Gepubliceerd: 20 maart 2026
Indiener(s): Don Ceder (CU), Lisa Westerveld (GL)
Onderwerpen: migratie en integratie organisatie en beleid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36871-12.html
ID: 36871-12

22,0 %
78,0 %

CU

SP

JA21

FVD

Groep Markuszower

PVV

D66

SGP

VVD

BBB

Volt

PvdD

50PLUS

GroenLinks-PvdA

CDA

DENK


Nr. 12 AMENDEMENT VAN DE LEDEN CEDER EN WESTERVELD

Ontvangen 20 maart 2026

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

In artikel I, onderdeel O, wordt aan het voorgestelde artikel 27a een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De voordracht voor een krachtens het derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Toelichting

Indieners stellen met dit amendement een voorhangprocedure in bij de algemene maatregel van bestuur (amvb) op grond van artikel 27a, derde lid, die nadere regels stelt over de toekenning van taken en bevoegdheden uit de Procedureverordening, de Asiel- en migratiebeheerverordening en de Kwalificatieverordening. Indieners vinden het van belang dat de Kamer zich uit kan spreken over deze nadere regels die gaan over een verdere interpretatie van de verordeningen. Dit sluit aan bij de kritiek van de Afdeling Advisering van de Raad van State (de Afdeling), die stelt dat «de delegatie van regelgevende bevoegdheid in de delegerende regeling zo concreet en nauwkeurig mogelijk wordt neergelegd». De volksvertegenwoordiging en de regering behoren namelijk «samen de voornaamste keuzes over de inhoud van het recht (...) te maken». Als er dan gekozen wordt voor delegatie van regelgevende bevoegdheid, dan moet het volgens de Afdeling beperkt zijn tot «voorschriften van administratieve aard, uitwerking van de details van een regeling, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed worden vastgesteld.» De Afdeling benoemt deze delegatiebepaling expliciet in haar advies, dat deze niet voldoende nauwkeurig wordt afgebakend. Indieners sluiten zich hierbij aan. Daarom is het des te meer van belang om de volksvertegenwoordiging als medewetgever een rol te geven bij de inhoud van de amvb, zodat er vragen gesteld kunnen worden over de uitvoerbaarheid en proportionaliteit van de toegekende taken en bevoegdheden. De Tweede en Eerste Kamer krijgen met dit amendement vier weken om de amvb inhoudelijk te behandelen in een (schriftelijk) debat, een zogenaamde «lichte» voorhang.

Ceder Westerveld