Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 juni 2026
Door uw Kamer is een motie1 aangenomen over de risico’s en problemen die worden ervaren door partijen die niet onder de Archiefwet vallen betreffende het mogelijk in strijd handelen met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De motie is ingediend door het lid Valize (PVV) tijdens het plenair debat van 15 april 2025 over de Wijziging van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) en enkele andere wetten in verband met het stroomlijnen en actualiseren van het gegevensbeschermingsrecht (Verzamelwet gegevensbescherming). Met deze brief reageer ik op deze motie.
Motie
De motie verzoekt de regering om in gesprek te gaan met partijen als heemkundekringen, geschied- en oudheidkundige genootschappen, genealogische genootschappen en dergelijke over de risico’s/problemen die worden ervaren betreffende het mogelijk in strijd handelen met de AVG. Daarnaast wordt de regering verzocht om een analyse van deze gesprekken te maken met een voorstel om de daaruit voortgekomen knelpunten die raken aan mogelijke overtreding van de AVG op te lossen, en hierover te rapporteren aan de Kamer.
Archivering in het algemeen belang
De AVG staat in artikel 89, derde lid toe dat de rechten van betrokkenen (zoals vermeld in de artikelen 15, 16, 18, eerste lid, onderdeel a, en 20 AVG) worden beperkt. Het moet dan wel gaan om archivering in het algemeen belang of voor wetenschappelijk of historisch onderzoek. Bovendien moet de archivering zijn onderworpen aan passende waarborgen en moeten er technische en organisatorische maatregelen getroffen zijn in verband met het beginsel van minimale gegevensverwerking.
In Nederland geeft artikel 45 van de UAVG invulling aan de ruimte die de AVG biedt om op dit gebied nadere regels te stellen. Artikel 45, eerste lid, van de UAVG is echter alleen van toepassing op archiefcollecties in de zin van de Archiefwet 1995. Daardoor vallen archieven anders dan die onder de Archiefwet, zoals particuliere archieven, niet onder de bepaling en kunnen zij niet de rechten van betrokkenen beperken. Het gaat hierbij om een brede variëteit aan archieven, zoals familiestichtingen, genootschappen en musea.
Verzamelwet gegevensbescherming
In het wetsvoorstel wordt artikel 45, eerste lid, UAVG zo gewijzigd, dat de daarin geregelde uitzondering voor archiefbewaarplaatsen om rechten van betrokkenen te moeten honoreren ook kan worden beperkt door andere, voor het publiek toegankelijke instellingen die archieven van blijvende waarde voor het algemeen en/of historisch belang beheren en die geen winstoogmerk hebben. Er zijn immers, zoals in de onderhavige motie terecht wordt benadrukt, tal van instellingen die weliswaar niet vallen onder de Archiefwet, maar die wel archieven van algemeen en/of historisch belang beheren. Om te voorkomen dat dergelijke instellingen bijvoorbeeld als gevolg van verzoeken tot vernietiging waardevolle gegevens verloren zouden moeten laten gaan, is artikel 45 UAVG in de hiervoor genoemde zin gewijzigd. Wel is de reikwijdte beperkt tot instellingen die in hoofdzaak door de overheid worden bekostigd, of een bestuur hebben dat merendeels bestaat uit leden die door de overheid zijn aangewezen, zodat zeker is dat sprake is van een algemeen belang. Voor deze afbakening is gekozen naar aanleiding van advies van de Autoriteit Persoonsgegevens2 (AP), waarin zij waarschuwde dat – kort gezegd – een te ruime definitie ertoe zou kunnen leiden dat iedereen in beginsel kan claimen een archief van algemeen belang te beheren en in dat verband rechten van betrokkenen te beperken. Of er voldoende algemeen belang met het archief gemoeid is staat dan niet vast en kan zelfs leiden tot mogelijke risico’s op misbruik.
Het wetsvoorstel Verzamelwet gegevensbescherming is op 20 mei 2025 bij ruime meerderheid door uw Kamer aangenomen en door de Eerste Kamer op 9 juni 2026 als hamerstuk afgedaan. Afhankelijk van hoe de ervaringen met het herziene artikel 45 UAVG in de praktijk zullen zijn, kan deze bepaling op enig moment mogelijk worden herzien. Ik acht het nu, nog voor de inwerkingtreding van de Verzamelwet en gezien eerdergenoemde advies van de AP, te vroeg om daarop vooruit te lopen.
Gesprekken met belanghebbenden
Overeenkomstig de oproep van de motie heeft mijn departement gesprekken gevoerd met belanghebbende partijen. Hoewel een verbreding van de reikwijdte van artikel 45 UAVG zou worden toegejuicht3, is het beeld overwegend dat de AVG niet als een groot probleem wordt ervaren. De meeste partijen zijn op de hoogte van de beginselen en voorwaarden uit de AVG en hebben hun processen daarop ingericht, zodat zij daarmee in overeenstemming handelen.
Voor de verwerking van persoonsgegevens kan in de regel een grondslag worden gevonden in artikel 6, eerste lid, onderdeel f AVG (gerechtvaardigd belang)4. Hierbij dient wel te allen tijde de afweging te worden gemaakt of de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van betrokkene niet zwaarder wegen dan het gerechtvaardigde belang van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde. Dat vergt een afweging van de rechten en belangen aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de omvang van de verwerking en de gevolgen ervan voor de persoon in kwestie een belangrijke rol spelen.
Zo moet elke historische of archiefinstelling rekening houden met de impact van de verwerking op de specifieke situatie van de betrokkene5. De AP geeft voor de toepassing hiervan op haar website ook nog enkele handvatten6.
Daarnaast is van belang dat artikel 45 UAVG («archivering in het algemeen belang») niet de enige bepaling is die op de in de motie genoemde partijen «als heemkundekringen, geschied- en oudheidkundige genootschappen, genealogische genootschappen en dergelijke» van toepassing is. Wanneer een partij nastreeft om vanuit historisch en/of genealogisch oogpunt objectieve informatie te verkrijgen, kan daarmee als gerechtvaardigd maatschappelijk belang ook een onderzoeksdoel zijn gemoeid. In zulke gevallen kan de uitzondering van artikel 43, tweede lid, onder c UAVG («Uitzonderingen inzake journalistieke doeleinden of academische, artistieke of literaire uitdrukkingsvormen») van toepassing zijn. Diverse bepalingen uit de AVG zijn dan niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens voor de genoemde doeleinden, zoals bijvoorbeeld het verbod op de verwerking van bijzondere persoonsgegevens.
Ten slotte voorziet artikel 44 UAVG («Uitzonderingen inzake wetenschappelijk onderzoek en statistiek») in de mogelijkheid om de artikelen 15, 16 en 18 van de verordening buiten toepassing te laten indien een verwerking wordt verricht door instellingen of diensten voor wetenschappelijk onderzoek of statistiek, en de nodige voorzieningen zijn getroffen om te verzekeren dat de persoonsgegevens uitsluitend voor statistische of wetenschappelijke doeleinden kunnen worden gebruikt. Ook hiervan kan sprake zijn als vanuit een historisch/genealogisch oogpunt onderzoek wordt ontplooid.
De kans dat belangrijke historische informatie verloren gaat doordat een betrokkene een beroep doet op het recht op gegevenswissing7, is bovendien zeer klein. Dit recht is namelijk niet van toepassing is bij archivering in het algemeen belang, alsook bij wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden overeenkomstig artikel 89, lid 1 AVG. Vereist is dan wel dat wissing van de gegevens de verwezenlijking van de doeleinden van die verwerking onmogelijk dreigt te maken of ernstig in het gedrang dreigt te brengen.
Verder kan een betrokkene het recht van bezwaar8 inroepen. Dat bezwaar hoeft niet te worden gehonoreerd als er dwingende gerechtvaardigde gronden zijn die zwaarder wegen dan de belangen van de betrokkene. Volgens het Europees Comité voor gegevensbescherming is een grond dwingend als deze essentieel is voor de verwerkingsverantwoordelijke9. Daarbij is van belang dat het recht op gegevensbescherming geen absolute gelding heeft, maar moet worden beschouwd in relatie tot zijn functie in de samenleving. Het moet conform het evenredigheidsbeginsel moet worden afgewogen tegen andere rechten en belangen. In het geval van de organisaties die in de motie worden genoemd, zal het gerechtvaardigde belang veelal prevaleren boven het belang tot het verwijderen van gegevens. Dit laatste is bijvoorbeeld denkbaar als de blijvende bewaring van gegevens grote impact heeft op de specifieke situatie van een betrokkene. Met belangstelling zie ik uit naar de beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie over onder andere de toepassing van het recht op gegevenswissing10.
Conclusie
In de Verzamelwet gegevensbescherming zijn de uitzonderingen op de AVG voor archivering in het algemeen belang uitgebreid, zij het tot specifieke archiefcollecties, die vanwege het algemene belang steun krijgen van de overheid. Ik wil de ervaringen met deze bepaling eerst afwachten. Bij de volgende evaluatie van de UAVG, die voor 2027 gepland staat, kunnen de eerste bevindingen hierover worden opgehaald. Artikel 45 UAVG is daarnaast niet het enige dat handelingsperspectief biedt voor partijen die niet onder de Archiefwet vallen, want ook de bepalingen uit de (U)AVG met betrekking tot onderzoeksdoeleinden en wetenschappelijk/statistisch onderzoek bieden ruimte voor het ontplooien van verwerkingsactiviteiten. Er is mij ten slotte niet gebleken dat de in de motie genoemde partijen breed problemen ervaren als gevolg van de AVG. De partijen met wie is gesproken, passen de AVG consciëntieus toe als onderdeel van hun werkprocessen. Zij kunnen in ruime mate de grondslag «gerechtvaardigd belang» gebruiken voor het verwerken van persoonsgegevens. De kans dat belangrijke historische gegevens met een beroep op de AVG gewist moeten worden, is ten slotte evenmin een risico dat zich veelvuldig zal voordoen.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, K.T. van Bruggen