Kamerstuk 36945-XIII-10

Verslag van een schriftelijk overleg over de Jaarverslagen Ministerie van Economische Zaken en Groeifonds 2025, de rapporten van de Algemene Rekenkamer en de brief ‘Inventarisatie Maatwerksubsidies EZK’ (Kamerstuk 36945-XIII-1)

Dossier: Jaarverslag en slotwet Ministerie van Economische Zaken 2025

Gepubliceerd: 1 juli 2026
Indiener(s): Wendy van Eijk-Nagel (VVD)
Onderwerpen: begroting financiën
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36945-XIII-10.html
ID: 36945-XIII-10

Nr. 10 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 1 juli 2026

De vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat over de Jaarverslagen Ministerie van Economische Zaken en Groeifonds 2025, de rapporten van de Algemene Rekenkamer en de brief «Inventarisatie Maatwerksubsidies EZK» (Kamerstuk 36 945 XIII, nr. 1)

De vragen en opmerkingen zijn op 24 juni 2026 aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat voorgelegd. Bij brief van 1 juli 2026 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Van Eijk

Adjunct-griffier van de commissie, Krijger

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

1.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken. Deze leden onderschrijven de in het rapport-Wennink benoemde noodzaak om randvoorwaardelijke barrières zoals stikstofproblematiek en netcongestie te doorbreken. Zij vragen de Minister wat de economische impact is geweest van de jarenlange vertraging in de aanpak van deze uitdagingen, en hoe deze stilstand het ondernemingsklimaat heeft beïnvloed.

Antwoord

Ik onderschrijf de noodzaak om deze barrières te doorbreken. De barrières hinderen ondernemers in het ontplooien van nieuwe, waardevolle activiteiten en daarmee de dynamiek in onze economie. De impact op het ondernemingsklimaat is, ondanks deze lastig is te kwantificeren, fors. Op de economische schade als gevolg van de stikstof- en netcongestieproblematiek zijn kwantitatieve berekeningen uitgevoerd.

Economische schade stikstofproblematiek

Een onderzoek naar de economische effecten van de stikstofproblematiek uit 2025 – uitgevoerd door SEO en CE Delft in opdracht van het kabinet1 – schat dat de verminderde vergunningverlening over de totale onderzochte periode van 2024–2030 circa € 30,7 tot 61 miljard aan omzet raakt in een respectievelijk waarschijnlijk en ongunstig scenario. Dit betreft de omzetwaarde van de niet vergunde projecten als gevolg van de stikstofproblematiek. De bbp-schade is circa € 4,1 tot 21,5 miljard. De bbp-schade is lager dan het omzetverlies vanwege aanpassingseffecten waarbij vrijgevallen middelen van geraakte projecten worden ingezet bij andere projecten. De onderzoekers hebben ook de schade van stikstofemissies op natuur en gezondheid in euro’s berekend. In 2023 komt dit bedrag neer op minstens € 15,1 miljard, ofwel 1,6% van ons bbp. Deze schade is jaarlijks terugkerend en varieert naargelang de stikstofuitstoot.

Economische schade netcongestie

De economische kosten van netcongestie zijn uitermate moeilijk kwantificeerbaar gebleken, met name doordat de mogelijkheden en kosten van alternatieven voor een vast transportcontract (flexcontract, batterij, eigen opwek etc.) sterk uiteenlopen per sector en individueel bedrijf. Het kabinet en andere betrokken partijen verwijzen vaak naar de inschatting – met een ruime bandbreedte – die de Boston Consultancy Group in 2024 op eigen initiatief heeft gemaakt: € 10 tot € 35 miljard. per jaar aan misgelopen economische baten.2

2.

Naast deze randvoorwaardelijke barrières wordt in het rapport Wennink ook gewezen op een structurele oorzaak van onderinvestering, namelijk de wijze waarop in de Nederlandse begrotingssystematiek de langetermijnbaten van publieke investeringen onvoldoende worden gewaardeerd, waardoor deze in ramingen stelselmatig worden onderschat. De leden van de D66-fractie vragen of de Minister deze analyse onderschrijft en in hoeverre zij hierin een verklaring ziet voor de geschetste stilstand. Is de Minister bereid zich ervoor in te spannen, mede met het oog op de aankomende besluitvorming, dat de economische baten van investeringen beter worden meegewogen in de budgettaire afweging?

Antwoord

Ja, de Minister is zich bereid hiervoor in te spannen. Het kabinet vindt het van belang om economische baten van investeringen beter inzichtelijk te maken. Hiervoor lopen verschillende initiatieven, zoals betere onderbouwing via MKBA’s, vooruitkijkende indicatoren en onderzoek naar langetermijneffecten. In de Kamerbrief van 31 maart 20263 over het SEO-onderzoek Slimme Investeringen is ingegaan op de mogelijkheden om onderwijs- en R&D-investeringen beter door te rekenen. Deze trajecten vergen echter een langere adem.

3.

De leden van de D66-fractie zijn van mening dat een grote onderzoek en ontwikkeling (R&D)-intensiteit noodzakelijk is om innovatie van Nederlandse bodem te stimuleren. Zij onderschrijven dan ook de doelstelling om 3% van het bruto binnenlands product (bbp) te investeren in R&D. Op welke wijze heeft de uitfasering van het Nationaal Groeifonds onder het Kabinet Schoof de haalbaarheid van de R&D-doelstellingen beïnvloed?

Antwoord

Investeringen uit het fonds dragen bij aan de 3% R&D-doelstelling. Er zijn drie indieningsrondes geweest. Daarbij is over 50 projecten positief besloten, waarmee een bedrag van € 11 miljard is gemoeid. Deze projecten worden de komende 5 à 10 jaar uitgevoerd. De komende jaren zal er langs deze weg dus nog worden geïnvesteerd in R&D; wat bijdraagt aan de 3% doelstelling. Evenwel zijn er geen nieuwe investeringen meer gepland. De TWIN-rapportage 2024–2030 van het Rathenau Instituut4 voorspelt nog een toename in publieke R&D-uitgaven tot en met 2026. Daarna wordt een lichte daling voorspeld, die ten dele toe te kennen is aan aflopende investeringen uit het NGF. In deze rapportage zijn echter nog niet de investeringen meegenomen die zijn aangekondigd in de financiële tabel van het coalitieakkoord.

4.

De leden van de D66-fractie lezen voorts dat de afgelopen jaren het aandeel van R&D-uitgaven rond de 2,3% van het Nederlandse bbp lag. Zij vragen in hoeverre de Minister verwacht dat de maatregelen die zij neemt bijdragen aan de groei van de R&D-intensiteit. Welke aanvullende maatregelen is zij bereid te nemen indien er geen zichtbare groei plaatsvindt?

Antwoord

Het kabinet houdt vast aan de 3%-doelstelling als stip op de horizon. Daarom zijn met het coalitieakkoord bijna alle beleidsopties uit het 3%-actieplan bevestigd. In de 3%-voortgangsbrief van eind september ga ik hier nader op in. Al deze opties dragen bij aan het stimuleren van R&D, het stimuleren van nieuwe R&D-intensieve bedrijvigheid of een goed vestigingsklimaat voor R&D intensieve bedrijven. Hoe groot deze bijdrage precies zal zijn is van tevoren niet te voorspellen en hangt ook af van een groot aantal externe factoren.

Daarnaast bevat het coalitieakkoord de meevaller-formule, mede ten behoeve van investeringen die het verdienvermogen van Nederland verder versterken. Deze geldt indien in het financiënbeeld per saldo meevallers laat zien, het EMU-saldo zich meerjarig onder –2% bbp bevindt (het geadviseerde tekort van de Studiegroep Begrotingsruime) én de Europese grenswaarde voor de staatsschuld niet wordt overschreden Dan kunnen per saldo meevallers voor 1/3e ingezet worden voor investeringen die het verdienvermogen van Nederland verder versterken. Deze investeringen vervolgens kunnen de publieke investeringen voor R&D aanjagen.

5.

De leden van de D66-fractie merken op dat het grootste deel van de toename richting de 3%-doelstelling van het bedrijfsleven zal moeten komen, en dat het beter omzetten van wetenschappelijke kennis in economische waarde, valorisatie, daarbij een sleutelrol speelt. Zij vragen welke concrete resultaten in 2025 zijn geboekt op het vlak van valorisatie, bijvoorbeeld ten aanzien van het bundelen van Technology Transfer Offices (Kennis Transfer Offices (KTO’s)) en het verbeteren van de voorwaarden voor startups vanuit kennisinstellingen.

Antwoord

Op het gebied van valorisatie zijn in 2025 belangrijkste stappen gezet. Zo zijn de dealterms 2.0 gelanceerd. Dit zijn kaders voor de overdracht van intellectueel eigendom van kennisinstellingen naar startups. Daarnaast is in 2025 de Thematische Technology Transfer-regeling opengesteld met een specifieke tender voor dual-use technologieën (geschikt voor zowel militair als civiel gebruik). Daarmee stimuleren we de nationale valorisatiesamenwerking op het gebied van dual use.

6.

De leden van de D66-fractie merken op dat de stagnatie van onze economische groei een fundamenteel probleem is. Het grootste deel van de economische groei in Nederland komt door een toename van het arbeidsaanbod, terwijl de productiviteitsgroei achterblijft. Mede daarom zijn deze leden positief over de voorgestelde stappen in de Productiviteitsagenda. Zij vragen de Minister wat tot dusverre de concrete resultaten zijn geweest van de uitvoering van deze agenda.

Antwoord

In de tweede productiviteitsagenda, die op korte termijn met de Kamer wordt gedeeld, rapporteert het kabinet over de voortgang van de uitvoering.

7.

De leden van de D66-fractie wijzen er voorts op dat de arbeidsproductiviteit de afgelopen tien jaar nog slechts met gemiddeld 0,2% per jaar is gegroeid, tegenover 1,5% in de decennia daarvoor, en dat het versnellen van digitalisering en adoptie van kunstmatige intelligentie (AI) binnen de Productiviteitsagenda als belangrijke hefboom wordt aangemerkt. Deze leden vragen hoe de Minister de daadwerkelijke adoptie van AI en arbeidsbesparende technologie door bedrijven, en in het bijzonder door het midden- en kleinbedrijf (mkb), meetbaar maakt en monitort.

Antwoord

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) meet AI-adoptie op verschillende manieren, zoals met een AI-monitor. Het CBS monitort naast de AI-adoptie bijvoorbeeld de doeleinden waarvoor AI gebruikt worden, welke AI-technologieën er gebruikt worden, en hoe AI-adoptie verschilt per bedrijfsgrootte. Het CBS legt hierbij ook een relatie met productiviteit. Op de CBS dossierpagina over AI5 is een overzicht te vinden van hun werk.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de jaarverslagen van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en hebben daarover nog enkele vragen.

8.

De leden van de VVD-fractie lezen in het jaarverslag dat er al goede stappen zijn gezet richting de doelstelling om 500 regels te schrappen of te vereenvoudigen. Zij vragen hoe de Minister ervoor gaat zorgen dat de andere departementen beter worden meegenomen in deze doelstelling. Zij vragen tevens hoe de Minister ervoor gaat zorgen dat de doelstelling jaarlijks behaalt kan worden, conform het coalitieakkoord.

Antwoord

De coördinatie van de jaarlijkse doelstelling gaat over naar de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid. Waar de scope van de doelstelling tot op heden enkel gericht was op bedrijven, wordt deze nu uitgebreid naar bedrijven, mensen en professionals. Er moet namelijk niet alleen een forse slag worden geslagen in het vereenvoudigen of schrappen van onnodig ingewikkelde regels voor bedrijven, maar ook voor mensen en professionals.

Om ervoor te zorgen dat de andere departementen nog beter worden meegenomen in deze doelstelling en de doelstelling jaarlijks kan worden behaald, krijgen alle bewindspersonen en hun departementen per oktober concrete reductiedoelstellingen. Belangrijk daarbij is dat de focus niet alleen komt te liggen op aantallen, maar juist ook op de impact die wordt gemaakt. Hierover is 29 juni jl. een Kamerbrief verstuurd6.

9.

De leden van de VVD-fractie lezen in het jaarverslag dat er in de loop van het jaar extra budgetten zijn toegevoegd zodat de Kamer van Koophandel (KvK) diverse opdrachten kan uitvoeren. De leden van de VVD-fractie vragen hoe de groei van de KvK gerijmd kan worden met de doelstelling van het kabinet om te werken aan een kleinere en slagvaardige overheid. Deelt de Minister ook de opvatting van deze leden dat de KvK primair moet doen waarvoor hij bedoeld is: betrouwbare registers bijhouden, en niet steeds verder uitgroeien tot brede publieke ondernemersadviseur?

Antwoord

De KVK beheert het Handelsregister en enkele aanpalende registers en geeft informatie en advies. Dit is uitgewerkt in zes wettelijke taken: het beheren van registers (waaronder het Handelsregister), het bieden van algemene voorlichting aan (toekomstige) ondernemers, het stimuleren van innovatie, het stimuleren van regio’s, het beheren van fysieke ondernemerspleinen en het beheren van het digitaal ondernemersplein. Deze taken zijn vastgelegd in de Wet op de Kamer van Koophandel 2014 en de Handelsregisterwet 2007 en worden door de KVK nadrukkelijk in samenhang gezien en integraal uitgevoerd.

Het aantal wettelijke taken is sinds 2014 niet toegenomen. De activiteiten die onder deze wettelijke taken vallen, zijn echter wel uitgebreid. Zo is het aantal registers dat KVK beheert toegenomen door de toevoeging van het UBO-register, het UBO-trustregister, het LEI-register en het Register Bestuursverboden. De toename in kosten van de KVK (7%) wordt vooral veroorzaakt door de verzwaring van de registertaak, mede vanuit Europese regelgeving en aanvullende eisen ten aanzien van informatieveiligheid en cybersecurity. De apparaatstaakstelling vanuit kabinet-Schoof voor 2025 is ingeboekt op de bijdragen aan KVK over 2025. De KVK heeft dus invulling gegeven aan deze taakstelling in 2025.

Als het gaat om de rechtvaardiging en aanvaarding van de taakuitvoering van KVK, blijkt uit het rapport van Kwink en KplusV over de wets- en zbo-evaluatie van KVK dat de registertaak en de voorlichtingstaak breed worden erkend als kerntaken. Deze taken sluiten logisch aan bij de rol van KVK als onafhankelijke eerstelijnsdienstverlener. Hetzelfde geldt voor het beheer van het digitale ondernemersplein en de fysieke ondernemerspleinen.7

10.

Waarom houdt de KvK bijvoorbeeld nog fysieke ondernemerspleinen in stand, terwijl ondernemers hun zaken steeds vaker digitaal regelen en deze pleinen geen eigen opbrengsten hebben?

Antwoord

Zie ook het antwoord bij vraag 9. Het opzetten en beheren van de fysieke ondernemerspleinen is een logische taak die past bij KVK, zoals geconcludeerd in het evaluatierapport.8 Vanuit het perspectief van de ondernemers (de vraagkant) is het belangrijk dat naast digitale toegang tot informatie, ook persoonlijk contact met KVK en andere dienstverleners op het Ondernemersplein mogelijk blijft. Vooral bij complexe uitdagingen en vragen kan één op één contact met een KVK-adviseur behulpzaam en ook gewenst zijn. In 2025 zijn er 14.000 klantgesprekken gevoerd op het Ondernemersplein.9 Vanuit het perspectief van de dienstverlenende organisaties (aanbodkant) is het voordeel van de fysieke Ondernemerspleinen dat er verschillende dienstverleners aanwezig kunnen zijn met complementaire expertise, zodat de ondernemer direct een volledig antwoord op zijn vraag of voor zijn situatie ontvangt. De Actieagenda mkb-dienstverlening constateerde eerder al dat de dienstverlening van publieke partijen onvoldoende aansluit op de vraag van de ondernemer.10 Het aanbod is zo groot en divers dat mkb-ondernemers het niet meer overzien. KVK draagt met de Ondernemerspleinen bij aan een betere samenwerking tussen en een betere integratie van, dienstverlening gericht op de ondernemer.

Het geven van informatie en advies via een persoonlijk gesprek is kosteloos voor de ondernemer. KVK hanteert maar voor een deel van haar producten en diensten een tarief, gebaseerd op het principe dat de gebruiker bijdraagt aan de kosten van de dienstverlening. Dit betreft onder meer inschrijvingen in het Handelsregister, en het verstrekken van informatieproducten via verschillende kanalen. Deze tarieven zijn echter niet volledig kostendekkend. De financiering van deze producten en diensten van KVK vindt daarom plaats via een combinatie van een rijksbijdrage van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en gebruikersbijdragen. Hierdoor blijft de dienstverlening breed toegankelijk en kan KVK haar publieke taken uitvoeren.

11.

Vindt de Minister dat innovatie- en regiostimulering nog wel bij de KvK horen, nu juist deze taken volgens een recente evaluatie beperkt worden herkend door ondernemers en betrokken partijen? Is de Minister bereid deze taken te schrappen? Klopt het dat dit minimaal 25 miljoen euro per jaar op kan leveren?

Antwoord

De conclusies uit het rapport worden herkend en de aanbevelingen zullen samen met KVK en andere stakeholders ter hand worden genomen.11 Over de voortgang en vervolgstappen wordt de Tweede Kamer gedurende 2026 en 2027 geïnformeerd.

Volgens het evaluatierapport voert KVK de wettelijke taken innovatiestimulering en regiostimulering momenteel beperkt doeltreffend uit. In lijn met de aanbevelingen uit de evaluatie, zullen KVK en EZK proberen om binnen een jaar tot een herijking te komen van de invulling van de innovatie- en regiostimuleringstaak, zodat deze beter aansluiten op de kerntaken. Na deze herijking kan pas worden aangegeven of dit (gedeeltelijk) door de KVK moet blijven worden uitgevoerd.

De wijze waarop KVK thans invulling geeft aan de regio- en innovatietaken wordt gezien als voorlichting en sluit meer aan bij de Informatie en Adviestaak. Wijziging van de wettelijke taken betekent niet meteen een wijziging van de dienstverlening, en leidt dus ook niet direct tot besparingen.12 Deze taken worden vaak in combinatie met andere taken van de KVK uitgevoerd, waardoor er geen exact bedrag bekend is dat gemoeid is met de uitvoering van deze twee wettelijke taken. Het bedrag van € 25 miljoen herken ik daarom niet.

12.

Waarom moet de KvK algemene ondernemersvoorlichting blijven doen als accountants, banken, brancheorganisaties, regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) en marktpartijen dit ook kunnen?

Antwoord

Zie ook het antwoord op vraag 1 en 2.

Kwalitatieve, onafhankelijke, gelijkwaardige en toegankelijke informatievoorziening aan alle ondernemers, ongeacht levensfase, omvang en regio, is van groot belang. KVK speelt hier een belangrijke rol in als eerstelijns publieke dienstverlener. Ook om versnippering in dienstverlening te beperken. Informatie over ondernemersthema’s en -vraagstukken is een publiek goed. Onafhankelijke voorlichting, met name aan starters en kleine ondernemers vindt in de markt onvoldoende plaats. Bovendien zijn deze doelgroepen minder geneigd – of beperkt in staat – te betalen voor (basis)informatie.

KVK toetst nieuwe en bestaande activiteiten periodiek op passendheid binnen de wettelijke taken, mogelijke concurrentieverstoring ten opzichte van marktpartijen en maatschappelijke meerwaarde. KVK legt hierover verantwoording af aan het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

13.

Kan de Minister aangeven hoeveel fte en budget gemoeid zijn met taken van de KvK buiten de registerfunctie?

Antwoord

KVK rapporteert jaarlijks per taakgebied over de gemaakte directe en indirecte kosten van haar wettelijke taken.13 Voor de verantwoording hoe de kosten van de organisatie zijn verdeeld over de verschillende wettelijke taken maakt KVK gebruik van een systeem van activiteitencodes, waarmee werkzaamheden aan specifieke taken worden gekoppeld.

Op basis van ervaringsgegevens bepaalt KVK welke activiteiten bijdragen aan welke wettelijke taak. Wanneer een activiteit bij meerdere taken aansluit, worden de kosten en inzet naar rato over deze taken verdeeld. Deze verdeling is niet altijd exact vast te stellen. Zoals bij iedere kostentoerekening bevat de gehanteerde methodiek daarom een zekere mate van inschatting. De gebruikte verdeelsleutels zijn erop gericht een zo realistisch mogelijk beeld te geven van de inzet van mensen en middelen per wettelijke taak. De uitkomsten bieden inzicht in de verdeling van kosten op hoofdlijnen. Een verdere uitsplitsing naar afzonderlijke producten, diensten of activiteiten binnen een taak of register wordt niet opgenomen in de openbare verantwoording en wordt ook niet afzonderlijk gerapporteerd aan de ministeries.

14.

De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister voornemens is om een Nationale Investeringsinstelling (NII) op te zetten. De leden van de VVD-fractie vragen wanneer het kabinet een besluit neemt over de verdere uitwerking van een volwaardige NII en wanneer de Kamer hierover wordt geïnformeerd.

Antwoord

Het kabinet werkt op dit moment het doel en de scope van de NII uit. Dan volgt een analyse op het samenbrengen van bestaande publieke financieringsinstrumenten, zoals Invest-NL en Invest International, en enkele EZK-financieringsregelingen die bij RVO zijn ondergebracht. Dit vergt een zorgvuldige weging. Het streven is om de Kamer hierover in de tweede helft van 2026 verder te informeren.

15.

De leden van de VVD-fractie wijzen op de Europese doelstelling om 32% van de studenten in een STEM-richting (Science, Technology, Engineering, Mathematics) te laten studeren. Zij zien dit als een belangrijke randvoorwaarde voor het behalen van de 3%-R&D-doelstelling.

De leden van de VVD-fractie vragen welke concrete maatregelen de Minister neemt om bij te dragen aan het realiseren van de 32%-STEM-doelstelling. Zij vragen daarbij op welke wijze de Minister hierbij coördineert met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW).

Antwoord

Praktijkgericht-, techniek-, en technologieonderwijs vormen een belangrijke inzet met het oog op de toekomst en de 32% doelstelling. Het kabinet bouwt voort op bestaande aanpakken, zoals de verkenning naar een structurele, regionale financiering van Sterk Techniekonderwijs vanaf 2029 en het laten kennismaken van alle jongeren in het basis- en voortgezet onderwijs met techniek en technologie via het Nationaal Groeifondsprogramma Techkwadraat. Hierin zoeken EZ en OCW elkaar nadrukkelijk op. Verder werken we aan het actualiseren van de kerndoelen en examenprogramma’s in het primair en voortgezet onderwijs, en in het bijzonder de vmbo-profielen, zodat het onderwijs beter aansluit op de veranderende samenleving, arbeidsmarkt en het vervolgonderwijs. Het kabinet werkt daarnaast aan een Talentstrategie, met aandacht voor technische, digitale en AI vaardigheden. Hierin brengen we beleid samen op het gebied van onderwijs, arbeidsmarkt, innovatie, migratie en fiscaliteit. Interdepartementale afstemming vindt plaats binnen de Taskforce Toekomstige Welvaart en Verdienvermogen, waarbinnen de talentstrategie één van de opdrachten is. De gecoördineerde inzet van de onderwijssector ziet op beter en gerichter opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst, van het basisonderwijs tot aan leven lang ontwikkelen. Daarnaast is een strategische inzet op studie- en arbeidsmigratie onderdeel van de talentstrategie. Uw Kamer wordt rond de zomer over deze strategie geïnformeerd.

16.

De leden van de VVD-fractie lezen dat in de evaluatie van de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) wordt geconcludeerd dat de effectiviteit van de regeling is afgenomen ten opzichte van de eerdere evaluatieperiode. Zij lezen dat de Minister een aantal aanbevelingen uit de evaluatie wil onderzoeken. De leden van de VVD-fractie vragen wanneer de Minister uitvoering gaat geven aan de aangenomen motie Inge van Dijk en Van Eijk met concrete vereenvoudigingsvoorstellen voor onder andere de WBSO.14 Tevens vragen deze leden of, en zo ja, hoe en op welke termijn, de Minister zich hard zal maken voor het verbreden van de WBSO naar AI en andere technologie, conform het coalitieakkoord.

Antwoord

Ik verken momenteel de uitwerking van de aanbevelingen uit het evaluatierapport en zal uw Kamer in de jaarlijkse Prinsjesdagbrief over de WBSO nader informeren over de uitkomsten en voortgang. Ik zal dan ook ingaan op de motie van het lid van Eijk c.s. over het uitwerken van een oplossing voor de verzilveringsproblematiek (Kamerstuk 36 812, nr. 77). Daarnaast ben ik bezig met de uitwerking van de passage in het coalitieakkoord over verruiming van de WBSO voor AI. Ik zal uw Kamer via de Prinsjesdagbrief informeren over hoe ik invulling geef aan dit deel van het coalitieakkoord.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie

17.

De leden van de fractie van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de antwoorden van de Minister op de vragen over het Industrieel Participatiebeleid (IP-beleid). De antwoorden geven inzicht in de omvang van overeenkomsten, monitoring en voorbeelden van succesvolle projecten, die zijn te prijzen. Dat is in de ogen van deze leden echter iets anders dan inzicht in de daadwerkelijke effectiviteit van het beleid, een omissie zoals geconstateerd door de Algemene Rekenkamer. Kan de Minister toelichten hoe zij vaststelt dat het IP-beleid effectief en doelmatig is en concreet leidt tot versterking van de Nederlandse defensie-industrie en de strategische autonomie van Nederland?

Antwoord

Ja. De Algemene Rekenkamer heeft in haar onderzoek van 20 mei 2026 geconcludeerd dat op basis van de onderzochte voorbeelden, het aannemelijk is dat het Industrieel Participatiebeleid heeft bijgedragen aan versterking van de Nederlandse defensie-industrie. Het Commissariaat Militaire Productie is continu in gesprek met bedrijven waarin het ministerie ook feedback vraagt op de aanpak en vraagt waar zij vooral mee geholpen zijn. Vanuit het ministerie is meermaals aangeboden aan de Algemene Rekenkamer om hen in contact te brengen met bedrijven om zo rechtsreeks de opgedane ervaringen op te halen.

18.

Voorts vragen de leden van de PRO-fractie waarom het IP-beleid sinds het vervallen van de economische doelstellingen in 2012 niet integraal is geëvalueerd. De Minister schrijft dat zij nut, noodzaak en timing van een evaluatie nog beziet. Waarom wordt niet alsnog op korte termijn een onafhankelijke beleidsevaluatie uitgevoerd, juist gezien de sterk oplopende defensie-uitgaven, de toenemende omvang van de IP-verplichtingen en de noodzaak om ook bij defensie meer grip te krijgen op de doelmatigheid van de uitgaven?

Antwoord

In mijn reactie op het Verantwoordingsonderzoek heb ik gemeld dat in lijn met de constatering van de Algemene Rekenkamer het IP-beleid niet formeel is geëvalueerd, maar dat deze wel is bijgesteld op basis van Europese regelgeving en de actualisatie van de Defensie Industrie Strategieën. Hoewel een evaluatie waardevolle lessen kan opleveren, wil ik zorgvuldig omgaan met vertrouwelijkheid van informatie.

Bovendien wordt er een Economische Beleidsanalyse (EBA) van de defensie-industrie uitgevoerd, waarin wordt gekeken hoe het IP-beleid kan worden verbeterd om beter bij te dragen aan de nationale veiligheid en de versterking van onze defensie-industrie. Ik wil daarom het nut, de noodzaak en de timing van een evaluatie van het IP-beleid in samenhang met deze trajecten bezien. Ik zal uw kamer daar later dit jaar over informeren.

19.

De leden van de PRO-fractie lezen dat de Minister aangeeft dat output en impact op nationale veiligheid moeilijk meetbaar zijn. Welke concrete aanvullende indicatoren acht de Minister wel mogelijk om de effectiviteit van het beleid beter inzichtelijk te maken? Op welke termijn kan de Kamer hiervoor voorstellen verwachten?

Antwoord

In reactie op het Verantwoordingsonderzoek van de Algemene Rekenkamer heb ik toegezegd dat ik wil onderzoeken hoe de beleidsdoelen verder kunnen worden geoperationaliseerd in meetbare indicatoren, met als randvoorwaarde dat metingen valide zijn en niet leiden tot hogere administratieve lasten. Dat vereist zorgvuldigheid en is ook afhankelijk van de mate waarin data beschikbaar is of kan worden verzameld. Concrete indicatoren kan ik daarom nu nog niet benoemen. Het Commissariaat Militaire Productie zal in Q3/Q4 dit jaar onderzoeken of aanvullende indicatoren haalbaar en van toegevoegde waarde zijn. Ik streef er dan ook naar om u aan het einde van dit jaar te informeren over aanvullende indicatoren, mogelijk in combinatie met een rapportage over de resultaten van het Industrieel Participatiebeleid van 2025.

20.

Is de Minister van plan om KPI’s toe te voegen die iets zeggen over de bijdrage aan breder industriebeleid – zoals hoe PI-beleid kan bijdragen aan de doelen van de Nationale Technologiestrategie of het Industriebeleid met Focus?

Antwoord

Nee. Het IP-beleid heeft niet op zichzelf het doel om daaraan bij te dragen, dus is er geen directe aanleiding om daar KPI’s voor op te stellen en daarmee de administratieve last van de uitvoering van het beleid te verhogen. Het IP-beleid draagt wel indirect bij aan bij de versterking van de Nationale Technologiestrategie omdat het IP-beleid zich focust op het versterken van de vijf Nederlandse technologiegebieden uit de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII), die sterk overlappen met de NTS. Strategische autonomie is expliciet een focusgebied van het Industriebeleid met Focus, en het IP-beleid draagt door zijn primaire gerichtheid op het versterken van strategische autonomie bij aan de realisatie van dit focusgebied.

21.

De leden van de PRO-fractie constateren dat de Minister erkent dat voor meerdere fiscale regelingen de effectiviteit beperkt of onzeker is en dat eerdere kabinetten er niet in zijn geslaagd tot hervormingen te komen. Tegelijkertijd geeft de Minister aan op zoek te zijn naar middelen om belangrijke prioriteiten op het gebied van innovatie en industriebeleid vorm te geven, waaronder de NNI, het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) en andere maatregelen die bijdragen aan het behalen van de 3%-R&D-doelstelling.

De leden van de PRO-fractie vragen hoe de Minister deze twee constateringen met elkaar verenigt. Is de Minister bereid om fiscale regelingen waarvan evaluaties aantonen dat zij beperkt doelmatig of doeltreffend zijn, actief tegen het licht te houden en de vrijvallende middelen in te zetten voor instrumenten die direct bijdragen aan de prioriteiten van het innovatie- en industriebeleid?

De leden van de PRO-fractie vragen of de Minister kan aangeven welke fiscale regelingen binnen het EZK-domein volgens haar het minst bijdragen aan de beleidsdoelen op het gebied van innovatie, productiviteitsgroei en verdienvermogen. Welke mogelijkheden ziet zij om middelen binnen het EZK-instrumentarium te herschikken richting de prioritaire technologieën uit de Nationale Technologiestrategie en andere strategische innovatieprioriteiten, zoals de sectoren uit Industriebeleid met Focus? Kan de Minister toelichten welke concrete budgettaire zij al voor ogen heeft in deze richting?

Antwoord

Zie de op 23 juni jl. gestuurde Kamerbrief van de Staatssecretaris van Financiën inzake «Invalshoeken negatief beoordeelde fiscale regelingen.»15 Hierin staat aangegeven dat het de inzet van het kabinet is om te bezien waar kansen zich voordoen om het belastingstelsel te verbeteren door het aanpassen van fiscale regelingen die bovenmatig ingewikkeld zijn of niet op een efficiënte manier bereiken wat ze beleidsmatig beogen. Het eerstvolgende moment dat dit besproken kan worden is de aanstaande augustusbesluitvorming, waar nu niet op vooruitgelopen kan worden.

22.

De leden van de PRO-fractie hebben tevens enkele vragen over de geïnventariseerde maatwerksubsidies. De leden vinden het zeer onzorgvuldig en slecht voor het maatschappelijk draagvlak wanneer beide Kamers niet goed worden geïnformeerd. De Kamer moet zijn controlerende taak kunnen uitvoeren en is daarbij afhankelijk van volledige, juiste en tijdige informatie van het kabinet.

De leden van de PRO-fractie constateren dat de Minister aangeeft dat de subsidieprocessen worden verbeterd en aangescherpt. Zij ontvangen graag een nadere toelichting op deze verbeteringen. Welke concrete maatregelen zijn genomen om te waarborgen dat voortaan bij alle maatwerksubsidies tijdig wordt beoordeeld of een mededeling aan beide Kamers vereist is? Welke aanvullende controles, verantwoordings- of escalatiemechanismen zijn daarbij ingericht? Voorts vragen deze leden hoe de Minister de naleving van deze procedures in de toekomst zal monitoren. Wordt periodiek gecontroleerd of aan de informatieverplichtingen uit de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen wordt voldaan? Zo ja, op welke wijze wordt de Kamer hierover geïnformeerd?

Antwoord

In de brief aan de Tweede Kamer is aangegeven dat diverse interne procesaanpassingen zijn doorgevoerd om herhaling te voorkomen. Enerzijds is de informatievoorziening (handreikingen, modellen en checklists) op het punt van de mededelingsverplichting verbeterd om te borgen dat subsidies niet verleend kunnen worden zonder dat de relevante onderdelen van het ministerie kennis hebben genomen van de relevante verplichtingen en anderzijds wordt er ook strikter toegezien op de naleving van de mededelingsverplichting bij verschillende processtappen binnen het ministerie. Er wordt voorts actief gestuurd op het reduceren van het aantal maatwerksubsidies, waar dat doelmatig is. Zo agendeert elk organisatieonderdeel van het ministerie structureel de eigen (maatwerk)subsidies, waarbij onder meer wordt getoetst of de subsidie kan worden beëindigd, of maatwerksubsidies vervangen kunnen worden door een subsidieregeling of het noemen van de specifieke subsidie in de begroting e passender is. Halfjaarlijks wordt bij alle relevante onderdelen informatie opgevraagd over de voortgang. Vervolgens wordt aan de Bestuursraad gerapporteerd over de voortgang, evaluaties en wijzigingen. Het gaat hier overigens niet om een verplichting uit de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, maar uit de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies.

23.

Daarnaast vragen de leden van de PRO-fractie hoe de Minister reflecteert op het onvolledig informeren van de Kamer en daarmee de onzorgvuldige besluitvorming over 200 miljoen euro subsidie. Welke lessen trekt zij hieruit voor het gebruik van dit subsidie instrument?

Antwoord

Ik erken dat er verbeteringen nodig zijn en heb hiervoor concrete maatregelen genomen (zie het antwoord bij vraag 22). De genomen maatregelen zullen op de korte en lange termijn naar verwachting goed kunnen worden geborgd. Het gebruik van subsidies om activiteiten te stimuleren die beleidsdoelstellingen of cruciale transities dichterbij kunnen brengen is en blijft een belangrijk instrument. Maatwerksubsidies zullen ook in de toekomst nodig blijven mits doelmatig en doeltreffend ingezet. De organisatieonderdelen van het ministerie agenderen periodiek of de subsidie kan worden beëindigd, of maatwerksubsidies vervangen kunnen worden door een subsidieregeling of dat het passender is de subsidie specifiek in de begroting te noemen. Wanneer een maatwerksubsidie in incidentele gevallen alsnog het meest doelmatige instrument blijkt, en langer dan voor vier jaar wordt verstrekt, zullen de beide Kamers over dit voornemen worden geïnformeerd.

Daarbij wil ik graag benadrukken dat de omissie onbedoeld is ontstaan zonder opzet om de Kamer te passeren, en dat er geen sprake is van financiële of inhoudelijke onrechtmatigheden.

24.

Tot slot vernemen deze leden graag of de Minister kan garanderen dat de inventarisatie volledig is geweest en dat er geen andere maatwerksubsidies zijn waarvoor de Kamer ten onrechte niet vooraf is geïnformeerd. Indien die garantie niet kan worden gegeven, welke vervolgstappen zet zij om hierover alsnog volledige duidelijkheid te verkrijgen?

Antwoord

De gevraagde garantie kan niet worden gegeven. Op basis van de gehouden interne inventarisatie is een goed beeld gekregen van het naleven van de mededelingsverplichting door het ministerie. Nog meer intern onderzoek heeft naar verwachting geen nuttig effect meer en is ook niet efficiënt. Het doel – subsidievoornemens tijdig aan de beide Kamers mededelen wanneer vereist – zal met de inmiddels uitgevoerde verscherping van de subsidieprocessen worden bereikt. Met de genomen maatregelen op basis van het beeld uit de inventarisatie kan de Minister voorkomen dat dit in de toekomst nogmaals zal gebeuren.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van onder andere het verantwoordingsonderzoek van de Algemene Rekenkamer en de verantwoordingsstukken van het Ministerie van Economische Zaken. Deze leden danken de Algemene Rekenkamer voor haar onderzoek en hebben naar aanleiding van de stukken nog enkele vragen.

25.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de berichtgeving over de subsidierelatie met het digitaliseringsplatform ECP (Platform voor de InformatieSamenleving) en van de informatie die de Minister hierover aan de Kamer heeft verstrekt. Daarnaast constateren deze leden dat eind mei 2026 is gebleken dat er nog zeventien lopende maatwerksubsidies (ter waarde van 200 miljoen euro) zijn waarbij de Kamer niet conform de geldende afspraken is geïnformeerd.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister uiteen te zetten welke lessen uit deze casus zijn getrokken en welke maatregelen worden genomen om herhaling te voorkomen. Kan de Minister toelichten welke verbeteringen zijn aangebracht in de interne processen rondom subsidieverlening en informatievoorziening aan de Kamer?

Antwoord

Zie het antwoord bij vraag 22.

26.

Voorts vragen de leden van de CDA-fractie, naar aanleiding van het door de Minister verstrekte overzicht, zich af in hoeverre bij alle subsidies voldoende inzichtelijk is welk concreet beleidsdoel met de verstrekking wordt nagestreefd.

Antwoord

In elke subsidiebeschikking wordt gemotiveerd hoe de subsidiabele activiteiten bijdragen aan een concreet beleidsdoel van het ministerie.

27.

Op welke wijze monitort en evalueert het ministerie of verstrekte subsidiegelden daadwerkelijk bijdragen aan deze beoogde doelen?

Antwoord

Elk organisatiedeel van mijn ministerie agendeert structureel de eigen (maatwerk)subsidies, waarbij onder meer wordt getoetst of de subsidie kan worden beëindigd, of maatwerksubsidies vervangen kunnen worden door een subsidieregeling of het passender is de subsidie specifiek in de begroting te noemen, gelet op de beleidsdoelen die nagestreefd worden.

Halfjaarlijks wordt bij alle onderdelen informatie opgevraagd over de voortgang. Vervolgens wordt aan de Bestuursraad gerapporteerd over de voortgang, evaluaties en wijzigingen.

28.

Welke mogelijkheden ziet de Minister om de relatie tussen subsidieverstrekking, beleidsdoelstellingen en verantwoording verder te versterken, zodat beter kan worden gestuurd op het behalen van doelen en meer inzicht ontstaat in de effectiviteit van subsidies, waaronder ook de incidentele subsidies?

Antwoord

Bij het maken van beleid wordt een sterke relatie tussen subsidieverstrekking, beleidsdoelen en verantwoording nagestreefd. Daarbij wordt binnen mijn ministerie steeds gezocht naar manieren om deze verder te versterken. Dit wordt gerealiseerd door de doelstellingen vooraf scherper te formuleren aan de hand van vragen van het beleidskompas en bespreking in een interne monitorcommissie en hiernaast gerichte evaluaties achteraf uit te voeren. Belangrijke evaluatieopzetten worden besproken in een Beleidskwaliteit en -evaluatiecommissie (BEC) waarover interne en externe evaluatiedeskundigen advies geven. Dit vergroot het inzicht in de maatschappelijke effectiviteit van deze subsidies, waardoor het ministerie beter kan sturen op de beoogde resultaten zonder de administratieve lasten onnodig te verhogen.

29.

De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister bereid is de Kamer periodiek inzage te geven in de verder geconcretiseerde beleidsdoelen en de daarvoor ingezette subsidies en de manier waarop die hebben bijgedragen aan het bereiken van deze doelen? Zo ja, welke vorm acht zij hiervoor werkbaar? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

In de bijlage «subsidieoverzicht» bij de begroting wordt een overzicht gegeven over alle subsidies van het departement. Daarbij is ook opgenomen wanneer de laatste evaluatie van de subsidieregeling is geweest. Recent afgeronde evaluaties worden ook opgenomen in de evaluatiebijlage bij het Jaarverslag. In de evaluatie wordt gekeken naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de subsidieregeling en daarmee de aansluiting van de subsidieregeling op de beleidsdoelen. Deze evaluatie is verplicht voor subsidieregelingen en moet elke vijf jaar worden uitgevoerd.

30.

De leden van de CDA-fractie wijzen er voorts op dat de periodieke rapportage over het ondernemerschaps- en innovatiebeleid aandacht vraagt voor mogelijke overlap tussen regelingen en uitvoerende organisaties. Deze leden vragen op welke wijze bij nieuwe maatwerk- en instellingssubsidies wordt getoetst op overlap met bestaande activiteiten, subsidiestromen en beleidsinstrumenten.

Antwoord

Binnen mijn ministerie staan we voor een effectieve inzet van middelen en toetsen we bij nieuwe maatwerksubsidies vooraf kritisch op eventuele overlap met bestaande activiteiten, subsidiestromen en beleidsinstrumenten. Zo nodig kan ook de monitoringscommissie van het ministerie daarbij worden ingeschakeld. Deze commissie heeft als doel in een vroegtijdig stadium te reflecteren op doelmatigheid en doeltreffendheid van voorstellen die aan haar worden voorgelegd. Deze toetsing vindt plaats tijdens de ambtelijke beoordeling van de subsidieaanvraag, waarbij de doelstellingen en doelgroepen integraal worden vergeleken met het reeds lopende instrumentarium. Indien er sprake is van samenloop, wordt geen subsidie verleend om dubbele financiering te voorkomen.

31.

Daarnaast vragen deze leden in hoeverre bij individuele subsidies een expliciete toets plaatsvindt op doelmatigheid en doeltreffendheid. Geldt een dergelijke toets ook voor situaties waarin gedurende meerdere jaren aan dezelfde organisatie subsidie wordt verstrekt via opeenvolgende jaarlijkse subsidiebeschikkingen? Op welke wijze wordt in dergelijke gevallen beoordeeld of voortzetting van de subsidie nog steeds noodzakelijk, doelmatig en doeltreffend is?

Antwoord

Ik kan bevestigen dat een expliciete toets op doelmatigheid en doeltreffendheid een vast onderdeel is bij verstrekking van maatwerksubsidies. Dit geldt onverkort voor situaties waarin een organisatie opeenvolgende jaarlijkse beschikkingen ontvangt. Bij elke nieuwe aanvraag vindt een herbeoordeling plaats om de noodzaak en effectiviteit van de voortzetting kritisch te toetsen. Hierbij worden tussentijdse verantwoordingen en eerdere evaluaties betrokken, zodat publieke middelen voor deze maatwerksubsidies aantoonbaar doelgericht en efficiënt worden ingezet.

32.

De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast of de Minister bereid is deze toetsing en afwegingskaders verder te formaliseren en de Kamer hierover te informeren.

Antwoord

Binnen mijn ministerie staan we voor heldere toetsing en afweging van maatwerksubsidies, maar is terughoudend met het direct vastleggen van extra formele verplichtingen om onnodige regeldruk te voorkomen. Daarbij heeft het ministerie zich te houden aan de Rijksbrede Aanwijzingen voor subsidieverstrekking (ook USK genoemd).

33.

De leden van de CDA-fractie constateren dat de beleidsgelden van de Ministeries van Economische Zaken en van Klimaat en Groene Groei (K&GG) in 2025 zijn gesplitst en dat het Groningendossier is overgeheveld naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze wijzigingen hebben geleid tot een aanzienlijke afname van de begrotingsomvang, terwijl het aantal fte niet in vergelijkbare mate is afgenomen.

De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister kan toelichten hoe deze ontwikkeling moet worden geïnterpreteerd. Is sprake van een tijdelijke situatie en zullen bepaalde fte’s in 2026 opnieuw formeel onder het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat worden gebracht, nu bekend is dat het losstaande Ministerie van KGG opgeven is?

Antwoord

De medewerkers van het voormalig KGG-apparaat zijn altijd organisatorisch onderdeel gebleven van EZ, en werden betaald vanuit de EZ-administratie. Met de Ontwerpbegroting 2026 werd beoogd de apparaatsbudgetten voor het KGG-deel over te hevelen naar de KGG-begroting, om de ministeriële verantwoordelijkheid in de begroting tot uiting te laten komen. De apparaatskosten van KGG zouden door EZ bij KGG in rekening worden gebracht. Doordat bij Koninklijk Besluit na aantreden van dit kabinet KGG als ministerie is opgeheven en de Ontwerpbegroting 2026 nog niet was aangenomen, is deze overheveling middels een nota van wijziging op de Ontwerpbegroting teruggedraaid. Het volledige apparaat van EZK staat daarmee op de EZ-begroting 2026. De begroting 2026 van KGG is de facto een programmabegroting zoals bedoeld door de keuze van het kabinet.

34.

Graag ontvangen deze leden een nadere toelichting en een vooruitblik op de ontwikkeling van de personele omvang in relatie tot de gewijzigde taakverdeling.

Antwoord

De personele omvang blijft, in relatie tot de gewijzigde taakverdeling, ongewijzigd. Zie ook het vorige antwoord.

35.

De leden van de CDA-fractie hebben ook kennisgenomen van de voorgenomen invulling van de subsidie- en efficiëntietaakstelling. Kan de Minister toelichten welke uitgangspunten worden gehanteerd bij de invulling van deze taakstelling? In hoeverre wordt daarbij gekozen voor gerichte prioritering en inhoudelijke afwegingen, in plaats van generieke kortingen?

Antwoord

Voor wat betreft de invulling van de apparaatstaakstelling in 2025: deze is budgettair ingeboekt en na een intern besluitvormingsproces verdeeld over het concern EZ. In 2025 is de taakstelling ingevuld middels efficiencyslag en door bijvoorbeeld te sturen op vacatures.

Ook voor de generieke taakstelling op subsidies uit het regeerakkoord van Kabinet Schoof geldt dat de specifieke invulling ervan inhoudelijk is afgewogen. Al bij initiële verwerking van de taakstelling in de begroting van 2025 is gekeken naar bijvoorbeeld de haalbaarheid van bezuinigingen op bepaalde subsidieregelingen en is de taakstelling niet gewoonweg naar rato omgeslagen over de subsidiebudgetten. In de eerste suppletoire begroting is de structurele invulling van de taakstelling bovendien op onderdelen nog herijkt op basis van een nadere prioritering.

36.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts in hoeverre periodieke rapportages, evaluaties en beleidsdoorlichtingen worden benut bij de invulling van de subsidie- en efficiëntietaakstelling. Op welke wijze worden inzichten over effectiviteit, overlap en uitvoeringslasten betrokken bij de afweging welke regelingen worden aangepast, versoberd of beëindigd?

Antwoord

De inzichten verkregen uit periodieke rapportages, beleidsdoorlichtingen en evaluaties vormen input om zicht te krijgen op de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleidsinstrumentarium. Indien blijkt dat specifieke instrumenten minder effectief of doelmatig zijn, wordt bezien op welke wijze het beleidsdoel effectiever of efficiënter bereikt kan worden. Hierbij worden ook uitvoeringslasten meegewogen. Dit kan ertoe leiden dat er regelingen worden aangepast, versoberd of beëindigd.

37.

Tevens wijzen de leden van de CDA-fractie op de mede door leden van deze fractie ondertekende motie-Van der Maas16 over de uitwerking van de taakstelling op het ambtelijk apparaat. Kan de Minister aangeven op welke wijze zij uitvoering geeft aan deze motie? Wanneer kan de Kamer de gevraagde informatie ontvangen over de beoogde personele reductie, de daarvoor te nemen maatregelen en het daarbij behorende tijdpad?

Antwoord

EZK heeft kennisgenomen van de motie-Van der Maas. De apparaatstaakstellingen zijn reeds budgettair ingeboekt en gaan voor een groot deel overigens in 2029 in. De Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid zal namens het kabinet komen met een plan om te komen tot een slagvaardigere overheid. De ambitie van het kabinet is om de Kamer na de zomer te informeren over de invulling van de motie-Van der Maas (zie ook de Kamerbrief van 26 juni 2026, met Kamerstuk 29 362, nr. 406).

38.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de constatering van de Algemene Rekenkamer dat de tarieven van DICTU (Dienst ICT Uitvoering) aanzienlijk hoger liggen dan die van SSC-ICT. Kan de Minister toelichten waardoor dit verschil wordt veroorzaakt? In hoeverre zijn de dienstverlening, kostenstructuur en takenpakketten van beide organisaties vergelijkbaar? Is de Minister bereid nader onderzoek te laten uitvoeren naar de oorzaken van de tariefverschillen en de mogelijkheden om doelmatigheidswinst te realiseren? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?

Antwoord

Uit het onderzoek door de Rekenkamer is geen verklaring gekomen voor dit prijsverschil. DICTU is in samenwerking met SSC-ICT op basis van de constatering van de Rekenkamer een onderzoek gestart om dit tariefverschil te verklaren. We verwachten de eerste uitkomsten in het najaar van 2026.

Daarnaast heeft de Interdepartementale Commissie Bedrijfsvoering Rijksdienst (ICBR) een opdracht gegeven aan de combinatie SSC-ICT/DICTU/DUO (OC&W) om op basis van open standaarden en open source componenten met een Europese oorsprong een soevereine nieuwe werkomgeving te realiseren voor de genoemde organisaties en hun gezamenlijke achterban, en met de ambitie om die werkplekomgeving Rijksbreed als standaard te inzetten.

39.

Kan de Minister tevens aangeven welke besparingsmogelijkheden zij ziet indien de kostenverschillen tussen beide organisaties worden verkleind?

Antwoord

Continu wordt gekeken naar besparingen, en verdere besparingen zijn naar verwachting te realiseren door het beperken van versnippering en daardoor realiseren van schaalvoordelen. Als vanzelfsprekend worden ook de resultaten van het onderzoek daarbij betrokken.

40.

De leden van de CDA-fractie constateren dat ook in 2025 sprake was van aanzienlijke onderuitputting en kasschuiven. Deze leden zijn van mening dat het inzicht van de Kamer in de achterliggende oorzaken kan worden verbeterd. Kan de Minister toelichten in hoeverre middelen niet tot besteding zijn gekomen als gevolg van uitvoeringsknelpunten, zoals personeelstekorten, complexe uitvoeringsprocessen of andere belemmeringen in de uitvoering? Op welke wijze worden dergelijke signalen binnen het departement gemonitord en opgevolgd?

Antwoord

Onderbesteding kan diverse oorzaken hebben. Personeelstekorten is er daar inderdaad één van. Een andere oorzaak kan zijn als (aanpassing van) wet- en regelgeving vertraagd is. Dit wordt gemonitord via de Planning en Control-cyclus die in de samenwerking met publieke dienstverleners is ingericht. Specifieke knelpunten worden besproken tussen beleidsdirecties en publieke dienstverleners en via de bestuurlijke driehoek (zie hiervoor ook antwoord 42).

41.

Daarnaast vragen deze leden in hoeverre de Minister voldoende inzicht heeft in de beschikbare personele capaciteit en de wijze waarop deze zo effectief mogelijk wordt ingezet.

Antwoord

Binnen het ministerie wordt op verschillende niveaus gestuurd op de beschikbare personele capaciteit. Directies zijn verantwoordelijk voor de inzet van hun medewerkers binnen de beschikbare budgettaire kaders en de opgaven waarvoor zij staan. Via de reguliere planning- en controlcyclus, personeelsrapportages en strategische personeelsplanning wordt inzicht verkregen in de beschikbare capaciteit, de verwachte personele ontwikkelingen en eventuele knelpunten. Dit stelt de departementsleiding in staat om waar nodig prioriteiten te stellen, capaciteit te herschikken en keuzes te maken over de inzet van personeel, inhuur en werving. Daarbij blijft het, mede gezien de taakstellingen en veranderende opgaven, noodzakelijk om voortdurend afwegingen te maken over de meest effectieve inzet van beschikbare capaciteit.

42.

Hoe wordt bij de ontwikkeling van nieuw beleid, subsidieregelingen en programma’s rekening gehouden met de beschikbare uitvoeringscapaciteit? De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast op welke wijze binnen het ministerie prioritering plaatsvindt wanneer de beschikbare uitvoeringscapaciteit onvoldoende is om alle beleidsvoornemens, regelingen en taken gelijktijdig uit te voeren.

Mocht er sprake zijn van uitvoeringsprioritering, bijvoorbeeld via jaarplannen of andere interne sturingsinstrumenten, waardoor bepaalde werkzaamheden, regelingen of beleidsdoelen worden vertraagd of niet kunnen worden uitgevoerd, op welk moment wordt dit dan inzichtelijk gemaakt? Op welke wijze wordt de Kamer hierover geïnformeerd?

Voorts vragen de leden van de CDA-fractie of de benodigde personele inzet een structureel onderdeel vormt van het ontwerp van regelingen, uitvoeringstoetsen en evaluaties. Op welke wijze worden verwachte uitvoeringskosten en capaciteitsbeslag vooraf in beeld gebracht en gedurende de uitvoering gemonitord?

Antwoord

Bij het ontwikkelen van nieuw beleid, subsidieregelingen en programma’s of bij wijziging van bestaand beleid vindt er vroegtijdig en structureel contact plaats tussen beleidsmakers en de desbetreffende uitvoeder(s). Hierin wordt expliciet gekeken naar welke personele inzet nodig is voor het uitvoeren van dit beleid bij het Kerndepartement en de betreffende uitvoerder(s) en welke kosten hieraan verbonden zijn en of deze in verhouding staan tot de beoogde beleidsdoelstellingen en verwachte beleidsuitgaven. Bij het in kaart brengen van de benodigde uitvoeringscapaciteit wordt gebruik gemaakt van verschillende hulpmiddelen zoals het Beleidskompas en een Uitvoerbaarheid en Handhaafbaarheidstoets (UHT) in het geval van wet- en regelgeving.

Tijdens de uitvoering van bestaand beleid is er een continue dialoog tussen beleidmakers en uitvoerders over beschikbare uitvoeringscapaciteit en welke aanpassingen daarvoor nodig zijn om de doelmatigheid en doeltreffendheid van de bestedingen van de budgetten te borgen. Dit geldt ook voor de beschikbare uitvoeringscapaciteit binnen het Kerndepartement in relatie tot de prioriteiten.

In het kader van de vragen m.b.t. uitvoeringsprioritering heeft mijn departement geregeld contact met publieke dienstverleners over de uitvoering van regelingen en beleid. Hiervoor worden op verschillende momenten overleggen gevoerd in de lijn van opdrachtgever en opdrachtnemer. Daarnaast wordt met diensten, agentschappen en zelfstandige bestuursorganen circa vier keer per jaar een zogenoemd driehoeksoverleg gevoerd, waarbij gerapporteerd en gesproken wordt over de voortgang op de jaarplanning. Waar nodig wordt uw Kamer op specifieke onderdelen geïnformeerd, bijvoorbeeld middels kamerbrieven over betreffende beleidsonderwerpen of in suppletoire begrotingen. Vanuit zelfstandige bestuursorganen worden zowel het jaarplan als het jaarverslag door deze organisaties aan uw Kamer aangeboden. Rapportage door agentschappen en diensten verlopen via de departementale begroting.

43.

Deze leden wijzen in dit verband op de evaluatie van het spoor Algemeen Bedrijfsleven van de Brexit Adjustment Reserve (BAR), waaruit blijkt dat een aanzienlijk deel (57%) van de beschikbare middelen is besteed aan de uitvoering van de regeling. In hoeverre zijn dergelijke verhoudingen tussen beleidsuitgaven en uitvoeringskosten vooraf inzichtelijk? Welke normen of streefwaarden hanteert de Minister hierbij en op welke wijze worden afwijkingen tijdig gesignaleerd en waar nodig bijgestuurd?

Antwoord

Bij de vormgeving van regelingen wordt vooraf steeds een inschatting gemaakt van zowel de verwachte beleidsuitgaven als de uitvoeringskosten. Daarbij geldt dat de verhouding tussen beide sterk afhankelijk is van de aard van de regeling, bijvoorbeeld de complexiteit, doelgroep en looptijd. Daarom wordt dit niet aan een vaste generieke norm gekoppeld, maar per regeling beoordeeld.

Voor de regeling onder het spoor Algemeen Bedrijfsleven van de Brexit Adjustment Reserve geldt specifiek dat de uiteindelijke verhouding is beïnvloed doordat de regeling aanzienlijk minder is benut dan vooraf geraamd. Hierdoor is een groot deel van het beschikbare beleidsbudget niet tot besteding gekomen, terwijl een deel van de uitvoeringskosten wel noodzakelijk was om de regeling open te stellen en uit te voeren.

Juist daarom wordt bij evaluaties expliciet gekeken naar de doelmatigheid van regelingen, waaronder de verhouding tussen beleidsuitgaven en uitvoeringskosten. Op basis daarvan wordt per geval beoordeeld welke lessen kunnen worden meegenomen en of bijsturing bij toekomstige regelingen wenselijk is.

44.

De leden van de CDA-fractie constateren dat het Ministerie van Economische Zaken jaarlijks ongeveer 1 miljard euro uitgeeft aan organisaties die uitvoering geven aan het beleid, waaronder de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), TNO, de KvK en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Deze uitgaven zijn de afgelopen jaren aanzienlijk gestegen. Tegelijkertijd is het voor de Kamer niet altijd inzichtelijk welke bijdrage deze extra middelen leveren aan het realiseren van beleidsdoelen.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister op welke wijze wordt gestuurd op de doelmatigheid en effectiviteit van deze organisaties. Welke prestatie-indicatoren, sturingsinstrumenten en evaluaties worden gebruikt om vast te stellen of de inzet van middelen daadwerkelijk leidt tot betere dienstverlening, hogere productiviteit en een grotere bijdrage aan de beleidsdoelstellingen?

Antwoord

ZBO’s worden, conform de Kaderwet Zbo’s, iedere vijf jaar geëvalueerd. Doelmatigheid en doeltreffendheid maken hier onderdeel vanuit. Een voorbeeld hiervan is de Zbo-evaluatie van de Kamer van Koophandel die op 9 juni 2026 aan uw Kamer is gestuurd.17

In bijlage 3 «Afgerond evaluatie- en overig onderzoek» van het Jaarverslag 2025 is een overzicht opgenomen met de planning van de Strategische Evaluatie Agenda (SEA).

De stijging van de uitgaven is vaak toe te schrijven aan toenemende wet- en regelgeving en nieuw beleid waar publieke dienstverleners aan werken. Uitvoering geven aan nieuwe wetgeving vraagt immers om meer inzet van personeel en andere middelen. Dit geldt ook voor het aangaan van nieuw beleid. Daarnaast zijn er ook andere factoren van invloed op stijgende kosten zoals bijvoorbeeld loonkosten en prijsindexatie.

RVO is een agentschap. Agentschappen worden, op basis van de Regeling Agentschappen, eveneens iedere vijf jaar doorgelicht. In de ontwerpbegroting en het jaarverslag rapporteren agentschappen op doelmatigheidsindicatoren (KPI’s).

45.

Op welke wijze wordt opvolging gegeven aan de uitkomsten van deze evaluaties? Kan de Minister hiervan recente voorbeelden geven?

Antwoord

De aanbevelingen uit evaluaties en doorlichtingen worden voorzien van een appreciatie en met uw Kamer gedeeld. In de driehoek (opdrachtgever, opdrachtnemer, eigenaar) wordt hier vervolgens concrete opvolging aan gegeven. Onderdeel van een evaluatie of doorlichting is meestal ook een terugblik op hoe met de vorige aanbevelingen is omgegaan en hoe hier opvolging aan gegeven is. Dit is bijvoorbeeld ook gebeurd bij de evaluatie van de Kamer van Koophandel die onlangs aan uw Kamer is gestuurd (TK 2025/2026 25 268 nr. 259).

46.

De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze binnen het uitvoeringslandschap wordt ingezet op efficiënter werken, bijvoorbeeld door scherpere sturing op tijdsbesteding, digitalisering en automatisering. Uit onderzoek van EY18 blijkt dat aanzienlijke productiviteitswinsten mogelijk zijn bij uitvoeringsorganisaties. In hoeverre herkent de Minister dit beeld? Welke productiviteits- en efficiëntiedoelstellingen hanteert de Minister voor organisaties die uitvoering geven aan het EZ-beleid? Welke mogelijkheden ziet de Minister om langs deze weg de productiviteit te verhogen en de druk op de uitvoeringscapaciteit te verlagen?

Antwoord

Zoals in het rapport van EY genoemd wordt, geldt dat taakstellingen, complexe wet- en regelgeving en strengere informatiebeveiliging vragen om keuzes te maken. Ook noemt EY dat de uitvoeringsorganisaties gewend zijn geraakt om achteraf te verantwoorden, terwijl er juist een omslag nodig is om vooruit te gaan kijken. Zoals ik in mijn beleidsbrief19 heb aangegeven, zet ik erop in om bij beleidsvorming de maatschappelijke opgave centraal te zetten, vereenvoudiging van wet- en regelgeving te bewerkstelligen, te zorgen voor weerbaarheid en wendbaarheid van uitvoeringsorganisaties en te werken vanuit één ICT-ecosysteem. Hiermee kan, op iets langere termijn, het opdrachtenpakket voor publieke dienstverleners zodanig worden vormgegeven dat deze organisaties ook in staat gesteld worden om efficiënt uitvoering te geven aan de maatschappelijke opgave. Zoals EY stelt: «Het gaat erom heldere normen voor gewenste resultaten vast te stellen, inzichtelijk te creëren wat realistisch en uitvoerbaar is.» Ik heb beloofd uw Kamer over de voortgang daarvan in Q1 2027 te informeren.

Uitvoeringsorganisaties sturen op kostendekkend werken. Bij agentschappen is dit zelfs een wettelijke verplichting. Desalniettemin is er voortdurend aandacht om te bezien of er mogelijkheden zijn om efficiënter te werken. De evaluaties en doorlichtingen genoemd onder vraag 45 is daar een instrument voor, maar daarnaast is in de reguliere gesprekken en samenwerking met publieke dienstverleners hier continue aandacht voor. De taakstellingen zijn deels ook doorvertaald naar taakstellingen die efficiencywinst moeten opleveren. Daarnaast zijn er ook organisaties die zichzelf een efficiencytaakstelling opleggen.

47.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de evaluatie van de Kamer van Koophandel over de periode 2018–2024. Deze leden spreken hun waardering uit voor de belangrijke rol die de Kamer van Koophandel vervult bij het registreren, informeren en ondersteunen van ondernemers. Zij constateren dat de evaluatie over het algemeen positief oordeelt over de dienstverlening van de KvK en concludeert dat met name de registertaak, de voorlichtingstaak en het beheer van het digitaal ondernemersplein goed aansluiten bij de kernrol van de organisatie. Uit de evaluatie blijkt dat de taken op het gebied van innovatie- en regiostimulering weliswaar relevant worden geacht, maar dat deze minder goed aansluiten bij de kerntaken van de KvK. Daarnaast geven stakeholders aan deze activiteiten eerder bij andere organisaties te verwachten, tenzij sprake is van een duidelijke koppeling met de register- en voorlichtingstaken van de KvK. De evaluatie adviseert daarom om binnen één jaar te komen tot een herijking van deze taken en, indien onvoldoende meerwaarde kan worden aangetoond, te bezien of deze wettelijke taken kunnen vervallen.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of zij de conclusie deelt dat, mede in het licht van de toekomstige gevolgen van Europese regelgeving voor de financiering van de registers, een fundamentele herbezinning op de wettelijke taken van de KvK wenselijk is. Zo ja, op welke wijze wil zij hier invulling aan geven? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

De registertaak is een essentiële wettelijke taak van KVK en het klopt dat EU-regelgeving grote invloed heeft op zowel de invulling als de bekostiging van deze taak. Wanneer dit financiële vraagstukken oplevert, worden die primair binnen de scope van de registertaak bekeken en opgelost. In verschillende andere antwoorden is al ingegaan op deze afweging. Zoals beschreven in de Kamerbrief.20

De invulling en bekostiging van de overige wettelijke taken, kort gezegd informatie en advies, beheer fysieke en digitale ondernemerspleinen, regiostimulering en innovatiestimulering, staat hier in beginsel los van. Deze taken worden ook niet of nauwelijks beïnvloed door EU-regelgeving. Voor deze taken wordt een eigenstandige beleidsafweging, inclusief financiële implicaties, gemaakt.

48.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts of de Minister van mening is dat de huidige zes wettelijke taken van de KvK nog steeds in samenhang noodzakelijk zijn, of dat het moment is aangebroken om nadrukkelijker keuzes te maken over welke taken wel en niet tot het publieke takenpakket van de KvK behoren. Kan de Minister hierbij per wettelijke taak aangeven hoe deze bijdraagt aan de kerndoelstelling van het economisch beleid?

Antwoord

De recente evaluatie van de Wet op de Kamer van Koophandel en het functioneren van KVK concludeert dat overheidsingrijpen via KVK voor alle wettelijke taken wenselijk en noodzakelijk is vanwege de bijdrage aan publieke belangen, zoals transparantie in het economisch verkeer, rechtszekerheid en toegankelijke ondernemersinformatie. Tegelijkertijd laat de evaluatie zien dat de mate waarin afzonderlijke taken aansluiten bij de kern rol van KVK verschilt.

Per wettelijke taak zie ik de volgende bijdrage aan de doelstellingen van het economisch beleid:

  • • Registertaak: draagt bij aan rechtszekerheid, transparantie en vertrouwen in het economisch verkeer door het beschikbaar stellen van betrouwbare ondernemingsgegevens.

  • • Voorlichtingstaak: ondersteunt ondernemers bij het starten, ondernemen, groeien en beëindigen van een onderneming en draagt daarmee bij aan een goed functionerend ondernemersklimaat.

  • • Beheer digitaal ondernemersplein: vergroot de toegankelijkheid van overheidsinformatie en dienstverlening voor ondernemers.

  • • Fysieke ondernemerspleinen: beogen ondernemers laagdrempelig toegang te bieden tot ondersteuning en doorverwijzing naar passende publieke en private dienstverleners.

  • • Innovatiestimulering: draagt bij aan kennisdeling, netwerkvorming en het zichtbaar maken van innovatieve ondernemers.

  • • Regiostimulering: ondersteunt regionale samenwerking en kennisontwikkeling ten behoeve van het ondernemingsklimaat in de regio.

49.

De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast of de Minister bereid is om, vooruitlopend op een eventuele herijking, de mogelijkheid te onderzoeken om de wettelijke taken op het gebied van innovatie- en regiostimulering te beëindigen. Welke financiële, organisatorische en maatschappelijke gevolgen zouden hieraan verbonden zijn?

Antwoord

De evaluatie concludeert dat de registertaak, voorlichtingstaak en het digitale ondernemersplein breed worden gezien als kerntaken van KVK. Zoals in het antwoord op vraag 11 wordt geschetst geldt voor innovatie- en regiostimulering dat deze taken beperkt doeltreffend worden uitgevoerd. Het kabinet zal de bevindingen van de evaluatie betrekken bij de verdere beleidsmatige afweging over de toekomstige inrichting van het takenpakket van KVK.

50.

De leden van de CDA-fractie constateren ten aanzien van de fysieke ondernemerspleinen constateren dat de evaluatie beperkt inzicht geeft in de effectiviteit van deze voorziening. Is de Minister bereid te onderzoeken of deze wettelijke taak kan vervallen, waarbij fysieke ondersteuning voor ondernemers waar nodig beschikbaar blijft via alternatieve kanalen, bijvoorbeeld in samenwerking met gemeenten en regionale partners?

Antwoord

De evaluatie geeft geen aanleiding om te onderzoeken of de wettelijke taak rond fysieke ondernemerspleinen kan vervallen. Zie ook het antwoord op vraag 10.

Ondernemers hebben behoefte aan toegankelijke dienstverlening via verschillende kanalen. Hoewel steeds meer dienstverlening digitaal plaatsvindt, blijft persoonlijk contact voor een deel van de ondernemers van grote waarde. Dit geldt in het bijzonder voor ondernemers met complexe vragen, bijvoorbeeld op het gebied van financiering, regelgeving, bedrijfsbeëindiging of problematische schulden.

De fysieke ondernemerspleinen vervullen daarnaast een belangrijke functie als herkenbaar en laagdrempelig toegangspunt tot de overheid voor ondernemers. Het kabinet hecht eraan dat ondernemers gebruik kunnen maken van zowel digitale als fysieke dienstverlening en ziet daarom geen aanleiding deze taak ter discussie te stellen.

51.

Tot slot verzoeken de leden van de CDA-fractie de Minister om inzicht te geven in de financiële gevolgen van het beëindigen van de innovatie- en regiostimuleringstaak en/of de fysieke ondernemerspleinen. Kan hierbij een meerjarige doorrekening worden verstrekt, met een doorkijk van ten minste twaalf jaar?

Antwoord

Zie ook het antwoord bij vraag 11 en 13.

Momenteel wordt er gewerkt aan het geven opvolging van de evaluatie. Er is vooralsnog geen sprake van beëindiging van deze taken. Mocht hiertoe worden besloten zullen we ook voor uw Kamer de langetermijneffecten inzichtelijk maken. Voor de langere termijn zal ook gekeken moeten worden naar de financieringsstructuur, in relatie tot Europese en nationale wet- en regelgeving.

Vragen en opmerkingen van de rapporteurs

De rapporteurs hebben kennisgenomen van de stukken en hebben hier de volgende opmerkingen bij. De Algemene Rekenkamer noemde 2025 een jaar van stilstand. Er zijn weliswaar hoge ambities, maar er is te weinig vooruitgang. Dat geldt volgens de Algemene Rekenkamer ook als het gaat om het concurrentievermogen. Het doel om de R&D uitgaven op te schroeven wordt bijvoorbeeld niet gehaald en Nederland is de afgelopen jaren teruggezakt op de lijst met meest concurrerende economieën.21 Deze rapporteurs hebben naar de Jaarverslagen van 2025 gekeken, vooral om ervan te leren voor de toekomst. Zij hebben zich de vraag gesteld: wat is het verhaal achter de stilstand en wat is er vervolgens in 2026 en verder nodig om in beweging te komen. Daarbij leggen de rapporteurs de focus op zichtbare en merkbare resultaten in de economie, boven voortgang die vooral binnen het ministerie en op papier bestaat. Daarbij sluiten zij zo veel mogelijk aan bij de observaties van de Algemene Rekenkamer.

52.

In beweging komen vergt volgens de rapporteurs in de eerste plaats dat niet alleen doelen gesteld worden met betrekking tot waar je naar toe wilt, maar dat ook wordt geïnvesteerd in een concrete routekaart die vertelt hoe men er komt. Een routekaart met duidelijke mijlpalen en tussenstations. Daarmee wordt een routekaart ook een dashboard dat helpt om vast te stellen of we voldoende in beweging zijn. Dat is in de ogen van de rapporteurs ook onmisbaar als gestuurd moet worden op 1,5% structurele groei. De rapporteurs vragen de Minister om te komen met een dergelijke routekaart en dashboard, met daarbij concrete mijlpalen. Daarbij adviseren de rapporteurs de Minister om advies in te winnen bij partijen die hier al eerder over hebben nagedacht zoals de heer Wennink, TNO en de Kenniscoalitie. Deze rapporteurs vragen of de Minister bereid is om te investeren in een concrete routekaart en dashboard op basis waarvan de voortgang van het economisch beleid kan worden gemonitord en hierover advies in te winnen bij externe adviseurs zoals de heer Wennink.

Antwoord

1,5% structurele economische groei is een brede doelstelling die afhankelijk is van meerdere beleidstrajecten en interventies. Eén van deze de overkoepelende trajecten betreft de productiviteitsagenda waarmee het kabinet in den brede stuurt over de verhoging van de productiviteit. In de tweede productiviteitsagenda, die op korte termijn gedeeld wordt, rapporteert het kabinet over de voortgang van de uitvoering.

Daarnaast werkt het kabinet via de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat aan doorbraken op het gebied van innovatie en investeringen. Zo wordt er gewerkt aan de oprichting van de Nationale Investeringsinstelling en het Nationaal Agentschap Disruptieve Innovatie. Ook werkt de Taskforce aan concrete interventies die nu vastlopen omdat de randvoorwaarden niet op orde zijn door bijvoorbeeld een gebrek aan talent, financiering en/of juiste regelgeving. Zoals toegezegd in het commissiedebat over innovatie op 25 juni jl. zal het kabinet een procesbrief op hoofdlijnen naar de Kamer sturen.

53.

De tweede conclusie van de rapporteurs is dat Nederland niet alleen in beweging moet komen, maar ook dat voorkomen moet worden dat men stilvalt. Dat vraagt in de ogen van de rapporteurs twee belangrijke dingen. In de eerste plaats dient de Minister vooraf zekerheid te verschaffen of ze kan leveren op beloftes. Dat kan bijvoorbeeld via uitvoeringstoetsen die in de ogen van de rapporteurs van doorslaggevende betekenis zouden moeten zijn in het beleidsproces. Deze rapporteurs achten dat cruciaal voor een betrouwbare overheid. Een overheid die duidelijkheid verschaft over wat het kan leveren, wanneer en dat vervolgens ook doet. Laten we leren van de lessen van het Nationaal Groeifonds, waar dat niet altijd goed ging.

Het tweede punt dat van belang is om stilstand te voorkomen is effectief signaleren. De rapporteurs zijn van mening dat de Minister alerter kan worden op signalen dat het ergens knelt. Als middelen niet tot besteding komen en/of worden doorgeschoven via kasschuiven, kan dat een teken zijn. In het bijzonder wanneer dat in meerdere jaren voorkomt of om substantiële delen van het budget gaat. Een betere classificatie en duiding van onbenutte middelen (onderuitputting + kasschuiven) is daarmee ook een belangrijk signaleringssysteem. De rapporteurs vragen daarom aan de Minister om met betere inzichten en duiding van onbenutte middelen te komen.

Is de Minister bereid om aan uitvoeringstoetsen een doorslaggevende rol te geven in het beleidsproces en de Kamer van betere informatie en duiding te voorzien met betrekking tot middelen die gedurende het jaar niet tot besteding komen?

Antwoord

Uitvoeringstoetsen spelen nu al een cruciale rol in het beleidsproces en ik zal daar ook continu aandacht aan blijven geven in het beleidsproces. Daarnaast is vroegtijdige betrokkenheid van publieke dienstverleners in het beleidsproces van groot belang. Ook in samenwerking met uw Kamer. Tijdens de dag van de publieke dienstverlening die onlangs heeft plaatsgevonden en waar diverse leden van uw Kamer aan hebben deelgenomen, werden ook trialogen gevoerd tussen politiek, beleid en uitvoering. Dit draagt uiteindelijk bij aan beter beleid, omdat hierin de maatschappelijke opgave (welk probleem hebben we met elkaar op te lossen?) centraal staat en hier vervolgens passende oplossingen bij gevonden kunnen worden met behulp van ieders expertise.

Met betrekking tot inzicht in onderuitputting wordt hierover in hetzelfde begrotingsjaar als eerste in de Najaarsnota en onderliggende Tweede Suppletoire Begrotingen gerapporteerd. Pas aan het einde van het begrotingsjaar is duidelijk wat de daadwerkelijke onderuitputting is, dit wordt daarom in de Slotwet gerapporteerd. Ook zit bij het Jaarverslag sinds 2023 verplicht een bijlage waarin meer inzicht wordt gegeven in de onderuitputting per departement. Onderdeel daarvan is een tabel met de grootste posten met onderuitputting en toelichting daarbij. Vanwege het karakter van wat onderuitputting is, het niet kunnen besteden van middelen binnen het begrotingsjaar, is het niet mogelijk om hierover op een eerder moment te rapporteren. Daarbij kan onderuitputting om verscheidene redenen ontstaan, dat bemoeilijkt signalering en classificering. Als er (meerjarig) onderuitputting voorkomt op een regeling wordt binnen het departement gekeken naar de oorzaak.

54.

Als derde punt constateren deze rapporteurs dat voortgang op doelen de verenigde slagkracht van de Rijksoverheid vraagt en daarmee ook van de organisaties die het financiert. Hier ervaren deze rapporteurs een blinde vlek. Zij zien dat de financiering toeneemt van bijvoorbeeld TNO en de KvK, en dat ook de RVO sterk is gegroeid. Zij zien geld naar Europese fondsen gaan of kapitaalstortingen in InvestNL Om daar echter een beter beeld van te krijgen, moet de Kamer allemaal externe bronnen bij elkaar puzzelen. Dat is ondoenlijk. Daarom zijn deze rapporteurs van mening dat het jaarverslag hier meer aandacht aan mag besteden. Kerninzichten vanuit de organisaties die de Minister financiert of waar zij beleidsverantwoordelijk voor is, achten deze rapporteurs van groot belang. Omdat dit ook zijn beperkingen en/of grenzen heeft, pleiten deze rapporteurs daarnaast voor één centraal platform waar het jaarverslag naar kan verwijzen voor verdiepende informatie. Jaarverslag en platform zouden in de ogen van de rapporteurs naadloos op elkaar moeten aansluiten zodat gemakkelijk geschakeld kan worden tussen de twee. In de ogen van de rapporteurs zou in dit platform de «routekaart» centraal moeten staan en de mogelijkheden moeten bieden om verdiepende inzichten te krijgen over alle relevante bouwblokken van het beleid. De website «bedrijvenbeleid in beeld» biedt een goede basis om op voort te bouwen. Is de Minister bereid om in volgende Jaarverslagen meer kerninzichten te delen over organisaties die uitvoering geven aan haar beleid (en/of dat zij financiert) en alle relevante verdiepende informatie bij elkaar te brengen in één centraal platform?

Antwoord

Voor een meer fundamentele discussie over de informatiewaarde en structuur van de verantwoordingsstukken (waarin agentschappen een specifieke plek hebben in de agentschapsparagrafen) verwijs ik u naar de Minister van Financiën. Mijn departement is momenteel bezig met het uitwerken van een voornemen om relevante informatie rondom uitvoering van beleid gestructureerd te verzamelen. Er is dus zeker erkenning hoe belangrijk dit onderwerp is.

55.

Tot slot constateren deze rapporteurs dat het van belang is om meer inzicht te verschaffen in de capaciteitsinzet van het ministerie en de (uitvoerings)organisaties die zij financiert. Dat begint met het overzichtelijk bij elkaar zetten van informatie die reeds beschikbaar is uit bronnen als de Jaarrapportage bedrijfsvoering Rijk. Vervolgens achten deze rapporteurs het van belang om een beeld te hebben van waar zich grote maatschappelijke of economische risico’s kunnen voortdoen in het geval er niet (tijdig) wordt geleverd. Zij zijn van mening dat er tussen beleidsdossiers grote verschillen in potentiële risico’s bestaan. Zo’n analyse is dan de basis om beter met risico’s om te gaan. Meer structureel denken deze rapporteurs dat het goed is om explicieter aandacht te besteden aan capaciteitsvraagstukken, in het bijzonder bij evaluaties en de opvolging (reactie) daarop. Dit sluit ook aan bij de oproep in de periodieke rapportage om – naast financiële middelen – ook de capaciteit inzichtelijk te maken. Deze rapporteurs vragen de Minister of zij in reacties op evaluaties explicieter in kan gaan op mogelijkheden om capaciteit te besparen of deze effectiever in te zetten.

Antwoord

In kabinetsreacties op uitgevoerde evaluaties ga ik in op aanbevelingen die worden gedaan naar aanleiding van het onderzoek naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van het betreffende beleidsinstrument. Bij evaluaties van beleidsinstrumenten betreft dit de beleidsuitgaven en de uitvoering daarvan. Bij doorlichtingen van uitvoeringsorganisaties wordt ook naar de doelmatigheid van de organisatie gekeken. Indien daar mogelijkheden bij zitten om het beleidsinstrument of de organisatie effectiever of doelmatiger in te zetten, zal ik aangeven op welke wijze dit in het vervolg wordt meegenomen.

56.

Welke mogelijkheden ziet de Minister om de Kamer meer inzicht te geven in capaciteitsvraagstukken en is de Minister bereid om in reacties op evaluaties hier explicieter in te gaan op mogelijkheden om capaciteit beter te richten of te besparen?

Antwoord

In beleids- en evaluatiereacties wordt, waar relevant, reeds aandacht besteed aan de uitvoerbaarheid van aanbevelingen, waaronder de benodigde personele capaciteit. Daarbij wordt bezien welke consequenties aanbevelingen hebben voor de uitvoering en of hiervoor andere keuzes in prioritering of werkwijze nodig zijn. Het ministerie is bereid om in toekomstige beleidsreacties, waar dit meerwaarde heeft, explicieter in te gaan op de relatie tussen beleidsopgaven, uitvoeringscapaciteit en de mogelijkheden om capaciteit doelmatiger in te zetten of besparingen te realiseren. Tegelijkertijd geldt dat de benodigde inzet per dossier verschilt en dat hierover geen generieke uitspraken kunnen worden gedaan.