Ontvangen 23 maart 2026
De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:
In artikel I, onderdeel AD, wordt aan het voorgestelde artikel 36 een lid toegevoegd, luidende:
3. In de regels, bedoeld in het tweede lid, wordt de onafhankelijkheid van de kosteloze juridische counseling, bijstand of vertegenwoordiging gewaarborgd.
Met dit amendement wordt op wetsniveau vastgelegd dat kosteloze juridische counseling uitsluitend wordt verstrekt door geaccrediteerde, onafhankelijke maatschappelijke organisaties, en expliciet niet door de IND. Het wetsvoorstel laat de invulling van de juridische counseling over aan de Minister bij ministeriële regeling, zonder nadere afbakening op wetsniveau. De Raad van State heeft geadviseerd de hoofdlijnen van deze regeling in de wet vast te leggen, zodat de wetgever de belangrijkste keuzes maakt over de inrichting van dit recht.
De IND is de beslissende partij in de asielprocedure. Het beleggen van juridische counseling bij deze instantie ondermijnt de vereiste onafhankelijkheid en kan leiden tot belangenconflicten. Voor effectieve rechtsbescherming is het noodzakelijk dat counseling wordt verleend door partijen die onafhankelijk zijn van de besluitvorming. Dit sluit aan bij aanbevelingen van de Council of Bars and Law Societies of Europe (CCBE), waarin wordt benadrukt dat juridische counseling onafhankelijk dient te worden verleend en niet door overheidsinstanties die betrokken zijn bij de besluitvorming.
Daarnaast heeft juridische counseling een duidelijk juridisch karakter, zoals begeleiding bij de aanvraag en advies over rechtsmiddelen. Dit vereist deskundigheid en vertrouwelijkheid, die beter gewaarborgd zijn bij onafhankelijke en geaccrediteerde organisaties.
Tot slot moet worden voorkomen dat juridische counseling in de plaats treedt van rechtsbijstand waar deze al bestaat. Toegang tot tijdige en onafhankelijke juridische ondersteuning is essentieel voor een zorgvuldige asielprocedure.
Met dit amendement wordt daarom vastgelegd dat counseling onafhankelijk wordt georganiseerd en dat de Minister uitsluitend de nadere uitwerking regelt.
Dassen Westerveld