Ontvangen 20 maart 2026
De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:
In artikel I, onderdeel C, wordt aan het voorgestelde artikel 2ff een lid toegevoegd, luidende:
5. De voordracht voor een krachtens het derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Indieners stellen met dit amendement een voorhangprocedure voor bij de algemene maatregel van bestuur (amvb) die de autoriteiten of instanties aanwijst die een of meerdere taken van de Screeningsautoriteiten uitvoeren. Indieners vinden het van belang dat de Kamer zich uit kan spreken over de beslissing wie de screening aan de grens uitvoert. Dit sluit aan bij de kritiek van de Afdeling Advisering van de Raad van State (de Afdeling), die stelt dat «de delegatie van regelgevende bevoegdheid in de delegerende regeling zo concreet en nauwkeurig mogelijk wordt neergelegd». De volksvertegenwoordiging en de regering behoren namelijk «samen de voornaamste keuzes over de inhoud van het recht (...) te maken». Als er dan gekozen wordt voor delegatie van regelgevende bevoegdheid, dan moet het volgens de Afdeling beperkt zijn tot «voorschriften van administratieve aard, uitwerking van de details van een regeling, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed worden vastgesteld.» Indieners menen dat de inhoud van de amvb omtrent artikel 2ff, derde lid, iets meer omvat dan het door de Afdeling gestelde inperking. Nu de regering hier toch voor heeft gekozen, vinden indieners het des te meer van belang om de volksvertegenwoordiging als medewetgever een rol te geven bij de inhoud van de amvb. De Tweede en Eerste Kamer krijgen met dit amendement vier weken om de amvb inhoudelijk te behandelen in een (schriftelijk) debat, een zogenaamde «lichte» voorhang.
Ceder Westerveld