Kamerstuk 36100-XV-7

Lijst van vragen en antwoorden over het Jaarverslag Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2021

Dossier: Jaarverslag en slotwet Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2021

Gepubliceerd: 9 juni 2022
Indiener(s): Tunahan Kuzu (DENK)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36100-XV-7.html
ID: 36100-XV-7

Nr. 7 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 9 juni 2022

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen over het Jaarverslag Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2021 (Kamerstuk 36 100 XV, nr. 1)

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2022. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Kuzu

De adjunct-griffier van de commissie, Van den Broek

Vraag 1

Gebruikt het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) of uitvoeringsinstanties algoritmen bij de uitvoering van het werk? Kunt u een limitatieve lijst geven?

Antwoord 1

Ja, zowel het Ministerie van SZW als de uitvoeringsinstanties UWV en de SVB maken gebruik van algoritmen bij de uitvoering van het werk. Bij het departement wordt slechts in zeer beperkte mate gebruik gemaakt van algoritmen bij de uitvoering van het werk. Een limitatieve lijst van algoritmen bij UWV en de SVB is niet voorhanden, als daarmee ook wordt gedoeld op een overzicht van álle simpele beslisbomen die in de uitvoering van het werk gebruikt worden, oftewel als algoritmen in de vraag breed gedefinieerd worden. NLA, UWV en de SVB hebben de complexe en meer gevoelige algoritmen met impact op burgers wel in beeld en werken op dit moment aan een register om het gebruik van algoritmen inzichtelijk te maken.

Vraag 2

Zijn er op ICT-systemen en het verwerken van data binnen het ministerie en/of bij uitvoeringsinstanties Privacy Impact Analyses (PIA) of Gegevensbeschermingeffectbeoordeling (GEB) uitgevoerd in 2021? Kunt u deze rapportages naar de Kamer zenden?

Antwoord 2

De gegevensbeschermingeffectbeoordeling wordt ook een Data Protection Impact Assessment (DPIA) genoemd. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid maakt gebruik van het Model DPIA Rijksdienst. Dit model is gebaseerd op de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Het doel van een DPIA is om vooraf de privacyrisico’s van een gegevensverwerking in kaart te brengen, zodat maatregelen genomen kunnen worden om die risico’s te verkleinen of te mitigeren.

Uit onze inventarisatie blijkt dat er in 2021 26 DPIA’s zijn uitgevoerd. Hierbij ontvangt u een overzicht. Vanwege gevoelige informatie (zoals specifieke maatregelen die zijn uitgevoerd door uitvoeringsorganisaties) worden de DPIA’s niet gedeeld naar aanleiding van deze brede uitvraag. Bij een gerichte vraag zal dit uiteraard wel gebeuren, met het voorbehoud dat informatie die geheimhouding behoeft uit de stukken zal worden gehaald. Denk aan specifieke informatiebeveiligingsmaatregelen die in de DPIA’s worden beschreven.

  • 1. Analyse Dienstverlening Regionale Mobiliteitsteams

  • 2. DPIA Applicatie RINA bij UWV (component van Europese wetgeving Electronic Exchange of Social Security Information)

  • 3. DPIA Besluit Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandige Ondernemers

  • 4. DPIA Besluit tot wijziging register onderwijsdeelnemers tbv subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg

  • 5. DPIA Datawarehouse

  • 6. DPIA Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid en Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid

  • 7. DPIA Experimenteerwetgeving pensioensparen zelfstandigen

  • 8. DPIA Gegevensuitwisseling Wpg-domein

  • 9. DPIA Implementatiewet mobiliteitsrichtlijn

  • 10. DPIA InternetSpiegel

  • 11. DPIA Ketenstartarchitectuur Stroomlijning Keten voor Derdenbeslag

  • 12. DPIA Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid & Eerder Uittreden

  • 13. DPIA NL leert door

  • 14. DPIA Pilot Bodycams

  • 15. DPIA Pilot verwerking Aanvaarding Tijdelijk Werk binnen het programma Toekomst gegevensuitwisseling Werk en Inkomen

  • 16. DPIA Project BEATRICS, niet gebruik aanvullende inkomensvoorziening ouderen

  • 17. DPIA Regeling vervroegde uittreding-drempelvrijstelling

  • 18. DPIA Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid

  • 19. DPIA Tijdelijke regeling aanvullende crisisdienstverlening COVID-19

  • 20. DPIA Tijdelijke tegemoetkoming kinderopvang zonder overheidsvergoeding

  • 21. DPIA Verbeteren Uitwisselen Matchingsgegevens

  • 22. DPIA Verlenging Recovery Assistance for Cohesion and the Territories of Europe sector

  • 23. DPIA Wet gemeentelijke schuldhulpverlening ten behoeve van de uitwisseling van persoonsgegevens en Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening

  • 24. DPIA Wet Vereenvoudiging beslagvrijevoet

  • 25. DPIA Wetsvoorstel Toekomst pensioenen

  • 26. DPIA Wijziging subsidieregeling Europees Sociaal Fonds

Vraag 3

Hoeveel extern advies is er ingewonnen door het Ministerie van SZW in 2021?

Antwoord 3

In 2021 zijn er in totaal 220 aanvragen geweest.

Vraag 4

Wat is de verhouding fulltime-equivalent (Fte) als het gaat om externe krachten, vaste contracten en tijdelijke contracten op het Ministerie van SZW en bij de diensten?

Antwoord 4

Als we uitgaan van Fte is de verhouding vaste contracten is 84,6%, tijdelijke krachten is 11,2% en externen 4,2%.

 

fte

in %

vast

3.594,0

84,6%

tijdelijk

477,6

11,2%

externen

176,7

4,2%

 

4.248,3

100,0%

Vraag 5

Welke onderzoeken zijn extern uitgevoerd in 2021 en door wie?

Antwoord 5

Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid besteedt circa € 25 miljoen aan kennis en onderzoek. Dit valt uiteen in vier componenten, waaraan verschillende externe uitvoerders zijn verbonden.

  • Een eerste deel betreft institutionele financiering van R&D in de vorm van vaste bijdragen aan TNO en RIVM. Dit gaat om circa € 7,5 miljoen.

  • € 5 miljoen is beschikbaar voor grote, meerjarige projecten en kennisinfrastructuur (zoals het kennisprogramma Vakkundig aan het werk bij ZonMw) en subsidie van de kennisplatforms KIS en KWI.

  • Het CBS maakt in opdracht voor SZW verschillende statistieken en voert verschillende onderzoeken uit. Jaarlijks besteedt SZW hier ongeveer € 4 miljoen aan.

  • Daarnaast is ongeveer € 6 miljoen beschikbaar voor projectfinanciering. Dit betreft de onderzoeksbudgetten van de DG’s die grotendeels op de markt worden aanbesteed. Een aparte positie neemt daarbij de directie Kinderopvang in, die over een eigen budget van circa € 2 miljoen beschikt.

Doorgaans vallen de aanbestede onderzoeken in deze categorie onder de Europese aanbestedingsgrens (in 2021 was die grens voor onderzoeken 139 duizend euro). Onderzoeksrapporten van externe uitvoerders worden actief openbaar gemaakt via www.rijksoverheid.nl en het Kennisplatform Werk en Inkomen (https://www.kennisplatformwerkeninkomen.nl/) of aan uw Kamer gestuurd. Er is geen kant en klaar overzicht beschikbaar van alle externe uitvoerders van onderzoek uit projectfinanciering in 2021. Om een indicatie te geven van de partijen die onderzoek deden voor SZW: naast bovengenoemde partijen betreft dat andere publieke instellingen als de Planbureaus, het RIVM, de OESO en verschillende universiteiten, maar ook onderzoeksbureaus zoals de Beleidsonderzoekers, Panteia, Regioplan, ROA, SEO Economisch Onderzoek en het Verwey-Jonker Instituut.

Vraag 6

Hoeveel heeft het extern advies het Ministerie van SZW en/of haar diensten gekost in 2021?

Antwoord 6

Het extern advies heeft in 2021 € 10.212.000 gekost.

Vraag 7

Hoe is de Chief Information Officer bij het ministerie gepositioneerd?

Antwoord 7

De Chief Information Officer van het Ministerie van SZW is de directeur van de directie CIO-office en Integrale Veiligheid. De directie is geplaatst onder de plaatsvervangend secretaris-generaal.

Vraag 8

Hoe analyseert u zogenaamde «burgersignalen» die bij publieksvoorlichting binnenkomen?

Antwoord 8

De afdeling publieksvoorlichting (directie communicatie) houdt nauwgezet bij op welke onderwerpen thema’s vragen worden gesteld én wat de antwoorden zijn, deze signalen worden onder andere gevat in een wekelijkse rapportage en uitgezet richting beleidsdirecties. Daarnaast is sinds dit jaar de unit Signalering en Responsiviteit ingericht. Deze unit heeft als doel verder te kijken dan enkel de signalen die nu worden verzameld. Door data (signalen, trends, jurisprudentie, etc.) te combineren binnen het departement en daarbuiten kunnen beleidsafdelingen gerichter worden geadviseerd over de voor hen relevante signalen. Dat stelt hen beter in staat beleid te ontwikkelen dat werkt.

Vraag 9

Krijgt en bespreekt u de «burgersignalen»?

Antwoord 9

Ja. SZW ontvangt jaarlijks 5.679 vragen per brief en email bij de afdeling Publieksvoorlichting, waarvan:

  • Brieven: 608;

  • E-mails: 5.071.

De afdeling maakt voor de bewindspersonen, ambtelijke top en beleidsdirecties een wekelijkse rapportage. De rapportage komt wekelijks aan de orde in de Bestuursraad (SG, pSG, DG-en & IG).

Bespreking van signalen kan ook met een andere aanleiding plaatsvinden, bijvoorbeeld doordat een beleidsdirectie een onderwerp agendeert, of naar aanleiding van werkbezoeken of andere externe contacten.

Vraag 10

Hoe bepaalt u welke contacten en afspraken van de bewindspersonen publiek worden gemaakt? Welke handreiking ligt daarvoor bij de communicatie-afdeling?

Antwoord 10

SZW bepaalt op basis van de uitvoeringsrichtlijn «Openbare agenda» (zie: www.rijksoverheid.nl/documenten/richtlijnen/2018/04/19/uitvoeringsrichtlijn-openbare-agenda%E2%80%99s-bewindslieden), de notitie «Openbare agenda bewindslieden» en de handleiding «Openbare agenda» welke afspraken publiek worden gemaakt. Namen van personen worden niet geopenbaard als zij in redelijkheid kunnen aangeven waarom openbaarmaking hun belangen zou schaden.

Vraag 11

Welke kosten heeft u gemaakt aan juridische procedures?

Vraag 12

Wat heeft de inzet van de Landsadvocaat namens het Ministerie van SZW gekost?

Vraag 13

Hoeveel geld is er uitgegeven aan extern juridisch advies in zijn algemeenheid?

Antwoord 11, 12 en 13

Voor juridische procedures waarvoor de Staat een advocaat nodig heeft, maakt SZW gebruik van de Landsadvocaat. In 2021 heeft SZW € 198.739,10 uitgegeven aan procesbijstand van de Landsadvocaat. Daarnaast is € 139.183,99 uitgegeven aan advieskosten Landsadvocaat. De totale uitgaven 2021 aan de Landsadvocaat komen daarmee op € 337.923,09.

Vraag 14

Hoeveel mensen leefden er in 2021 onder 130% van het sociaal minimum?

Antwoord 14

Het CBS publiceert jaarlijks cijfers over het aantal mensen onder de lage-inkomensgrens en 101%, 110% en 120% van het sociaal minimum. Cijfers voor het aantal mensen onder 130% van het sociaal minimum zijn niet beschikbaar. De meest recente cijfers hierbij komen uit 2020, de cijfers voor 2021 komen in december 2022 beschikbaar.

Om u toch een recent inzicht te geven in het aantal personen tot een inkomen net boven het sociaal minimum vindt u in de onderstaande tabel het aantal personen met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum. In de laatste kolom van deze tabel ziet u met hoeveel procentpunten dit cijfer veranderd is in 2020 ten opzichte van 2019.

Bij de kenmerken van personen is gebruik gemaakt van de gegevens die het CBS beschikbaar stelt via Statline. U vraagt specifiek naar 50+’ers en studenten. Voor deze groepen is geen bijzondere uitsplitsing beschikbaar. In de tabel vindt u daarom groepen die deze vragen het dichtst benaderen (alle leeftijdscohorten boven 45 jaar en personen met de sociaaleconomische categorie (school)kind of student).

Onderwerp

Personen

Personen

Personen, relatief

Personen, relatief

Relatieve verandering

Perioden

2019

2020*

2019

2020*

2019–2020

Kenmerken van personen

x 1.000

x 1.000

%

%

%-punt

Totaal personen

1.544,8

1.549,8

9,4

9,4

0

Leeftijd: 45 tot 65 jaar

391

389,2

8,3

8,2

– 0,1

Leeftijd: 65 jaar of ouder

435,7

446,4

13,8

13,8

0

Leeftijd: 55 tot 65 jaar

209,3

212,3

9,2

9,2

0

Leeftijd: 65 tot 75 jaar

199,3

203,6

10,6

10,7

0,1

Leeftijd: 75 tot 85 jaar

163,3

167,6

16,6

16,4

– 0,2

Leeftijd: 85 jaar of ouder

73,1

75,2

24,5

24,6

0,1

Positie huishouden: kind < 18 jaar

315,1

311,8

9,8

9,7

– 0,1

SEC1: werknemer

128,4

121,4

2

1,8

– 0,2

SEC: zelfstandige

80

72,3

6,2

5,6

– 0,6

SEC: uitkerings- en pensioenontvanger

931,5

955,3

21,4

21,5

0,1

SEC: uitkeringsontvanger

498,1

512,5

42,6

41,9

– 0,7

SEC: ontvanger werkloosheidsuitkering

11,6

14

10,7

12,6

1,9

SEC: ontvanger van sociale voorziening

400,9

410,2

71,3

68

– 3,3

SEC: arbeidsongeschikte

85,6

88,3

17,2

17,4

0,2

SEC: pensioenontvanger

433,4

442,8

13,7

13,7

0

SEC: (school)kind of student

348,9

346,8

9,1

9

– 0,1

SEC: overige (zonder inkomen)

56

54,1

12,9

13

0,1

Bron: CBS, Statline, Geraadpleegd op 30 mei 2022.

X Noot
1

Sociaaleconomische categorie.

Vraag 15

Kan er worden gespecificeerd per contractvorm welke mensen er in 2021 onder 130% van het sociaal minimum leefden?

Antwoord 15

Zie het antwoord op vraag 14.

Vraag 16

Hoeveel kinderen groeiden in 2021 op onder 130% van het sociaal minimum?

Antwoord 16

Zie het antwoord op vraag 14.

Vraag 17

Is het aantal kinderen dat in 2021 opgeroeide onder 130% van het sociaal minimum gestegen of gedaald?

Antwoord 17

Zie het antwoord op vraag 14.

Vraag 18

Hoeveel 50+’ers leefden er in 2021 onder 130% van het sociaal minimum?

Antwoord 18

Zie het antwoord op vraag 14.

Vraag 19

Is het aantal 50+’ers dat in 2021 leefden onder 130% van het sociaal minimum gestegen of gedaald?

Antwoord 19

Zie het antwoord op vraag 14.

Vraag 20

Hoeveel 65+érs leefden er in 2021 onder 130% van het sociaal minimum?

Antwoord 20

Zie het antwoord op vraag 14.

Vraag 21

Is het aantal 65+’ers dat in 2021 leefden onder 130% van het sociaal minimum gestegen of gedaald?

Antwoord 21

Zie het antwoord op vraag 14.

Vraag 22

Hoeveel zelfstandigen zonder personeel (ZZP’ers) leefden er in 2021 onder 130% van het sociaal minimum?

Antwoord 22

Zie het antwoord op vraag 14.

Vraag 23

Is het aantal ZZP’ers dat in 2021 leefden onder 130% van het sociaal minimum gestegen of gedaald?

Antwoord 23

Zie het antwoord op vraag 14.

Vraag 24

Hoeveel studenten leefden er in 2021 onder 130% van het sociaal minimum?

Antwoord 24

Zie het antwoord op vraag 14.

Vraag 25

Is het aantal studenten dat in 2021 leefden onder 130% van het sociaal minimum gestegen of gedaald?

Antwoord 25

Zie het antwoord op vraag 14.

Vraag 26

Hoeveel arbeidsmigranten leefden er in 2021 in Nederland? Kan dit worden gespecificeerd per land van herkomst?

Antwoord 26

Het CBS houdt in de migrantenmonitor bij hoeveel EU-burgers naar Nederland afreizen, al dan niet voor arbeid. Het aantal personen met een baan (werknemers en zelfstandig ondernemers) uit de EU-lidstaten bedroeg 554.500 in 2020 (meest recente cijfers). Dit kan worden gespecificeerd per land van herkomst (Bron: Migrantenmonitor (cbs.nl)).

Voor derdelanders bestaat er geen vergelijkbare bron. Wel kan aangegeven worden hoeveel van de derdelanders die sinds 1999 naar Nederland zijn gekomen met als migratiemotief arbeid, hier nog steeds verblijven (door instroom en vertrek cijfers te combineren: CBS, Statline). Dit aantal bedroeg 81.280 in 2020. Dit getal kan niet worden uitgesplitst naar land van herkomst.

Vraag 27

Kan worden gespecificeerd hoe lang arbeidsmigranten per land van herkomst in Nederland verblijven?

Antwoord 27

Met het dashboard immigratie van het CBS (Immigratie (cbs.nl)) is het mogelijk per nationaliteit en per instroomjaar te zien welk percentage van de arbeidsmigranten na x jaar nog in Nederland verblijft.

Onderstaande tabellen bieden een illustratie van deze gegevens voor de groep arbeidsmigranten die in 2010 is aangekomen. Voor alle beschikbare nationaliteiten binnen en buiten de EU wordt getoond welk percentage van de migranten na x jaar is vetrokken uit Nederland. Uit de cijfers komt naar voren dat iets meer dan de helft van de arbeidsmigranten na 3 jaar is vertrokken. Na 10 jaar is ongeveer driekwart van de Europese arbeidsmigranten vertrokken en viervijfde van de arbeidsmigranten van buiten de EU. Aandachtspunt bij deze tabellen is dat deze zich beperken tot arbeidsmigranten die staan ingeschreven in het bevolkingsregister. Korte termijn migratie, bijvoorbeeld seizoenswerk, blijft hierdoor buiten beschouwing.

EU

Verblijfsduur

1 jaar

2 jaar

3 jaar

4 jaar

5 jaar

10 jaar

Totaal niet-Nederlands

24

43

54

60

65

75

EU excl. Nederland

24

43

54

60

65

75

Midden- en Oost-Europese nat. in de EU

24

43

54

59

63

72

EFTA-nationaliteiten

21

41

56

63

69

83

Belgisch

20

38

48

53

57

69

Brits

19

38

53

61

67

79

Bulgaars

13

31

44

52

54

63

Duits

21

39

51

60

66

78

Fins

26

53

72

79

79

89

Frans

26

48

61

70

75

83

Grieks

24

41

50

59

63

71

Hongaars

23

41

52

59

62

73

Iers

37

56

66

73

77

84

Italiaans

23

42

51

57

64

74

Lets

19

40

55

62

65

74

Litouws

25

44

56

62

67

73

Pools

24

42

52

58

61

71

Portugees

28

44

54

59

63

72

Roemeens

22

42

55

59

62

69

Slowaaks

37

71

79

82

86

90

Spaans

25

44

53

60

64

75

Zweeds

20

48

63

74

79

88

Overige EU-landen

26

45

58

64

70

82

Derdelanden

Verblijfsduur

1 jaar

2 jaar

3 jaar

4 jaar

5 jaar

10 jaar

Totaal

24

44

56

63

69

79

Afrika (werelddeel)

25

43

54

62

69

79

Amerikaans (werelddeel)

24

45

60

68

76

86

Azië (werelddeel)

27

43

54

61

68

77

Europa excl. Nederlands (werelddeel)

16

45

55

60

66

73

Oceanië (werelddeel)

17

37

54

68

76

90

Amerikaans

23

46

63

72

78

87

Australisch

16

38

54

66

76

89

Braziliaans

42

56

67

71

79

88

Canadees

25

47

61

69

77

92

Chinees

17

28

37

44

51

63

Filippijns

40

67

69

73

77

80

Indiaas

37

56

68

73

77

82

Indonesisch

18

31

45

59

70

80

Iraaks

0

50

50

67

50

50

Iraans

21

30

36

39

42

64

Japans

18

32

51

65

78

95

Marokkaans

21

53

50

63

63

70

Oekraïens

23

30

35

41

41

47

Russisch

21

33

44

48

51

64

Surinaams

29

57

62

67

71

71

Turks

13

52

62

67

73

79

Zuid-Afrikaans

21

45

54

63

71

75

Zuid-Koreaans

30

52

61

74

82

86

Overige nationaliteiten

23

39

52

60

68

79

Onbekend

33

33

40

33

67

67

Vraag 28

Wat is de gemiddelde verblijfsduur van arbeidsmigranten in Nederland?

Antwoord 28

Er zijn geen cijfers over de gemiddelde verblijfsduur van arbeidsmigranten. Op basis van de vertrekpercentages kan hiervan wel een indruk worden verkregen voor de arbeidsmigranten die ingeschreven staan bij het bevolkingsregister. Zie hiervoor het antwoord op vraag 27.

Vraag 29

Hoeveel arbeidsmigranten leefden er in 2021 op straat in Nederland?

Antwoord 29

De Ministeries van VWS, SZW en J&V hebben onderzoeksinstituut IVO onderzoek laten doen naar dakloze EU-burgers. Dit onderzoek zal mid-juni definitief gepubliceerd worden. In het onderzoek wordt door experts een inschatting gemaakt van het aantal dakloze EU-burgers in Nederland, namelijk tussen de 2.500 en 3.000 personen. Dit is echt een schatting en is lastig vast te stellen.

Vraag 30

Hoeveel van deze dakloze arbeidsmigranten keerden in 2021 terug naar hun land van herkomst?

Antwoord 30

Er zijn geen officiële cijfers over het aantal personen dat teruggekeerd is naar het land van herkomst of begeleid naar nieuw werk in Nederland. Cijfers van Stichting Barka, een welzijnsorganisatie die voornamelijk werkt met dakloze Midden-en Oost Europeaanse personen, laten zien dat er in 2021 837 personen zijn teruggekeerd naar het thuisland.

Vraag 31

Hoeveel dakloze arbeidsmigranten werden in 2021 begeleid naar duurzaam nieuw werk in Nederland?

Antwoord 31

Zie het antwoord op vraag 30.

Vraag 32

Hoeveel overtredingen werden er in 2021 geconstateerd bij het tewerkstellen van arbeidsmigranten? Kan dit worden gespecificeerd naar overtreding?

Antwoord 32

Er is geen specifieke definitie van arbeidsmigrant en ook geen registratie van die categorie. De Nederlandse arbeidswetten beschermen alle werknemers, ongeacht nationaliteit. Alhoewel nationaliteit in individuele zaken tot de vastgelegde gegevens behoort vanwege identificatie wordt niet specifiek bijgehouden of een overtreding betrekking heeft op een arbeidsmigrant. Wel geldt dat als werkgevers de Wet arbeid vreemdelingen overtreden, dit betrekking heeft op tewerkstelling van mensen van buiten de EU die een tewerkstellingsvergunning nodig hebben.

In 2021 werden ruim 500 boeterapporten opgemaakt voor overtredingen door werkgevers van de Wet arbeid vreemdelingen. Een boeterapport bevat de constatering van een overtreding of overtredingen. Een boeterapport wordt aan de werkgever gezonden en aan de boete-oplegger. Een boeterapport is nog niet een boete. De werkgever kan haar/zijn zienswijze indienen. De boeteoplegger beoordeelt of het rapport en de zienswijze aanleiding geven tot het opleggen van een boete, het opleggen van een boete met een matiging van het bedrag op grond van matigingsgronden of het opleggen van een nul-beschikking (geen boete). De doorlooptijd van het gehele proces maakt dat een boeterapport in jaar t eerst in jaar t+1 tot een beschikking kan leiden. Zie tevens pagina 18 van deel 3 van het jaarverslag 2021.

Vraag 33

Hoeveel overtredingen werden er in 2021 geconstateerd bij de huisvesting van arbeidsmigranten? Kan dit worden gespecificeerd naar overtreding?

Antwoord 33

De NLA heeft geen bevoegdheden om op huisvesting te controleren of overtredingen op dat vlak te kunnen constateren. De Stichting Normering Flexwonen (SNF) en Agrarisch Keurmerk Flexwonen (AKF) keuren huisvesting. Gemeenten hebben de bevoegdheid om eventueel op te treden. De NLA controleert in het kader van de handhaving WML wel op inhoudingen door de werkgever op het loon van de werknemer ten behoeve van huisvesting.

Vraag 34

Hoeveel van de huisvestingslocaties waar overtredingen zijn geconstateerd hadden een Stichting Normering Flexwonen (SNF)-keurmerk?

Antwoord 34

Zie het antwoord op vraag 33.

Vraag 35

Welke strafvorm kregen werkgevers opgelegd? Kan dit worden gespecificeerd per strafvorm?

Antwoord 35

In 2021 werden 1424 boetebeschikkingen opgelegd, werd 7 keer een last onder dwangsom opgelegd, 113 keer een waarschuwing preventieve stillegging gegeven (dat houdt in dat bij een volgende overtreding tot preventieve stillegging kan worden overgegaan) en 7 keer een bevel tot stillegging opgelegd. Daarbij geldt dat een boetebeschikking als «straf» wordt gezien (punitieve sanctie) en een last onder dwangsom, waarschuwing en stillegging niet.

De controle van huisvesting ligt bij gemeenten. De NLA kan alleen een melding doorgeven aan de desbetreffende gemeente.

Vraag 36

Hoeveel werkgevers kregen naar aanleiding van hun overtreding jegens arbeidsmigranten een gevangenisstraf opgelegd?

Antwoord 36

Het bestuursrecht kent bestraffing via boetes, vrijheidsstraffen lopen via de rechter en zullen alleen aan de orde zijn bij strafrechtelijk onderzoek. Dit kan met name bij arbeidsuitbuiting aan de orde zijn.

In de loop van 2022 ontvangt uw Kamer de rapportage «monitor arbeidsuitbuiting en ernstige benadeling» van de Nederlandse arbeidsinspectie over haar bevindingen op het terrein van arbeidsuitbuiting en ernstige benadeling in de jaren 2021 en 2022, waarin zij onder meer ingaat op kenmerken van slachtoffers en van ernstig benadeelden. Zij zal daarin ook aandacht besteden aan de nationaliteiten van deze werknemers.

Vraag 37

Hoeveel werkgevers werden er in 2021 bestraft voor een overtreding op de werkvloer? Kunt u per strafvorm aangeven hoeveel deze werden uitgedeeld?

Antwoord 37

In 2021 werden 1424 boetebeschikkingen opgelegd, werd 7 keer een last onder dwangsom opgelegd, 113 keer een waarschuwing preventieve stillegging gegeven (dat houdt in dat bij een volgende overtreding tot preventieve stillegging kan worden overgegaan) en 7 keer een bevel tot stillegging opgelegd. Daarbij geldt dat een boetebeschikking als «straf» wordt gezien (punitieve sanctie) en een last onder dwangsom, waarschuwing en stillegging niet.

Vraag 38

Hoeveel werkgevers mochten na een zware overtreding hun werkzaamheden niet meer voortzetten? Welk percentage van alle zware overtredingen is dit?

Antwoord 38

In 2021 werd 7 keer een bevel tot stillegging opgelegd. De stillegging vloeit niet voort uit een enkele zware overtreding, maar is eerst aan de orde bij recidive en dit kan zowel op grond van de arbeidsomstandighedenwetgeving als arbeidswetgeving aan de orde zijn1.

De genoemde stillegging dient te worden onderscheiden van de stilleggingen die arbeidsomstandighedeninspecteurs gedurende inspecties kunnen toepassen indien er een acuut gevaarlijke situatie is. Deze worden veelvuldig toegepast en kunnen van zeer korte duur en geldend voor enkele machines zijn, tot langer durende en meeromvattende gevallen.

Vraag 39

Hoeveel bedrijfsongevallen vonden er in 2021 plaats op de bouwplaats? Welke oorzaken hadden deze ongevallen?

Antwoord 39

Binnenkort verschijnt de monitor arbeidsongevallen die de gevraagde informatie bevat.

Vraag 40

Hoeveel bedrijfsongevallen vonden er in 2021 plaats in de maaltijdbezorging? Welke oorzaken hadden deze ongevallen?

Antwoord 40

Het grootste risico bij maaltijdbezorging is het verkeer. Verkeersongevallen, ook in de hoedanigheid als werknemer, worden door de politie onderzocht.

In de periode 2016–2021 zijn enkele tientallen verkeersongevallen geregistreerd. Deze meldingen zijn verder onderzocht door de politie. Er is geen informatie beschikbaar over bedrijfsongevallen met een andere oorzaak en het totaal aantal bedrijfsongevallen onder maaltijdbezorgers.

Vraag 41

Hoeveel bedrijfsongevallen vonden er in 2021 plaats in de flitsbezorging? Welke oorzaken hadden deze ongevallen?

Antwoord 41

De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft in 2021 enkele tientallen meldingen ontvangen van/over flitsbezorgers. Het betrof klachten en signalen over het salaris, de kwaliteit van de arbeidsmiddelen (onder andere vervoersmiddel), (on)mogelijkheden om covidmaatregelen na te leven of werk door minderjarigen. Verkeersongevallen worden onderzocht door de politie.

Vraag 42

Hoeveel bedrijven hadden in 2021 na controle hun risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) niet op orde? Kan dit worden gespecificeerd per gebrek?

Antwoord 42

RI&E’s verschillen per branche (bedrijven met minder dan 25 werknemers kunnen gebruik maken van een branche-RI&E) of per bedrijf. De beoordeling van de volledigheid kan alleen per bedrijf worden aangegeven. In 2021 heeft de Inspectie een verkennend onderzoek uitgevoerd naar psychosociale arbeidsbelasting (PSA) en thuiswerken in de bankensector. Dit onderzoek laat zien dat hybride werken aanleiding vormt voor werkgevers om de RI&E te actualiseren op de onderwerpen PSA en fysieke belasting. De resultaten zijn in augustus 2021 gepubliceerd en via een communicatiecampagne onder de aandacht gebracht.

Vraag 43

Hoeveel bedrijven hadden in 2021 wel een RI&E, maar voerden deze niet uit?

Antwoord 43

Zie het antwoord op vraag 42.

Vraag 44

Hoeveel mensen meldden in 2021 dat zij door een situatie op de werkvloer gezondheidsschade hebben opgelopen door asbest? Is dit meer of minder dan in 2020?

Antwoord 44

Gezondheidsschade als gevolg van blootstelling aan asbest openbaart zich veelal pas na langere tijd. Soms lang nadat de relatie met de werkgever is beëindigd. Het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) registreert meldingen van beroepsziekten.

Vraag 45

Uit welke sectoren kwamen de meldingen van mensen die in 2021 meldden dat zij door een situatie op de werkvloer gezondheidsschade hebben opgelopen door asbest?

Antwoord 45

Zie het antwoord op vraag 44.

Vraag 46

Hoeveel leden had elke in Nederland bestaande vakbond eind 2021?

Antwoord 46

Cijfers over individuele vakbonden zijn niet beschikbaar. Het CBS publiceert cijfers over het ledenaantal van de drie vakcentrales (FNV 916.000, CNV 225.000, VCP 163.000) en het ledenaantal van de overige vakverenigingen (200.000). Stand van zaken 3 november 2021 (StatLine – Historie leden vakverenigingen (cbs.nl), geraadpleegd 31 mei 2022).

Vraag 47

Hoeveel vakbonden met minder dan 500 leden sloten in 2021 een collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) af?

Antwoord 47

Het Ministerie van SZW heeft specifiek hierover geen informatie.

Wel is bekend dat naast de drie vakcentrales (FNV, CNV, VCP) ook overige vakbonden betrokken zijn bij het afsluiten van een cao. In 2021 zijn 378 unieke cao’s van toepassing op 3,83 miljoen werknemers bij het ministerie aangemeld. Bij 13% van deze aangemelde cao’s waren een of meerdere van de overige vakbonden betrokken bij het afsluiten van de cao.

In 10% van de aanmeldingen waren de overige vakbonden in combinatie met een of meerdere vakcentrales betrokken bij het afsluiten van de cao en in 3% van de aanmeldingen waren alleen de overige vakbonden betrokken bij het afsluiten van de cao.

Vraag 48

Voor hoeveel werknemers gelden deze door vakbonden met minder dan 500 leden gesloten CAO's? Kunt u dit per CAO weergeven?

Antwoord 48

Zoals bij vraag 47 aangegeven:

In 10% van de aanmeldingen in 2021 (39 cao’s) waren de overige vakbonden in combinatie met een of meerdere vakcentrales betrokken bij het afsluiten van de cao. Deze cao’s zijn van toepassing op 21% van de werknemers onder de 378 in 2021 aangemelde unieke cao’s.

In 3% van de aanmeldingen (11 cao’s) waren alleen de overige vakbonden betrokken bij het afsluiten van de cao. Deze cao’s zijn van toepassing op 0,8% van de werknemers onder de 378 in 2021 aangemelde unieke cao’s.

De 39 cao’s die door één of meerdere vakcentrales samen met één of meer overige bonden zijn afgesloten, zijn de volgende:

Cao naam

Aantal werknemers

TRANSAVIA AIRLINES GRONDPERSONEEL

551

KUNSTEDUCATIE

3.262

IKEA NEDERLAND B.V. EN INTER IKEA SYSTEMS B.V.

7.000

GROENTEN EN FRUIT GROOTHANDEL IN-

18.210

HUISARTSENZORG

36.504

SCHILDERS-, AFWERKINGS-, VASTGOEDONDERHOUDS- EN GLASZETBEDRIJF IN NEDERLAND

15.711

OWASE-BEDRIJVEN

1.200

BRITISH AMERICAN TOBACCO NIEMEYER B.V.

130

WATERBEDRIJVEN AANGESLOTEN BIJ DE WWB

5.683

SWECO

1.450

APG GROEP CAO

3.000

NEDERLANDSE UNIVERSITEITEN

55.000

EIEREN EN EIPRODUCTEN EN DE EIPRODUCTENINDUSTRIE, GROOTHANDEL IN

1.099

PROVINCIALE SECTOR

13.000

RIJK CAO

125.000

CURIUM NETHERLANDS B.V.

500

DNB CAO

2.088

SABIC LIMBURG BV

1.650

MULTIMODAAL VERVOER

1.192

PANTEIA B.V.

125

CELANESE PRODUCTION NETHERLANDS B.V.

45

RUBBER RESOURCES B.V.

60

CELAVITA B.V.

300

RIXONA B.V.

200

VERPLEEG- VERZORGINGSHUIZEN EN THUISZORG EN JEUGDGEZONDHEIDSZORG

463.046

CEVA LOGISTICS NEDERLAND

2.070

RICARDO NEDERLAND BV RICARDO CERTIFICATION BV (VH LLOYDS REGISTER RAIL EUROPE B.V.)

160

HEINEKEN GROUP B.V.

744

BOREALIS PLASTOMERS B.V.

300

HAVENBEDRIJF AMSTERDAM

373

RANDSTAD GROEP NEDERLAND

4.400

FOODSERVICE EN DE GROOTHANDEL IN LEVENSMIDDELEN (FSGIL)

16.000

VYNOVA BEEK B.V.

110

TALENT EN PRO CAO

925

FIBRANT B.V.

300

ZORG VAN DE ZAAK

980

DALLI DE KLOK B.V. HOENSBROEK

200

AMSTERDAM

17.500

LUCHTVERKEERSLEIDING NEDERLAND

1.100

De elf cao’s die alleen door één of meer overige bonden zijn afgesloten, zijn de volgende:

Cao naam

Aantal werknemers

TRANSAVIA CABINEPERSONEEL

833

NBBU VASTE MEDEWERKERS UITZENDBUREAUS

7.000

TRANSAVIA AIRLINES OPROEPKRACHTEN CABINEPERSONEEL

56

SIGNBEDRIJVEN

6.500

WEBHELP NEDERLAND

1.000

CONNEXIE

4.515

ZELFSTANDIGE KLINIEKEN NEDERLAND

6.000

PLANTION HOLDING B.V CAO VOOR MEDEWERKERS IN DIENST VAN EN HAAR DOCHTERS

150

TANDTECHNIEK, CAO VOOR LEDEN BRANCHEVERENIGING

612

EASY JET CABIN CREW THE NETHERLANDS CLA

185

MKMB KINDEROPVANG

4.401

Vraag 49

Wat is de gemiddelde loonstijging per sector in 2021?

Antwoord 49

De gemiddelde contractloonstijging in 2021 is 1,82% op jaarbasis en 1,92% op niveaubasis.

In onderstaande tabel wordt een beeld gegeven van de gemiddelde loonstijging in percentages per economische sector.

 

cao's

werknemers x 1.000

niveaubasis

jaarbasis

landbouw en visserij

3

106

1,20

1,14

industrie

18

549

2,36

2,57

bouwnijverheid

4

260

1,64

2,85

handel en horeca

17

1.199

1,38

0,79

vervoer en communicatie

9

267

2,64

1,69

zakelijke dienstverlening

17

306

2,06

2,18

overige dienstverlening

22

2.022

2,07

2,09

totaal

90

4.700

1,92

1,82

N.B: Niveaubasis betekent dat geen rekening wordt gehouden met de ingangsdatum van de contractloonafspraken. Bij de cijfers op jaarbasis wordt wel rekening met de ingangsdatum gehouden en drukt een deel van de contractloonafspraken (die na 1 januari ingaan) op het lopende jaar, en een deel op het daaropvolgende jaar (overloop). In de jaarbasiscijfers over 2021 is dus rekening gehouden met de overloop uit 2020 en de overloop naar 2022.

Vraag 50

Wat is de verschuiving tussen het aantal flexibele en vaste contracten per sector in 2021?

Antwoord 50

Onderstaande tabel geeft per economische sector een beeld van het aantal werknemers met een vaste of flexibele arbeidsrelatie in het eerste kwartaal van 2021 en het eerste kwartaal van 2022.

Onderwerp

Vaste arbeidsrelatie

Vaste arbeidsrelatie

Flexibele arbeidsrelatie

Flexibele arbeidsrelatie

Perioden

2021 1e kwartaal

2022 1e kwartaal

2021 1e kwartaal

2022 1e kwartaal

Bedrijfstakken/branches SBI 2008

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

A-U Alle economische activiteiten

5.180

5.296

2.519

2.630

A Landbouw, bosbouw en visserij

51

51

75

44

B Delfstoffenwinning

5

10

2

6

C Industrie

558

568

154

162

D Energievoorziening

34

31

7

9

E Waterbedrijven en afvalbeheer

37

30

5

9

F Bouwnijverheid

216

209

57

62

G Handel

744

717

547

546

H Vervoer en opslag

282

272

131

125

I Horeca

110

102

171

226

J Informatie en communicatie

206

243

96

90

K Financiële dienstverlening

176

188

60

58

L Verhuur en handel van onroerend goed

48

47

10

12

M Specialistische zakelijke diensten

379

416

124

146

N Verhuur en overige zakelijke diensten

239

229

128

131

O Openbaar bestuur en overheidsdiensten

466

516

133

133

P Onderwijs

442

443

183

210

Q Gezondheids- en welzijnszorg

982

1015

402

421

R Cultuur, sport en recreatie

73

71

46

62

S Overige dienstverlening

86

81

47

32

T Huishoudens

13

6

4

4

U Extraterritoriale organisaties

0

1

0

0

SBI-code onbekend

33

50

136

143

Bron: CBS, Statline, https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/82807NED/table?dl=68EDD, geraadpleegd op 30 mei 2022.

Vraag 51

Onder welke sectoren is het Lage inkomensvoordeel (LIV) in 2021 uitgegeven? Kan dit per bedrag per sector worden weergegeven?

Antwoord 51

In onderstaande tabel wordt het betaalde bedrag aan LIV per sector over 2020 weergegeven. De cijfers over 2021 zijn nog niet bekend (bron: UWV). De tegemoetkomingen van het LIV worden namelijk in juli (2022) uitbetaald over het voorgaande jaar (2021).

SECTOR

OMSCHRIJVING

AANTAL WERKGEVERS

BEDRAG LIV BETAALD

1

Agrarisch bedrijf

5.266

€ 13.562.164,00

2

Tabakverwerkende industrie

3

€ 10.903,00

3

Bouwbedrijf

1.498

€ 1.932.003,00

4

Baggerbedrijf

17

€ 22.214,00

5

Houten emballage-industrie, houtwaren- en borstelindustrie

238

€ 671.643,00

6

Timmerindustrie

245

€ 435.862,00

7

Meubel- en orgelbouwindustrie

707

€ 1.385.719,00

8

Groothandel in hout, zagerijen, schaverijen en houtbereidingsindustrie

181

€ 369.746,00

9

Grafische industrie

426

€ 926.353,00

10

Metaalindustrie

455

€ 1.215.968,00

11

Elektrotechnische industrie

63

€ 234.930,00

12

Metaal- en technische bedrijfstakken

10.939

€ 20.469.598,00

13

Bakkerijen

1.089

€ 2.729.575,00

14

Suikerverwerkende industrie

65

€ 146.926,00

15

Slagersbedrijven

675

€ 1.150.520,00

16

Slagers overig

277

€ 1.136.725,00

17

Detailhandel

18.486

€ 43.156.623,00

18

Reiniging

1.516

€ 8.232.306,00

19

Grootwinkelbedrijf

427

€ 20.563.315,00

20

Havenbedrijven

799

€ 6.783.337,00

21

Havenclassificeerders

53

€ 115.076,00

22

Binnenscheepvaart

475

€ 1.018.159,00

23

Visserij

17

€ 21.757,00

24

Koopvaardij

38

€ 132.806,00

25

Vervoer KLM

5

€ 197.294,00

26

Vervoer NS

4

€ 15.576,00

27

Vervoer Posterijen

46

€ 1.364.038,00

28

Taxivervoer

317

€ 1.789.795,00

29

Openbaar Vervoer

16

€ 141.047,00

30

Besloten busvervoer

23

€ 97.153,00

31

Overig personenvervoer te land en in de lucht

41

€ 310.410,00

32

Overig goederenvervoer te land en in de lucht

2.229

€ 7.269.651,00

33

Horeca algemeen

16.084

€ 46.771.641,00

34

Horeca catering

136

€ 1.594.978,00

35

Gezondheid, geestelijke en maatschappelijke belangen

6.827

€ 16.802.571,00

38

Banken

35

€ 102.001,00

39

Verzekeringswezen

26

€ 53.780,00

40

Uitgeverij

131

€ 271.253,00

41

Groothandel I

3.280

€ 9.331.937,00

42

Groothandel II

5.365

€ 20.367.640,00

43

Zakelijke Dienstverlening I

1.046

€ 1.950.374,00

44

Zakelijke Dienstverlening II

5.520

€ 11.395.472,00

45

Zakelijke Dienstverlening III

5.081

€ 18.438.400,00

46

Zuivelindustrie

45

€ 190.230,00

47

Textielindustrie

41

€ 64.340,00

48

Steen-, cement-, glas- en keramische industrie

207

€ 448.938,00

49

Chemische industrie

442

€ 1.977.045,00

50

Voedingsindustrie

451

€ 2.217.876,00

51

Algemene industrie

479

€ 2.580.502,00

52

Uitzendbedrijven

2.324

€ 74.426.624,00

53

Bewakingsondernemingen

165

€ 504.146,00

54

Culturele instellingen

704

€ 1.812.911,00

55

Overige takken van bedrijf en beroep

1.403

€ 4.089.710,00

56

Schildersbedrijf

267

€ 323.739,00

57

Stukadoorsbedrijf

114

€ 122.190,00

58

Dakdekkerbedrijf

126

€ 182.526,00

59

Mortelbedrijf

5

€ 4.542,00

60

Steenhouwersbedrijf

7

€ 8.599,00

61

Overheid, onderwijs en wetenschappen

310

€ 1.606.253,00

62

Overheid, rijk, politie en rechterlijke macht

10

€ 1.466.275,00

63

Overheid, defensie

1

€ 1.580.079,00

64

Overheid, provincies, gemeenten en waterschappen

190

€ 7.514.037,00

65

Overheid, openbare nutsbedrijven

9

€ 39.662,00

66

Overheid, overige instellingen

121

€ 17.956.254,00

67

Werk en (re)Integratie

87

€ 3.890.891,00

68

Railbouw

7

€ 13.382,00

69

Telecommunicatie

79

€ 225.549,00

998

Sector niet van toepassing

41

€ 91.688,00

 

TOTAAL

97.802

€ 388.027.227,00

Vraag 52

Onder welke sectoren is het jeugd-LIV uitgegeven? Kan dit per bedrag per sector worden weergegeven?

Antwoord 52

In onderstaande tabel wordt het betaalde bedrag aan Jeugd-LIV per sector over 2020 weergegeven (bron: UWV). De cijfers over 2021 zijn nog niet bekend. De tegemoetkomingen van het Jeugd-LIV worden namelijk in juli (2022) uitbetaald over het voorgaande jaar (2021).

SECTOR

OMSCHRIJVING

AANTAL WERKGEVERS

BEDRAG JLIV BETAALD

1

Agrarisch bedrijf

3.562

€ 664.593,00

2

Tabakverwerkende industrie

1

€ 17,00

3

Bouwbedrijf

780

€ 123.781,00

4

Baggerbedrijf

11

€ 1.133,00

5

Houten emballage-industrie, houtwaren- en borstelindustrie

102

€ 21.918,00

6

Timmerindustrie

42

€ 5.300,00

7

Meubel- en orgelbouwindustrie

372

€ 104.820,00

8

Groothandel in hout, zagerijen, schaverijen en houtbereidingsindustrie

88

€ 18.490,00

9

Grafische industrie

153

€ 25.543,00

10

Metaalindustrie

234

€ 68.465,00

11

Elektrotechnische industrie

26

€ 9.051,00

12

Metaal- en technische bedrijfstakken

7.534

€ 1.689.471,00

13

Bakkerijen

1.169

€ 246.377,00

14

Suikerverwerkende industrie

47

€ 7.926,00

15

Slagersbedrijven

767

€ 128.602,00

16

Slagers overig

108

€ 20.767,00

17

Detailhandel

13.652

€ 3.481.121,00

18

Reiniging

729

€ 116.368,00

19

Grootwinkelbedrijf

435

€ 2.635.951,00

20

Havenbedrijven

327

€ 88.905,00

21

Havenclassificeerders

17

€ 3.611,00

22

Binnenscheepvaart

236

€ 50.018,00

23

Visserij

9

€ 1.145,00

24

Koopvaardij

22

€ 6.322,00

25

Vervoer KLM

2

€ 643,00

26

Vervoer NS

3

€ 1.521,00

27

Vervoer Posterijen

23

€ 34.569,00

28

Taxivervoer

30

€ 4.688,00

29

Openbaar Vervoer

5

€ 281,00

30

Besloten busvervoer

3

€ 290,00

31

Overig personenvervoer te land en in de lucht

31

€ 11.892,00

32

Overig goederenvervoer te land en in de lucht

876

€ 182.173,00

33

Horeca algemeen

18.355

€ 3.631.102,00

34

Horeca catering

66

€ 9.558,00

35

Gezondheid, geestelijke en maatschappelijke belangen

4.163

€ 1.017.915,00

38

Banken

15

€ 2.436,00

39

Verzekeringswezen

12

€ 2.367,00

40

Uitgeverij

45

€ 4.090,00

41

Groothandel I

1.459

€ 370.703,00

42

Groothandel II

2.292

€ 505.654,00

43

Zakelijke Dienstverlening I

554

€ 91.339,00

44

Zakelijke Dienstverlening II

2.223

€ 386.139,00

45

Zakelijke Dienstverlening III

2.266

€ 904.015,00

46

Zuivelindustrie

26

€ 4.803,00

47

Textielindustrie

22

€ 3.123,00

48

Steen-, cement-, glas- en keramische industrie

49

€ 4.152,00

49

Chemische industrie

158

€ 26.013,00

50

Voedingsindustrie

184

€ 47.869,00

51

Algemene industrie

150

€ 42.984,00

52

Uitzendbedrijven

1.571

€ 1.945.062,00

53

Bewakingsondernemingen

67

€ 10.179,00

54

Culturele instellingen

444

€ 173.011,00

55

Overige takken van bedrijf en beroep

788

€ 149.271,00

56

Schildersbedrijf

164

€ 29.472,00

57

Stukadoorsbedrijf

46

€ 9.752,00

58

Dakdekkerbedrijf

53

€ 15.352,00

59

Mortelbedrijf

4

€ 311,00

60

Steenhouwersbedrijf

5

€ 233,00

61

Overheid, onderwijs en wetenschappen

192

€ 48.838,00

62

Overheid, rijk, politie en rechterlijke macht

7

€ 55.416,00

63

Overheid, defensie

1

€ 21.313,00

64

Overheid, provincies, gemeenten en waterschappen

32

€ 7.759,00

65

Overheid, openbare nutsbedrijven

5

€ 3.286,00

66

Overheid, overige instellingen

33

€ 32.925,00

67

Werk en (re)Integratie

60

€ 101.689,00

68

Railbouw

3

€ 112,00

69

Telecommunicatie

21

€ 5.355,00

998

Sector niet van toepassing

81

€ 6.232,00

 

TOTAAL

67.012

€ 19.425.582,00

Vraag 53

Over hoeveel banen is het bedrag dat is uitgegeven aan het LIV verdeeld? Hoeveel is dat voor het jeugd-LIV?

Antwoord 53

Er wordt niet bijgehouden over hoeveel banen het bedrag, dat is uitgegeven aan het (Jeugd-)LIV, is verdeeld. Om deze reden is er geen exacte informatie over de hoeveelheid banen beschikbaar. Uit de beleidsinformatie van het UWV blijkt dat in 2020 97.802 werkgevers voor 442.752 werknemers gebruik maakten van het LIV en 67.012 werkgevers voor 246.998 werknemers van het Jeugd-LIV. De cijfers over 2021 zijn nog niet bekend. De tegemoetkomingen van het

(Jeugd-)LIV worden namelijk in juli (2022) uitbetaald over het voorgaande jaar (2021).Het aantal werknemers kan dienen als indicatie voor het aantal banen. Echter kan een werknemer tewerkgesteld zijn bij meerdere werkgevers, waardoor één werknemer in de praktijk meerdere banen zou kunnen hebben waarover (Jeugd-)LIV uitgekeerd wordt. Hierbij wordt opgemerkt dat pas LIV uitgekeerd wordt, wanneer een werknemer minimaal 1.248 uur op jaarbasis heeft gewerkt. Dit betekent dat, uitgaande van een gemiddelde werkweek van 38 uur, het (Jeugd-)LIV per werknemer maximaal voor twee banen uitgekeerd kan worden.

Vraag 54

Hoeveel mensen wachtten eind 2021 op een keuring bij een keuringsarts van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)? Is dit aantal hoger of lager dan eind 2020?

Antwoord 54

Eind 2021 waren er 26.225 personen die op de afhandeling van hun WIA-aanvraag wachtten. Daarvan wachtten 12.076 personen langer dan de wettelijke termijn van 8 weken. In 2020 waren deze aantallen lager met respectievelijk 20.672 en 8.062. Bron: UWV Kwantitatieve informatie 2021, p. 8.

Eind 2021 wachtten 14.268 personen op een WIA-herbeoordeling die was aangevraagd door hun werkgever of door henzelf. Van dit aantal was 77% niet tijdig afgedaan.

Vraag 55

Hoeveel keuringsartsen zijn er in 2021 aangenomen bij het UWV? Hoeveel keuringsartsen zijn er uit dienst getreden?

Antwoord 55

In 2021 zijn 73 artsen aangenomen. Er vertrokken in 2021 108 artsen, voornamelijk vanwege (pre)pensioen (39 artsen), omdat hun tijdelijk contract op verzoek van de arts of op initiatief van UWV niet is verlengd (29 artsen) of vanwege ontslagname (24 artsen). Per saldo betekent dit voor 2021 een afname van de artsencapaciteit met 35 fte.

Vraag 56

Hoeveel bezwaren zijn er in 2021 gemaakt tegen een keuring van een keuringsarts? Hoeveel bezwaren zijn er gegrond verklaart?

Antwoord 56

Deze specifieke informatie is op dit moment niet beschikbaar. De Minister van SZW informeert uw Kamer of via de Stand van de uitvoering die u nog deze maand ontvangt, of via de brief inzake de toekomst van het sociaal-medisch beoordelen, die vóór het zomerreces is toegezegd.

Te uwer informatie ontvangt u nu alvast globale informatie over het aantal bezwaren tegen WIA-beslissingen van UWV. Deze cijfers bevatten zowel bezwaren tegen medische besluiten als niet-medische besluiten. Voor de WIA als geheel heeft UWV in 2021 29.189 bezwaarschiften afgehandeld. Daarvan is 6,0% niet ontvankelijk verklaard, is 29,3% gegrond verklaard tegenover 30,5% ongegrond en is in 34,3% van de gevallen het bewaar ingetrokken of om overige redenen het besluit niet herzien. Bron: UWV Kwantitatieve informatie 2021, p. 61.

Vraag 57

Hoeveel mensen zijn na een herkeuring in 2021 (een deel van) hun uitkering kwijtgeraakt? Om welke verschillen van afkeuringspercentages ging het hier?

Antwoord 57

De Kwantitatieve informatie 2021 van UWV geeft het gevraagde inzicht in het effect van de herbeoordelingen in 2021 (p. 24).

Vraag 58

Hoeveel klachten over de werkwijze van het UWV zijn er in 2021 gemeld? Kunnen deze klachten worden gespecificeerd?

Antwoord 58

In 2021 zijn er 6.849 klachten ontvangen door UWV. De meeste klachten gingen over de dienstverlening en dan vooral over onjuiste, tegenstrijdige of onvoldoende informatie, de manier waarop mensen door UWV-medewerkers werden bejegend (niet nakomen van een afspraak, geen reactie ontvangen) en (het uitblijven van) de betaling. Deze klachten zijn als volgt gespecificeerd door UWV: dienstverlening (61,6%), betalingen (12,8%), bejegening (19,7%), bereikbaarheid (1,8%), project (0,9%), beleid (1,0%) en deskundigenoordeel (2,2%). Bij 11% van het totale aantal ontvangen klachten betrof het de te late beslissingen bij een sociaal-medische beoordeling. Deze cijfers komen uit het UWV jaarverslag 2021 (bijlage bij Kamerstuk 26 448, nr. 679).

Vraag 59

Hoeveel klachten jegens het UWV zijn er in 2021 gegrond verklaard?

Antwoord 59

In totaal zijn 2.143 (31,6%) van de klachten gegrond verklaard. Daarnaast zijn 1.507 (22,3%) van de klachten ongegrond verklaard. 267 (3,9%) van de klachten zijn niet-ontvankelijk verklaard. Andere klachten worden vroegtijdig opgelost, doordat UWV kort na het indienen van de klacht contact opneemt met de indiener om in goed overleg tot een acceptabele oplossing te komen. De op deze manier opgeloste klachten worden dan geregistreerd onder de noemer «oordeel niet van toepassing», dit betreft 659 (9,7%) klachten. Als de klacht niet gegrond en ook niet ongegrond verklaard kan worden, wordt de klacht geregistreerd onder de noemer «geen oordeel», dit betreft 2.198 (32,5%) van de klachten. Deze cijfers komen uit het UWV jaarverslag 2021 (bijlage bij Kamerstuk 26 448, nr. 679).

Vraag 60

Hoeveel mensen maakten in 2021 gebruik van de inkomensondersteuning aan Algemene ouderdomswet (AOW)-gerechtigden (IOAOW)?

Antwoord 60

De IOAOW is een inkomensonafhankelijke toeslag die boven op de AOW wordt uitgekeerd door de SVB. Alle AOW-gerechtigden, behoudens een klein aantal van hen dat niet in een verdragsland woont, ontvangen een IOAOW-uitkering. In het jaar 2021 ontvingen 3.579 miljoen AOW-gerechtigden een IOAOW uitkering. De hoogte van de IOAOW is afhankelijk van de AOW-opbouw. Aanspraak op de inkomensondersteuning is er alleen als de pensioengerechtigde in Nederland woont of op het grondgebied van een land binnen de Europese Unie/EER/Zwitserland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius, Saba, of in een derde land waar een bilateraal sociale zekerheidsverdrag mee is gesloten, waarin de verplichting tot export van uitkeringen bij ouderdom is geregeld.

Vraag 61

Blijven de AOW en andere uitkeringen gekoppeld aan de verdere verhogingen van het Wettelijk minimumloon (Wml) in 2024 en 2025?

Antwoord 61

De AOW blijft gekoppeld aan de verdere verhogingen van het minimumloon in 2024 en 2025. Dit geldt ook voor het grootste deel van de overige SZW-regelingen, maar niet voor alle. Zo stijgen conform coalitieakkoord (Bijlage bij Kamerstuk 35 788, nr. 77) de daglonen in de loongerelateerde uitkeringen (WW, ZW, WIA) en het maximum dag- en premieloon in 2024 en 2025 niet mee. Uw Kamer ontvangt voor het zomerreces een brief met de nadere uitwerking van de verhogingen. Hierin wordt onder andere in meer detail ingegaan op de doorwerkingen van de verhoging van het minimumloon op de verschillende uitkeringsregelingen.

Vraag 62

Hoeveel mensen die in 2021 gebruik maakten van de IOAOW, leefde onder het sociaal minimum na het ontvangen van IOAOW?

Antwoord 62

Ouderen ontvangen de IOAOW als onderdeel van de AOW-uitkering en zullen bij voldoende AOW-opbouw in beginsel een inkomen hebben boven het sociaal minimum. Bij onvoldoende AOW-opbouw en aanvullend pensioen vult de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) onder voorwaarden aan tot het sociaal minimum. Hiervoor geldt een inkomenstoets en een vermogenstoets. Een inkomen onder het sociaal minimum kan zich voordoen in huishoudens die weliswaar een inkomen hebben onder het sociaal minimum, maar door het bezit van vermogen niet in aanmerking komen voor AIO-aanvulling. Een inkomen onder het sociaal minimum kan zich ook voordoen in huishoudens die wel aan de voorwaarden voldoen, maar geen gebruik maken van de voorziening. Zoals toegelicht in de brief over de stand van de uitvoering (Kamerstuk 26 448, D) werkt het kabinet aan een pilot om niet-gebruik van de AIO verder terug te dringen.

Vraag 63

Wat is de historische ontwikkeling van de hoeveelheid mensen die aanspraak maken op de IOAOW? Kan dit sinds de invoering hiervan worden aangegeven?

Antwoord 63

Het aantal personen dat IOAOW ontvangt is vrijwel gelijk aan het aantal AOW-gerechtigden. Alle AOW-gerechtigden, behoudens een klein aantal van hen dat niet in een verdragsland woont, ontvangen een IOAOW-uitkering. Onderstaande tabel toont het aantal AOW-gerechtigden sinds de invoering van de IOAOW in 2015.

 

AOW-gerechtigden ultimo jaar (x 1.000)

2015

3.372

2016

3.398

2017

3.421

2018

3.444

2019

3.453

2020

3.516

2021

3.579

Vraag 64

Wat is de historische ontwikkeling van de hoeveelheid mensen die aanspraak maken op de voorloper van de IOAOW, de Mogelijkheid Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen (MKOB)? Kan dit tot 20 jaar terug worden aangegeven?

Antwoord 64

De MKOB is op 1 juni 2011 in werking getreden. In het najaar van 2013 is daarnaast de Regeling koopkrachttegemoetkoming niet-KOB-gerechtigden met een AOW-pensioen in werking getreden met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2011. Per 1 januari 2015 zijn beide regelingen afgeschaft en vervangen door de IOAOW. Het aantal personen dat een uitkering heeft ontvangen op grond van deze regeling is vrijwel gelijk aan het aantal AOW-gerechtigden in deze periode. Onderstaande tabel toont het aantal AOW-gerechtigden in de periode 2011–2014.

 

AOW-gerechtigden ultimo jaar (x 1.000)

2011

3.017

2012

3.136

2013

3.226

2014

3.307

Vraag 65

Wat is de historische ontwikkeling van de hoogte van de IOAOW? Kan dit per jaar worden uiteengezet?

Antwoord 65

Onderstaande tabel toont de bruto hoogte van de maandelijkse IOAOW-uitkering bij een volledige AOW-opbouw sinds de invoering in 2015.

 

euro per maand

2015

25,35

2016

25,48

2017

25,56

2018

24,93

2019

25,23

2020

25,63

2021

26,04

2022

26,38

Vraag 66

Kan er een overzicht worden gegeven van de demografische opbouw en andere bekende kenmerken van de groep IOAOW ontvangers?

Antwoord 66

De demografische opbouw van ouderen met een IOAOW-uitkering is net als de AOW vrijwel gelijk aan de demografische opbouw van inwoners in Nederland boven de AOW-gerechtigde leeftijd. Daarnaast woont circa 10% van de AOW-gerechtigden in het buitenland.

Vraag 67

Kan een rekenvoorbeeld worden gegeven van de voorgestelde maatregelen (verhoging AOW, afschaffing IOAOW, niet verhogen ouderenkorting) voor verschillende groepen, ten minste bevattende: een alleenstaand persoon met alleen AOW, een persoon met slechts 25%, 50%, 75% AOW opbouw, een persoon met volledig AOW en 250, 500, 1.000 aanvullend pensioen?

Antwoord 67

In onderstaande tabellen vindt u rekenvoorbeelden met (de ontwikkeling van) het jaarlijks netto inkomen voor verschillende groepen alleenstaande gepensioneerden in 2025. Hierdoor wordt het inkomenseffect van de besluitvorming over het koppelen van de AOW aan de minimumloonsverhoging uit de voorjaarsnota (Kamerstuk 36 120, nr. 1) voor deze groepen zichtbaar.

Gepensioneerden met onvolledige AOW-opbouw hebben recht op een AIO-aanvulling tot de bijstandsnorm voor gepensioneerden. Deze bijstandsnorm voor gepensioneerden stijgt door de bijzondere stijging van het WML en de daaraan gekoppelde stijging van de bijstandsnorm uit het coalitieakkoord. In de voorjaarsnota wordt voorgesteld om de AOW mee te laten stijgen met de verhoging van het WML. Voor het inkomen van gepensioneerden met recht op een AIO-aanvulling heeft deze stijging geen effect op het netto-inkomen. De hoogte van de bijstandsnorm voor gepensioneerden wijzigt hierdoor niet.

De IOAOW valt buiten de middelentoets van de AIO. Daarom heeft de afschaffing van de IOAOW een negatief inkomenseffect voor gepensioneerden met onvolledige AOW-opbouw. Per saldo resteert een positief inkomenseffect doordat het positief effect van de stijging van de bijstandsnorm voor gepensioneerden uit het coalitieakkoord groter is dan het negatief effect van de afschaffing van de IOAOW.

Onderstaande bedragen zijn gebaseerd op de meest actuele raming van het CPB uit maart 2022. De exacte bedragen kunnen anders uitvallen, omdat de uiteindelijke ontwikkeling van bijvoorbeeld de cao-lonen kan afwijken van de huidige raming.

 

25% AOW-opbouw

50% AOW-opbouw

75% AOW-opbouw

Pakket

CA1

VJN-CA2

VJN+CA3

VJN4

CA

VJN-CA

VJN+CA

VJN

CA

VJN-CA

VJN+CA

VJN

Bruto AOW (1)

0

223

223

4.813

0

446

446

9.626

0

669

669

14.439

Bruto IOAOW (2)

0

– 88

– 88

0

0

– 176

– 176

0

0

– 264

– 264

0

IAB Zvw 5 (3)

0

8

8

288

0

16

16

576

0

24

24

863

Loonheffing (4)

0

43

43

923

0

86

86

1.845

0

128

128

2.768

Heffingskortingen (5)

384

– 384

0

4.084

384

– 384

0

4.084

384

– 384

0

4.084

Te betalen belasting (6=4–5)

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

AIO-aanvulling (7)

513

– 202

311

10.284

513

– 411

102

5.758

513

– 621

– 108

1.233

Netto inkomen (8=1+2+7-3-6)

513

– 75

438

14.809

513

– 157

356

14.809

513

– 240

273

14.809

X Noot
1

Inkomenseffect van maatregelen coalitieakkoord.

X Noot
2

Inkomenseffect van maatregelen voorjaarsnota ten opzichte van coalitieakoord.

X Noot
3

Saldo van inkomenseffecten coalitieakkoord en voorjaarsnota.

X Noot
4

Raming van de inkomensbestanddelen na maatregelen uit de voorjaarsnota.

X Noot
5

Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.

 

AOW

AOW +3.000

Pakket

CA

VJN-CA

VJN+CA

VJN

CA

VJN-CA

VJN+CA

VJN

Bruto AOW en aanvullend pensioen (1)

0

892

892

19.252

0

892

892

22.252

Bruto IOAOW (2)

0

– 352

– 352

0

0

– 352

– 352

0

IAB Zvw (3)

0

32

32

1.151

0

32

32

1.331

Loonheffing (4)

0

171

171

3.691

0

104

104

4.266

Heffingskortingen (5)

384

– 384

0

4.084

384

– 384

0

4.084

Te betalen belasting (6=4–5)

0

0

0

0

– 78

182

104

182

AIO-aanvulling (7)

0

0

0

0

0

0

0

0

Netto inkomen (8=1+2+7-3-6)

0

508

508

18.101

78

326

404

20.740

 

AOW +6.000

AOW +12.000

Pakket

CA

VJN-CA

VJN+CA

VJN

CA

VJN-CA

VJN+CA

VJN

Bruto AOW en aanvullend pensioen (1)

0

892

892

25.252

0

892

892

31.252

Bruto IOAOW (2)

0

– 352

– 352

0

0

– 352

– 352

0

IAB Zvw (3)

0

32

32

1.510

0

32

32

1.869

Loonheffing (4)

0

104

104

4.841

0

104

104

5.991

Heffingskortingen (5)

384

– 401

– 17

4.036

384

– 401

– 17

3.850

Te betalen belasting (6=4–5)

– 384

504

120

805

– 384

504

120

2.141

AIO-aanvulling (7)

0

0

0

0

0

0

0

0

Netto inkomen (8=1+2+7-3-6)

384

4

388

22.937

384

4

388

27.242

Vraag 68

Wat is het effect op de reële koopkracht uitgesplitst in 2023, 2024 en 2025 van de voorgestelde maatregelen (verhoging AOW, afschaffing IOAOW, niet verhogen ouderenkorting) met daarbij in achtneming van verschillende inflatiescenario’s, ten minst bevattende een aanhoudende jaargemiddelde inflatie van 2%, 5%, 7,5% en 10%?

Antwoord 68

De CEP-raming uit maart 2022 is de meest actuele koopkrachtraming, sindsdien zijn er veel ontwikkelingen geweest op macro-economisch gebied (onder andere in de lonen en prijzen). Het is daarom op dit moment niet mogelijk een actueel koopkrachtcijfer weer te geven. Het CPB actualiseert de macro-economisch verwachtingen bij de CMEV-raming.

Onderstaande tabel 1 geeft de cumulatieve mediane inkomenseffecten voor verschillende groepen van de voorgenomen maatregelen in het coalitieakkoord en de voorjaarsnota. Tabel 2 geeft dezelfde effecten voor een aantal voorbeeldhuishoudens. De stand na voorjaarsbesluitvorming wordt hierin afgezet tegen de stand zonder coalitieakkoord2. De tabel geeft het inkomenseffect van de verhoging van het WML met 2,5% in 2023, 2,5% in 2024 en 2,32% in 20253. In 2023 stijgen alle gekoppelde regelingen mee. In 2024 en 2025 is er geen doorwerking op bovenminimale regelingen. Verder werkt de WML-verhoging door op de AOW in alle drie de stappen, wordt de IOAOW in drie stappen afgeschaft en wordt doorwerking op de arbeidskorting teruggedraaid (dit wordt geregeld in het Belastingplan 2023). Het effect van het 3 mld pakket en ander beleid van het coalitieakkoord en de voorjaarsnota zit niet in onderstaande inkomenseffecten.

Tabel 1 medianentabel cumulatieve inkomenseffecten voor stand VJN tov stand zonder CA
 

2023

2024

2025

Inkomensgroep

     

1e (<=114% WML)

0,7%

1,3%

1,9%

2e (114–182% WML)

0,4%

0,9%

1,3%

3e (182–279% WML)

0,1%

0,3%

0,4%

4e (279–412% WML)

0,0%

0,1%

0,1%

5e (>412% WML)

0,0%

0,0%

0,1%

       

Inkomensbron

     

Werkenden

0,0%

0,1%

0,1%

Uitkeringsgerechtigden

1,2%

1,9%

2,8%

Gepensioneerden

0,5%

0,9%

1,5%

       

Huishoudtype

     

Tweeverdieners

0,1%

0,2%

0,2%

Alleenstaanden

0,3%

0,6%

0,9%

Alleenverdieners

0,1%

0,2%

0,3%

       

Kinderen

     

Huishoudens met kinderen

0,1%

0,1%

0,2%

Huishoudens zonder kinderen

0,0%

0,1%

0,1%

       

Alle huishoudens

0,1%

0,3%

0,4%

Tabel 2 Cumulatieve inkomenseffecten voorbeeldhuishoudens voor stand VJN tov stand zonder CA
 

2023

2024

2025

Actieven:

     

Alleenstaande

     

minimumloon

2,1%

3,7%

5,1%

Alleenstaande ouder

     

minimumloon

1,8%

3,6%

5,3%

       

Inactieven:

     

Sociale minima

     

paar met kinderen

1,2%

2,5%

3,9%

alleenstaande

1,6%

3,2%

4,9%

alleenstaande ouder

1,0%

2,0%

3,0%

       

AOW (alleenstaand)

     

(alleen) AOW

0,9%

1,8%

2,8%

AOW +10.000

0,7%

1,4%

2,2%

       

AOW (paar)

     

(alleen) AOW

0,9%

1,8%

2,5%

AOW +10.000

0,6%

1,3%

1,9%

AOW +30.000

0,3%

0,6%

1,0%

De onderstaande tabel 3 geeft de cumulatieve mediane inkomenseffecten van de maatregelen in de voorjaarsnota, afgezet tegen het pakket in het coalitieakkoord. Tabel 4 geeft dezelfde effecten voor een aantal voorbeeldhuishoudens. In het coalitieakkoord werd het WML in twee stappen met in totaal 7,5% verhoogd, zonder doorwerking op de AOW en bovenminimale regelingen. Verder werd de ouderenkorting verhoogd. De doorwerking op de arbeidskorting werd teruggedraaid. In de voorjaarsnota is besloten de WML verhoging een jaar naar voren te halen. In de verhoging in 2023 stijgen alle aan het WML gekoppelde regelingen mee. Verder wordt de AOW meegekoppeld in alle drie de stappen en wordt de IOAOW in drie stappen afgeschaft. De voorgenomen verhoging van de ouderenkorting gaat niet door.

Bijvoorbeeld een alleenstaande gepensioneerde met een aanvullend pensioen van 10.000 euro gaat er in 2025 door de maatregelen in de voorjaarsnota met 0,2% op achteruit ten opzichte van het pakket in het coalitieakkoord (zie tabel 4). Dat komt omdat het voordeel van de voorgenomen verhoging van de ouderenkorting hoger is dan de verhoging van de AOW minus de IOAOW. Wel gaat dit huishouden er in 2025 2,2% op vooruit ten opzichte van de situatie zonder coalitieakkoord en voorjaarsnota.

Tabel 3 medianentabel cumulatieve inkomenseffecten voor stand VJN-variant tov stand CA
 

2023

2024

2025

Inkomensgroep

     

1e (<=114% WML)

0,6%

0,5%

0,2%

2e (114–182% WML)

0,3%

0,2%

0,1%

3e (182–279% WML)

0,1%

0,1%

0,1%

4e (279–412% WML)

0,0%

0,1%

0,1%

5e (>412% WML)

0,0%

0,0%

0,1%

       

Inkomensbron

     

Werkenden

0,0%

0,1%

0,1%

Uitkeringsgerechtigden

1,2%

0,7%

0,1%

Gepensioneerden

0,2%

0,1%

0,1%

       

Huishoudtype

     

Tweeverdieners

0,1%

0,1%

0,1%

Alleenstaanden

0,2%

0,1%

0,1%

Alleenverdieners

0,1%

0,1%

0,1%

       

Kinderen

     

Huishoudens met kinderen

0,1%

0,1%

0,1%

Huishoudens zonder kinderen

0,0%

0,1%

0,1%

       

Alle huishoudens

0,1%

0,1%

0,1%

Tabel 4 Cumulatieve inkomenseffecten voorbeeldhuishoudens voor stand VJN-variant tov stand CA
 

2023

2024

2025

Actieven:

     

Alleenstaande

     

minimumloon

2,1%

0,9%

0,2%

Alleenstaande ouder

     

minimumloon

1,8%

1,0%

0,1%

       

Inactieven:

     

Sociale minima

     

paar met kinderen

1,2%

0,6%

0,0%

alleenstaande

1,6%

0,9%

0,1%

alleenstaande ouder

1,0%

0,5%

0,0%

       

AOW (alleenstaand)

     

(alleen) AOW

0,9%

1,9%

3,0%

AOW +10.000

0,3%

0,0%

– 0,2%

       

AOW (paar)

     

(alleen) AOW

0,9%

1,4%

2,3%

AOW +10.000

0,3%

0,2%

0,1%

AOW +30.000

0,1%

0,0%

0,0%

Vraag 69

Wat is het effect op de reële koopkracht uitgesplitst in 2023, 2024 en 2025 van de voorgestelde maatregelen van de verhoging van het minimumloon met daarbij in achtneming van verschillende inflatiescenario’s, ten minst bevattende een aanhoudende jaargemiddelde inflatie van 2%, 5%, 7,5% en 10%? Kan dit ook uitgesplitst worden voor verschillende inkomensgroepen, ten minste bevattende iemand op het WML niveau, 130% Wml, mediane inkomen en gemiddelde inkomen in Nederland?

Antwoord 69

Zie het antwoord op vraag 68.

Vraag 70

Wat is de historische ontwikkeling van de hoeveelheid pensioenfondsen, pensioenuitvoerders en pensioenverzekeraars in Nederland van de afgelopen 25 jaar?

Antwoord 70

De eerste twee tabellen hieronder geven een overzicht van de ontwikkeling van de hoeveelheid pensioenfondsen vanaf 1997. Tabel 3 en 4 geven een overzicht van levensverzekeraars die ook pensioenproducten kunnen voeren, of deze levensverzekeraars ook daadwerkelijk een pensioenproduct voeren is niet uit de cijfers op te maken. De cijfers zijn afkomstig van de website van DNB.

Tabel 1

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

Bedrijfspensioenfondsen verplicht

67

66

66

67

70

71

75

78

78

78

71

69

Bedrijfspensioenfondsen niet verplicht

15

19

27

25

30

31

28

24

25

25

25

26

Combinatie bedrijfstakpensioenfondsen niet-verplicht / verplicht

                       

Ondernemingspensioenfondsen

957

938

904

877

843

804

753

714

676

643

597

543

Ondernemingsspaarfondsen

9

6

6

6

7

7

6

8

7

7

7

4

Beroepspensioenfondsen

11

11

11

11

11

11

11

13

12

12

12

13

Speciale wetgeving

1

2

2

2

2

2

2

2

2

2

1

1

Algemene pensioenfondsen

                       

Totaal

1.060

1.042

1.016

988

963

926

875

839

800

767

713

656

Tabel 2

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Bedrijfspensioenfondsen verplicht

68

65

63

62

60

60

57

54

50

45

45

42

Bedrijfspensioenfondsen niet verplicht

19

17

14

12

12

9

10

9

8

7

6

5

Combinatie bedrijfstakpensioenfondsen niet-verplicht / verplicht

                 

2

2

2

Ondernemingspensioenfondsen

474

414

359

323

292

279

236

211

183

160

148

141

Ondernemingsspaarfondsen

5

5

5

4

5

5

5

4

3

3

3

3

Beroepspensioenfondsen

12

12

12

12

12

11

11

11

9

9

9

9

Speciale wetgeving

1

1

1

1

1

1

1

1

0

0

0

0

Algemene pensioenfondsen

               

7

7

7

6

Totaal

579

514

454

414

382

365

320

290

260

233

220

208

Tabel 3

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

Levensverzekeraars met zetel in Nederland

104

105

106

98

95

89

84

82

76

75

72

67

Levensverzekeraars met bijkantoor in Nederland van landen buiten de EU/EER

3

3

3

3

3

3

3

3

1

1

1

0

Totaal

107

108

109

101

98

92

87

85

77

76

73

67

Tabel 4

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Levensverzekeraars met zetel in Nederland

62

50

44

43

40

39

39

35

31

30

26

25

Levensverzekeraars met bijkantoor in Nederland van landen buiten de EU/EER

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Totaal

62

50

44

43

40

39

39

35

31

30

26

25

Vraag 71

Hoeveel mensen zijn er werkzaam in de pensioensector? Kan dit uitgesplitst worden naar pensioenfondsen, pensioenuitvoerders en pensioenverzekeraars? Kan daarbij ook een overzicht gegeven worden van de ontwikkeling over de afgelopen 20 jaar?

Antwoord 71

Deze gegevens zijn niet beschikbaar, het is dan ook niet mogelijk om een antwoord op deze vraag te geven.

Vraag 72

Wat is de verhouding praktisch, gemiddeld en hoogopgeleid van de mensen die werkzaam zijn bij pensioenfondsen, pensioenuitvoerders en pensioenverzekeraars?

Antwoord 72

Deze gegevens zijn niet beschikbaar, het is dan ook niet mogelijk om een antwoord op deze vraag te geven.

Vraag 73

Wat is de hoogte van de uitvoeringskosten van pensioenfondsen, pensioenuitvoerders en pensioenverzekeraars? Wat is hiervan de ontwikkeling over de afgelopen 20 jaar per jaar?

Antwoord 73

Gevraagd wordt naar de hoogte van uitvoeringskosten van pensioenfondsen, pensioenuitvoerders en pensioenverzekeraars. Onderstaande tabel geeft een overzicht van kosten van pensioenfondsen. Een dergelijk overzicht is niet beschikbaar voor andere pensioenuitvoerders.

Jaar

Vermogensbeheerkosten

(x € 1 mln.)

Overige kosten

(x € 1 mln.)

Totale kosten pensioenfondsen

(x € 1 mln.)

2020

9.257

1.052

10.309

2019

7.937

1.027

8.964

2018

7.468

0.998

8.466

2017

7.585

0.976

8.561

2016

6.636

1.048

7.684

2015

6.547

1.074

7.621

2014

6.318

1.112

7.430

2013

5.908

1.107

7.015

2012

5.126

1.126

6.252

Bron: DNB

Vraag 74

Kan er een overzicht worden gegeven van de betaalde (tweede pijler) pensioenpremie per jaar van de afgelopen 50 jaar?

Antwoord 74

Met behulp van data van DNB is het mogelijk om overzicht te geven van de betaalde pensioenpremies vanaf 1997. Dit overzicht is in de onderstaande grafiek weergegeven.

Bron: DNB

Vraag 75

Kan er een overzicht worden gegeven van de uitbetaalde (tweede pijler) pensioenuitkeringen per jaar van de afgelopen 50 jaar?

Antwoord 75

Met behulp van data van DNB is het mogelijk om overzicht te geven van de uitbetaalde pensioenuitkeringen vanaf 1997. Dit overzicht is in de onderstaande grafiek weergegeven.

Bron: DNB

Vraag 76

Kan er een overzicht worden gegeven van de gemiddeld behaalde rendementen van pensioenfondsen over de afgelopen 50 jaar per jaar.

Antwoord 76

Met behulp van data van DNB is het mogelijk om overzicht te geven van de gemiddeld behaalde rendementen vanaf 2007. Dit overzicht is in de onderstaande tabel weergegeven.

Jaar

Rendementen

2007

3,8%

2008

– 17,3%

2009

15,6%

2010

11,9%

2011

7,2%

2012

13,6%

2013

3,4%

2014

18,6%

2015

1,4%

2016

10,4%

2017

5,8%

2018

– 1,2%

2019

16,9%

2020

7,5%

2021

7,9%

Bron: DNB

Vraag 77

Hoeveel pensioenpremies zijn door werkgevers niet betaald ten gevolge van het flexibiliseren van beroepen? Kan dit uitgesplitst worden per jaar en een overzicht gegeven worden van de afgelopen 20 jaar?

Antwoord 77

Deze gegevens zijn niet beschikbaar, het is dan ook niet mogelijk een antwoord op deze vraag te geven.

Vraag 78

Hoeveel procent van het pensioenvermogen in de tweede pijler is geïnvesteerd in beleggingen buiten Nederland?

Antwoord 78

Gevraagd wordt welk percentage van het pensioenvermogen in de tweede pijler is geïnvesteerd in beleggingen buiten Nederland. Grofweg 90% van het totale pensioenfondsvermogen wordt in het buitenland belegd (per kwartaal 4, 2021). Het totale pensioenfondsvermogen was per einde 2021 circa € 1.800 miljard, waarvan dus ongeveer € 1.600 miljard in het buitenland wordt belegd.

Vraag 79

Kan een overzicht worden gegeven van de afgelopen 20 jaar per jaar van de gemiddelde jaarlijkse waardeverliezen ten gevolge van internationale investeringsrisico’s (zwarte gat)? Kan hierbij ook aangegeven worden hoeveel van deze waardeverliezen ten kosten zijn gegaan van pensioenvermogen?

Antwoord 79

De vraag veronderstelt dat internationale beleggingsrisico’s geïsoleerd kunnen worden beschouwd. Dit is niet het geval. Voor een zuivere vergelijking zouden deze moeten worden afgezet tegen beleggingsrisico’s die zich manifesteren bij binnenlandse investeringen. Dergelijk onderscheid in beleggingsrisico’s is gegeven de internationale verwevenheid van financiële markten echter niet te maken.

Vraag 80

Kan een overzicht, omvang en uitleg worden gegeven van de negatieve macro-economische invloeden die uitgaan van de huidige omvang van het tweede pijler pensioenvermogen op de Nederlandse economie, hierbij kan gedacht worden aan zaken zoals volatiliteit, gebrek aan koopkrachtgroei door hoogte pensioenafdrachten of effecten op het overschot op te lopende rekening?

Antwoord 80

De manier waarop Nederlanders pensioensparen kan verschillende effecten hebben op de Nederlandse economie. Het betreft een complex samenspel van uiteenlopende mechanismes, waarvan de exacte omvang niet altijd valt te kwantificeren. Hieronder volgt een toelichting op een aantal belangrijke effecten plus eventuele maatregelen die zijn genomen om deze te adresseren.

Ten eerste is het van belang om te benadrukken dat de Nederlandse tweede pijler belangrijke positieve effecten heeft op de economie en de welvaart. Zo helpt de tweede pijler werkenden hun inkomen te spreiden over de levensloop, waardoor zij niet te maken krijgen met een grote inkomensterugval na pensionering. Daarnaast delen werkenden via de tweede pijler onderling belangrijke risico’s, zoals het langlevenrisico. Verder worden de pensioenvermogens van deelnemers door pensioenfondsen wereldwijd gediversifieerd, waardoor beleggingsrisico’s beter gespreid kunnen worden.

Tegelijkertijd bestaan verschillende mechanismes waarlangs de tweede pijler de economie op een negatieve manier kan beïnvloeden. Ten eerste bestaat het risico dat een groter pensioenstelsel de volatiliteit van de economie of de inkomens van deelnemers vergroot. Bij een grote economische schok kan het zo zijn dat ofwel de premies ofwel de uitkeringen aangepast worden. Zowel op micro- als macroniveau is het echter niet wenselijk als de pensioenpremies te veel fluctueren. De overgang naar het nieuwe stelsel helpt de gevolgen van zulke aanpassingen voor de economie te beperken. In het nieuwe stelsel is de premie namelijk geen sturingsinstrument meer in geval van tijdelijke economische schokken. Hierdoor reageren de arbeidskosten van werkgevers en de besteedbare inkomens van actieve deelnemers minder sterk op een op- of neergaande conjunctuur. Voor wat betreft uitkeringen ligt in het huidige stelsel de nadruk op de nominale uitkeringen. In het nieuwe stelsel is er meer ruimte voor een koopkrachtbestendige pensioenuitkering. Consequentie daarvoor is dat pensioenuitkeringen bij negatieve schokken sneller zullen dalen. Wel geldt dat er in het wetsvoorstel toekomst pensioenen verschillende maatregelen opgenomen om de pensioenuitkeringen te stabiliseren. Belangrijk daarbij is de solidariteits- en risicodelingsreserve. Verder worden pensioenvermogens naar verwachting jaarlijks aangepast afhankelijk van de behaalde resultaten en de inzet van de reserves. Een jaarlijkse aanpassing dempt de eventuele cycliciteit ook, ten opzichte van een kortere frequentie. De eventuele gevolgen van het nieuwe pensioenstelsel op de cycliciteit van de economie zullen volgens de regering gering zijn indien ze optreden en de voorgestelde instrumenten in het nieuwe stelsel bieden voldoende houvast om die te dempen. Hierbij geldt ook dat gepensioneerden over het algemeen een AOW-uitkering ontvangen, waardoor het effect van eventuele negatieve financiële schokken op het totale pensioeninkomen beperkter is.

Daarnaast heeft Nederland mede als gevolg van de tweede pijler vaak lange balansen. Het vermogen van Nederlanders zit vaak voor een groot deel in de eigen woning of pensioen, terwijl de schulden en bijbehorende verplichtingen ook hoog zijn en doorlopen bij inkomensterugval. In de Miljoenennota 2021 (met name paragraaf 3.1) is hier nader op gereflecteerd.4 Inmiddels zijn verschillende stappen in gang gezet om de lange balansen te adresseren. Zo wordt de hypotheekrenteaftrek in stappen verlaagd, is in 2018 de zogenoemde loan-to-value ratio verlaagd naar maximaal 100% en kan met de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen een beperkt deel van het pensioen ineens opgenomen worden.

De kapitaalgedekte aanvullende pensioenen spelen ook een rol bij het overschot op de lopende rekening. Het is echter belangrijk om op te merken dat de pensioenbesparingen van huishoudens niet de belangrijkste factor zijn. Uit een recente DNB studie blijkt bijvoorbeeld dat de besparingen van niet-financiële vennootschappen het grootste deel uitmaken van het overschot op de lopende rekening.5 Het CPB gaat in haar policy brief 2015/05 in op de oorzaken en de beleidsgevolgen van het overschot op de Nederlandse lopende rekening en de rol van pensioenvermogen daarin.6 Het Nederlandse overschot op de lopende rekening kan volgens het CPB grotendeels worden verklaard door structurele factoren, waarvan er twee opvallen: het relatief hoge spaarniveau en buitenlandse investeringsniveau bij multinationale ondernemingen en pensioenfondsen enerzijds en de internationalisatie van de Nederlandse economie (inclusief lidmaatschap van de eurozone) anderzijds. In de policy brief geeft het CPB aan dat het grootste deel van het Nederlandse overschot rechtstreeks in verband gebracht kan worden met divergerende handelspartronen binnen de eurozone sinds de jaren 2000. Een ander deel kan verklaard worden door pensioenfondsen. Het CPB geeft in haar policy brief aan dat de verwachting is dat op termijn, gegeven de ouder wordende bevolking, het particuliere spaaroverschot (inclusief dat in de pensioenfondsen) geleidelijk zal verminderen.

Vraag 81

Kan een overzicht worden gegeven van het tweede pijler (of vergelijkbaar) pensioenvermogen van de andere Europese Unie (EU-)lidstaten? Kan hierbij ook een overzicht worden gegeven van de historische ontwikkeling van de omvang hiervan per land en van het EU-gebied als geheel?

Antwoord 81

EIOPA (European Insurance and Occupational Pensions Authority) heeft over de periode 2004–2019 voor 25 Europese landen een overzicht opgesteld van (statistische) kenmerken van pensioenfondsen (zie website https://www.eiopa.europa.eu/tools-and-data/statistics-and-risk-analysis/occupational-pensions-statistics_en). Er is voor elk jaar en elk land onder andere informatie te vinden over soorten pensioensysteem (defined benefit, defined contribution of hybride), inleg en uitkeringen, technisch vermogen, beleggingscategorieën en gegevens over aantallen en soorten deelnemers.

Vraag 82

Wat is percentage huishoudens dat sinds 2016 t/m 2021 aangeeft moeite te hebben met rondkomen?

Antwoord 82

Volgens het CBS kon in 2021 (voorlopige cijfers) 7% van de particuliere huishoudens (zeer) moeilijk rondkomen. Deze huishoudens hadden moeite om de gebruikelijke noodzakelijke uitgaven te betalen van het totale netto huishoudinkomen. In 2016 was dit 15%, in de jaren erna daalde dit percentage.

(Bron: CBS. Inkomensbeoordeling en financiële problemen; huishoudens)

https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/82253NED/table

Vraag 83

Hoeveel Nederlanders en hoeveel huishoudens geven aan moeite te hebben met rondkomen?

Antwoord 83

In 2021 waren er ruim 8 miljoen particuliere huishoudens. Daarvan kon in 2021 (voorlopige cijfers) 7% (zeer) moeilijk rondkomen. Dat zijn meer dan 560.000 huishoudens. Een gemiddeld huishouden bestond in 2021 uit 2,14 personen. Dat betekent dat in 2021 bijna 1,2 miljoen mensen moeite hadden met rondkomen.

https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/37296ned/table?ts=1653913099909

Vraag 84

Wat is het koopkrachteffect van de oplopende inflatie?

Antwoord 84

Een oplopende inflatie heeft vrijwel één-op-één een negatief effect op de koopkracht van huishoudens, zij kunnen minder goederen en diensten kopen van hun inkomen. Het CPB raamt de inflatie en koopkrachtontwikkeling, het meest recent in de CEP-raming. Tijdens Prinsjesdag wordt u geïnformeerd over de meest actuele stand van zaken.

Vraag 85

Hoeveel Nederlanders en hoeveel gezinnen (inclusief percentage) geven aan moeite te hebben met het betalen van de huur, de boodschappen en de energierekening, uitgesplitst per onderwerp?

Antwoord 85

Onderstaande tabel geeft het percentage particuliere huishoudens dat in 2021 en eerdere jaren financiële problemen op verschillende vlakken ervaart. In 2021 waren er ruim 8 miljoen particuliere huishoudens. Cijfers over het aantal personen met deze problematiek zijn niet beschikbaar, maar gemiddeld bestaat een particulier huishouden in 2021 uit 2,14 personen.

Particuliere huishoudens

2016

2017

2018

2019

2020

2021 1

(Zeer) moeilijk rondkomen

15

14

12

12

9

7

Ervaring van lasten

           

Ervaring van lasten|Maandelijkse woonkosten zijn zware last

12

11

10

10

7

7

Ervaring van lasten|Leningen zijn zware last

3

3

2

2

2

2

Onvoldoende geld voor

           

Een warme maaltijd om de andere dag

3

3

3

3

2

2

Het regelmatig kopen van nieuwe kleding

16

16

15

16

14

14

Het verwarmen van het huis

3

3

3

4

3

3

Het vervangen van versleten meubels

24

23

22

23

20

20

Het te eten vragen van familie/kennissen

11

11

11

12

11

11

Jaarlijks een week vakantie

19

18

17

18

16

16

Onverwachte noodzakelijke uitgaven

26

25

25

25

23

19

Minstens één van de genoemde items

38

35

35

37

34

31

Betalingsachterstanden laatste 12 mnd

           

Huur of hypotheek

3

4

3

3

2

2

Gas, water en elektriciteit

2

2

2

2

1

1

Op afbetaling gekochte artikelen

1

1

1

1

0

1

Op minstens één van de genoemde items

5

5

4

4

3

3

(Bron: CBS. Inkomensbeoordeling en financiële problemen; huishoudens) https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/82253NED/table

X Noot
1

Voor 2021 betreft het voorlopige cijfers.

Vraag 86

Hoe wilt u de aansluiting van het hoger beroepsonderwijs (HBO) en het wetenschappelijk onderwijs (WO) op de arbeidsmarkt verbeteren en hoogopgeleide starters handvatten bieden in hun zoektocht naar een geschikte eerste baan?

Antwoord 86

De aansluiting van het hoger onderwijs op de arbeidsmarkt is over het algemeen goed. De werkloosheid onder startende hoogopgeleiden ligt zeer laag. Hogescholen en universiteiten besteden voortdurend aandacht aan de aansluiting met de arbeidsmarkt. Bijvoorbeeld door tijdens de opleiding studenten voor te bereiden op het beroepenveld en de arbeidsmarkt. Een ander voorbeeld zijn de Career Services, waar onderwijsinstellingen (afstuderende) studenten ondersteunen en begeleiden naar een baan. OCW is primair verantwoordelijk voor een goede aansluiting van het hoger onderwijs op de arbeidsmarkt. De Minister van OCW zal in de beleidsbrief hoger onderwijs, die voor de zomer met de Kamer wordt gedeeld, aandacht besteden aan dit onderwerp.

Naast de onderwijsinstelling zet ook de regio zich in voor een goede aansluiting. De regionaal georganiseerde nieuwe arbeidsmarktinfrastructuur die het kabinet voor ogen staat, biedt voor iedereen, ook hoogopgeleide starters, in de 35 arbeidsmarktregio’s een «no-wrong-door»-dienstverlening voor vragen, informatie en ondersteuning bij leren en ontwikkelen, werken, inkomen en matching. Starters kunnen bijvoorbeeld bij Leerwerkloketten of het UWV terecht met hun vragen. De afgelopen jaren is een drietal pilots uitgevoerd om te komen tot een meer effectieve ondersteuning in de arbeidsmarktregio’s. Dit neemt het kabinet mee in de verdere uitvoering van het Coalitieakkoord.

Vraag 87

Welke voortgang is er precies geboekt bij de ontwikkeling van de arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) voor ZZP'ers?

Antwoord 87

Na het versturen van de hoofdlijnenbrief (Kamerstuk 29 544, nr. 1044) over de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen is samen met beoogde uitvoerders en sociale partners gewerkt aan de verdere uitwerking van deze verzekeringsplicht. Over de precieze voortgang wordt uw Kamer voor het zomerreces geïnformeerd, conform toezegging bij de planningsbrief (Kamerstuk 35 925 XV, nr. 88).

Vraag 88

Hoeveel Nederlanders en hoeveel huishoudens hebben te maken met problematische schulden?

Antwoord 88

In het dashboard Schuldenproblematiek in beeld (cbs.nl) is te zien dat 630.120 (7,9%) huishoudens geregistreerde problematische schulden hadden op 1 januari 2020, op 1 oktober 2020 waren dit 614.270 (7,6%) huishoudens. In dit dashboard is niet opgenomen hoeveel personen te maken hebben met geregistreerde problematische schulden.

De definitie voor geregistreerde problematische schulden die het CBS hanteert is:

Ten minste één persoon in het huishouden voldoet aan ten minste één van de volgende criteria op het peilmoment van het betreffende verslagjaar (1 januari of 1 oktober):

  • Volgt een traject in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP).

  • Volgt een bij Stichting BKR geregistreerd minnelijk traject.

  • Heeft een bij Stichting BKR geregistreerde betalingsachterstand.

  • Is in het Centraal Curatele en Bewindregister (CCBR) opgenomen op grond van verkwisting en/of problematische schulden.

  • Heeft ten minste zes maanden de zorgpremie niet betaald.

  • Een betalingsachterstand van een Wet Mulder-boete bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) heeft waarvan de tweede aanmaning ten minste twee maanden openstaat, of zich al in een ernstigere wanbetalersfase bevindt. Daarnaast moet het openstaande bedrag in totaal minimaal 50 euro zijn.

  • Heeft langer dan 27 maanden een toeslagschuld van totaal minimaal 50 euro openstaan bij de Belastingdienst.

  • Heeft langer dan 15 maanden een schuld van totaal minimaal 50 euro voor overige belastingaanslagen openstaan bij de Belastingdienst.

  • Heeft een belastingschuld die in de 12 maanden voor het peilmoment oninbaar is gebleken.

  • Heeft een betalingsachterstand bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van 3 maanden of langer en van minimaal 270 euro.

Vraag 89

Hoeveel Nederlanders hadden te maken met problematische schulden in de periode 2016 t/m 2021?

Antwoord 89

In hetzelfde dashboard is de ontwikkeling te zien van het aantal huishoudens met geregistreerde problematische schulden gedurende de periode 2015 t/m 2020.

Peilmoment

Aantal huishoudens met geregistreerde problematische schulden

% huishoudens met geregistreerde problematische schulden

1 januari 2015

661.730

8,6%

1 januari 2016

661.860

8,6%

1 januari 2017

604.670

7,8%

1 januari 2018

650.700

8,3%

1 januari 2019

625.280

8,1%

1 januari 2020

630.120

7,9%

1 oktober 2020

614.270

7,6%

Vraag 90

Hoeveel nieuwkomers zijn tot op heden gestart met het nieuwe inburgeringsstelsel (Wet inburgering (Wi) 2021)?

Antwoord 90

Tot en met 29 april 2022 zijn er 6.825 inburgeraars inburgeringsplichtig verklaard onder de Wi 2021. Bij 59 van degene die inburgeringsplichtig zijn verklaard onder de Wi2021 is de leerroute vastgesteld. Dit kan als eerste start van het inburgeringstraject worden gezien. Over de laatste ontwikkelingen ten aanzien van het opleggen van de inburgeringsplicht in 2022 wordt de Kamer apart geïnformeerd.

Vraag 91

Hoeveel nieuwkomers moeten nog starten of zijn in 2022 nog gestart met het oude inburgerginsstelsel (Wi2013)?

Antwoord 91

Vanaf 1 januari tot 1 mei 2022 zijn er 168 inburgeraars inburgeringsplichtig verklaard onder de Wi2013. Eind mei 2022 zijn er nog veel kennisgevingen Wi2013 verstuurd. Dat is nog niet in deze cijfers verwerkt. Door de verstuurde kennisgevingen van eind mei hebben de meeste personen die nog onder de Wi2013 moeten inburgeren inmiddels een kennisgeving ontvangen. Vanwege administratieve redenen, bij voorbeeld bij een late inschrijving in de Basis Registratie Persoonsgegevens (BRP) kan het echter voorkomen dat hier vertraging in zit. In dat geval zullen er toch nog personen zijn die vallen onder de Wi2013 maar waarbij dat nog niet is vastgesteld en die zodoende op dit moment nog geen kennisgeving hebben ontvangen. Over de laatste ontwikkelingen ten aanzien van het opleggen van de inburgeringsplicht in 2022 wordt de Kamer apart geïnformeerd.

Vraag 92

In samenhang met de start van het nieuwe inburgeringsstelsel Wi 2021, kunt u toelichten wat de stand van uitvoering is van motie 35483–69? Is reeds gereflecteerd op de uitvoeringsketen en welke verbeteringen zijn reeds ingevoerd? Hoe staat het nu met de implementatie?

Antwoord 92

Besloten is om de reflectie uit te laten voeren door een onafhankelijk extern bureau. Inmiddels is RadarAdvies in opdracht van SZW gestart met de uitvoering van het onderzoek. Doel van het onderzoek is om inzicht te geven in het verloop van de totstandkoming van de Wet inburgering 2021, inclusief de lagere regelgeving, en in de voorbereiding op de uitvoering van de wet (de implementatie) door de ketenpartners. Op basis hiervan moet het onderzoek leerpunten opleveren die bruikbaar zijn voor de verdere samenwerking in de inburgeringsketen en voor vergelijkbare wetstrajecten in de toekomst. Het adviesrapport wordt begin juli opgeleverd en op basis daarvan zal uw Kamer direct na de zomer geïnformeerd worden.

Vraag 93

Hoeveel nieuwkomers hebben in 2021 succesvol het inburgeringstraject voltooid?

Antwoord 93

In 2021 zijn er 23.545 Wi diploma’s behaald.

Vraag 94

Hoeveel van de begrote 26 miljoen wordt dit jaar besteed aan het begeleiden van inburgeraars die nog onder de Wi 2013 vallen?

Antwoord 94

Ten tijde van de begroting 2021 was een bedrag van € 25,5 miljoen begroot voor de begeleiding door gemeenten van inburgeraars die onder de Wi2013 vallen. Als gevolg van het uitstel van de Wi2021 en een hoger dan verwachte instroom in 2021 is hiervoor in overleg met de VNG € 21,1 miljoen extra beschikbaar gesteld. Voor 2021 t/m 2026 is in totaal € 46,6 miljoen beschikbaar, waarvan € 37,6 miljoen is bestemd voor de begeleiding van de brede groep inburgeraars die vallen onder de Wi2013 en € 9 miljoen specifiek voor de begeleiding van de ELIP-groep (Einde Lening Inburgeringsplichtig) die eveneens vallen onder de Wi2013. Van het totale budget van € 46,5 miljoen is in 2021 en 2022 respectievelijk € 18,7 miljoen en € 13,4 miljoen aan gemeenten beschikbaar gesteld via het Gemeentefonds.

Vraag 95

In hoeverre is de onderwijsroute de afgelopen maanden gestimuleerd middels de extra beschikbaar gestelde gelden? Welke concrete aanbestedingen zijn reeds gedaan? Wordt hier eind 2022 ook op gereflecteerd? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 95

SZW houdt middels de peilstok (Opbrengst Peilstok 1 2022 Veranderopgave Inburgering) uitgevoerd door Divosa, vinger aan de pols voor wat betreft de aanbestedingen. Uit deze peilstok blijkt dat de Onderwijsroute in 20% van de regio’s is gecontracteerd. In 80% van de regio’s is de Onderwijsroute niet gecontracteerd. Van deze laatste regio’s is bij 79% het inkoopproces weer opgestart en 21% wacht daar nog mee. De volgende en laatste peilstok volgt in het tweede kwartaal 2022, daarna worden bepaalde elementen meegenomen in de marktmonitor. Het doel van deze marktmonitor – een onderdeel van de monitoring en evaluatie van de Wi 2021 – is om inzicht te krijgen in de werking en ontwikkeling van de inburgeringsmarkt vanaf de inwerkingtreding tot en met de Wetsevaluatie in 2027.

Vraag 96

Wat is de huidige stand van zaken van het inburgeringsonderwijs en de examens in de nasleep van corona? Hebben de inburgeraars die te maken hebben gehad met uitstel door corona inmiddels de draad weer weten op te pakken? In hoeveel gevallen is verlenging verleend in het kader van corona? Hoeveel gevallen zullen al dan niet verlaat naar verwachting nog dit jaar hun inburgeringsexamen afronden?

Antwoord 96

Met ingang van 1 juni 2022 zijn er geen bijzondere maatregelen meer van toepassing voor het inburgeringsonderwijs in verband met corona. In de coronaperiode is er van maart 2020 tot december 2021 meerdere keren verlenging van de inburgeringstermijn verleend aan degene die tijdens de coronaperiode aan het inburgeren waren. In totaal zijn 287.114 verlengingen verleend aan 79.395 inburgeraars. De laatste coronaverlenging met 1 maand (geldend voor de periode 13 januari 2022–13 februari 2022) is in deze cijfers niet meegenomen.

Aan de uitputting van het leningenbudget, valt op te maken dat met ingang van april 2022 de inburgeraars in grote mate hun inburgeringsactiviteiten weer ter hand hebben genomen. Inmiddels zijn de wachttijden bij de examens teruggebracht. Wel is het aantal examens dat op dit moment wordt afgelegd nog lager dan voor de coronaperiode. In totaal hebben in de eerste 4 maanden van 2022 circa 5.000 inburgeraars voldaan aan de inburgeringsvereisten. De verwachting is dat dit aantal eind 2022 tussen de 15.000 en 20.000 uit zal komen.

Vraag 97

Wat is de laatste stand van zaken van de gezamenlijke Werkagenda van de Taskforce Werk & Integratie om de arbeidsmarktpositie van mensen met een migratieachtergrond te verbeteren? Kunt u een tijdspad schetsen van de uit te voeren Werkagenda? Wat kunnen we dit jaar nog verwachten aan concrete acties?

Antwoord 97

Het verbeteren van de arbeidsmarktpositie van mensen met een migratieachtergrond vraagt om een meerjarige inzet. Met de acties uit de Werkagenda VIA worden partijen die daadwerkelijk het verschil maken in de praktijk, de komende jaren, bewust én vaardig gemaakt om effectief werk te maken van gelijkwaardige kansen voor mensen met een migratieachtergrond.

De activiteiten zoals benoemd in de Werkagenda VIA worden dit jaar in uitvoering genomen – daar waar deze nog niet reeds in uitvoering zijn. Daarbij wordt ingezet langs drie thema’s: «meer (culturele) diversiteit op het werk», «meer kans op een eerste baan of stage» en het «duurzaam naar werk toe leiden van mensen uit de bijstand/WW (Arbeidstoeleiding)». Concrete voorbeelden van activiteiten die dit jaar opgestart en uitgevoerd worden, zijn onder andere:

  • Het ondersteunen van werkgevers bij het (cultureel) diverser maken van hun organisaties, bijvoorbeeld door het objectiveren van hun werving- en selectieproces en het beschikbaar stellen van een helpdesk voor werkgevers.

  • Het stimuleren van een onderbouwde en bewuste studiekeuze. Hiervoor wordt samengewerkt met het Ministerie OCW, onderwijsinstellingen (vmbo, mbo en hoger onderwijs), werkgevers, het Expertisepunt LOB, het kennispunt Gelijke kansen, Diversiteit en Inclusie en Expertise Centrum Diversiteitsbeleid (ECHO).

  • Ondersteuning van onderwijsinstellingen bij het stimuleren van gelijke kansen en het tegengaan van stagediscriminatie in samenwerking met het kennispunt Gelijke kansen, Diversiteit en Inclusie (GKDI) en Expertise Centrum Diversiteitsbeleid (ECHO).

  • Het stimuleren en opzetten van leer- en werktrajecten, zoals een leer- en werktraject voor vluchtelingen die als docent aan de slag willen. Dit is een samenwerking tussen het Ministerie van SZW, werkgevers en VluchtelingenWerk Nederland.

  • Intensieve begeleiding van vrouwen met een migratieachtergrond gericht op het vergroten van de participatie en mogelijke uitstroom naar werk. Dit project wordt uitgevoerd in de gemeente Almere.

  • Het opzetten van lerende netwerken onder gemeenten en andere stakeholders ten behoeve van het verspreiden van lessen over effectieve arbeidstoeleiding en leerwerktrajecten.

  • Het ontwikkelen en verspreiden van kennismaterialen via de bestaande kennisinfrastructuren, zoals Divosa, de Programmaraad en het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS).

De activiteiten, en de resultaten hiervan, worden gevolgd middels een monitor op zowel uitvoering van de Werkagenda als op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Deze monitor geeft input aan het lerende karakter van de Werkagenda. Het monitoringsonderdeel dat gericht is op de arbeidsmarktontwikkelingen is vorig jaar ontwikkeld en de eerste meting is met de Tweede Kamer gedeeld (Kamerstuk 29 544, nr. 1081). De tweede meting wordt momenteel voorbereid en zal begin 2023 met de Tweede Kamer worden gedeeld. Het onderdeel van de monitoring dat zich richt op de uitvoering van de Werkagenda wordt momenteel vormgegeven.

Na de zomer zal ik uw Kamer conform mijn toezegging gedaan tijdens het Commissiedebat Inburgering en Integratie d.d. 20 april 2022 (Kamerstuk 32 824, nr. 361) nader informeren over de stand van zaken van de uitvoering van de Werkagenda VIA en over de eerste opzet van de monitoring van de uitvoering van de werkagenda.

Vraag 98

Welke plannen heeft u om de bijdrage aan het ouderdomsfonds in de toekomst te monitoren en de vergrijzing kostenefficiënt aan te pakken?

Antwoord 98

De stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd en de koppeling aan de levensverwachting vormen samen de belangrijkste maatregel om de kosten van de vergrijzing te dempen. Het mes snijdt aan twee kanten. Enerzijds zorgt het ervoor dat mensen pas op een later moment hun aanspraak op de ouderdomsvoorziening kunnen doen en anderzijds wordt de arbeidsmarkt verruimd, waardoor werkenden langer belastingen en premie betalen. De verhouding tussen werkenden en AOW’ers blijft hierdoor meer in de pas. De consequenties van de vergrijzing voor de sociale zekerheid worden op deze wijze beperkt. De gevolgen worden door het ministerie en de SVB nauwlettend in de gaten gehouden. De SVB monitort de ontwikkelingen van de premie-inkomsten en uitgaven, en verantwoordt dit in haar jaarverslag. Het ministerie heeft hierover nauwe contacten met de SVB.

Vraag 99

Kan het kabinet een overzicht geven van alle Standaard Bedrijfsindeling (SBI-) codes die Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) gelden ontvangen hebben en de bedragen en aantal bedrijven per SBI-code daarbij vermelden?

Antwoord 99

UWV maakt geen gebruik van SBI-codes, maar houdt de sectoren van aanvragers van NOW wel bij in de zogenoemde SV-sectorindeling. Hieronder vindt u een overzicht. Voor elk van de NOW-tranches is aangegeven hoeveel voorschotten er zijn uitgekeerd en welke hoogte deze in totaal hadden. Aangezien de NOW met een voorschot en vaststellingsproces werkt en alleen van de NOW 1 en 2 de loketten voor vaststelling zijn gesloten, gaan deze cijfers nadrukkelijk om de voorschotten die zijn verstrekt. Bij de vaststelling wordt gecontroleerd of een werkgever een hoger of lager omzetverlies heeft geleden dan voorspeld tijdens de voorschotaanvraag en of er andere factoren zijn waardoor de subsidiebeschikking verandert ten opzichte van het voorschot. Een werkgever kan na de vaststelling nog een nabetaling ontvangen of een deel van het voorschot moeten terugbetalen. De genoemde bedragen zullen daarom vermoedelijk nog sterk veranderen.

NOW-1

Sector

Aantal toekenningen 1e betaling

Totaal hoogte voorschot in euro’s

Detailhandel

25.156

€ 224.277.616

Horeca en catering

25.083

€ 306.457.250

Overige commerciële dienstverlening

24.857

€ 494.678.019

Zorg en welzijn

16.473

€ 173.040.877

Metaalindustrie, installatie, voertuigen

13.536

€ 352.916.097

Groothandel

12.642

€ 291.326.810

Vervoer en logistiek

4.628

€ 286.362.962

Overige industrie

4.328

€ 98.250.725

Uitzendbedrijven

2.649

€ 175.425.319

Bouw

2.256

€ 41.952.221

Landbouw, groenvoorziening, visserij

2.092

€ 26.585.852

Cultuur

1.924

€ 48.785.714

Voeding- en genotmiddelenindustrie

1.702

€ 43.611.722

Schoonmaak

1.284

€ 22.557.058

Chemische industrie

681

€ 33.869.433

Niet ingedeeld

109

€ 590.755

Overheid

73

€ 33.709.779

Bank- en verzekeringswezen

40

€ 2.579.793

Onderwijs

20

€ 645.830

Onbekend

4

€ 18.159

Energie en water

1

€ 167.203

Totaal

139.538

2.657.809.194

NOW-2

Sector

Aantal toekenningen 1e betaling

Totale hoogte voorschotten

Overige commerciële dienstverlening

13.903

€ 442.481.033

Horeca en catering

12.671

€ 262.804.457

Detailhandel

7.263

€ 105.717.944

Metaalindustrie, installatie, voertuigen

6.618

€ 314.815.641

Groothandel

5.691

€ 165.834.549

Zorg en welzijn

5.390

€ 104.785.200

Vervoer en logistiek

2.733

€ 303.607.025

Overige industrie

2.489

€ 90.582.307

Uitzendbedrijven

1.682

€ 164.593.377

Cultuur

1.370

€ 50.669.658

Landbouw, groenvoorziening, visserij

1.167

€ 19.306.767

Bouw

1.108

€ 31.704.349

Voeding- en genotmiddelenindustrie

597

€ 21.210.488

Schoonmaak

479

€ 21.183.994

Chemische industrie

379

€ 29.983.383

Niet Ingedeeld

64

€ 7.049.668

Overheid

36

€ 21.389.074

Bank- en verzekeringswezen

15

€ 2.017.596

Onderwijs

15

€ 387.832

Energie en Water

1

€ 346.016

Totaal

63.671

€ 2.160.470.358

NOW-3.1

Sector

Aantal toekenningen 1e betaling

Totale hoogte voorschotten

Horeca en catering

20.292

€ 209.438.980

Detailhandel

18.755

€ 130.366.376

Overige commerciële dienstverlening

10.570

€ 147.161.103

Metaalindustrie, installatie, voertuigen

6.340

€ 89.633.122

Zorg en welzijn

5.832

€ 39.984.099

Groothandel

5.142

€ 70.014.523

Vervoer en logistiek

2.198

€ 117.219.971

Overige industrie

2.097

€ 35.769.687

Uitzendbedrijven

1.488

€ 55.002.776

Landbouw, groenvoorziening, visserij

1.310

€ 10.290.482

Cultuur

1.268

€ 22.287.071

Bouw

914

€ 11.422.775

Voeding- en genotmiddelenindustrie

734

€ 11.650.443

Schoonmaak

529

€ 9.443.785

Chemische industrie

295

€ 5.853.136

Niet Ingedeeld

46

€ 6.641.624

Overheid

32

€ 8.774.521

Bank- en verzekeringswezen

12

€ 645.484

Onderwijs

6

€ 71.171

Totaal

77.860

€ 981.671.129

NOW-3.2

Sector

Aantal toekenningen 1e betaling

Totale hoogte voorschotten

Horeca en catering

18.893

€ 222.387.815

Detailhandel

17.947

€ 146.270.236

Overige commerciële dienstverlening

10.283

€ 153.044.849

Zorg en welzijn

6.276

€ 56.430.939

Metaalindustrie, installatie, voertuigen

5.841

€ 87.757.553

Groothandel

5.049

€ 77.825.971

Overige industrie

2.222

€ 47.636.564

Vervoer en logistiek

2.120

€ 126.144.856

Uitzendbedrijven

1.414

€ 62.631.174

Cultuur

1.287

€ 29.711.911

Bouw

1.033

€ 16.714.771

Landbouw, groenvoorziening, visserij

991

€ 8.176.435

Voeding- en genotmiddelenindustrie

715

€ 14.142.161

Schoonmaak

552

€ 11.251.611

Chemische industrie

301

€ 5.982.725

Niet Ingedeeld

40

€ 335.057

Overheid

34

€ 13.174.691

Bank- en verzekeringswezen

11

€ 689.688

Onderwijs

10

€ 179.160

Totaal

75.019

€ 1.080.488.167

NOW-3.3

Sector

Aantal toekenningen 1e betaling

Totale hoogte voorschotten

Horeca en catering

14.730

€ 149.118.927

Overige commerciële dienstverlening

7.466

€ 108.704.392

Detailhandel

5.410

€ 40.684.536

Zorg en welzijn

4.156

€ 37.781.627

Groothandel

3.104

€ 42.818.414

Metaalindustrie, installatie, voertuigen

2.916

€ 52.172.796

Overige industrie

1.470

€ 38.335.648

Vervoer en logistiek

1.368

€ 98.286.059

Cultuur

1.074

€ 23.846.288

Uitzendbedrijven

1.064

€ 38.526.661

Bouw

554

€ 8.604.397

Landbouw, groenvoorziening, visserij

427

€ 3.833.906

Voeding- en genotmiddelenindustrie

374

€ 6.525.509

Schoonmaak

353

€ 7.814.356

Chemische industrie

189

€ 4.306.547

Niet Ingedeeld

31

€ 259.547

Overheid

24

€ 4.755.207

Bank- en verzekeringswezen

7

€ 503.807

Onderwijs

6

€ 59.682

Totaal

44.723

€ 666.938.306

NOW-4

Sector

Aantal toekenningen 1e betaling

Totale hoogte voorschotten

Horeca en catering

6.027

€ 44.552.661

Overige commerciële dienstverlening

5.770

€ 69.454.151

Detailhandel

2.991

€ 18.237.503

Zorg en welzijn

2.299

€ 15.142.602

Metaalindustrie, installatie, voertuigen

2.275

€ 55.865.457

Groothandel

2.086

€ 20.669.473

Vervoer en logistiek

992

€ 54.318.876

Overige industrie

912

€ 14.655.786

Uitzendbedrijven

796

€ 24.581.566

Cultuur

750

€ 9.950.846

Bouw

432

€ 8.453.460

Landbouw, groenvoorziening, visserij

407

€ 2.749.888

Schoonmaak

219

€ 3.401.353

Voeding- en genotmiddelenindustrie

186

€ 3.221.739

Chemische industrie

144

€ 3.225.980

Overheid

17

€ 4.160.743

Bank- en verzekeringswezen

6

€ 335.389

Onderwijs

5

€ 42.736

Niet Ingedeeld

5

€ 8.102

Totaal

26.319

€ 353.028.311

NOW-5

Sector

Aantal toekenningen 1e betaling

Totale hoogte voorschotten

Horeca en catering

16.548

€ 289.780.548

Detailhandel

7.347

€ 71.032.284

Overige commerciële dienstverlening

5.071

€ 135.152.572

Zorg en welzijn

3.090

€ 44.242.942

Groothandel

2.002

€ 46.354.634

Metaalindustrie, installatie, voertuigen

1.966

€ 64.654.222

Overige industrie

904

€ 32.515.558

Vervoer en logistiek

859

€ 93.239.708

Cultuur

859

€ 30.228.546

Uitzendbedrijven

765

€ 57.975.970

Landbouw, groenvoorziening, visserij

567

€ 8.840.374

Bouw

318

€ 7.702.036

Voeding- en genotmiddelenindustrie

248

€ 7.276.384

Schoonmaak

229

€ 8.455.338

Chemische industrie

133

€ 5.166.038

Niet Ingedeeld

28

€ 369.150

Overheid

18

€ 8.067.760

Bank- en verzekeringswezen

8

€ 765.104

Onderwijs

5

€ 86.326

Totaal

40.965

€ 911.905.494

NOW-6

Sector

Aantal toekenningen 1e betaling

Totale hoogte voorschotten

Horeca en catering

11.120

€ 103.125.942

Overige commerciële dienstverlening

4.664

€ 66.046.348

Detailhandel

4.548

€ 29.683.426

Zorg en welzijn

2.011

€ 16.962.982

Groothandel

1.659

€ 18.465.114

Metaalindustrie, installatie, voertuigen

1.504

€ 30.349.616

Overige industrie

877

€ 11.501.541

Cultuur

796

€ 15.798.568

Vervoer en logistiek

793

€ 46.938.628

Uitzendbedrijven

722

€ 33.105.051

Landbouw, groenvoorziening, visserij

515

€ 3.858.793

Bouw

341

€ 5.114.189

Voeding- en genotmiddelenindustrie

218

€ 3.242.838

Schoonmaak

191

€ 4.636.636

Chemische industrie

133

€ 3.867.529

Niet Ingedeeld

14

€ 45.514

Overheid

13

€ 4.075.452

Bank- en verzekeringswezen

8

€ 366.822

Onderwijs

2

€ 36.585

Totaal

30.129

€ 397.221.574

Vraag 100

Hoe kunnen de uitgaven van de AOW en Algemene nabestaandenwet (Anw) 773 miljoen hoger uit zijn gevallen dan begroot, als de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling de realisatie 202 miljoen lager is dan begroot? Welke cijfers zitten hierachter?

Antwoord 100

Ten tijde van het opstellen van de begroting, is de hoogte van de AOW en Anw-uitkering nog niet definitief vastgesteld. In de begroting voor 2021 is per regeling een raming opgenomen van de uitgaven in prijspeil 2020 onder het kopje «inkomensoverdrachten». Voor de verwachte bijstelling van de prijs is een prognose opgenomen onder het kopje «nominaal». Het budget voor de bijstelling van de prijs wordt gedurende het begrotingsjaar overgeboekt van de regel «nominaal» naar de regel «inkomensoverdrachten», alwaar de gerealiseerde uitgaven worden verantwoord.

De uitgaven aan de AOW en IOAOW gezamenlijk zijn inclusief de geraamde indexatie («nominaal») in 2021 circa € 201 miljoen lager uitgekomen dan begroot. De indexatie bedroeg € 1.061 miljoen (€ 1.045 miljoen voor de AOW en € 16 miljoen voor de IOAOW) en was daarmee circa € 90 miljoen hoger dan de € 971 miljoen die werd begroot. Dit komt voornamelijk door een grotere stijging van het Wettelijk Minimumloon (Wml) per 1 juli 2021 dan verwacht ten tijde van het opstellen van de begroting. Een hoger Wml leidt via de netto-netto koppeling tot hogere AOW-uitkeringshoogtes. Het aantal AOW-gerechtigden is in 2021 lager uitgekomen dan geraamd. Dit zorgt voor circa € 291 miljoen lagere uitgaven aan de AOW en IOAOW. Dit wordt grotendeels verklaard doordat het aantal AOW-gerechtigden minder sterk is gestegen dan verwacht vanwege hogere sterfte door corona. Hiernaast viel de gemiddelde AOW-uitkering lager uit dan verwacht doordat het percentage alleenstaanden (die recht hebben op een hogere AOW-uitkering dan gehuwden) lager uit is gekomen.

De uitgaven aan de Anw en Anw-tegemoetkoming zijn in 2021 circa € 1 miljoen lager uitgekomen dan geraamd, als rekening wordt gehouden met de geraamde indexatie. De loon- en prijsbijstelling 2021 bedroeg € 2,9 miljoen, en kwam daarmee € 0,1 miljoen hoger uit dan de € 2,8 miljoen die in de begroting werd geraamd. Dit komt wederom door een grotere stijging van het Wml per 1 juli 2021 dan verwacht. Het aantal Anw-gerechtigden is lager uitgekomen dan verwacht, evenals het percentage van de maximale uitkering dat gemiddeld wordt toegekend. Daardoor zijn de uitkeringslasten lager uitgekomen dan begroot.

Vraag 101

Welke mogelijkheden heeft het UWV om gegevens te delen met Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) (en vice versa), bijvoorbeeld als er signalen van misbruik en oneigenlijk gebruik zijn?

Antwoord 101

Er bestaan op dit moment voor UWV en de RVO geen juridische grondslagen om gegevens uit te wisselen in het kader van de NOW en de TVL. Uitzondering hierop is uitwisseling van gegevens in het kader van bespreking van cases op de zogenoemde schuldencasuïstiektafel; hiervoor is toestemming van de werkgever afdoende.

Een algemene maatregel van bestuur om uitwisseling van bepaalde gegevens mogelijk te maken ten behoeve van het vaststellingsproces is bijna gereed. Dit betreft informatie van RVO die door UVB (Uitvoering van Beleid, onderdeel van SZW) kan worden gebruikt bij controles op de omzetdalingspercentages aangezien de TVL voor de NOW-1 en NOW-2 als omzet meetelt.

Dergelijke reguliere controles en mogelijke bijbehorende correcties van het subsidiebedrag betekenen overigens niet dat in zulke gevallen sprake is van misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O); vaker zal sprake zijn van een (administratieve) fout van een werkgever. Als wel signalen van mogelijk M&O worden geconstateerd, kunnen deze, waar nodig, aan de FIOD of de NLA worden verstrekt ten behoeve van mogelijk strafrechtelijk onderzoek. FIOD of de NLA kunnen vervolgens aanvullende informatie opvragen, onder andere bij UWV of RVO.

Vraag 102

Hoeveel arbeidsmigranten (uitgesplitst naar land van herkomst) van binnen en buiten de Europese Unie zijn er in de periode 2016 t/m 2021 Nederland toegelaten?

Antwoord 102

De aantallen arbeidsmigranten zijn bij het CBS bekend tot 2020 voor derdelanders en tot 2019 voor migranten uit de EU. CBS gaat hierbij uit van inschrijving in het bevolkingsregister.

Van 2016 tot 2020 zijn er 77.625 arbeidsmigranten uit derdelanden aangekomen. Van 2016 tot 2019 zijn er 152.255 arbeidsmigranten uit de EU aangekomen. Voor deze laatste groep is van toelating overigens geen sprake. Wegens het vrije verkeer van personen in de EU kunnen zij zich vestigen zonder vergunning.

Jaar

Derdelander instroom arbeid

EU instroom arbeid

2016

12.535

31.645

2017

14.930

37.265

2018

17.745

40.185

2019

20.445

43.160

2020

11.970

 

Totaal

77.625

152.255

Met het dashboard immigratie van het CBS (Immigratie (cbs.nl)) is het mogelijk de instroom per instroomjaar uit te splitsen naar nationaliteit.

In bovengenoemde cijfers zijn werknemers die gedetacheerd zijn naar Nederland vanuit een andere EU-lidstaat opgenomen als ze zijn ingeschreven in het bevolkingsregister.

Sinds 1 maart 2020 moeten buitenlandse dienstverrichters hun komst, de aard en duur van de werkzaamheden die zij in Nederland verrichten, de dienstontvanger en de gedetacheerde werknemers melden in het online meldloket dat te bereiken is via www.postedworkers.nl. De cijfers van 2020 en 2021 zijn bekend. De cijfers van het meldloket bieden een globaal beeld van de aard en omvang van detachering naar Nederland. Het beeld is ietwat vertekend voor wat betreft de verhouding tussen werknemers van binnen en buiten de EU. Binnen deze aantallen zitten namelijk ook veel meldingen die terugslaan op de sector internationaal wegtransport. Het betreft dan relatief veel vrachtwagenchauffeurs van buiten de EU, EER of Zwitserland die voor korte (soms slechts enkele uren) of langere tijd in Nederland rijden.

Het totale aantal gemelde werknemers van februari 2020 tot en met december 2020 betreft 315.230. Daarvan hadden 94.417 werknemers een nationaliteit van buiten de EU, EER of Zwitserland en 220.813 een EU-nationaliteit. Het totale aantal gemelde werknemers in 2021 betreft 365.510. Daarvan hadden 127.830 werknemers een nationaliteit van buiten de EU, EER of Zwitserland en 237.680 een EU-nationaliteit. Een melding wordt vooraf gedaan. Het staat dan nog niet vast dat de betreffende persoon daadwerkelijk in Nederland gaat werken. Zelfstandigen zijn niet meegenomen in deze cijfers.

Omdat de meldingsplicht en het meldsysteem nog nieuw zijn, moeten de cijfers die beschikbaar zijn met de nodige voorzichtigheid worden bezien. Vermoedelijk is nog sprake van ondermelding. Ook is van belang om op te merken dat het om gegevens gaat die de dienstverrichters en dienstontvangers zelf hebben verstrekt. Door middel van intensieve voorlichting voor dienstverleners en dienstontvangers, een laagdrempelig meldsysteem en de mogelijkheid om een bestuurlijke boete op te leggen bij overtreders, wordt bevorderd dat ondernemingen de meldplicht nakomen. Ook is de coronapandemie waarschijnlijk van invloed geweest op het aantal meldingen. De komende tijd wordt verder gewerkt aan de verbetering van de kwaliteit van de gegevens.

Vraag 103

Hoeveel arbeidsmigranten die Nederland zijn toegelaten maken gebruik van de sociale zekerheid (uitgesplitst naar uitkering/regeling en land van herkomst)- (graag de cijfers over de periode 2011 t/m 2021)?

Antwoord 103

UWV, de SVB en gemeenten voeren geen aparte registraties van arbeidsmigranten. Er zijn daarom geen gegevens beschikbaar op landelijk niveau over het gebruik van uitkeringen door arbeidsmigranten. Algemene informatie kan alleen worden gegeven door data van de uitvoeringsinstanties en het CBS met elkaar te koppelen. Dit gebeurt in de Migrantenmonitor van het CBS. Bij de Migrantenmonitor is ook een dashboard beschikbaar. De Migrantenmonitor geeft inzicht in het aantal migranten (NB. niet specifiek arbeidsmigranten) uit andere EU-lidstaten dat in Nederland woont of werkt en geeft ook cijfers over het beroep op sociale zekerheid.7

Het dashboard immigratie van het CBS (Immigratie (cbs.nl)) biedt informatie over de sociaal economische status, waarbij de categorie «uitkerings- en pensioenontvanger» kan worden onderscheiden. Hierbij kunnen arbeidsmigranten apart worden onderscheiden naar immigratiejaar. Het betreft hier wel enkel het uitkeringsgebruik van migranten die nog in Nederland staan ingeschreven in het bevolkingsregister. Van de instroom van Europese arbeidsmigranten uit 2016 heeft een jaar later 2% een uitkering. Twee en drie jaar later is dat nog steeds zo. Onder arbeidsmigranten uit derde landen is het uitkeringsgebruik voor dezelfde groep volgens het CBS nihil.

Vraag 104

Wat is de precieze samenstelling van het onbenut arbeidspotentieel?

Antwoord 104

Het «onbenut arbeidspotentieel» bestaat volgens internationaal gehanteerde statistische conventies uit:

  • Werklozen: de groep van mensen zonder betaald werk, die recent hebben gezocht naar werk en beschikbaar zijn voor werk. In het eerste kwartaal van 2022 gaat het om een groep van 338.000 personen.

  • Semiwerklozen: de groep van mensen zonder betaald werk, die óf niet recent hebben gezocht naar werk (182.000 mensen in het eerste kwartaal van 2022) óf niet direct beschikbaar zijn voor werk (119.000 mensen).

  • Onderbenutte deeltijders: de groep van mensen met betaald werk in deeltijd, die aangeven meer uren te willen werken en die daar direct beschikbaar voor zijn. In het eerste kwartaal van 2022 gaat het om 491.000 personen.

Het onbenut arbeidspotentieel bestaat daarmee in het eerste kwartaal van 2022 uit 1.130.000 personen. Het onbenut arbeidspotentieel is de afgelopen jaren sterk afgenomen (van 1,8 miljoen in 2015 tot 1,1 miljoen nu). Er is voortdurend sprake van in- en uitstroom, doordat mensen van positie veranderen op de arbeidsmarkt. Die dynamiek betekent dat het officiële onbenut arbeidspotentieel niet in zijn geheel als extra potentieel kan worden opgevat. Omdat er in- en uitstroom zal blijven bestaan, zal het onbenut arbeidspotentieel nooit nul worden.

Het CBS verzamelt deze gegevens voor Nederland, door middel van de enquête beroepsbevolking. Hierin beantwoordt een representatieve steekproef van Nederlanders vragen over hun arbeidsmarktsituatie.

Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 30-05-2022.

Vraag 105

Wat is het aandeel onbenut arbeidspotentieel naar migratie achtergrond Nederlands, Westers allochtoon, Niet-westers allochtoon?

Antwoord 105

Het is niet voor alle groepen (zie antwoord op vraag 104) die tot het onbenut arbeidspotentieel behoren duidelijk welke achtergrond zij hebben.

Voor de werkloze beroepsbevolking is dit wel duidelijk. In de werkloze beroepsbevolking heeft 59,6% een Nederlandse achtergrond. Ongeveer 12,9% heeft een Westerse migratieachtergrond en ongeveer 27,2% een Niet-westerse achtergrond.

Van alle deeltijdwerkers heeft 76,8% een Nederlandse achtergrond. Ongeveer 10% heeft een Westerse migratieachtergrond en ongeveer 13,2% een Niet-westerse achtergrond. Het is onduidelijk tot in hoeverre deze groepen ook meer uren willen werken.

Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 30-05-2022.

Vraag 106

Hoeveel deeltijdwerkers (absolute aantallen + percentage) geven aan wel meer uren te willen werken maar door inkomensredenen zoals het verlies van toeslagen dit niet te doen?

Antwoord 106

In Nederland werken er in het eerste kwartaal van 2022 4.500.000 personen in deeltijd. Onder hen zijn 491.000 mensen (10,9%) die aangeven meer te willen werken en daar direct beschikbaar voor te zijn.

Het is niet duidelijk in hoeverre dit komt door inkomensredenen zoals het verlies van toeslagen. Het is overigens de vraag of deze statistiek hier een inschatting van kan geven. Personen die door potentieel verlies van inkomen niet kiezen te werken, geven op de enquête van het CBS wellicht ook niet aan dat ze meer willen werken. In dit geval komen zij niet terug in de statistiek van deeltijdwerkers die meer willen werken.

Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 30-05-2022.

Vraag 107

Hoeveel uitkeringsgerechtigden (absolute aantallen + percentage) geven aan wel te willen gaan werken of meer uren te willen gaan werken maar door inkomensredenen zoals het verlies van toeslagen en armoedeval vanuit een uitkering dit niet te doen?

Antwoord 107

Gegevens die de uitkeringssituatie koppelen aan de wens om (meer) te gaan werken zijn schaars. Het laatst beschikbare jaar waarover cijfers beschikbaar zijn is 2020.

In 2020 waren er 1.441.000 personen met een WW-uitkering, bijstandsuitkering en AO-uitkering. In deze groep waren er ongeveer 142.000 personen (9,9%) volgens de definitie werkloos (geen baan, op zoek naar werk en beschikbaar voor werk). Circa 218.000 personen (15,1%) gaf aan te willen werken (maar niet gezocht te hebben, niet beschikbaar te zijn of beiden). Ongeveer 42.000 personen (2,9%) hadden een deeltijdbaan en wilden meer werken.

Het is niet duidelijk in hoeverre dit komt door inkomensredenen zoals het verlies van toeslagen. Het is overigens de vraag of deze statistiek hier een inschatting van kan geven. Personen die door potentieel verlies van inkomen niet kiezen te werken, geven op de enquête van het CBS wellicht ook niet aan dat ze meer willen werken. In dit geval komen zij niet terug in de statistiek van deeltijdwerkers die meer willen werken.

Uit de cijfers van 2020 blijkt dat 768.000 personen met een uitkering niet kunnen of willen werken. Dat staat gelijk aan 53,3% van de totale groep van personen met een uitkering van 1.441.000 personen. De meest opgegeven reden om niet te kunnen of willen werken onder de 768.000 personen is ziekte of arbeidsongeschiktheid (605.000, 78,8%). In 52.000 gevallen door pensioen of hoge leeftijd (6,8%). De overige categorieën zijn zorg voor gezin of huishouden (32.000, 4,2%), opleiding of studie (23.000, 3%). Bij 54.000 gevallen is er sprake van een andere reden (7%). Hier kan verlies van inkomen onder vallen.

Bron: CBS, Participatie potentieel 2022, geraadpleegd 30-05-2022.

Vraag 108

Hoeveel deeltijdwerkers (absolute aantallen + percentage) zouden meer uren willen gaan werken?

Antwoord 108

In Nederland werken er in het eerste kwartaal van 2022 4.500.000 personen in deeltijd. Onder hen zijn 491.000 mensen (10,9%) die aangeven meer te willen werken en daar direct beschikbaar voor te zijn.

Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 30-05-2022.

Vraag 109

Hoeveel Nederlanders werken deeltijd?

Antwoord 109

In Nederland werken er in het eerste kwartaal van 2022 4.500.000 personen in deeltijd.

Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 30-05-2022.

Vraag 110

Waaruit bestaat de groep en wat is de criteria voor deze categorie binnen het onbenut arbeidspotentieel: «gezocht, niet beschikbaar»?

Antwoord 110

De groep «gezocht, niet beschikbaar» is onderdeel van de groep semiwerklozen in het onbenut arbeidspotentieel (zie antwoord op vraag 104). De criteria om voor deze groep in aanmerking te komen zijn: het niet hebben van betaald werk, het recent zoeken naar werk, maar niet direct beschikbaar zijn. In het eerste kwartaal van 2022 gaat het om totaal 119.000 personen.

Personen die tot deze groep behoren zijn doorgaans jonger (15 tot 25 jaar) dan de totale beroepsbevolking. In de groep «gezocht, niet beschikbaar» behoort 28,9% tot deze groep, terwijl het aandeel van de groep van 15 tot 25 jaar op de totale bevolking 16,2% beslaat. Dit wijst er waarschijnlijk op dat deze groep niet direct beschikbaar is voor een baan vanwege een opleiding.

Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 30-05-2022.

Vraag 111

Zijn er ontwikkelingen op het gebied van handhaving op schijnzelfstandigheid?

Antwoord 111

De inzet van publiekrechtelijke handhaving op schijnzelfstandigheid vindt plaats bij de beoordeling van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen. Dit maakt onderdeel uit van het pakket arbeidsmarktmaatregelen uit het coalitieakkoord. Voor het zomerreces ontvangt u een hoofdlijnenbrief over het arbeidsmarktpakket.

Binnen het kabinet is de Staatssecretaris van Fiscaliteit en Belastingdienst primair verantwoordelijk voor de handhaving op de beoordeling van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen. U ontvangt voor het ZZP debat van 30 juni a.s. een brief waarin onder andere gereageerd wordt op het rapport van de Algemene Rekenkamer over de handhaving op schijnzelfstandigheid. Toezicht en handhaving wordt ondertussen doorgezet binnen de eerder vastgestelde kaders.

Vraag 112

Hoe wordt omgegaan met Maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden (MDIEU) en Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU) bij deeltijdwerk?

Antwoord 112

Zowel de MDIEU als de RVU-drempelvrijstelling zijn tijdelijke maatregelen (2021–2025) die voortvloeien uit het Pensioenakkoord (Kamerstuk 32 043, nr. 520) en die als doel hebben dat werkenden zoveel mogelijk gezond werkend hun pensioen halen, ook degenen die zwaar werk verrichten. De hoogte van de RVU-drempelvrijstelling is niet afhankelijk van iemands deeltijdfactor. Deze is in alle gevallen gelijk. Immers, de hoogte van de drempelvrijstelling is geënt op de AOW, en de AOW is ook niet afhankelijk van de werktijdfactor.

De Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden (MDIEU) biedt in dezelfde periode subsidie aan sectoren voor projecten op het gebied van duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden. Bij dat laatste onderdeel ondersteunt MDIEU-subsidie werkgevers bij het aanbieden van regelingen voor vervroegd uittreden aan oudere werknemers voor wie het doorwerken tot het pensioen te zwaar is geworden. In de MDIEU-regeling wordt geen deeltijdfactor voorgeschreven.

Het staat sociale partners in sectoren vrij om al dan niet een deeltijdfactor te hanteren in de RVU-regelingen die zij afspreken. Het herhaal-onderzoek naar cao-afspraken over RVU (Kamerstuk 25 883, nr. 433) laat zien dat voor meer dan de helft van de werknemers met een collectieve RVU-regeling is afgesproken dat werknemers die in deeltijd werken de hoogte van de RVU-uitkering naar rato van de deeltijdfactor is.

Vraag 113

Voor welke sectoren is RVU/MDIEU beschikbaar en hoe wordt dit uitgerold?

Antwoord 113

In het pensioenakkoord zijn afspraken gemaakt over tijdelijke maatregelen (2021–2025) die als doel hebben dat werkenden zoveel mogelijk gezond werkend hun pensioen halen, ook degenen die zwaar werk verrichten. Met de RVU-drempelvrijstelling (bedrag 2022: € 22.488 bruto per jaar) kunnen werkgevers in de periode 2021–2025 aan hun werknemers een RVU-regeling aanbieden zonder dat hierover een RVU-heffing van 52% hoeft te worden betaald, als het een RVU-regeling betreft die voorziet in eerder stoppen met werken tot maximaal drie jaar voor de AOW-leeftijd. Het is mogelijk om in een cao afspraken te maken over RVU’s, maar dit is niet vereist; werkgevers en werknemers kunnen ook op individuele basis een RVU afspreken.

De MDIEU stelt in de periode 2021–2025 subsidie beschikbaar aan sectoren voor projecten op het gebied van duurzame inzetbaarheid en een eerder uittreden. MDIEU is voor alle sectoren toegankelijk. De MDIEU kent verschillende aanvraagtijdvakken voor sectoranalyses en activiteitenplannen. Subsidie binnen de MDIEU kan worden aangevraagd door een samenwerkingsverband. Een samenwerkingsverband is een samenwerking tussen ten minste één werknemersorganisatie en ten minste één werkgeversorganisatie.

Vraag 114

Wat is de verklaring voor de grote onderbesteding bij de Leven Lang Ontwikkelen (LLO) regeling midden- en kleinbedrijf (MKB)?

Antwoord 114

Het antwoord op deze vraag is tweeledig. Ten eerste is er in 2021 minder uitbetaald dan was begroot, maar de projecten zijn wel toegekend. De uitbetalingen vinden later plaats dan was verwacht en begroot. Dat komt omdat veel projecten door perikelen als gevolg van corona vertraging hebben opgelopen. Daarnaast was er in de begroting geen rekening gehouden met reactietermijnen voor de uitvoerder en aanvrager. Dit is dan ook geen onderbenutting, maar een vertraging van uitbetaling. Het verschil tussen de realisatie en begroting is voor het grootste deel hierdoor te verklaren.

Ten tweede is er in het tijdvak voor samenwerkingsverbanden wel sprake van onderbenutting in 2021. Dat komt doordat aanvragen niet voldoen aan de vereisten van de regeling, of omdat aanvragen worden ingetrokken. Er worden namelijk wel voldoende aanvragen ingediend om het subsidieplafond te bereiken. Er zijn inmiddels verschillende maatregelen genomen om de benutting in dit tijdvak te verbeteren (zie Stcrt. 2022, nr. 13075).

Vraag 115

Op welk deel van NL Leert Door is er onderbesteding? Wat is hiervoor de verklaring?

Antwoord 115

Het verschil van – € 69,3 miljoen tussen de vastgestelde begroting en de realisatie van 2021 heeft vooral te maken met een verandering van het kasritme van de verschillende regelingen in het NL leert door programma. Zo zouden de eerste twee tijdvakken van NL leert door met inzet van scholing rond juni 2021 worden afgerond maar veel subsidieaanvragers gaven aan meer tijd nodig te hebben om hun activiteiten uit te voeren. Hierop is besloten de eerste twee tijdvakken tot eind december 2021 door te laten lopen waardoor de middelen die gereserveerd stonden voor de eindbetalingen doorschoven naar 2022. Daarnaast stond de voorfinanciering en de start voor het derde tijdvak van NL leert door met inzet van scholing oorspronkelijk ook in 2021 gepland, maar doordat er problemen waren in de voorselectie en de loting van de subsidie is besloten dit ook op te schuiven naar 2022. Daarnaast stonden alle middelen van NL leert door met inzet van sectoraal maatwerk geboekt op 2021, terwijl de regeling nog doorloopt tot 2022. De middelen voor de eindbetalingen van deze regeling zijn daarom ook doorgeschoven naar 2022.

Vraag 116

Kan de spreiding van banen voor de LIV worden weergegeven, en specifiek hoeveel banen net onder en net boven de LIV-grens.

Antwoord 116

Het LIV is in 2020 verdeeld over 442.752 werknemers. Over de exacte spreiding van banen is geen informatie beschikbaar.

Vraag 117

Hoe wordt het lagere gebruik van de loonkostenvoordelen (LKV's) verklaard?

Antwoord 117

Het klopt dat de gerealiseerde uitgaven van de LKV’s sinds de invoering lager zijn dan de oorspronkelijke raming. Een verklaring kan zijn onbekendheid van werkgevers met de regeling gepaard met de complexiteit ervan. Zo moet de werknemer, of met machtiging de werkgever, voor de start van het LKV een doelgroepverklaring aanvragen. Zonder doelgroepverklaring bestaat er geen recht op LKV. Het effect hiervan op het gebruik kan mogelijk bij de invoering van de LKV zijn onderschat.

Voor de doelgroep banenafspraak is eerder aangekondigd om de verplichte doelgroepverklaring te laten vervallen8. Werkgevers kunnen dan op basis van het doelgroepregister banenafspraak bepalen of ze voor een werknemer in aanmerking komen voor het LKV banenafspraak. Daarmee worden de administratieve lasten voor werkgevers rondom het LKV banenafspraak verkleind. De verwachting is dat deze regeling per 1 januari 2025 kan worden ingevoerd. Voor de overige loonkostenvoordelen blijft een doelgroepverklaring onontbeerlijk om vooraf te kunnen controleren of een werkgever recht heeft op een loonkostenvoordeel.

Vraag 118

Wat wordt er meerjarig verwacht rond de transitievergoeding na twee jaar ziekte, gezien dit bedrag hoger is uitgevallen?

Antwoord 118

In het jaarverslag worden de gerealiseerde uitgaven aan de compensatieregeling transitievergoeding langdurige arbeidsongeschiktheid in 2021 vergeleken met de raming ten tijde van het opstellen van de ontwerpbegroting 2021 (Prinsjesdag 2020). Dit resulteert in een tegenvaller op zowel de uitgaven voor aanvragen met terugwerkende kracht, als de uitgaven voor nieuwe aanvragen. Het aantal aanvragen en de gemiddelde compensatie zijn in 2021 hoger uitgekomen dan begroot (zie toelichting in het jaarverslag, pagina 44).

Sinds de ontwerpbegroting 2021 is de raming ook meerjarig (per saldo) opwaarts bijgesteld, onder meer op basis van de uitvoeringsinformatie over het aantal aanvragen en de gemiddelde compensatie. Naar verwachting blijven de uitgaven (in prijspeil 2021) de komende jaren redelijk stabiel op ruim € 350 miljoen per jaar, waarbij de uitgaven in 2022 iets hoger liggen en vervolgens richting 2027 per saldo licht afnemen. De hogere uitgaven in 2022 zijn onder meer gevolg van de laatste uitbetalingen van compensatieaanvragen met terugwerkende kracht. Ook is het volume in 2022 naar verwachting iets hoger door uitstroom na langdurige ziekte in verband met de coronapandemie.

Vraag 119

Is de daling in het aantal boeterapporten volledig toe te schrijven aan corona of is er ook een andere verklaring voor de daling?

Antwoord 119

Het jaarverslag toont dat het aantal boetebeschikkingen in 2021 is gestegen ten opzichte van 2020. Tegelijk geldt dat het aantal beschikkingen/ boeterapporten in eerdere jaren ook hoger is geweest. De daling is uitvloeisel van de gemaakte keuzes qua interventiemix, waardoor inspecties gericht op handhaving niet altijd vooropstonden. Daarnaast heeft corona uiteraard impact gehad doordat bepaalde sectoren geheel gesloten waren zoals Horeca – detailhandel. De corona-maatregelen bemoeilijkten inspecties op de werkplek. Pas met de corona-noodwetgeving heeft de NLA beperkte bevoegdheden gekregen om te handhaven op coronagerelateerde aspecten. Tenslotte heeft de NLA ook zelf met ziekteverzuim als gevolg van corona te maken gehad.

Vraag 120

Wat is de voortgang van evenwichtig alcohol-, drugs- en medicijntests (ADM) testen op de werkvloer?

Antwoord 120

Zoals de Minister van SZW de Kamer op 10 mei per Kamerbrief liet weten wordt momenteel door het Ministerie van SZW een wijziging van de Arbowet voorbereid. Daarmee wordt het mogelijk om onder stringente voorwaarden en voor specifieke functies en functiegroepen bij Brzo-bedrijven op alcohol en drugs te testen. Uitgangspunt van de voorgestane wettelijke regeling is dat de werkgever een goed AD-beleid (alcohol en drugs) binnen zijn/haar bedrijf geïmplementeerd heeft. Dit beleid vormt een noodzakelijke voorwaarde voor het mogen testen. De Minister van SZW zet het overleg met de branchevereniging van de Chemische industrie (VNCI), VNO-NCW en de werknemersorganisaties hierover op korte termijn voort. In het wetsvoorstel zal ook worden ingaan op de rol van de ondernemingsraad bij het al dan niet initiëren van de mogelijkheid binnen een bedrijf om alcohol- en drugstesten toe te staan. De Minister van SZW streeft ernaar het wetsvoorstel in het najaar van 2022 aan te bieden voor internetconsultatie.

Vraag 121

Sinds 2018 worden er structureel extra middelen vrijgemaakt voor de handhaving van de Nederlandse Arbeidsinspectie, hoe verhouden deze middelen zich tot het allicht verkleinde werkgebied van de arbeidsinspectie (door thuiswerken na corona)?

Antwoord 121

In de sectoren waar de NLA inspecteert, komt de mogelijkheid tot thuiswerken relatief weinig voor. Het zijn juist de sectoren waar tijdens de lockdowns gewoon is doorgewerkt (de bouw, de industrie, agrarische sector, transport en logistiek, zorg, etc.) waar het zwaartepunt van de NLA ligt. Dit met uitzondering van de horeca en detailhandel die verschillende periodes gesloten waren. In die zin is het werkgebied van de NLA tijdens de coronaperiode nauwelijks verkleind.

Vraag 122

Waarom is het handhavingspercentage eerste inspectie gezond en veilig werken (excl. Besluit risico's zware ongevallen (Brzo)) lager uitgevallen dan geraamd voor 2021?

Antwoord 122

De Inspectie hanteert handhavingspercentages als indicator voor de mate waarin zij er in slaagt om risicogericht te inspecteren. Dat wil zeggen dat zij bij handhavingsgerichte projecten zoveel mogelijk bij die bedrijven controleert die de arbeidswetten niet voldoende naleven. De handhavingspercentages bij eerste inspecties op de verschillende domeinen (gezond en veilig werk en eerlijk werk) zijn lager dan de gestelde norm van 50%. In het handhavingspercentage worden alleen formele handhavingsinstrumenten meegerekend. Verder zet de NLA meer in op gedragsinterventies en andere werkwijzen om maatschappelijk effect te bereiken die niet tot handhavende interventies worden gerekend.

Bij de in behandeling genomen coronameldingen was de inzet gericht op gedragsaanpassing zodat de werkgever maatregelen neemt om besmettingsrisico’s te voorkomen of verminderen. Er was daarmee in beperkte mate sprake van handhavend optreden in de zin van het opleggen van boetes. Deze aanpak leidde in circa 90 procent van de gevallen tot de gewenste aanpassingen. Op vergelijkbare wijze zijn ook de inzet op Arbozorg RI&E en de gedifferentieerde aanpak bij ongevalsonderzoek (start 1-10-2020) gericht op gedragsaanpassing. Deze aanpakken leidden tot een lager handhavingspercentage.

Vraag 123

Hoeveel allochtonen met een niet-westerse achtergrond maken gebruik van een bijstandsuitkering (graag de cijfers over de periode 2011 t/m 2021)?

Antwoord 123

Het Ministerie van SZW houdt de gevraagde informatie zelf niet bij. Wel is op CBS-statline informatie beschikbaar over aantallen mensen in de bijstand, uitgesplitst naar persoonskenmerken. In de tabel hieronder wordt een overzicht gegeven van het aantal en percentage personen met een bijstandsuitkering (tot de AOW-leeftijd), uitgesplitst naar migratieachtergrond.

Personen met een bijstandsuitkering (tot de AOW-leeftijd) naar migratieachtergrond, jaargemiddelden

Jaar

Totaal

Nederlandse

Westerse

Niet-westerse

 

Aantal

Aantal

%

Aantal

%

Aantal

%

2011

364.059

158.811

44

40.346

11

164.905

45

2012

371.142

160.832

43

40.590

11

169.720

46

2013

399.628

175.562

44

43.433

11

180.634

45

2014

426.808

187.058

44

46.312

11

193.428

45

2015

441.243

189.419

43

46.955

11

204.859

46

2016

458.428

189.725

41

46.686

10

222.015

48

2017

464.870

185.058

40

44.992

10

234.816

51

2018

445.879

174.618

39

42.203

9

228.983

51

2019

424.265

166.428

39

40.170

9

217.625

51

2020

424.185

166.293

39

40.429

10

217.451

51

2021

421.217

161.559

38

39.739

9

219.898

52

Bron: berekeningen op basis van CBS-data, Statline, geraadpleegd op 27-05-2022

Vraag 124

Hoeveel allochtonen met een westerse achtergrond maken gebruik van een bijstandsuitkering (graag de cijfers over de periode 2011 t/m 2021)?

Antwoord 124

Zie het antwoord op vraag 123.

Vraag 125

Hoeveel miljard euro per jaar aan bijstandsuitkeringen gaat naar niet-westerse allochtonen en hoeveel naar westerse allochtonen (graag de cijfers over de periode 2011–2021)?

Antwoord 125

Over deze cijfers beschikt het ministerie niet, omdat het bedrag dat iemand aan bijstand ontvangt per persoon kan verschillen. De individuele bijstandsuitkering is onder meer afhankelijk van iemands leeftijd, huishoudsamenstelling en bijverdiensten. Deze gegevens zijn per individu niet voorhanden.

Het ministerie beschikt over cijfers met betrekking tot het totaalbedrag dat aan gemeenten beschikbaar is gesteld voor bijstandsuitkeringen (zie hieronder). Het totaal aantal bijstandsontvangers naar migratieachtergrond is beschikbaar via het CBS (zie antwoord op vraag 123).

Totaalbedragen aan bijstandsuitkeringen aan personen tot de AOW-leeftijd

Jaar

Bedragen (x € 1 mld.)

2011

4,457

2012

4,467

2013

5,224

2014

5,487

2015

5,303

2016

5,563

2017

5,699

2018

5,536

2019

5,375

2020

5,475

2021

5,564

Vraag 126

Wat is het percentage niet-westerse allochtonen, westerse allochtonen en autochtonen dat gebruik maakt van een bijstandsuitkering (graag de cijfers over de periode 2011 t/m 2021)?

Antwoord 126

Zie het antwoord op vraag 123.

Vraag 127

Hoeveel allochtonen met een niet-westerse en westerse achtergrond maken gebruik van de sociale zekerheid (graag de cijfers over de periode 2011 t/m 2021)?

Antwoord 127

Het Ministerie van SZW houdt de gevraagde informatie zelf niet bij. Wel is op CBS-statline informatie beschikbaar over aantallen mensen in verschillende socialezekerheidsregelingen, uitgesplist naar persoonskenmerken. Het gaat hier om een groot aantal uitsplitsingen en cijfers en niet voor elke socialezekerheidsregeling zijn cijfers beschikbaar op CBS-statline. Alle cijfers die wel beschikbaar zijn kunnen worden geraadpleegd via de volgende link: StatLine – Personen met een uitkering; kenmerken uitkeringsontvangers (cbs.nl). Zie voor cijfers over de bijstand ook het antwoord op vraag 123.

In het kader van het programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt is vorig jaar een brede monitor ontwikkeld die de komende jaren de kansen en posities van personen met een migratieachtergrond in breder perspectief zal volgen. De eerste meting van de monitor, die deels gebaseerd is op de gegevens uit StatLine, heeft mijn ambtsvoorganger eind vorig jaar met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 29 544, nr. 1081). De tweede meting zal ik begin 2023 met uw Kamer delen.

Vraag 128

Wat is het percentage niet-westerse allochtonen, westerse allochtonen en autochtonen dat gebruik maakt van uitkeringen en sociale regelingen uitgesplitst per uitkering en sociale regeling? Wat is de ontwikkeling van deze cijfers tussen van 2011 t/m 2021?

Antwoord 128

Zie het antwoord op vraag 127.

Vraag 129

Hoeveel miljard euro per jaar aan sociale zekerheid gaat naar niet-westerse allochtonen, westerse allochtonen en autochtonen? Wat is de ontwikkeling van deze cijfers tussen van 2011 t/m 2021?

Antwoord 129

Het is voor de socialezekerheidsregelingen niet mogelijk om de uitgaven uit te splitsen naar achtergrondkenmerken, omdat het uitgekeerde bedrag per individu verschilt. Verschillende socialezekerheidsregelingen zijn namelijk inkomensafhankelijk. Bij de AOW is ook het aantal jaren dat iemand in Nederland verbleven heeft van invloed op het uitgekeerde bedrag.

Vraag 130

Hoeveel procent van de statushouders maakt gebruik van de bijstand of een andere sociale inkomensregeling en wat zijn de kosten daarvan per jaar (graag de cijfers over de periode 2011 t/m 2021)?

Antwoord 130

Het Ministerie van SZW houdt de gevraagde informatie niet bij. Zie ook antwoord 127. Het CBS publiceert geen cijfers over het gebruik van de sociale zekerheid, uitgesplitst naar verblijfstatus.

Vraag 131

Wat is het percentage niet-westerse allochtonen, westerse allochtonen en autochtonen dat een vrijstelling heeft van de sollicitatieplicht?

Antwoord 131

Over deze percentages beschikt het ministerie niet. Cijfers over het aantal personen dat door gemeenten (tijdelijk) vrijgesteld wordt van de arbeids- en/of re-integratieverplichting zijn niet uitgesplitst naar migratieachtergrond.

Vraag 132

Hoeveel bewuste fraude is er in de periode 2016 t/m 2021 geconstateerd binnen de sociale zekerheid?

Antwoord 132

De term «bewuste fraude» wordt niet gebruikt voor overtredingen in de sociale zekerheid. Wel wordt bijgehouden in welke mate de overtreding als verwijtbaar is beoordeeld. Zodoende worden boetes in de sociale zekerheid onderscheiden in verminderde verwijtbaarheid, normale verwijtbaarheid, grove schuld en opzet. Daarnaast is er een aparte categorie aangiften, waarbij aangifte wordt gedaan bij het OM. Dit betreft overtredingen met een benadelingsbedrag boven de € 50.000 of meerdere strafbare feiten. Hieraan wordt geen specifieke verwijtbaarheid gekoppeld door de uitvoeringsinstantie aangezien dit aan het oordeel van de strafrechter is.

Opgelegde boetes naar mate van verwijtbaarheid en aangiften bij het OM:

UWV

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verminderde verwijtbaarheid

5.640

6.128

835

764

618

368

Normale verwijtbaarheid

6.159

4.265

4.172

2.922

2.360

1.424

Grove schuld

0

6

0

1

0

1

Opzet

16

1

0

0

1

1

Aangiften OM

104

76

32

42

41

46

Bron: Jaarverslagen UWV 2016–2020

SVB

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verminderde verwijtbaarheid

240

164

1

49

48

42

Normale verwijtbaarheid

2.253

2.216

1.749

2.226

1.020

791

Grove schuld

13

13

2

11

9

22

Opzet

0

0

0

0

0

0

Aangiften OM

24

16

34

14

9

10

Bron: Jaarverslagen SVB 2016 -2020

Gemeenten

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verminderde verwijtbaarheid

1

2.600

2.4272

2.000

1.830

1.540

Normale verwijtbaarheid

1

8.900

9.4002

8.010

7.460

4.870

Grove schuld

1

800

4002

380

260

140

Opzet

1

400

3472

200

160

100

Aangiften OM

1

260

3402

190

310

150

Bron: Bijstandsdebiteuren en Fraudestatistiek (BDFS) 2017–2020.

X Noot
1

Voor gemeenten zijn deze cijfers pas vanaf 2017 beschikbaar.

X Noot
2

Bij de cijfers over 2018 ontbraken de cijfers over het 4e kwartaal. Om tot de cijfers voor het gehele jaar 2018 te komen zijn de cijfers voor het 4e kwartaal geëxtrapoleerd vanuit de eerste drie kwartalen.

Vraag 133

Hoeveel gemeenten geven aan niet te handhaven op de taaleis binnen de bijstand?

Antwoord 133

Het belang van taal voor participatie wordt door gemeenten breed onderschreven. De taaleis heeft de aandacht hiervoor verhoogd. Uit CBS onderzoek (Kamerstuk 34 352, nr. 143) en de evaluatie van de taaleis (Kamerstuk 34 352, nr. 186) blijkt dat de uitvoeringspraktijk divers is. Het merendeel van de gemeenten heeft het bestand gescreend en de helft voert ook taaltoetsen uit. Verplichtingen die worden opgelegd aan bijstandsgerechtigden worden vaak gecombineerd met een re-integratieaanbod. Eventuele sancties die hieruit voortkomen worden dan opgelegd vanuit de re-integratieverplichtingen. Maatregelen vanuit de taaleis worden niet vaak opgelegd. Gemeenten geven aan dat dit niet nodig is omdat bijstandsgerechtigden doorgaans meewerken aan de opgelegde verplichtingen.

Vraag 134

Hoeveel uitkeringen zijn er in de periode 2016 t/m 2021 100% stopgezet door het niet voldoen aan de taaleis?

Antwoord 134

Maatregelen waarbij inhoudingen op de uitkering plaatsvinden in het kader van de taaleis hoeven zelden opgelegd te worden. Bijstandsgerechtigden werken in de regel mee aan de opgelegde taalverplichtingen. Volgens de laatst beschikbare cijfers zijn in de periode juli 2017 t/m juni 2018 circa 150 verminderingen toegepast (Kamerstuk 34 352, nr. 143). Het is niet bekend of hier, door herhaaldelijk niet te voldoen aan opgelegde verplichtingen, verlagingen van 100% bij zijn.

Vraag 135

Hoeveel uitkeringen zijn er 100% stopgezet door aantoonbaar bewuste fraude met de sociale zekerheid?

Antwoord 135

Hoeveel uitkeringen naar aanleiding van een overtreding van de inlichtingenplicht worden stopgezet wordt niet specifiek geregistreerd. Wel valt het stopzetten van de uitkering vaak samen met de sanctionering van een overtreding van de inlichtingenplicht. De term bewuste fraude wordt niet gebruikt in de registratie van overtredingen in de sociale zekerheid. Wel wordt bijgehouden welke mate van verwijtbaarheid bij de overtreding van de inlichtingenplicht hoort. Zie hiervoor de tabel bij vraag 132.

Vraag 136

Wat is het bedrag dat er in het afgelopen jaar is ingevorderd aan bewuste fraude met sociale zekerheid en welk bedrag staat er nog open?

Antwoord 136

De term bewuste fraude wordt niet gebruikt in de registratie van boetes voor overtredingen in de sociale zekerheid. Daarnaast wordt het boetebedrag niet per categorie van verwijtbaarheid, zoals verminderde verwijtbaarheid of opzet, bijgehouden. Hierdoor zijn er geen cijfers beschikbaar over het ingevorderde noch openstaande bedrag aan bewuste – dan wel opzet of grove schuld – fraudevorderingen. Wel zijn er cijfers beschikbaar over het percentage dat is ingevorderd over de jaren 2016–2020.

Incassoratio benadelingsbedrag + boetevordering ultimo 2021 (%)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

UWV

77

70

56

51

37

22

SVB

62

61

47

37

31

24

Gemeenten

 

41

34

27

21

12

Bron: Begroting SZW 2022

Vraag 137

Hoeveel euro is er in de periode 2016 t/m 2021 kwijtgescholden aan bewuste fraude?

Antwoord 137

Vorderingen wegens overtreding van de inlichtingenplicht in de sociale zekerheid moeten gedurende minimaal 10 jaar worden teruggevorderd. Desalniettemin kan het voorkomen dat vorderingen komen te vervallen doordat deze niet op tijd gestuit zijn, de rechter een schuldregeling heeft opgelegd of doordat de debiteur is overleden. Hoeveel vorderingen ten gevolge van een overtreding van de inlichtingenplicht zijn kwijtgescholden, wordt niet apart geregistreerd. Hierdoor zijn er geen cijfers beschikbaar over het kwijtgescholden bedrag aan bewuste – dan wel opzet of grove schuld – fraudevorderingen.

Vraag 138

Hoeveel fraude is er in het afgelopen jaar geconstateerd op basis van het schenden van de inlichtingen en vermogenseis binnen de bijstand (graag de cijfers over de periode 2016 t/m 2021)?

Antwoord 138

Op basis van de CBS Fraudestatistieken ontstaat het volgende beeld over het aantal ingestelde vorderingen als gevolg van schending van de inlichtingenplicht:

 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Aantal ingestelde vorderingen

29.870

30.730

33.240

30.880

25.150

28.480

Vanaf 2021 bieden de CBS cijfers ook inzicht in de grondslag voor de inlichtingenschending. In onderstaande tabel is een nadere specificatie opgenomen:

 

Ingestelde vorderingen

Verzwegen witte inkomsten

12.580

Verzwegen zwarte inkomsten

3.000

Verzwegen vermogen/inkomsten uit vermogen

890

Onjuist woonadres

1.800

Onjuiste samenstelling huishouden

1.610

Overig

8.600

Totaal

28.480

Overigens geldt niet voor alle ingestelde vorderingen dat is vastgesteld dat er sprake is van opzet/grove schuld. Niet alle vorderingen zijn dus het gevolg van fraude.

Vraag 139

Hoeveel bijstands-/uitkeringsfraude is er in het afgelopen jaar geconstateerd op basis van verzwegen bezit in het buitenland (zoals tweede huizen) – (graag de cijfers over de periode 2016 t/m 2021)?

Antwoord 139

Sinds 2018 is in de Bijstands-, Debiteuren en Fraudestatistiek (BDFS) van het CBS in te zien welke overtreding ten grondslag ligt aan de overtreding van de inlichtingenplicht. Zo is het bijvoorbeeld inzichtelijk of het om het verzwijgen van zwarte inkomsten of een onjuiste opgave van de woonsituatie gaat. Dit geldt ook voor het verzwijgen van vermogen, maar dit gegeven is niet nader uitgesplitst naar verzwegen vermogen binnenland of verzwegen vermogen buitenland.

In 2018 heeft het CBS echter op verzoek van het ministerie een onderzoek bij gemeenten uitgevoerd naar onderzoeken naar verborgen vermogen in het buitenland. Op basis van de respons op de enquête onder gemeenten en het imputeren van non-respons is voor alle gemeenten in Nederland tezamen een schatting gemaakt van de aantallen. Zo kan met 95% zekerheid worden aangegeven dat gemeenten 240 tot 390 onderzoeken gestart zijn. Dit heeft geleid tot 20 tot 30 vorderingen waarbij maximaal 10 boetes opgelegd zijn.

Ook de SVB maakt in haar jaarverslag en handhavingsinformatie geen onderscheid naar de overtreding «verzwegen vermogen in het buitenland». Wel zijn uit eerdere onderzoeken de cijfers bekend over 2018 en 2019. In 2018 is de SVB 155 onderzoeken gestart, waarbij 39 overtredingen van de inlichtingenplicht zijn vastgesteld. In 2019 zijn 144 onderzoeken gestart, waarbij 22 overtredingen van de inlichtingenplicht aangaande verzwegen vermogen in het buitenland vastgesteld.

Vraag 140

Hoeveel uitkeringen (uitgesplitst per uitkering per land) worden er per jaar geëxporteerd en wat zijn de kosten hiervan (graag de cijfers over de periode 2011 t/m 2021)?

Antwoord 140

Bij de beantwoording van deze vraag wordt een splitsing gemaakt tussen de uitkeringen die UWV exporteert (WW, WIA, ZW, WAZO, Wajong en TW) en de uitkeringen die de SVB exporteert (AOW, Anw en AKW).

In 2020 heeft UWV in totaal aan 37.301 personen een uitkering geëxporteerd voor een bedrag van € 439 miljoen. De WW kan alleen worden geëxporteerd als de uitkeringsgerechtigde werk gaat zoeken in de EU, EER of Zwitserland voor een periode van maximaal drie maanden. In 2020 zijn er in totaal 3.052 WW-uitkeringen geëxporteerd met een uitgekeerd bedrag van € 9.383.635.

In 2021 heeft de SVB in totaal 372.688 uitkeringen geëxporteerd voor een bedrag van € 1.607 miljoen.

In de bijlagen is per uitkering opgenomen naar welke landen de uitkering wordt geëxporteerd, naar hoeveel personen en voor welk bedrag over de periode 2011 t/m 2020 (NB van UWV zijn geen exportcijfers over 2011 beschikbaar). De definitieve exportcijfers over 2021 zijn van UWV nog niet voorhanden. Als deze gereed zijn, zullen ze worden opgenomen in de stand van de uitvoering en naar uw Kamer worden verzonden.

Vraag 141

Hoeveel Werkloosheidswet (WW)-uitkeringen worden er per jaar geëxporteerd (uitgesplitst per land) en wat zijn de kosten hiervan (graag de cijfers over de periode 2016 t/m 2021)?

Antwoord 141

Zie het antwoord op vraag 140.

Vraag 142

Hoeveel fraude met export-WW is er tussen 2016 t/m 2021 geconstateerd? Hoeveel is daarvan ingevorderd en hoeveel moet nog worden ingevorderd?

Antwoord 142

UWV publiceert elk jaar cijfers over de overtreding van de inlichtingenplicht en de medewerkingsverplichting in de Kwantitatieve Bijlage (Bron: UWV, Kwantitatieve informatie 2020, publicatiedatum 21 april 2021). Daarin worden overtredingen per wet en naar aard van de overtreding weergegeven. Overtredingen met betrekking tot export maken daar onderdeel vanuit, maar worden niet afzonderlijk gepubliceerd. Er zijn geen aparte cijfers over ingevorderde bedragen en nog openstaande invorderingen met betrekking tot de export WW.

Vraag 143

Hoeveel miljard euro aan sociale zekerheid (uitgesplist naar uitkering en sociale regeling) is er volgens het huidige kabinet in totaal uitgegeven aan sociale zekerheid aan immigranten (westers en niet-westers) – (graag de cijfers over de periode 2011 t/m 2021)?

Antwoord 143

Zie het antwoord op vraag 129.

Vraag 144

Wat is het meest doelmatige instrument tegen kinderarmoede?

Antwoord 144

Diverse onderzoeken laten zien dat een integrale aanpak op kinderarmoede nodig is, kinderarmoede is immers meer dan het niet hebben van geld. Het onderzoek «Kansrijk armoedebeleid voor kinderen» van de Beleidsonderzoekers biedt een eerste inzicht in de brede kansenarmoede onder kinderen. Dit onderzoek is met de eerste rapportage over de ambities kinderarmoede aan uw Kamer verzonden (Kamerstuk 24 515, nr. 608). Hieruit blijkt dat inzet op diverse terreinen simultaan noodzakelijk is, waardoor er niet één instrument als meest doelmatig kan worden aangewezen. Tevens geeft het onderzoek «Kansrijk Armoedebeleid» van het CPB en SCP (2020) een aantal doorgerekende beleidsopties gericht op de reductie van armoede onder kinderen. Het versterken van de bestaanszekerheid van ouders is daar één onderdeel van, gericht op inkomensondersteuning aan ouders met een laag inkomen. Ook niet kwantificeerbare instrumenten gericht op het versterken van sociale en cognitieve vaardigheden van kinderen vormen een belangrijk onderdeel. Deze instrumenten dragen eraan bij om mee te doen in de samenleving, wat de kans vergroot tot een hoger opleidingsniveau, meer arbeidsdeelname en een (hoger) inkomen.

Vraag 145

Wat is het effect geweest van de 36 miljoen beschikbaar gesteld als onderdeel van het steun- en herstelpakket voor mensen uit de doelgroep banenafspraak?

Antwoord 145

De € 36 miljoen uit het steun- en herstelpakket voor mensen uit de doelgroep banenafspraak is beschikbaar gesteld om mensen uit de doelgroep, die als gevolg van de coronacrisis met werkloosheid worden bedreigd of hun baan zijn verloren, aan het werk te houden of zo snel mogelijk weer aan het werk te krijgen bij een reguliere werkgever en, als dat niet kan, bij de arbeidsmarkt betrokken te houden. Deze ondersteuning is vormgegeven via de regionale mobiliteitsteams die mensen, die als gevolg van de coronacrisis hun baan zijn verloren of met werkloosheid worden bedreigd, een aanbod doen voor aanvullende dienstverlening.

Van de tijdelijke impuls banenafspraak lijkt weinig gebruik te zijn gemaakt, omdat er, ondanks de coronacrisis, groei is geweest in het aantal banen voor de doelgroep banenafspraak. Ook blijkt uit cijfers van UWV dat het aandeel mensen met een arbeidsbeperking dat werk verliest tijdens de coronacrisis, is afgenomen. Tot slot, kan een reden zijn dat het reguliere instrumentarium voldoende is geweest om nieuw werk te vinden waardoor de extra mogelijkheden die de tijdelijke impuls biedt niet ingezet hoefden te worden. Zoals ook is benoemd in de voortgangsbrief over de regionale mobiliteitsteams, is de vraag naar dienstverlening door de regionale mobiliteitsteams lager dan aan het begin van de coronacrisis verwacht werd. Redenen hiervoor zijn de gefaseerde opstart, het effect van de steunpakketten en de huidige krapte op de arbeidsmarkt. De regionale mobiliteitsteams hebben veel inzet gepleegd op advisering en bemiddeling. Ondanks deze inzet is in 2021 door de regionale mobiliteitsteams zeer beperkt gebruik gemaakt van de beschikbare dienstverleningsbudgetten. Dat geldt ook voor de tijdelijke impuls banenafspraak.

Omdat de gezamenlijke aanpak via de regionale mobiliteitsteams nieuw is, wordt de uitvoering gemonitord en geëvalueerd. Een dashboard met kwantitatieve informatie over de instroom, uitstroom en ingezette dienstverlening is in ontwikkeling. Naar verwachting kan in de volgende monitoringsbrief in het derde kwartaal van 2022 hier meer inzicht in worden gegeven. Het is daarom nog te vroeg om uitspraken te doen over de effecten van de tijdelijke impuls banenafspraak.

Vraag 146

Kan de raming voor het werknemersbestand voor de Wet sociale werkvoorziening (WSW) meerjarig worden weergegeven?

Antwoord 146

De onderstaande tabel geeft de raming weer voor de periode 2022–2027. Voor deze periode kunnen de blijfkansen van de werknemers in de Wsw voldoende betrouwbaar worden geschat.

De raming wordt gemaakt in gewogen voltijdsequivalenten (SE), dit is een manier om het volume WSW te meten. Deze maatstaf wordt gebruikt omdat de omvang van een voltijdsdienstverband afhankelijk is van de zwaarte van iemands Wsw-indicatie. Deze aantallen staan dus niet gelijk aan het aantal voltijdsbanen of werknemers.

Geraamde werknemersbestand Wsw, jaargemiddelden 2022–2027
 

Realisatie

 

Raming

 

2021

 

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Aantal SE

62.000

 

58.900

55.738

52.576

49.104

45.694

42.346

Aantal personen

69.646

 

66.164

62.612

59.060

55.160

51.329

47.568

Vraag 147

De uitgaven aan Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) zijn samen € 22,6 miljoen lager dan begroot, kunt u verder ingaan op de achterliggende oorzaken voor deze lagere uitval?

Antwoord 147

Het budget voor de IOAW en IOAZ voor 2021 is € 22,6 miljoen lager dan eerder geraamd in de Begroting 2021. De neerwaartse bijstelling bestaat voor een groot deel uit de verwerking van volumerealisaties in 2020. Het verschil tussen de raming en de gerealiseerde uitgaven werkt door in de raming van de daaropvolgende jaren. Door lagere volumerealisaties in 2020 dan verwacht, is de raming voor 2021 neerwaarts bijgesteld (– € 17 miljoen voor de IOAW en – € 2 miljoen voor de IOAZ). De gemiddelde prijs per IOAW-uitkering is in 2020 iets hoger uitgevallen dan werd verwacht, voor de IOAZ was het verschil nihil, waardoor de ramingen voor 2021 iets naar boven zijn bijgesteld (€ 5 miljoen voor de IOAW). Gedurende het lopende begrotingsjaar is een loon- en prijsbijstelling doorgevoerd op de IOAW- en IOAZ-raming voor de stijging van de uitkeringen als gevolg van de stijging van het Wettelijk Minimumloon (€ 2 miljoen voor de IOAW en € 0,2 miljoen voor de IOAZ). Tot slot wordt de IOAW-raming jaarlijks bijgesteld als gevolg van veranderingen in de doorstroom vanuit de WW. De instroom in de IOAW wordt grotendeels bepaald door uitstroom van 55-plussers uit de WW na afloop van hun maximale WW-duur. Veranderingen in de gemiddelde doorstroom en verwachte uitstroom van 55-plussers uit de WW hebben in 2021 gezorgd voor een bijstelling van – € 10 miljoen op de IOAW-raming.

Vraag 148

Waar wordt de verwachting van het budget voor aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO)-gerechtigden op gebaseerd?

Antwoord 148

De verwachting van het budget voor de AIO is gebaseerd op een inschatting van het volume (aantal gerechtigden in een jaar) en de hoogte van de gemiddelde uitkering. Samen vormen zij de componenten van de raming van de AIO.

Componenten van de raming

In de raming van de AIO wordt de inschatting van het volume gebaseerd op een prognose van het aantal gerechtigden dat instroomt en uitstroomt in de AIO in een gegeven jaar. De mate van instroom is zowel afhankelijk van het aantal personen dat de AOW-leeftijd bereikt als het inkomen van een huishouden. De opbouw van het AOW-recht voor een huishouden is daarbij een belangrijke indicator, aangezien de AIO een inkomensaanvulling is bij onvolledige AOW-opbouw9 met een inkomen onder het sociaal minimum en beperkt vermogen. Voor de raming van de instroom in de regeling wordt daarom in het bijzonder gekeken naar de groep Nederlanders die in het buitenland heeft gewoond en daardoor een onvolledige of geen AOW-uitkering ontvangt.

Omdat de AIO een inkomensaanvulling is tot bijstandsniveau, verschilt de hoogte van de individuele uitkering per gerechtigde. In de raming wordt gewerkt met een gemiddeld uitkeringsbedrag.

Databronnen voor de raming

Op basis van de CBS-bevolkingsprognose, de raming van de AOW en realisatiegegevens over de instroom, volume en het gemiddelde normbedrag wordt een inschatting gemaakt van het aantal gerechtigden in een prognosejaar en de bijbehorende gemiddelde uitkering.

Vraag 149

Wat is de verklaring voor de grote onderbesteding bij de crisisdienstverlening?

Antwoord 149

Alle 35 RMT’s zijn sinds september 2021 operationeel om mensen die als gevolg van de coronacrisis hun werk (dreigen) te verliezen en aanvullende dienstverlening nodig hebben, naar ander werk te begeleiden. De effecten van de coronacrisis op de arbeidsmarkt zijn gelukkig meegevallen, waarschijnlijk deels door de steunmaatregelen voor bedrijven. Onzeker is wat het wegvallen van steunmaatregelen voor gevolgen heeft op de werkloosheid. Ten opzichte van 2021 zien we begin 2022 een toename van de besteding van de beschikbare middelen voor de RMT’s.

Vraag 150

Er is een groot deel van 19.5 miljoen besteed aan de financiering van personele inzet Regionale mobiliteitsteams (RMT’s), RMT’s verhogen mobiliteit op de arbeidsmarkt, hoe verhouden RMT’s zich tot de aanpak van de krapte op de arbeidsmarkt?

Antwoord 150

De aanvullende dienstverlening van de RMT’s draagt bij aan het oplossen van de krapte op de arbeidsmarkt door het bieden van ondersteuning naar werk, het bieden van loopbaanbegeleiding en omscholing naar kansrijke beroepen en het verkleinen van de mismatch tussen vraag en aanbod door matchingsactiviteiten. Met de komst van de RMT’s is er een infrastructuur in de 35 regionale arbeidsmarkten gelegd waarin partijen/loketten samen een netwerk vormen om de werkzoekende snel naar werk te begeleiden. Per 1 juni kunnen de RMT’s alle werkzoekenden aanvullende dienstverlening bieden en hoeven ze zich niet alleen te richten op werkzoekenden van na 12 maart 2020. Inmiddels is ook het actieplan «Dichterbij dan je denkt»10 operationeel, waarmee het kabinet inzet op het benutten van de krapte op de arbeidsmarkt om mensen uit het onbenut arbeidspotentieel aan (parttime) werk te helpen en op leerwerktrajecten te plaatsen. Werkzoekenden worden in de campagne «Dichterbij dan je denkt» verwezen naar de RMT’s en contacten tussen de regio’s en SZW verlopen via de RMT-infrastructuur.

Vraag 151

Hoeveel hedgefondsen zijn actief in de kinderopvang op dit moment?

Antwoord 151

Op dit moment zijn er zes private equity partijen in beeld die actief zijn in de kinderopvang. Zij vertegenwoordigen zo’n 3% van de organisaties die zijn ingeschreven in het landelijk register kinderopvang en ongeveer 13% van de kinderopvangplaatsen (bron Landelijk Register Kinderopvang, Open data, geraadpleegd op 30-05-2022). Dit percentage wordt getoetst in het onderzoek dat gedaan wordt naar de rol van de verschillende financieringsvormen in de kinderopvang.

Vraag 152

Hoe groot is het personeelstekort in de kinderopvang op dit moment?

Antwoord 152

In opdracht van het Ministerie van VWS heeft ABF Research het prognosemodel Zorg & Welzijn ontwikkeld. Op 20 januari 2022 heeft de Minister voor Langdurige zorg uw Kamer geïnformeerd over de nieuwste arbeidsmarktprognose die op 13 december 2021 door ABF Research is opgeleverd.11 De uitkomsten zijn ook terug te vinden via www.prognosemodelzw.nl.

Dit prognosemodel bevat ook uitkomsten over de kinderopvangsector. Het startpunt is een tekort van 700 werknemers in 2020. Het verwachte tekort in 2022 bedraagt 1.600 werknemers. Dit is het arbeidsmarkttekort inclusief «frictievacatures» (er gaat bijna altijd tijd overheen voordat een vacature vervuld is, maar dat betekent niet direct dat er daadwerkelijk een tekort is als er vacatures zijn). Het verwachte arbeidsmarkttekort exclusief «frictievacatures» in 2022 bedraagt 500.

In de bovengenoemde prognose was nog geen rekening gehouden met de stelselherziening in de kinderopvang, zoals aangekondigd in het coalitieakkoord. Daarom heb ik ABF Research opdracht gegeven om een nieuwe arbeidsmarktprognose uit te voeren om de verwachte ontwikkeling van het personeelstekort in de kinderopvang voor de komende jaren in kaart te brengen waarbij wel rekening wordt gehouden met de in het coalitieakkoord aangekondigde stelselherziening in de kinderopvang. Ik zal uw Kamer over de uitkomsten hiervan informeren.

Vraag 153

Hoeveel verdient een medewerker in de kinderopvang gemiddeld?

Antwoord 153

Het gemiddelde bruto jaarsalaris in 2021 voor een fulltime dienstverband (36 uur per week) in de kinderopvang betrof € 34.471 (inclusief vakantiegeld).12 Dat komt overeen met € 2.660 bruto per maand (exclusief vakantiegeld). Dit is het gemiddelde salaris over alle werknemers in de kinderopvang (van administratief medewerker tot pedagogisch medewerker, tot vestigingsmanager). Een uitsplitsing naar functie is niet beschikbaar.

Vraag 154

Welke actie(s) heeft u ondernomen om het personeelstekort in de kinderopvang tegen te gaan?

Antwoord 154

In de brief van 29 november 2021 heeft de voormalig Staatssecretaris van SZW uw Kamer geïnformeerd over de aanpak van werkdruk en personeelstekort in de kinderopvang.13 Onderstaande tabel geeft een overzicht van de aangekondigde stappen. De motie Paternotte/Heerma14 verzoekt de regering een aanpak tegen arbeidsmarkttekorten te formuleren, zowel generiek als specifiek voor een aantal sectoren, waaronder de kinderopvang. De Minister van SZW heeft toegezegd het plan van aanpak voor het personeelstekort voor de zomer naar uw Kamer te verzenden. In die brief zal de Minister van SZW uw Kamer informeren over de voortgang op de aangekondigde stappen.

 

Actie

Toelichting

Wet- en regelgeving kwaliteitseisen kinderopvang

Evaluatie wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK)

De evaluatie schetst een integraal beeld van alle effecten van de kwaliteitseisen van IKK. Ook wordt gekeken naar onbedoelde neveneffecten van deze kwaliteitseisen op de werkdruk en de arbeidsmarkt. Zodoende is het mogelijk om waar nodig duurzame aanpassingen in de kwaliteitseisen door te voeren.

Verruiming inzet beroepskrachten in opleiding

Verruiming van het maximaal aantal in te zetten beroepskrachten dat mag bestaan uit medewerkers in opleiding, van maximaal een derde naar maximaal de helft. Het betreft een tijdelijke verruiming voor het eerste half jaar van 2022.

Verkenning naar onder welke omstandigheden medewerkers in opleiding ook als vast gezicht kunnen worden ingezet.

Werkwijze toezichthouders

In het toezicht en de handhaving wordt rekening gehouden met verzachtende omstandigheden of overmacht vanwege personeelstekort.

Ondersteunend arbeidsmarktbeleid

Deeltijdfactor

In samenwerking met de sector een extra impuls geven aan (het verkennen van mogelijkheden tot) het verhogen van de deeltijdfactor.

Combinatiebanen

In samenwerking met de sector een extra impuls geven aan combinatiebanen, door het in kaart brengen van succesfactoren en knelpunten.

Onderzoek medewerkersreis

In samenwerking met de sector een extra impuls geven aan een onderzoek naar de medewerkersreis, door te kijken naar de kantelpunten in de loopbaan van een pedagogisch professional.

Ondersteuning arbeidsmarktcampagne

Nieuwe ondersteuning bieden aan een mogelijke doorstart van de arbeidsmarktcampagne van de sector.

Vraag 155

De eilanden binnen het Koninkrijk hebben een bijzondere uitkering ontvangen om het programma BES(t) 4 Kids te kunnen voortzetten. Hoe hoog was deze uitkering en waar is de dekking hiervoor gevonden?

Antwoord 155

In 2021 bedroeg de uitkering € 2.636.000. Deze uitgaven passen binnen de middelen die voor het programma BES(t)4 Kids gereserveerd zijn op artikel 7 van de SZW-begroting.

Vraag 156

Hoeveel geld is er vrijgemaakt voor de additionele tegemoetkomingsregeling voor ouders met kinderopvangtoeslag die tijdens de sluitingsperiodes tijdens corona een substantieel nadeel hebben ondervonden?

Antwoord 156

Voor de additionele tegemoetkomingsregeling, voor ouders met kinderopvangtoeslag die tijdens de eerste en/of tweede sluitingsperiode van de kinderopvang in verband met corona te weinig tegemoetkoming hebben ontvangen, is € 50 miljoen gereserveerd. Dit bedrag is voor de tegemoetkoming aan ouders en de uitvoeringskosten. Het bedrag is verwerkt in de 1e Incidentele suppletoire begroting SZW 2022 (Kamerstuk 35 993, nr. 2).

Vraag 157

Zijn er plannen om de tijdelijke verruiming van de inzetbaarheid van medewerkers in opleiding om te zetten naar een permanente regeling?

Antwoord 157

Sinds januari 2022 is er de mogelijkheid om beroepskrachten in opleiding (BBL’ers) ruimer te mogen inzetten (maximaal 50% in plaats van 33%). Deze maatregel loopt tot 1 juli aanstaande. Op dit moment bezien we de mogelijkheden voor verlenging. De Minister van SZW vindt het belangrijk om dat zorgvuldig te doen en verwacht hierover binnenkort een besluit te kunnen nemen.

Vraag 158

Welke factoren hebben eraan bijgedragen dat het gebruik van kinderopvang in 2021 hoger is uitgekomen dan verwacht en heeft geleid tot een overschrijding van 176 miljoen euro van het geraamde budget voor kinderopvangtoeslag?

Antwoord 158

Het hogere gebruik van kinderopvang wordt vooral veroorzaakt doordat het aantal uren dat kinderen gemiddeld naar de opvang gaan, in 2021 was gestegen ten opzichte van 2020. Bij het opstellen van de begroting was juist rekening gehouden met een lichte daling. Mogelijk heeft de conjunctuur, die zich in 2021 gunstiger heeft ontwikkeld dan was verwacht, een opwaarts effect gehad op het gemiddelde urengebruik. Daarnaast is het aantal kinderen dat in 2021 gebruik heeft gemaakt van kinderopvang 0,6% hoger uitgekomen dan was verwacht. Hoewel er in 2021 minder kinderen dan verwacht naar de bso gingen (-1,8%), gingen er met name meer kinderen naar de dagopvang (+3,4%). Ook hier heeft de beter dan verwachte conjunctuur waarschijnlijk een rol in gespeeld. Zoals ook in het Jaarverslag is toegelicht, hangt het lagere gebruik in de bso mede samen met de coronacrisis waardoor de bso langer gesloten bleef.

Vraag 159

Wat is de verandering in het aantal uur dat vaders met jonge kinderen gemiddeld zijn gaan werken?

Antwoord 159

Uit de Enquête Beroepsbevolking (EBB) blijkt dat vaders met jonge kinderen (jongste kind tussen de 0 en 11 jaar) in 2021 gemiddeld 39,1 uur per week werkten.15 In 2020 was dit gemiddeld 39,4 uur per week en in 2019 gemiddeld 39,6 uur. In 2021 is ten opzichte van 2020 het gemiddelde aantal gewerkte uren van vaders met jonge kinderen per week dus afgenomen met gemiddeld 0,3 uur en ten opzichte van 2019 met gemiddeld 0,5 uur.

Vraag 160

Wat is het verschil in de netto arbeidsparticipatie van ouders met vergelijkbare kindloze volwassenen?

Antwoord 160

Op basis van de beschikbare gegevens kan vanwege het herontwerp van de Enquête Beroepsbevolking geen vergelijking worden gemaakt tussen de netto arbeidsparticipatie mensen met en zonder kinderen. In de toekomst zal dit wel weer mogelijk zijn. Op dit moment kan wel een vergelijking worden gemaakt tussen de netto arbeidsparticipatie van ouders met jonge kinderen en de totale arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen. In 2021 was de netto arbeidsparticipatie van vrouwen van 15 tot 75 jaar 64,5% en die van mannen 72,8%. In 2021 was de netto arbeidsparticipatie van vrouwen met jonge kinderen (jongste kind tussen de 0 en 11 jaar) is 81,6% en die van mannen met jonge kinderen 94,6%16.

Vraag 161

Waarom wordt er niet gemeld hoeveel uren mannen werken?

Antwoord 161

In de Enquête Beroepsbevolking, waar de gegevens in het jaarverslag op zijn gebaseerd, zijn zowel de door vrouwen als door mannen gewerkte uren opgenomen. In het jaarverslag zijn onbedoeld enkel de gegevens met betrekking tot vrouwen opgenomen. In 2021 werkten mannen (uit de werkzame beroepsbevolking) gemiddeld 34,9 uur per week.17 Zie het antwoord op vraag 159 voor het gewerkte aantal uren van mannen met jonge kinderen.

Vraag 162

Hoeveel AOW-premie hebben de huidige ontvangers van de AOW gedurende hun werkende leven gemiddeld betaald en hoe verhoudt zich dat tot de AOW-premie die de huidige werkenden gedurende hun werkende leven naar verwachting moeten betalen voordat zij AOW gaan ontvangen?

Antwoord 162

De AOW wordt deels uit premies en deels uit de algemene middelen bekostigd. Omdat de AOW-premie gemaximaliseerd is, zal de AOW in de toekomst voor een steeds groter deel uit de algemene middelen worden bekostigd. De gedurende de levensloop betaalde AOW-premie en belasting is afhankelijk van het inkomen. Er is daarom ook een groep mensen die minder of geen premie heeft betaald, maar die wel recht heeft op AOW. Immers de hoogte van de AOW is niet afhankelijk van de betaalde premie, maar van het aantal jaren dat men in Nederland heeft gewoond of gewerkt.

Het CPB heeft in 2013 onderzoek gedaan naar het inkomen en netto-profijt van sociale zekerheid gedurende de levensloop18. Uit dit onderzoek komt naar voren dat mannen gedurende hun leven via belastingen en premies meer bijdragen aan de AOW dan vrouwen, en hoger opgeleiden meer dan lager opgeleiden, waardoor hoger opgeleiden en mannen per saldo nettobetalers zijn. Het onderzoek maakt geen onderscheid naar geboortecohorten en geeft dus geen antwoord op de vraag hoe de premie die huidige ontvangers van de AOW gemiddeld hebben betaald, zich verhoudt tot de premie die huidige werkenden gedurende hun hele leven naar verwachting moeten betalen.

Vraag 163

Betekent de andere insteek van het onderzoek dat de gepercipieerde kans dat fraude wordt gedetecteerd een stuk lager is geweest dan eerder werd gedacht?

Antwoord 163

Nee, deze conclusie kan niet getrokken worden. Het onderzoek is in 2021 opnieuw aanbesteed, waarbij gekozen is voor een gewijzigde opzet van het onderzoek: de vragenlijst is aangepast, de steekproef is gewijzigd en de weging heeft op een andere wijze plaatsgevonden. Hierdoor is een vergelijking van de resultaten van het onderzoek van 2021 met de resultaten van voorgaande jaren niet mogelijk.

Vraag 164

Kunt u de ontwikkeling van (gemiddelde) pensioenen tonen als pensioenfondsen aan hun verplichtingen waren gehouden en hadden moeten korten toen hun dekkingsgraad onder de kritische grens zakte?

Antwoord 164

In de periode 2020–2022 was er sprake van een zogenoemde vrijstellingsregeling, die inhield dat de termijn waarbinnen een pensioenfonds moest voldoen aan een minimaal vereist eigen vermogen werd opgerekt. Als erin deze periode geen vrijstellingsregeling was geweest zou er gemiddeld 6,1% zijn gekort (op basis van de dekkingsgraden eind 2019, eind 2020 en eind 2021). De uitkeringen zouden dus 94% van het huidige niveau zijn geweest. Merk op dat het hier gaat om een gemiddelde van alle pensioenfondsen. De verschillen tussen (de financiële positie van) pensioenfondsen zijn substantieel en er zijn dus pensioenfondsen die zonder vrijstellingsregeling meer, maar ook minder of niet hadden moeten korten volgens de regelgeving.

Vraag 165

Kan nader worden toegelicht waarom de inkomensondersteuning AOW hoger uitvalt dan begroot?

Antwoord 165

De uitgaven aan de inkomensondersteuning AOW komen € 8 miljoen hoger uit dan begroot. De reeks in de begroting voor 2021 is nog gemaakt in het prijspeil voor 2020. Onder de post nominaal van de begroting (tabel 66) is een reservering opgenomen om de verwachte uitgaven gedurende het uitvoeringsjaar bij te stellen. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 16 miljoen, in tabel 66 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie circa € 8 miljoen lager dan begroot. Dit wordt voornamelijk verklaard doordat het aantal AOW'ers lager uitviel dan verwacht vanwege hogere sterfte als gevolg van corona.

Vraag 166

Kan worden toegelicht wat de rechtmatigheidscontroles door het Inlichtingenbureau op de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (TOZO) inhielden en waarom deze niet door gemeenten zelf zijn uitgevoerd?

Antwoord 166

Het Inlichtingenbureau ondersteunt gemeenten bij het goed en efficiënt uitvoeren van rechtmatigheidscontroles bij de Tozo. Het faciliteert veilige, digitale gegevensuitwisseling tussen gemeenten en diverse (overheids-)instanties, waarmee mogelijke afwijkingen eenvoudig kunnen worden opgehaald. Hierdoor hoeven gemeenten niet handmatig alle aanvragen te controleren, maar kunnen zij op basis van signalen van het Inlichtingenbureau nader onderzoek uitvoeren. Het Inlichtingenbureau neemt de rechtmatigheidscontroles niet over van de gemeenten. De dienstverlening is onderdeel van de controlemix die gemeenten in hun M&O (misbruik en oneigenlijk gebruik) beleid hebben opgenomen.

Vraag 167

Kan worden toegelicht wat het doel is van de toevoeging aan bestemmingsfonds/ egalisatiereserve en waarom dat bedrag elk jaar zo fluctueert?

Antwoord 167

Zelfstandige bestuursorganen zijn op basis van de kaderwet zbo’s verplicht een egalisatiereserve aan te houden. Deze bedraagt voor UWV maximaal 5% procent van het over de voorgaande 3 jaar toegekende budget voor de uitvoeringskosten. Hiermee kunnen zbo’s zelf schommelingen in inkomsten en uitgaven over begrotingsjaren heen opvangen. Het exploitatiesaldo wordt aan het einde van een begrotingsjaar aan de egalisatiereserve toegevoegd of onttrokken. Dit saldo fluctueert jaarlijks waarmee dit ook geldt voor de toevoeging of onttrekking aan de egalisatiereserve. Daarnaast kent UWV een bestemmingsfonds frictiekosten dat met instemming van de Minister van SZW is gevormd. Dit fonds kent specifieke bestedingsvoorwaarden en kan na instemming van de Minister van SZW worden ingezet.

Vraag 168

Wat is er concreet gerealiseerd met de bestede gelden aan de gemeente Tilburg voor het realiseren van een tussenvoorziening voor asielstatushouders in 2021? In hoeverre worden deze gelden nog besteed in 2022? Om wat voor bestedingen gaat het? Hoe heeft u dit bedrag gedekt?

Antwoord 168

gemeente Tilburg heeft een tussenvoorziening gerealiseerd waar in 2021 nog niks was gerealiseerd, maar sinds begin 2022 statushouders in afwachting van definitieve huisvesting tijdelijk gehuisvest kunnen worden. Hiermee draagt Tilburg bij aan het verminderen van de druk op de opvangcapaciteit bij het COA. Tevens draagt Tilburg zorg voor het zinvol besteden van de tijd in de tussenvoorziening door statushouders gedurende deze periode een start te laten maken met de inburgering door middel van een overbruggingsprogramma met onder andere taalonderwijs en participatieactiviteiten.

In de tussenvoorziening worden naast statushouders die gekoppeld zijn aan gemeente Tilburg ook statushouders gehuisvest uit andere gemeenten. Om ook voor deze statushouders een zinvolle dagbesteding te realiseren heeft Tilburg zich ingespannen afspraken te maken met deze koppelgemeenten over de rolverdeling en bekostiging ten aanzien van het overbruggingsprogramma. Gezien de urgentie rondom het creëren van meer opvangcapaciteit en het afweren van crisisnoodopvang was het niet mogelijk om dit met alle gemeenten op voorhand te regelen in een bestuursovereenkomst.

Om wel de garantie te hebben dat zij iedere statushouder die (tijdelijk) bij hen verblijft een overbruggingsprogramma kunnen aanbieden, heeft gemeente Tilburg het Ministerie van SZW verzocht om een garantstelling voor een maximaal bedrag van € 0,8 miljoen. Vanwege het belang dat SZW hecht aan een snelle start met de inburgering is aan de gemeente Tilburg een bijdrage van maximaal € 0,8 miljoen toegezegd. Hiertoe is binnen het budget opdrachten op beleidsartikel 13 een reservering gedaan voor 2022. Indien het gemeente Tilburg niet lukt om sluitende financiële afspraken te maken met de koppelgemeenten over de bekostiging van het overbruggingsprogramma kan een beroep gedaan worden op deze bijdrage.

Gemeente Tilburg heeft inmiddels aangegeven dat het niet gelukt is met alle koppelgemeenten een bestuursovereenkomst te sluiten over de bekostiging van het overbruggingsprogramma en dat zij daarom een beroep willen doen op de financiële bijdrage van SZW. Op dit moment is het Ministerie van SZW met gemeente Tilburg in gesprek over de ontwikkelingen en de hoogte van gemaakte kosten.

Vraag 169

Kunt u de toename in ontvangsten met betrekking tot leningen van circa 4 miljoen toelichten? Kunt u hier specifiek ingaan op de achterliggende oorzaken op inburgeringsvlak?

Antwoord 169

De ontvangsten hebben betrekking op de terugbetalingen van de leningen. Hiervoor is een constante reeks van € 1 miljoen in de begroting van het Ministerie van SZW geraamd. In de uitvoering kunnen hier meevallers op ontstaan als er, op basis van de draagkrachtbepaling, meer wordt geïnd dan in de oorspronkelijke behoedzame raming was verondersteld.

Vraag 170

Hoe verhoudt de externe communicatieadvisering van 1,4 miljoen euro zich tot interne communicatieadviseurs bij het Ministerie van SZW?

Antwoord 170

De externe communicatieadvisering van € 1,4 miljoen is 16,7% van de totale uitgaven (interne en externe) communicatie van € 8,4 miljoen.