Vastgesteld 2 juli 2026
De vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over de brief van 18 mei over de internationale arbitrageprocedure aangespannen door Petrogas (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 71).
De vragen en opmerkingen zijn op 9 juni 2026 aan de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voorgelegd. Bij brief van 2 juli 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Den Hollander
Adjunct-griffier van de commissie, Prenger
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon en antwoord van de regering
De vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft op 9 juni 2026 vragen en opmerkingen aan de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voorgelegd.
Ik heb met interesse kennisgenomen van de vragen die door verschillende fracties zijn gesteld naar aanleiding van de Kamerbrief Internationale arbitrageprocedure aangespannen door Petrogas (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 71). In onderstaande reactie ga ik in op de gestelde vragen per fractie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie lezen dat Petrogas zowel de tijdelijke solidariteitsbijdrage als de verhoging van de cijns aanvecht – maatregelen die de fossiele sector tijdens een uitzonderlijke energiecrisis een eerlijke bijdrage lieten leveren en waarmee huishoudens zijn beschermd. Deze leden hechten eraan dat zulke legitieme fiscale keuzes nooit door de enkele dreiging van arbitrageclaims worden beperkt. Kan de Minister bevestigen dat het risico op investeringsclaims voor het kabinet op geen enkel moment reden is of zal zijn om fiscale crisis- of verduurzamingsmaatregelen uit of af te stellen?
1. Antwoord van het kabinet
Ja, dat kan het kabinet bevestigen. Bij het nemen van maatregelen worden het geldend juridisch kader en de beginselen van behoorlijk bestuur in acht genomen. Het kabinet is van mening dat de investeringsrechten, zoals die zijn vastgelegd in investeringsbeschermingsverdragen, in feite gelijk zijn aan de basisstandaarden van behoorlijk bestuur, zoals wij die in Nederland ook in het nationale recht kennen.
Tot slot delen de leden van de D66-fractie de opvatting dat procedures waarin democratisch vastgesteld beleid wordt aangevochten, zo veel mogelijk openbaar en controleerbaar zouden moeten zijn. Deze leden waarderen dat het kabinet in deze zaak heeft ingezet op maximale transparantie, maar constateren dat de uiteindelijke openbaarheid mede afhangt van de wederpartij en het scheidsgerecht, omdat de UNCITRAL-transparantieregels niet automatisch op oudere verdragen van toepassing zijn. Deze leden vragen het kabinet daarom hoe het transparantie structureel borgt op het niveau waar Nederland daar zelf over beslist.
2. Antwoord van het kabinet
Het kabinet hecht belang aan transparante geschillenbeslechtingsprocedures en zet daarom in op de ratificatie van de Mauritius Conventie door het Koninkrijk der Nederlanden. Deze Conventie ziet op de toepassing van de UNCITRAL-transparantieregels inzake op verdragen gebaseerde geschillenbeslechtingsprocedures tussen investeerders en staten op basis van vóór 1 april 2014 gesloten investeringsbeschermingsverdragen. Dit betekent concreet dat als er een geschil tegen het Koninkrijk wordt aangespannen onder een bilateraal investeringsbeschermingsverdrag gesloten vóór 1 april 2014, de procedure in principe transparant is. Hiervan wordt afgeweken, indien de staat van de investeerder geen partij is bij de Mauritius Conventie of een voorbehoud heeft gemaakt voor toepassing van de UNCITRAL-transparantieregels. Het Koninkrijk kan in dat geval wel unilateraal aanbieden aan de investeerder dat deze transparantieregels van toepassing zijn op de procedure.
Daarnaast is, zolang de Mauritius Conventie nog niet geratificeerd is, de inzet van het kabinet in procedures die onder investeringsverdragen tegen het Koninkrijk worden gestart om deze zo transparant mogelijk te voeren en de UNCITRAL-transparantieregels van toepassing te laten zijn op de individuele procedures. Het kabinet zal de Kamer waar mogelijk tevens regelmatig op de hoogte houden van lopende procedures.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief omtrent de door Petrogas aangespannen internationale arbitrageprocedure. Zij hebben hierbij nog een enkele vraag.
De leden van de VVD-fractie vragen of het kabinet een overzicht kan geven van alle lopende arbitrage- en investeringsprocedures die door energiebedrijven tegen Nederland zijn aangespannen, en indien mogelijk, inclusief de financiële risico's die daarmee gemoeid zijn?
3. Antwoord van het kabinet
De Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) en diens aandeelhouders voeren meerdere arbitrageprocedures tegen de Staat. Daarnaast voeren ExxonMobil Petroleum & Chemical B.V. en Shell plc separate investeringsarbitrages tegen Nederland, allebei onder het Energiehandvestverdrag. Petrogas voert ook een investeringsarbitrage tegen Nederland onder de investeringsbeschermingsovereenkomst met het Sultanaat Oman. Het kabinet verwijst voor deze zaken – waarvan de Kamer reeds op de hoogte is gebracht – naar de brieven aan uw Kamer van 19 september 2025, 20 januari jl. en 18 mei jl1.
Wanneer een tribunaal in een concreet geval toch tot het oordeel komt dat Nederland een verplichting heeft geschonden, kan dit financiële gevolgen hebben, bijvoorbeeld in de vorm van schadevergoeding. Gelet op o.a. het (proces)belang van de Staat en overeengekomen vertrouwelijkheid van arbitrageprocedures kan het kabinet niet in meer detail ingaan op de risico’s van specifieke juridische procedures.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met afkeuring kennis genomen van het nieuws dat Petrogas, een Omaans olie- en gasbedrijf dat twee gasvelden in de Nederlandse Noordzee exploiteert, de Nederlandse staat aanklaagt op basis van investeerder-staatarbitrage (ISDS) clausules in het investeringsverdrag tussen Nederland en Oman.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de klacht toeziet op de invoering van de Wet tijdelijke solidariteitsbijdrage in december 2022 en het heffen van een solidariteitsbijdrage over een deel van de winsten van Petrogas in 2022, en de tijdelijke verhoging van de cijns op basis van de Mijnbouwwet per 1 januari 2023 voor de jaren 2023 en 2024. Gezien de solidariteitsbijdrage een vertaling van een Europese maatregel is: geldt deze aanklacht van Petrogas specifiek voor Nederland, of wordt deze ook gedaan tegen andere Europese lidstaten of tegen de Europese Unie?
4. Antwoord van het kabinet
De investeringsarbitrage van Petrogas is specifiek tegen Nederland ingesteld, onder de investeringsbeschermingsovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Sultanaat Oman.
De leden zien een bredere en zorgwekkende trend in Nederland en Europa van ISDS-zaken tegen overheden, zoals ook in Duitsland en Denemarken. De Nederlandse staat zelf is momenteel partij in ten minste twee andere ISDS-zaken, aangespannen door Andraous, en door ExxonMobil vanwege de sluiting van het Groningse gasveld. Deze leden vragen het kabinet: zien zij deze trend ook? Zo nee, waarom niet? Betekent dit dat alle fossiele bedrijven dergelijke claims kunnen maken tegen de Nederlandse staat?
5. Antwoord van het kabinet
Tot 2021 zijn er geen investeringsarbitrages tegen Nederland aanhangig gemaakt. Sindsdien zijn er meerdere dergelijke zaken gestart. Het staat buitenlandse partijen vrij om toetsing van maatregelen te vragen bij een tribunaal als zij een beroep kunnen doen op een investeringsbeschermingsovereenkomst waar Nederland partij bij is, wat afhangt van de specifieke omstandigheden van elk afzonderlijk geval. Uiteraard zal de Staat in dergelijke procedures verweer voeren. Het indienen van een vordering staat derhalve niet gelijk aan het toegewezen krijgen daarvan. Daarnaast merkt het kabinet op dat uit de website van de International Centre for the Settlement of Disputes voor de arbitrage van de heer Andraous valt af te leiden dat deze procedure reeds is beëindigd in de fase waarin het tribunaal moest beoordelen of het daadwerkelijk bevoegd was een oordeel te vellen over de eis van de heer Andraous.2
Deze leden wijzen erop dat sluiting van het gasveld en invoering van een solidariteitsbijdrage, beleidsbeslissingen zijn die de Nederlandse overheid op democratische wijze en in het algemeen belang heeft genomen. De sluiting van het gasveld is nota bene een beslissing die door de Tweede Kamer in 2024 met 146 van de 150 zetels is genomen – een ongekend brede politieke consensus. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie veroordelen stellig dat dergelijke democratische beslissingen worden aangevochten via internationale arbitrage en vragen het kabinet hier ook op te reflecteren. Deze leden vragen het kabinet om te erkennen dat dit soort arbitrages impact hebben op onze mogelijkheden om beleid te maken, en aan te geven hoe het kabinet voornemens is dit te voorkomen. Kan de Minister een risicoanalyse delen van waar het Nederlandse klimaatbeleid – of ander beleid in het algemeen belang – ons vatbaar maakt voor verdere arbitrageprocedures van (fossiele) bedrijven?
6. Antwoord van het kabinet
Zoals ook in het voorgaande antwoord aangegeven, kunnen investeerders op basis van investeringsbeschermingsovereenkomsten met investeerder-staat geschillenbeslechting (ISDS) onder voorwaarden een geschil aanhangig maken bij een tribunaal als zij menen dat verdragsbescherming is geschonden, ook wanneer het gaat om democratisch tot stand gekomen nationale maatregelen. Ook onder het nationale recht kunnen partijen een beroep doen op rechtsmiddelen als zij menen dat het overheidshandelen in strijd is met het recht. Dit vloeit voort uit het recht op toegang tot het recht (w.o. rechtsbescherming), als onderdeel van onze Nederlandse rechtstaat. Dat een zaak wordt aangespannen, betekent echter niet dat deze ook wordt gewonnen. De Nederlandse overheid handelt bij nieuwe maatregelen binnen nationale en internationale juridische kaders, waarin het recht van staten om in het publieke belang te reguleren ingebed is. Mocht een tribunaal toch oordelen dat Nederland een verdragsverplichting heeft geschonden, dan kan dit financiële gevolgen hebben, bijvoorbeeld in de vorm van schadevergoeding voor geleden schade als gevolg van de maatregel. Het kabinet erkent dat er zorgen zijn over het ISDS-systeem, en zet daarom in op modernisering van het systeem in plaats van afschaffing. Daarbij staat voor het kabinet het evenwicht centraal tussen investeringsbescherming en de beleidsruimte van overheden, evenals de invoering van een hervormd, transparant en onafhankelijk geschillenbeslechtingsmechanisme.
Het kabinet acht het niet opportuun om een risicoanalyse te laten opstellen over mogelijke vatbaarheid van het Nederlandse klimaatbeleid – of ander beleid in het algemeen belang – voor verdere arbitrageprocedures van (fossiele) bedrijven. Een dergelijke analyse kan niet alleen de procespositie van de Staat nadelig beïnvloeden, maar is daarnaast tijdrovend en kostbaar, en berust onvermijdelijk op speculatie gezien een groot aantal aannames noodzakelijk is voor een dergelijke analyse, zoals over toekomstig beleid en ander beleid in het algemeen belang, net als erbij horende budgettaire risico’s bij een eventuele ongunstige uitspraak, terwijl de meerwaarde door het grote aantal aannames zeer gering zou zijn.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen weten hoe groot het financiële risico is dat Nederland loopt op basis van deze zaak. Denk aan de totale geclaimde bedragen, de tot nu toe gemaakte verdedigingskosten, en de budgettaire risico's bij een eventueel ongunstige uitspraak. En wat is het totale financiële risico van alle momenteel lopende ISDS-zaken onder Nederlandse bilaterale investeringsverdragen? En van potentiële zaken? Kan de Minister een volledig overzicht geven van de financiële en juridische blootstelling van Nederland onder het netwerk van bilaterale investeringsverdragen? Indien deze informatie niet beschikbaar is, is het kabinet bereid een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar alle lopende en potentiële ISDS-claims, de totale geclaimde bedragen, de tot nu toe gemaakte verdedigingskosten en de budgettaire risico's bij een eventueel ongunstige uitspraak?
7. Antwoord van het kabinet
Het kabinet verwijst voor de lopende ISDS-zaken door energiebedrijven naar het antwoord op vraag 3 hierboven. Het kabinet kan na het verstrijken van bepaalde nog lopende termijnen meer details over de uitkomst van die arbitrage geven. Verder geldt dat het kabinet pas uitspraken kan doen over zaken indien daar door de tribunalen in de desbetreffende procedures afspraken over zijn vastgelegd.
Mede gelet op de verschillen en de veelheid aan Nederlandse bilaterale investeringsbeschermingsovereenkomsten is het niet mogelijk een volledig overzicht te geven van alle potentiële ISDS-claims en de budgettaire risico’s bij een eventuele ongunstige uitspraak. Dit zou daarnaast vergen dat toekomstige ontwikkelingen en mogelijke geschillen worden voorspeld, waardoor een dergelijk onderzoek onvermijdelijk op speculatie zou berusten. Om die reden acht het kabinet het niet zinvol om een dergelijk onderzoek te laten uitvoeren. Tot slot is het niet in het procesbelang van het Koninkrijk om een overzicht te verstrekken van de financiële en juridische risico’s van lopende juridische procedures.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen erop dat in 2022 toenmalig klimaatminister Rob Jetten uit het Energy Charter Treaty (ECT) stapte, met als een van de opgegeven redenen dat producenten van fossiele energie op basis van het verdrag claims neer konden leggen bij overheden als zij worden benadeeld door klimaatbeleid. Herinnert het kabinet zich dit?
Deze leden vragen het kabinet of zij inziet dat bilaterale investeringsverdragen, zoals die met Oman, exact dat probleem met zich meebrengen dat voor de toenmalig Minister van Klimaat de reden was om uit het ECT te stappen. Hoeveel van dit soort verdragen zijn er nog, die fossiele energiebedrijven in staat stellen om de Nederlandse staat aan te klagen op basis van maatregelen in het algemeen belang? Wat is het concrete plan van de Minister om bestaande investeringsverdragen te heronderhandelen? Hoe haalbaar is dit, gezien dat sinds de vaststelling van het modelverdrag in 2019 nog geen enkel bestaand verdrag op basis hiervan succesvol is heronderhandeld en Nederland ondertussen grote juridische en financiële risico's loopt? Indien de Minister dit niet van plan is, waarom niet? Waarom was het kabinet destijds wel voor het verlaten van het ECT, maar is het kabinet niet voornemens om iets te doen aan de overige 70 verdragen die Nederland blootstellen aan precies hetzelfde type claims?
8. Antwoord van het kabinet
Het kabinet heeft in 2022 besloten tot opzegging van het ECT vanwege de redenen zoals destijds aangegeven in de appreciatie en Kamerbrief3. Doorslaggevend voor het besluit tot opzegging was dat het resultaat van de onderhandelingen over modernisering van het ECT onvoldoende in lijn was met de Nederlandse en EU-inzet, zowel op gebied van de duurzaamheidsverplichtingen als op de modernisering van het geschillenbeslechtingmechanisme in het ECT. Daarbij speelde ook het bijzondere karakter van het ECT als sectorspecifiek verdrag een rol. De redenen voor opzegging van het ECT zijn dan ook niet (zonder meer) toepasbaar op bilaterale investeringsbeschermingsverdragen.
Op dit moment is Nederland partij bij rond 75 handels- en investeringsverdragen die een vorm van het mechanisme van ISDS bevatten. Daarbij geldt inderdaad dat tot op heden nog geen van de heronderhandelingen van deze verdragen met succes is afgerond. Daarbij speelt het grote tijdsbeslag van het voeren van dergelijke onderhandelingen naast de inzet die nodig is om tot overeenstemming met derde landen, en de Europese Commissie, te komen om onderhandelingen succesvol af te ronden.
Dat betekent evenwel niet dat de inzet is veranderd; Nederland zet in op modernisering van het investeringsbeschermingssysteem, onder andere door heronderhandeling van de bestaande verdragen. Daarnaast zet Nederland actief in op modernisering via multilaterale fora, zoals UNCITRAL en in OESO-verband. Ook zet Nederland in op ratificatie van de Mauritius Conventie, om zo ook op al bestaande verdragen de transparantieregels te kunnen toepassen.
De leden wijzen erop dat eerder dit jaar, in april 2026, maatschappelijke organisaties SOMO en Both ENDS een routekaart 4 hebben gepubliceerd voor de afbouw van ISDS in Nederland. Heeft het kabinet kennisgenomen van deze routekaart? Is het kabinet bereid de voorgestelde opties, waaronder opzegging, heronderhandeling en het neutraliseren van sunset-clausules, serieus te beoordelen en de Kamer over de uitkomst te informeren?
9. Antwoord van het kabinet
Het kabinet is bekend met de routekaart van SOMO en Both ENDS en heeft hierover reeds met deze maatschappelijke organisaties contact gehad. Zoals aangegeven in het vorige antwoord is de inzet van het kabinet op modernisering van het ISDS-systeem, en niet op opzegging van verdragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de internationale arbitrageprocedure die Petrogas Exploration & Production LLC tegen het Koninkrijk der Nederlanden heeft aangespannen. Deze leden hebben nog enkele vragen.
Deze leden lezen dat Petrogas stelt dat Nederland investeringsbeschermingsrechten heeft geschonden door de invoering van de Wet tijdelijke solidariteitsbijdrage en de tijdelijke verhoging van de cijns op grond van de Mijnbouwwet. Kan de Minister aangeven welke financiële risico’s deze procedure mogelijk met zich meebrengt voor de Nederlandse Staat en op welke wijze de Kamer, binnen de grenzen van vertrouwelijkheid en procesbelang, hierover wordt geïnformeerd?
10. Antwoord van het kabinet
Het kabinet verwijst voor het antwoord op deze vragen naar de eerdere beantwoording op vraag 3 en vraag 7, waar wordt ingegaan op de lopende zaken en de mogelijke financiële risico’s. Waar de van toepassing zijnde procesreglementen dit toestaan en met inachtneming van het (proces)belang van het Koninkrijk, en de regels en afspraken over vertrouwelijkheid van de specifieke procedures, zal het kabinet de Kamer regelmatig informeren over de voortgang van de verschillende arbitrageprocedures.
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast welke bredere gevolgen deze arbitrageprocedure kan hebben voor het Nederlandse investeringsklimaat, in het bijzonder voor partijen die investeren in energieproductie, gaswinning op de Noordzee en leveringszekerheid. Kan de Minister aangeven of het kabinet risico’s ziet dat tijdelijke fiscale maatregelen achteraf tot juridische procedures leiden die investeerders afschrikken, juist op terreinen waar Nederland betrouwbare energievoorziening en binnenlandse productie nodig heeft?
11. Antwoord van het kabinet
Bij het treffen van maatregelen, fiscaal of anders van aard, worden altijd alle belangen meegewogen. Het aantrekkelijk houden van het Nederlandse investeringsklimaat is een van die belangen. Het kabinet onderschrijft dat bij het nemen van maatregelen altijd de beginselen van behoorlijk bestuur in acht moeten worden genomen. De Staat heeft daarbij wel het recht om, zoals in het gegeven geval aan de orde, in het publieke belang regulerende maatregelen te treffen.
Deze leden lezen dat het kabinet inzet op zo groot mogelijke transparantie in investeerder-staatgeschillen, met inachtneming van de procespositie van Nederland en vertrouwelijkheidsregels. Kan de Minister toezeggen dat de Kamer actief wordt geïnformeerd bij belangrijke processtappen, procedurele besluiten, tussenbeslissingen en de uiteindelijke uitspraak, en daarbij steeds wordt aangegeven welke stukken wel en niet openbaar kunnen worden gemaakt en waarom?
12. Antwoord van het kabinet
Het is de inzet van het kabinet om procedures die onder investeringsverdragen tegen het Koninkrijk worden gestart zo transparant mogelijk te voeren en daarbij de UNCITRAL-transparantieregels van toepassing te laten zijn op de individuele procedures. Waar de van toepassing zijnde procesreglementen dit toestaan en met inachtneming van het (proces)belang van het Koninkrijk en de regels en afspraken over vertrouwelijkheid van de specifieke procedures, zal het kabinet de Kamer tevens regelmatig op de hoogte houden van de lopende procedures.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren (PvdD) hebben met grote zorg kennisgenomen van de brief over de internationale arbitrageprocedure die Petrogas tegen Nederland heeft aangespannen. Het gaat hier om een procedure waarin een fossiel bedrijf bezwaar maakt tegen maatregelen die zijn genomen in het kader van de uitvoering van EU-verordening 2022/1854 inzake een noodinterventie naar aanleiding van de uitzonderlijk hoge energieprijzen als gevolg van onvoorziene en uitzonderlijke omstandigheden, zoals de oorlog in Oekraïne en de energiecrisis van 2022. Het gaat daarbij om de tijdelijke solidariteitsbijdrage en de tijdelijke verhoging van de cijns, maatregelen die specifiek gericht waren op buitengewone winsten in de fossiele energiesector. Het is voor deze leden niet te verantwoorden dat de Staat zich in een investeringsarbitrage moet verdedigen over democratisch vastgestelde maatregelen, die uitvoering geven aan Europese verplichtingen, en die juist bedoeld zijn om de lasten van een uitzonderlijke energiecrisis eerlijker te verdelen.
De leden van de PvdD-fractie vragen de Minister uitvoerig in te gaan op de volgende vragen. Waarom acht het kabinet het aanvaardbaar dat een zaak over belasting- en prijsmaatregelen van publiek belang niet bij de gewone rechter, maar bij het Permanente Hof van Arbitrage wordt beslecht? Welke financiële risico's loopt de Staat in deze procedure, zowel wat betreft proceskosten als mogelijke schadevergoeding, en welke raming hanteert het kabinet op dit moment? Uit welke gelden zullen deze proceskosten en eventuele schadevergoedingen worden betaald, en welk effect heeft dit op andere begrotingsposten? En hoe beoordeelt de Minister het bredere risico dat fossiele bedrijven via investeringsarbitrage publieke klimaat- en energiemaatregelen kunnen afremmen of financieel kunnen ontregelen?
13. Antwoord van het kabinet
Het kabinet verwijst voor het antwoord op het eerste deel van deze vragen naar de beantwoording op vraag 3, vraag 6 en vraag 7 hierboven. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft budget om de proceskosten van de investeringsarbitrages tegen het Koninkrijk te financieren. Een raming van de proceskosten valt niet in algemene zin te geven, omdat dit sterk afhankelijk is van de specifieke zaak en de fase waarin deze zich bevindt. Het Koninkrijk heeft tot op heden geen schadevergoedingen in investeringsarbitrages hoeven betalen.
Zoals eerder aangegeven in het antwoord op vraag 8, zet het kabinet in op de modernisering van investeringsbeschermingsovereenkomsten in plaats van de beëindiging van dergelijke overeenkomsten. De modernisering van dat stelsel herbevestigt expliciet het recht van staten om in het publieke belang te reguleren, zoals op het terrein van klimaat- en energiebeleid.
Waarom vindt deze arbitrage plaats op basis van de UNCITRAL arbitrageregels uit 2010, zonder automatische toepassing van de UNCITRAL Rules on Transparency in Treaty-based Investor-State Arbitration uit 2014? Is onderzocht of de transparantieregels alsnog op deze procedure van toepassing konden worden verklaard? Kan de Minister toelichten waarom Nederland het Mauritius Convention on Transparency, dat beoogt de transparantieregels ook van toepassing te maken op arbitrageprocedures onder oudere investeringsverdragen, wel heeft ondertekend maar nog steeds niet heeft geratificeerd? Welke stappen onderneemt het kabinet om deze ratificatie alsnog te realiseren?
14. Antwoord van het kabinet
Het kabinet hecht aan het toepassen van zoveel mogelijk transparantie in geschillenbeslechtingprocedures, dit met inachtneming van de procespositie van het Koninkrijk en de regels over vertrouwelijkheid van de specifieke procedures. Het kabinet is daarom voorstander van de Mauritius Conventie, die voorziet in de toepassing van de UNCITRAL-transparantieregels op geschillenbeslechtingsprocedures tussen investeerders en staten op basis van vóór 1 april 2014 gesloten investeringsbeschermingsverdragen.
Voor de eenheid van de externe vertegenwoordiging van de EU is het wenselijk dat de EU-lidstaten pas partij worden bij de Mauritius Conventie in relatie tot hun bestaande bilaterale investeringsbeschermingsverdragen, nadat de Europese Unie partij is geworden bij de Mauritius Conventie. Nederland zette hier dan ook de afgelopen jaren actief op in. Het is daarom zeer positief dat de Europese Unie op 25 september 2025 de Mauritius Conventie heeft aanvaard, aangezien dit de weg vrijmaakt voor EU-lidstaten om ook partij te worden. Voor wat betreft Nederland zal de Mauritius Conventie na het zomerreces, met bijbehorende goedkeuringsstukken, aan het parlement voor goedkeuring worden voorgelegd. Het verdrag wordt dan ook aan de Staten van Curaçao, Aruba en Sint Maarten overgelegd.
De UNCITRAL-transparantieregels van 2014 zijn niet van toepassing op deze zaak, omdat de Mauritius Conventie niet van toepassing is tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Sultanaat Oman. Daarom kunnen deze transparantieregels niet zonder toestemming van de wederpartij alsnog van toepassing zijn op deze zaak.
De leden van de PvdD-fractie constateren dat het kabinet blijft inzetten op het heronderhandelen van bestaande investeringsverdragen aan de hand van het Nederlandse modelverdrag uit 2018. Kan de Minister aangeven welke concrete tijdlijn het kabinet voor ogen heeft voor deze strategie? Hoe realistisch acht de Minister het om op deze wijze het volledige Nederlandse verdragennetwerk van ruim 75 verdragen te moderniseren, gelet op het feit dat sinds de vaststelling van het modelverdrag in 2019 nog geen enkel bestaand verdrag op basis van deze modeltekst is heronderhandeld?
15. Antwoord van het kabinet
Het kabinet verwijst voor het antwoord op deze vragen naar de beantwoording op vraag 8 hierboven. De afronding van modernisering is afhankelijk van een groot aantal factoren, zoals de voortgang van multilaterale onderhandelingen en snelheid van het voeren van verdragsonderhandelingen met derde landen, waardoor niet concreet is aan te geven wanneer dit verwacht wordt.
De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat deze aanpak naar verwachting vele jaren, zo niet decennia, zal vergen. Ondertussen blijven investeerders gebruikmaken van bestaande verdragen om claims in te dienen tegen staten, waaronder inmiddels ook tegen Nederland zelf. Kan de Minister toelichten welke maatregelen het kabinet op korte termijn neemt om de risico’s van investeerder-staat arbitrage te beperken, zolang heronderhandeling van verdragen niet tot concrete resultaten heeft geleid?
16. Antwoord van het kabinet
Het kabinet zet naast heronderhandelingen in op modernisering van het investeringsbeschermingssysteem via multilaterale weg, zoals eerder beschreven in het antwoord op vraag 8. Er bestaat overigens altijd een risico dat bedrijven toetsing van maatregelen vragen bij een tribunaal. Bij het nemen van maatregelen handelt de overheid binnen nationale en internationale juridische kaders, waarin het recht van staten om in het publieke belang te reguleren ingebed is.
Voorts vragen deze leden hoe de Minister de effectiviteit van de huidige strategie beoordeelt, nu de praktijk sinds 2019 nauwelijks vooruitgang laat zien, terwijl de juridische en financiële risico’s van arbitrage onverminderd voortduren.
17. Antwoord van het kabinet
Het kabinet erkent dat de heronderhandelingsagenda minder voortvarend verloopt dan bij het finaliseren van de modeltekst in 2018 voorzien was. Desalniettemin wordt nog steeds op heronderhandeling ingezet en wordt bovendien ingezet op modernisering via multilaterale fora, zoals in OESO-verband en UNCITRAL. Verwezen wordt naar de uitgebreide beantwoording onder vraag 8 hierboven.
De leden van de PvdD-fractie merken daarbij op dat zij ook inhoudelijke bezwaren hebben tegen het modelverdrag zelf. Hoewel het modelverdrag enkele verbeteringen bevat ten opzichte van oudere verdragen, blijft het investeerders toegang geven tot investeerder-staat arbitrage buiten nationale rechtssystemen om. Ook investeringen in fossiele activiteiten blijven in beginsel beschermd, terwijl verwijzingen naar duurzaamheid, klimaat en maatschappelijk verantwoord ondernemen grotendeels vrijblijvend en niet afdwingbaar zijn. Kan de Minister toelichten waarom het kabinet vasthoudt aan een model dat volgens deze leden de fundamentele problemen van investeringsbescherming en arbitrage niet wegneemt?
18. Antwoord van het kabinet
De modeltekst uit 2018 is na uitgebreide consultaties met zowel het parlement als het maatschappelijk middenveld tot stand gekomen. Dat de modeltekst investeerders toegang biedt tot arbitrage is evident; dat is een van de kern elementen van een investeringsbeschermingsverdrag. Het kabinet deelt dan ook niet de mening van de leden van de PvdD-fractie dat het bieden van de mogelijkheid tot arbitrage een fundamenteel probleem is. Evenmin deelt het kabinet de mening dat het een fundamenteel probleem is dat er ook bescherming wordt geboden aan investeringen in de fossiele sector. Het kabinet is voorstander van een sector neutrale benadering van investeringsbescherming en meent dat iedere investering recht heeft op een neutrale en billijke behandeling, waarbij het aan overheden is om te reguleren in het publiek belang.
De leden van de PvdD-fractie vragen daarnaast om een toelichting op de ogenschijnlijke inconsistentie in het kabinetsbeleid. Enerzijds heeft Nederland besloten zich terug te trekken uit het Energy Charter Treaty (ECT), mede op basis van de beoordeling dat het verdrag, ook in gemoderniseerde vorm, onvoldoende in lijn is met Nederlandse klimaat- en duurzaamheidsdoelen. Anderzijds blijft het kabinet vasthouden aan bilaterale verdragen met landen in het mondiale Zuiden die vergelijkbare arbitragemogelijkheden en investeringsbescherming bevatten. Kan de Minister uitleggen hoe deze twee lijnen zich tot elkaar verhouden, en waarom de conclusie ten aanzien van het ECT niet wordt doorgetrokken naar het bredere verdragsnetwerk?
19. Antwoord van het kabinet
Het kabinet verwijst naar de beantwoording onder vraag 8 hierboven, waarin wordt ingegaan op de redenen tot opzegging van het ECT.
Tenslotte vragen de leden van de PvdD-fractie of de Minister bereid is om de arbitragebepalingen uit het verdrag tussen Nederland en Oman, waaronder Petrogas deze procedure heeft aangespannen, te beëindigen of buiten werking te stellen.
20. Antwoord van het kabinet
Zoals eerder aangegeven in het antwoord op vraag 8, zet het kabinet in op de modernisering van investeringsbeschermingsovereenkomsten in plaats van de beëindiging van dergelijke overeenkomsten.