Vastgesteld 9 juni 2026
De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat over de brief van 20 mei 2026 inzake het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Economische Zaken (Kamerstuk 36 945 XIII, nr. 2).
De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Van Eijk
Adjunct-griffier van de commissie, Krijger
1
Wat is de meest recente raming voor de structurele economische groei in Nederland?
Antwoord
Op langere termijn wordt de economische groei bepaald door de groei van de arbeidsproductiviteit en het arbeidsaanbod. Het CPB raamt structurele groei van de arbeidsproductiviteit die gelijk is aan 0,9% per jaar. De groei van het arbeidsaanbod is niet constant per jaar, want deze hangt af van de bevolkingsprognose en ontwikkeling van participatiegraden. Gegeven de demografische ontwikkelingen is het wel duidelijk dat deze bijdrage de komende decennia zeer beperkt zal zijn. Daarmee komt de structurele groei uit op ongeveer 1%, afhankelijk van het jaar waar naar gekeken wordt.1
2
Hoe verhoudt de constatering van de Algemene Rekenkamer, dat de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling (R&D) in Nederland achterblijven bij het doel om minimaal 3% van het bruto binnenlands product (bbp) uit te geven aan R&D, zich tot de conclusie uit onderzoek van de Rabobank2 dat het vanwege de Nederlandse sectorstructuur lastig is om deze 3%-doelstelling te halen?
Antwoord
De uitdaging om de 3%-doelstelling te behalen blijft onverminderd groot. Nederland heeft een sterke uitgangspositie in internationaal toonaangevende sectoren en sleuteltechnologieën. Maar deze positie is niet gegarandeerd voor de toekomst en sommige (andere) sectoren kunnen nog een stuk innovatiever worden. Om onze toekomstige welvaart te borgen is het van belang om actief in te zetten op onze strategische relevantie en het scheppen van de randvoorwaarden voor meer R&D en innovatie. Dit onderstreept de Algemene Rekenkamer: als de R&D-uitgaven achter blijven, heeft dat gevolgen voor het toekomstig verdienvermogen van Nederland. De Rabobank onderstreept dat onze sectorstructuur het moeilijk maakt om de 3% te behalen. Minder R&D-intensieve sectoren maken een relatief groot deel uit van onze economie. Maar ook in de inherent R&D-intensievere sectoren zijn de R&D-uitgaven lager dan in onze buurlanden. Inzet voor het verhogen van de R&D-intensiteit moet op basis hiervan langs twee lijnen lopen om de 3% te halen: zowel het innovatiever maken van traditioneel minder R&D-intensieve sectoren, maar ook het stimuleren van R&D in sectoren waar R&D al een groter onderdeel van uitmaakt.
3
De regering heeft 270 miljoen euro beschikbaar gesteld op een ISB om een specifiek bedrijf te steunen; welke bedrijf was dit en wat is de reden geweest dat dit bedrijf hier uiteindelijk geen gebruik van heeft gemaakt?
Antwoord
In verband met vertrouwelijke en bedrijfsgevoelige informatie is het niet mogelijk om publiekelijk te delen voor welk bedrijf deze middelen beschikbaar waren gesteld via de begroting van Economische Zaken en waarom de middelen zijn teruggeboekt naar het Ministerie van Defensie. Ten tijde van het aanbieden van de Incidentele Suppletoire Begroting (ISB) in juli 2025 zijn uw Kamers daarom vertrouwelijk geïnformeerd over de casus en het betreffende bedrijf.
4
In tabel 3 zien we een daling van het verplichtingen, uitgaven en ontvangsten, mede door de overheveling van bepaalde posten naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Klimaat en Groene Groei (KGG), het aantal fte’s stijgt echter; zijn de fte’s niet meeverhuisd naar BZK en KGG? Of is er een verklaring?
Antwoord
Bij de splitsing van EZK in EZ en KGG zijn alleen de beleidsgelden gesplitst en bleven de apparaatsgelden alsook de medewerkers onder EZ hangen. Hierdoor is voor deze tijdelijke splitsing geen daling in het aantal medewerkers te zien. Voor de overheveling naar BZK geldt dat een deel van de medewerkers is overgegaan naar BZK. Een deel van de medewerkers is achtergebleven bij EZ, bijvoorbeeld omdat ze maar een beperkt deel van hun tijd aan het Groningendossier besteedden en het merendeel aan EZ-gerelateerde onderwerpen.
5
Welke stappen heeft u genomen om het Industrieel Participatie (IP) te verbeteren in 2026?
Antwoord
Momenteel vindt er een doorontwikkeling van het beleid plaats om volledig in lijn te zijn met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029. Daarbij wordt ook kritisch gekeken naar de artikelen in de (model) Industriële Participatieovereenkomsten. Verder loopt er momenteel een Economische Beleidsanalyse (EBA) van de defensie-industrie, waarin wordt gekeken hoe het IP-beleid kan worden verbeterd om beter bij te dragen aan de nationale veiligheid en de versterking van onze defensie-industrie. De aanbevelingen uit het EBA zal ik meenemen om het beleid waar mogelijk te verbeteren.
6
Onder welke voorwaarden kan het IP-beleid van toepassing zijn op Nederlandse leveranciers?
Antwoord
Wanneer Defensie iets aanschaft in het buitenland voor minimaal 5 miljoen EUR, of wanneer zij een Nederlandse partij contracteert waarbij de buitenlandse toelevering ook boven de 5 miljoen EUR bedraagt, dan is het Industrieel Participatiebeleid van toepassing. In sommige gevallen zien we dat het Nederlandse aandeel in de opdracht dusdanig groot of strategisch van aard is, dat een formele Industriële Participatieovereenkomst geen meerwaarde heeft met de Nederlandse leverancier. In andere gevallen zien we dat er nauwelijks of geen toegevoegde waarde is door de Nederlandse vestiging. In dat geval werken we met de leverancier een Industriële Participatie overeenkomst uit. Het komt ook wel eens voor dat de Nederlandse leverancier (verplicht) buitenlandse spullen moet aanschaffen en integreren, bijvoorbeeld omdat Defensie deze specifieke spullen vereist. In dat geval kunnen we ook – met ondersteuning van de Nederlandse leverancier – besluiten om direct afspraken te maken met de betreffende buitenlandse onder leveranciers.
7
Hoe verhoudt het IP-beleid zich tot de aanbesteding van defensie?
Antwoord
Wanneer Defensie iets aanschaft in het buitenland voor minimaal 5 miljoen EUR, of wanneer zij een Nederlandse partij contracteert waarbij de buitenlandse toelevering ook boven de 5 miljoen EUR bedraagt, dan is het Industrieel Participatiebeleid van toepassing. EZK krijgt van Defensie een melding dat zij een aanbesteding heeft opgestart, waarin zij EZK informeert wat het aan te schaffen systeem is, wat de planning van de aanbesteding is, een inschatting van het volume en wie de mogelijke leverancier is. Na ontvangst van de melding, zoekt het Commissariaat Militaire Productie van EZK contact met de potentiële leveranciers om de mogelijkheden tot Industriële Participatie te verkennen. Voordat Defensie over kan gaan tot gunning, heeft zij een bevestiging van EZK nodig dat er afspraken over Industriële Participatie zijn gemaakt. Wanneer dat het geval is, zal Defensie over gaan tot gunning en sluit EZK een Industriële Participatieovereenkomst af met de winnende leverancier.
8
Wat is de huidige nagestreefde en gerealiseerde multiplier bij IP-afspraken?
Antwoord
Ik vermoed dat u de nagestreefde en gerealiseerde verplichtingswaarde bedoelt. Er wordt per casus bekeken wat de gewenste waarde betreft. Een streefwaarde en gerealiseerde waarde publiceren we niet, omdat dit (commercieel) vertrouwelijke informatie is die bij openbaar maken een direct effect heeft op de onderhandelingspositie van de Staat. Wat betreft multipliers kan ik u zeggen dat er geen specifieke multiplier wordt nagestreefd. Multipliers kunnen toegekend worden aan activiteiten die (exceptioneel) bijdragen aan de doelstellingen van de Defensie Industrie Strategie/de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie. In 2007 is besloten om de maximale multiplier te begrenzen op 10. Het toekennen van de hoogste multiplier is exceptioneel. Daarnaast hanteert EZK binnen het beleid bandbreedtes van multipliers, waarvoor in algemene zin valt te zeggen dat hoog innovatie activiteiten, ontwikkelingsactiviteiten die leiden tot toepassing en opschaling en activiteiten die een strategische meerwaarde hebben voor Defensie, in aanmerking komen voor hogere multipliers.
9
In hoeverre maken andere Europese landen gebruik van economische doelstellingen in hun IP-beleid? Is onderzocht in hoeverre Nederland hier afwijkt?
Antwoord
Er is geen apart onderzoek uitgevoerd naar het beleid in verschillende landen, maar het Commissariaat Militaire Productie is voortdurend in contact met buitenlandse partijen en overheden. Ook neemt het Commissariaat deel aan diverse (vaktechnische) conferenties, waar de werking van het beleid onderling wordt uitgewisseld. Tevens is zij regelmatig in contact met de verantwoordelijke organisaties uit andere landen. Daarom heeft het Commissariaat Militaire Productie veel kennis over hoe andere landen dergelijke regelingen uitvoeren.
De Europese Commissie is van mening dat het nastreven van economische doelstellingen in zogenoemde compensatieregelingen niet te verenigen is met de Europese regelgeving, in het bijzonder met betrekking tot de interne markt. Desondanks zijn er Europese landen die explicieter een economisch doel nastreven. Echter dienen ook zij zich te houden aan de Europese regelgeving.
Nederland streeft met haar beleid dan ook geen economisch doel na, maar kijkt nadrukkelijk naar de toegevoegde waarde voor onze nationale veiligheid. De activiteiten die worden opgestart hebben daarmee dan ook een (potentiële) militaire toepassing. Het economische effect is in die zin wel een afgeleide. Immers, bedrijven die succesvol bijdragen aan de internationale defensieketens, creëren daarmee ook bedrijvigheid. Ontwikkelwerk kan bovendien in de toekomst leiden tot toepassing binnen (nieuwe) markten, wat als afgeleide ook bedrijvigheid met zich meebrengt. Het grote verschil met het nastreven van een economisch doel is echter dat deze activiteiten dan primair tot stand zijn gekomen om bij te dragen aan de Europese defensie waardeketens en die van onze NAVO-bondgenoten. De manier waarop Nederland haar Industrieel Participatiebeleid richt en uitvoert wordt daarom door andere landen gezien als een voorbeeld van effectief beleid. Nederland is met name uniek in de strategische relaties die zij met het beleid opbouwt met de buitenlandse leveranciers.
10
Bent u van plan om het zicht op IP-beleid te verbeteren en wanneer kan de Kamer dit verwachten?
Antwoord
Zoals ik in mijn reactie op het Verantwoordingsonderzoek heb gemeld, onderschrijf ik de bevinding van de Algemene Rekenkamer niet dat ik geen inzicht zou hebben in het potentieel en de resultaten van het IP-beleid. Mijn ambtsvoorganger ontving regelmatig een inschatting van de potentiële omvang op basis van de verwachte aankopen van Defensie. Wel herken ik de bevinding van de Algemene Rekenkamer dat de (externe) rapportage over het IP-beleid beperkt is, waardoor zowel mijn inzicht als dat van de Kamer in de resultaten beperkt is. Ik heb het Commissariaat daarom gevraagd of het mogelijk is om de externe rapportage in plaats van tweejaarlijks, gelijktijdig met de jaarlijkse interne rapportage te doen. Daarnaast heb ik het Commissariaat gevraagd te verkennen of het in afstemming met de leveranciers mogelijk is om in de publieke rapportage meer voorbeelden van de resultaten op te nemen en te bezien of op basis van de beschikbare gegevens in onze systemen nog aanvullende informatie kan worden gerapporteerd. Ik zal de Kamer daarover aan het einde van het jaar informeren, zodat er een jaarlijkse cyclus van de rapportage kan worden opgestart indien dat mogelijk is.
11
Kunnen geldende aanbestedingsregels worden overruled wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden, en hoe vaak is dit gebeurd?
Antwoord
Het aanbestedingsrecht kent een aantal uitzonderingen voor bijzondere gebeurtenissen, zoals dwingende spoed of onvoorziene omstandigheden. Hierbij worden de aanbestedingsregels niet overruled, maar kan er onder strikte voorwaarden worden afgeweken van reguliere procedures.
Incidenteel kan het noodzakelijk zijn af te wijken van de aanbestedingsregels, bijvoorbeeld op het moment dat de van toepassing zijnde termijnen niet gehaald kunnen worden wegens conflicterende wettelijke verplichtingen. Voor zulke gevallen is er een escalatieprocedure, waarbij met een formeel, gemotiveerd besluit en onder strikte voorwaarden bestuurlijk de afweging wordt gemaakt dat doelmatigheid prevaleert op rechtmatigheid. Dit wordt terughoudend toegepast.