Ontvangen 7 september 2026
De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
Aan artikel 3.4 wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. De ambtenaar, bedoeld in artikel 3.1, mag bij de gebruikmaking van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
Dit amendement versterkt de rechtsbescherming van marktdeelnemers bij het gebruik van een fictieve identiteit of hoedanigheid door toezichthouders (artikel 3.4). Effectief toezicht is noodzakelijk om de digitale veiligheid te beschermen, maar dit betekent niet dat toezichthouders onbeperkte ruimte moeten krijgen om in het rechtsverkeer van ondernemers en burgers te opereren.
Het werken onder een fictieve identiteit is een ingrijpende bevoegdheid. Juist daarom moet duidelijk zijn wanneer deze bevoegdheid wel en niet mag worden ingezet. De wet moet voorkomen dat zwaar toezicht een standaardinstrument wordt wanneer hetzelfde doel ook met minder ingrijpende middelen kan worden bereikt.
Het voorgestelde derde lid legt daarnaast het zogenoemde uitlokkingsverbod, ofwel het lokverbod, rechtstreeks in de wet vast. Een toezichthouder mag een marktdeelnemer niet aanzetten tot een overtreding die deze zonder tussenkomst van de overheid niet van plan was te plegen. De overheid moet overtredingen opsporen en handhaven, maar mag niet zelf de aanleiding worden voor het ontstaan van nieuwe overtredingen.
Met deze waarborg wordt voorkomen dat de bevoegdheid tot toezicht onder fictieve identiteit verder gaat dan noodzakelijk. Het amendement zorgt daarmee voor een betere balans tussen effectieve handhaving enerzijds en de bescherming van ondernemers, burgers en de rechtsstaat anderzijds.
Van den Berg