Kamerstuk 36945-XV-5

Lijst van vragen en antwoorden inzake het Jaarverslag Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2025 (Kamerstuk 36945-XV-1)

Dossier: Jaarverslag en slotwet Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2025

Gepubliceerd: 8 juni 2026
Indiener(s): Tom van der Lee (GL)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36945-XV-5.html
ID: 36945-XV-5

Nr. 5 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 8 juni 2026

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Werk en Participatie over de brief van 20 mei 2026 inzake het Jaarverslag Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2025 (Kamerstuk 36 945 XV, nr. 1).

De Ministers hebben deze vragen beantwoord bij brief van 8 juni 2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Van der Lee

Adjunct-griffier van de commissie, Morrin

Vraag 1

Hoeveel uitkeringsgerechtigden hebben een taalcursus gevolgd?

Antwoord 1

Er is geen informatie beschikbaar over hoeveel mensen in de bijstand een taalcursus hebben gevolgd. Momenteel wordt samen met gemeenten en het CBS geïnventariseerd hoe de taaleis in bestaande statistiek opgenomen wordt. Dit plaatst de taaleis ook in de bredere context van re-integratie: als één van de belemmeringen die men kan ervaren in het vinden van werk. Op deze manier is de verwachting dat periodiek en systematisch zicht gekregen wordt op het aantal mensen in de bijstand dat een taaltraject volgt.

Vraag 2

Kunt u aangeven hoeveel mensen in 2025 te lang hebben moeten wachten op een beoordeling in het kader van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) en hoeveel mensen daardoor financieel in de problemen zijn gekomen?

Antwoord 2

In 2025 heeft UWV 58.868 beoordelingen verricht waarbij mensen langer dan de beslistermijn moesten wachten. Daarnaast wachtten er eind 2025 26.685 mensen langer dan de beslistermijn op een beoordeling. Om te voorkomen dat mensen in de financiële problemen komen doordat zij op een beoordeling moeten wachten, kunnen zij een voorschot aanvragen. Op die manier krijgen mensen inkomen in afwachting van de uitkomst van de beoordeling. Als na afloop van de WIA-beoordeling geen of minder recht blijkt te zijn op een WIA-uitkering hoeft dit voorschot niet te worden terugbetaald, maar wordt dit verrekend met een andere uitkering of kwijtgescholden.

Vraag 3

Ervan uitgaande dat in het jaarverslag staat dat het streven is om het publieke energiefonds begin 2027 te openen, is dit het meest recente beeld? Zo nee, zou geschetst kunnen worden wat de huidige planning en voorgenomen vormgeving van het energienoodfonds is?

Antwoord 3

De tekst in het jaarverslag ziet nog op het eerder voorziene publieke noodfonds energie met subsidie vanuit het Europese Sociaal Klimaatfonds (SKF). Dit is echter onuitvoerbaar gebleken. Het kabinet bereidt nu buiten de randvoorwaarden gesteld door het SKF een noodfonds energie voor, dat voor de komende winter operationeel moet kunnen zijn. U bent hierover eerder geïnformeerd per brief van 20 april 2026 betreffende Acties Weerbaarheid Energieschok en in antwoord op Kamervragen van de leden Lahlah en Kröger (beiden GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over een snelle oplossing voor het Noodfonds energie.Over het noodfonds energie wordt u in juni nader geïnformeerd.

Vraag 4

Ervan uitgaande dat in het jaarverslag staat dat in elke arbeidsmarktregio in 2026 een Werkcentrum actief is, wat is de huidige stand van zaken? Ligt u op koers om deze ambitie te behalen?

Antwoord 4

In alle arbeidsmarktregio’s is en wordt hard gewerkt om het Werkcentrum vorm te geven: fysiek en digitaal via Werkcentrum.nl. De 35 Werkcentra in Nederland zijn sinds 23 maart 2026 allemaal operationeel. Het jaar 2026 geldt als transitiejaar en in een aantal regio’s wordt de (fysieke) toegankelijkheid dit jaar verder ontwikkeld.

Vraag 5

Wanneer ontvangt de Kamer een update over de fundamentele herziening van de banenafspraak?

Antwoord 5

Er is een Kamerbrief met verdere uitwerking van de fundamentele herziening van de banenafspraak in voorbereiding. Het streven is om deze brief voor de zomer, en als dat niet lukt net na de zomer naar de Kamer te verzenden.

Vraag 6

Kunt u aangeven aan welke vier sectoren een relatief hoog risico op overtreding van de arbeidswetten wordt toegekend en hoeveel controles en boetes in 2025 daadwerkelijk zijn opgelegd wegens misstanden met arbeidsmigranten?

Antwoord 6

Sectoren met relatief hoge risico’s op overtreding van de arbeidswetten zijn de vleessector en delen van de (brede) schoonmaak-, transport- en teeltsector. Dit heeft mijn voorganger in juli 2025 aan uw Kamer laten weten in de technische verkenning van een uitzendverbod in sectoren of verplicht percentage direct in dienst.1 Hierbij is gebruik gemaakt van openbare informatie over arbeidsrisico’s van de Arbeidsinspectie.2

De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de naleving van de arbeidswetten door werkgevers. Eventuele sanctionering is dus op werkgevers gericht, ongeacht de herkomst en verblijfsstatus van de werknemers bij die werkgevers. Daarom kan de Arbeidsinspectie geen cijfers over specifiek de overtredingen met arbeidsmigranten geven.

Vraag 7

Kan tabel 3 waarin de verandering staat van de incassoratio per uitvoerder nader worden toegelicht? Wat verklaard de meerjarige trend in deze tabel?

Antwoord 7

Tabel 3 bevat de incassoratio ultimo 2025. Dit is het totale percentage van de openstaande vorderingen (benadelingsbedrag plus boete) uit een specifiek jaar dat eind 2025 ingevorderd is. Over welke periode de invordering plaats heeft gevonden verschilt per jaar. Zo is bij vorderingen uit 2025 één jaar ingevorderd, terwijl bij vorderingen ontstaan in 2021 vijf jaar is ingevorderd. Zodoende bevat de tabel geen meerjarige trend, maar de stand per jaar tot en met 31 december 2025.

Vraag 8

Kan in een tabel per cluster van regelingen worden uitgesplitst welk aandeel van de SZ-uitgavenontwikkeling van 2023 tot en met 2025 toe te schrijven is aan reguliere indexatie en welk aandeel aan andere factoren, zoals beleidsmatige wijzigingen of volumeontwikkelingen?

Antwoord 8

In onderstaande tabellen is voor de jaren 2023 tot en met 2025 per jaar aangegeven welk deel van de uitgavenontwikkeling in dat jaar het gevolg is van indexatie, en welk deel van overige factoren. Deze overige factoren zijn bijvoorbeeld beleidsmatige wijzigingen of volumeontwikkelingen. De cijfers in de tabellen kunnen niet zonder meer over de jaren heen vergeleken worden. Dit komt doordat de cijfers zijn opgenomen in het prijsniveau van het betreffende jaar.

Uitkeringsregelingen zijn in deze tabellen op dezelfde manier geclusterd als in hoofdstuk 4.2 «Budgettaire ontwikkeling uitgaven Sociale Zekerheid» in het SZW Jaarverslag 2025. Daarbij zijn alleen de clusters van regelingen waarbij de indexatie volledig op de SZW-begroting staat gereserveerd in de tabel opgenomen.

Tabel: 2025

in € mln.

Begroting

2025

(1)

Indexatie (2)

Overige mutaties

(3)

Jaarverslag

2025

(4)

Compensatieregeling Transitievergoeding

578

34

20

631

WW

3.742

179

2

3.924

Bijstand

7.480

429

– 129

7.780

WIA/WAO/WAZ/Wajong

18.631

1.046

255

19.932

ZW

2.320

123

256

2.700

WAZO/geboorteverlof/ouderschapsverlof

2.634

137

163

2.934

AOW

52.752

2.541

– 85

55.208

Inkomensondersteuning AOW

0

0

0

0

Anw

334

21

– 9

346

KOT

5.224

268

– 68

5.425

AKW/WKB

9.702

195

– 131

9.766

Re-integratieuitgaven arbeidsongeschiktheid

224

9

– 5

227

Tabel: 2024

in € mln.

Begroting

2024

(1)

Indexatie (2)

Overige mutaties

(3)

Jaarverslag

2024

(4)

Compensatieregeling Transitievergoeding

406

32

156

594

WW

3.171

181

27

3.379

Bijstand

6.976

420

– 55

7.341

WIA/WAO/WAZ/Wajong

17.295

1.156

49

18.499

ZW

2.112

126

185

2.422

WAZO/geboorteverlof/ouderschapsverlof

2.653

149

– 131

2.671

AOW

48.305

3.581

– 177

51.709

Inkomensondersteuning AOW

199

20

– 1

218

Anw

323

23

12

358

KOT

4.547

280

– 111

4.716

AKW/WKB

9.137

547

– 212

9.472

Re-integratieuitgaven arbeidsongeschiktheid

223

8

– 14

217

Tabel: 2023

in € mln.

Begroting

2023

(1)

Indexatie (2)

Overige mutaties

(3)

Jaarverslag

2023

(4)

Compensatieregeling Transitievergoeding

378

17

94

489

WW

2.850

159

– 144

2.865

Bijstand

6.015

562

82

6.659

WIA/WAO/WAZ/Wajong

15.247

1.070

440

16.757

ZW

2.021

126

35

2.182

WAZO/geboorteverlof/ouderschapsverlof

2.446

142

– 190

2.397

AOW

43.460

4.598

– 320

47.738

Inkomensondersteuning AOW

197

0

– 1

196

Anw

296

33

8

337

KOT

3.967

366

– 167

4.166

AKW/WKB

7.430

562

– 29

7.963

Re-integratieuitgaven arbeidsongeschiktheid

203

13

– 30

187

Vraag 9

Wat is de verwachte toename van uitgaven aan sociale uitkeringen tot en met 2050 zowel in absolute getallen als in percentage van het bruto binnenlands product? Kunt u dit uitsplitsen naar verwachte uitgaven inclusief onverkorte uitvoering van de maatregelen uit het akkoord Aan de slag en exclusief de uitvoering van de maatregelen uit het akkoord?

Antwoord 9

De meerjarige ramingen in de SZW-begroting lopen tot 2031. Gegevens over de ontwikkeling van de uitgaven aan sociale zekerheid tot en met 2050 zijn daarom beperkt beschikbaar. Wel kan voor enkele uitkeringsregelingen een beeld worden geschetst van de uitgavenontwikkeling na 2031.

De AOW-uitgaven nemen naar verwachting tussen 2025 en 2040 met circa € 15,4 miljard toe (in constante prijzen, prijspeil 2025). Dit cijfer gaat uit van een 2/3 koppeling van de AOW aan de levensverwachting, gegeven de inmiddels teruggedraaide maatregel uit het coalitieakkoord om de AOW-leeftijd één-op-één te koppelen aan de levensverwachting. De stijging van de AOW-uitgaven is voornamelijk het gevolg van vergrijzing. Op basis van ramingen van het CPB zal het aandeel van de AOW-uitgaven exclusief de één-op-één koppeling aan de levensverwachting ten opzichte van het bbp toenemen van 4,7% in 2025 naar 5,7% in 2040 en 5,4% in 2060.

De WW-uitgaven nemen naar verwachting tussen 2026 en 2031 met circa € 1,3 miljard af (in constante prijzen, prijspeil 2025). Dit is inclusief de WW-maatregelen uit het coalitieakkoord, die voorlopig niet in de voorgestelde vorm worden doorgezet. Zonder deze maatregelen zouden de WW-uitgaven naar verwachting toenemen tot 2031. De ontwikkeling van de WW-uitgaven hangt met name samen met de conjunctuur. Momenteel is de werkloosheid laag. Het CPB gaat er in de ramingen van uit dat de economie in 5 jaar richting de evenwichtswerkloosheid beweegt. Dat heeft in dit geval tot gevolg dat de verwachte WW-uitgaven zullen toenemen tot 2031. Voor de periode daarna wordt aangenomen dat de WW-uitgaven stabiel blijven.

De WIA-uitgaven nemen naar verwachting tussen 2025 en 2040 met circa € 4 miljard toe (in constante prijzen, prijspeil 2025). Dit is exclusief de WIA-maatregelen uit het coalitieakkoord, die voorlopig niet in de voorgestelde vorm worden doorgezet. De toename komt onder meer door de ingroei van de WIA tot circa 2060, doordat meer mensen aan het werk zijn, en doordat er steeds meer oudere werknemers zijn als gevolg van de vergrijzing en de stijging van de AOW-leeftijd.

Het CPB heeft in zijn analyse van het coalitieakkoord een uitsplitsing gemaakt tussen de uitgaven in het basispad (exclusief de maatregelen uit het coalitieakkoord) en het netto-effect op de uitgaven van het pakket aan beleidsmaatregelen uit het coalitieakkoord. De uitgaven voor sociale zekerheid stijgen in het basispad van € 156,8 miljard in 2026 naar € 164,1 miljard in 2030, een toename van € 7,3 miljard. Dat is een stijging van circa 1,1% per jaar in de periode 2027–2030. Het beleidspakket vermindert de uitgaven aan sociale zekerheid met € 2,5 miljard in 2030. Het totale effect (basispad + beleidspakket) is daarmee een stijging van circa 0,8% per jaar. De analyse van het CPB gaat ervan uit dat alle maatregelen uit het coalitieakkoord onverkort worden doorgevoerd.

Vraag 10

Groeien de verwachte uitgaven aan de sociale uitkeringen hoger of lager dan de verwachte groei op andere beleidsartikelen van het Rijk?

Antwoord 10

De ontwikkelingen van de verwachte uitgaven van de verschillende begrotingshoofdstukken van de Rijksbegroting zijn weergegeven in de tabel horizontale ontwikkeling per begrotingshoofdstuk (tabel 5 in de Voorjaarsnota 2026). Hiermee kan de verwachte ontwikkeling van uitgaven aan SZW worden vergeleken met andere begrotingsposten. Hieruit volgt dat de uitgaven aan sociale zekerheid met ongeveer 8% stijgen tussen 2026 en 2031 (circa € 10 miljard). Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de verwachte stijging van de uitgaven aan de AOW met circa € 5,7 miljard als gevolg van vergrijzing. Daarnaast stijgen de verwachte uitgaven aan de Kinderopvangtoeslag met circa € 2,6 miljard vanwege de voorgenomen invoering van een nieuw kinderopvangstelsel per 2029.

De totale rijksuitgaven stijgen in dezelfde periode met 2%. Hierbij moet opgemerkt worden dat de uitgavenontwikkeling moeilijk te vergelijken is vanwege verschillende technische factoren. Zo zijn de meeste begrotingen al geïndexeerd naar prijspeil 2026, terwijl de uitkeringsregelingen van SZW bij Miljoenennota 2027 pas worden geïndexeerd.

Vraag 11

Wat is de ontwikkeling van de Werkloosheidswet (WW)- en WIA-daglonen in relatie tot het consumentenprijsindexcijfer in de afgelopen tien jaar? Zijn de WW- en WIA-uitkeringen in koopkracht gegroeid?

Antwoord 11

De (maximum)daglonen in de uitkeringen van UWV worden halfjaarlijks geïndexeerd met de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon. Onderstaande twee tabellen tonen de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon (en daarmee ook de daglonen) en de ontwikkeling van de consumentenprijsindex van begin 2016 tot eind 2025. In beide gevallen is het cijfer van eind 2015 gelijkgesteld aan 100 zodat de reeksen eenvoudig te vergelijken zijn.

De daglonen zijn de afgelopen tien jaar met 49% toegenomen als gevolg van indexatie. De consumentenprijzen zijn met 34,5% toegenomen. De uitkeringsbedragen in de WW en de WIA worden afgeleid van de daglonen. Omdat de daglonen sterker zijn toegenomen dan de inflatie gedurende de afgelopen tien jaar zijn de WW- en WIA-uitkeringen in reële termen gestegen. Voor de koopkrachtontwikkeling is niet alleen de groei van het besteedbaar inkomen afgezet tegen de prijsontwikkeling relevant, omdat het besteedbaar inkomen ook afhankelijk is van andere factoren zoals heffingskortingen en toeslagen.

Indexatie van het wettelijk minimumloon 2016–2025 (index: 2015=100)

jan 16

jul 16

jan 17

jul 17

jan 18

jul 18

jan 19

jul 19

jan 20

jul 20

101,1

101,9

102,9

103,8

104,7

105,7

107,2

108,5

109,7

111,4

jan 21

jul 21

jan 22

jul 22

jan 23

jul 23

jan 24

jul 24

jan 25

jul 25

111,7

112,8

114,4

116,5

128,3

132,3

137,3

141,5

145,4

149,0

Consumentenprijsindex 2016–2025 (index: 2015=100)

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

100,3

101,7

103,4

106,1

107,5

110,4

121,4

126,1

130,2

134,5

Bron: CPB, Centraal Economisch Plan, Verzamelde bijlagen met lange reeksen CEP 2026.

Vraag 12

Klopt het dat de uitgaven aan de sociale zekerheid in 2025 lager liggen dan begroot?

Antwoord 12

Dit klopt. De totale uitgaven aan de sociale zekerheid waren in 2025 € 0,3 miljard lager dan voorzien bij de begroting 2025.

Vraag 13

Wat betekent de post nominale ontwikkeling? Welke methodiek en systematiek zit hier achter? Klopt het dat hier gaat om een jaarlijkse indexatie van de sociale zekerheid die al is begroot bij de begroting van het betreffende jaar?

Antwoord 13

Op de post nominale ontwikkeling worden middelen gereserveerd voor de toekomstige indexering van de uitkeringsregelingen in de sociale zekerheid. De indexatie van deze uitkeringen is wettelijk vastgelegd. In de begroting worden daarom al middelen gereserveerd voor de toekomstige hogere uitgaven als gevolg van het indexeren van de uitkeringen. Per uitkeringsregeling is er een aparte post in de begroting voor de toekomstige indexatie van die regeling. De post nominale ontwikkeling in tabel 6 van het SZW Jaarverslag 2025 is het totaal aan middelen dat in de SZW-begroting 2025 voor dat jaar was gereserveerd voor het indexeren van uitkeringsregelingen.

De meerjarige ramingen van de uitgaven aan de uitkeringsregelingen in de SZW-begroting gaan uit van een constant loon- en prijsniveau. Om de benodigde reservering voor de indexatie in een jaar te bepalen, worden deze uitgaven in constante prijzen vermenigvuldigd met het verwachte indexatiepercentage. Deze indexatiepercentages worden berekend op basis van de actuele cijfers van het CPB over bijvoorbeeld de loonontwikkeling en de inflatie.

Vraag 14

Op welk moment wordt bepaald hoe hoog de post nominale ontwikkeling moet zijn en op welke basis wordt dit bepaald?

Antwoord 14

De posten voor de nominale ontwikkeling worden ieder jaar bij de Voorjaarsnota en Miljoenennota bijgesteld. Bij de Voorjaarsnota gebeurt dit op basis van de CEP-raming van het CPB, en bij Miljoenennota op basis van de cMEV- en MEV-ramingen van het CPB. Ook wordt er rekening gehouden met bijstellingen in de verwachte uitgaven aan de uitkeringsregelingen in constante prijzen (zoals weergegeven in de meerjarenramingen in de SZW-begroting). Eens per jaar wordt de gereserveerde nominale ontwikkeling toegevoegd aan de (begrotingsartikelen van) de uitkeringsregelingen om de meerjarige begroting naar het prijspeil van het lopende jaar te brengen.

Vraag 15

Wanneer wordt de post nominale ontwikkeling uitgekeerd danwel gerealiseerd?

Antwoord 15

Ieder jaar bij de Miljoenennota wordt het prijspeil van de meerjarige SZW-begroting geactualiseerd naar het prijspeil van het lopende jaar. Dit houdt in dat de gereserveerde middelen voor de indexering van de uitkeringen in dat jaar worden overgeheveld naar de begrotingsposten van de corresponderende uitkeringsregelingen. Dit gebeurt zowel voor het lopende jaar als voor de volgende jaren, omdat het indexeren van de uitkeringen in het lopende jaar structureel doorwerkt in de uitkeringshoogte in latere jaren.

Vraag 16

Kunt u een overzicht maken van de hoogte van de posten «nominaal» voor de WW, Regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) en WIA en de mutaties van de WW, WGA en WIA tussen de begroting 2025 en de jaarstukken 2025 daartegenover zetten. Kunt u dit ook doen, terugkijkend naar de afgelopen drie jaar en ook aangeven hoe hoog de post «nominaal» is in 2026?

Antwoord 16

In onderstaande tabellen zijn per jaar het verloop van de uitgaven aan de WW en WIA opgenomen. De uitgaven aan de WIA zijn uitgesplitst naar de uitgaven aan de WGA en de IVA.

De beginstand is de stand uit de begroting van dat jaar (1), met daarnaast de ten tijde van de begroting gereserveerde nominale ontwikkeling voor de indexering van de uitkeringsregelingen in dat jaar (2). Gedurende het jaar is de nominale ontwikkeling bijgesteld (3). Daarnaast hebben zich gedurende het jaar ook andere mutaties voorgedaan op de uitgaven in de begroting. Het per saldo resultaat hiervan is opgenomen als overige mutaties (4). Tot slot zijn de realisatiecijfers uit het jaarverslag van dat jaar in de tabel opgenomen (5). Dit betreft de som van de voorgaande kolommen (1 + 2 + 3 + 4).

Tabel: Verloop uitgaven WW en WIA in 2025

in € mln.

Begroting

(1)

Nominaal begroting

(2)

Mutatie nominaal

(3)

Overige mutaties

(4)

Realisatie

(5)

WW

3.742

187

– 8

2

3.924

WGA

4.990

271

20

348

5.629

IVA

5.655

307

9

– 84

5.887

Tabel: Verloop uitgaven WW en WIA in 2024

in € mln.

Begroting

(1)

Nominaal begroting

(2)

Mutatie nominaal

(3)

Overige mutaties

(4)

Realisatie

(5)

WW

3.171

180

2

26

3.379

WGA

4.547

279

8

110

4.944

IVA

5.026

345

– 6

– 4

5.361

Tabel: Verloop uitgaven WW en WIA in 2023

in € mln.

Begroting

(1)

Nominaal begroting

(2)

Mutatie nominaal

(3)

Overige mutaties

(4)

Realisatie

(5)

WW

2.850

256

– 97

– 144

2.865

WGA

3.949

574

– 340

31

4.214

IVA

4.166

509

– 307

303

4.670

De huidige post nominale ontwikkeling bedraagt € 177 miljoen voor de WW, € 277 miljoen voor de WGA en € 275 miljoen voor de IVA (stand Voorjaarsnota 2026).

Vraag 17

Klopt het dat de post nominale ontwikkeling is opgedeeld per regeling in de sociale zekerheid en dat deze is onderverdeeld in de verschillende begrotingsartikelen?

Antwoord 17

Het klopt dat er in de begroting voor iedere uitkeringsregeling een aparte reservering is voor de toekomstige indexatie van de betreffende uitkeringsregeling. Deze reservering staat op hetzelfde begrotingsartikel als de uitkeringsregeling.

De reserveringen voor de begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen op begrotingshoofdstuk 15 «Sociale Zaken en Werkgelegenheid» zijn opgenomen op begrotingshoofdstuk 83 «Koppeling Uitkeringen». De reserveringen voor de premiegefinancierde uitkeringsregelingen op begrotingshoofdstuk 40 «Sociale Verzekeringen» zijn binnen datzelfde begrotingshoofdstuk opgenomen.

Vraag 18

Wordt de onderuitputting op de Stimuleringsregeling Leven Lang Ontwikkelen in MKB (SLIM) doorgeschoven naar 2026?

Antwoord 18

Op basis van de begrotingsregels wordt onderuitputting niet zonder meer doorgeschoven naar latere jaren. In de voorjaarsbesluitvorming 2026 is dit integraal gewogen en is ervoor gekozen om de lager dan verwachte uitgaven niet door te schuiven naar 2026.

Vraag 19

Kunt u een overzicht maken van de onderuitputting bij de jaarstukken op SLIM van de afgelopen vijf jaar?

Antwoord 19

De SLIM-regeling is gestart in 2020. In 2021 en 2022 is het verschil tussen begroting en realisatie voornamelijk ontstaan omdat het kasritme anders uitpakte dan begroot vanwege de systematiek van de regeling voor aanvragen, verlenen en vaststellen. Om deze reden is budget naar volgende jaren doorgeschoven.

In zowel 2023, 2024 en 2025 waren er minder uitgaven aan vaststellingen (doordat minder subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd dan verwacht) en zijn minder voorschotten uitbetaald. In 2024 is de belangrijkste verklaring dat de individuele scholingsfaciliteit binnen de SLIM nog niet van start kon gaan.

Van de € 23,4 miljoen lagere uitgaven dan begroot in 2025 bij Slotwet komt circa € 6 miljoen door Slim Scholen en circa € 17 miljoen door Slim MKB. De lagere uitgaven aan Slim Scholen komen doordat een deel van de aanvragen van eind 2025 in 2026 zijn beschikt. Ook is een deel van het budget, ruim € 3 miljoen, van Slim Scholen onverwacht niet aangevraagd door ondernemers. Aan Slim MKB is minder uitgegeven, omdat onder andere de hoeveelheid betalingen benodigd voor vaststellingen en voorschotten te hoog ingeschat bleek te zijn. Dit komt onder andere doordat op voorhand de looptijd van projecten en de timing van vaststellingsverzoeken moeilijk exact te voorspellen zijn. Zo is de termijn voor het indienen van de vaststelling van een subsidie voor het MKB 22 weken, waardoor het op voorhand lastig te voorspellen is wanneer SZW het verzoek krijgt en kan vaststellen en uitbetalen.

Jaar

Uitgaven (x € 1 miljoen)

Verschil begroting en jaarverslag

(x € 1 miljoen)1

Toelichting

2021

2,514

25,842

Dat de uitgaven lager waren dan begroot, komt voornamelijk doordat het kasritme anders uitpakt dan verwacht. Om bij het kasritme aan te sluiten is kasbudget ad € 25 miljoen via een kasschuif naar toekomstige jaren geschoven.

2022

19,547

45,653

Dat de uitgaven lager waren dan begroot, komt voornamelijk doordat het kasritme anders uitpakt dan verwacht. Om bij het kasritme aan te sluiten is kasbudget ad € 46 miljoen via een kasschuif naar toekomstige jaren geschoven.

2023

46,403

10,762

Dat de uitgaven lager waren dan begroot, komt hoofdzakelijk door een hogere inschatting van het te realiseren bedrag in de begroting. Deze schatting was gebaseerd op uitbetalingen in 2022. Hierbij is gekeken naar de looptijd van de projecten, het moment waarop het vaststellingsverzoek uiterlijk wordt ingediend en de termijn waarbinnen de daadwerkelijke uitbetaling plaats moet vinden. Daarbij is ook een inschatting gemaakt van de voorschotten die zouden kunnen worden uitbetaald. Tevens was er bij de schatting rekening gehouden met het aantal te verwachten vaststellingen en het aantal gevraagde voorschotten.

2024

56,962

32,368

Het verschil komt hoofdzakelijk doordat de individuele scholingsfaciliteit binnen de SLIM nog niet van start is gegaan in 2024, wat leidde tot een vrijval van € 25 miljoen. Het overige verschil van € 7,3 miljoen wordt verklaard door minder uitgaven aan de reguliere SLIM MKB-regeling. De geschatte hoeveelheid betalingen vanwege vaststellingen en voorschotten bleek hoger uit te vallen dan begroot. Dit komt doordat op voorhand het type aanvragen, de looptijd van projecten en de timing van vaststellingsverzoeken moeilijk exact te voorspellen zijn.

2025

52,804

63,210

Bij Slotwet is € 23,4 miljoen vrijval. Hiervan is circa € 6 miljoen afkomstig van SLIM scholen en circa € 17 miljoen van SLIM MKB.

Daarnaast is om bij het kasritme aan te sluiten € 25,5 miljoen voor SLIM scholen bij Voorjaarsnota 2025 naar toekomstige jaren geschoven. Bij de September suppletoire begroting 2025 zijn de uitgaven per saldo met € 11,6 miljoen naar beneden bijgesteld.

X Noot
1

Verschil tussen de gerealiseerde uitgaven in het Jaarverslag

Vraag 20

Klopt het dat er in 2025 per saldo onderuitputting was op de begroting van SZW? Is dat inclusief de tegenvaller vanwege de uitvoeringsinformatie van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)?

Antwoord 20

Ja, zie tabel 8 in het Jaarverslag 2025 voor een onderbouwing hiervan. Bij onderuitputting gaat het om onbenut budget bij begrotingsgefinancierde uitgaven (met name subsidies en apparaatsuitgaven). De tegenvaller bij uitkeringsregelingen vanwege uitvoeringsinformatie van UWV maakt hier geen onderdeel van uit.

Vraag 21

Heeft de onderuitputting op de begroting van SZW voor 2025 geleid tot een aanpassing van de begroting van SZW voor 2026? Wat is nu de geraamde onderuitputting?

Antwoord 21

De begroting 2026 is opgehoogd bij de begrotingsonderdelen waar de onderuitputting in 2025 verband houdt met het doorschuiven van betalingen van 2025 naar 2026. Dit geldt voor opdrachten op artikel 1 (€ 0,1 miljoen) en opdrachten op artikel 2 (€ 0,3 miljoen). Daarnaast hebben enkele herschikkingen plaatsgevonden tussen verschillende artikelonderdelen.

In de eerste suppletoire begroting 2026 is geen onderuitputting voor 2026 geraamd.

Vraag 22

Welke acties onderneemt u om ziekteverzuim terug te dringen, zowel binnen de collectieve sector als de marktsector?

Antwoord 22

Werkgevers zijn met werknemers gezamenlijk verantwoordelijk voor de arbeidsomstandigheden en het voorkomen van ongevallen en ziekte door werk. Zoals uit de Arbovisie 2040 blijkt is meer inzet op preventie noodzakelijk. Het kabinet is in dat kader bezig met een aantal thema’s.

Zo is een open traject gestart, waarbij stakeholders worden betrokken, om te onderzoeken hoe structureel meer focus op preventie in het arbozorgstelsel kan worden bewerkstelligd. Om de kwaliteit van de preventieve arbozorg door bedrijfsartsen te verbeteren, financiert SZW het subsidieprogramma Innovatieve Arbozorg 2024–2027. Resultaten uit de projecten worden breed gedeeld.

Om werkgevers te helpen bij het opstellen van de zogenaamde Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) en een Plan van Aanpak om ongevallen en uitval te voorkomen, is de webapplicatie Route naar RIE gebruiksvriendelijker gemaakt. Hiermee kunnen werkgevers stapsgewijs zelf een goede RI&E opstellen.

Daarnaast wordt in het kader van de Arbovisie 2040 een onderzoek verricht naar financiële prikkels om investeringen in preventie te bevorderen en wordt gewerkt aan een betere borging van ketenverantwoordelijkheid. Het actieprogramma Arbo Actief zet in op een betere informatievoorziening en daarmee gedragsverandering bij het mkb. Over de voortgang van de Arbovisie 2040 ontvangt uw Kamer voor het commissiedebat Gezond en Veilig Werken een brief.

Om ziekteverzuim door psychosociale arbeidsbelasting (PSA) terug te dringen, wordt ingezet op een preventieve en structurele bronaanpak van PSA binnen bedrijven. Het doel is om ziekteverzuim te voorkomen. Dit doet het kabinet door tools en handvatten aan te bieden aan zowel werkgevers als werknemers. Daarnaast ondersteunt het kabinet werkgevers met een mkb-aanpak op het gebied van werkstress. Ook is het Ministerie van SZW aangesloten bij een achtjarig consortium dat onderzoekt hoe stresssignalen en stressoren tijdig te herkennen en aan te pakken. Verder wordt in het kader van motie Neijenhuis (Kamerstukken II 2025/26, 36 800 XV, nr. 55) nader onderzoek gedaan naar de oorzaken van en oplossingsrichtingen voor de verhoogde uitval met mentale klachten, met name onder jonge vrouwen.

Ook wordt in opdracht van SZW een arbeidsgericht zorgmodel ontwikkeld, met werk als behandeldoel, waardoor bij werkenden die ziek worden aandacht is voor werk in het gehele traject van diagnose tot en met re-integratie. Zodoende kunnen zij aan het werk blijven tijdens de behandeling of eerder terugkeren naar werk.

Vraag 23

Hoeveel tewerkstellingsvergunningen zijn in 2025 toegekend aan buitenlandse studenten? Wat is de reden dat internationale studenten een tewerkstellingsvergunning moeten aanvragen als zij (in deeltijd) willen werken? Hoe zit dit in andere Europese landen?

Antwoord 23

In 2025 zijn in totaal 13.070 tewerkstellingsvergunningen afgegeven aan internationale studenten van buiten de EER. In 2024 waren dit er 12.496. Het doel van verblijf van internationale studenten van buiten de EER is studie, waarvoor zij een verblijfsvergunning voor studie bij de IND aanvragen. Om te voorkomen dat arbeid het primaire doel van het verblijf – het volgen van een studie – verdringt, is in de Wet arbeid vreemdelingen (Wav)-regelgeving een speciale regeling voor werkstudenten opgenomen. Op grond van deze regeling mogen zij uitsluitend werkzaamheden van bijkomende aard verrichten (bijbaan), waarbij geldt dat zij maximaal 16 uur per week mogen werken dan wel voltijds gedurende de maanden juni, juli en augustus. Er is geen toets op prioriteit genietend aanbod, maar er wordt wel gekeken naar de arbeidsvoorwaarden. De tewerkstellingsvergunning kan worden ingetrokken als de student niet meer studeert. In verschillende andere Europese landen gelden limieten voor het aantal uur dat een student mag werken, zoals Duitsland, Frankrijk en Spanje. Andere landen hebben geen limiet.

Vraag 24

Hoeveel mensen zijn in 2025, met de inzet op het vroegtijdig signaleren van schulden, benaderd vanuit de gemeente om stijgende schulden te voorkomen?

Antwoord 24

In 2025 hebben mensen op circa 814.000 adressen een hulpaanbod ontvangen vanwege een betalingsachterstand. Zij zijn benaderd door gemeenten via de wettelijke vroegsignalering van schulden van vaste lasten (achterstanden op drinkwater, energie, zorgverzekering en huur). Dit blijkt uit de Jaarrapportage 2025 van de Divosa Monitor Vroegsignalering Schulden.

Vraag 25

Kunt u aangeven in hoeverre de grote verschillen tussen gemeenten, als het gaat over regelingen voor mensen die kampen met armoede en/of schulden, zijn verminderd zoals beoogd in het Nationaal Programma Armoede en Schulden?

Antwoord 25

Op het terrein van armoede is het nog te vroeg om vast te stellen of de verschillen tussen gemeenten zijn verminderd. Wel zijn de eerste stappen gezet om te komen tot beter en eenvoudiger gemeentelijk armoedebeleid. Hiertoe zijn drie verkenningen uitgevoerd. Divosa heeft op verzoek van de VNG een verkenning gedaan om te komen tot toegankelijker en effectiever gemeentelijk armoedebeleid, SZW heeft verkend welke regelingen beter landelijk kunnen worden uitgevoerd of worden geharmoniseerd en Nibud en KWIZ hebben een analyse gemaakt van de effectiviteit van het gemeentelijk armoedebeleid. De uitkomsten hiervan zijn toegelicht in de eerste voortgangsrapportage van het Nationaal Programma Armoede en Schulden die op 10 maart aan de Tweede Kamer is aangeboden (Kamerstukken II 2025/26, 24 515, nr. 818). Deze verkenningen zal het kabinet betrekken bij de uitwerking van de ambitie uit het coalitieakkoord om in overleg met gemeenten te werken aan vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen. In de volgende voortgangsrapportage van het Nationaal Programma Armoede en Schulden zal uw Kamer worden geïnformeerd over de vervolgstappen.

Op het gebied van schuldhulpverlening zijn gemeenten op dit moment bezig met de implementatie van de elementen van de basisdienstverlening. Het doel van de basisdienstverlening is dat meer mensen met schulden eerder en nog betere schuldhulpverlening ontvangen en dat gemeenten in dat kader de dienstverlening gelijktrekken. De voortgang van de implementatie van verschillende elementen is te volgen via de website https://welkom.nvvk.nl/. Hier is voor zes van de elementen inzichtelijk gemaakt wat de status van de implementatie is per gemeente. De verwachting is dat er begin 2027 een vollediger beeld van de implementatie gerealiseerd kan worden via het project Data Delen Armoede en Schulden.

Vraag 26

Kunt u een overzicht geven van hoeveel mensen gebruik hebben gemaakt van de bijzondere bijstand in 2025? Zijn er grote verschillen te zien tussen gemeentes? Zo ja, in welke gemeentes wordt er veel gebruik gemaakt van deze regeling en in welke gemeentes juist niet?

Antwoord 26

Er zijn geen gedetailleerde data beschikbaar over het aantal gebruikers van bijzondere bijstand per gemeente. Landelijk zijn er wel cijfers over de totaalbedragen die worden uitgegeven aan de bijzondere bijstand. De laatst beschikbare cijfers zijn over 2024. Toen is er door gemeenten ongeveer € 761 miljoen aan bijzondere bijstand uitgegeven (Bron: CBS, Extra uitvraag bijzondere bijstand 2024).

Vraag 27

Wat waren de gemiddelde wachtlijsten voor een beschutte werkplek in 2025? Kan hier een regionale uitsplitsing van worden gemaakt?

Antwoord 27

Er is geen officiële landelijke registratie van wachtlijsten voor beschut werk. Daarom kan geen exact gemiddeld wachtlijstcijfer over 2025 worden gegeven. Het Dashboard Beschut werk geeft de beste benadering van het aantal mensen dat in het kader van beschut werk aan het werk is. Dit aantal lag eind juni 2026 op 11.213 (Bron: UWV, Dashboard Beschut werk, geraadpleegd 29-05-2026). Dit aantal ligt in de buurt van de landelijke streefcijfers voor beschut werk. De streefcijfers gaan uit van 11.900 beschutte werkplekken eind 2025. Tegelijkertijd is in het UWV Dashboard Beschut werk te zien dat eind juni 2025 16.763 positieve adviezen voor beschut werk door UWV zijn afgegeven. Een officiële registratie van de wachtlijst voor beschut werk is er niet. Wel is via het Dashboard het verschil te zien tussen het aantal positieve adviezen beschut werk en het aantal werkzame personen met een positief advies. Tegelijkertijd is er weinig inzicht in de mate waarin de personen op de wachtlijst daadwerkelijk (direct of op korte termijn) aan het werk kunnen. Hier worden verschillende signalen over ontvangen. Binnenkort start een onderzoek naar de wachtlijst beschut werk dat hier meer inzicht in moet bieden.

UWV publiceert op haar Dashboard Beschut werk naast de landelijke cijfers ook cijfers op het niveau van de arbeidsmarktregio’s. Deze treft u hier aan: https://www.uwv.nl/nl/arbeidsmarktinformatie/dashboards/dashboard-beschut-werk.

Vraag 28

Wat is de volume loonkostensubsidie per gemeente in 2025? Kan hier een uitsplitsing van worden gegeven?

Antwoord 28

In september 2025 werden in totaal 42.050 loonkostensubsidies op grond van de Participatiewet verstrekt. De verdeling per gemeente daarvan was als volgt:

Gemeente

Aantal

Gemeente

Aantal

Aa en Hunze

50

Maasdriel

50

Aalsmeer

30

Maasgouw

40

Aalten

70

Maashorst

210

Achtkarspelen

110

Maassluis

70

Alblasserdam

40

Maastricht

300

Albrandswaard

30

Medemblik

100

Alkmaar

380

Meerssen

30

Almelo

370

Meierijstad

320

Almere

430

Meppel

100

Alphen aan den Rijn

240

Middelburg (Z.)

80

Alphen-Chaam

10

Midden-Delfland

10

Altena

130

Midden-Drenthe

40

Ameland

10

Midden-Groningen

250

Amersfoort

220

Moerdijk

70

Amstelveen

90

Molenlanden

120

Amsterdam

1.570

Montferland

100

Apeldoorn

340

Montfoort

20

Arnhem

460

Mook en Middelaar

10

Assen

260

Neder-Betuwe

30

Asten

40

Nederweert

20

Baarle-Nassau

10

Nieuwegein

90

Baarn

30

Nieuwkoop

30

Barendrecht

70

Nijkerk

90

Barneveld

130

Nijmegen

370

Beek (L.)

20

Nissewaard

190

Beekdaelen

50

Noardeast-Fryslân

190

Beesel

40

Noord-Beveland

10

Berg en Dal

50

Noordenveld

90

Bergeijk

60

Noordoostpolder

190

Bergen (L.)

30

Noordwijk

70

Bergen (NH.)

30

Nuenen, Gerwen en Nederwetten

70

Bergen op Zoom

110

Nunspeet

80

Berkelland

160

Oegstgeest

30

Bernheze

80

Oirschot

40

Best

90

Oisterwijk

70

Beuningen

40

Oldambt

190

Beverwijk

90

Oldebroek

70

De Bilt

60

Oldenzaal

100

Bladel

90

Olst-Wijhe

50

Blaricum

10

Ommen

70

Bloemendaal

20

Oost Gelre

80

Bodegraven-Reeuwijk

50

Oosterhout

140

Boekel

30

Ooststellingwerf

60

Borger-Odoorn

70

Oostzaan

10

Borne

70

Opmeer

30

Borsele

40

Opsterland

90

Boxtel

250

Oss

510

Breda

460

Oude IJsselstreek

110

Bronckhorst

70

Ouder-Amstel

10

Brummen

60

Oudewater

10

Brunssum

80

Overbetuwe

80

Bunnik

20

Papendrecht

90

Bunschoten

30

Peel en Maas

130

Buren

30

Pekela

50

Capelle aan den IJssel

160

Pijnacker-Nootdorp

70

Castricum

50

Purmerend

130

Coevorden

80

Putten

70

Cranendonck

30

Raalte

50

Culemborg

70

Reimerswaal

50

Dalfsen

70

Renkum

40

Dantumadiel

80

Renswoude

10

Delft

300

Reusel-De Mierden

40

Deurne

110

Rheden

80

Deventer

290

Rhenen

40

Diemen

40

Ridderkerk

80

Dijk en Waard

260

Rijssen-Holten

110

Dinkelland

50

Rijswijk (ZH.)

120

Doesburg

40

Roerdalen

50

Doetinchem

210

Roermond

230

Dongen

70

De Ronde Venen

40

Dordrecht

400

Roosendaal

150

Drechterland

50

Rotterdam

1.610

Drimmelen

50

Rozendaal

0

Dronten

110

Rucphen

30

Druten

40

Schagen

80

Duiven

50

Scherpenzeel

20

Echt-Susteren

80

Schiedam

190

Edam-Volendam

30

Schiermonnikoog

0

Ede

230

Schouwen-Duiveland

80

Eemnes

10

Simpelveld

20

Eemsdelta

180

Sint-Michielsgestel

100

Eersel

70

Sittard-Geleen

260

Eijsden-Margraten

20

Sliedrecht

80

Eindhoven

810

Sluis

30

Elburg

70

Smallingerland

190

Emmen

490

Soest

40

Enkhuizen

40

Someren

50

Enschede

690

Son en Breugel

50

Epe

70

Stadskanaal

190

Ermelo

70

Staphorst

40

Etten-Leur

90

Stede Broec

30

De Fryske Marren

110

Steenbergen

30

Geertruidenberg

80

Steenwijkerland

230

Geldrop-Mierlo

100

Stein (L.)

40

Gemert-Bakel

100

Stichtse Vecht

70

Gennep

50

Súdwest-Fryslân

250

Gilze en Rijen

50

Terneuzen

140

Goeree-Overflakkee

120

Terschelling

10

Goes

100

Texel

40

Goirle

70

Teylingen

60

Gooise Meren

40

Tholen

60

Gorinchem

150

Tiel

170

Gouda

170

Tilburg

810

’s-Gravenhage (gemeente)

1.840

Tubbergen

40

Groningen (gemeente)

800

Twenterand

150

Gulpen-Wittem

30

Tynaarlo

50

Haaksbergen

70

Tytsjerksteradiel

120

Haarlem

240

Uitgeest

10

Haarlemmermeer

180

Uithoorn

60

Halderberge

40

Urk

50

Hardenberg

260

Utrecht (gemeente)

490

Harderwijk

110

Utrechtse Heuvelrug

100

Hardinxveld-Giessendam

40

Vaals

20

Harlingen

30

Valkenburg aan de Geul

30

Hattem

20

Valkenswaard

70

Heemskerk

60

Veendam

110

Heemstede

40

Veenendaal

130

Heerde

30

Veere

30

Heerenveen

160

Veldhoven

140

Heerlen

270

Velsen

90

Heeze-Leende

30

Venlo

260

Heiloo

30

Venray

90

Den Helder

210

Vijfheerenlanden

120

Hellendoorn

130

Vlaardingen

160

Helmond

410

Vlieland

0

Hendrik-Ido-Ambacht

60

Vlissingen

50

Hengelo (O.)

320

Voerendaal

20

’s-Hertogenbosch

900

Voorne aan Zee

80

Heumen

30

Voorschoten

30

Heusden

100

Voorst

60

Hillegom

20

Vught

130

Hilvarenbeek

20

Waadhoeke

80

Hilversum

110

Waalre

20

Hoeksche Waard

130

Waalwijk

120

Hof van Twente

90

Waddinxveen

50

Het Hogeland

90

Wageningen

100

Hollands Kroon

110

Wassenaar

20

Hoogeveen

190

Waterland

20

Hoorn

160

Weert

150

Horst aan de Maas

80

West Betuwe

110

Houten

60

West Maas en Waal

40

Huizen

50

Westerkwartier

160

Hulst

60

Westerveld

30

IJsselstein

50

Westervoort

40

Kaag en Braassem

40

Westerwolde

60

Kampen

190

Westland

170

Kapelle

30

Weststellingwerf

110

Katwijk

110

Wierden

50

Kerkrade

90

Wijchen

60

Koggenland

40

Wijdemeren

20

Krimpen aan den IJssel

90

Wijk bij Duurstede

30

Krimpenerwaard

120

Winterswijk

80

Laarbeek

60

Woensdrecht

30

Land van Cuijk

350

Woerden

80

Landgraaf

70

De Wolden

30

Landsmeer

10

Wormerland

20

Lansingerland

60

Woudenberg

20

Laren (NH.)

10

Zaanstad

160

Leeuwarden

330

Zaltbommel

70

Leiden

300

Zandvoort

10

Leiderdorp

60

Zeewolde

20

Leidschendam-Voorburg

110

Zeist

130

Lelystad

210

Zevenaar

120

Leudal

80

Zoetermeer

300

Leusden

30

Zoeterwoude

20

Lingewaard

70

Zuidplas

80

Lisse

30

Zundert

40

Lochem

50

Zutphen

150

Loon op Zand

50

Zwartewaterland

60

Lopik

20

Zwijndrecht

100

Losser

70

Zwolle

340

Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 01-06-2026.

Vraag 29

Wat waren de uitgaven aan en aantal uitkeringsontvangers van alle arbeidsongeschiktheidsverzekeringen gezamenlijk over de afgelopen 20 jaar? Wat is de prognose van uitgaven en volume van alle AO-verzekeringen gezamenlijk voor de komende 20 jaar?

Antwoord 29

De tabel hieronder geeft de uitgaven en het aantal uitkeringsontvangers aan van de arbeidsongeschiktheidsregelingen (AO) over de afgelopen 20 jaar. De uitgaven en volumes zijn volgens de definitie van het CBS en hebben betrekking op de WAO, WAZ, WIA, Wajong en ZW. De volumes betreffen het aantal uitkeringen aan het eind van het kalenderjaar.

Tabel: Uitgaven en aantal uitkeringen arbeidsongeschiktheidsregelingen sinds 2005

Jaar

Uitgaven (x € mld.)1

Uitkeringen (x 1.000)

2005

11,9

976

2006

11,7

954

2007

11,8

935

2008

12,1

920

2009

12,4

922

2010

12,8

930

2011

12,8

925

2012

12,3

917

2013

12,4

914

2014

12,4

912

2015

12,6

895

2016

12,9

894

2017

13,3

897

2018

13,7

907

2019

14,3

916

2020

14,9

923

2021

15,3

925

2022

16,1

930

2023

18,4

941

2024

20,4

964

X Noot
1

Uitgaven zijn inclusief (half)jaarlijkse indexatie van de uitkeringen.

Daarnaast bevat onderstaande tabel een prognose van de uitgaven en volumes tot en met 2031. 2031 geldt momenteel als einde van de ramingsperiode. Voor een verdere prognose van de WIA-volumes kan gekeken worden naar het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) over de WIA (Kamerstukken II 2025/26, 32 716, nr. 55). Figuur 3.13 bevat een prognose tot en met 2060.

De cijfers voor 2025 zijn volledig gerealiseerd en gebaseerd op het Jaarverslag 2025 van het UWV. De cijfers vanaf 2026 betreffen de SZW-raming. Hierbij geldt dat wederom is gekeken naar de WIA, WAO, WAZ, Wajong en ZW, maar de volumes betreffen een inschatting van het gemiddeld aantal uitkeringen in plaats van het aantal uitkeringen aan het eind van het kalenderjaar. Bij de ZW gaat het om het verwachte aantal uitkeringsjaren maar dit is naar verwachting (nagenoeg) gelijk aan het gemiddeld aantal uitkeringsjaren.

Tabel: Raming uitgaven en uitkeringen AO-regelingen

Jaar

Uitgaven (x € mld.)

Uitkeringen (x 1.000)

2025

22,61

9761

2026

24,1

994

2027

24,7

1.009

2028

24,9

1.025

2029

25,0

1.042

2030

25,2

1.054

2031

25,4

1.065

X Noot
1

2025 betreft de realisatie uit het Jaarverslag UWV 2025, vanaf 2026 betreffen dit SZW-ramingen op basis van prijspeil 2026.

Vraag 30

Wilt u een overzicht geven in tabelvorm van de tegenvallers en meevallers op de werknemersverzekeringen WIA, WW en ZW in de afgelopen 10 jaar binnen een bepaald jaar. Laat hierbij zien wat het verloop is geweest vanaf de miljoennennota en de daaropvolgende begrotingsmomenten tot en met de slotwet. Vermeld ook de totale stand per regeling (begrotings- en premiegefinancierd).

Antwoord 30

Bedragen in € dzd.

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Uitkeringslasten WIA

Stand Miljoenennota

4.300.132

4.723.998

5.394.604

5.897.745

6.493.333

7.064.254

7.595.016

8.533.252

10.009.317

11.167.593

12.804.371

1e suppletoire begroting

– 2.636

83.854

– 48.515

11.049

6.130

– 36.178

40.100

– 160.448

– 106.966

282.116

284.878

2e suppletoire begroting

40.232

29.800

13.767

– 6.288

– 59.816

– 3.141

– 55.519

– 222.973

249.924

128.226

– 1

Slotwet

36.927

– 33.547

– 77.845

– 40.217

– 20.379

– 15.117

– 20.195

10.335

30.706

– 13.199

1

Uitkeringslasten WW

Stand Miljoenennota

6.658.779

5.399.200

4.383.375

3.603.782

3.724.276

6.449.130

4.229.344

3.073.114

3.359.024

3.975.823

4.268.731

1e suppletoire begroting

– 690.444

– 246.478

– 8.150

312.153

– 188.492

– 1.244.060

– 1.059.538

– 426.848

– 110.046

– 192.956

178.020

2e suppletoire begroting

– 250.823

– 167.085

– 986

– 128.597

684.514

– 1.451.094

– 593.370

41.395

158.016

134.049

1

Slotwet

99.749

36.206

62.743

45.388

– 43.914

– 58.282

34.950

72.754

– 17.382

83.907

1

Uitkeringslasten ZW

Stand Miljoenennota

1.457.390

1.454.462

1.543.020

1.543.432

1.628.811

1.848.386

1.957.771

2.020.965

2.104.761

2.319.738

2.548.159

1e suppletoire begroting

10.139

24.542

1.848

63.324

94.587

88.377

1.344

– 67.929

– 10.993

99.103

202.291

2e suppletoire begroting

6.882

– 19.259

16.773

– 648

101.311

14.978

– 77.636

5.074

172.809

113.159

1

Slotwet

– 6.339

14.971

22.534

42.948

58.940

– 16.089

14.780

17.925

30.161

44.209

1

X Noot
1

Deze bedragen zijn nog niet bekend.

Vraag 31

Wilt u een overzicht geven in tabelvorm van hoe tegenvallers en meevallers op werknemersverzekeringen WIA, WW en Ziektewet (ZW) in de afgelopen tien jaar zijn ingeboekt op de rijksbegroting. Welke maatregelen zijn er genomen om meevallers in te zetten of tegenvallers te dekken? Kunt u deze maatregelen toelichten.

Antwoord 31

De mee- en tegenvallers op de WIA, WW en ZW voor de afgelopen tien jaar zijn opgenomen bij antwoord 30. Volgens de begrotingsregels is een Minister in principe zelf verantwoordelijk voor het oplossen van een tegenvaller binnen de eigen begroting. Als dat niet lukt, kan breder worden gekeken naar andere mogelijkheden binnen de rijksbegroting. Hoe met een specifieke mee- of tegenvaller is omgegaan verschilt daarmee per besluitvormingsmoment. Voor de toelichting per begrotingsmoment verwijzen wij naar de budgettaire nota’s van de betreffende jaren.

Vraag 32

Kunt u de uitgaven aan de werknemersverzekeringen WIA en WW uitdrukken als percentage van de rijksbegroting in de afgelopen tien jaar?

Antwoord 32

Als % van de rijksbegroting

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

WW

2,07%

1,85%

1,60%

1,32%

1,12%

1,10%

0,93%

0,63%

0,66%

0,72%

0,79%

WIA

1,21%

1,38%

1,52%

1,61%

1,72%

1,69%

1,74%

1,81%

2,02%

2,18%

2,30%

Figuur: WW en WIA als % van de rijksbegroting

Figuur: WW en WIA als % van de rijksbegroting

De WIA is een ingroeiende regeling die voorlopig niet het structurele niveau bereikt. Het structurele niveau wordt bereikt in het jaar dat alle mensen die in het jaar van invoering van de WIA zijn ingestroomd ook weer zijn uitgestroomd. Gezien mensen tot aan de AOW-leeftijd in de WIA kunnen verblijven beslaat dit een lange tijdsperiode. De WIA vervangt de WAO en die regeling is afgesloten voor nieuwe instroom. Hierdoor nemen de uitgaven aan de WAO over tijd af naar nihil. Voor de WW geldt dat deze uitgaven afhangen van de economische situatie en over tijd kunnen fluctueren.

De uitgaven als percentage van de rijkbegroting zijn onderhevig aan ontwikkelingen op zowel de WW en de WIA als ontwikkelingen op de rijksbegroting als geheel.

Vraag 33

Kunt u een overzicht geven van de inkomenseffecten voor iemand op een WIA-uitkering in verband met: 1) het afschaffen van de Inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) (vergelijk hiervoor de situatie dat iemand een nieuwe IVA uitkering had gekregen en de situatie dat deze niet meer toegankelijk is voor nieuwe gevallen), 2) de doorwerking van de duurverkorting van de WW in de WGA, 3) de verlaging van het maximum dagloon, 4) de afschaffing van de tegemoetkoming arbeidsongeschikten, 5) de afschaffing van de aftrek en tegemoetkoming specifieke zorgkosten, 6) het verhogen van het eigen risico en 7) het schrappen van de samenvoegbepaling van de arbeidskorting waardoor WIA-gerechtigden die nog werken de arbeidskorting mislopen? Wilt u deze berekening maken voor verschillende personen die arbeidsongeschikt zijn en WIA ontvangen, in ieder geval voor de groep die duurzaam arbeidsongeschikt is en volgens de huidige regels IVA zou ontvangen, voor de groep WGA die de restverdiencapaciteit benut en voor de groep WGA die de restverdiencapaciteit niet benut. Wilt u voor elk van deze groepen twee inkomenssituaties doorrekenen, namelijk voor een modaal inkomen en voor een inkomen ter hoogte van het huidige maximum dagloon.

Antwoord 33

Momenteel vindt een nadere analyse plaats van de stapeling van maatregelen in de sociale zekerheid en zorg, ter uitvoering van de motie Stoffer c.s.3.

Vraag 34

Kunt u een overzicht geven van welk percentage mensen uit de vangnet ZW een flexibel contract hadden voordat zij een uitkering uit de Ziektewet kregen? Graag een beeld voor 2025 en een beeld gemiddeld over de afgelopen 5 jaar.

Antwoord 34

In 2025 was 11% van het aantal toegekende Ziektewet-meldingen een Ziektewet-melding vanuit een flexibel contract. Onderstaande tabel geeft een beeld van het percentage toegekende Ziektewet-meldingen met een flexibel contract over de afgelopen 5 jaar.

2021

2022

2023

2024

2025

Percentage ZW-meldingen vanuit flexibel contract

37%

37%

17%

12%

11%

Per 1 juli 2023 geldt dat bij cao is geregeld dat het uitzendbeding niet meer kan worden ingeroepen wegens of tijdens ziekte van de uitzendkracht. Dit betekent dat het uitzendcontract niet automatisch stopt bij ziekte en dat de uitzendkracht recht heeft op loondoorbetaling bij ziekte in plaats van direct recht op Ziektewet. Eindigt de arbeidsovereenkomst en is de uitzendkracht nog ziek, dan ontstaat dan recht op Ziektewet. Met het wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers wordt beoogd om dit ook wettelijk te regelen.

Het percentage Ziektewet-meldingen vanuit een flexibel contract is berekend op basis van het totaal aantal toegekende Ziektewet-meldingen en de aantallen Ziektewet-meldingen naar vangnetgroep. Deze cijfers zijn afkomstig uit de kwantitatieve informatie van UWV. Onder vangnetters horen naast flexibele contracten ook zieke zwangeren, zieke WW’ers, no-riskpolis, vrijwillig verzekerden en overige vangnet. Deze groepen zijn weergegeven onder overige vangnetgroepen. Zie onderstaande tabel.

2021

%

2022

%

2023

%

2024

%

2025

%

Totaal toegekende ZW-meldingen

346.101

100%

393.697

100%

311.855

100%

324.241

100%

343.907

100%

w.o. flex – einde dienst-verbanders

22.448

6%

22.071

6%

26.037

8%

28.109

9%

29.101

8%

w.o. flex – uitzend-krachten

101.646

29%

115.180

29%

20.919

7%

4.748

2%

5.232

2%

w.o. flex – overig

5.015

2%

9.165

2%

4.953

2%

4.676

1%

4.728

1%

w.o. overige vangnet-groepen1

216.992

63%

247.281

63%

259.946

83%

286.708

88%

304.846

89%

X Noot
1

Zieke zwangeren, zieke WW’ers, no-riskpolis, vrijwillig verzekerden en overig.

Vraag 35

Kunt u aangeven welk percentage van de totale instroom in de WIA uit de vangnet Ziektewet komen? Kunt u een beeld voor 2025 en een beeld gemiddeld over de afgelopen vijf jaar geven?

Antwoord 35

In 2025 was 46,8% van de totale instroom in de WIA vangnetter. Onderstaande tabel geeft een beeld van het percentage vangnetter van de totale instroom in de WIA over de afgelopen 5 jaar.

2021

2022

2023

2024

2025

Percentage vangetter1 van de WIA-instroom

47,8%

47,2%%

53,3%

56,9%

46,8%

X Noot
1

Nieuwe uitkeringen als gevolg van een beoordeling versnellingsmaatregel 60+ zijn in 2024 meegeteld bij de categorie vangnet.

Het percentage vangnetter van de totale instroom in de WIA is berekend op basis van het totaal aantal nieuwe WGA- en IVA-uitkeringen uit de kwantitatieve informatie van UWV. Daarbij is per regeling onderscheid gemaakt naar vangnetter of geen vangnetter. De vangnetgroep bestaat uit onder andere zieke zwangeren, zieke WW’ers, einde dienstverbanders, uitzendkrachten, zieke werknemers waarvoor de no-riskpolis geldt en vrijwillig verzekerden. Zie onderstaande tabel.

2021

2022

2023

2024

2025

Totaal nieuwe WGA-uitkeringen

44.062

44.101

47.803

55.792

58.914

w.o. vangnetter

22.973

22.753

27.179

31.802

29.343

w.o. geen vangetter

21.089

21.348

20.624

23.990

29.571

Totaal nieuwe IVA-uitkeringen

11.584

10.709

11.830

13.254

12.411

w.o. vangnetter

3.619

3.128

4.629

7.453

4.020

w.o. geen vangetter

7.965

7.581

7.201

5.801

8.391

2021

%

2022

%

2023

%

2024

%

2025

%

Totaal nieuwe WGA- en IVA-uitkeringen

55.646

100%

54.810

100%

59.633

100%

69.046

100%

71.325

100%

w.o. vangnetter

26.592

48%

25.881

47%

31.808

53%

39.255

57%

33.363

47%

w.o. geen vangetter

29.054

52%

28.929

53%

27.825

47%

29.791

43%

37.962

53%

Vraag 36

Welk aandeel van de instroom in de WIA komt vanuit de ZW? Kunt u een beeld voor 2025 en een beeld gemiddeld over de afgelopen vijf jaar geven?

Antwoord 36

Zie het antwoord op vraag 35.

Vraag 37

Welk aandeel van de instroom in de WIA komt vanuit de ZW en zou met behulp van re-integratie voorkomen kunnen worden? Graag een beeld voor 2025 en een beeld gemiddeld over de afgelopen vijf jaar.

Antwoord 37

Zie het antwoord op vraag 35. De verwachting is dat door dienstverlening en het inzetten van passende re-integratie mensen aan het werk gaan. Ook zieke werknemers zonder werkgever hebben hier recht op. Kwantificeren voor welk deel hiervan dienstverlening WIA-instroom voorkomen kan worden, is niet mogelijk.

Vraag 38

Welk aandeel van de instroom in de WIA komt vanwege niet keuren of te laat keuren? Graag een beeld voor 2025 en een beeld gemiddeld over de afgelopen vijf jaar

Antwoord 38

Ten behoeve van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Werk aan WIA heeft UWV uitgebreid onderzoek gedaan naar de instroom in de WIA (Bron: UWV (2025), WIA instroom geduid 2018–2024). Daaruit zijn verschillende factoren gekomen die invloed hebben op de instroom, zoals groei van de beroepsbevolking, long-covid en tijdelijke beleidsmaatregelen als de 60-plusmaatregel. Daarnaast zorgt het verstrekken van voorschotten voor een administratieve vertekening van de instroomstijging, doordat een voorschot in de UWV-administratie als instroom wordt aangemerkt. In de periode 2018–2024 verklaart deze administratieve vertekening 22% van de totale instroomstijging. Het niet beoordelen of later beoordelen van een WIA-aanvraag heeft geen invloed op de instroom.

Vraag 39

Welk aandeel van de instroom in de WIA had voorkomen kunnen worden als de keuring op orde was geweest? Met andere woorden, welk aandeel was bij een keuring «goedgekeurd» geweest (onder 35% arbeidsongeschiktheidscriterium) en zou daarmee niet voor de WIA in aanmerking komen? Kunt u en beeld geven voor 2025 en een beeld gemiddeld over de afgelopen vijf jaar?

Antwoord 39

Zie ook het antwoord op vraag 38. Uit het in dat antwoord genoemde onderzoek naar de WIA-instroom blijkt niet dat mensen de WIA instromen doordat UWV onterecht een uitkering verstrekt. UWV voert periodieke kwaliteitscontroles uit om de kwaliteit van de WIA-beoordeling te waarborgen. Uit die controles blijkt niet dat UWV gemiddeld soepeler of strenger beoordeelt dan zou moeten. Over de uitkomsten van de kwaliteitscontroles informeert de Minister van SZW uw Kamer periodiek.

Vraag 40

Welk aandeel van de instroom in de WIA komt door fouten bij UWV? Kunt u een beeld geven voor 2025 en een beeld gemiddeld over de afgelopen vijf jaar?

Antwoord 40

Zie ook het antwoord op vraag 38. Uit het in dat antwoord genoemde onderzoek naar de WIA-instroom blijkt niet dat mensen de WIA instromen door fouten bij UWV. UWV voert periodieke kwaliteitscontroles uit om de kwaliteit van de WIA-beoordeling te waarborgen. Uit die controles blijkt niet dat UWV gemiddeld soepeler of strenger beoordeelt dan zou moeten. Over de uitkomsten van de kwaliteitscontroles informeert de Minister van SZW uw Kamer periodiek.

Vraag 41

Welk aandeel van de instroom in de WIA komt vanwege de 60-plus regeling? Kunt u een beeld geven voor 2025 en een beeld gemiddeld over de periode dat deze maatregel van kracht was?

Antwoord 41

De tijdelijke 60-plusmaatregel zorgt ervoor dat UWV meer claimbeoordelingen kan doen, doordat beoordelingen van 60-plussers vereenvoudigd worden gedaan. De maatregel leidt wel tot extra instroom. De 60-plusmaatregel was in 2025 vanaf september van kracht. In die periode heeft UWV 4.681 beoordelingen vereenvoudigd afgedaan. Het grootste deel hiervan zou ook toegekend zijn als een volledige sociaal-medische beoordeling was gedaan. De extra instroom is 1.031 gevallen. Op een totale WIA-instroom in 2025 van 71.300 is het aandeel dat als gevolg van de 60-plusmaatregel extra de WIA is ingestroomd 1,4%. In 2024 was dit aandeel 3,3%, doordat de 60-plusmaatregel in 2024 het hele jaar gold. De uitkomsten van de 60-plusmaatregel zijn sinds de introductie in 2022 stabiel.

Vraag 42

Kunt u een overzicht geven van de ontwikkelingen van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, door enerzijds enkel te kijken naar de WIA en door anderzijds alle regelingen inclusief de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) mee te nemen. Kunt u hierbij aangeven welke instroom er is en welke uitstroom in de afgelopen tien jaar?

Antwoord 42

Onderstaande tabellen 1 t/m 4 geven een overzicht van de ontwikkelingen van de WIA, Wajong, WAO en WAZ in de jaren 2015 tot en met 2025. Afzonderlijk wordt voor elke uitkering de instroom, uitstroom en de lopende uitkeringen weergegeven.

In tabel 5 wordt het totaaloverzicht weergegeven van de ontwikkelingen van de lopende uitkeringen WIA, WAO, WAZ en Wajong WAZ in de jaren 2015 tot en met 2025.

Tabel 1: Overzicht ontwikkelingen instroom, uitstroom en lopende uitkeringen WIA

WIA

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Instroom

35.800

40.000

41.700

43.416

45.810

49.742

55.431

54.810

59.633

69.046

71.300

Uitstroom

16.100

16.600

18.400

18.790

19.938

26.610

28.921

31.163

34.944

38.104

43.200

Lopend

229.600

253.300

277.000

302.513

327.952

349.468

373.084

397.445

422.850

454.644

483.800

Tabel 2: Overzicht ontwikkelingen instroom, uitstroom en lopende uitkeringen WAO

WAO

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Instroom

900

700

700

723

578

548

654

574

474

398

400

Uitstroom

28.800

22.800

21.000

20.143

17.597

22.461

20.742

15.167

13.650

14.608

15.700

Lopend

315.100

293.000

272.500

253.562

236.515

214.584

194.474

179.866

166.670

152.441

137.100

Tabel 3: Overzicht ontwikkelingen instroom, uitstroom en lopende uitkeringen WAZ

WAZ

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Instroom

100

100

100

30

50

40

30

20

16

15

21

Uitstroom

2.100

1.600

1.500

1.300

1.120

1.340

1.150

790

740

712

700

Lopend

15.100

13.500

12.000

10.800

9.730

8.420

7.300

6.500

5.792

5.088

4.400

Tabel 4: Overzicht ontwikkelingen instroom, uitstroom en lopende uitkeringen Wajong

Wajong

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Instroom

4.500

4.200

4.700

5.200

5.800

6.400

6.200

6.400

6.803

7.010

7.000

Uitstroom

6.400

6.100

6.100

6.500

6.800

7.500

5.700

5.500

5.552

5.561

5.700

Lopend

248.800

247.100

245.800

245.100

244.200

243.100

243.200

244.100

245.394

246.850

248.200

Tabel 5: Totaaloverzicht ontwikkelingen lopende uitkeringen WIA, WAO, WAZ en Wajong

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

WIA

229.600

253.300

277.000

302.513

327.952

349.468

373.084

397.445

422.850

454.644

483.800

WAO

315.100

293.000

272.500

253.562

236.515

214.584

194.474

179.866

166.670

152.441

137.100

WAZ

15.100

13.500

12.000

10.800

9.730

8.420

7.300

6.500

5.792

5.088

4.400

Wajong

248.800

247.100

245.800

245.100

244.200

243.100

243.200

244.100

245.394

246.850

248.200

Totaal

808.600

806.900

807.300

811.975

818.397

815.572

818.058

827.911

840.706

859.023

873.500

Vraag 43

Kunt u de bijstelling in de WIA nader uitsplitsen op basis van de verschillende onderdelen die in de januarinota 2026 zijn genoemd over zowel 2025 als 2026. Kunt u hierbij aangeven voor de IVA en WGA los welk deel komt vanwege welke onderdelen, en daarbij benoemen welk deel komt vanwege het meerekenen van de WIA-herstelactie.

Antwoord 43

Er wordt aangenomen dat deze vraag ziet op de meerjarige bijstelling van de WIA-uitgaven naar aanleiding van de januarinota 2026 uit de 1e suppletoire begroting van SZW.

De WIA-uitgaven zijn in de 1e suppletoire begroting bijgesteld op basis van meerdere factoren, waaronder de informatie uit de januarinota 2026 van UWV, de verwachte kosten van de WIA-herstelactie en een aantal nieuwe beleidskeuzes (zoals toegelicht in de 1e suppletoire begroting). De tabel hieronder geeft weer wat de budgettaire effecten waren in 2026 van de verwerking van de januarinota 2026 en de bijstelling van de kosten voor de WIA-herstelactie, apart weergegeven voor de WGA en IVA. Effecten van beleidskeuzes zijn buiten beschouwing gelaten.

Voor 2025 geldt dat de januarinota 2026 de voorlopige realisaties bevatte. De definitieve aansluiting bij de realisaties is echter gemaakt op basis van het jaarverslag 2025 van UWV. Bij deze aansluiting wordt geen onderscheid gemaakt tussen prijs- en volume-effecten, maar wordt aangesloten op de totale gerealiseerde budgettaire lasten. Daarom is 2025 niet opgenomen in de tabel.

Tabel: Bijstelling WIA-uitgaven 1e suppletoire begroting SZW als gevolg van januarinota 2026 UWV en actualisatie kosten WIA-herstelactie

x € mln.

2026

Bijstelling op basis van Januarinota 2026

164

IVA

– 147

waarvan Prijsbijstelling

– 16

waarvan Volumebijstelling

– 131

WGA (incl. eigenrisicodragers)

311

waarvan Prijsbijstelling

30

waarvan Volumebijstelling

281

Bijstelling kosten WIA-herstelactie

137,7

Loonloze tijdvakken

147,2

Waarvan IVA

71,1

waarvan WGA

76,1

WIA-dagloon

– 9,5

waarvan IVA

– 4,4

waarvan WGA

– 5,2

WIA-indexatie

0,1

waarvan IVA

0,0

waarvan WGA

0,0

Vraag 44

De uitkeringslasten IVA zijn 232 miljoen euro hoger dan begroot, onder andere vanwege een indexatie van de uitkeringsbedragen van 316 miljoen euro. Dit is volgens de jaarstukken een herschikking van de bijbehorende post onder nominaal. Betekent dit dat de verwachte indexatie al was begroot? Wat is de interpretatie dat de per saldo gestegen uitkeringslasten lager liggen dan 316 miljoen euro? Komt dit omdat er lagere kosten aan de IVA waren vanwege andere redenen dan de indexatie van de uitkering?

Antwoord 44

Dat klopt. Zowel het volume als de gemiddelde uitkeringshoogte zijn in 2025 lager uitgevallen dan was verwacht bij de begroting 2025. Het lagere volume heeft te maken met de voorschotsystematiek, waarbij mensen in het geval van een voorschot eerst in de WGA instromen en later eventueel doorstromen naar de IVA. Doordat er meer mensen zijn ingestroomd met een WGA-voorschot is de directe instroom in de IVA lager uitgevallen dan verwacht. De lagere IVA-volumes en -uitgaven gaan daarom gepaard met hogere WGA-volumes en -uitgaven.

Vraag 45

Kunt u de uitgekeerde bedragen aan de totale werkloosheidsregelingen en de totale arbeidsongeschiktheidsregelingen opgeteld uitdrukken als percentage van het BBP sinds 1970? Klopt het dat deze uitgaven sinds een piek van meer dan 8% zijn gedaald tot circa 2%?

Antwoord 45

De grafiek en tabel hieronder geven de uitgaven aan de werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsregelingen (AO) als percentage van het bruto binnenlands product weer. De uitgaven aan werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsregelingen en het bruto binnenlands product zijn volgens de definitie van het CBS. Werkloosheidsuitgaven hebben betrekking op de WW-uitkering en de arbeidsongeschiktheidsuitgaven hebben betrekking op de WAO, WAZ, WIA, Wajong en ZW.

Ja. In 1983 piekten de uitgaven aan de werkloosheidsregelingen en arbeidsongeschiktheidsregelingen als percentage van het bruto binnenlands product op 8,9%. In 2024 bedroegen de uitgaven 2,1% als percentage van het bruto binnenlands product.

Tabel: Uitgaven als percentage van het bruto binnenlands product.

Jaar

Werkloosheid

AO

Werkloosheid en AO

Jaar

Werkloosheid

AO

Werkloosheid en AO

1970

0,5%

2,8%

3,3%

1998

0,7%

2,6%

3,3%

1971

0,5%

3,0%

3,4%

1999

0,5%

2,6%

3,2%

1972

0,7%

3,2%

3,9%

2000

0,4%

2,6%

3,0%

1973

0,7%

3,4%

4,1%

2001

0,4%

2,5%

2,9%

1974

0,9%

3,7%

4,6%

2002

0,5%

2,4%

2,9%

1975

1,3%

4,1%

5,4%

2003

0,6%

2,4%

3,0%

1976

1,4%

4,3%

5,7%

2004

0,8%

2,3%

3,1%

1977

1,3%

4,7%

6,0%

2005

0,7%

2,2%

2,9%

1978

1,3%

5,2%

6,4%

2006

0,6%

2,0%

2,6%

1979

1,6%

5,3%

6,8%

2007

0,5%

1,9%

2,4%

1980

1,4%

5,3%

6,8%

2008

0,4%

1,9%

2,2%

1981

2,1%

5,2%

7,4%

2009

0,6%

2,0%

2,5%

1982

3,0%

5,3%

8,3%

2010

0,7%

2,0%

2,7%

1983

3,6%

5,3%

8,9%

2011

0,7%

2,0%

2,6%

1984

3,4%

5,2%

8,6%

2012

0,8%

1,9%

2,6%

1985

3,1%

5,0%

8,1%

2013

0,9%

1,9%

2,8%

1986

2,9%

5,0%

7,9%

2014

1,0%

1,8%

2,8%

1987

2,7%

5,0%

7,7%

2015

0,9%

1,8%

2,7%

1988

2,4%

4,9%

7,2%

2016

0,8%

1,8%

2,6%

1989

2,1%

4,8%

6,9%

2017

0,7%

1,8%

2,5%

1990

2,0%

5,0%

7,0%

2018

0,6%

1,7%

2,3%

1991

1,9%

4,9%

6,9%

2019

0,5%

1,7%

2,2%

1992

2,0%

4,8%

6,8%

2020

0,5%

1,8%

2,3%

1993

1,0%

4,8%

5,8%

2021

0,4%

1,7%

2,1%

1994

1,2%

3,8%

5,0%

2022

0,3%

1,6%

1,9%

1995

1,1%

3,4%

4,6%

2023

0,3%

1,8%

2,0%

1996

1,1%

2,9%

3,9%

2024

0,3%

1,8%

2,1%

1997

0,9%

2,5%

3,3%

       

Bron: Berekening op basis van CBS, Statline, geraadpleegd op 28-05-2026.

Vraag 46

Zou u kunnen laten zien wat de ontwikkeling is van de uitgaven aan de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen als percentage van ons bruto binnenlands product in de afgelopen vijftig jaar? Zijn die gestegen of toegenomen?

Antwoord 46

In het antwoord op vraag 45 zijn een grafiek en tabel opgenomen met de uitgaven aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen als percentage van het bruto binnenlands product vanaf 1970. De uitgaven aan arbeidsongeschiktheidsregelingen en het bruto binnenlands product zijn volgens de definitie van het CBS. De arbeidsongeschiktheidsuitgaven hebben betrekking op de WAO, WAZ, WIA, Wajong en ZW. Deze uitgaven zijn als percentage van het bruto binnenlands product afgenomen ten opzichte van vijftig jaar geleden (4,3% in 1976 naar 1,8% in 2024).

Vraag 47

Kunt u de uitgekeerde bedragen aan de totale werkloosheidsregelingen enerzijds en de totale arbeidsongeschiktheidsregelingen anderzijds uitdrukken als percentage van het BBP sinds 1970?

Antwoord 47

Zie het antwoord op vraag 45.

Vraag 48

Hoe heeft het aandeel arbeidsongeschikten in de beroepsbevolking zich de afgelopen 25 jaar ontwikkeld? Is dit aandeel afgenomen of opgelopen?

Antwoord 48

De grafiek hieronder geeft aan hoe het aandeel arbeidsongeschikten (AO) in de beroepsbevolking zich sinds 2003 heeft ontwikkeld. Het aandeel is afgenomen van circa 12,4% in 2003 naar circa 9,5% in 2024. De volumes van de beroepsbevolking en het aantal arbeidsongeschikten zijn volgens de definitie van het CBS. De beroepsbevolking betreft mensen in de leeftijdscategorie 15–75 jaar en het aantal arbeidsongeschikten heeft betrekking op de WAO, WAZ, WIA, Wajong en ZW. De AO-volumes betreffen het aantal uitkeringen aan het eind van het kalenderjaar.

Grafiek: aandeel AO-uitkeringen ten opzichte van de beroepsbevolking sinds 2003

Grafiek: aandeel AO-uitkeringen ten opzichte van de beroepsbevolking sinds 2003

Bron: CBS, Statline, geraadpleegd op 28-05-2026.

Vraag 49

De bezuinigingen op de WW die in dit stuk genoemd worden, worden volgens het kabinet gebruikt om ervoor te zorgen dat de WW activerender werkt. Hoeveel extra werkenden verwacht u door deze bezuinigingen op de WW? Graag een antwoord voor zowel de duurverkorting naar 18 maanden als de duurverkorting naar 12 maanden cumulatief.

Antwoord 49

Het kabinet brengt de exacte gevolgen van het verkorten van de WW-duur momenteel nog in kaart. In het wetsvoorstel zal het effect op de werkgelegenheid nader worden geduid.

Vraag 50

In welke maand na aanvang is de uitstroom van de WW naar werk het hoogst? Is de uitstroom hoger aan het begin van de WW of aan het eind van de opgebouwde rechten?

Antwoord 50

In onderstaande tabel is voor alle mensen die in 2023 de WW zijn ingestroomd aangegeven hoe snel zij zijn uitgestroomd. Te zien is dat de uitstroom aan het begin van het WW-recht het hoogst is. Bij de tabel hoort de kanttekening dat het hier om de totale uitstroom gaat en niet alleen om uitstroom naar werk. Uitstroom kan ook plaatsvinden vanwege andere redenen (bijvoorbeeld ziekte of het van toepassing zijn van een uitsluitingsgrond). Wel is het zo dat uitstroom naar werk verantwoordelijk is voor het overgrote deel van de uitstroom vóór het bereiken van de maximale WW-duur. Gegevens over de uitstroom naar werk op maandbasis kunnen binnen deze termijn niet geleverd worden.

Tabel (DEEL 1)1: Aandeel instroom dat maandelijks is uitgestroomd van instroomcohort 2023, naar WW-recht. Bijvoorbeeld: van alle mensen die in 2023 zijn ingestroomd met een WW-recht van drie maanden, maakt 16% één maand gebruik van de WW-uitkering, 11% twee maanden en 74% drie maanden.

Maximale duur WW-recht

Duur in maanden

Totaal

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

1

13%

16%

16%

16%

16%

16%

15%

15%

13%

14%

13%

2

8%

11%

11%

10%

9%

10%

10%

10%

9%

9%

8%

3

22%

74%

13%

10%

9%

10%

9%

9%

9%

9%

8%

4

7%

0%

60%

10%

9%

8%

8%

8%

8%

8%

7%

5

6%

0%

0%

54%

9%

7%

7%

7%

7%

7%

6%

6

6%

0%

0%

0%

48%

8%

7%

7%

7%

6%

6%

7

5%

0%

0%

0%

0%

40%

7%

6%

5%

5%

5%

8

4%

0%

0%

0%

0%

0%

37%

6%

5%

4%

4%

9

3%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

34%

5%

4%

5%

10

3%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

32%

5%

3%

11

3%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

29%

4%

12

3%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

29%

13

1%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

14

1%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

15

2%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

16

1%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

17

1%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

18

1%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

19

1%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

20

1%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

21

1%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

22

1%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

23

1%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

24

7%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

1 Door afronding tellen de cellen verticaal niet in iedere kolom precies op tot 100%.

Tabel (DEEL 2): Aandeel instroom dat maandelijks is uitgestroomd van instroomcohort 2023, naar WW-recht.

Maximale duur WW-recht

Duur in maanden

Totaal

13

14

15

16

17

18

19

20

21

22

23

24

1

13%

12%

12%

13%

10%

11%

11%

11%

11%

11%

11%

12%

9%

2

8%

8%

8%

8%

7%

7%

8%

8%

7%

8%

7%

7%

6%

3

22%

9%

8%

8%

7%

7%

8%

7%

8%

8%

6%

8%

6%

4

7%

8%

6%

8%

6%

7%

7%

6%

7%

7%

6%

6%

6%

5

6%

6%

6%

6%

7%

7%

6%

5%

6%

6%

5%

6%

5%

6

6%

6%

6%

6%

4%

6%

6%

6%

6%

6%

5%

5%

5%

7

5%

5%

5%

5%

4%

5%

5%

4%

4%

5%

6%

4%

4%

8

4%

4%

4%

4%

3%

4%

4%

4%

4%

4%

4%

4%

3%

9

3%

4%

4%

4%

4%

4%

4%

4%

4%

4%

4%

3%

3%

10

3%

3%

3%

3%

3%

3%

3%

3%

3%

3%

3%

3%

3%

11

3%

3%

4%

3%

3%

3%

3%

3%

3%

3%

3%

2%

2%

12

3%

4%

3%

3%

3%

3%

3%

2%

2%

3%

3%

3%

3%

13

1%

28%

4%

2%

3%

2%

2%

2%

2%

2%

2%

2%

2%

14

1%

0%

28%

3%

2%

2%

2%

2%

2%

2%

2%

1%

2%

15

2%

0%

0%

25%

4%

3%

2%

2%

2%

2%

2%

2%

2%

16

1%

0%

0%

0%

29%

3%

2%

2%

2%

2%

1%

2%

2%

17

1%

0%

0%

0%

0%

22%

2%

2%

2%

1%

1%

1%

1%

18

1%

0%

0%

0%

0%

0%

23%

2%

2%

2%

2%

1%

2%

19

1%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

24%

3%

1%

1%

1%

1%

20

1%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

22%

2%

1%

2%

1%

21

1%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

20%

3%

2%

1%

22

1%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

21%

3%

1%

23

1%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

21%

2%

24

7%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

25%

Bron: UWV

Vraag 51

Ervan uitgaande dat het aanscherpen van de referte-eis ervoor zorgt dat er minder mensen recht krijgen op de WW, hoeveel mensen zullen er niet meer recht hebben op WW? Kunt u dit uitsplitsen naar inkomen, leeftijd, opleidingsniveau en type contract (bepaalde of onbepaalde tijd)?

Antwoord 51

Het CBS heeft voor de WW-instroom in 2022 en 2023 onderzocht4 welke groepen (potentieel) niet meer in aanmerking komen voor een WW-uitkering wanneer de referte-eis wordt verlengd van 42 uit 52 weken. Op basis van het CBS-onderzoek wordt uitgegaan van ongeveer 12% (gemiddeld over 2022 en 2023) van de WW-instroom die niet meer in aanmerking zou komen voor een WW-uitkering. In onderstaande tabellen5 vindt u een uitsplitsing op inkomen, leeftijd, opleidingsniveau en type contract over 2023.

Tabel: potentieel verschil in instroom WW bij gewijzigde referte-eis op basis van inkomen

Aantal weken gewerkt 26/361

Aantal weken gewerkt 42/522

Afwijking wekeneis 42/52 t.o.v. 26/36

Totaal

175.900

156.800

19.200

Laagste 20 procent

13.400

9.600

3.800

Tweede 20 procent

34.400

29.100

5.300

Derde 20 procent

51.100

47.300

3.800

Vierde 20 procent

37.600

36.000

1.600

Hoogste 20 procent

27.700

26.900

800

Onbekend

11.700

7.800

3.800

Bron: CBS

X Noot
1

Instroom van WW’ers die voldoen aan de basis wekeneis van 26 gewerkte weken in een aansluitende periode van 36 weken. Dit is inclusief WW-uitkeringen die geregistreerd zijn in 2023, maar met aanvangsdatum in 2022.

X Noot
2

Instroom van WW’ers die voldoen aan de wekeneis van 42 gewerkte weken in een aansluitende periode van 52  weken.

Tabel: potentieel verschil in instroom WW bij gewijzigde referte-eis op basis van leeftijd

Aantal weken gewerkt 26/361

Aantal weken gewerkt 42/522

Afwijking wekeneis 42/52 t.o.v. 26/36

Totaal

175.900

156.800

19.200

t/m 24 jaar

22.600

19.300

3.300

25 t/m 34 jaar

54.600

49.100

5.400

35 t/m 44 jaar

38.000

34.000

3.900

45 t/m 54 jaar

32.300

28.900

3.500

55 t/m 59 jaar

14.900

13.300

1.600

60 t/m 64 jaar

11.500

10.200

1.300

65 tot AOW-leeftijd

2.000

1.800

200

Bron: CBS

X Noot
1

Het getal voor de haakjes betreft het percentage behorende bij de puntschatting, dit zijn personen waarvan de opleiding bekend is. Deze percentages betreffen de opleidingsverdeling van de groep in de betreffende kolom en tellen verticaal op tot 100%. De getallen binnen de haakjes betreffen de (95%-) betrouwbaarheidsintervallen van alle personen inclusief personen waarvan de opleiding onbekend is.

X Noot
2

Niet alle mensen met een WW-uitkering behoren tot de werkloze beroepsbevolking. Mensen kunnen immers tegen een lager loon weer aan het werk zijn, waarbij ze nog wel een restant WW-uitkering kunnen ontvangen.

Tabel: potentieel verschil in instroom WW bij gewijzigde referte-eis op basis van opleidingsniveau1

Aantal weken gewerkt 26/362

Aantal weken gewerkt 42/523

Afwijking wekeneis 42/52 t.o.v. 26/36

Laag

20% (20%–22%)

19% (19%–21%)

30% (29%–31%)

Midden

45% (44%–45%)

45% (43%–45%)

46% (45%–47%)

Hoog

35% (34%–36%)

36% (35%–37%)

24% (23%–25%)

Bron: CBS

X Noot
1

Het getal voor de haakjes betreft het percentage behorende bij de puntschatting, dit zijn personen waarvan de opleiding bekend is. Deze percentages betreffen de opleidingsverdeling van de groep in de betreffende kolom en tellen verticaal op tot 100%. De getallen binnen de haakjes betreffen de (95%-) betrouwbaarheidsintervallen van alle personen inclusief personen waarvan de opleiding onbekend is.

X Noot
2

Het getal voor de haakjes betreft het percentage behorende bij de puntschatting, dit zijn personen waarvan de opleiding bekend is. Deze percentages betreffen de opleidingsverdeling van de groep in de betreffende kolom en tellen verticaal op tot 100%. De getallen binnen de haakjes betreffen de (95%-) betrouwbaarheidsintervallen van alle personen inclusief personen waarvan de opleiding onbekend is.

X Noot
3

Niet alle mensen met een WW-uitkering behoren tot de werkloze beroepsbevolking. Mensen kunnen immers tegen een lager loon weer aan het werk zijn, waarbij ze nog wel een restant WW-uitkering kunnen ontvangen.

Tabel: potentieel verschil in instroom WW bij gewijzigde referte-eis op basis van type contract

Aantal weken gewerkt 26/361

Aantal weken gewerkt 42/522

Afwijking wekeneis 42/52 t.o.v. 26/36

Totaal

175.900

156.800

19.200

Bepaalde tijd

125.500

107.400

18.100

Onbepaalde tijd

50.200

49.200

1.000

Niet van toepassing

200

200

 

Bron: CBS

X Noot
1

Het getal voor de haakjes betreft het percentage behorende bij de puntschatting, dit zijn personen waarvan de opleiding bekend is. Deze percentages betreffen de opleidingsverdeling van de groep in de betreffende kolom en tellen verticaal op tot 100%. De getallen binnen de haakjes betreffen de (95%-) betrouwbaarheidsintervallen van alle personen inclusief personen waarvan de opleiding onbekend is.

X Noot
2

Niet alle mensen met een WW-uitkering behoren tot de werkloze beroepsbevolking. Mensen kunnen immers tegen een lager loon weer aan het werk zijn, waarbij ze nog wel een restant WW-uitkering kunnen ontvangen.

Vraag 52

Hoeveel werklozen zitten er in de WW? Zitten er relatief steeds meer werklozen in de WW of neemt dit aandeel af?

Antwoord 52

Onderstaande tabel geeft in de laatste kolom per jaar weer welk aandeel van de totale werkloze beroepsbevolking een WW-uitkering ontvangt (dan wel ontving). In de voorbije tien jaar is een duidelijke afname van het percentage werkloze beroepsbevolking in de WW te zien.

Tabel: percentage werklozen in de WW

Jaar

Totale beroepsbevolking

Werkloze beroepsbevolking

Werkloosheids-percentage

Werkloosheids-uitkeringen (gemiddelde van het betreffend kalenderjaar)

Werkloosheidsuitkeringen als percentage van werkloze beroepsbevolking1

2016

9.215.000

646.000

7,0%

441.100

68,3%

2017

9.290.000

546.000

5,9%

378.100

69,2%

2018

9.398.000

459.000

4,9%

296.500

64,6%

2019

9.540.000

423.000

4,4%

248.300

58,7%

2020

9.581.000

465.000

4,9%

275.500

59,2%

2021

9.663.000

408.000

4,2%

240.200

58,9%

2022

9.898.000

350.000

3,5%

165.800

47,4%

2023

10.096.000

359.000

3,6%

155.100

43,2%

2024

10.170.000

372.000

3,7%

171.200

46,0%

20252

10.229.000

396.000

3,9%

188.200

47,5%

Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 28-05-2026.

X Noot
1

Niet alle mensen met een WW-uitkering behoren tot de werkloze beroepsbevolking. Mensen kunnen immers tegen een lager loon weer aan het werk zijn, waarbij ze nog wel een restant WW-uitkering kunnen ontvangen.

X Noot
2

Voorlopig cijfer

Vraag 53

Klopt het de WW een positieve ontwikkeling doormaakt, aangezien het volume is gedaald, het aantal lopende uitkeringen is gedaald, de instroom is afgenomen en er meer uitkeringen zijn beëindigd?

Antwoord 53

In onderstaande tabel wordt de volumeontwikkeling (instroom, uitstroom en lopende uitkeringen) in de afgelopen tien jaar getoond. Als er wordt gekeken naar de afgelopen 10 jaar is er een duidelijke daling in de instroom, uitstroom en het aantal lopende uitkeringen waar te nemen.

Tabel: instroom, uitstroom en lopende WW-uitkeringen 2016–2025

Instroom

Lopende uitkeringen (peilmaand juli)

Uitstroom

2016

489.992

431.642

524.880

2017

390.172

364.422

472.209

2018

335.519

279.360

402.724

2019

329.968

233.934

369.264

2020

479.066

300.801

416.860

2021

292.463

224.228

386.347

2022

229.009

156.636

271.597

2023

248.557

151.967

236.963

2024

271.481

164.177

257.423

2025

290.225

187.669

273.603

Bron: UWV.

Vraag 54

Zou u kunnen laten zien wat de ontwikkeling is van de uitgaven aan de werkloosheiduitkeringen als percentage van ons bruto binnenlands product in de afgelopen vijftig jaar? Zijn die gestegen of toegenomen?

Antwoord 54

In het antwoord op vraag 45 zijn een grafiek en tabel opgenomen met de uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen als percentage van het bruto binnenlands product vanaf 1970. De uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen als percentage van het bruto binnenlands product fluctueren door de jaren heen omdat deze sterk afhankelijk zijn van de economische situatie. Met name in de jaren 80 was er sprake van een piek. De werkloosheidsuitgaven uitgedrukt als percentage van het bbp bedroegen 0,9% in 1974 en 0,3% in 2024.

Vraag 55

Welke onderliggende oorzaken heeft de stijging van de uitkeringslasten ZW?

Antwoord 55

De ZW-uitkeringslasten zijn in 2025 circa € 380 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. Sinds het opstellen van de begroting 2025 is het aantal ziektewetuitkeringen sterker toegenomen dan verwacht. Dit geldt in het bijzonder voor mensen met een aflopend dienstverband en zwangere mensen. Tevens is voor deze mensen de gemiddelde ziekteduur toegenomen. Ten slotte zijn de ZW-uitkeringslasten toegenomen vanwege indexatie van de gemiddelde uitkeringshoogte naar prijspeil 2025.

Vraag 56

Kan het gebruik kinderopvangtoeslag naar verzamelinkomen eveneens worden gerapporteerd als percentage van het totaal aantal kinderen?

Antwoord 56

Het vereist nader onderzoek om het gebruik van kinderopvangtoeslag naar verzamelinkomen te rapporteren als percentage van het totaal aantal kinderen. De cijfers in het jaarverslag zijn gebaseerd op uitvoeringsinformatie van Dienst Toeslagen over kinderen van ouders die gebruik maken van kinderopvangtoeslag. Om vraag 56 te beantwoorden, zou gekeken moeten worden naar welk deel deze kinderen vormen van het totaal aantal kinderen van ouders in de verschillende inkomensgroepen. Hiervoor zouden inkomensgegevens van alle ouders nodig zijn. SZW beschikt niet direct over deze informatie.

Het jaarverslag vermeldt overigens wel hoeveel kinderen gebruik maken van kinderopvang met kinderopvangtoeslag als percentage van het totaal aantal kinderen. In 2025 ging 62% van de 0- tot 4-jarigen naar de opvang met kinderopvangtoeslag en 35% van de 4–12-jarigen. Het deelnamepercentage voor alle 0–12-jarige kinderen bedraagt 43%.

Vraag 57

Is er een verklaring voor de waargenomen ontwikkeling van de arbeidsduur bij onderscheidenlijk vaders en moeders met jonge kinderen? Zien we dat vaders met jonge kinderen ook meer zorgtaken op zich nemen?

Antwoord 57

Bij moeders is sinds enkele jaren een stijging te zien in het gemiddeld aantal gewerkte uren, zoals te zien in tabel 68 op bladzijde 110 van het SZW-jaarverslag. Het gemiddeld aantal gewerkte uren van vaders ligt over de jaren heen rond de 40. Het is op basis van de recente ontwikkelingen nog onzeker of de daling van het aantal gewerkte uren onder vaders zoals in de tabel te zien, doorzet of een incidentele daling is. Het is daarnaast moeilijk te zeggen of dit betekent dat vaders meer zorgtaken op zich zijn gaan nemen. Vrouwen zorgen gemiddeld nog altijd meer dan mannen. 50% van de stellen wil arbeid en zorg gelijk verdelen. In de praktijk lukt dit echter maar 10% van de stellen (Emancipatiemonitor, 2024).

Vraag 58

Klopt het dat de uitgaven aan de WIA-uitkeringen lager zijn dan eerder geraamd? Welke informatie danwel uitvoeringsinformatie ligt hieraan ten grondslag? Gaat het om de januarinota 2026?

Antwoord 58

Er wordt aangenomen dat deze vraag ziet op de verhouding tussen de begrote en definitieve WIA-uitgaven voor 2025. Het klopt niet dat de definitieve uitgaven aan de WIA lager zijn dan verwacht bij de begroting 2025. De WIA-uitgaven in 2025 zijn circa € 991 miljoen hoger uitgevallen (bij de IVA € 232 miljoen en de WGA € 759 miljoen) dan begroot bij begroting 2025. Hiervan betreft € 637 miljoen de correctie voor wettelijke indexaties.

De overige stijging van € 354 miljoen is het gevolg van een hoger aantal uitkeringen en een hogere gemiddelde uitkeringshoogte in de WGA. Deze informatie volgt uit de realisaties voor 2025. In de Januarinota 2026 heeft UWV de voorlopige realisaties voor 2025 gepresenteerd. De definitieve cijfers volgen uit het Jaarverslag 2025 van UWV.

Vraag 59

Wat is de ontwikkeling van de maandelijkse AOW-uitkering en AOW-vakantiegeld in relatie tot het consumentenprijsindexcijfer in de afgelopen tien jaar? Is de AOW-uitkering in koopkracht gegroeid?

Antwoord 59

De maandelijkse bruto-AOW-uitkering is in de afgelopen tien jaar (januari 2017–januari 2026) met 46% toegenomen, zie hiervoor het antwoord op vraag 11 waarin de indexatie met WML is weergegeven over de afgelopen tien jaar. In diezelfde periode is het consumentenprijsindexcijfer (cpi) met 34% toegenomen. Dit betekent dat de reële toename van de bruto-AOW-uitkering 9% bedraagt over de afgelopen tien jaar en deze in reële termen dus is gestegen. Voor de koopkrachtontwikkeling is niet alleen de groei van het besteedbaar inkomen afgezet tegen de prijsontwikkeling relevant, omdat het besteedbaar inkomen ook afhankelijk is van andere factoren zoals heffingskortingen en toeslagen.

Vraag 60

Is er een beeld hoeveel werknemers pensioen opbouwen of ontvangen op basis van een uitkeringsovereenkomst die niet wordt geïndexeerd? Aan welke regels moeten deze overeenkomsten voldoen en hoe wordt de koopkracht van deelnemers geborgd?

Antwoord 60

De meeste pensioenregelingen met uitkeringsovereenkomsten kennen een voorwaardelijke indexatie-ambitie die is vastgesteld door sociale partners. De indexatie-ambitie is erop gericht om koopkracht te behouden en volgt de stijging van de lonen (loonindex) ofwel de stijging van de prijzen (prijsindex). Wanneer er een voorwaardelijke indexatie-ambitie is opgenomen in de pensioenregeling, is het pensioenfonds niet verplicht om toeslag te verlenen tot maximaal de indexatie-ambitie. Op grond van de Pensioenwet stelt het pensioenfonds het beleid vast met betrekking tot de voorwaardelijke toeslagverlening. Bij het bepalen van het beleid dient het pensioenfonds zich te houden aan de wettelijke kaders. Zo mag er pas toeslag worden verleend wanneer de beleidsdekkingsgraad een minimaal percentage bedraagt (110%) en mag volledig toeslag worden verleend conform de indexatie-ambitie, wanneer voldaan is aan de vereisten voor toekomstbestendig indexeren (TBI). Indexatie is volgens deze regels toekomstbestendig als er voldoende ruimte is om deze indexatie ook in de toekomst toe te kennen. Wanneer namelijk toeslag wordt verleend, werkt dit onomkeerbaar door in de pensioenaanspraken en -rechten van toekomstige generaties. De wettelijke vereisten zijn gericht op koopkrachtbehoud voor de huidig en toekomstig gepensioneerden. Door het nieuwe stelsel zullen er steeds minder uitkeringsovereenkomsten zijn en vormen premieovereenkomsten het uitgangspunt. Door de nieuwe regels kunnen pensioenaanspraken en -rechten eerder worden verhoogd waardoor koopkrachtbehoud beter geborgd kan worden.

Pensioenfondsen nemen jaarlijks een besluit over de toeslagverlening. Er is dan ook geen beeld van het aantal werknemers dat pensioen opbouwt of gepensioneerden dat pensioen ontvangt op basis van een uitkeringsovereenkomst die niet wordt geïndexeerd, omdat dit jaarlijks kan verschillen.

Vraag 61

Hoeveel meer kinderen hebben recht gekregen op de AKW-plus?

Antwoord 61

Ouders hebben in een bepaald jaar mogelijk recht op AKW-plus indien zij gedurende het gehele jaar daarvoor dubbele kinderbijslag hebben ontvangen omdat hun kind intensieve zorg nodig heeft. In 2025 waren er 18.734 huishoudens die recht hadden op de AKW-plus (over het jaar 2024). Dit is een toename van 5.045 huishoudens (36,9%) ten opzichte van 2024, toen 13.689 huishoudens recht hadden op de AKW-plus (over het jaar 2023).

Vraag 62

Het jaarverslag beschrijft dat de uitgaven uit het Ouderdomsfonds grotendeels worden gedekt door de premie-inkomsten. Hoe verhoudt zich dit tot het CBS-bericht «AOW voor het eerst meer dan de helft bekostigd uit belastinggeld»?

Antwoord 62

De uitgaven uit het Ouderdomsfonds zijn deels afkomstig van premie-inkomsten en deels van rijksbijdragen, afkomstig van belastinggeld. In 2025 bedroegen de AOW premie-inkomsten € 26,8 miljard. De uitkeringslasten aan de AOW bedroegen in dit jaar € 55,2 miljard. Het verschil tussen de premie-inkomsten en de uitgaven wordt bekostigd uit de rijksbijdragen. Deze bedroegen € 28,9 miljard in 2025. Het gebruik van de term «grotendeels» was daarmee niet correct.

Vraag 63

Welke van de middelen «nog onverdeeld» zijn overgeheveld naar 2026? Wat is het bedrag dat er nu voor 2026 in de boeken staat en voor welke uitgaven zijn ze bedoeld? Welk bedrag is juridisch verplicht?

Antwoord 63

Er zijn bij slotwet geen middelen van artikel 99 nog onverdeeld overgeheveld van 2025 naar 2026. Voor 2026 is op dit begrotingsartikel bij 1e suppletoire begroting € 127,4 miljoen gereserveerd. Deze middelen zijn onder meer bestemd voor loon- en prijsbijstelling, arbeidsmarktbeleid, uitvoeringskosten van proactieve dienstverlening en uitvoeringskosten voor keteneffecten bij nabetalingen. Daarnaast heeft het vorige kabinet incidentele middelen gereserveerd voor een pilot bruto in plaats van netto terugvorderen. De middelen die onder «nog onverdeeld» vallen, zijn per definitie niet juridisch verplicht, omdat vanaf artikel 99 geen uitgaven kunnen worden gedaan. Wel zijn hier bestuurlijke afspraken over gemaakt. Zo worden bijvoorbeeld de middelen voor loon- en prijsbijstelling bij het eerstvolgende budgettaire moment overgeheveld naar het juiste artikel nu recent een cao Rijk is overeengekomen.

Vraag 64

Wat zijn de koopkrachteffecten (boxplot + voorbeeldhuishoudens) en budgettaire effecten van een 1%-verhoging van het wettelijk minimumloon? Kan dit worden uitgesplitst naar een volledig gekoppelde verhoging, een volledige koppeling met uitzondering van de AOW-koppeling en een ongekoppelde verhoging? Zijn deze effecten lineair schaalbaar voor een hogere wml-verhoging?.

Antwoord 64

Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon vergt een wetswijziging. Gezien de doorlooptijd van een wetstraject wordt in dit antwoord uitgegaan van een bijzondere verhoging per 1 januari 2029. In onderstaande tabellen staan de inkomenseffecten voor groepen huishoudens op basis van microsimulatiemodel Mimosi6 in frequentietabel format en de inkomenseffecten voor twintig voorbeeldhuishoudens.

Een bijzondere minimumloonverhoging heeft een effect op bijna alle huishoudens door de doorwerking op het afbouwpunt van de algemene heffingskorting en de afbouwpunten van de zorgtoeslag, huurtoeslag en het kindgebonden budget. Sterkere positieve inkomenseffecten komen voor bij werken met inkomen op of rond het wettelijk minimumloon en (afhankelijk van de gekozen doorwerking) op uitkeringsgerechtigden.

Tabel Inkomenseffecten volledige doorwerking op uitkeringen en AOW

<– 5%

– 5 tot – 2%

– 2 tot 0%

geen effect

0 tot 2%

2 tot 5%

>5%

Totaal

Mediaan

Aantal (x1.000)

Inkomensgroepen

1e (<=106% WML)

0%

0%

7%

0%

93%

0%

0%

100%

0,5%

1.660

2e (106–172% WML)

0%

0%

1%

0%

99%

0%

0%

100%

0,3%

1.650

3e (172–256% WML)

0%

0%

0%

0%

100%

0%

0%

100%

0,1%

1.650

4e (256–381% WML)

0%

0%

2%

0%

98%

0%

0%

100%

0,1%

1.660

5e (>381% WML)

0%

0%

14%

0%

86%

0%

0%

100%

0,0%

1.650

Inkomensbron1

werkenden

0%

0%

7%

0%

92%

0%

0%

100%

0,0%

5.310

uitkeringsontvangers

0%

0%

0%

0%

100%

0%

0%

100%

0,5%

620

gepensioneerden

0%

0%

0%

0%

100%

0%

0%

100%

0,4%

2.250

Huishoudtype

tweeverdieners

0%

0%

5%

0%

95%

0%

0%

100%

0,1%

3.970

alleenstaanden

0%

0%

5%

0%

95%

0%

0%

100%

0,2%

3.980

alleenverdieners

0%

0%

10%

1%

89%

0%

0%

100%

0,1%

330

Kinderen2

met kinderen

0%

0%

8%

0%

92%

0%

0%

100%

0,1%

1.780

zonder kinderen

0%

0%

6%

0%

94%

0%

0%

100%

0,1%

4.280

Alle huishoudens

0%

0%

5%

0%

95%

0%

0%

100%

0,1%

8.280

X Noot
1

Indeling op basis van belangrijkste inkomensbron. Bij gepensioneerden: aanvullend inkomen naast AOW.

X Noot
2

Indeling naar kinderen op basis van aanwezigheid kinderen tot 18 jaar en exclusief gepensioneerden.

Tabel Inkomenseffecten volledige doorwerking op uitkeringen, niet met AOW

<– 5%

– 5 tot – 2%

– 2 tot 0%

geen effect

0 tot 2%

2 tot 5%

>5%

Totaal

Mediaan

Aantal (x1.000)

Inkomensgroepen

1e (<=106% WML)

0%

0%

12%

0%

88%

0%

0%

100%

0,0%

1.660

2e (106–172% WML)

0%

0%

4%

0%

96%

0%

0%

100%

0,1%

1.650

3e (172–256% WML)

0%

0%

1%

0%

99%

0%

0%

100%

0,0%

1.650

4e (256–381% WML)

0%

0%

6%

0%

94%

0%

0%

100%

0,0%

1.660

5e (>381% WML)

0%

0%

22%

0%

78%

0%

0%

100%

0,0%

1.650

Inkomensbron

werkenden

0%

0%

11%

0%

88%

0%

0%

100%

0,0%

5.310

uitkeringsontvangers

0%

0%

0%

0%

100%

0%

0%

100%

0,5%

620

gepensioneerden

0%

0%

5%

0%

95%

0%

0%

100%

0,0%

2.250

Huishoudtype

tweeverdieners

0%

0%

8%

0%

92%

0%

0%

100%

0,0%

3.970

alleenstaanden

0%

0%

9%

0%

91%

0%

0%

100%

0,0%

3.980

alleenverdieners

0%

0%

17%

1%

83%

0%

0%

100%

0,0%

330

Kinderen

met kinderen

0%

0%

12%

0%

88%

0%

0%

100%

0,1%

1.780

zonder kinderen

0%

0%

10%

0%

90%

0%

0%

100%

0,0%

4.280

Alle huishoudens

0%

0%

9%

0%

91%

0%

0%

100%

0,0%

8.280

Tabel Inkomenseffecten zonder doorwerking op uitkeringen en AOW

<– 5%

– 5 tot – 2%

– 2 tot 0%

geen effect

0 tot 2%

2 tot 5%

>5%

Totaal

Mediaan

Aantal (x1.000)

Inkomensgroepen

1e (<=106% WML)

0%

0%

22%

1%

77%

0%

0%

100%

0,0%

1.660

2e (106–172% WML)

0%

0%

5%

0%

95%

0%

0%

100%

0,1%

1.650

3e (172–256% WML)

0%

0%

1%

0%

98%

0%

0%

100%

0,0%

1.650

4e (256–381% WML)

0%

0%

7%

1%

93%

0%

0%

100%

0,0%

1.660

5e (>381% WML)

0%

0%

27%

0%

73%

0%

0%

100%

0,0%

1.650

Inkomensbron

werkenden

0%

0%

14%

0%

86%

0%

0%

100%

0,0%

5.310

uitkeringsontvangers

0%

0%

23%

2%

75%

0%

0%

100%

0,0%

620

gepensioneerden

0%

0%

5%

0%

95%

0%

0%

100%

0,0%

2.250

Huishoudtype

tweeverdieners

0%

0%

11%

0%

89%

0%

0%

100%

0,0%

3.970

alleenstaanden

0%

0%

14%

1%

86%

0%

0%

100%

0,0%

3.980

alleenverdieners

0%

0%

21%

1%

78%

0%

0%

100%

0,0%

330

Kinderen

met kinderen

0%

0%

17%

0%

83%

0%

0%

100%

0,0%

1.780

zonder kinderen

0%

0%

14%

1%

85%

0%

0%

100%

0,0%

4.280

Alle huishoudens

0%

0%

12%

0%

87%

0%

0%

100%

0,0%

8.280

Tabel Inkomenseffecten voorbeeldhuishoudens

Huishoudtype

Volledige gekoppeld met uitkeringen en AOW

Volledig gekoppeld met uitkeringen, niet met AOW

Zonder koppeling met uitkeringen en AOW

Werkenden

Alleenverdiener met kinderen

modaal

0,2%

0,2%

0,2%

2 x modaal

0,0%

0,0%

0,0%

Tweeverdieners

   

modaal + ½ x modaal met kinderen

0,1%

0,1%

0,1%

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

0,0%

0,0%

0,0%

2½ x modaal + modaal met kinderen

0,0%

0,0%

0,0%

modaal + modaal zonder kinderen

0,0%

0,0%

0,0%

2 x modaal + modaal zonder kinderen

0,0%

0,0%

0,0%

Alleenstaande

minimumloon

0,7%

0,7%

0,7%

modaal

0,0%

0,0%

0,0%

2 x modaal

0,0%

0,0%

0,0%

Alleenstaande ouder

minimumloon

0,5%

0,4%

0,4%

modaal

0,1%

0,1%

0,1%

Niet-werkenden

Sociale minima

paar met kinderen

0,6%

0,6%

0,0%

alleenstaande

0,8%

0,8%

0,0%

alleenstaande ouder

0,5%

0,5%

0,0%

AOW (alleenstaand)

(alleen) AOW

0,8%

0,1%

0,1%

AOW + 10.000

0,5%

0,1%

0,1%

AOW (paar)

(alleen) AOW

0,9%

0,0%

0,0%

AOW + 10.000

0,6%

0,1%

0,1%

AOW + 30.000

0,5%

0,1%

0,1%

Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon met 1% met behoud van de koppeling van het minimumloon aan de uitkeringen kost ongeveer € 910 miljoen per jaar structureel. Als de koppeling van het minimumloon aan de AOW wordt uitgezonderd, bedragen de structurele kosten ongeveer € 290 miljoen per jaar. Als het minimumloon met 1% wordt verhoogd zonder koppeling met de uitkeringen, dan kost dit structureel ongeveer € 70 miljoen per jaar. Dit betreffen grove inschattingen van de budgettaire effecten. De raming bevat alleen de kosten van de Rijksoverheid als wetgever en niet van de Rijksoverheid als werkgever.

De budgettaire effecten kunnen niet zonder meer lineair geschaald worden. Dit komt onder meer doordat bijvoorbeeld de netto AOW- en bijstandsuitkeringen evenredig met de ontwikkeling van het netto minimumloon meestijgen. Uitkeringen worden echter bruto uitgekeerd. In de raming wordt daarom gerekend met de bruto-uitkeringshoogte, en die kan afhankelijk van de fiscaliteit harder of minder hard stijgen dan de netto-uitkeringshoogte.

Tabel Verhoging minimumloon 1% per januari 2029

x € 1 mln. (prijspeil 2025)

2026

2027

2028

2029

2030

2031

Struc.

Volledige doorwerking op uitkeringen en AOW

0

0

10

900

880

890

910

Volledig doorwerking op uitkeringen, niet met AOW

0

0

10

400

370

360

290

Zonder doorwerking op uitkeringen en AOW

0

0

10

15

20

30

70

Vraag 65

Wat zijn de koopkrachteffecten en budgettaire effecten van verlaging van de vermogensgrenzen van het kindgebondenbudget naar het box-3 heffingsvrije bedrag?

Antwoord 65

Het mediane inkomenseffect voor huishoudens met een effect is – 5,8% in 2027. De maatregel heeft een inkomenseffect voor circa 33 duizend huishoudens van totaal circa 8,2 miljoen huishoudens. De maatregel zorgt voor een opbrengst van circa € 155 miljoen in 2027 oplopend naar circa € 165 miljoen structureel (prijspeil 2026).

Vraag 66

Wat zijn de koopkrachteffecten (boxplot + voorbeeldhuishoudens) van een 0,4%-verhoging van het eigenwoningforfait – zonder terugsluis? Zijn deze effecten lineair schaalbaar?

Antwoord 66

Onderstaande frequentietabel toont de inkomenseffecten van een verhoging met 0,4 procentpunt van de vierde schijf van het eigenwoningforfait in het jaar 2027. De inkomenseffecten zijn zonder terugsluis van de budgettaire opbrengst. De voorbeeldhuishoudens zijn niet opgenomen, omdat de effecten sterk afhangen van de WOZ-waarde en hypotheekrenteaftrek.

De inkomenseffecten in onderstaande frequentietabel zijn niet lineair schaalbaar. Dit heeft te maken met het bestaan van aftrek geen of een kleine eigenwoningschuld (Wet Hillen), waardoor men recht heeft op aftrek wanneer het eigenwoningforfait hoger uitvalt dan de aftrekbare kosten voor de eigen woning. Wanneer het eigenwoningforfait verder wordt verhoogd, zullen meer mensen recht krijgen op deze aftrekposten, wat het inkomenseffect en de budgettaire opbrengst op korte termijn dempt.

Tabel Inkomenseffecten verhoging met 0,4 procentpunt van de vierde schijf van het eigenwoningforfait

< – 5%

– 5 tot – 2%

– 2 tot 0%

geen effect

0 tot 2%

2 tot 5%

>5%

Totaal

Mediaan

Aantal (x1000)

Inkomensgroepen

 

1e (<=107% WML)

0%

1%

13%

87%

0%

0%

0%

100%

0,0%

1.630

2e (107–173% WML)

0%

5%

34%

61%

0%

0%

0%

100%

0,0%

1.630

3e (173–258% WML)

0%

8%

54%

38%

0%

0%

0%

100%

– 0,6%

1.630

4e (258–382% WML)

0%

8%

68%

23%

0%

0%

0%

100%

– 0,9%

1.630

5e (>382% WML)

0%

6%

82%

12%

0%

0%

0%

100%

– 0,8%

1.630

Inkomensbron1

werkenden

0%

5%

55%

39%

0%

0%

0%

100%

– 0,5%

5.270

uitkeringsontvangers

0%

4%

17%

79%

0%

0%

0%

100%

0,0%

610

gepensioneerden

0%

7%

46%

47%

0%

0%

0%

100%

– 0,2%

2.190

Huishoudtype

 

tweeverdieners

0%

5%

68%

26%

0%

0%

0%

100%

– 0,6%

3.950

alleenstaanden

0%

5%

31%

63%

0%

0%

0%

100%

0,0%

3.890

alleenverdieners

0%

10%

51%

38%

0%

0%

0%

100%

– 0,5%

320

Kinderen2

met kinderen

0%

7%

62%

31%

0%

0%

0%

100%

– 0,8%

1.780

zonder kinderen

0%

4%

48%

48%

0%

0%

0%

100%

– 0,2%

4.220

Alle huishoudens

0%

6%

50%

44%

0%

0%

0%

100%

– 0,3%

8.160

X Noot
1

Indeling op basis van belangrijkste inkomensbron. Bij gepensioneerden: aanvullend inkomen naast AOW

X Noot
2

Indeling naar kinderen op basis van aanwezigheid kinderen tot 18 jaar en exclusief gepensioneerden