Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2027 wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen aan te brengen;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:
A.
Aan artikel 3.111 wordt een lid toegevoegd, luidende:
12. De waardeverandering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van een woning wordt eveneens geacht de belastingplichtige of zijn partner grotendeels aan te gaan, indien:
a. de woning is belast met een beding dat voorziet in een gedurende een periode van ten hoogste tien achtereenvolgende jaren ten minste lineair tot 100% toenemend belang bij iedere waardeverandering van de woning van de belastingplichtige of zijn partner, en geen sprake is van een ander beding dat het belang van de belastingplichtige of zijn partner bij een waardeverandering van de woning beperkt; of
b. de woning wordt verkregen onder een betaalbarekoopregeling als bedoeld in artikel 7 van de Huisvestingswet 2014 waarbij een instandhoudingstermijn als bedoeld in dat artikel geldt en die regeling geen regeling als bedoeld in onderdeel a is uitsluitend als gevolg van de omstandigheid dat niet iedere waardedaling van de woning de belastingplichtige of zijn partner geheel of gedeeltelijk aangaat, en geen sprake is van een ander beding dat het belang van de belastingplichtige of zijn partner bij een waardeverandering van de woning beperkt.
B.
In artikel 3.124, eerste lid, onderdeel d, wordt «derde lid» vervangen door «vierde lid».
C.
In artikel 3.127, vijfde lid, tweede zin, vervalt «en tweede».
D.
In artikel 5.17e, vijfde lid, onderdeel b, wordt «achtste» vervangen door «negende».
E.
In artikel 10.1, eerste lid, wordt «6.17, vierde lid» vervangen door «6.17, derde lid».
F.
In artikel 10a.15 wordt «artikel 5.16c, tweede lid» vervangen door «artikel 5.16c, derde lid».
In de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 wordt in hoofdstuk 2 aan artikel I, onderdeel O, zesde lid, toegevoegd «, met dien verstande dat in afwijking van de laatstgenoemde bepaling de aanspraak op lijfrente in de daarin genoemde situatie wordt geacht te zijn afgekocht op de eerste dag direct volgend op de in die bepaling aangeduide uiterste datum».
De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 4, onderdeel f, vervalt «aan de inspecteur meldt» en wordt na «gezamenlijke» ingevoegd «schriftelijke, gedagtekende en ondertekende». Voorts wordt na «inhoudingsplichtige,» ingevoegd «verklaart».
B.
In artikel 19b wordt, onder vernummering van het zevende en achtste lid tot achtste en negende lid, een lid ingevoegd, luidende:
7. Onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden zijn het eerste en zesde lid niet van toepassing met betrekking tot het ouderdomspensioen, het partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum, het partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum of het wezenpensioen dat later ingaat dan op de uiterste ingangsdatum, bedoeld in artikel 18a, vierde lid, onderdeel b, artikel 18a, vijfde lid, artikel 18b, derde lid, onderscheidenlijk artikel 18c, vierde lid, indien het pensioen dat betrekking heeft op de periode tussen die uiterste ingangsdatum of de in de pensioenregeling vastgestelde eerdere uiterste ingangsdatum en het tijdstip van ingang onverwijld wordt uitgekeerd. Dat pensioen wordt geacht eerst te zijn genoten op het tijdstip waarop het wordt uitgekeerd.
C.
Artikel 28, eerste lid, onderdeel g, komt te luiden:
g. ingeval artikel 4, onderdeel f, toepassing vindt, de verklaring, bedoeld in dat onderdeel, bij de loonadministratie te bewaren;.
D.
Artikel 28bis vervalt.
E.
Artikel 28c vervalt.
F.
In artikel 30a vervalt «of met betrekking tot de werknemer niet is voldaan aan de verplichting een eerstedagsmelding te doen».
In de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen wordt in artikel 23, vijfde lid, «€ 29» vervangen door «€ 33».
De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het vierde lid wordt «Faillissementswet» vervangen door «Faillissementswet, alsmede het verminderen van een voor deze belasting bij de schuldenaar als vreemd vermogen kwalificerend vermogensbestanddeel, door De Nederlandsche Bank of een met De Nederlandsche Bank vergelijkbare instelling die als nationale afwikkelingsautoriteit is aangewezen, ingevolge artikel 3A:21, 3A:44 of 3A:93 van de Wet op het financieel toezicht, onderscheidenlijk een soortgelijke regeling ingevolge de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, dan wel de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars of artikel 32 van de verordening herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen, voor zover tegenover de vermindering van het vermogensbestanddeel geen door of namens de schuldenaar verstrekte prestatie of claim staat.»
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
17. Voor de toepassing van het vierde lid wordt verstaan onder:
Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad;
Richtlijn (EU) 2025/1 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 en de Verordeningen (EU) nr. 1094/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2017/1129;
Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132.
B.
Aan artikel 23c wordt een lid toegevoegd, luidende:
10. Voor de toepassing van het derde tot en met vijfde lid, wordt onder het werkelijke bedrag aan winstbelasting mede verstaan het werkelijke bedrag aan kwalificerende binnenlandse bijheffing als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet minimumbelasting 2024.
C.
Aan artikel 23d wordt een lid toegevoegd, luidende:
7. Voor de toepassing van het derde lid wordt onder het werkelijke bedrag aan buitenlandse winstbelasting mede verstaan het werkelijke bedrag aan kwalificerende binnenlandse bijheffing als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet minimumbelasting 2024.
De Wet op de dividendbelasting 1965 wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 1, zevende lid, wordt «volzin» telkens vervangen door «zin» en wordt «vierde tot en met zesde lid» vervangen door «vierde en vijfde lid». Voorts wordt na «Wet op de vennootschapsbelasting 1969» ingevoegd «of met dat lid een samenwerkende groep vormen als bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van die wet».
In de Wet op belastingen van rechtsverkeer vervalt artikel 15, eerste lid, onderdeel m.
De Wet op de omzetbelasting 1968 wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «de derde categorie» vervangen door «het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht,».
2. Het derde lid vervalt.
B.
Tabel II wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a, post 4, onder a, wordt «post 3, onder a tot en met d» vervangen door «post 3, onder a tot en met c, en oorlogsschepen».
2. In onderdeel b, post 1, onder b, wordt «post a.3, onder a tot en met d» vervangen door «post a.3, onder a tot en met c, en van oorlogsschepen».
De Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 2, onderdelen e en f, komt te luiden:
motorrijtuig van de voertuigcategorie N met de voertuigclassificatie N1;
motorrijtuig van de voertuigcategorie N met de voertuigclassificatie N2 of N3;.
B.
In artikel 72, eerste lid, onderdeel b, wordt «ten minste 40 jaar geleden» vervangen door «vóór 1 januari 1988».
C.
Hoofdstuk Xa vervalt.
In de Wet milieubeheer wordt aan artikel 16b.17 een lid toegevoegd, luidende:
6. Geen dispensatierechten worden berekend voor de productie van waterstof indien deze waterstof niet is geproduceerd door reforming of gedeeltelijke oxidatie.
In de Wet waardering onroerende zaken wordt na artikel 5 een artikel ingevoegd, luidende:
1. De rol van voorzitter wordt vervuld door een commissaris van de Koning.
2. Indien geen commissaris van de Koning in voldoende mate beschikbaar is voor de rol van voorzitter, wijkt Onze Minister af van het eerste lid.
3. Indien de voorzitter wordt geschorst, onderscheidenlijk ontslagen, als voorzitter, worden de taken van de voorzitter waargenomen door de plaatsvervangende voorzitter vanaf het tijdstip van de schorsing, onderscheidenlijk het ontslag, uiterlijk tot het ogenblik waarop de benoemingstermijn van de voorzitter in wiens plaats de plaatsvervangende voorzitter is getreden afloopt.
De Algemene douanewet wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 1:3, vierde lid, vervalt «, de Destructiewet».
B.
In artikel 10:15, zesde lid, derde zin, wordt «artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering» vervangen door «artikel 23, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering,».
C.
In artikel 11:13, tweede lid, wordt «artikel 10:3, tweede lid» vervangen door «artikel 11:3, tweede lid».
De Wet op de accijns wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 2e wordt, onder vernummering van het zesde tot en met achtste lid tot zevende tot en met negende lid, een lid ingevoegd, luidende:
6. In afwijking van het eerste lid wordt niet als uitslag tot verbruik aangemerkt het overbrengen van accijnsgoederen naar een gecertificeerde geadresseerde die tevens vergunninghouder is van een accijnsgoederenplaats en die de goederen bij ontvangst onmiddellijk inslaat in die accijnsgoederenplaats.
B.
Artikel 53a wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid en de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen.
2. In onderdeel a wordt «artikel 52, tweede lid, onderdelen a tot en met d, en, voor zover het een geregistreerde geadresseerde betreft, onderdeel e» vervangen door «artikel 52, tweede lid, onderdelen a, b of d» en wordt «het in artikel 52, tweede lid, onderdelen a tot en met e, bedoelde tijdstip» vervangen door «het tijdstip, bedoeld in artikel 52, tweede lid, onderdelen a, b, onderscheidenlijk d».
3. Onder verlettering van de onderdelen b tot en met d tot c tot en met e wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
b. bij toepassing van artikel 52, tweede lid, onderdeel c, of, voor zover het een geregistreerde geadresseerde betreft, onderdeel e: uiterlijk op de vrijdag van de week volgend op de week waarin het tijdstip, bedoeld in artikel 52, tweede lid, onderdelen c, onderscheidenlijk e, is gelegen;.
4. Onderdeel c (nieuw), komt te luiden:
c. bij toepassing van artikel 52, derde lid, onderdelen a, c of d: uiterlijk op de dag na het tijdstip, bedoeld in artikel 52, derde lid, onderdelen a, c, onderscheidenlijk d;.
5. Onder verlettering van onderdeel e (nieuw) tot g worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:
e. bij toepassing van artikel 52, derde lid, onderdeel e, voor zover het een gecertificeerde geadresseerde betreft: uiterlijk op de vrijdag van de week volgend op de week waarin het tijdstip, bedoeld in artikel 52, derde lid, onderdeel e, is gelegen;
f. bij toepassing van artikel 52, derde lid, onderdeel f, door de afzender in een andere lidstaat als bedoeld in artikel 2f: uiterlijk op de vrijdag van de week volgend op de week waarin het tijdstip, bedoeld in artikel 52, derde lid, onderdeel f, is gelegen;.
6. Aan onderdeel g (nieuw) wordt toegevoegd: en voor zover sprake is van het niet voldoen aan de voorschriften of de gebrekkige naleving van de voorschriften in de zin van artikel 4, zesde lid, uiterlijk op de dag na het tijdstip waarop het niet voldoen aan die voorschriften is vastgesteld.
C.
In artikel 64a, onderdeel d, wordt «Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG 2001, L 311)» vervangen door «Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG (PbEU 2019, L4)».
D.
Artikel 81 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. In de vergunning voor een accijnsgoederenplaats voor bier, wijn, tussenproducten en overige alcoholhoudende producten kan worden toegestaan dat de vergunninghouder deze producten onder daarbij te stellen voorwaarden, tijdelijk buiten de accijnsgoederenplaats bepaalde bewerkingen of verpakkingshandelingen kan laten ondergaan zonder dat het tijdelijk buiten de accijnsgoederenplaats brengen van die producten, in afwijking van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, wordt aangemerkt als uitslag tot verbruik.
De Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt als volgt gewijzigd:
A.
Aan artikel 7 wordt een lid toegevoegd, luidende:
8. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het derde of vierde lid, artikel 3, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag of artikel 1, vierde lid, van de Wet op het kindgebonden budget buiten toepassing blijft, indien wel aanspraak op huurtoeslag, zorgtoeslag, onderscheidenlijk kindgebonden budget, zou bestaan indien ten aanzien van de belanghebbende, zijn partner of medebewoner de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zou worden verminderd met de waarde van een bij die ministeriële regeling aangewezen bezitting of een bedrag ter grootte van een bij die regeling aangewezen toekenning.
B.
In artikel 47 vervallen het tweede en derde lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.
De Provinciewet wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 222 vervalt het vierde lid, onder vernummering van het vijfde tot en met zevende lid tot vierde tot en met zesde lid.
B.
Na artikel 232d wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. In afwijking van artikel 25, eerste en tweede lid, van de Invorderingswet 1990 is de beschikking tot uitstel van betaling niet voor bezwaar vatbaar. De belastingschuldige kan binnen tien dagen na dagtekening van de kennisgeving waarmee de beschikking is bekendgemaakt administratief beroep instellen bij het college van gedeputeerde staten. Voorts kan de belastingschuldige administratief beroep instellen bij het college van gedeputeerde staten tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op een verzoek om uitstel van betaling.
2. Het beroepschrift wordt onder vermelding van de gronden van het beroep ingediend bij de in artikel 227a, tweede lid, onderdeel c, bedoelde provincieambtenaar.
3. Het college van gedeputeerde staten beslist op het beroep bij uitspraak. Het college van gedeputeerde staten maakt de uitspraak aan de belastingschuldige bekend door uitreiking of toezending van een gedagtekende kennisgeving. Indien het college van gedeputeerde staten het administratief beroep gegrond oordeelt, kan het college van gedeputeerde staten de zaak inhoudelijk afdoen.
C.
Artikel 232da vervalt.
D.
Na artikel 232e wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. In afwijking van artikel 26, zesde lid, van de Invorderingswet 1990 is de beschikking tot kwijtschelding van belasting niet voor bezwaar vatbaar. De belastingschuldige kan binnen tien dagen na dagtekening van de kennisgeving waarmee de beschikking is bekendgemaakt administratief beroep instellen bij het college van gedeputeerde staten. Voorts kan de belastingschuldige administratief beroep instellen bij het college van gedeputeerde staten tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op een verzoek om kwijtschelding.
2. Het beroepschrift wordt onder vermelding van de gronden van het administratief beroep ingediend bij de in artikel 227a, tweede lid, onderdeel c, bedoelde provincieambtenaar.
3. Het college van gedeputeerde staten beslist op het beroep bij uitspraak. Het college van gedeputeerde staten maakt de uitspraak aan de belastingschuldige bekend door uitreiking of toezending van een gedagtekende kennisgeving. Indien het college van gedeputeerde staten geheel of gedeeltelijk aan het beroep van de belastingschuldige tegemoetkomt, stelt het college van gedeputeerde staten bij de uitspraak het bedrag van de kwijtschelding vast.
E.
Artikel 232ea vervalt.
De Gemeentewet wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 249 wordt «2159» vervangen door «21, 59».
B.
Na artikel 254 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. In afwijking van artikel 25, eerste en tweede lid, van de Invorderingswet 1990 is de beschikking tot uitstel van betaling niet voor bezwaar vatbaar. De belastingschuldige kan binnen tien dagen na dagtekening van de kennisgeving waarmee de beschikking is bekendgemaakt administratief beroep instellen bij het college. Voorts kan de belastingschuldige administratief beroep instellen bij het college tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op een verzoek om uitstel van betaling.
2. Het beroepschrift wordt onder vermelding van de gronden van het beroep ingediend bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, bedoelde gemeenteambtenaar.
3. Het college beslist op het beroep bij uitspraak. Het college maakt de uitspraak aan de belastingschuldige bekend door uitreiking of toezending van een gedagtekende kennisgeving. Indien het college het administratief beroep gegrond oordeelt, kan het college de zaak inhoudelijk afdoen.
C.
Artikel 254a vervalt.
D.
Na artikel 255 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. In afwijking van artikel 26, zesde lid, van de Invorderingswet 1990 is de beschikking tot kwijtschelding van belasting niet voor bezwaar vatbaar. De belastingschuldige kan binnen tien dagen na dagtekening van de kennisgeving waarmee de beschikking is bekendgemaakt administratief beroep instellen bij het college. Voorts kan de belastingschuldige administratief beroep instellen bij het college tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op een verzoek om kwijtschelding.
2. Het beroepschrift wordt onder vermelding van de gronden van het beroep ingediend bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, bedoelde gemeenteambtenaar.
3. Het college beslist op het beroep bij uitspraak. Het college maakt de uitspraak aan de belastingschuldige bekend door uitreiking of toezending van een gedagtekende kennisgeving. Indien het college geheel of gedeeltelijk aan het beroep van de belastingschuldige tegemoetkomt, stelt het college bij de uitspraak het bedrag van de kwijtschelding vast.
E.
Artikel 255a vervalt.
De Waterschapswet wordt als volgt gewijzigd:
A.
Na artikel 143 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. In afwijking van artikel 25, eerste en tweede lid, van de Invorderingswet 1990 is de beschikking tot uitstel van betaling niet voor bezwaar vatbaar. De belastingschuldige kan binnen tien dagen na dagtekening van de kennisgeving waarmee de beschikking is bekendgemaakt administratief beroep instellen bij het dagelijks bestuur. Voorts kan de belastingschuldige administratief beroep instellen bij het dagelijks bestuur tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op een verzoek om uitstel van betaling.
2. Het beroepschrift wordt onder vermelding van de gronden van het beroep ingediend bij de in artikel 123, derde lid, onderdeel c, bedoelde ambtenaar van het waterschap.
3. Het dagelijks bestuur beslist op het beroep bij uitspraak. Het dagelijks bestuur maakt de uitspraak aan de belastingschuldige bekend door uitreiking of toezending van een gedagtekende kennisgeving. Indien het dagelijks bestuur het administratief beroep gegrond oordeelt, kan het dagelijks bestuur de zaak inhoudelijk afdoen.
B.
Artikel 143a vervalt.
C.
Na artikel 144 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. In afwijking van artikel 26, zesde lid, van de Invorderingswet 1990 is de beschikking tot kwijtschelding van belasting niet voor bezwaar vatbaar. De belastingschuldige kan binnen tien dagen na dagtekening van de kennisgeving waarmee de beschikking is bekendgemaakt administratief beroep instellen bij het dagelijks bestuur. Voorts kan de belastingschuldige administratief beroep instellen bij het dagelijks bestuur tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op een verzoek om kwijtschelding.
2. Het beroepschrift wordt onder vermelding van de gronden van het beroep ingediend bij de in artikel 123, derde lid, onderdeel c, bedoelde ambtenaar van het waterschap.
3. Het dagelijks bestuur beslist op het beroep bij uitspraak. Het dagelijks bestuur maakt de uitspraak aan de belastingschuldige bekend door uitreiking of toezending van een gedagtekende kennisgeving. Indien het dagelijks bestuur geheel of gedeeltelijk aan het beroep van de belastingschuldige tegemoetkomt, stelt het dagelijks bestuur bij de uitspraak het bedrag van de kwijtschelding vast.
D.
Artikel 144a vervalt.
De Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 1 van bijlage 2 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de zinsnede met betrekking tot de Gemeentewet worden, onder verlettering van de onderdelen f tot en met h tot h tot en met j, twee onderdelen ingevoegd, luidende:
f. artikel 254a
g. artikel 255a.
2. De zinsnede met betrekking tot de Invorderingswet 1990 komt te luiden:
Invorderingswet 1990, met uitzondering van de artikelen 22bis, 25, 26, 26a, 30, 49, 62a en 63b.
3. In de zinsnede met betrekking tot de Provinciewet worden, onder verlettering van de onderdelen e tot en met g tot g tot en met i, twee onderdelen ingevoegd, luidende:
e. artikel 232da
f. artikel 232ea.
4. De zinsnede met betrekking tot de Waterschapswet komt te luiden:
Waterschapswet:
a. artikel 143a
b. artikel 144a
c. artikel 156, eerste lid, voor zover het betreft de weigering om een vernietiging te bevorderen en het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging.
B.
Artikel 1 van bijlage 2 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de zinsnede met betrekking tot de Gemeentewet vervallen de onderdelen f en g, onder verlettering van de onderdelen h tot en met j tot f tot en met h.
2. In de zinsnede met betrekking tot de Provinciewet vervallen de onderdelen e en f, onder verlettering van de onderdelen g tot en met i tot e tot en met g.
3. De zinsnede met betrekking tot de Waterschapswet komt te luiden:
Waterschapswet: artikel 156, eerste lid, voor zover het betreft de weigering om een vernietiging te bevorderen en het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging.
De Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 2, vijfde lid, aanhef, wordt «het derde lid, onderdeel e» vervangen door «het derde lid, onderdeel d».
B.
In artikel 13, vijfde lid, onderdeel b, wordt «artikel 40» vervangen door «artikel 41».
C.
In het opschrift van hoofdstuk IVbis wordt «Terugvordering van» vervangen door «Bepalingen inzake».
D.
Na artikel 20b wordt een artikel ingevoegd, luidende:
E.
In artikel 30k wordt «of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting» vervangen door «, een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting of de Wet fiscale arbitrage».
F.
In artikel 76, zesde lid, wordt «artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering» vervangen door «artikel 23, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering,».
De Invorderingswet 1990 wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 31a wordt «of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting» vervangen door «, een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting of de Wet fiscale arbitrage».
B.
In artikel 44b, vijfde lid, wordt «zevende» vervangen door «achtste».
In de Wet van 29 april 1998 tot aanwijzing van een controleautoriteit als bedoeld in artikel 37 van verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van de Europese Unie van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (PbEG L 82) (Stb. 1998, 268) wordt in artikel 1 «het College bescherming persoonsgegevens als bedoeld in artikel 51 van de Wet bescherming persoonsgegevens» vervangen door «de Autoriteit persoonsgegevens, genoemd in artikel 6, eerste lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming».
In het Belastingplan 2024 vervalt artikel XXI.
In de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 vervallen de artikelen XII, XIII, onderdelen A, B, C, onder 2, en E, en de artikelen XIV tot en met XIX.
Verplichtingen als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964 zoals dat op 31 december 2026 luidde hoeven niet meer te worden nagekomen.
Onze Minister van Financiën zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van de artikelen XV, onderdelen B en D, XVI, onderdelen B en D, en XVII, onderdelen A en C, van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de effecten van de gewijzigde rechtsbescherming bij uitstel van betaling en kwijtschelding van rijksbelastingen, zoals deze geldt na de inwerkingtreding van artikel XIII, onderdelen C, onder 1, en D, van de Fiscale vereenvoudigingswet 2017. In het verslag wordt tevens ingegaan op de uitvoerbaarheid van het overeenkomstig wijzigen van de rechtsbescherming bij uitstel van betaling en kwijtschelding van decentrale belastingen.
De artikelen 232da en 232ea van de Provinciewet zoals die luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel XV, onderdelen C en E, blijven van toepassing op beschikkingen tot uitstel van betaling, onderscheidenlijk kwijtschelding van belasting, die een dagtekening hebben van voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel XV, onderdelen C en E.
De artikelen 254a en 255a van de Gemeentewet zoals die luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel XVI, onderdelen C en E, blijven van toepassing op beschikkingen tot uitstel van betaling, onderscheidenlijk kwijtschelding van belasting, die een dagtekening hebben van voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel XVI, onderdelen C en E.
De artikelen 143a en 144a van de Waterschapswet zoals die luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel XVII, onderdelen B en D, blijven van toepassing op beschikkingen tot uitstel van betaling, onderscheidenlijk kwijtschelding van belasting, die een dagtekening hebben van voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel XVII, onderdelen B en D.
1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat:
a. artikel I, onderdeel B, terugwerkt tot en met 1 januari 2015;
b. artikel I, onderdeel C, terugwerkt tot en met 1 januari 2023;
c. artikel I, onderdeel E, terugwerkt tot en met 1 januari 2025;
d. artikel I, onderdeel F, terugwerkt tot en met 1 juli 2023;
e. artikel II terugwerkt tot en met 1 januari 2026;
f. artikel V, onderdeel A, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2027;
g. artikel XII, onderdelen A en C, terugwerkt tot en met 1 augustus 2008;
h. de artikelen XII, onderdeel B, en XIX, onderdeel F, terugwerken tot en met 1 oktober 2013;
i. artikel XIX, onderdeel A, terugwerkt tot en met 1 januari 2025;
j. de artikelen XIX, onderdeel E, en XX, onderdeel A, terugwerken tot en met 16 juli 2019;
k. artikel XXI terugwerkt tot en met 25 mei 2018.
2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel I, onderdeel A, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, waarbij kan worden bepaald dat dat onderdeel terugwerkt tot en met het tijdstip waarop artikel II van de Wet versterking regie volkshuisvesting in werking is getreden.
3. in afwijking van het eerste lid treden de artikelen XV, onderdelen C en E, XVI, onderdelen C en E, XVII, onderdelen B en D, XVIII, onderdeel B, XXVI, XXVII en XXVIII in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Staatssecretaris van Financiën,