Als de Minister besluit om voor een of meer beroepsziekten een tegemoetkoming te verstrekken, dan zullen, op grond van het tweede lid, bij ministeriële regeling de kaders hiervoor moeten worden geregeld.

Het gaat dan onder meer om een afbakening van de beroepsziekte of -ziekten waarvoor op aanvraag een tegemoetkoming kan worden verstrekt, de begunstigden, het aanvraag- en beoordelingsproces en verplichtingen die op de ontvanger van een tegemoetkoming rusten.

Het derde lid geeft de bevoegdheid om bij ministeriële regeling regels te stellen over de vergoeding van kosten die verband houden met de aanvraag van de tegemoetkoming en andere criteria voor de toekenning van de tegemoetkoming. Deze regels vormen een aanvulling op de regels die op grond van het tweede lid moeten worden opgenomen in een ministeriële regeling. In tegenstelling tot het tweede lid gaat het in dit geval om een bevoegdheid tot het stellen van regels. Het stellen van deze regels is niet verplicht. Bij de vergoeding van kosten gaat het met name om kosten die aanvragers van een tegemoetkoming noodzakelijkerwijs moeten maken om aan te tonen dat zij recht op de tegemoetkoming hebben.

Bij de uitvoering van de tegemoetkomingsregelingen die op dit artikel zijn en zullen worden gebaseerd, worden onvermijdelijk gegevens over de gezondheid van personen verwerkt. Er kan immers alleen een tegemoetkoming worden verstrekt aan personen die lijden aan een beroepsziekte, wat de verwerking van gegevens om dit vast te kunnen stellen noodzakelijk maakt. Omdat deze gegevens iets zeggen over de gezondheidstoestand van personen, zijn dit bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in de AVG en dan meer in het bijzonder gegevens over gezondheid. De verwerking van deze gegevens is op grond van artikel 9, eerste lid, van de AVG verboden, tenzij een van de situaties in het tweede lid van dat artikel van toepassing is. Met het vierde lid van het voorgestelde artikel 9b, wordt een beroep gedaan op en een invulling gegeven aan de uitzondering in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de AVG. Hiermee wordt gewaarborgd dat bij de uitvoering van de op artikel 9b gebaseerde tegemoetkomingsregelingen de gezondheidsgegevens kunnen worden verwerkt die nodig zijn voor een goede uitvoering van de tegemoetkomingsregeling. Voor een verdere toelichting op dit artikellid wordt verwezen naar paragraaf 9.4 van het algemeen deel van de toelichting bij dit wetsvoorstel.

Met «bestuursorganen en instellingen die zijn of mede zijn belast met de uitvoering van een regeling» in het vierde lid worden alle bestuursorganen en instellingen bedoeld waaraan op grond van een tegemoetkomingsregeling taken of bevoegdheden zijn toegekend die betrekking hebben op de uitvoering van die regeling.

Artikel I, onderdeel D (artikel 45a)

Dit artikel bevat de verplichting voor de Minister om deze wetswijziging binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet te evalueren.

Artikel II

Indien dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven, zal dit in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 juli 2027. De beoogde startdatum van het kennisprogramma is 1 juli 2028. Zo is er voldoende tijd voor de tenderprocedure (aanvragen, beoordelen en beschikken) en voor het werven van personeel en het opzetten van de projecten door het winnende consortium.

De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen