Dit wetsvoorstel, dat mede namens de Minister van Economische Zaken wordt ingediend, strekt tot implementatie van de Richtlijn herziening productaansprakelijkheid (hierna: de Richtlijn).1 De Richtlijn is op 18 november 2024 gepubliceerd (in publicatieblad L) en op 8 december 2024 in werking getreden. De Richtlijn moet uiterlijk op 9 december 2026 zijn omgezet in het nationale recht. Dit wetsvoorstel bevat wijzigingen van de Boeken 6 en 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Het voorstel bevat uitsluitend regels die noodzakelijk zijn voor de implementatie.2 Daarbij is gekozen voor de implementatiewijze die de minste lasten oplegt aan het bedrijfsleven.3
In paragraaf 2 wordt stilgestaan bij de achtergrond, totstandkoming en inhoud van de Richtlijn, waarna in paragraaf 3 de wijze van implementatie wordt beschreven. Vervolgens wordt in paragraaf 4 aandacht besteed aan de verwachte gevolgen voor burgers, het bedrijfsleven en de rechtspraak. Paragraaf 5 gaat in op de verwachte financiële gevolgen van dit wetsvoorstel. In paragraaf 6 wordt ingegaan op de adviezen en consultatie. Tot slot is paragraaf 7 gewijd aan het overgangsrecht en de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Na het algemene deel van de toelichting is een artikelsgewijze toelichting opgenomen. De bijlage bij de memorie van toelichting bevat een transponeringstabel, waaruit blijkt of en hoe de afzonderlijke bepalingen van de Richtlijn zijn of worden geïmplementeerd.
De huidige richtlijn productaansprakelijkheid (hierna: Richtlijn 85/374)4 dateert uit 1985 en voorziet in een harmonisatie van de regels over de aansprakelijkheid voor gebrekkige producten. Richtlijn 85/374 heeft als doel bij te dragen aan een goede werking van de interne markt, onvervalste mededinging en een hoger niveau van consumentenbescherming. Productaansprakelijkheid is een risicoaansprakelijkheid. Dit houdt in dat er sprake is van aansprakelijkheid van de producent, zonder dat sprake hoeft te zijn van schuld of verwijtbaarheid met betrekking tot het ontstaan van het gebrek of de schade. Een benadeelde dient alleen te bewijzen dat sprake is van schade, een gebrekkig product en een oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade.5 Een risicoaansprakelijkheid van de producent werd gezien als de enige manier om te komen tot een eerlijke verdeling van risico’s die inherent zijn aan moderne technologische productie.6
Op grond van Richtlijn 85/374 is een product gebrekkig als het niet de veiligheid biedt die het grote publiek mag verwachten. Of aan deze objectieve maatstaf is voldaan, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Dit betreft onder meer de presentatie van het product, het redelijkerwijs te verwachten gebruik en het tijdstip waarop het product in het verkeer is gebracht.7 Een benadeelde kan op grond van Richtlijn 85/374 een schadevergoeding vorderen voor schade door overlijden of lichamelijk letsel (bijvoorbeeld begrafeniskosten, medische kosten en gederfde inkomsten) en schade aan andere zaken dan het product zelf (zaakschade).8 Voor zaakschade geldt dat het moet gaan om zaken die gewoonlijk voor gebruik of verbruik in de privésfeer zijn bestemd en door de benadeelde ook hoofdzakelijk in de privésfeer zijn gebruikt of verbruikt. Bovendien geldt daarvoor een zogenoemde franchise van 500 Ecu (European Currency Unit).9 10 Dit betekent dat zaakschade lager dan € 500,– niet op grond van de richtlijn kan worden vergoed.
De benadeelde kan zowel de fabrikant van het gebrekkige eindproduct als de fabrikant van een gebrekkig onderdeel aansprakelijk stellen voor de door hem geleden schade.11 Ook de importeur van het gebrekkige product of gebrekkige onderdeel kan op grond van Richtlijn 85/374 als «producent» aansprakelijk worden gesteld.12 Als niet kan worden vastgesteld wie de producent van het product is, wordt elke leverancier van het product als de producent ervan beschouwd. De leverancier is echter niet aansprakelijk op grond van de richtlijn als hij de benadeelde binnen een redelijke termijn de identiteit meedeelt van de producent of van zijn eigen leverancier.13 Als er op grond van de richtlijn verschillende personen aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, kan de benadeelde kiezen wie hij aanspreekt voor de volle omvang van zijn schade (hoofdelijke aansprakelijkheid).14 Het is vervolgens aan de aangesproken persoon om de schade die hij heeft vergoed geheel of gedeeltelijk op een medeaansprakelijke persoon te verhalen (regres).
De producent kan zich bevrijden van aansprakelijkheid als hij het bestaan van hem ontlastende feiten bewijst (vrijstellingsgronden).15 Zo is de producent bijvoorbeeld niet aansprakelijk als hij bewijst dat het gebrek niet bestond op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer heeft gebracht of dat dit gebrek na dat tijdstip is ontstaan.16 De producent is evenmin aansprakelijk als hij bewijst dat het op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer bracht onmogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken.17 Dit wordt ook wel het «ontwikkelingsrisicoverweer» genoemd. De risicoaansprakelijkheid van de producent is daarnaast beperkt in de tijd. De rechtsvordering tot schadevergoeding verjaart drie jaar nadat de benadeelde kennis kreeg of had moeten krijgen van de schade, het gebrek en de identiteit van de producent.18 Daarnaast bevat Richtlijn 85/374 een vervaltermijn van tien jaar nadat het product in het verkeer is gebracht.19 Zijn deze termijnen verstreken, dan kan de benadeelde geen schadevergoeding meer vorderen op grond van de richtlijn.
Richtlijn 85/374 doet geen afbreuk aan de rechten die een benadeelde ontleent aan nationale regels over contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid op andere gronden dan het gebrek van een product.20 Dit betekent dat die richtlijn er niet aan in de weg staat dat een benadeelde een vordering instelt op grond van onrechtmatige daad (schuldaansprakelijkheid). Deze mogelijkheid is met name van belang in verband met de verjarings- en vervaltermijnen in de richtlijn. Wanneer deze termijnen zijn verstreken, kan de benadeelde geen vordering meer instellen op grond van de regeling van de productaansprakelijkheid. Of een vordering op grond van onrechtmatige daad nog wel mogelijk is, is afhankelijk van het nationale recht. De benadeelde zal in dat geval wel aannemelijk moeten maken dat er sprake is van schuld of verwijtbaarheid («toerekenbaarheid») van de producent.
Uit de preambule van de Richtlijn volgt dat, hoewel Richtlijn 85/374 een doeltreffend en belangrijk instrument is geweest, deze is herzien in het licht van de opkomst van nieuwe (digitale) technologieën, waaronder kunstmatige intelligentie (AI), nieuwe bedrijfsmodellen voor de circulaire economie en nieuwe mondiale toeleveringsketens. Deze ontwikkelingen hebben geleid tot inconsistenties en rechtsonzekerheid over de toepassing van Richtlijn 85/374, met name met betrekking tot de betekenis van het begrip «product». Daarnaast is uit de ervaring met de toepassing van die richtlijn gebleken dat benadeelden moeilijkheden ondervinden bij het verkrijgen van schadevergoeding. Dit komt door beperkingen op het instellen van vorderingen tot schadevergoeding en bewijsproblemen. Dit speelt met name in technisch en wetenschappelijk complexe zaken (zie overweging 3). Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan zaken over medicijnen, «smart products» en AI.21
Uit de preambule volgt verder dat de herziening van Richtlijn 85/374 als doel heeft de uitrol en invoering van nieuwe technologieën, waaronder AI, aan te moedigen. Tegelijkertijd moet de herziening ervoor zorgen dat consumenten en andere natuurlijke personen hetzelfde hoge niveau van bescherming genieten, ongeacht de betrokken technologie. Daarnaast zouden alle bedrijven voordeel moeten halen uit meer rechtszekerheid en een gelijk speelveld (zie overweging 3). Met de herziening is beoogd te zorgen voor samenhang en consistentie met de wetgeving inzake productveiligheid en markttoezicht op Unie- en nationaal niveau. Daarnaast zijn basisbegrippen en -concepten verduidelijkt om samenhang en rechtszekerheid en een gelijk speelveld op de interne markt te waarborgen.22 Daarbij is rekening gehouden met recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie overweging 4).
Gelet op de hoeveelheid wijzigingen die nodig zou zijn om Richtlijn 85/374 doeltreffend te laten blijven en met het oog op de duidelijkheid en rechtszekerheid, is ervoor gekozen om die richtlijn in te trekken en te vervangen door een nieuwe richtlijn (zie overweging 5). Over die nieuwe richtlijn is op 14 december 2023 een politiek akkoord bereikt. Op 23 oktober 2024 is de Richtlijn vastgesteld.
De Richtlijn bevat gemeenschappelijke regels over de aansprakelijkheid van marktdeelnemers voor door natuurlijke personen geleden schade die wordt veroorzaakt door gebrekkige producten. Daarnaast bevat de Richtlijn regels over de vergoeding van die schade (artikel 1 Richtlijn). De Richtlijn is van toepassing op producten die op of na 9 december 2026 in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn gesteld (artikel 2 lid 1 Richtlijn). Nadrukkelijk uitgesloten van het toepassingsbereik is gratis en opensourcesoftware die buiten het kader van een handelsactiviteit wordt ontwikkeld of geleverd (artikel 2 lid 2 Richtlijn). De Richtlijn is evenmin van toepassing op schade als gevolg van nucleaire ongevallen, voor zover de aansprakelijkheid voor dergelijke schade op grond van door de lidstaten geratificeerde internationale verdragen wordt gedekt (artikel 2 lid 3 Richtlijn).23 Deze uitzonderingen komen nader aan de orde in het artikelsgewijze deel van deze memorie van toelichting (zie Onderdeel C).
Net als Richtlijn 85/37424, doet de Richtlijn geen afbreuk aan de rechten die een benadeelde ontleent aan nationale regels over contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid op andere gronden dan het gebrek van een product (artikel 2 lid 4, onderdeel b). Dit betekent dat de Richtlijn er niet aan in de weg staat dat een benadeelde een vordering instelt op grond van wanprestatie of onrechtmatige daad.
De Richtlijn voorziet in een volledige harmonisatie (artikel 3 Richtlijn). Dit betekent dat de lidstaten in hun nationale recht geen bepalingen mogen handhaven of invoeren die strenger of minder streng zijn dan de in de Richtlijn vastgestelde bepalingen, tenzij in de Richtlijn anders is bepaald.
In deze paragraaf wordt kort stilgestaan bij de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van Richtlijn 85/374. De inhoud van de Richtlijn komt uitvoeriger aan de orde in het artikelsgewijze deel van deze memorie van toelichting.
Ten eerste bevat de Richtlijn een aantal aanpassingen met het oog op nieuwe digitale technologieën. De belangrijkste wijzigingen worden hierna toegelicht.
De Richtlijn voorziet in een verduidelijking en verruiming van het begrip «product» (artikel 4, onder 1 Richtlijn). Daaronder vallen alle roerende zaken, ook nadat zij zijn geïntegreerd in of onderling zijn verbonden met andere roerende of onroerende zaken. Verhelderd is voorts dat ook grondstoffen, zoals gas en water, en elektriciteit producten zijn (zie overweging 16). Omwille van de rechtszekerheid is daarnaast verduidelijkt dat software en digitale fabricagedossiers als product moeten worden beschouwd (zie overwegingen 13 en 16). Het begrip «software» wordt ruim uitgelegd en omvat onder meer besturingssystemen, firmware, computerprogramma’s, applicaties of AI-systemen, ongeacht de wijze van levering of gebruik (zie overweging 13). Een «digitaal fabricagedossier» is een digitale versie van of een digitale template voor een roerende zaak die de functionele informatie bevat die nodig is om een tastbaar voorwerp te produceren door geautomatiseerde besturing van machines of gereedschappen mogelijk te maken, zoals boormachines, draaibanken, molens en 3D-printers (artikel 4 onder 2 Richtlijn; zie ook overweging 16). Door ook digitale fabricagedossiers als product te beschouwen, wordt de bescherming van natuurlijke personen gewaarborgd in gevallen waarin dergelijke bestanden gebrekkig zijn (zie overweging 16).
Hoewel de Richtlijn niet van toepassing is op diensten als zodanig, is het noodzakelijk geacht om de risicoaansprakelijkheid uit te breiden tot «bijbehorende diensten» («related services»). «Bijbehorende diensten» zijn digitale diensten die zodanig in een product zijn geïntegreerd of daarmee onderling zijn verbonden dat het product zonder die dienst een of meer van zijn functies niet zou kunnen vervullen (artikel 4 onder 3 Richtlijn). Zij worden aangemerkt als component van een product (artikel 4 onder 4 Richtlijn). De gedachte hierachter is dat dergelijke diensten net zo bepalend zijn voor de veiligheid van het product als fysieke en digitale componenten. Voorbeelden zijn de continue levering van verkeersgegevens in een navigatiesysteem en een gezondheidsmonitoringsdienst die zich baseert op de sensoren van een fysiek product om de fysieke activiteiten of gezondheidsgegevens van de gebruiker in de gaten te houden. Andere voorbeelden zijn een temperatuurregelingsdienst die de temperatuur van een slimme koelkast monitort en reguleert, en een voiceassistent-dienst die het mogelijk maakt een of meer producten te controleren door middel van spraakopdrachten (zie overweging 17).
Verder is van belang dat de Richtlijn rekening houdt met het feit dat in het digitale tijdperk veel producten onder de zeggenschap van de fabrikant blijven nádat zij in de handel zijn gebracht. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de fabrikant zelf of via een derde software-updates of -upgrades kan blijven leveren (artikel 4 onder 5 Richtlijn). De vraag of een fabrikant nog zeggenschap over het product heeft, is onder meer van belang voor de beoordeling van de gebrekkigheid van het product (artikel 7 lid 2, onderdeel c, Richtlijn). Ook is dit relevant voor de vraag of de fabrikant een beroep kan doen op vrijstelling van aansprakelijkheid. Als de fabrikant zeggenschap heeft over een bijbehorende dienst, software, met inbegrip van software-updates of upgrades, of het ontbreken van software-updates of upgrades die nodig zijn om de veiligheid te handhaven, en als het gebrek van het product aan één van die factoren is te wijten, kan die fabrikant niet aan aansprakelijkheid ontkomen door aan te voeren dat het gebrek is ontstaan nadat het product in de handel is gebracht of in gebruik is gesteld (artikel 11 lid 1, onderdeel c, en lid 2, onderdelen a-c, Richtlijn). Hij blijft in dat geval dus aansprakelijk voor de door het gebrekkige product veroorzaakte schade.
Vanwege de toenemende relevantie en waarde van gegevens («data»), regelt de Richtlijn dat voortaan ook een schadevergoeding kan worden verkregen voor de vernietiging of de corruptie van niet voor beroepsdoeleinden gebruikte gegevens (artikel 6 lid 1, onderdeel c, Richtlijn). Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan van een harde schijf verwijderde digitale privébestanden, zoals foto’s, met inbegrip van de kosten voor het terugwinnen of herstellen daarvan (zie overweging 20).
Tot slot verduidelijkt de Richtlijn dat bij de beoordeling van de gebrekkigheid van het product ook rekening moet worden gehouden met het effect op het product van het vermogen om te blijven leren of nieuwe functies te verwerven (bijvoorbeeld relevant voor zelflerende AI-systemen) en het redelijkerwijs te verwachten effect op het product van andere producten waarvan kan worden verwacht dat zij samen met het product worden gebruikt (bijvoorbeeld relevant voor een «smart-home-systeem») (artikel 7 lid 2, onderdelen c en d, Richtlijn).
Ten tweede voorziet de Richtlijn in een uitbreiding van de kring van aansprakelijke personen (artikel 8 Richtlijn). Dit moet ervoor zorgen dat benadeelden zo vaak als mogelijk een afdwingbare vordering tot schadevergoeding hebben, ook als de fabrikant van het gebrekkige product buiten de EU is gevestigd, bijvoorbeeld in China of de Verenigde Staten (zie overweging 37).
Marktdeelnemers die op grond van de Richtlijn aansprakelijk kunnen worden gesteld voor schade veroorzaakt door gebrekkige producten zijn: de fabrikant van een product of een component, een aanbieder van een bijbehorende dienst, een gemachtigde, een importeur, een fulfilmentdienstverlener of een distributeur (artikel 4 onder 15 Richtlijn). Verder is het onder omstandigheden mogelijk om ook een onlineplatform aansprakelijk te stellen. De Richtlijn gaat hierbij uit van een getrapt systeem. In de eerste plaats kan een benadeelde de in de EU gevestigde fabrikant van het gebrekkige product of een gebrekkige component aansprakelijk stellen voor de door hem geleden schade (artikel 8 lid 1, onderdeel a, Richtlijn). Als er geen in de EU gevestigde fabrikant is, kan hij de importeur van het gebrekkige product in de EU of de gemachtigde van de fabrikant («authorised representative») aansprakelijk stellen (artikel 8 lid 2, onderdeel c, subonderdelen i en ii, Richtlijn). Is er geen in de EU gevestigde importeur of gemachtigde, dan kan hij de fulfilmentdienstverlener aansprakelijk stellen voor de door het gebrekkige product veroorzaakte schade (artikel 8 lid 2, onderdeel c, subonderdeel iii, Richtlijn). Een fulfilmentdienstverlener is een persoon die in het kader van een handelsactiviteit, kort gezegd, ten minste twee van de volgende diensten aanbiedt: opslag, verpakking, adressering en verzending van een product, zonder eigenaar van dat product te zijn (artikel 4 onder 13 Richtlijn).
Net als Richtlijn 85/37425, voorziet de Richtlijn ook in een regeling voor de situatie dat niet kan worden vastgesteld wie de fabrikant, importeur, gemachtigde of fulfilmentdienstverlener is. In dat geval kan de benadeelde de distributeur van het product aansprakelijk stellen. De distributeur is echter niet aansprakelijk als hij op verzoek van de benadeelde binnen een maand de identiteit meedeelt van een andere in de EU gevestigde marktdeelnemer of van zijn eigen distributeur (artikel 8 lid 3 Richtlijn). De Richtlijn verklaart deze regeling onder bepaalde voorwaarden van overeenkomstige toepassing op aanbieders van een onlineplatform dat consumenten in staat stelt overeenkomsten op afstand te sluiten (artikel 8 lid 4 Richtlijn).
Ten derde voorziet de Richtlijn in bepalingen om het voor benadeelden, met name in complexe zaken, makkelijker te maken om bewijs te leveren van het gebrek van het product en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade.
Net als in Richtlijn 85/374,26 ligt de bewijslast bij natuurlijke personen die schade hebben geleden als gevolg van een gebrekkig product (artikel 10 lid 1 Richtlijn). Benadeelden die schadevergoeding vorderen, verkeren ten opzichte van fabrikanten echter vaak in het nadeel wat betreft de toegang tot en het begrijpen van informatie over hoe een product is geproduceerd en hoe het werkt. Die informatieasymmetrie kan de eerlijke risicoverdeling ondermijnen, met name in gevallen waarin sprake is van technische of wetenschappelijke complexiteit. Daarom voorziet de Richtlijn in een geharmoniseerd recht op toegang tot bewijsmateriaal («disclosure of evidence») (artikel 9 Richtlijn; zie ook overweging 42). De eiser die in een gerechtelijke procedure vergoeding vordert voor de door een gebrekkig product veroorzaakte schade kan de rechter verzoeken de gedaagde te bevelen om alle relevante bewijsstukken waarover hij beschikt te verstrekken (artikel 9 lid 1 Richtlijn). Andersom geldt dat ook de gedaagde, die bewijsmateriaal nodig heeft om een vordering tot schadevergoeding te betwisten, de rechter kan verzoeken om de eiser te bevelen om toegang te verlenen tot relevant bewijsmateriaal (artikel 9 lid 2 Richtlijn). Bij de beoordeling van deze verzoeken moet de rechter ervoor zorgen dat de toegang tot het bewijsmateriaal, overeenkomstig het nationale recht, beperkt blijft tot wat noodzakelijk en evenredig is (artikel 9 lid 3 Richtlijn). De rechter zal daarbij rekening moeten houden met de rechtmatige belangen van alle betrokkenen, waaronder de bescherming van vertrouwelijke informatie en bedrijfsgeheimen27 (artikel 9 lid 4 Richtlijn). Indien nodig, kan de rechter specifieke maatregelen treffen om die vertrouwelijkheid te waarborgen, zoals het beperken van de toegang tot een klein aantal personen (artikel 9 lid 5; zie ook overweging 45). Gelet op de complexiteit van bepaalde soorten bewijsmateriaal (bijvoorbeeld bij digitale producten), kan de rechter bij de toewijzing van het verzoek als voorwaarde stellen dat een partij het bewijsmateriaal op een gemakkelijk toegankelijke en begrijpelijke wijze verstrekt (artikel 9 lid 6 Richtlijn).
Daarnaast bevat de Richtlijn een aantal weerlegbare vermoedens ten aanzien van het gebrek van het product en het oorzakelijk verband tussen dat gebrek en de schade (artikel 10 leden 2–5 Richtlijn). Deze vermoedens stellen de rechter in staat het bestaan van een gebrek of van een oorzakelijk verband te baseren op het bestaan van een ander bewezen feit. Vaak zal dat een feit zijn dat voor de eiser eenvoudiger is om te bewijzen. Dit is (ook in Nederland)28 een gangbaar mechanisme om de bewijslast van de eiser te verlichten (zie overweging 46). Een product wordt in de eerste plaats vermoed gebrekkig te zijn wanneer de gedaagde niet voldoet aan de verplichting om toegang te verlenen tot bewijsmateriaal op grond van artikel 9 lid 1 Richtlijn (artikel 10 lid 2, onderdeel a, Richtlijn). Dit vermoeden dient als een aansporing om aan deze verplichting te voldoen (zie overweging 46). Een product wordt in de tweede plaats vermoed gebrekkig te zijn als de eiser aantoont dat het product niet voldoet aan dwingende productveiligheidsvoorschriften die bedoeld zijn om bescherming te bieden tegen het risico van de door hem geleden schade (artikel 10 lid 2, onderdeel b, Richtlijn). Hiermee wordt beoogd de nauwe samenhang tussen productveiligheidsregels29 en aansprakelijkheidsregels te versterken (zie overweging 46). Tot slot wordt een product vermoed gebrekkig te zijn als de eiser aantoont dat de schade is veroorzaakt door een kennelijk disfunctioneren van het product bij redelijkerwijs te verwachten gebruik of onder normale omstandigheden (artikel 10 lid 2, onderdeel c, Richtlijn). Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een glazen fles die ontploft bij redelijkerwijs te verwachten gebruik, zoals schenken of drinken. In een dergelijk geval zou het voor een eiser onnodig bezwarend zijn het gebrek te moeten bewijzen (zie overweging 46).
Daarnaast bevat de Richtlijn een vermoeden van het oorzakelijk verband tussen het gebrek van het product en de schade. Dit verband wordt vermoed wanneer is vastgesteld dat het product gebrekkig is en de soort veroorzaakte schade doorgaans strookt met het betrokken gebrek (artikel 9 lid 3 Richtlijn).
Naast de hiervoor genoemde algemene bewijsvermoedens, bevat de Richtlijn ook vermoedens die alleen kunnen worden toegepast wanneer de eiser «buitensporige bewijsmoeilijkheden» ondervindt, met name als gevolg van de technische of wetenschappelijke complexiteit van de zaak. De rechter dient aan de hand van alle omstandigheden van het geval te beoordelen of hiervan sprake is. Stelt hij vast dat de eiser geconfronteerd wordt met «buitensporige moeilijkheden» om het gebrek van het product en/of het oorzakelijk verband tussen dat gebrek en de schade aan te tonen, dan wordt dat gebrek en/of dat oorzakelijk verband vermoed als de eiser aantoont dat het waarschijnlijk is dat het product gebrekkig is en/of dat het waarschijnlijk is dat voornoemd oorzakelijk verband bestaat (artikel 9 lid 4 Richtlijn). Dit betreft een lagere bewijsstandaard dan doorgaans is vereist op grond van het nationale recht, waarbij vaak een hogere mate van waarschijnlijkheid is vereist (zie overweging 46). De gedaagde heeft het recht om alle bewijsvermoedens te weerleggen (artikel 9 lid 5 Richtlijn).
Met het doel om ook andere belemmeringen om een schadevergoeding te verkrijgen te verminderen, schrapt de Richtlijn de regel dat alleen zaakschade van minimaal € 500,– kan worden vergoed (de franchise). Hierdoor kan voortaan ook voor kleine zaakschades een schadevergoeding worden verkregen. Daarnaast bevat de Richtlijn een verlenging van de vervaltermijn van tien naar 25 jaar voor het geval een benadeelde vanwege de lange latentietijd (periode tussen de veroorzaking van het letsel en de openbaring daarvan) van een lichamelijk letsel niet in staat was om binnen tien jaar een procedure te starten (artikel 17 lid 2 Richtlijn).
Tot slot bevat de Richtlijn een aantal aanpassingen met het oog op de circulaire economie. Bij de overgang van een lineaire naar een circulaire economie worden producten zo ontworpen dat ze duurzamer, beter herbruikbaar, gemakkelijker te herstellen en gemakkelijker op te waarderen zijn. De EU bevordert ook innovatieve en duurzame productie- en consumptiemethoden die de functionaliteit van producten en componenten verlengen, zoals revisie, opknappen en reparatie (zie overweging 39).30 Wanneer een product ingrijpend wordt gewijzigd en vervolgens op de markt wordt aangeboden of in gebruik wordt gesteld, wordt het voor de toepassing van de Richtlijn als een nieuw product beschouwd. Wanneer de wijziging wordt aangebracht zonder dat de oorspronkelijke fabrikant daarover zeggenschap heeft, kan de persoon die de ingrijpende wijziging heeft aangebracht als fabrikant van het gewijzigde product aansprakelijk worden gesteld voor de door dat product veroorzaakte schade (artikel 8 lid 2 Richtlijn). Of een wijziging ingrijpend is, moet worden bepaald aan de hand van criteria die zijn vastgesteld in het relevante EU- en nationale productveiligheidsrecht.31 Het is mogelijk dat dergelijke criteria voor het betrokken product niet zijn vastgesteld. In dat geval worden als ingrijpend beschouwd: wijzigingen (i) die de oorspronkelijke prestaties, het doel of het type van het product veranderen zonder dat dit was voorzien in de oorspronkelijke risicobeoordeling van de fabrikant én (ii) die de aard van het gevaar veranderen, een nieuw gevaar creëren of het risiconiveau verhogen (artikel 4 onder 18 Richtlijn).
Als een ingrijpende wijziging is uitgevoerd door de oorspronkelijke fabrikant, of onder diens zeggenschap, en als een dergelijke ingrijpende wijziging het product gebrekkig maakt, kan die fabrikant niet aan aansprakelijkheid ontkomen door aan te voeren dat het gebrek is ontstaan nadat het product in de handel is gebracht of in gebruik is gesteld (artikel 11 lid 1, onderdeel c, en lid 2, onderdeel d, Richtlijn). Met het oog op een eerlijke risicoverdeling in de circulaire economie bepaalt de Richtlijn dat een marktdeelnemer die een ingrijpende wijziging aanbrengt, anders dan de oorspronkelijke fabrikant, van zijn aansprakelijkheid wordt vrijgesteld als hij bewijst dat de schade verband houdt met een onderdeel van het product waarop de wijziging geen betrekking heeft (artikel 11 lid 1, onderdeel g, Richtlijn; zie ook overweging 39). Marktdeelnemers die reparaties of andere verrichtingen uitvoeren die geen ingrijpende wijzigingen inhouden, kunnen niet aansprakelijk worden gesteld op grond van de Richtlijn. Dit geldt ook voor wijzigingen door middel van updates of upgrades die niet kwalificeren als «ingrijpend» in de zin van de Richtlijn (zie overwegingen 39–40).
Om de geharmoniseerde interpretatie van de Richtlijn te vergemakkelijken, verplicht de Richtlijn de lidstaten om alle onherroepelijke rechterlijke uitspraken van nationale hoven van beroep of de hoogste rechterlijke instantie in op grond van de Richtlijn ingeleide procedures te publiceren (artikel 19 lid 1 Richtlijn). De Europese Commissie zet een gemakkelijk toegankelijke en openbaar beschikbare databank op met deze rechterlijke beslissingen, en houdt die bij (artikel 19 lid 2 Richtlijn). De Europese Commissie evalueert uiterlijk op 9 december 2030, en vervolgens om de vijf jaar, de toepassing van de Richtlijn en brengt daarvan verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité. Die verslagen moeten informatie bevatten over de kosten en baten van de omzetting van de Richtlijn, een vergelijking met de OESO-landen en de beschikbaarheid van productaansprakelijkheidsverzekeringen (artikel 20 Richtlijn).
De Richtlijn moet op 9 december 2026 zijn omgezet en is van toepassing op producten die op of na die datum in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn gesteld. Richtlijn 85/374 wordt met ingang van die datum ingetrokken. Zij blijft wel van toepassing op producten die vóór 9 december 2026 in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn gesteld (artikel 21 Richtlijn).
De Richtlijn vervangt Richtlijn 85/374. Die richtlijn is geïmplementeerd in Afdeling 3 van Titel 3 van Boek 6 van het BW (hierna: afdeling 6.3.3 BW). Ook de nieuwe Richtlijn wordt in die afdeling geïmplementeerd. Hierbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige opzet en systematiek van het BW. Waar dit niet mogelijk of zinvol was, is omwille van de rechtszekerheid zoveel mogelijk aangesloten bij de tekst van de Richtlijn. Verder is van de gelegenheid gebruik gemaakt om ouderwets taalgebruik op een paar punten te moderniseren. Daarnaast leidt de Richtlijn tot wijziging van enkele (andere) artikelen in de Boeken 6 en 7 BW en de invoeging van een artikel in de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek.
Net als Richtlijn 85/374,32 biedt de Richtlijn lidstaten de mogelijkheid om af te wijken van het ontwikkelingsrisicoverweer (artikel 18 Richtlijn). Dit houdt in dat lidstaten maatregelen mogen handhaven of invoeren op grond waarvan marktdeelnemers aansprakelijk zijn, zelfs als zij bewijzen dat het op grond van de objectieve stand van de wettenschappelijke en technische kennis niet mogelijk was het gebrek te ontdekken op, kort gezegd, het moment dat het product in de handel werd gebracht (artikel 18 leden 1 en 2 Richtlijn). In afwijking van Richtlijn 85/374, geldt voor onder de Richtlijn nieuw in te voeren maatregelen, dat zij a) worden beperkt tot specifieke productcategorieën, b) hun rechtvaardiging vinden in doelstellingen van algemeen belang en c) evenredig zijn (artikel 18 lid 3 Richtlijn). Een lidstaat dient de Europese Commissie in kennis te stellen van de tekst van de maatregel en te motiveren dat aan de hiervoor genoemde vereisten is voldaan (artikel 18 leden 4–5 Richtlijn). Nederland heeft tot op heden geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om af te wijken van het ontwikkelingsrisicoverweer.33 De gedachte hierachter is dat voorkomen moet worden dat producenten afzien van de ontwikkeling van nieuwe producten, vanuit de vrees dat een op dat moment redelijkerwijs niet te voorzien gebrek in de toekomst tot schade zou kunnen leiden. Er zijn geen signalen ontvangen dat een dergelijke afwijking nu wel wenselijk zou zijn. Om de ontwikkeling van nieuwe producten niet onnodig af te remmen, wordt daarom voorgesteld het bestaande beleid voort te zetten.
In de bijgevoegde transponeringstabel wordt aangegeven welke richtlijnbepalingen geen implementatie behoeven, omdat zij reeds in Boek 6 BW zijn verankerd, niet aan de lidstaten zijn gericht of enkel een feitelijk handelen van de centrale overheid inhouden zonder dat derden daarop aanspraak hoeven te kunnen maken. Hieronder wordt een toelichting gegeven op de keuze om een aantal richtlijnbepalingen niet om te zetten.
Artikel 1 bevat het onderwerp en doel van de Richtlijn en behoeft daarom naar zijn aard geen implementatie. In afdeling 6.3.3 BW is wel verduidelijkt dat de risicoaansprakelijkheid ziet op schade van «natuurlijke personen» (zie het voorgestelde artikel 6:185 lid 1 BW).
Artikel 2 lid 1 betreft het temporele toepassingsbereik van de Richtlijn en behoeft daarom naar zijn aard geen implementatie. Artikel 2 lid 4, onderdeel a, bepaalt dat de Richtlijn geen afbreuk doet aan de toepasselijkheid van het Unierecht inzake persoonsgegevensbescherming.34 Deze bepaling legt verder geen verplichtingen op aan de lidstaten en behoeft daarom evenmin implementatie. Artikel 2 lid 4, onderdeel b, bepaalt dat de Richtlijn geen afbreuk doet aan de rechten die een benadeelde ontleent aan nationale regels inzake contractuele aansprakelijkheid of buitencontractuele aansprakelijkheid op andere gronden dan het gebrek van een product, zoals vastgesteld in de Richtlijn, waaronder de ter uitvoering van het Unierecht vastgestelde regels. Deze bepaling maakt reeds deel uit van de huidige regeling in afdeling 6.3.3 BW en is opgenomen in artikel 6:193 BW. In deze bepaling worden alleen redactionele wijzigingen doorgevoerd. Artikel 2 lid 4, onderdeel c, bepaalt dat de Richtlijn geen afbreuk doet aan de rechten die een benadeelde ontleent aan bijzondere aansprakelijkheidsregelingen die op 30 juli 1985 in het nationale recht bestonden. Deze bepaling behoeft geen implementatie, omdat deze situatie zich in Nederland niet voordoet.
Artikel 3 betreft het harmonisatieniveau van de Richtlijn en behoeft daarom naar zijn aard geen implementatie.
In artikel 5 lid 1 is het recht opgenomen van iedere natuurlijke persoon die schade heeft geleden als gevolg van een gebrekkig product op vergoeding van zijn schade overeenkomstig de Richtlijn. Ingevolge artikel 6 lid 2 omvat dit recht op schadevergoeding alle materiële en immateriële verliezen die voortvloeien uit de in lid 1 van dat artikel genoemde schadesoorten, waarbij voor de mogelijkheid van een vergoeding van immateriële verliezen wordt verwezen naar het nationale recht. Deze beginselen maken reeds deel uit van het Nederlandse schadevergoedingsrecht. Zie artikel 6:95 BW voor het recht op vergoeding van vermogensschade en ander nadeel. De vergoeding van immateriële schade («ander nadeel») is nader geregeld in artikel 6:106 BW. Ingevolge artikel 6 lid 3 doet de Richtlijn geen afbreuk aan het nationale recht met betrekking tot schadevergoeding uit hoofde van andere aansprakelijkheidsregelingen (bijvoorbeeld onrechtmatige daad). Deze bepaling is reeds vervat in artikel 6:193 BW en behoeft daarom geen implementatie.
Artikel 5 lid 2, onderdeel b, schrijft voor dat schadevergoedingsvorderingen op grond van de Richtlijn ook moeten kunnen worden ingesteld door een persoon die krachtens het Unie- of nationale recht namens een of meer benadeelden handelt. Deze bepaling behoeft geen implementatie, omdat het Nederlandse recht deze mogelijkheid al biedt. Zie de artikelen 3:305a-305e BW voor het recht op collectieve actie en de artikelen 1018b-1018o Rv voor de procedure in zaken betreffende een collectieve actie en collectieve schadeafwikkeling. Deze artikelen betreffen mede de implementatie van de Richtlijn Representatieve vorderingen voor consumenten.35 Die richtlijn is bedoeld om inbreuken op consumenten beschermende EU-bepalingen te kunnen handhaven in collectieve actie. De richtlijn productaansprakelijkheid valt daar ook onder.36 Daarnaast biedt het huidige Nederlandse burgerlijk procesrecht ook andere mogelijkheden om vorderingen namens andere personen in te stellen, bijvoorbeeld via volmacht of door de vordering over te dragen aan een ander (cessie).
Artikel 8 lid 5 biedt lidstaten de mogelijkheid om gebruik te maken van bestaande nationale sectorale compensatieregelingen of nieuwe regelingen vast te stellen om benadeelden op een passende wijze te compenseren. Lidstaten kunnen hiervoor kiezen als benadeelden geen schadevergoeding kunnen krijgen, omdat geen van de in artikel 8 leden 1–4 bedoelde personen aansprakelijk kan worden gesteld of omdat zij insolvent zijn of niet meer bestaan. De Richtlijn bepaalt dat een dergelijke regeling bij voorkeur niet met overheidsmiddelen worden gefinancierd. Deze bepaling legt de lidstaten geen verplichtingen op en behoeft daarom niet te worden omgezet. Uit vast kabinetsbeleid voor de implementatie van Unie-recht volgt dat in een implementatieregeling alleen regels die volgen uit de Richtlijn worden opgenomen (zuivere implementatie). In lijn met dit kabinetsbeleid en ter voorkoming van regeldruk wordt daarom geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om nieuwe sectorale compensatieregelingen vast te stellen.
In artikel 9 zijn regels opgenomen voor de toegang tot bewijsmateriaal in gerechtelijke procedures over productaansprakelijkheid (zie hiervoor paragraaf 2.4 c. van deze memorie van toelichting). Deze procedurele regels zijn in overeenstemming met «het recht op inzage, afschrift of uittreksel van gegevens» in de artikelen 194 en 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het richtlijnartikel behoeft daarom geen implementatie. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de Richtlijn de regels over de toegang tot bewijsmateriaal alleen harmoniseert voor aangelegenheden die door de Richtlijn worden geregeld. Niet door de Richtlijn geregeld zijn onder meer de regels over (i) de toegang tot bewijsmateriaal voorafgaand aan de gerechtelijke procedure, (ii) de vraag hoe specifiek een verzoek om bewijsmateriaal moet zijn, (iii) de toegang tot bewijsmateriaal dat zich onder derden bevindt, (iv) gevallen van declaratoire vorderingen en (v) sancties op de niet-naleving van de verplichting om toegang te verlenen tot bewijsmateriaal (zie artikel 9 lid 7 en overweging 43). Deze zaken zijn dus volledig overgelaten aan het nationale recht. Nederland kent de mogelijkheid om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens te verzoeken voordat een zaak aanhangig is, of als het geding aanhangig is gemaakt, voordat de zaak op de rol is ingeschreven (zie de artikelen 194–195a jo. artikel 196 Rv). Van deze mogelijkheid kan dus ook gebruik worden gemaakt in productaansprakelijkheidszaken.
Artikel 10 lid 1 bepaalt dat de eiser (benadeelde) het gebrek van het product, de geleden schade en het oorzakelijk verband tussen dat gebrek en die schade moet bewijzen. Deze bepaling stemt overeen met die in Richtlijn 85/374 en is al geïmplementeerd in artikel 6:188 BW. In dit artikel wordt alleen een redactionele wijziging doorgevoerd.
Artikel 12 lid 1 regelt de hoofdelijke aansprakelijkheid van marktdeelnemers. Dit uitgangspunt maakt reeds deel uit van de huidige productaansprakelijkheidsregeling in afdeling 6.3.3 BW en is geregeld in artikel 6:189 BW. De bepaling behoeft daarom geen implementatie. In artikel 12 lid 2 is opgenomen dat een fabrikant die software als een component in een product integreert geen regresrecht heeft jegens de fabrikant van een gebrekkige softwarecomponent die schade veroorzaakt, als de laatstgenoemde fabrikant, kort gezegd, kwalificeert als een micro-onderneming of een kleine onderneming en partijen contractueel zijn overeengekomen dat de eerstgenoemde fabrikant afstand doet van zijn regresrecht. Deze bepaling behoeft niet te worden omgezet. De regresverhouding, waarvoor de Richtlijn in de artikelen 12 lid 1, 13 lid 2 en 14 naar het nationale recht verwijst, kan in Nederland nu ook al contractueel worden geregeld.
Artikel 14 bepaalt dat een markdeelnemer die de schade van de benadeelde heeft vergoed het recht heeft om verhaal te nemen op andere op grond van artikel 8 aansprakelijke marktdeelnemers, overeenkomstig het nationale recht. Voor het Nederlandse recht zijn artikel 6:10 BW in verbinding met de artikelen 6:102 lid 1 en 6:101 BW van belang. Ook deze bepaling behoeft daarom geen implementatie.
In artikel 15 is opgenomen dat de aansprakelijkheid op grond van de Richtlijn ten aanzien van de benadeelde niet mag worden beperkt of uitgesloten door een contractuele bepaling of door het nationale recht. Dit voorschrift maakt reeds deel uit van de huidige productaansprakelijkheidsregeling in afdeling 6.3.3 BW en is geregeld in artikel 6:192 BW. In dat artikel wordt alleen een redactionele wijziging doorgevoerd.
Artikel 16 lid 2 bepaalt dat de Richtlijn het nationale recht inzake schorsing of stuiting van de in artikel 16 lid 1 bedoelde verjaringstermijn onverlet laat. Deze bepaling legt geen verplichtingen op aan de lidstaten en behoeft daarom geen implementatie. De stuiting van verjaringstermijnen is in het Nederlandse recht geregeld in de artikelen 3:316–3:319 BW.
Artikel 18 lid 1 biedt lidstaten de mogelijkheid om bestaande maatregelen te handhaven waarmee wordt afgeweken van het ontwikkelingsrisicoverweer. Zij dienen de Europese Commissie daarvan uiterlijk op 9 december 2026 in kennis te stellen. Deze situatie doet zich in Nederland niet voor, zodat deze bepaling geen implementatie behoeft. Artikel 18 leden 2 en 3 biedt lidstaten daarnaast de mogelijkheid om nieuwe maatregelen in te voeren of daarin wijzigingen aan te brengen op grond waarvan wordt afgeweken van het ontwikkelingsrisicoverweer. Nederland maakt van deze mogelijkheid geen gebruik (zie paragraaf 3.1.1 van deze memorie van toelichting). Artikel 18 behoeft om die reden ook overigens geen implementatie.
Ook artikel 19 lid 1 vereist geen omzetting. Het bevat een verplichting om alle onherroepelijke rechterlijke uitspraken van nationale hoven van beroep of hoogste nationale rechterlijke instanties in op grond van de Richtlijn ingeleide procedures te publiceren. Dit betreft een feitelijk handelen van de centrale overheid zonder dat derden daarop aanspraak hoeven te kunnen maken. In paragraaf 4 van deze memorie van toelichting wordt ingegaan op de wijze waarop hieraan uitvoering wordt gegeven. Artikel 19 lid 2 gaat over het opzetten en bijhouden van een databank met rechterlijke beslissingen. Deze bepaling is gericht tot de Europese Commissie en behoeft daarom geen implementatie.
Artikel 20 betreffende de evaluatie van de Richtlijn is aan de Europese Commissie gericht en behoeft daarom geen implementatie. Artikel 23 stelt de datum van inwerkingtreding vast en artikel 24 betreft de adressaten van de Richtlijn. Ook deze bepalingen behoeven naar hun aard niet te worden geïmplementeerd.
In deze paragraaf wordt ingegaan op de regeldruk. Die bestaat uit zogenoemde inhoudelijke nalevingskosten en de administratieve lasten. Het kabinet streeft ernaar de regeldruk voor bedrijven en burgers terug te dringen.37
Bedrijfsleven en burgers
Dit wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de regeldruk van burgers. Het brengt verder geen inhoudelijke nalevingskosten mee voor het bedrijfsleven. Het stelt immers niet meer of andere (technische) eisen aan producten. Het voorstel leidt evenmin tot administratieve lasten voor het bedrijfsleven, omdat niet wordt voorzien in wettelijke informatieverplichtingen voor marktdeelnemers. Voor potentieel aansprakelijke marktdeelnemers die niet onder Richtlijn 85/374 vallen, maar wel onder de Richtlijn (o.a. gemachtigden en de fulfilmentdienstverleners), geldt dat zij kennis zullen moeten nemen van de nieuwe regeling in afdeling 6.3.3 BW. De hieraan verbonden kosten zijn minimaal.38
Raad voor de rechtspraak
De Raad voor de rechtspraak heeft laten weten dat het wetsvoorstel naar verwachting niet leidt tot substantiële werklastgevolgen voor de Rechtspraak. Het ruimere toepassingsbereik van afdeling 6.3.3 BW (onder meer de verruiming van het begrip «product», het afschaffen van de franchise voor zaakschade en een bredere kring van aansprakelijke personen) zal mogelijk leiden tot een toename van het aantal rechtszaken op grond van de regeling van de productaansprakelijkheid. Hierbij zal echter naar verwachting vooral sprake zijn van een verschuiving van zaken op grond van onrechtmatige daad (of een andere grondslag) naar zaken op grond van de regeling in afdeling 6.3.3 BW. Dit maakt dat de toename van het totale aantal rechtszaken waarschijnlijk (zeer) beperkt zal zijn.
De Richtlijn bevat de verplichting om, in een gemakkelijk toegankelijk en elektronisch formaat, alle onherroepelijke uitspraken te publiceren van gerechtshoven en de Hoge Raad in procedures die op grond van de Richtlijn zijn ingeleid (artikel 19 lid 1 Richtlijn).
Voor het publiceren van rechterlijke uitspraken heeft de rechterlijke macht richtlijnen opgesteld in het «Besluit selectiecriteria uitsprakendatabank Rechtspraak.nl».39 Op grond van artikel 5 van die selectiecriteria wordt een uitspraak altijd gepubliceerd, als deze mede de belangen raakt van natuurlijke of rechtspersonen die geen partij waren in het geding. Dit zal bij rechterlijke uitspraken over productaansprakelijkheid vaak het geval zijn. Om zeker te stellen dat uitspraken in een procedure die is ingeleid op grond van afdeling 6.3.3 BW worden gepubliceerd, is dit met zoveel woorden in de tekst van de selectiecriteria worden opgenomen. De uitbreiding van de publicatieplicht is voor de Rechtspraak één van de stappen binnen de uitvoering van het programma «Meer en Verantwoord Publiceren»40 en vormt als zodanig geen extra last voor de gerechten. Ook voor de Hoge Raad vormt het voldoen aan de publicatieplicht op grond van de Richtlijn geen zwaardere uitvoeringslast. Op grond van artikel 3 van de selectiecriteria worden nu al nagenoeg alle uitspraken van de Hoge Raad gepubliceerd.
Bedrijfsleven en burgers
Dit wetsvoorstel heeft geen financiële gevolgen voor burgers. Het voorstel heeft mogelijk financiële gevolgen voor marktdeelnemers. Productaansprakelijkheid is in de regel meeverzekerd op de Aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven (AVB).41 Het merendeel van de betrokken marktdeelnemers heeft een dergelijke verzekering. Als marktdeelnemers aansprakelijk worden gesteld voor schade veroorzaakt door een gebrekkig product, dekt de aansprakelijkheidsverzekering in de regel de schadevergoeding en juridische kosten. Verzekeringspremies worden bepaald aan de hand van alle relevante nationale en internationale ontwikkelingen. Het is op dit moment nog onzeker welke gevolgen het wetsvoorstel heeft voor de verzekerbaarheid, dekking en premies. Het Verbond van Verzekeraars (hierna: Verbond) heeft desgevraagd laten weten dat de uitbreiding van de kring van aansprakelijke personen (met o.a. gemachtigden en fulfilmentdienstverleners) naar verwachting leidt tot een toename van de schadelast. Ook heeft het Verbond erop gewezen dat de verruiming van de begrippen product (met software en digitale fabricagedossiers) en schade (met vernietiging of corruptie van niet voor beroepsdoeleinden gebruikte gegevens) leidt tot nieuwe risico’s die lastig calculeerbaar zijn. Het Verbond merkt op dat de verzekerbaarheid daarvan afhankelijk is van de risicobeoordeling per geval. Uit het Impact Assessment Report bij het voorstel voor de Richtlijn van de Europese Commissie volgt dat het ruimere toepassingsbereik naar verwachting een marginale premiestijging tot gevolg heeft.42 De Europese Commissie zal de gevolgen voor de productaansprakelijkheidsverzekeringen ook betrekken bij de evaluatie van de Richtlijn (artikel 20 van de Richtlijn).
Bij het voorgaande is van belang dat het wetsvoorstel niet alleen voorziet in een verruiming van de productaansprakelijkheidsregeling, maar – vergeleken met Richtlijn 85/374 – ook meer duidelijkheid biedt over de producten en marktpartijen die eronder vallen. Dit draagt bij aan de rechtszekerheid voor het bedrijfsleven. Het stelt marktdeelnemers in staat om hun productaansprakelijkheidsrisico te inventariseren en na te gaan of zij hiervoor (voldoende) verzekerd zijn. Dit kan ertoe leiden dat marktdeelnemers besluiten om zich (aanvullend) te verzekeren. Marktpartijen die tot nu toe geen productaansprakelijkheidsrisico liepen, zoals gemachtigden en fulfilmentdienstverleners, zullen hun aansprakelijkheidspositie en verzekeringsbehoefte opnieuw moeten bepalen. Mogelijk zijn nog niet alle (nieuwe) marktdeelnemers zich hiervan voldoende bewust. Vanuit de rijksoverheid wordt hier aandacht aan besteed op de website https://ondernemersplein.overheid.nl/wetswijzigingen/meer-partijen-aansprakelijk-voor-gebrekkige-producten/.
Net als onder Richtlijn 85/374, zullen niet alle aansprakelijkheidsrisico’s (volledig) verzekerd kunnen worden. Met de Richtlijn is beoogd een balans te vinden tussen een hoog niveau van consumentenbescherming en de belangen van het bedrijfsleven en innovatie. Wanneer de risico’s als gevolg van bepaalde (nieuwe, innovatieve) producten door verzekeraars dermate hoog worden ingeschat dat deze slechts beperkt of niet verzekerbaar zijn, ligt daarin een begrenzing van de innovatie met het oog op de gezondheid en veiligheid van natuurlijke personen. Marktdeelnemers zonder aansprakelijkheidsverzekering (dit is een minderheid)43 kunnen worden geconfronteerd met directe schadevergoedingskosten en juridische kosten als de zaak voor de rechter komt.44 Door het ruimere toepassingsbereik van de productaansprakelijkheidsregeling kunnen die kosten hoger zijn dan nu het geval is.
Raad voor de rechtspraak
Het voldoen aan de hiervoor genoemde verplichting tot het publiceren van onherroepelijke uitspraken van gerechtshoven en de Hoge Raad heeft geen financiële gevolgen voor de gerechten. Het beleid van de rechtspraak, zoals neergelegd in het Besluit selectiecriteria uitsprakendatabank Rechtspraak.nl, is dat nagenoeg alle uitspraken van gerechtshoven en de Hoge Raad worden gepubliceerd. Daarnaast is in artikel 4 van dit besluit bepaald dat uitspraken over productaansprakelijkheid altijd worden gepubliceerd. Deze publicatie vormt een onderdeel van de rechterlijke taken waarvoor middelen zijn toegekend.
Rijksoverheid
Dit wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de Rijksbegroting.
Het wetsvoorstel is van 24 april 2025 tot en met 22 mei 2025 in internetconsultatie geweest. Daarop zijn in totaal tien openbaar raadpleegbare reacties binnengekomen, voornamelijk van betrokken belangenorganisaties. Daarnaast is een aantal organisaties aangeschreven met het verzoek om een reactie of advies. Dit betreft onder meer de Raad voor de rechtspraak (Rvdr), de Nederlandse Orde van advocaten (NOvA) en het Verbond van Verzekeraars (Verbond). De Rvdr heeft geen inhoudelijke opmerkingen bij het wetsvoorstel. De Rvdr heeft verder laten weten dat het voorstel naar verwachting geen substantiële werklastgevolgen heeft voor de Rechtspraak. Dit is verwerkt in paragraaf 4 van deze memorie van toelichting. De NOvA heeft geen opmerkingen bij het wetsvoorstel. Het Verbond vraagt aandacht voor de mogelijke gevolgen voor de verzekerbaarheid van productaansprakelijkheidsrisico’s, de financiële impact op verzekeringsproducten en de daarmee samenhangende financiële gevolgen voor marktdeelnemers. Ook de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG) en The American Chamber of Commerce in the Netherlands (AmCham) wijzen op de mogelijke gevolgen van het wetsvoorstel voor de verzekerbaarheid, dekking en premies. Naar aanleiding van deze reacties is paragraaf 5 van deze memorie van toelichting aangepast en aangevuld. Tot slot is de consultatieversie voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Het ATR heeft laten weten dat advisering achterwege kan blijven, omdat het wetsvoorstel zuivere een-op-een-implementatie betreft. De overige consultatiereacties worden hierna thematisch besproken.
Kanalisatiebepaling bij consumentenkoop (artikel 7:24 lid 2 BW)
Een aantal reacties gaat over de kanalisatiebepaling bij consumentenkoop (artikel 7:24 lid 2 BW). Als sprake is van non-conformiteit45 bij een consumentenkoop dan heeft een consument-koper jegens de verkoper recht op schadevergoeding (artikel 7:24 lid 1 in verbinding met artikel 6:74 BW). Bestaat de tekortkoming evenwel in een gebrek als bedoeld in afdeling 6.3.3 BW, dan volgt uit artikel 7:24 lid 2 BW dat de consument zich voor schade als bedoeld in die afdeling (kort gezegd: letselschade en schade aan andere zaken dan het product zelf) dient te wenden tot de producent. De verkoper is voor die schade niet aansprakelijk. Hierop gelden drie uitzonderingen. De consument-koper heeft wel recht op schadevergoeding jegens de verkoper als a) de verkoper het gebrek kende, b) hij de afwezigheid van het gebrek heeft toegezegd of c) het zaakschade onder de € 500,– betreft. De gedachte achter deze regeling is dat het niet redelijk is de verkoper steeds aansprakelijk te houden voor producten die hij niet zelf heeft vervaardigd en redelijkerwijs ook niet op deugdelijkheid heeft kunnen controleren. In dat geval behoort de eigenlijke veroorzaker van de ondeugdelijkheid (de producent) te worden aangesproken.46 Het kan voorkomen dat de verkoper dezelfde persoon is als de producent. Dit maakt voor het kanalisatieprincipe geen verschil: betrokkene kan dan in zijn hoedanigheid van producent tot schadevergoeding worden aangesproken (afdeling 6.3.3 BW), niet in zijn rol van verkoper (artikel 7:24 lid 2 BW). Artikel 7:50am BW verklaart artikel 7:24 BW van overeenkomstige toepassing op de levering van digitale inhoud of digitale diensten.
Professor M.B.M. Loos pleit voor het schrappen van de kanalisatiebepaling bij consumentenkoop in artikel 7:24 lid 2 BW (en daarmee ook artikel 7:50am BW). Volgens Loos brengt deze bepaling mee dat de consument-koper op dit punt in een slechtere positie verkeert dan een professionele koper, die zich in beginsel kan wenden tot de verkoper. Loos stelt dat niet valt in te zien waarom de verkoper die tegenover een consument-koper staat op dit punt meer bescherming zou verdienen dan wanneer hij tegenover een professionele koper staat. Naar aanleiding van dit betoog, stellen Koninklijke INretail (brancheorganisatie voor retailers in Wonen, Mode Schoenen en Sport) en Techniek Nederland zich in hun reacties op het standpunt dat de kanalisatiebepaling behouden moet blijven. Zij wijzen erop dat verkopers geen «schuld» hebben aan het ontstaan van de schade en dat regres op de voorschakel in de praktijk niet altijd mogelijk is. De Consumentenbond merkt op dat het voorgestelde schrappen van artikel 7:24 lid 2, onderdeel c, BW (de franchise van € 500,–) ertoe leidt dat verkopers consument-kopers voortaan ook voor kleine zaakschades kunnen doorverwijzen naar de producent. Hij ziet bij zaakschade onder de € 500,– bij voorkeur een gezamenlijke aansprakelijkheid van de verkoper en de producent.
De suggesties van Loos en de Consumentenbond tot het schrappen respectievelijk aanpassen van de kanalisatiebepaling in artikel 7:24 lid 2 BW zijn niet verwerkt in het wetsvoorstel. Uit vast beleid ten aanzien van implementatie van EU-recht volgt dat in een implementatiewet alleen regels die volgen uit de Richtlijn worden opgenomen. In het Regeerprogramma Schoof is dit uitgangspunt nog eens benadrukt.47 Er mag dus geen nationaal beleid of nationale regelgeving van andere aard worden meegenomen. Verder is van belang dat de Richtlijn de kring van aansprakelijke marktdeelnemers uitbreidt met onder andere de gemachtigde van de fabrikant, de fulfilmentdienstverlener en, onder voorwaarden, onlineplatforms. Dit brengt mee dat er vaker een aansprakelijke marktdeelnemer in de EU zal zijn tot wie de consument zich kan wenden. Na inwerkingtreding van de implementatiewet zal worden bekeken hoe de kanalisatiebepaling in de praktijk uitwerkt. Mochten er signalen zijn dat consumenten problemen ondervinden bij het halen van hun recht, dan zal worden bezien of, en zo ja, op welke wijze de kanalisatiebepaling dient te worden aangepast.
(Afwijking van) het ontwikkelingsrisicoverweer
De Consumentenbond adviseert om een afwijking van het ontwikkelingsrisicoverweer op te nemen voor «consumentengevoelige productcategorieën zoals kinderproducten, medische hulpmiddelen, voeding en AI-gestuurde consumentenelektronica». Dit advies wordt niet opgevolgd, omdat de noodzaak van een dergelijke afwijking onvoldoende is gebleken. De Richtlijn beoogt een balans te vinden tussen een hoog niveau van consumentenbescherming en de belangen van het bedrijfsleven en innovatie. Afwijking van het ontwikkelingsrisicoverweer leidt tot een ruimere aansprakelijkheid van marktdeelnemers. Zij zijn in dat geval ook risicoaansprakelijk als het op grond van de objectieve stand van de wetenschap en technische kennis niet mogelijk was het gebrek te ontdekken op, kort gezegd, het moment dat het product in de handel werd gebracht. Dit kan innovatie belemmeren en afremmen. Ook onder Richtlijn 85/374 heeft Nederland niet gekozen voor de optie om af te wijken van het ontwikkelingsrisicoverweer. In die zin is de keuze om geen gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid in de Richtlijn ook in overeenstemming met het uitgangspunt in het Regeerprogramma van zuivere implementatie.
«Regulatory compliance defence» (gebrek is gevolg van naleven wettelijke voorschriften)
De Consumentenbond is ook kritisch op het zogenoemde regulatory compliance defence (artikel 11 lid 1, onderdeel d, Richtlijn; geïmplementeerd in artikel 6:185 lid 1, onderdeel d, BW). Zij vraagt om hieraan een bepaling toe te voegen met de strekking dat naleving van minimumnormen geen vrijwaring van aansprakelijkheid biedt wanneer het product desondanks onvoldoende veilig is gebleken.
Het regulatory compliance defence maakt ook al onderdeel uit van Richtlijn 85/374.48 Het houdt in dat een marktdeelnemer niet aansprakelijk is als hij aantoont dat het gebrek dat de schade heeft veroorzaakt een gevolg is van het feit dat het product in overeenstemming is met wettelijke voorschriften. De marktdeelnemer zal dus moeten aantonen dat het ontwerp of de samenstelling van het product wettelijk is voorgeschreven en dat het gebrek rechtstreeks voortvloeit uit de noodzaak om deze voorschriften in acht te nemen. Slaagt de marktdeelnemer hierin, dan is hij gevrijwaard van aansprakelijkheid. Onder Richtlijn 85/374 is dit verweer, voor zover bekend, nog nooit aantoonbaar toegepast.49 De verwachting is dan ook dat deze situatie zich in de praktijk niet of nauwelijks zal voordoen. Zoals hiervoor is opgemerkt, laat de Richtlijn geen ruimte voor het invoeren van nieuwe regels over productaansprakelijkheid op nationaal niveau (maximumharmonisatie). Daarbij is ook van belang dat in de implementatiewet alleen regels die volgen uit de Richtlijn mogen worden opgenomen. Het voorstel van de Consumentenbond lijkt er bovendien aan voorbij te gaan dat marktdeelnemers het regulatory compliance-verweer alleen met succes kunnen inroepen als er een oorzakelijk verband bestaat tussen het naleven van wettelijke voorschriften en het ontstaan van het gebrek. Het voorstel van de Consumentenbond is daarom niet overgenomen in het wetsvoorstel.
Dropshipping en directe import
De Consumentenbond doet twee voorstellen tot uitbreiding van de productaansprakelijkheidsregeling met het oog op dropshipping en directe import. Bij dropshipping verkoopt een «dropshipper» producten zonder deze zelf op voorraad te hebben. Dit doet hij bijvoorbeeld door online producten uit landen buiten de EU door te verkopen, bijvoorbeeld uit webwinkels in China, en deze rechtstreeks naar de klant te laten verzenden. Bij directe import koopt een consument zelf rechtstreeks producten via een webwinkel of online platform buiten de EU, zonder tussenkomst van een importeur en/of distributeur.
In het geval van dropshipping en directe import is er geen aansprakelijke partij in de EU op grond van de Richtlijn. Zoals ook hiervoor is opgemerkt, laat de Richtlijn geen ruimte voor het invoeren van nieuwe regels over productaansprakelijkheid op nationaal niveau (maximumharmonisatie). Bovendien volgt uit het Regeerprogramma dat in de implementatiewet alleen regels die volgen uit de Richtlijn mogen worden opgenomen. Dit geldt ook voor het voorstel van de Consumentenbond om onlineplatforms hoofdelijk aansprakelijk te maken als zij verkopers van buiten de EU toelaten op het platform zonder vooraf te controleren of er een EU-importeur of gemachtigde is. De voorstellen van de Consumentenbond zijn daarom niet overgenomen.
Het voorgaande neemt niet weg dat het belangrijk is dat consumenten zich bewust zijn van de risico’s van dropshipping en directe import. Om consumenten hierover voor te lichten, is op de website van de rijksoverheid een pagina ingericht met informatie over hun rechten bij directe import.50 Voor informatie over dropshipping wordt doorverwezen naar de website van ACM ConsuWijzer.51 Bij dropshipping geldt dat de dropshipper verantwoordelijk is voor onder andere de veiligheid en levering van de producten. De dropshipper kan dus, los van de regels inzake productaansprakelijkheid, aansprakelijk zijn op grond van wanprestatie of onrechtmatige daad als de veiligheid of levering niet in orde zijn. Hij mag consumenten voor dit soort zaken dus niet zomaar doorverwijzen naar een partij buiten de EU. Op de website van de rijksoverheid is een pagina te vinden met informatie over de regels waar dropshippers aan moeten voldoen.52
Circulaire economie, positie reparateurs en refurbish-bedrijven
Techniek Nederland en de Consumentenbond hebben opmerkingen gemaakt over de positie onder de Richtlijn van reparateurs en refurbish-bedrijven die producten repareren of opknappen nadat zij op de markt zijn gebracht.
De Richtlijn regelt dat personen die een product ingrijpend wijzigen nadat het op de markt is gebracht, zonder dat de fabrikant daar zeggenschap over heeft, en het vervolgens in handel brengen of in gebruik stellen, als fabrikant van dat product worden beschouwd (artikel 8 lid 2 Richtlijn; geïmplementeerd in artikel 6:187 lid 2 BW). Dit betekent dat zij op grond van de Richtlijn aansprakelijk kunnen worden gehouden als dat product gebrekkig is en daardoor schade veroorzaakt.53 Met het oog op een eerlijke risicoverdeling in de circulaire economie, regelt de Richtlijn dat zij worden vrijgesteld van aansprakelijkheid als zij bewijzen dat de schade verband houdt met een onderdeel van het product waarop de ingrijpende wijziging geen betrekking heeft (artikel 11 lid 1, onderdeel g, Richtlijn; geïmplementeerd in artikel 6:185 lid 1, onderdeel g, BW). Marktdeelnemers die reparaties of andere verrichtingen uitvoeren die geen ingrijpende wijziging inhouden, zijn niet aansprakelijk op grond van de Richtlijn (zie ook overweging 39). Zij kunnen wel aansprakelijk zijn op grond van wanprestatie of onrechtmatige daad.
De Richtlijn bevat een definitie van «ingrijpende wijziging» (artikel 4 onder 18 Richtlijn, geïmplementeerd in artikel 6:184a lid 1, onderdeel q, BW). Of een wijziging ingrijpend is, moet in de eerste plaats worden bepaald aan de hand van criteria die zijn vastgesteld in het relevante EU- en nationale productveiligheidsrecht (zie bijvoorbeeld artikel 13 lid 3 van Verordening (EU) 2023/98854, over substantiële wijzigingen van producten die van invloed zijn op de veiligheid van het product). Wanneer dergelijke criteria voor het betrokken product niet zijn vastgesteld, wordt als «ingrijpende wijziging» beschouwd: een wijziging die (i) de oorspronkelijke prestaties, het doel of het type van een product wijzigt, zonder dat die wijziging was voorzien in de oorspronkelijke risicobeoordeling van de fabrikant, en (ii) de aard van het gevaar verandert, een nieuw gevaar creëert of het risiconiveau verhoogt. Het gaat er dus om of het product zodanig wordt gewijzigd dat dat gevolgen heeft voor de veiligheid en risico’s van het product die door de oorspronkelijke fabrikant niet waren voorzien. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
De Consumentenbond merkt op dat bedrijven die producten opknappen (refurbishen)55 en cruciale onderdelen vervangen zonder dat er sprake is van een «ingrijpende wijziging», niet zullen kwalificeren als fabrikant in de zin van de Richtlijn. De Consumentenbond vreest dat het hierdoor voor consumenten onzeker is wie aansprakelijk is in het geval een opgeknapt product gebrekkig is en schade veroorzaakt. De Consumentenbond suggereert daarom om op nationaal niveau de volgende bepaling toe te voegen aan het voorgestelde artikel 6:187 BW: «wie een product voor wederverkoop zodanig reviseert dat een nieuwe CE-keur of nieuwe garantie wordt afgegeven, geldt als fabrikant». Deze toevoeging geeft een nadere invulling aan het begrip «fabrikant» en stelt nadere regels voor productaansprakelijkheid op nationaal niveau. Zoals hiervoor is opgemerkt, laat de Richtlijn hiervoor geen ruimte (maximumharmonisatie). De begrippen «ingrijpende wijziging» en «fabrikant» moeten uniform en autonoom worden uitgelegd. Die uitleg is uiteindelijk voorbehouden aan het Hof van Justitie van de EU. Het is daarom niet toegestaan om deze begrippen op nationaal niveau verder in te vullen. Tot slot volgt uit het Regeerprogramma dat in de implementatiewet alleen regels die volgen uit de Richtlijn mogen worden opgenomen. De hiervoor genoemde suggestie van de Consumentenbond wordt dan ook niet overgenomen.
Techniek Nederland uit haar zorgen over de kwetsbare positie van de reparateur die niet geautoriseerd is door de fabrikant om een bepaald merk of product te repareren. Indien hij een product «ingrijpend wijzigt» kan hij als fabrikant aansprakelijk worden gesteld op grond van de Richtlijn. Techniek Nederland vreest dat onduidelijkheid over de mogelijke aansprakelijkheid van de reparateur kan leiden tot discussies tussen consumenten, reparateurs en fabrikanten. Zij meent dat deze discussies vanuit het belang van de circulaire economie voorkomen moeten worden. Zoals hiervoor is toegelicht, hangt het af van de omstandigheden geval of een wijziging moet worden aangemerkt als een «ingrijpende wijziging». Als een reparateur op verzoek van een consument een klein onderdeel repareert of vervangt, waarbij het doel, de prestaties en de risico’s van het product hetzelfde blijven, zal over het algemeen geen sprake zijn van een ingrijpende wijziging. Van aansprakelijkheid van de reparateur op grond van de Richtlijn is in dat geval dan ook geen sprake. Dit geldt naar verwachting voor het merendeel van de reparaties. Die hebben immers als doel om een kapot apparaat weer te laten werken zoals voor het defect. Als een reparateur echter, zonder zeggenschap van de fabrikant, het product zodanig wijzigt dat daardoor, kort gezegd, nieuwe of hogere veiligheidsrisico’s ontstaan die door de oorspronkelijke fabrikant niet waren voorzien, kan hij op grond van de Richtlijn als fabrikant aansprakelijk worden gesteld. Daarvoor is dan wel vereist dat hij het product na de ingrijpende wijziging in de handel heeft gebracht of in gebruik heeft gesteld. Daarnaast dient het ingrijpend gewijzigde product gebrekkig te zijn en dient er een oorzakelijk verband te bestaan tussen dat gebrek en de schade. Reparateurs die ingrijpende wijzigingen aanbrengen aan een product, zonder dat de fabrikant daar zeggenschap over heeft, dienen zich bewust te zijn van hun gewijzigde aansprakelijkheidspositie. Het valt onder de professionele toewijding van reparateurs om zich hiervan op de hoogte te stellen.
Techniek Nederland pleit in haar reactie voorts voor het duidelijk en zichtbaar vermelden van de levensduur van producten. In het wetsvoorstel mist de brancheorganisatie dat de fabrikant duidelijk zichtbaar en herkenbaar aan iedere consument aangeeft hoe lang het product veilig meegaat of gebruikt kan worden (de gebruiksduur). Een dergelijk voorschrift is inderdaad niet opgenomen in het wetsvoorstel, omdat dit wetsvoorstel alleen regels bevat die volgen uit de Richtlijn (zuivere implementatie). De Richtlijn bevat geen bepalingen over het vermelden van de levensduur van producten. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat Richtlijn (EU) 2024/82556 wel bepaalt dat handelaren consumenten informeren over het bestaan en de duur van een commerciële levensduurgarantie (fabrieksgarantie), in het geval dat deze gratis, voor meer dan twee jaar en met betrekking tot het hele goed wordt aangeboden door de producent. Handelaren zijn verplicht om consumenten hierover te informeren wanneer zij hierover informatie hebben ontvangen van de fabrikant. Zij dienen hiervoor gebruik te maken van een geharmoniseerd etiket.57 Lidstaten moeten de bepalingen uit Richtlijn (EU) 2024/825 vanaf 27 september 2026 toepassen.
Tot slot maakt Techniek Nederland opmerkingen over de positie van de reparateur en de garantie voor een gerepareerd product.58 Deze opmerkingen gaan niet over de regeling van de productaansprakelijkheid, maar over de regeling van non-conformiteit bij consumentenkoop. Als een afgeleverde zaak niet voldoet aan de overeenkomst (non-conform is), dan kan een consument-koper de verkoper vragen om herstel of vervanging van de zaak (Titel 7.1 BW). Ook is de verkoper aansprakelijk voor schade die de consument-koper door de non-conformiteit lijdt (behoudens de schade door een gebrekkig product waarvoor ingevolge de kanalisatiebepaling van artikel 7:24 lid 2 BW de producent kan worden aangesproken). De Richtlijn ziet niet op de consumentenkoop. Er is bij de implementatie van de Richtlijn geen ruimte voor nadere bepalingen op nationaal niveau waartoe de Richtlijn niet dwingt. Voor de inzet van Nederland in de transitie op weg naar de circulaire economie wordt verwezen naar het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023–2030.59
Definitie van «component»
De Consumentenbond doet een aantal suggesties ter verduidelijking en verfijning van de definitie van component. Deze suggesties zijn niet overgenomen in het wetsvoorstel en deze toelichting. De definitie van component in het voorgestelde artikel 6:184a lid 1, onderdeel d, BW is overgenomen uit artikel 4 onder 4 van de Richtlijn. De uitleg van die richtlijnbepaling is voorbehouden aan het Hof van Justitie van de EU. Het is daarom niet toegestaan om de definitie aan te passen.
Aansprakelijkheid voor vervuild drinkwater
De Vereniging van waterbedrijven in Nederland (Vewin) stelt te vrezen dat drinkwaterbedrijven door lozingen van derden, via vervuiling van hun drinkwaterbronnen, aansprakelijk gesteld kunnen worden op grond van de Richtlijn. Volgens Vewin zijn dergelijke productaansprakelijkheidsrisico’s niet altijd verzekerbaar, met als gevolg dat drinkwaterbedrijven worden geconfronteerd met directe schadevergoedingskosten en juridische kosten als de zaak voor de rechter komt. Vewin vraagt daarom om de introductie van een regresrecht, waarmee drinkwaterbedrijven op een laagdrempelige wijze de vergoede schade kunnen verhalen op de vervuilers van (de bronnen van) het product drinkwater.
In de preambule van de Richtlijn is vermeld dat grondstoffen, zoals gas en water, producten zijn (zie overweging 16). Dit is opgenomen ter verduidelijking van het toepassingsbereik. Ook Richtlijn 85/354 is van toepassing op drinkwater.60 Als gebrekkig drinkwater schade veroorzaakt aan natuurlijke personen kan het drinkwaterbedrijf daarvoor aansprakelijk worden gesteld op grond van afdeling 6.3.3 BW. De Richtlijn brengt daarin geen verandering. Als een ander dan het drinkwaterbedrijf verantwoordelijk is voor de vervuiling van het drinkwater, kan het drinkwaterbedrijf op basis van de bepalingen van nationaal recht regres nemen (artikel 6:10 lid 1 BW in verbinding met de artikelen 6:102 lid 1 en 6:101 BW). Dit geldt zowel voor Richtlijn 85/374 als voor de Richtlijn.
De risicoaansprakelijkheid van drinkwaterbedrijven op grond van afdeling 6.3.3 BW neemt niet weg dat natuurlijke personen hun schade ook kunnen verhalen op bijvoorbeeld vervuilende bedrijven. Voor bedrijven die schadelijke stoffen gebruiken geldt eveneens een risicoaansprakelijkheid (artikel 6:175 BW). Dit is een regeling van nationaal recht: degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf een stof gebruikt of onder zich heeft, terwijl van deze stof bekend is dat zij zodanige eigenschappen heeft, dat zij een bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zaken oplevert, is aansprakelijk, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt (artikel 6:175 lid 1 BW). Ook is het mogelijk dat natuurlijke personen een vordering instellen op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). In dat geval is wel vereist dat het vervuilende bedrijf een verwijt treft. Het kan ook zo zijn dat in het geval van vervuild drinkwater verschillende partijen aansprakelijk worden gesteld voor dezelfde schade, bijvoorbeeld de vervuiler en het drinkwaterbedrijf.
Als de benadeelde zijn schade alleen wenst te verhalen op het drinkwaterbedrijf, kan het drinkwaterbedrijf zelf andere partijen in de procedure bij de rechter betrekken (in vrijwaring oproepen; artikelen 210–216 Rv). Dit met het doel om bij een veroordeling direct de schade op de in vrijwaring opgeroepen derde te verhalen. Als er sprake is van een bedrijf dat schadelijke stoffen in de drinkwaterbronnen heeft geloosd, kan ook het drinkwaterbedrijf zich op de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:175 BW beroepen. In dat geval hoeft het drinkwaterbedrijf niet aan te tonen dat het vervuilende bedrijf een verwijt treft.
Het feit dat er verschillende partijen aansprakelijk zijn, wil overigens niet zeggen dat die partijen in hun onderlinge verhouding op gelijke wijze draagplichtig zijn. Als een drinkwaterbedrijf geen verwijt te maken valt, en het vervuilende bedrijf schuld treft, dan is het vervuilende bedrijf in de onderlinge verhouding draagplichtig (artikel 6:10 lid 1 in verbinding met artikel 6:102 lid 1 en 6:101 BW).
De Richtlijn laat geen ruimte voor het invoeren van nieuwe regels over productaansprakelijkheid op nationaal niveau (maximumharmonisatie). Daarbij is ook van belang dat in de implementatiewet alleen regels die volgen uit de Richtlijn opgenomen mogen worden. De bestaande regeling van aansprakelijkheid, vrijwaring en regres bieden drinkwaterbedrijven mogelijkheden om andere partijen (bijvoorbeeld vervuilende bedrijven) aan te spreken voor de schade, waarvoor zij op grond van afdeling 6.3.3 BW worden aangesproken.
Bewijslastverdeling en weerlegbare bewijsvermoedens
Verschillende reacties op de internetconsultatie gaan over de bewijslastverdeling en weerlegbare bewijsvermoedens in het voorgestelde artikel 6:188 BW. VNO-NCW en MKB-Nederland onderschrijven het uitgangspunt dat een bedrijf dat schade veroorzaakt hiervoor aansprakelijk gesteld moet kunnen worden, maar merken op dat omkering van de bewijslast een zwaar middel is, omdat hiermee wordt afgeweken van het uitgangspunt «wie stelt, die bewijst».
Deze stellingname van VNO-NCW en MKB-Nederland berust op een onjuiste veronderstelling. Het is op grond van het wetsvoorstel aan de eiser (de benadeelde) om het gebrek van het product, de geleden schade en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade te bewijzen (artikel 6:188 lid 1 BW). De weerlegbare bewijsvermoedens van het gebrek en het oorzakelijk verband (artikel 6:188 leden 2–4 BW) hebben als doel de bewijslast van de eiser te verlichten. Het bewijsrisico – het risico dat de gestelde feiten niet bewezen worden – blijft hierbij rusten op de eiser. Van een omkering van de bewijslast is dus geen sprake. Ook uit de preambule van de Richtlijn volgt dat een omkering van de bewijslast niet is beoogd (zie overweging 48: «om een eerlijke risicoverdeling te handhaven en tegelijk een omkering van de bewijslast te voorkomen, (...)»). Om misverstanden te voorkomen, is de toelichting bij artikel 6:188 BW op dit punt aangevuld en verduidelijkt.
VNO-NCW en MKB-Nederland, VIG en AmCham wijzen verder op een vermeende inconsistentie tussen de tekst van artikel 6:188 lid 4 BW en de memorie van toelichting, waardoor onduidelijkheid zou bestaan over de mogelijkheid van cumulatie van bewijsvermoedens. In de toelichting bij artikel 6:188 lid 4 BW is verduidelijkt dat de bewijsvermoedens van het gebrek en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade cumulatief kunnen worden toegepast, voor zover ten aanzien van elk afzonderlijk vermoeden aan de daarvoor geldende vereisten is voldaan.
Toegang tot bewijsmateriaal: bescherming van vertrouwelijke bedrijfsinformatie
VIG en AmCham hebben een aantal opmerkingen over het recht op toegang tot bewijsmateriaal (artikel 9 Richtlijn). Zij vragen om een afbakening van de term «relevant bewijsmateriaal», omdat deze nieuwe open norm een risico zou creëren op zogenoemde «fishing expeditions». Hiermee doelen zij op de situatie dat de eisende partij vergaande toegang verzoekt tot allerhande bedrijfsinformatie zonder dat er een duidelijk belang bestaat of een afbakening van wat werkelijk noodzakelijk is om het gevorderde te onderbouwen.
De term «relevant bewijsmateriaal» is opgenomen in de artikelen 9, leden 1 en 2, en 10, lid 2, van de Richtlijn. De uitleg van die richtlijnbepalingen is voorbehouden aan het Hof van Justitie van de EU. Het is daarom niet toegestaan om deze term op nationaal niveau af te bakenen. Het risico op fishing expeditions is echter beperkt, omdat de Richtlijn lidstaten verplicht erop toe te zien dat het verlenen van toegang tot bewijsmateriaal overeenkomstig het nationale recht beperkt blijft tot wat noodzakelijk en evenredig is (artikel 9 leden 3–5 Richtlijn). Voor het Nederlandse recht wordt verwezen naar het recht op inzage in de artikelen 194 en 195 Rv. Om in alle zaken te voorkomen dat informatie moet worden gedeeld die niet relevant is voor de oplossing van het geschil of waarbij geen concreet belang aanwezig is of die vertrouwelijk van aard is, zijn aan dit recht op inzage de nodige voorwaarden verbonden (artikel 194 lid 1 Rv). Daarnaast heeft de rechter mogelijkheden om het verzoek tot het verstrekken van informatie af te wijzen op grond van het bestaan van een verschoningsrecht of gewichtige redenen (artikel 194 lid 2 Rv). Ook kan de rechter de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verstrekking van informatie moet plaatsvinden, nader bepalen (artikel 195 lid 2 Rv). De voorwaarden, afwijzingscriteria en mogelijkheden voor de rechter bieden voldoende waarborgen om zogenaamde fishing expeditions tegen te gaan.
Link met Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie en externe procesfinanciering
Een aantal organisaties (AmCham, VIG en Institute for Legal Reform of the American Chamber of Commerce) legt in hun reacties op de internetconsultatie een link met de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA). Zij stellen te vrezen dat de verruiming van de productaansprakelijkheidsregeling in combinatie met de mogelijkheden voor het voeren van een collectie schadevergoedingsactie onder de WAMCA uitnodigt tot strategisch procederen, rechtsmisbruik en het instellen van frivolous claims tegen bedrijven. Ook wijzen zij op het risico van forumshopping en het ontbreken van maatregelen om dit risico in te perken, bijvoorbeeld ten aanzien van externe procesfinanciering, bescherming van bedrijfsgevoelige informatie of passende waarborgen bij massaschikkingen.
Bij de totstandkoming van de Richtlijn representatieve vorderingen is Richtlijn 85/374 bewust opgenomen in Bijlage I met de EU-instrumenten waarop de Richtlijn representatieve vorderingen van toepassing is. Los van de regels die met de WAMCA zijn geïntroduceerd, geldt dus in elke lidstaat inmiddels een regeling voor het instellen van een collectieve (schadevergoedings)actie om inbreuken op de productaansprakelijkheidsregels te handhaven. De uitbreiding van de kring van aansprakelijke marktdeelnemers in de Richtlijn geldt ook voor alle lidstaten. Verruiming van de mogelijkheden voor benadeelden om hun schade wegens een gebrekkig product te verhalen, kan leiden tot meer individuele of collectieve zaken onder de Richtlijn representatieve vorderingen. Deze verbetering van de positie van de benadeelde is een van de doelen van de Richtlijn. Aanpassing daarvan is enkel mogelijk door de EU-wetgever.
Op de bevoegdheid van de rechter is de Verordening Brussel I bis van toepassing.61 Ook dit is een Europese regeling, die bepaalt voor welke zaken je bij welke rechter in de EU terecht kan. Voor zover die regeling meer dan één bevoegde rechter aanwijst in een productaansprakelijkheidszaak en er dus een keuzemogelijkheid is voor de benadeelde, is dit een zaak van Unierecht. Nederland heeft daarop geen invloed. Aanpassing daarvan is enkel mogelijk door de EU-wetgever.
Overigens biedt de Nederlandse WAMCA nog een waarborg tegen collectieve acties die geen band met Nederland hebben door het vereiste in artikel 3:305a, lid 3, onder b, BW dat een belangenorganisatie die een collectieve actie aanhangig maakt, alleen ontvankelijk is als de rechtsvordering voldoende nauw verbonden is met de Nederlandse rechtssfeer. Verder geldt ingevolge artikel 1018c, lid 5, onder c, Rv dat een inhoudelijke behandeling van een collectieve vordering alleen plaatsvindt indien deze niet summierlijk ondeugdelijk is. Dit maakt dat zogeheten frivolous claims direct kunnen worden afgewezen. Niet gebleken is dat onder de WAMCA ondeugdelijke vorderingen worden ingesteld. Van de mogelijkheid tot vroegtijdige afwijzing is door de rechter tot op heden dan ook geen gebruik gemaakt.
Ten aanzien van externe procesfinanciering geldt dat de rechter op basis van artikel 3:305a BW en de algemene regels van procesrecht voldoende mogelijkheden heeft om hier toezicht op te houden. Deze mogelijkheden worden in de praktijk ook gebruikt, bijvoorbeeld door het opvragen van de financieringsovereenkomst en het beoordelen van de afspraken daarin. Ook artikel 10 van de Richtlijn representatieve vorderingen verplicht tot het hebben van deze mogelijkheden voor de controle van externe financiering. Overigens is in 2023 een onderzoek uitgevoerd onder auspiciën van het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatiecentrum (WODC) naar de wenselijkheid van het instellen van een processenfonds. De uitkomst van het onderzoek was onder meer dat het nog te vroeg is om zinvolle conclusies te trekken: de financieringsmarkt is nog volop in ontwikkeling en er was nog te weinig ervaring opgedaan sinds de inwerkingtreding van de WAMCA. De onderzoekers pleiten voor vervolgonderzoek na drie tot vijf jaar.
Opmerkingen over de Richtlijn zelf
VIG en AmCham hebben verder een aantal opmerkingen over de Richtlijn, waaronder de daarmee beoogde maximumharmonisatie. De Richtlijn is reeds vastgesteld en in werking getreden. Aanpassing van deze regeling is enkel mogelijk door de EU-wetgever.
Technische onvolkomenheden
Tot slot zijn in verschillende consultatiereacties suggesties gedaan voor aanpassing van enkele technische onvolkomenheden, onder meer verband houdend met de vertaling van de Engelse tekst van de Richtlijn. Daarnaast is gevraagd om in de memorie van toelichting verwijzingen op te nemen naar bestaande EU- en nationale regelgeving. Deze suggesties zijn verwerkt in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting.
De Richtlijn is alleen van toepassing op producten die op of na 9 december 2026 in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn gesteld. Dit wetsvoorstel moet daarom ook alleen van toepassing zijn op die producten. De datum van inwerkingtreding wordt bij koninklijk besluit bepaald.
Artikel I
Onderdeel A, wijziging artikel 173 lid 2 (kanalisatiebepaling bezittersaansprakelijkheid)
De Richtlijn noodzaakt tot aanpassing van de kanalisatiebepaling in artikel 6:173 lid 2 BW. Artikel 6:173 BW is opgenomen in Afdeling 2 van Titel 3 van Boek 6 BW, die ziet op kwalitatieve aansprakelijkheid voor personen en zaken. Artikel 6:173 BW regelt de risicoaansprakelijkheid van de bezitter van een «gebrekkige»62 roerende zaak. Als een dergelijke zaak schade veroorzaakt, kan het zijn dat op grond van afdeling 6.3.3 BW óók de producent aansprakelijk is. De kanalisatiebepaling in artikel 6:173 lid 2 BW regelt dat de bezitter in dat geval niet aansprakelijk is: de aansprakelijkheid wordt «gekanaliseerd» naar de producent.63 Hierop gelden twee uitzonderingen. De bezitter is wel aansprakelijk, als, kort gezegd, aannemelijk is dat het gebrek pas na het in het verkeer brengen van het product is ontstaan (artikel 6:173 lid 2, onderdeel a, BW) of als het zaakschade betreft die op grond van de in afdeling 6.3.3 BW geregelde franchise niet voor vergoeding in aanmerking komt (artikel 6:173 lid 2, onderdeel b, BW).64 In die situaties kan de producent niet worden aangesproken op grond van de regeling in afdeling 6.3.3 BW (zie artikel 6:185 lid 1, onderdeel b, BW en artikel 6:190 lid 1, onderdeel b, BW).
Onderdeel A brengt wijzigingen aan in de hiervoor genoemde uitzonderingen op «kanalisatie» naar de producent (artikel 6:173 lid 2, onderdelen a en b, BW). Die wijzigingen hangen allereerst samen het uitbreiden van de productaansprakelijkheid op grond van de Richtlijn. Die uitbreiding leidt ertoe dat de aansprakelijkheid van de bezitter in artikel 6:173 BW spiegelbeeldig wordt beperkt. Daarnaast vloeien de voorgestelde wijzigingen voort uit wijzigingen in de Richtlijn die van meer terminologische aard zijn.
Voorgesteld wordt de voorwaarde in onderdeel a, die samengevat inhoudt dat het gebrek is ontstaan nadat het product in het verkeer is gebracht, op twee manieren aan te passen. In de eerste plaats wordt de aanduiding «in het verkeer is gebracht» vervangen door «in de handel werd gebracht, in gebruik werd gesteld of, in het geval van een distributeur (...), op de markt werd aangeboden» (zie toelichting bij Onderdeel D, eerste lid). In de tweede plaats wordt hieraan aan een cumulatieve voorwaarde toegevoegd in onderdeel b (nieuw). Deze nieuwe voorwaarde beperkt de aansprakelijkheid van de bezitter. Dit hangt samen met artikel 11 lid 2 van de Richtlijn, dat een uitzondering bevat op de vrijstellingsgrond in artikel 11, onderdeel c, van de Richtlijn. Op grond hiervan is een marktdeelnemer in de toekomst ook aansprakelijk voor het gebrek van een product, als dat gebrek, kort gezegd, is ontstaan nadat het product in het verkeer is gebracht, en te wijten is aan a) een bijbehorende dienst, b) software, met inbegrip van software-updates of -upgrades, c) een ontbreken van software-updates of -upgrades die nodig zijn om de veiligheid te handhaven of d) een ingrijpende wijziging van het product. Dit onder de voorwaarde dat de marktdeelnemer over de omstandigheden in a) tot en met d) zeggenschap heeft. Deze uitbreiding van de productaansprakelijkheid (zie toelichting bij Onderdeel D, tweede lid), leidt tot een omgekeerd evenredige beperking van de bezittersaansprakelijkheid ex artikel 6:173 BW.
Tot slot komt de uitzondering in het huidige onderdeel b te vervallen. Dit houdt verband met het vervallen van de franchise voor zaakschade.65 Nu de markdeelnemer op grond van de Richtlijn aansprakelijk is voor zaakschade onder de € 500,–, ligt het voor de hand om de aansprakelijkheid voortaan ook in die gevallen naar de marktdeelnemer te kanaliseren.
Onderdeel B, vervanging «Produktenaansprakelijkheid» door «Productaansprakelijkheid»
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de ouderwetse spellingswijze in het opschrift van afdeling 6.3.3 BW te vervangen.
Onderdeel C, invoeging artikel 184a (definitiebepalingen en toepassingsbereik)
Leden 1 en 2; definitiebepalingen
In de leden 1 en 2 zijn definitiebepalingen opgenomen van begrippen die in afdeling 6.3.3 BW voorkomen of hiervoor relevant zijn. De definitiebepalingen zijn woordelijk overgenomen uit artikel 4, onder 1–16 en 18, Richtlijn en alleen van toepassing op afdeling 6.3.3 BW. Hierna wordt ingegaan op lid 1, onderdelen a tot en met e, h, k tot en met r, en lid 2 waarin de begrippen «digitaal fabricagedossier», «product», «bijbehorende dienst», «component», «fabrikant», «fulfilmentdienstverlener», «gemachtigde», «op de markt aanbieden», «in de handel brengen», «in gebruik stellen», «importeur», «distributeur», «ingrijpende wijziging», «marktdeelnemer» en «zeggenschap van de fabrikant» worden gedefinieerd. De onderdelen j en t behoeven geen afzonderlijke toelichting, omdat zij voor de definitie van «gegevens» en «onlineplatform» enkel verwijzen naar definities in andere Uniewetgeving. De definities van de EU-verordeningen en -richtlijnen in de onderdelen f, g, i en s zijn uitsluitend opgenomen om daar in de andere definitiebepalingen kortheidshalve naar te kunnen verwijzen. Ook deze onderdelen behoeven daarom geen nadere toelichting.
Lid 1, onderdeel a (digitaal fabricagedossier)
Onder het begrip «digitaal fabricagedossier» wordt verstaan: een digitale versie van of een digitale template voor een roerende zaak die de functionele informatie bevat die nodig is om een tastbaar voorwerp te produceren door de geautomatiseerde besturing van machines of gereedschappen mogelijk te maken, zoals boormachines, draaibanken, molens en 3D-printers (zie overweging 16). Digitale fabricagedossiers worden voor de toepassing van afdeling 6.3.3 BW als «product» beschouwd (zie toelichting bij lid 1, onderdeel b). Dit betekent bijvoorbeeld dat een gebrekkig computerondersteund ontwerpbestand dat in het kader van een handelsactiviteit is ontwikkeld of geleverd, tot aansprakelijkheid op grond van deze afdeling kan leiden. Bijvoorbeeld als dit bestand is gebruikt voor het maken van een 3D-geprint voorwerp dat door de gebrekkigheid van het bestand schade veroorzaakt (zie overweging 16).
Lid 1, onderdeel b (product)
Onder het begrip «product» vallen alle roerende zaken, ook nadat deze zijn geïntegreerd in of onderling zijn verbonden met een andere roerende of onroerende zaak. Ook elektriciteit en grondstoffen, zoals gas en water, zijn producten. Daarnaast is bepaald dat software en digitale fabricagedossiers als «product» moeten worden beschouwd. Het begrip software moet ruim worden uitgelegd. Hieronder vallen onder meer besturingssystemen, firmware, computerprogramma’s, applicaties en AI-systemen, ongeacht de wijze van levering of gebruik. Het maakt dus niet uit of de software op een apparaat is opgeslagen, via een communicatienetwerk of cloudtechnologieën toegankelijk is, of wordt geleverd via een software-als-service-model (zie overweging 13). Informatie mag echter niet als een product worden beschouwd.66 De productaansprakelijkheidsregels in afdeling 6.3.3 BW zijn daarom niet van toepassing op de inhoud van digitale bestanden, zoals mediabestanden of e-boeken of de enkele broncode van software (zie overweging 13).
Lid 1, onderdeel c (bijbehorende dienst)
Onder het begrip «bijbehorende dienst» vallen digitale diensten die zodanig in een product zijn geïntegreerd of daarmee onderling zijn verbonden dat het product zonder die dienst een of meer van zijn functies niet zou kunnen vervullen. Voor voorbeelden wordt verwezen naar paragraaf 2.4 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting. Bijbehorende diensten moeten worden beschouwd als componenten van het product waarin zij zijn geïntegreerd of waarmee zij onderling zijn verbonden wanneer zij onder zeggenschap van de fabrikant van dat product staan (zie overweging 17). Zie over de begrippen «component» en «zeggenschap van de fabrikant» de toelichting bij lid 1, onderdeel d en lid 2. Internettoegangsdiensten mogen niet worden aangemerkt als «bijbehorende diensten». Die diensten kunnen niet worden beschouwd als onderdeel van een product waarover de fabrikant zeggenschap heeft. Het zou daarom onredelijk zijn om fabrikanten aansprakelijk te stellen voor schade die wordt veroorzaakt door tekortkomingen in internettoegangsdiensten. Dit neemt echter niet weg dat een product dat afhankelijk is van internettoegangsdiensten en er niet in slaagt de veiligheid te handhaven als de internetverbinding wegvalt als «gebrekkig» kan worden beschouwd in de zin van afdeling 6.3.3 BW (zie overweging 17).
Lid 1, onderdeel d (component)
Onder het begrip «component» wordt verstaan: elk materieel of immaterieel voorwerp («intangible item») dat, of elke grondstof of bijbehorende dienst die in een product is geïntegreerd of daarmee onderling is verbonden. Bij «immaterieel voorwerp» kan bijvoorbeeld worden gedacht aan software.
Lid 1, onderdeel e (fabrikant)
De bescherming van natuurlijke personen vereist dat elke fabrikant die bij het productieproces betrokken is, aansprakelijk kan worden gesteld als een product of een door die fabrikant geleverde component gebrekkig is (zie overweging 36). Artikel 4, onder 10, Richtlijn kent dan ook een ruime definitie van «fabrikant». Die definitie is overgenomen in lid 1, onderdeel e. Onder «fabrikant» wordt in de eerste plaats verstaan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een product ontwikkelt, vervaardigt of produceert (subonderdeel 1). In de tweede plaats wordt als fabrikant aangemerkt degene die het product heeft ontworpen of vervaardigd, of die zich, door zijn of haar naam, handelsmerk of andere onderscheidende kenmerken op dat product aan te brengen presenteert als de fabrikant ervan (subonderdeel 2). Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU (HvJEU)67 blijkt dat dit criterium met het oog op de bescherming van natuurlijke personen ruim moet worden uitgelegd. Tot slot wordt ook degene die een product voor eigen gebruik ontwikkelt, vervaardigt of produceert beschouwd als fabrikant (subonderdeel 3).
Lid 1, onderdeel h (fulfilmentdienstverlener)
Het begrip «fulfilmentdienstverlener» is overgenomen uit artikel 4, onder 13, Richtlijn. Hierin is het gedefinieerd als een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in het kader van een handelsactiviteit ten minste twee van de volgende diensten aanbiedt: opslag, verpakking, adressering en verzending van een product, zonder eigenaar van dat product te zijn. Hierop geldt een uitzondering voor postdiensten zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Richtlijn 97/67/EG, pakketbezorgdiensten zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) 2018/644 en alle andere postdiensten of vrachtvervoersdiensten. Deze definitie sluit aan bij de definitie van fulfilmentdienstverlener in de Uniewetgeving inzake productveiligheid en markttoezicht.68 Omwille van de leesbaarheid is in lid 1, onderdeel h een verkorte verwijzing naar de relevante EU-regelgeving opgenomen.
Lid 1, onderdeel k (gemachtigde)
In lid 1, onderdeel k, is de begripsbeschrijving van «gemachtigde» overgenomen uit artikel 4, onder 11, Richtlijn. Onder «gemachtigde» wordt verstaan een in de EU gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die schriftelijk door een fabrikant is gemachtigd om namens die fabrikant specifieke taken te vervullen. Hierbij gaat het om het uitvoeren van bepaalde taken uit hoofde van Uniewetgeving, bijvoorbeeld op grond van de wetgeving inzake productveiligheid69 en markttoezicht70 (zie overweging 37).
Lid 1, onderdelen l, m en n (op de markt aanbieden, in de handel brengen en in gebruik stellen)
In deze onderdelen van lid 1 worden de begrippen «op de markt aanbieden», «in de handel brengen» en «in gebruik stellen» gedefinieerd. Deze bepalingen zijn overgenomen uit artikel 4, onder 7–9, Richtlijn. Onder het begrip «op de markt aanbieden» wordt verstaan het in het kader van een handelsactiviteit al dan niet tegen betaling verstrekken van een product met het oog op distributie, consumptie of gebruik op de markt van de EU (lid 1, onderdeel l). Hieronder vallen bijvoorbeeld ook producten die worden geleverd in het kader van een sponsoringscampagne of producten die worden vervaardigd voor de met overheidsmiddelen gefinancierde dienstverlening, aangezien die vorm van levering hoe dan ook een economisch of commercieel karakter heeft (zie overweging 26). Onder het begrip «in de handel brengen» wordt verstaan het voor het eerst in de EU op de markt aanbieden van een product (lid 1, onderdeel m). Het begrip «in gebruik stellen» is gedefinieerd als het al dan niet tegen betaling voor het eerst gebruiken van een product in de EU in het kader van een handelsactiviteit, wanneer dat product vóór het eerste gebruik ervan niet in de handel is gebracht (lid 1, onderdeel n). Dit begrip is relevant voor producten die niet vóór hun eerste gebruik in de handel worden gebracht, zoals het geval kan zijn bij liften, machines of medische hulpmiddelen (zie overweging 26).
Lid 1, onderdelen o en p (importeur en distributeur)
De begrippen «importeur» en «distributeur» zijn overgenomen uit artikel 4, onder 12 en 14, Richtlijn. Een «importeur» is een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een product uit een derde land in de EU in de handel brengt. Deze definitie sluit aan bij de definitie van importeur in de Uniewetgeving inzake productveiligheid en markttoezicht.71 Onder «distributeur» wordt verstaan een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon in de toeleveringsketen dan de fabrikant of de importeur die een product op de markt aanbiedt. Deze definitie sluit aan bij de definitie van distributeur in de Uniewetgeving inzake productveiligheid en markttoezicht.72
Lid 1, onderdeel q (ingrijpende wijziging)
Dit onderdeel van lid 1 bevat een begripsomschrijving van «ingrijpende wijziging». Deze bepaling is overgenomen uit artikel 4, onder 18, Richtlijn. Of een wijziging van een product, nadat het in de handel is gebracht of in gebruik is gesteld, ingrijpend is, moet worden bepaald aan de hand van criteria die zijn vastgesteld in de toepasselijke Unie- of nationaalrechtelijke regels inzake productveiligheid73 (subonderdeel 1). Indien dergelijke criteria voor het betrokken product niet zijn vastgesteld, moet als ingrijpend worden beschouwd een wijziging (i) die de oorspronkelijke prestaties, het doel of het type van het product verandert zonder dat dit was voorzien in de oorspronkelijke risicobeoordeling van de fabrikant én (ii) die de aard van het gevaar verandert, een nieuw gevaar creëert of het risiconiveau verhoogt (subonderdeel 2). Voor wijzigingen door middel van een software-update of upgrade gelden dezelfde uitgangspunten als voor wijzigingen die op andere manieren worden aangebracht. Wanneer een ingrijpende wijziging wordt aangebracht door middel van een software-update of upgrade, of als gevolg van het voortdurende leren van een AI-systeem, moet het ingrijpend gewijzigde product worden geacht op de markt te zijn aangeboden of in gebruik te zijn gesteld op het moment dat die wijziging daadwerkelijk wordt doorgevoerd (zie overweging 40).
Lid 1, onderdeel r (marktdeelnemer)
Het begrip «marktdeelnemer» is overgenomen uit artikel 4, onder 15, Richtlijn en omvat personen die op grond van de Richtlijn aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de door een gebrekkig product veroorzaakte schade. Onder dit overkoepelende begrip vallen: een fabrikant van een product of een component, een aanbieder van een bijbehorende dienst, een gemachtigde, een importeur, een fulfilmentdienstverlener en een distributeur. Deze begrippen zijn hiervoor al toegelicht.
Lid 2 (zeggenschap van de fabrikant)
Het begrip «zeggenschap van de fabrikant» correspondeert met artikel 4, onder 5, Richtlijn en is om redactionele redenen opgenomen in het voorgestelde lid 2. Zeggenschap van de fabrikant omvat verschillende situaties. In de eerste plaats is sprake van zeggenschap van de fabrikant als de fabrikant zelf een component, waaronder begrepen software-updates of -upgrades, integreert in of onderling verbindt met een product, of als hij deze zelf levert. Er is eveneens sprake van zeggenschap van de fabrikant als hij toestemming geeft voor of instemt met de integratie, onderlinge verbinding of levering van een component door een derde (zie onderdeel a, aanhef en onder 1°). Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de fabrikant van een slim huishoudelijk apparaat ermee instemt dat software-updates voor het apparaat van de fabrikant door een derde worden geleverd (zie overweging 18). Een fabrikant mag echter niet worden geacht te hebben ingestemd met integratie of onderlinge verbinding om de enkele reden dat hij de technische mogelijkheid tot integratie of onderlinge verbinding verschaft, bepaalde merken aanbeveelt of doordat hij potentiële bijbehorende diensten of componenten niet verbiedt (zie overweging 18). In de tweede plaats is sprake «zeggenschap van de fabrikant» als de fabrikant het product zelf wijzigt, waaronder begrepen ingrijpende wijzigingen (zie over het begrip «ingrijpende wijziging» de toelichting bij lid 1, onderdeel q) of als hij toestemming geeft voor of instemt met wijziging van het product door een derde (zie onderdeel a, aanhef en onder 2°). Tot slot, en in de derde plaats, moet zeggenschap van de fabrikant worden aangenomen als hij zelf of via een derde software-updates of -upgrades kan leveren (zie onderdeel b).
Lid 3; uitzonderingen op toepassingsbereik
Lid 3 geeft de uitzonderingen op het toepassingsbereik van afdeling 6.3.3 BW. Deze uitzonderingen corresponderen met de uitzonderingen op het toepassingsbereik van de Richtlijn (artikel 2 leden 2 en 3 Richtlijn).
Lid 3, onderdeel a, geeft uitvoering aan artikel 2 lid 2 Richtlijn. Dit bepaalt dat de Richtlijn niet van toepassing is op gratis en opensourcesoftware die buiten het kader van een handelsactiviteit wordt ontwikkeld en geleverd. Hetzelfde moet daarom gelden voor afdeling 6.3.3 BW. Bij gratis en opensourcesoftware wordt de broncode openlijk gedeeld en hebben gebruikers onbelemmerd toegang tot de software of gewijzigde versies daarvan en kunnen zij deze gebruiken, wijzigen en herverdelen. Gratis en opensourcesoftware kan bijdragen tot onderzoek en innovatie op de interne markt. Voor dergelijke software gelden licenties die iedereen de vrijheid geeft om de software te gebruiken, te kopiëren, te verspreiden, te bestuderen, te wijzigen en te verbeteren. Als de Richtlijn van toepassing zou zijn op gratis en opensourcesoftware die buiten het kader van een handelsactiviteit wordt geleverd, zou dat innovatie en onderzoek belemmeren (zie overweging 14). De Richtlijn (en daarmee afdeling 6.3.3 BW) is wel van toepassing op opensourcesoftware die in het kader van een handelsactiviteit wordt geleverd. Hiervan is sprake als die software wordt geleverd in ruil voor een prijs of voor persoonsgegevens die niet uitsluitend worden gebruikt om de beveiliging, comptabiliteit of interoperabiliteit van de software te verbeteren (zie overweging 14). De Richtlijn is ook van toepassing als gratis en opensourcesoftware die buiten het kader van handelsactiviteit wordt geleverd gebrekkig is en tot schade leidt, nadat een fabrikant die software als component heeft geïntegreerd in een product in het kader van een handelsactiviteit. In dat geval is die fabrikant aansprakelijk voor de schade als gevolg van de gebrekkige software. De softwarefabrikant is in dat geval niet aansprakelijk op grond van afdeling 6.3.3 BW (zie overweging 15).
Lid 3, onderdeel b, implementeert artikel 2 lid 3 Richtlijn. Dit bepaalt dat de Richtlijn niet van toepassing is op schade ten gevolge van nucleaire ongevallen, voor zover de aansprakelijkheid voor dergelijke schade op grond van door de lidstaten geratificeerde internationale verdragen wordt gedekt. De verdragen waar het voor Nederland om gaat, zijn:
– het op 29 juli 1960 te Parijs tot stand gekomen Verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie (Trb. 1961, 27; 1962, 64), zoals gewijzigd bij het op 28 januari 1964 te Parijs gesloten Aanvullend Protocol bij dit Verdrag (Trb. 1964, 178), bij het op 16 november 1982 te Parijs gesloten Protocol bij dit Verdrag (Trb. 1983, 80) en bij het op 12 februari 2004 te Parijs gesloten Protocol bij dit Verdrag (Trb. 2005, 89);
– het op 31 januari 1963 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tot aanvulling van het Verdrag van Parijs van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie (Trb. 1963, 171), zoals gewijzigd bij het op 28 januari 1964 te Parijs gesloten Aanvullend Protocol bij dit Verdrag (Trb. 1964, 179), bij het op 16 november 1982 te Parijs gesloten Protocol bij dit Verdrag ( Trb. 1983, 81) en bij het op 12 februari 2004 te Parijs gesloten Protocol bij dit Verdrag (Trb. 2005, 90); en
– het op 25 mei 1962 te Brussel tot stand gekomen Verdrag inzake de aansprakelijkheid van exploitanten van nucleaire schepen, met Aanvullend Protocol (Trb. 1968, 90).
Het laatstgenoemde verdrag is op 20 maart 1974 door het Koninkrijk der Nederlanden voor Nederland geratificeerd, maar (nog) niet in werking getreden. In lid 3, onderdeel b, subonderdeel 3°, wordt dit verdrag daarom alleen genoemd voor het geval dat nog gebeurt.
Onderdeel D, wijziging artikel 185 (aansprakelijkheid, vrijstelling en vermindering van aansprakelijkheid)
Lid 1; aansprakelijkheid en vrijstellingsgronden
Het voorgestelde artikel 6:185 BW sluit qua opzet aan bij het huidige artikel 6:185 BW.
In lid 1 wordt vooropgesteld dat de marktdeelnemer aansprakelijk is voor de schade van natuurlijke personen veroorzaakt door een gebrekkig product (vgl. artikel 1 Richtlijn). Vervolgens wordt hierop een uitzondering gemaakt (de «tenzij-clausule»). De marktdeelnemer is vrijgesteld van aansprakelijkheid als hij aannemelijk maakt en, indien nodig, bewijst dat er sprake is van één van de in de onderdelen a t/m g genoemde omstandigheden. Dit betreft de implementatie van de vrijstellingsgronden in artikel 11 lid 1, onderdelen a t/m g, Richtlijn.74
Met het oog op een eerlijke risicoverdeling, moeten marktdeelnemers van hun aansprakelijkheid worden vrijgesteld als zij kunnen bewijzen dat er sprake is van specifieke ontlastende omstandigheden (zie overweging 49). Zo mogen markdeelnemers niet aansprakelijk worden gesteld als zij kunnen bewijzen dat een ander dan zijzelf het product tegen hun wil uit het vervaardigingsproces heeft gehaald (onderdelen a en b) of dat het gebrek van het product te wijten is aan de naleving van wettelijke vereisten (onderdeel d). Marktdeelnemers worden eveneens van hun aansprakelijkheid vrijgesteld als zij bewijzen dat het niet mogelijk was om het gebrek te ontdekken op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop het product in de handel werd gebracht of in gebruik werd gesteld dan wel gedurende de periode waarin de fabrikant de zeggenschap over het product had (onderdeel e). Dit wordt ook wel het «ontwikkelingsrisicoverweer» genoemd. De «stand van de wetenschappelijke en technische kennis» moet worden bepaald aan de hand van het meest geavanceerde niveau van toegankelijke objectieve kennis gedurende de periode waarin de fabrikant zeggenschap over het product had (zie overweging 52). Het gaat hierbij dus niet om de feitelijke (subjectieve) kennis die de betrokken markdeelnemer op het genoemde tijdstip had. Voor de mogelijkheid tot afwijking van het ontwikkelingsverweer wordt verwezen naar paragraaf 3.1.1 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.
Specifiek voor de fabrikant van een gebrekkige component geldt, dat hij wordt vrijgesteld van aansprakelijkheid als hij bewijst dat het gebrek van het product waarin die component is geïntegreerd is toe te schrijven aan het ontwerp van dat product of aan de instructies die de fabrikant van dat product aan hem heeft verstrekt (onderdeel f). Nieuw vergeleken met Richtlijn 85/374 (en het huidige artikel 6:185 lid 1 BW), is dat een persoon die het product ingrijpend wijzigt als bedoeld in artikel 6:187 lid 2 BW wordt vrijgesteld van aansprakelijkheid als hij bewijst dat het gebrek dat die de schade heeft veroorzaakt, verband houdt met een onderdeel van het product waarop de wijziging geen betrekking heeft (onderdeel g).
Tot slot worden marktdeelnemers in beginsel vrijgesteld van aansprakelijkheid als zij bewijzen dat het aannemelijk is dat het gebrek dat de schade heeft veroorzaakt, niet bestond op het tijdstip waarop zij het product in de handel brachten of in gebruik stelden, of dat dit gebrek na dat tijdstip is ontstaan (onderdeel c). Het tijdstip waarop een product in de handel wordt gebracht of in gebruik wordt gesteld is doorgaans het tijdstip waarop de fabrikant niet langer de zeggenschap over het product heeft, terwijl het voor distributeurs het tijdstip is waarop zij het product op de markt aanbieden (zie overweging 50).
Lid 2; uitzondering op de vrijstellingsgrond in onderdeel c
Lid 2 implementeert artikel 11 lid 2 Richtlijn. Hierin is een uitzondering opgenomen op de vrijstellingsgrond in artikel 11 lid 1, onderdeel c, Richtlijn. Een marktdeelnemer wordt niet vrijgesteld van aansprakelijkheid als het gebrek van het product te wijten is aan, en op voorwaarde dat de fabrikant daarover zeggenschap heeft, a) een bijbehorende dienst, b) software, met inbegrip van updates of upgrades, c) het ontbreken van software-updates of -upgrades die nodig zijn om de veiligheid te handhaven, of d) een ingrijpende wijziging van het product. In dat geval is de fabrikant dus (wel) aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door een gebrekkig product, óók als dat gebrek nog niet bestond toen hij het product in de handel bracht of in gebruik stelde. Indien bijvoorbeeld een slimme televisie wordt aangeboden als een televisie voorzien van een videoapplicatie, maar de gebruiker de applicatie na de aankoop van de televisie moet downloaden van de website van een derde, moet de televisiefabrikant, naast de fabrikant van de videoapplicatie, aansprakelijk blijven voor schade die wordt veroorzaakt door het gebrek van de videoapplicatie. Ook al is dat gebrek pas ontstaan, nadat de televisie in de handel is gebracht (zie overweging 50).
Leden 3 en 4; vermindering of opheffing van aansprakelijkheid
De voorgestelde wijzigingen in de (nieuwe) leden 3 en 4 zijn vooral redactioneel van aard. Voor het overige corresponderen deze leden nu al met artikel 13 leden 2 respectievelijk 1 Richtlijn. Artikel 13 lid 2 bepaalt, kort gezegd, dat de aansprakelijkheid van een marktdeelnemer kan worden verminderd of opgeheven wanneer de schade mede wordt veroorzaakt door eigen schuld van de benadeelde. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de benadeelde uit nalatigheid heeft verzuimd om door de marktdeelnemer aangeboden updates of upgrades te installeren die de schade hadden kunnen beperken of voorkomen (zie overweging 55). Artikel 13 lid 1 schrijft voor dat de aansprakelijkheid van een markdeelnemer niet mag worden verminderd of opgeheven wanneer de schade zowel door het gebrek van een product als door een handelen of nalaten van een derde wordt veroorzaakt. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de situatie dat een derde gebruikmaakt van een kwetsbaarheid van een product op het gebied van cyberbeveiliging en daardoor bijdraagt aan de oorzaak van de geleden schade (zie overweging 55). In dat geval mag de aansprakelijkheid van de marktdeelnemer jegens de benadeelde niet worden verminderd of opgeheven. Wel zal die marktdeelnemer, overeenkomstig het nationale recht, verhaal kunnen nemen op die derde.
Onderdeel E, wijziging artikel 186 (gebrek)
Lid 1, aanhef; algemene maatstaf; objectieve gebrekkigheidsbeoordeling
Het voorgestelde artikel 6:186 BW sluit qua opzet aan bij het huidige artikel 6:186 BW. Lid 1 implementeert artikel 7 leden 1 en 2 Richtlijn. De aanhef betreft de algemene beoordelingsmaatstaf van de gebrekkigheid: Een product is gebrekkig indien het niet de veiligheid biedt die een persoon mag verwachten of die uit hoofde van het Unierecht of nationale recht is vereist, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval. In de preambule wordt nadrukkelijk benoemd dat deze gebrekkigheidsbeoordeling een objectieve analyse moet omvatten van de veiligheid die het grote publiek mag verwachten en niet mag verwijzen naar de veiligheid die een bepaalde persoon mag verwachten (overweging 30). Hieruit volgt dat geen wezenlijke afwijking is beoogd ten opzichte van de huidige maatstaf voor de beoordeling van de gebrekkigheid van een product, die eveneens uitgaat van een objectieve analyse.75 Verder verduidelijkt de preambule dat bij de beoordeling van de gebrekkigheid onder meer rekening moet worden gehouden met het beoogde doel, het redelijkerwijs te verwachten gebruik, de presentatie, de objectieve kenmerken en de eigenschappen van het betrokken product, waaronder de verwachte levensduur, en met de specifieke eisen van de groep gebruikers voor wie het product is bestemd. Tot slot bevestigt de preambule de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU dat sommige producten, zoals levensreddende medische hulpmiddelen, een bijzonder hoog risico op het veroorzaken van schade aan personen meebrengen en daarom aanleiding geven tot bijzonder hoge veiligheidsverwachtingen. Om met dergelijke verwachtingen rekening te houden, moet een rechter kunnen vaststellen dat een product gebrekkig is wanneer het tot dezelfde productieserie behoort als een product waarvan reeds is aangetoond dat het gebrekkig is (overweging 30).76
Lid 1, onderdelen a tot en met i; relevante omstandigheden van het geval
Net als onder het huidige recht, dient bij de beoordeling van de gebrekkigheid van een product rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Lid 1, onderdelen a tot en met i, bevat een opsomming van omstandigheden waarmee in ieder geval rekening dient te worden gehouden. Deze niet-uitputtende lijst correspondeert met de omstandigheden in artikel 7 lid 2, onderdelen a tot en met i, Richtlijn.
De onderdelen a tot en met c komen in de kern overeen met het huidige artikel 6:186 lid 1, onderdelen a tot en met c, BW en bevatten wijzigingen van meer terminologische en verduidelijkende aard.
De voorgestelde wijziging van onderdeel a is erop gericht de bepaling beter te laten aansluiten bij de tekst van artikel 7 lid 2, onderdeel a, Richtlijn. Zo is «de presentatie van het produkt» vervangen door «de presentatie en de kenmerken van het product». Verder is verduidelijkt dat hieronder moet worden begrepen: de etikettering, het ontwerp, de technische kenmerken, de samenstelling en de verpakking van het product, alsook de assemblage-, installatie-, gebruiks- en onderhoudsinstructies.
Onderdeel b correspondeert reeds met artikel 7 lid 2, onderdeel b, Richtlijn («het redelijkerwijs te verwachten gebruik»). In dit onderdeel is daarom alleen ouderwets taalgebruik aangepast («produkt» wordt vervangen door «product»). De voorgestelde wijziging van onderdeel c is erop gericht de bepaling beter te laten aansluiten bij artikel 7 lid 2, onderdeel e, Richtlijn. Dit bepaalt dat bij beoordeling van de gebrekkigheid rekening moet worden gehouden met het tijdstip waarop het product «in de handel is gebracht of in gebruik is gesteld of, indien de fabrikant na dat tijdstip de zeggenschap over het product behoudt, het tijdstip met ingang waarvan de fabrikant niet langer de zeggenschap over het product heeft».
Nieuw vergeleken met Richtlijn 85/374 (en vergeleken met het huidige artikel 6:186 lid 1 BW) zijn de onderdelen d tot en met i. Deze onderdelen worden hierna toegelicht.
De onderdelen d en e corresponderen met artikel 7 lid 2, onderdelen d respectievelijk c, Richtlijn. Onderdeel d betreft het redelijkerwijs te verwachten effect op het product van andere producten waarvan kan worden verwacht dat zij samen met het product worden gebruikt, onder meer door middel van onderlinge verbindingen. Dit onderdeel is toegevoegd om rekening te houden met het feit dat producten steeds vaker onderling verbonden zijn. Bij de beoordeling van de veiligheid van een product moet rekening worden gehouden met de redelijkerwijs te verwachten effecten van andere producten op het product in kwestie, bijvoorbeeld binnen een smart-home systeem (zie overweging 32). Onderdeel e behelst het effect op het product van het vermogen om te blijven leren of nieuwe functies te verwerven nadat het in de handel is gebracht of in gebruik is gesteld. Dit onderdeel is toegevoegd om recht te doen aan de legitieme verwachting dat de software en de onderliggende algoritmen van een product zodanig zijn ontworpen dat gevaarlijk productgedrag wordt voorkomen. De gedachte hierachter is dat een fabrikant die een product ontwerpt dat onverwacht gedrag kan ontwikkelen, aansprakelijk blijft voor gedrag dat schade veroorzaakt (zie overweging 32).
De onderdelen f en g implementeren artikel 7 lid 2, onderdelen f en g, Richtlijn. Onderdeel f ziet op de relevante productveiligheidsvoorschriften, waaronder veiligheidsgerelateerde cyberbeveiligingsvoorschriften. Dit onderdeel maakt duidelijk dat voor het bepalen van het veiligheidsniveau dat een persoon mag verwachten, rekening dient te worden gehouden met wetgeving inzake productveiligheid en markttoezicht (zie overweging 34). Onderdeel g betreft vervolgens alle terugroepingen van het product of andere relevante interventies met betrekking tot de productveiligheid door een bevoegde autoriteit of door een marktdeelnemer zelf. Uit de preambule volgt dat hoewel deze interventies relevant zijn voor de beoordeling van de gebrekkigheid, deze op zichzelf beschouwd geen vermoeden van gebrekkigheid mogen doen ontstaan (zie overweging 34).
Onderdeel h implementeert artikel 7 lid 2, onderdeel h, Richtlijn. Hieruit volgt dat bij de gebrekkigheidsbeoordeling rekening moet worden gehouden met «de specifieke behoeften van de gebruikersgroep voor wie het product is bestemd». Denk bijvoorbeeld aan speelgoed voor kleine kinderen, die misschien geneigd zijn kleine onderdelen van een product in hun mond te stoppen. Onderdeel i correspondeert met artikel 7 lid 2, onderdeel i, Richtlijn. Dit bepaalt dat bij de gebrekkigheidsbeoordeling van producten die juist bedoeld zijn om schade te voorkomen, rekening moet worden gehouden met elk falen van dat product om aan dat doel te voldoen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een waarschuwingssystemen, zoals een rookmelder (zie overweging 33).
Lid 2; bestaan van een beter product maakt een product nog niet gebrekkig
Lid 2 implementeert artikel 7 lid 3 Richtlijn. Lid 2 bepaalt, kort gezegd, dat het enkele bestaan of het enkele later in de handel brengen van een beter product onvoldoende is voor de conclusie dat een product gebrekkig is. Dit geldt eveneens voor de enkele levering van updates of upgrades van een product. Ook dit kan niet leiden tot de conclusie dat een eerdere versie van het product gebrekkig is. Deze bepaling is opgenomen in het belang van de keuzevrijheid van de consument en ter bevordering van innovatie, onderzoek en een vlotte toegang tot nieuwe technologieën (zie overweging 35). Richtlijn 85/374 bevat een vergelijkbare bepaling, maar noemt niet uitdrukkelijk de updates en upgrades.77
Onderdeel F, wijziging artikel 187 (aansprakelijke marktdeelnemers)
De voorgestelde wijziging van artikel 6:187 BW strekt tot implementatie van artikel 8, leden 1–4, Richtlijn. Dit betreft de marktdeelnemers die op grond van de Richtlijn aansprakelijk kunnen worden gesteld voor schade veroorzaakt door gebrekkige producten (zie ook par. 2.4 b. van deze memorie van toelichting).
Lid 1 implementeert artikel 8 lid 1, onderdelen a tot en met c, Richtlijn. Het bepaalt in de eerste plaats dat de fabrikant van een gebrekkig product aansprakelijk is op grond van artikel 6:185 lid 1 BW (onderdeel a). Onverminderd de aansprakelijkheid van de fabrikant, is ook de fabrikant van een gebrekkige component aansprakelijk, indien die component is geïntegreerd in of onderling verbonden is met een product waarover de fabrikant zeggenschap heeft en ertoe heeft geleid dat dat product gebrekkig werd (onderdeel b). Daarbij is verduidelijkt dat de in onderdeel a bedoelde aansprakelijkheid van de fabrikant ook alle schade omvat die is veroorzaakt door een gebrekkige component die is geïntegreerd in of onderling verbonden is met een product waarover die fabrikant zeggenschap heeft. In het geval de fabrikant van een product of component buiten de EU is gevestigd, kan de benadeelde, onverminderd de aansprakelijkheid van die fabrikant, de importeur (onderdeel c, subonderdeel 1°) of de gemachtigde van de fabrikant (onderdeel c, subonderdeel 2°) aansprakelijk stellen voor de door het gebrekkige product of de gebrekkige component veroorzaakte schade. Wanneer er geen importeur of gemachtigde in de EU is gevestigd, kan hij de fulfilmentdienstverlener aansprakelijk stellen (onderdeel c; subonderdeel 3°).
Lid 2 implementeert artikel 8 lid 2 Richtlijn. Dit bepaalt dat voor de toepassing van lid 1 als fabrikant van een product wordt beschouwd een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een product ingrijpend wijzigt zonder dat de fabrikant daarover zeggenschap heeft en het product vervolgens in de handel brengt of in gebruik stelt. De benadeelde kan die persoon dus als fabrikant van het (ingrijpend gewijzigde) product aansprakelijk stellen voor de geleden schade (zie ook overweging 39).
Lid 3 implementeert artikel 8 lid 3 Richtlijn. Dit regelt dat indien de identiteit van een lid 1 bedoelde en in de EU gevestigde marktdeelnemer (d.w.z. fabrikant, importeur, gemachtigde of fulfilmentdienstverlener) niet kan worden vastgesteld, elke distributeur van het gebrekkige product aansprakelijk is. Dit is alleen anders als de distributeur de benadeelde de identiteit meedeelt van een lid 1 bedoelde en in de EU gevestigde markdeelnemer of van zijn eigen distributeur. Deze mededeling dient plaats te vinden binnen een maand na de ontvangst van een daartoe strekkend verzoek van de benadeelde, aldus lid 3. Dit lid legt derhalve aan de distributeur de last op om aannemelijk te maken en, indien nodig, te bewijzen dat aan deze voorwaarden voldaan. Slaagt hij hierin, dan is hij vrijgesteld van aansprakelijkheid. De benadeelde zal zich in dat geval moeten richten tot de markdeelnemer die aan hem is meegedeeld.
Lid 4 implementeert artikel 8 lid 4 Richtlijn. Dit verklaart de regeling voor de aansprakelijkheid van distributeurs (lid 3) van overeenkomstige toepassing op aanbieders van een onlineplatform onder twee voorwaarden. De eerste voorwaarde is dat het onlineplatform geen «marktdeelnemer» is in de zin van afdeling 6.3.3 BW. Deze voorwaarde verduidelijkt dat als onlineplatforms ten aanzien van een gebrekkig product de rol van fabrikant, importeur, gemachtigde, fulfilmentdienstverlener of distributeur vervullen, zij onder dezelfde aansprakelijkheid vallen als die betreffende marktdeelnemers (zie leden 1–3). Lid 4 is in dat geval dus niet van toepassing. De tweede voorwaarde behelst dat moet zijn voldaan aan de voorwaarden van artikel 6 lid 3 van Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening).78Dit betekent dat onlineplatforms op grond van afdeling 6.3.3 BW alleen aansprakelijk kunnen zijn, als zij het gebrekkige product presenteren of de overeenkomst die hierop ziet anderszins mogelijk maken op een wijze die een gemiddelde consument zou doen geloven dat het product wordt verstrekt door het onlineplatform zelf.79 Lid 4 verklaart lid 3 in dat geval van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat ook een onlineplatform kan worden vrijgesteld van aansprakelijkheid als zij de benadeelde binnen een maand, na ontvangst van een daartoe strekkend verzoek, de identiteit meedeelt van een in de EU gevestigde relevante markdeelnemer. Het is aan het onlineplatform om aannemelijk te maken en, indien nodig, te bewijzen dat aan deze voorwaarde is voldaan. Slaagt het onlineplatform daarin, dan is het onlineplatform niet aansprakelijk en zal de benadeelde zich moeten wenden tot de markdeelnemer die aan hem is meegedeeld.
Onderdeel G, wijziging artikel 188 (bewijslast)
De voorgestelde wijziging van artikel 6:188 BW strekt tot implementatie van artikel 10 Richtlijn. Net als Richtlijn 85/374,80 bepaalt artikel 10 lid 1 Richtlijn dat de eiser het gebrek van het product, de schade en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade dient te bewijzen. Deze regel vloeit naar Nederlands recht reeds voort uit de hoofdregel van bewijslastverdeling (artikel 150 Rv), maar is omwille van de duidelijkheid gehandhaafd.
Nieuw ten opzichte van Richtlijn 85/374, zijn de weerlegbare bewijsvermoedens van het gebrek van product en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade in artikel 10 leden 2–5 Richtlijn. Hiermee wordt beoogd de op de eiser rustende bewijslast te verlichten (zie overweging 46). Een bewijslastverlichting moet worden onderscheiden van een omkering van de bewijslast. Van een omkering is in dit wetsvoorstel geen sprake. Dit strookt met de preambule van de Richtlijn, waaruit blijkt dat een omkering van de bewijslast niet is beoogd (zie overweging 48).
Lid 2, aanhef en onderdeel a, implementeert artikel 10 lid 2, aanhef en onderdeel a, Richtlijn. Deze richtlijnbepaling houdt in dat het product wordt vermoed gebrekkig te zijn als de verweerder verzuimt toegang te verlenen tot relevant bewijsmateriaal op grond van artikel 9 lid 1 Richtlijn. Lid 2, aanhef en onderdeel a, verwijst voor deze verplichting naar de artikelen 194 en 195 Rv, die inhoudelijk overeenstemmen met artikel 9 lid 1 van de Richtlijn (zie paragraaf 3.2 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting). Verder wordt in plaats van de term «verweerder» de term «gedaagde» gebruikt, aangezien het bij zaken op grond van afdeling 6.3.3 BW gaat om een dagvaardingsprocedure.
Lid 2, aanhef en onderdeel b, implementeert artikel 10 lid 2, aanhef en onderdeel b, Richtlijn. Het onderdeel bepaalt dat het product wordt vermoed gebrekkig te zijn als de eiser aantoont dat het product niet voldoet aan de in het Unie- of nationale recht vastgestelde dwingende productveiligheidsvoorschriften die bedoeld zijn om bescherming te bieden tegen het risico van de door de benadeelde geleden schade. Dit vermoeden omvat ook gevallen waarin een product niet is voorzien van middelen om informatie over de werking van het product te registreren, zoals is vereist op grond van het Unie- of nationale recht (zie overweging 46).
Lid 2, aanhef en onderdeel c, implementeert artikel 10 lid 2, aanhef en onder c, Richtlijn. Het onderdeel bepaalt dat het product wordt vermoed gebrekkig te zijn als de eiser aantoont dat de schade werd veroorzaakt door een kennelijk disfunctioneren van het product bij redelijkerwijs te verwachten gebruik of onder normale omstandigheden. In de preambule is verduidelijkt wat moet worden verstaan onder «redelijkerwijs te verwachten gebruik». Dit omvat ten eerste het gebruik waarvoor een product bedoeld is volgens de informatie die verstrekt is door de fabrikant of (andere) marktdeelnemer die het in de handel brengt. Ten tweede omvat dit het normale gebruik zoals bepaald door het ontwerp en de constructie van het product. Tot slot wordt hieronder verstaan: het gebruik dat redelijkerwijs kan worden verwacht wanneer een dergelijk gebruik voortvloeit uit rechtmatig en eenvoudig voorspelbaar menselijk gedrag (zie overweging 46).
Lid 3 implementeert artikel 10 lid 3 Richtlijn. Lid 3 bepaalt dat het oorzakelijk verband tussen het gebrek van het product en de schade wordt vermoed wanneer is vastgesteld dat het product gebrekkig is en dat de soort veroorzaakte schade doorgaans strookt met het betrokken gebrek.
Lid 4 implementeert artikel 10 lid 4, aanhef en onderdelen a en b, Richtlijn. In lid 4 zijn dienovereenkomstig bewijsvermoedens opgenomen van het gebrek van het product en het oorzakelijke verband tussen het gebrek en de schade. Deze vermoedens zijn van toepassing indien de eiser, ondanks de toegang tot bewijsmateriaal:
a) wordt geconfronteerd met buitensporige moeilijkheden, met name als gevolg van technische of wetenschappelijke complexiteit, om het gebrek van het product en/of het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade aan te tonen, én
b) hij aantoont dat het waarschijnlijk is dat het product gebrekkig is en/of dat het waarschijnlijk is dat voornoemd oorzakelijk verband bestaat.
Bij de beoordeling hiervan dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval.
Uit de richtlijnbepaling – met de terminologie «en/of» – volgt dat deze bewijsvermoedens cumulatief kunnen worden toegepast. In overeenstemming met Aanbeveling 3.12 van de Aanwijzingen voor de Regelgeving blijft in Nederlandse wetten het gebruik van de uitdrukking «en/of» achterwege. Onder het woord «of» in het voorgestelde artikel 6:188 lid 4 BW moet in dit geval daarom mede worden begrepen de situatie dat in een procedure beide vermoedens worden toegepast (cumulatie). Voor cumulatie van de bewijsvermoedens is in de eerste plaats vereist dat de eiser wordt geconfronteerd met buitensporige moeilijkheden om het gebrek van het product én het oorzakelijke verband tussen het gebrek en de schade aan te tonen (artikel 6:188 lid 4, onderdeel a, BW). De eiser zal daartoe argumenten moeten aanvoeren, zowel ten aanzien van het gebrek als het oorzakelijk verband. In de tweede plaats zal de eiser moeten aantonen dat het waarschijnlijk is dat het product gebrekkig is én dat het waarschijnlijk is dat het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade bestaat (artikel 6:188 lid 4, onderdeel b, BW). Slaagt de eiser daar niet in en toont hij bijvoorbeeld alleen aan dat het waarschijnlijk is dat het product gebrekkig is, dan zal alleen het vermoeden van het gebrek kunnen worden toegepast (en niet óók het vermoeden van het oorzakelijk verband).
Uit de preambule van de Richtlijn blijkt dat per geval moet worden beoordeeld of sprake is van «technische of wetenschappelijke complexiteit». Daarbij dient de rechter rekening te houden met verschillende factoren. Die factoren moeten onder meer betrekking hebben op de complexe aard van het product (zoals een innovatief medisch hulpmiddel), de complexe aard van de gebruikte technologie (zoals machinaal leren), de complexe aard van de door de eiser te analyseren informatie en gegevens, alsook de complexe aard van het oorzakelijke verband. Bij dit laatste valt te denken aan een verband tussen een farmaceutisch product of voedingsmiddel en het optreden van een gezondheidsaandoening. Ook kan worden gedacht aan een verband dat alleen kan worden bewezen indien de eiser de interne werking van een AI-systeem zou verduidelijken. Met betrekking tot «buitensporige moeilijkheden» verduidelijkt de preambule dat het aan de eiser is om argumenten aan te voeren om dit aannemelijk te maken. De eiser hoeft dit echter niet te bewijzen. Dit brengt bijvoorbeeld mee dat bij een met een AI-systeem verband houdende vordering niet van de eiser mag worden verlangd dat hij de specifieke kenmerken van het AI-systeem toelicht. Evenmin mag van die eiser worden verlangd dat hij verduidelijkt hoe die kenmerken het moelijker maken om het oorzakelijk verband vast te stellen. Tot slot is in de preambule verduidelijkt dat gedaagde de mogelijkheid heeft om alle elementen van de vordering te betwisten, dus ook het bestaan van buitensporige moeilijkheden (zie overweging 48).
Met de term «wordt vermoed» is tot uitdrukking gebracht dat de bewijsvermoedens in de leden 2–4 weerlegbaar zijn81, zoals artikel 10 lid 5 Richtlijn dwingend voorschrijft. De gedaagde kan de vermoedens van het gebrek en het oorzakelijke verband weerleggen door tegenbewijs te leveren.
Onderdeel H, wijziging artikel 189 (aansprakelijkheid van meerdere marktdeelnemers)
Artikel 6:189 BW correspondeert reeds met artikel 12 lid 1 Richtlijn (hoofdelijke aansprakelijkheid marktdeelnemers). Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om ouderwets taalgebruik te vervangen («elk hunner» wordt vervangen door «ieder van hen»). Verder wordt om redactionele redenen «artikel 185, eerste lid,» vervangen door «artikel 185 lid 1».
Onderdeel I, wijziging artikel 190 (schade)
De voorgestelde wijziging van artikel 6:190 BW strekt tot implementatie van artikel 6 lid 1 Richtlijn. Deze bepaling bevat een uitputtende opsomming van de soorten schade waarvoor een recht op schadevergoeding bestaat op grond van de Richtlijn. Die opsomming is overgenomen in de onderdelen a tot en met c, waarop hierna wordt ingegaan.
Onderdeel a implementeert artikel 6 lid 1, onderdeel a, Richtlijn. Het voorgestelde onderdeel bepaalt dat de aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 6:185 lid 1 BW, bestaat voor schade door overlijden, lichamelijk of geestelijk letsel. Hieronder vallen bijvoorbeeld begrafeniskosten, medische kosten of gederfde inkomsten. In artikel 6 lid 1, onderdeel a, Richtlijn is omwille van de rechtszekerheid verduidelijkt dat onder «lichamelijk letsel» ook «medisch erkende schade aan de geestelijke gezondheid» wordt verstaan (zie overweging 21). Deze zinsnede wordt geïmplementeerd met de term «geestelijk letsel», omdat dit beter aansluit bij de systematiek van het schadevergoedingsrecht in Boek 6 BW.82
Onderdeel b implementeert artikel 6 lid 1, onderdeel b, Richtlijn. Het voorgestelde onderdeel stelt voorop dat de aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 6:185 lid 1 BW, bestaat voor schade door beschadiging of vernietiging van zaken («zaakschade»). Vervolgens worden hierop drie uitzonderingen gemaakt. Er bestaat geen recht op schadevergoeding voor schade aan het gebrekkige product zelf (subonderdeel 1°), een product dat is beschadigd door een gebrekkige component die door de fabrikant van dat product of onder de zeggenschap van die fabrikant in dat product is geïntegreerd of daarmee onderling is verbonden (subonderdeel 2°) en uitsluitend voor beroepsdoeleinden gebruikte zaken (subonderdeel 3°). Is sprake van gemengd gebruik van een zaak (bijvoorbeeld een auto die zowel voor beroeps- als privédoeleinden wordt gebruikt), dan voorziet afdeling 6.3.3 BW wel in een mogelijkheid tot schadevergoeding. Verder is van belang dat de Richtlijn, anders dan Richtlijn 85/37483, geen franchise kent voor zaakschade. De bepalingen over de franchise in het huidige artikel 6:190 lid 1, onderdeel b, en lid 2 BW komen daarom te vervallen.
Onderdeel c implementeert artikel 6 lid 1, onderdeel c, Richtlijn. Met dit voorgestelde onderdeel wordt een nieuwe schadesoort toegevoegd: vernietiging of corruptie van niet voor beroepsdoeleinden gebruikte gegevens. Op grond van het nieuwe onderdeel c kan een benadeelde bijvoorbeeld vergoeding vorderen van digitale bestanden die zijn verwijderd van de harde schijf, met inbegrip van de kosten voor het terugwinnen of herstellen daarvan. Vernietiging of corruptie van gegevens leidt overigens niet automatisch tot materiële schade. Zo zal er geen sprake zijn van schade als de benadeelde die gegevens zonder kosten kan herstellen of opnieuw kan verkrijgen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het bestaan van een back-up of het opnieuw kunnen downloaden van die gegevens. Ook is denkbaar dat een marktdeelnemer gegevens die tijdelijk niet beschikbaar zijn, herstelt of opnieuw creëert, bijvoorbeeld in een virtuele omgeving (zie overweging 20). Vernietiging of corruptie van voor beroepsdoeleinden gebruikte gegevens, zelfs als dat niet uitsluitend zo is (bijvoorbeeld bij gemengd gebruik), komt niet voor vergoeding in aanmerking. Hiermee is beoogd een mogelijk risico op een buitensporig aantal rechtszaken tegen te gaan (zie overweging 22).
Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat andere soorten schade dan genoemd in de onderdelen a tot en met c, zoals zuiver economische schade, inbreuken op de persoonlijke levenssfeer of discriminatie, als zodanig geen aanleiding geven tot aansprakelijkheid op grond van afdeling 6.3.3 BW. Een benadeelde kan hiervoor wel een schadevergoedingsvordering instellen op grond van nationaal recht, bijvoorbeeld de onrechtmatige daad (zie overweging 24). Verder is van belang dat het recht op schadevergoeding uit hoofde van afdeling 6.3.3 BW zowel geldt voor directe slachtoffers, die schade lijden die rechtstreeks door een gebrekkig product is veroorzaakt, als voor indirecte slachtoffers, die schade lijden als gevolg van de schade geleden door het directe slachtoffers. Dit evenwel alleen voor zover het nationale recht voorziet in de vergoeding van schade van indirecte slachtoffers (zie overweging 27). Dit betekent voor het Nederlandse recht dat de vergoeding van zogenoemde verplaatste schade, loonaanspraken en affectieschade ook kan worden gevorderd op grond van de regeling inzake productaansprakelijkheid (artikelen 6:107, 6:107a en 6:108 BW). Tot slot wordt opgemerkt dat de Richtlijn geen afbreuk doet aan de nationale regels voor de berekening van de schadevergoeding (zie overweging 23).
Onderdeel J, wijziging artikel 191 (verjaringstermijn)
Omwille van de duidelijkheid is ervoor gekozen de richtlijnbepalingen over de verjarings- en vervaltermijn (artikelen 16 en 17) te implementeren in twee verschillende wetsartikelen.84 Mede daarom wordt de tekst van artikel 6:191 BW opnieuw vastgesteld. De vervaltermijn wordt geïmplementeerd in een nieuw artikel 6:191a BW (zie hierna Onderdeel K). Dit sluit aan bij de opzet van de Richtlijn, waarin de verjarings- en vervaltermijn eveneens in afzonderlijke artikelen zijn opgenomen. Het verduidelijkt ook dat het om verschillende rechtsfiguren gaat.
De voorgestelde wijziging van artikel 6:191 BW strekt tot implementatie van artikel 16 lid 1 Richtlijn. Deze bepaling bevat een verjaringstermijn van drie jaar voor rechtsvorderingen tot schadevergoeding op grond van de Richtlijn. Ook Richtlijn 85/374 kent een verjaringstermijn van drie jaar.85 De wijzigingen in artikel 6:191 BW zijn dan ook beperkt van aard. Om de bepaling te laten aansluiten bij de terminologie van de Richtlijn, wordt (i) «producent» telkens vervangen door «marktdeelnemer», wordt (ii) «had moeten worden» vervangen door «redelijkerwijs had moeten worden», en wordt (iii) voor de aanvang van de verjaringstermijn aangesloten bij «de dag waarop» de benadeelde kennis kreeg dan wel redelijkerwijs had moeten krijgen van de omstandigheden genoemd in de onderdelen a tot en met c. De verjaringstermijn eindigt in elk geval zodra krachtens artikel 6:191a BW het recht op schadevergoeding jegens de marktdeelnemer vervalt (zie hierna).86
Onderdeel K, invoeging artikel 191a (vervaltermijn)
Lid 1; vervaltermijn van 10 jaar
Lid 1 implementeert artikel 17 lid 1 van de Richtlijn. Die voorgestelde bepaling bevat een vervaltermijn van tien jaar, net als Richtlijn 85/374 en de huidige regeling in het BW.87 In de preambule is toegelicht dat het onredelijk zou zijn de marktdeelnemer voor een onbeperkte periode risicoaansprakelijk te stellen voor de gebrekkigheid van zijn producten; producten zijn immers in de loop van de tijd aan slijtage onderhevig en er worden strengere veiligheidsnormen ontwikkeld naarmate de wetenschappelijke en technische kennis vooruitgaat. Voor de marktdeelnemer betekent de vervaltermijn dan ook dat hij er na verloop van tijd op aan kan dat hij niet meer op grond van de Richtlijn kan worden aangesproken (zie overweging 57). Het voorgestelde artikel 6:191a lid 1, onderdeel a, bepaalt dat de vervaltermijn ingaat op de datum waarop het gebrekkige product dat de schade heeft veroorzaakt, in de handel werd gebracht of in gebruik werd gesteld. Aangezien het bij ingrijpend gewijzigde producten in wezen om nieuwe producten gaat, bepaalt het voorgestelde onderdeel b van artikel 6:191a BW dat de vervaltermijn in dat geval ingaat op de datum waarop dat product na de ingrijpende wijziging ervan op de markt werd aangeboden of in gebruik werd gesteld (bijvoorbeeld als gevolg van revisie). Updates of upgrades die niet neerkomen op een ingrijpende wijziging van het product, hebben geen invloed op de vervaltermijn die van toepassing is op het oorspronkelijke product (zie overweging 58). De tenzij-bepaling in artikel 17 lid 1 («tenzij die benadeelde tijdens die termijn een procedure heeft ingeleid tegen een marktdeelnemer die op grond van artikel 8 aansprakelijk kan worden gesteld») is niet overgenomen. De vervaltermijn beoogt te voorkomen dat de benadeelde een vordering tot schadevergoeding kan instellen nadat tien jaren zijn verstreken na het in de handel brengen of in gebruik stellen van het product. Hieruit vloeit logischerwijze voort dat wanneer de benadeelde binnen die termijn een procedure is begonnen, het verstrijken van de vervaltermijn tijdens die procedure niet meer van invloed kan zijn op het verloop daarvan. Met andere woorden, het verstrijken van de vervaltermijn kan in dat geval niet aan de benadeelde worden tegengeworpen.88
Lid 2; vervaltermijn van 25 jaar bij latente gezondheidsschade
Lid 2 implementeert artikel 17 lid 2 Richtlijn. Ingevolge het voorgestelde lid wordt de vervaltermijn verlengd tot 25 jaar, als een benadeelde vanwege de latentietijd van een lichamelijk letsel niet in staat was binnen tien jaar een procedure in te leiden. Daarbij gaat het om gevallen waarin uit medische bewijsstukken blijkt dat de symptomen van een lichamelijk letsel langzaam opkomen (zie overweging 57). De tenzij-bepaling in artikel 17 lid 2 Richtlijn is niet overgenomen om de hiervoor genoemde reden (zie toelichting op artikel 6:191a lid 1 (slot)).
Lid 3; vervaltermijnen ook van toepassing op regresrecht medeaansprakelijke derde
In lid 3 is de bepaling uit het huidige artikel 6:191 lid 2, laatste volzin, overgenomen. Deze bepaling is van nationale origine en betreft het verval van het regresrecht van een derde die mede voor de schade aansprakelijk is, jegens de marktdeelnemer. Door de vervaltermijnen voor het regresrecht eveneens op tien respectievelijk 25 jaar te stellen, wordt bereikt dat de marktdeelnemer nadien ook niet meer op grond van zijn regresplicht kan worden aangesproken.89
Onderdeel L, wijziging artikel 192 (uitsluiting of beperking van aansprakelijkheid)
Dit onderdeel voert twee redactionele wijzigingen door in artikel 6:192 BW.
In lid 1, dat reeds in overeenstemming met artikel 15 van de Richtlijn90, wordt «de producent» vervangen door «de marktdeelnemer». Verder wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om ouderwetse spelling te vervangen in lid 2 («produkt» wordt vervangen door «product»). Lid 2 kent een nationale oorsprong91 en betreft de situatie dat, behalve de producent, ook een derde die het product niet gebruikt in de uitoefening van een beroep of bedrijf jegens de benadeelde aansprakelijk is.92 Voor dat geval bepaalt lid 2 dat niet ten nadele van die derde kan worden afgeweken van de regels inzake het regres. Daarmee maakt lid 2 een afwijking van artikel 6:102 in verbinding met artikel 6:101 BW ten nadele van die derde onmogelijk. De Richtlijn staat niet in de weg aan handhaving van deze bepaling.93
Onderdeel M, wijziging artikel 193 (verhouding tot nationale aansprakelijkheidsregels)
Dit onderdeel voert twee redactionele wijzigingen door in artikel 6:193 BW. Dit artikel is in overeenstemming met artikel 2 lid 4, onderdeel b, Richtlijn. Die richtlijnbepaling houdt in dat de Richtlijn geen afbreuk doet aan de rechten die een benadeelde ontleent aan nationale regels inzake contractuele aansprakelijkheid of buitencontractuele aansprakelijkheid op andere gronden dan het gebrek van het product, zoals vastgesteld in de Richtlijn, waaronder de ter uitvoering van het Unierecht vastgestelde regels. Richtlijn 85/374 bevat een vergelijkbare bepaling94 (geïmplementeerd in artikel 6:193 BW). De eerste wijziging betreft het vervangen van «de producent» door «de marktdeelnemer». De tweede wijziging betreft het toevoegen van de zinsnede «op andere gronden dan het gebrek van het product». Hiermee wordt ook aangesloten bij rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU.95
Onderdeel N, wijziging artikel 197 (aanpassing Tijdelijke regeling verhaalsrechten)
Artikel 5 lid 2, onderdeel a, Richtlijn bepaalt dat vorderingen tot schadevergoeding op grond van de Richtlijn ook moeten kunnen worden ingesteld door een persoon die krachtens het Unie- of nationale recht of krachtens een overeenkomst in de rechten van de benadeelde is getreden of in diens rechten is gesubrogeerd. Deze bepaling dient te worden gelezen in het licht van de doelstellingen van de Richtlijn, waaronder het waarborgen van de werking van de interne markt en de onvervalste mededinging. De Tijdelijke regeling verhaalsrechten (TRV) staat hiermee op gespannen voet. Deze regeling is opgenomen in artikel 6:197 BW en houdt, kort samengevat, in dat de risicoaansprakelijkheden in het BW buiten toepassing blijven in het kader van de uitoefening van verhaalsrechten door sociale en particuliere verzekeraars en door de overheid. De TRV geldt ook voor de productaansprakelijkheid. Dit betekent dat een schadeverzekeraar, die de schade van haar verzekerde (de benadeelde) heeft vergoed, niet op grond van artikel 7:962 BW subrogeert in de rechten van haar verzekerde op grond van afdeling 6.3.3 BW. Dit heeft tot gevolg dat die schadeverzekeraar geen verhaal kan nemen op de producent (de schadeveroorzakende partij) op grond van de risicoaansprakelijkheid in artikel 6:185 BW.96
Om strijd met artikel 5 lid 2, onderdeel a, Richtlijn, althans de doelstellingen van de Richtlijn, te voorkomen, wordt voorgesteld om in artikel 6:197 leden 1 en 2 BW de verwijzing naar artikel 6:185 BW te schrappen.97 Dit brengt mee dat een schadeverzekeraar die de door een gebrekkig product veroorzaakte schade van haar verzekerde (de benadeelde) heeft vergoed voortaan (ook) op grond van de risicoaansprakelijkheid in afdeling 6.3.3 BW verhaal kan nemen op de aansprakelijke marktdeelnemer (en in voorkomend geval zijn aansprakelijkheidsverzekeraar).
Artikel II (wijziging kanalisatiebepaling in artikel 7:24 lid 2 BW)
Vanwege het vervallen van de franchise voor zaakschade98, dient de kanalisatiebepaling bij consumentenkoop in artikel 7:24 lid 2 BW te worden aangepast. Deze bepaling regelt dat de verkoper in het geval van non-conformiteit niet aansprakelijk is voor schade als bedoeld in afdeling 6.3.3 BW als de tekortkoming bestaat in een gebrek als bedoeld in die afdeling. In dat geval wordt de aansprakelijkheid gekanaliseerd naar de producent. Hierop wordt een uitzondering gemaakt (geen kanalisatie naar de producent; verkoper wel aansprakelijk) als de verkoper het gebrek kende of behoorde te kennen (onderdeel a), hij de afwezigheid van het gebrek heeft toegezegd (onderdeel b) of als het zaakschade betreft waarvan krachtens afdeling 6.3.3 BW geen recht op vergoeding bestaat op grond van de in die afdeling geregelde franchise (onderdeel c). Artikel II regelt dat onderdeel c komt te vervallen. Dit betekent dat voortaan ook de aansprakelijkheid voor zaakschade onder de € 500,– wordt gekanaliseerd naar de marktdeelnemer als bedoeld in artikel 6:187 BW (mits aan de voorwaarden van artikel 7:24 BW is voldaan). De overige wijzigingen van artikel 7:24 lid 2 BW zijn uitsluitend redactioneel van aard.
Artikel III (overgangsrecht)
Dit artikel regelt het overgangsrecht voor de wijzigingen in de Boeken 6 en 7 BW. Artikelen 2 lid 1 en 21 Richtlijn harmoniseren het overgangsrecht. De lidstaten moeten de bepalingen van de Richtlijn, zoals omgezet in het nationale recht, vanaf 9 december 2026 toepassen. De bepalingen zijn van toepassing op producten die op of na 9 december 2026 in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn gesteld. Het nieuwe artikel 189aa van de Overgangswet nieuw BW implementeert de artikelen 2 lid 1 en 21 Richtlijn. Op producten die vóór 9 december 2026 in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn gesteld blijven de vóór die datum geldende afdelingen 6.3.3 en 6.3.5 BW en de vóór die datum geldende artikelen 6:173 lid 2 en 7:24 lid 2 BW van toepassing.
Artikel IV en V (inwerkingtreding en citeertitel)
Deze artikelen regelen de inwerkingtreding en de citeertitel. Artikel 22 Richtlijn schrijft dwingend voor dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen op 9 december 2026 moeten zijn vastgesteld. Uit de artikelen 2 lid 1 en 21 volgt dat de bepalingen van toepassing zijn op producten die op of na 9 december 2026 in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn gesteld. Omdat de Richtlijn dwingend de vaststelling en toepassing van de bepalingen daarin voorschrijft, wordt afgeweken van de vaste verandermomenten (Ar 4.17 lid 5, uitzonderingsgrond d).
Deze memorie van toelichting wordt ondertekend mede namens de Minister van Economische Zaken.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A.C.L. Rutte
|
Bepaling Richtlijn (EU) 2024/2853 |
Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling Toelichting indien niet geïmplementeerd of naar zijn aard geen implementatie behoeft |
Omschrijving beleidsruimte |
Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte |
|---|---|---|---|
|
Artikel 1 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, omdat deze bepaling het onderwerp en doel van de Richtlijn betreft. In Artikel I, onderdeel D, (wijziging van artikel 6:185 lid 1 BW) is wel verduidelijkt dat de aansprakelijkheid ziet op schade van «natuurlijke personen». |
Geen. |
– |
|
Artikel 2 lid 1 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, omdat de bepaling het temporele toepassingsbereik van de Richtlijn betreft. |
Geen. |
– |
|
Artikel 2 lid 2 |
Artikel I, onderdeel C, (invoeging artikel 6:184a lid 3, onderdeel a, BW). |
Geen. |
– |
|
Artikel 2 lid 3 |
Artikel I, onderdeel C, (invoeging artikel 6:184a lid 3, onderdeel b, BW). |
Geen. |
– |
|
Artikel 2 lid 4 onder a |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, omdat de bepaling geen verplichtingen oplegt aan de lidstaten. |
Geen. |
– |
|
Artikel 2 lid 4 onder b |
Niet geïmplementeerd, bestaand recht in artikel 6:193 BW. Met Artikel I, onderdeel M, worden uitsluitend redactionele wijzigingen doorgevoerd (het vervangen van »de producent» door «de marktdeelnemer» en het invoegen van de zinsnede «op andere gronden dan het gebrek van het product bedoeld in deze afdeling»). |
Geen. |
– |
|
Artikel 2 lid 4 onder c |
Niet geïmplementeerd, omdat deze situatie zich in Nederland niet voordoet. |
Geen. |
– |
|
Artikel 3 |
Niet geïmplementeerd, omdat deze bepaling het harmonisatieniveau van de Richtlijn betreft. |
Geen. |
– |
|
Artikel 4 |
Artikel I, onderdeel C, (invoeging artikel 184a leden 1–2 BW). |
Geen. |
– |
|
Artikel 5 lid 1 |
Niet (afzonderlijk) geïmplementeerd, omdat het recht op schadevergoeding al voortvloeit uit de huidige regeling in afdeling 3 van titel 3 van Boek 6 BW, zoals gewijzigd door de implementatie van de overige bepalingen van Richtlijn (EU) 2024/2853. |
Geen. |
– |
|
Artikel 5 lid 2 onder a (bezien in licht doelstellingen Richtlijn) |
Artikel I, onderdeel N, (wijziging artikel 6:197 leden 1–2 BW). |
Geen. |
– |
|
Artikel 5 lid 2 onder b |
Niet geïmplementeerd, bestaand recht in artikel 3:305a e.v. BW. |
Geen. |
– |
|
Artikel 6 lid 1 |
Deels niet geïmplementeerd, bestaand recht in artikel 6:190 BW; deels wel geïmplementeerd in Artikel I, onderdeel I, (wijziging artikel 6:190 BW). |
Geen. |
– |
|
Artikel 6 lid 2 |
Niet geïmplementeerd, bestaand recht in de artikelen 6:95, 6:106 BW |
Geen. |
– |
|
Artikel 6 lid 3 |
Niet geïmplementeerd, bestaand recht in artikel 6:193 BW. Met Artikel I, onderdeel M, worden uitsluitend redactionele wijzigingen doorgevoerd (het vervangen van »de producent» door «de marktdeelnemer» en het invoegen van de zinsnede «op andere gronden dan het gebrek van het product bedoeld in deze afdeling»). |
Geen. |
– |
|
Artikel 7 lid 1 |
Deels niet geïmplementeerd, bestaand recht in artikel 6:186 lid 1 BW; deels wel geïmplementeerd in Artikel I, onderdeel E, (wijziging artikel 6:186 lid 1 BW). |
Geen. |
– |
|
Artikel 7 lid 2 |
Deels niet geïmplementeerd, bestaand recht in artikel 6:186 lid 1 BW; deels wel geïmplementeerd in Artikel I, onderdeel E, (wijziging artikel 6:186 lid 1 BW). |
Geen. |
– |
|
Artikel 7 lid 3 |
Deels niet geïmplementeerd, bestaand recht in artikel 6:186 lid 2 BW; deels wel geïmplementeerd in Artikel I, onderdeel E, (wijziging artikel 6:186 lid 2 BW). |
Geen. |
– |
|
Artikel 8 lid 1 |
Artikel I, onderdeel F, (wijziging artikel 6:187 lid 1 BW). |
Geen. |
– |
|
Artikel 8 lid 2 |
Artikel I, onderdeel F, (wijziging artikel 6:187 lid 2 BW). |
Geen. |
– |
|
Artikel 8 lid 3 |
Artikel I, onderdeel F, (wijziging artikel 6:187 lid 3 BW). |
Geen. |
– |
|
Artikel 8 lid 4 |
Artikel I, onderdeel F, (wijziging artikel 6:187 lid 4 BW). |
Geen. |
– |
|
Artikel 8 lid 5 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, omdat de bepaling geen verplichtingen oplegt aan de lidstaten. |
De Richtlijn biedt lidstaten de ruimte om nationale sectorale compensatieregelingen te handhaven of nieuwe regelingen vast te stellen om benadeelden die hun schade niet vergoed krijgen wegens insolventie of het niet meer bestaan van de aansprakelijke marktdeelnemer op een passende wijze te compenseren. Nederland heeft op dit moment niet een dergelijke compensatieregeling. In lijn met vast kabinetsbeleid voor de implementatie van Unie-recht en ter voorkoming van regeldruk is er daarom voor gekozen om niet alsnog een dergelijke regeling vast te stellen. |
– |
|
Artikel 9 leden 1 en 2 |
Niet geïmplementeerd, bestaand recht in artikel 194 leden 1 en 2 en artikel 195 lid 1 Rv. |
Geen. |
– |
|
Artikel 9 leden 3–6 |
Niet geïmplementeerd, bestaand recht in artikel 194 lid 2 en artikel 195 leden 1 en 2 Rv. |
Geen. |
– |
|
Artikel 9 lid 7 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, omdat de bepaling geen verplichtingen oplegt aan de lidstaten. |
Geen. |
– |
|
Artikel 10 lid 1 |
Niet geïmplementeerd, bestaand recht in artikel 6:188 BW. |
Geen. |
– |
|
Artikel 10 lid 2 onder a |
Artikel I, onderdeel G, (wijziging artikel 6:188 BW; toevoeging lid 2, onder a). |
Geen. |
– |
|
Artikel 10 lid 2 onder b |
Artikel I, onderdeel G, (wijziging artikel 6:188 BW; toevoeging lid 2, onder b). |
Geen. |
– |
|
Artikel 10 lid 2 onder c |
Artikel I, onderdeel G, (wijziging artikel 6:188 BW; toevoeging lid 2, onder c). |
Geen. |
– |
|
Artikel 10 lid 3 |
Artikel I, onderdeel G, (wijziging artikel 6:188 BW; toevoeging lid 3). |
Geen. |
– |
|
Artikel 10 lid 4 |
Artikel I, onderdeel G, (wijziging artikel 6:188 BW; toevoeging lid 4). |
Geen. |
– |
|
Artikel 10 lid 5 |
Artikel I, onderdeel G, (wijziging artikel 6:188 BW; toevoeging leden 2–4, de terminologie «wordt vermoed» duidt op een weerlegbaar bewijsvermoeden). |
Geen. |
– |
|
Artikel 11 lid 1 |
Artikel I, onderdeel D, (wijziging artikel 6:185 lid 1 BW). |
Geen. |
– |
|
Artikel 11 lid 2 |
Artikel I, onderdeel D, (wijziging artikel 6:185; invoeging nieuw lid 2). |
Geen. |
– |
|
Artikel 12 lid 1 |
Niet geïmplementeerd, bestaand recht in artikel 6:189 BW. |
Geen. |
– |
|
Artikel 12 lid 2 |
Niet geïmplementeerd, bestaand recht. De regresverhouding waarvoor de Richtlijn in de artikelen 12 lid 1, 13 lid 2 en 14 naar het nationale recht verwijst, kan in Nederland nu ook al contractueel tussen partijen worden geregeld. |
Geen. |
– |
|
Artikel 13 lid 1 |
Deels niet geïmplementeerd, bestaand recht in het huidige artikel 6:185 lid 3 BW; deels wel geïmplementeerd in Artikel I, onderdeel D, (wijziging artikel 6:185 BW; nieuw lid 4). Dit betreft het vervangen van «producent» door «marktdeelnemer», «het produkt» door «het product» en het na «verminderd» invoegen van «of opgeheven». |
Geen. |
– |
|
Artikel 13 lid 2 |
Deels niet geïmplementeerd, bestaand recht in het huidige artikel 6:185 lid 2 BW; deels wel geïmplementeerd in Artikel I, onderdeel D, (wijziging artikel 6:185 BW; nieuw lid 3). Dit betreft het vervangen van «producent» door «marktdeelnemer» en «het produkt» door «het product». |
Geen. |
– |
|
Artikel 14 |
Niet geïmplementeerd, bestaand recht in artikel 6:10 BW jo. 6:102 lid 1 en 6:101 BW. |
Geen. |
– |
|
Artikel 15 |
Niet geïmplementeerd, bestaand recht in artikel 6:192 lid 1 BW. Met Artikel I, onderdeel L, (wijziging artikel 6:192 lid 1 BW) wordt slechts een redactionele wijziging door gevoerd (het vervangen van «de producent» door «de marktdeelnemer»). |
Geen. |
– |
|
Artikel 16 lid 1 |
Deels niet geïmplementeerd, bestaand recht in artikel 6:191 lid 1 BW; deels wel geïmplementeerd in Artikel I, onderdeel J, (wijziging artikel 191). Dit betreft het onderbrengen van verjaring in een apart wetsartikel, het vervangen van «de producent» door «de marktdeelnemer» en overige redactionele wijzigingen om het artikel te laten aansluiten bij de Richtlijn. |
Geen. |
– |
|
Artikel 16 lid 2 |
Niet geïmplementeerd, omdat de bepaling geen verplichtingen oplegt aan de lidstaten. |
Geen. |
– |
|
Artikel 17 lid 1 |
Artikel I, onderdeel K, (invoeging nieuw artikel 6:191a lid 1 BW). |
Geen. |
– |
|
Artikel 17 lid 2 |
Artikel I, onderdeel K, (invoeging nieuw artikel 6:191a lid 2 BW). |
Geen. |
– |
|
Artikel 18 lid 1 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, omdat de bepaling een feitelijk handelen van de centrale overheid betreft zonder dat derden daarop aanspraak hoeven te kunnen maken. Deze situatie doet zich in Nederland overigens ook niet voor. |
Geen. |
– |
|
Artikel 18 leden 2–3 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, omdat de mogelijkheid om bepaalde gevallen af te wijken van het ontwikkelingsrisicoverweer rechtstreeks volgt uit de Richtlijn. |
Mocht afwijking van het ontwikkelingsrisicoverweer (in de toekomst) wenselijk blijken te zijn, dan dient dit zijn beslag te krijgen in een apart wetsvoorstel. Daarvoor geldt dan de notificatieregeling als beschreven in artikel 18 leden 4–5 Richtlijn. |
– |
|
Artikel 18 leden 4–5 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, omdat de bepalingen (notificatieregeling) een feitelijk handelen van de centrale overheid betreffen zonder dat derden daarop aanspraak hoeven te kunnen maken. |
Geen. |
– |
|
Artikel 19 lid 1 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, omdat de bepaling een feitelijk handelen van de centrale overheid betreft zonder dat derden daarop aanspraak hoeven te kunnen maken. |
Geen. |
– |
|
Artikel 19 lid 2 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, omdat de bepaling zich slechts richt tot de Europese Commissie. |
Geen. |
– |
|
Artikel 20 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, omdat deze evaluatiebepaling zich slechts richt tot de Europese Commissie. |
Geen. |
– |
|
Artikel 21 |
Artikel III (invoeging nieuw artikel 189aa in de Overgangswet nieuw BW). |
Geen |
– |
|
Artikel 22 |
Artikel IV. |
Geen. |
– |
|
Artikel 23 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, omdat deze bepaling de inwerkingtreding van de Richtlijn betreft. |
Geen. |
– |
|
Artikel 24 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, omdat deze bepaling de adressaten van de Richtlijn betreft. |
Geen. |
– |