Kamerstuk 35830-XVII-12

Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 24 juni 2021, over het jaarverslag en slotwet BuHa-OS 2020

Dossier: Jaarverslag en slotwet Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking 2020

Gepubliceerd: 12 augustus 2021
Indiener(s): Raymond de Roon (PVV)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35830-XVII-12.html
ID: 35830-XVII-12

Nr. 12 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG

Vastgesteld 12 augustus 2021

De vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft op 24 juni 2021 overleg gevoerd met mevrouw Kaag, Minister van Buitenlandse Zaken, over:

  • het wetsvoorstel Jaarverslag en slotwet Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking 2020 (Kamerstuk 35 830 XVII);

  • de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 8 juni 2021 inzake verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden over de Slotwet Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking 2020 (Kamerstuk 35 830 XVII) (Kamerstuk 35 830 VII, nr. 9);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 19 mei 2021 inzake jaarverslag Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking 2020 (Kamerstuk 35 830 XVII, nr. 1);

  • de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 8 juni 2021 inzake beantwoording vragen commissie over het Jaarverslag Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking 2020 (Kamerstuk 35 830 XVII, nr. 1) (Kamerstuk 35 830 XVII, nr. 10);

  • de brief van de president van de Algemene Rekenkamer d.d. 19 mei 2021 inzake aanbieding van het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2020 bij Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (Kamerstuk 35 830 XVII, nr. 2);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 8 juni 2021 inzake beantwoording vragen commissie, gesteld aan de regering, over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2020 bij Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (Kamerstuk 35 830 XVII, nr. 2) (Kamerstuk 35 830 XVII, nr. 11);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 14 december 2020 inzake decemberbrief voor de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (Kamerstuk 35 570 XVII, nr. 49);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 9 december 2020 inzake kabinetsreactie externe evaluatie Dutch Good Growth Fund (Kamerstuk 34 952, nr. 120);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 12 februari 2021 inzake beantwoording vragen commissie over de kabinetsreactie externe evaluatie Dutch Good Growth Fund (Kamerstuk 34 952, nr. 120) (Kamerstuk 34 952, nr. 127);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 25 januari 2021 inzake voortgang opvang in de regio (Kamerstuk 35 570 XVII, nr. 52);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 15 februari 2021 inzake kabinetsreactie op rapporten ten behoeve van evaluatie en bijstelling van vijf jaar nationale SDG-uitvoering (Kamerstuk 26 485, nr. 365);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 22 maart 2021 inzake Digitale Agenda voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking – resultaten en geleerde lessen (Kamerstukken 34 952 en 26 643, nr. 129);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 9 april 2021 inzake uitvoering van de motie van de leden Voordewind en Kuik over het voortzetten van de steun aan maatschappelijke organisaties tegen kinderprostitutie (Kamerstuk 35 570 XVII, nr. 36) (Kamerstuk 33 625, nr. 328);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 16 april 2021 inzake impact COVID-19-pandemie op conflictrisico's (Kamerstukken 34 952 en 25 295, nr. 133);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 6 mei 2021 inzake jaarrapportage beleidscoherentie voor ontwikkeling 2020–2021 (Kamerstuk 33 625, nr. 329);

  • de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 28 mei 2021 inzake voortgang van de mondiale klimaatdiplomatie (Kamerstuk 31 793, nr. 199).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de commissie, De Roon

De griffier van de commissie, Van Toor

Voorzitter: Kuik

Griffier: Meijer

Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Ceder, Hammelburg, Klink, Koekkoek, Kuik, Van der Lee en Van Weerdenburg,

en mevrouw Kaag, Minister van Buitenlandse Zaken.

Aanvang 13.02 uur.

De voorzitter:

Goedemiddag, dames en heren. Ik heet de Minister van Buitenlandse Zaken welkom. Dank aan de leden dat jullie er allemaal zijn. We beginnen met de rapporteurs die hun bijdrage doen. Daar reageert de Minister op. De rapporteurs kunnen daar dan weer op reageren als dat nodig is. Dan doen we een rondje onder de woordvoerders die hun inbreng kunnen leveren op dit WGO. Ik kijk even naar de heren. Wie moet ik als eerste het woord geven? De heer Klink.

De heer Klink (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Voor mij is het een bijzondere ervaring, omdat ik samen met collega Hammelburg namens de commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking rapporteur mag zijn over de verantwoordingsstukken 2020. Voordat ik inhoudelijk begin, wil ik allereerst de Minister en de ambtenaren van Buitenlandse Zaken danken voor het opstellen en het aanleveren van de stukken en het toelichten van de onderdelen van de verantwoordingsstukken. Ook dank ik namens onze commissie de ambtenaren van de Tweede Kamer die ons als rapporteurs, en de commissie, hebben ondersteund. In de stukken staat een heel mooi compliment: «De Algemene Rekenkamer constateert in haar verantwoordingsonderzoek Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking 2020 dat de onvolkomenheid uitvoering interne beheersmaatregelen overdrachtsuitgaven is opgelost.» Dat is een hele mooie ontwikkeling.

Het is onmogelijk om alle onderwerpen uit de verantwoordingsstukken in mijn bijdrage te behandelen. Collega Hammelburg zal straks, nadat ik gesproken heb, nog wat toelichten over de indicatoren. Ik zal me nu richten op twee onderwerpen. Dat zijn de revolverende fondsen en de malversaties.

Over de revolverende fondsen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken subsidieert verschillende revolverende fondsen die gericht zijn op de ontwikkeling van de private sector in ontwikkelingslanden. Verschillende van deze fondsen worden beheerd door FMO. Veel overheden van donorlanden gaan er steeds vaker toe over om projecten te financieren met behulp van de revolverende middelen in plaats van traditionele subsidies. Voor het uitvoeren van activiteiten ontvangt de uitvoerder niet zonder meer een geldbedrag, maar een lening die al dan niet met rente wordt terugbetaald. Door aflossing komt het uitgeleende geld terug in het revolverende fonds en is het weer beschikbaar voor nieuwe leningen: het geld revolveert. Het idee van revolverende fondsen is bovendien dat extra opbrengsten, zoals rente en geld uit de verkoop van aandelen, ook terugvloeien naar het fonds, waarna het geld weer ingezet kan worden voor het financieren van andere projecten.

In het jaarverslag geeft de Minister op verzoek van de commissie inzicht in de revolverende fondsen. Inzicht in de kosten van beheer en uitvoering ontbreken daarin nog. Het is nog niet duidelijk welke beleidsruimte de Minister heeft ten aanzien van de lopende revolverende fondsen, en op welke wijze deze aansluiten bij de dotaties vanuit de begroting. Een koppeling met de begroting en de verantwoording, door inzicht te geven in de dotaties die worden verantwoord in het jaarverslag, ontbreekt namelijk. Uit de tabel is niet af te leiden vanuit welk beleidsartikel welke dotatie in 2020 aan verschillende fondsen is opgenomen. Bij de begroting ontbrak tot op heden een overzicht van de revolverende fondsen en de wijze waarop dotaties uit de begroting geraamd zijn in het betreffende begrotingsjaar.

Over de revolverende fondsen stel ik daarom de volgende vijf vragen. De eerste vraag. Kan de Minister toelichten hoe gelden die revolveren terugkeren op de begroting na afloop van de looptijd?

De tweede vraag. Kan de Minister een toelichting geven op de kosten die gemoeid zijn met de uitvoering van revolverende fondsen en op welke wijze deze kosten worden gedekt?

De derde vraag. De Minister licht in het jaarverslag toe dat de fondsbeheerders gevraagd is rekening te houden met focusregio's. Kan de Minister toelichten op welke manier de langlopende fondsen bijsturing krijgen bij de bijstelling van prioriteiten voor de Minister?

De vierde vraag. Kan de Minister toelichten welke mogelijkheden er zijn om bij langlopende revolverende fondsen gedurende de looptijd bij te sturen op doelstellingen, prioriteiten, voorwaarden, landen en regio's?

De vijfde vraag, de laatste over de revolverende fondsen. Kan de Minister in de begroting voor 2022 het overzicht revolverende fondsen opnemen, waarin ook is opgenomen uit welk beleidsartikel welke bijdrage aan het fonds wordt gedoteerd?

Voorzitter. Met betrekking tot de malversaties biedt het jaarverslag opnieuw een overzicht van de ontwikkelingen aan. Hierin is niet helder op basis van welk toetsingskader de Minister besluit om vermoedens van malversatie al dan niet eerder aan de Kamer te melden bij de jaarverslagen. In het verleden werd de Kamer door middel van vertrouwelijke brieven, die het startpunt van verder onderzoek vormden, geïnformeerd over vermoedens van malversaties. In 2018 heeft het ministerie geïnvesteerd in de doorontwikkeling van het meldpunt malversaties naar het Expertisecentrum Malversaties. Vermoedens van malversaties worden, zo schrijft de Minister, bij het expertisecentrum gemeld. Recent hebben de leden naar aanleiding van mediaberichten over het niet melden van vermoedens van malversaties bij de Kamer een en ander aan de Minister gevraagd. Uit het jaarverslag blijkt dat vermoedens van malversaties worden gemeld bij het expertisecentrum en vermeld in de jaarrekening aan de Kamer. Onderzoek naar brieven over het melden van vermoedens van malversaties bij de Tweede Kamer laat zien dat de Kamer na 2015 niet meer met de brieven over malversaties is geïnformeerd.

Daarom heb ik op dit onderwerp nog de volgende drie vragen. Kan de Minister toelichten waarom de Kamer niet meer met een vertrouwelijke brief over vermoedens van malversaties wordt geïnformeerd, zoals tot circa 2015 gebruikelijk was? Worden vermoedens over malversaties uitsluitend gemeld bij het Expertisecentrum Malversaties? Dan de laatste vraag: is er een afwegingskader om bij vermoedens van malversaties de Kamer te informeren? Zo ja, kan zij dat afwegingskader toelichten?

Dat waren de vragen, voorzitter. Dank u wel. Dan kan de heer Hammelburg vervolgen.

De heer Hammelburg (D66):

Dank u wel, meneer Klink, en dank u wel, voorzitter, voor het woord. Ook dank van mijn kant aan de Minister, het ministerie en de ambtenaren voor het prachtige werk dat het afgelopen jaar weer is verzet. Ik sluit me ook aan bij het compliment van de heer Klink dat de Rekenkamer ook heeft gemaakt. Het lijkt erop dat het ministerie echt wat goeds heeft gedaan en de dingen die de afgelopen jaren verbeterd konden worden, daadwerkelijk heeft verbeterd. Dat is ook mooi terug te zien in het jaarverslag.

Voorzitter. Ik zal zoals de heer Klink ook aankondigde, ingaan op de indicatoren, het resultatenportaal, de evaluaties en vooral de onderlinge samenhang. Ik zal daarbij zo beknopt mogelijk proberen te zijn. Ik begin bij de indicatoren. Mijn voorgangers in deze commissie en de Minister hebben vaker discussies gehad over de indicatoren en over de manier waarop je daar precies mee moet omgaan. De Minister heeft in de jaren hiervoor aangegeven dat er sprake is van een verbetertraject en gezegd hoe die indicatoren moeten worden gebruikt, hoe wij ze als commissie zouden moeten interpreteren als wij het jaarverslag controleren, en wat indicatoren wel en niet betekenen voor ons als Kamer wanneer wij de Minister en het werk van het ministerie controleren.

Mijn eerste vraag aan de Minister is een wat bredere vraag. Die heeft vooral te maken met het nut en het gebruik van de indicatoren, en het verbetertraject dat in 2015 is gestart. Hoe ziet de Minister dit verbetertraject? Hoe beoordeelt de Minister het werken met indicatoren en de begroting in het jaarverslag? Welke mogelijkheden ziet de Minister om hier verbeteringen in aan te brengen?

Voorzitter. Dan de accenten op het beleid. Het is gebruikelijk dat nieuwe ministers nieuwe beleidsaccenten leggen op basis van regeerakkoorden. We hebben ook te maken met het feit dat de indicatoren internationaal afgesproken zijn. Dat betekent dus dat die relatief vaststaan. Daar zit een soort spanningsveld tussen, dat de heer Klink en ik ook hebben gezien. De vraag is natuurlijk altijd of we indicatoren moeten toevoegen, moeten laten verwijderen of moeten aanpassen. Dat maakt het wat ingewikkeld. Graag hoor ik van de Minister hoe zij de mobiliteit van indicatoren precies ziet en hoe dat in zijn werk gaat. Dat hangt ook samen met de vraag over het verbetertraject.

Dan wil ik door naar de resultatenrapportage in het portaal nlontwikkelingssamenwerking.nl. Het valt ons op dat Nederland echt vooroploopt met het publiceren van gegevens die beschikbaar zijn, niet alleen voor de Kamer en deze commissie maar ook voor het bredere publiek en de ontwikkelingssector. Dat wordt ook heel mooi in het jaarverslag en door de Rekenkamer gezegd. Dat behoeft complimenten. Tegelijkertijd is het voor de commissie soms nog wat ingewikkeld om de gegevens, de resultaten die in het jaarverslag staan, de indicatoren én de gegevens die op het resultatenportaal staan, in samenhang te zien en te linken aan de beleidsartikelen, om ons controlerende werk te doen. Tegelijkertijd is de complementariteit van de extra informatiebronnen ook heel bijzonder. De vraag aan de Minister is hoe de Tweede Kamer de verhouding tussen het jaarverslag, de indicatoren, de streefwaarden en het resultatenportaal zou moeten bezien. Ziet de Minister nog mogelijkheden tot verbetering van de samenwerking tussen die drie informatiebronnen voor de Tweede Kamer, zodat we ons werk en onze controlefunctie goed kunnen uitoefenen?

Voorzitter. Ik rond bijna af. Het instrument van de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) is relatief nieuw. Dat wordt uitgevoerd over meerdere ministeries. Hoe hangen die samen met de wijze waarop het ministerie op dit moment al evalueert en met de informatiebronnen die wij nu hebben? Kan de Minister toelichten waaruit het strategische karakter blijkt van de Strategische Evaluatie Agenda? En welke mogelijkheden ziet de Minister voor de Kamer om betrokken te zijn bij de themakeuze en de timing? Een tweede vraag hierover is: welke onderzoeksbureaus worden door het ministerie ingeschakeld om het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid te evalueren? Zijn er naast de IOB ook nog andere organisaties bij betrokken?

Voorzitter, daar wil ik het van mijn kant in eerste termijn bij laten. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank aan de rapporteurs. Ik kijk even naar de Minister om te zien of zij direct kan antwoorden of dat zij even een paar minuten nodig heeft.

Minister Kaag:

Ik vrees iets meer dan een paar minuten. Ik kijk even naar mijn ambtenaren; de aanname was dat ik dit in eerste termijn zou doen, maar er zijn heel veel technische vragen gesteld, dus ik denk dat ik iets meer nodig heb.

De voorzitter:

Is tien minuten te doen?

Minister Kaag:

Ja, zeker.

De voorzitter:

Dan schorsen we tien minuten.

De vergadering wordt van 13.14 uur tot 13.21 uur geschorst.

De voorzitter:

Goed. We hervatten de vergadering. Ik geef het woord aan de Minister voor de reactie op de punten van de rapporteurs.

Minister Kaag:

Veel dank. Dank ook voor de paar minuten die wij konden krijgen om nog even de beantwoording van de vragen op orde te krijgen. Ik wil sowieso mijn dank uitspreken aan de rapporteurs. Het is een debuut voor hen, meen ik mij te herinneren. Ik wil ook mijn dank uitspreken voor de wijze waarop zij zich verdiept hebben in het jaarverslag en het rapport van de Algemene Rekenkamer. Dat is ook nuttig voor het leerproces van de ambtenaren die zich met Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking bezighouden en natuurlijk voor onszelf, op het politieke niveau.

Voordat ik op de vragen inga, wil ik iets benadrukken wat heel duidelijk is. Het afgelopen jaar is overal ter wereld voor iedereen een heel moeilijk jaar geweest. De negatieve impact van COVID-19 is groot gebleken. In vele landen is het ook nog aan de orde van de dag. In een land als Nederland hebben wij, ondanks de zware klap die veel mensen is toegediend, veerkrachtig genoeg kunnen optreden, ook om de armsten der armen in een aantal landen te kunnen helpen.

Begrotingsartikel 5.4 vormde een belangrijke buffer bij de poging om een forse generieke budgetdaling op te vangen. Ik zeg generiek omdat dat natuurlijk verbonden is aan de groei van ons bruto nationaal product. Ik begrijp dat u gisteren in detail bent bijgepraat tijdens de technische briefing. Nederland zoekt altijd manieren om de impact te vergroten en de meeste resultaten te behalen, maar met de coronacrisis zijn wij vijf jaar teruggezet qua voortgang op de ontwikkelingsdoelen en het behalen van de duurzame ontwikkelingsdoelen ofwel de SDG's. Ik ga daar in eerste termijn verder op in. We moeten dus meer doen in minder tijd. We moeten meer doen om het groeiend aantal mensen die steun of humanitaire hulp nodig hebben, op te vangen. Dat vergt altijd harde keuzes, want we kunnen niet overal zijn. We kunnen niet met de beperkte middelen die er zijn, iedereen helpen.

We maken keuzes in de thema's, in de focus en de geografie. We maken ook keuzes in het uitvoeringskanaal. Wij werken met overheden, maatschappelijke organisaties, de private sector, de Verenigde Naties en multilaterale banken. Het kanaal is ondersteunend aan het doel en nooit een doel op zich. De resultaten waaraan ik refereerde, maken wij op verzoek van uw Kamer inzichtelijk via het vernieuwde portaal voor ontwikkelingssamenwerking. Over zowel het ODA-budget als de resultaten en ingezette kanalen zijn vragen gesteld. Daar zal ik op ingaan. Hetzelfde geldt voor de Strategische Evaluatie Agenda en de vraagstukken rondom de revolverende fondsen, waarover ook eerder is gesproken.

Dan ga ik nu over tot de vragen die door de rapporteurs aan de orde zijn gesteld. De eerste vraag is of ik een toelichting kan geven op de kosten die gemoeid zijn met de uitvoering van revolverende fondsen en op de wijze waarop deze fondsen worden gedekt. Dat verschilt per fonds. De kosten zijn ook afhankelijk van de structuur van het fonds. De uitvoeringskosten worden in principe gedekt door de rente en premies die worden berekend.

Dan is er een vervolgvraag. De Minister licht in het jaarverslag toe dat fondsbeheerders is gevraagd rekening te houden met de focusregio's. Kan ik toelichten op welke manier de langlopende fondsen bijsturing krijgen bij de bijstelling van prioriteiten van de Minister? Met de uitvoerders wordt erover gesproken om nieuwe investeringen te richten op de bijgestelde prioriteiten van het kabinet. Indien mogelijk, waar dat kan, worden nadere afspraken gemaakt, maar de uitvoering is afhankelijk van aard en omvang van de bijstelling en aanpassing vraagt soms meer of minder tijd. Nieuwe investeringen in focusregio's moeten eerst worden geïdentificeerd en dan worden opgestart. Dus het is nogal variabel.

Kan de Minister toelichten welke mogelijkheden er zijn om langlopende revolverende fondsen gedurende de looptijd bij te sturen op doelstellingen --dat is een herhaling – prioriteiten, voorwaarden, landen en regio's? Ik heb net gezegd dat we dat waar mogelijk doen, zeker bij de opstart van nieuwe investeringen; dit is nu al staand beleid. Maar wij hebben ook niet «in the middle of the road» ingegrepen, terwijl een investering nog loopt. Dat zou niet gepast zijn. Het zou onverantwoordelijk bestuur betreffen om dat opeens krampachtig bij te sturen met een nieuwe agenda.

Kan de Minister in de begroting voor 2022 een overzicht van de revolverende fondsen opnemen met daarbij informatie over uit welk beleidsartikel welke bijdrage aan het fonds wordt gedoteerd, gegeven? Ik dacht even dat er «gedotterd» stond. Het wordt steeds erger, mevrouw de voorzitter. Het zal aan mijn bril liggen. Misschien twee dingen. A. We kijken naar het jaarverslag 2020. Het is dus een beetje onhandig, of misschien niet het moment, om alvast een toezegging te doen voor 2022 voor wat betreft toekenning van fondsen of informatie, maar sowieso kan in het jaarverslag 2021 de tabel met revolverende fondsen worden meegenomen en worden uitgebreid met een beleidsartikel. Maar mijn toezegging zal zijn dat ik even wil kijken of en op welke wijze we dit verder kunnen doen. Ik begrijp de vraag, want het gaat over transparantie en weten waar alle gelden naartoe gaan en of we coherent zijn. Maar ik kan niet nu even in detail uitleggen hoe dat zal plaatsvinden. We komen daar eventueel schriftelijk op terug, als dat goed is.

«Kan de Minister een vertrouwelijke brief met vermoedens van malversatie toezeggen of kan de Minister vermoedens van malversatie meedelen?» De VVD-fractie ziet graag dat de Minister met een afwegingskader komt om bij vermoedens van malversatie de Kamer te informeren. «Kan de Minister dat toezeggen?» U weet dat er sinds jaar en dag, wie er ook op de stoel van Ontwikkelingssamenwerking zit, wordt gehecht aan transparantie, zeker waar het gaat om duidelijk optreden bij malversaties. Maar geen enkel departement in Nederland heeft een informatieregime bij malversaties zoals wij dat kennen. Het is nergens anders van toepassing. Het is natuurlijk belangrijk dat departementen op dezelfde wijze opereren. Zo worden alle bewezen malversaties openbaar met de Kamer gedeeld via de bijlage van het jaarverslag.

U gaf een voorbeeld van informatievoorziening. Er is mij geadviseerd dat er in 2015 één brief over vermoedens aan de Kamer is gestuurd. Die bevatte weinig concrete feiten, omdat die er in de onderzoeksfase ook al niet waren. Toen is er weer voor gekozen om terug te vallen op het systeem dat in werking was om alleen bewezen gevallen van malversatie nader toe te lichten. Soms gaat het ook om heel kleine bedragen. Onze directeur-generaal lichtte mij net toe dat zij laatst een onderzoekje hebben ingericht – we onderzoeken overigens alles – dat ging over € 700. U vroeg terecht om een afwegingskader. € 700 is € 700, maar ik kan me voorstellen dat u niet over alle bedragen alles direct wilt weten. Bij een vermoeden blijkt het soms te gaan om verkeerde administratie. Dat blijkt dan geen malversatie, maar is niet goed gedocumenteerd.

De andere zorg bij dit afwegingskader, dat al sinds jaar en dag van toepassing is, is dat we niet onterecht reputatieschade willen toebrengen aan organisaties. Want zodra je zegt «o, er is misschien wat», dan is vaak de aanname: schuldig tot het tegendeel is bewezen. Het is natuurlijk onze schuld tot de schuld is bewezen, en dat is een lastige. Ik zit zelf ook met deze vraag, dus ik wil wel, in het kader van transparantie en in de categorie «alles ligt op straat», nadenken over hoe we kunnen komen tot een voorstel voor een soort afwegingskader – want daar vraagt u ook om – met misschien een financieel drempelbedrag, de aard en het land, zodat we een beetje meer weten hoe we risico's en zorg omtrent een vermoeden van malversatie op een slimme manier met de Kamer kunnen delen. Maar dat vergt meer denkwerk, en ik zou ook willen zeggen meer vergelijkingsmateriaal van partnerorganisaties zelf over wat de zogeheten goede praktijk is. Ik bedoel dat we in overleg met bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk en andere donorlanden die daar net zo strak en streng in zijn als wij bekijken: wat werkt nu? Wat is wenselijk en wat werkt? Ik zou graag dit voorstel willen doen en dan misschien na het zomerreces daarop terugkomen.

Dan is er een aantal vragen gesteld door de heer Hammelburg over de indicatoren. Hoe beoordeel ik het werken met indicatoren in de begroting en het jaarverslag? Welke mogelijkheden zie ik om verbeteringen daarin aan te brengen? Nou, ik ben positief over het gebruik van een beperkt aantal OS-indicatoren. Dat geeft in ieder geval in één oogopslag weer wat de prioriteiten zijn, wat je meet en hoe de voortgang is. Het geeft natuurlijk ook inzicht in de voortgang op bepaalde beleidsprioriteiten.

De beperking van indicatoren an sich is natuurlijk altijd dat ze kwantitatief en grootschalig zijn en dat de uitleg in het jaarverslag kort en bondig moet blijven. De resultatenrapportage moet je natuurlijk altijd samen lezen met het jaarverslag, want dat geeft het kwalitatieve verhaal, uitleg en verdieping. Maar we zullen ervoor zorgen dat in de volgende editie een verbetering komt van de koppeling tussen begrotingsindicatoren en thematische resultaten. Want alleen geld meten geeft een beperkt blikveld, en alleen de thematische resultaten meten is ook te beperkt als je niet weet hoeveel geld je erin hebt moeten stoppen of erin hebt gestopt.

Tot welke inzichten heeft het gebruik van indicatoren naar het oordeel van de Minister geleid? Nou, het is al sinds jaar en dag een nuttig instrument voor resultaatgerichtheid, en voor focus op effectiviteit en efficiëntie. Als je iets door de jaren heen kunt bekijken, zie je vaak ook de trends terug. Maar zoals ik net al zei, is het narratief ook belangrijk. We doen ook aan monitoring, veldbezoeken en communicatie met uitvoerende partners om een totaalbeeld te krijgen van een situatie, de voortgang of een thema.

Welke rol spelen de indicatoren in de leeragenda? En hoe werken ze door in het opstellen van nieuwe programma's en projecten, en bij het beoordelen van subsidietenders? Nou, met een 400-tal standaardindicatoren meten we op cruciale punten de u wel bekende theorie van de verandering, oftewel theories of change. Dat geeft ons inzicht in de aannames van onze beleidstheorieën: klopt het nog wel, of niet? Het leert ons iedere keer iets over of het gaat werken in het veld. De uitvoering is natuurlijk de hardste leerschool. We kunnen het op papier allemaal mooi bedenken, maar de realiteit in veel landen en de levens van veel mensen zijn heel anders. Een crisis komt daar vaak nog bovenop. Nieuwe projecten en tenders worden daaraan getoetst.

Ziet de Minister mogelijkheden om in de bijstelling van indicatoren ook de accenten van het kabinetsbeleid voor de periode 2017–2021 te verwerken in indicatoren? Zo nee, hoe kan de Kamer dan inzicht krijgen in de resultaten van de accenten die de Minister de afgelopen jaren heeft gelegd? De indicatoren zijn gekoppeld aan de SDG-agenda en lopen in beginsel door tot 2030. Dat zijn internationale afspraken, die ook voor Nederland van toepassing zijn. Een ingrijpende bijstelling zou het eigenlijk onmogelijk maken om een trendanalyse te doen. Het tijdpad van vier jaar is ook veel te kort. Dat is een midterm, maar geen echte trend, wat mij betreft.

Kan de Minister de Kamer vóór de begroting 2022 informeren over de voornemens tot bijstelling van de indicatoren? We hebben twee beperkte bijstellingen voor de bril: voor wat betreft seksuele gezondheidsrechten en voor wat betreft vrouwenrechten. De reden daarvoor is dat we het in lijn willen brengen met de voorgestelde resultaten van de beleidskaders «versterking maatschappelijk middenveld» en «vrouwengelijkheid en gendergelijkheid». Deze resultatenkaders zijn verder doorontwikkeld en vastgesteld nadat er partnerschappen zijn gevormd onder het nieuwe subsidiekader voor 2021–2025.

Kan de Minister toelichten bij welke indicatoren de streefwaarden zijn aangepast voor de tweede periode? Alle streefwaarden zijn conform de afspraken aangepast aan de ervaringen in de eerste jaren, behalve de streefwaarden voor het thema klimaat en water, want die waren al tot 2030 vastgelegd.

Kan de Minister toelichten waarom de streefwaarden bij de resultaatindicatoren met ingang van de tweede periode zijn aangepast? Bij de eerste periode met de indicatoren, in 2016, dus ten tijde van kabinet-Rutte II, met een ietwat andere beleidsagenda, is met de Kamer afgesproken om de streefwaarden om de vijf jaar bij te stellen. Dat is ook wel een goede planning, denk ik, als je kijkt naar de wisselende accenten in wisselende kabinetten. In aanloop naar de SDG-realisatie in 2030, lijkt vijf jaar me legitiem, zoals ik al zei, om allerlei redenen. De huidige periode loopt dus door tot 2025. Met de begroting van 2026 worden de streefwaardes aangepast voor 2026–2030. Maar ik zeg dit natuurlijk als demissionair Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Het kan heel goed zo zijn dat in een volgend kabinet een volgende Minister van of voor Ontwikkelingssamenwerking ervoor kiest om dit anders te doen. Daarop kan ik geen schot voor de boeg nemen.

Kan de Minister toelichten hoe na afloop van de looptijd gelden die revolveren terugkeren op de begroting? Revolverende middelen keren terug op de ontvangsten in de begroting.

Met uw permissie, mevrouw de voorzitter, zou ik graag nog een woord willen wijden aan de strategische agenda. Maar dat doe ik liever in de eerste termijn.

De voorzitter:

Prima. De Minister heeft een hoop vragen beantwoord. Ze heeft ook op een aantal punten aangegeven dat daar nog een schriftelijke reactie op komt. Ik kijk even naar de rapporteurs. Zijn er nog vragen overgebleven? Is er verduidelijking nodig? Ik begrijp van niet. Dank.

Dan kijk ik naar de heer Ceder. Gaat u het redden om uw bijdrage te leveren? We gaan beginnen met de eerste termijn van de Kamer. Ik geef allereerst het woord aan de heer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Het is een belangrijk onderwerp. Ik wil ook de rapporteurs bedanken. Ik dank de Minister voor de beantwoording.

Allereerst wil ik opmerken dat het een goed bericht is dat de Algemene Rekenkamer geen onvolkomenheden meer heeft vastgesteld. Het is heel goed dat het departement dit onder controle heeft gekregen. Mijn complimenten. Het is misschien wel verstandig dat het projectteam nog blijft bestaan, maar ik zou graag van de Minister horen wat het team blijft doen. Wat moet er dan nog blijven gebeuren?

Dan wil ik het hebben over beleidscoherentie. De behandeling van de slotwet en het jaarverslag is een goed moment om het hierover te hebben. We geven nog altijd aanzienlijke bedragen uit om positieve ontwikkelingen te bewerkstelligen op plaatsen in de wereld waar dat het meest nodig is. Het lukt nog ook, lees ik in het jaarverslag, ondanks covid.

Tegelijkertijd heeft Nederlands handelen soms ook negatieve effecten op de wereld. Ik denk aan onze belastingwetten, die waarde die gecreëerd is in ontwikkelingslanden hiernaartoe trekt, waardoor deze landen broodnodige belastinginkomsten mislopen. Kan de Minister hier ook cijfers van geven? Zou het niet mogelijk zijn om een koppeling te maken tussen de Monitor Brede Welvaart en het actieplan beleidscoherentie, met als doel de Nederlandse negatieve mondiale voetafdruk concreet en substantieel te verminderen?

Het is ook goed dat de aandacht voor belastingontwijking de afgelopen jaren is toegenomen. Tegelijkertijd staat Nederland internationaal nog steeds hoog op de belastingparadijzenlijstjes. Wat kan het kabinet, ook vanuit BuHa-OS, doen aan deze vorm van belastingontwijking, via Nederland? Zijn de huidige criteria voor het identificeren en selecteren van belastingparadijzen eigenlijk nu nog wel adequaat? Zou Nederland niet in EU-verband kunnen inzetten op een aanscherping van de selectiecriteria voor het toevoegen of verwijderen van de Europese lijst van non-coöperatieve jurisdicties?

Voorzitter. Dan een punt over kinderprostitutie. Op de agenda van het overleg staat ook de brief van de Minister over de uitvoering van de motie-Voordewind/Kuik over bestrijding van kinderprostitutie, die afschuwelijk genoeg nog veel voorkomt in de wereld. Deze motie vroeg om de steun aan maatschappelijke organisaties die strijden tegen kinderprostitutie onverminderd voort te zetten. De motie is ook aangenomen. Ik lees nu in de brief dat «onverminderd» helaas slechts duurt tot maart 2020. Ik begrijp eigenlijk niet goed wat de zwaarwegende redenen van de Minister dan zouden zijn om deze wens van de Kamer niet langer voort te zetten.

Het is goed dat er geëvalueerd wordt. Er kunnen hopelijk nog programma's verbeterd worden. Maar ik hoop dat de Minister het met mij eens is dat er blijvend op dit thema ingezet zou moeten worden. Ik hoop daarom ook op een toezegging van de Minister om... Nou, ik zal het scherper stellen: ik vraag de Minister om de motie in die zin uit te voeren dat de strijd tegen prostitutie, zoals de motie dat verwoordt, voortgezet zal worden. Dat is namelijk van cruciaal belang. Ik zou daarop graag een toezegging van de Minister willen.

Tot slot nog een opmerking over opvang in de regio. Dat vinden we heel belangrijk, omdat het ook ongereguleerde migratie zou kunnen verminderen. Nu begrijp ik uit de beantwoording van de Minister dat veel vluchtelingen die in landen in de regio opgevangen worden, daar eigenlijk niet of maar beperkt mogen werken. Dat betekent dat ze eigenlijk geen bestaan kunnen opbouwen. Is de Minister het met mij eens dat het doel om verdere migratie tegen te gaan, op deze wijze eigenlijk niet bereikt kan worden? Ik vroeg me af of zij haar gedachten daarover kan laten gaan.

Tot zover, voorzitter. Nogmaals complimenten voor de rapporteurs en hun bijdrage. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u. Dan kom ik bij de heer Klink, voor zijn bijdrage namens de VVD.

De heer Klink (VVD):

Dank u, voorzitter. Als rapporteur heb ik zojuist al enkele onderwerpen namens onze commissie kunnen aanstippen. In mijn eerste termijn wil ik me nog op een paar onderwerpen richten: nog enkele aanvullende aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer, handelsbevordering en de relatie met China.

De aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer. In 2020 is in totaal 258 miljoen aan coronabestrijding uitgegeven, vooral aan multilaterale organisaties. Dat geld komt van herprioritering en van additioneel geld. De Algemene Rekenkamer is er kritisch op dat dat incidentele geld voor ontwikkelingssamenwerking alleen via een brief aan de Kamer is gemeld. Later is het bij de tweede suppletoire begrotingswet 2020 uitgevoerd. Beter was het geweest om een incidentele suppletoire begroting naar de Kamer te sturen, zodat de Kamer kans had gehad om bij te sturen qua waar het geld naartoe ging. De Minister neemt kennis van deze aanbeveling, maar neemt het niet over. Waarom is voor deze aanpak gekozen?

Het risicomanagement om te voorkomen dat financiële overdrachten zoals subsidies en garantstellingen via corruptie in ontvangende landen verdwijnen, is volgens de Rekenkamer na een aantal jaren nu verbeterd, onder meer door het aanstellen van speciale risicomanagers. Dat is een goede ontwikkeling. Hierbij complimenteer ik het ministerie en de Minister namens de VVD-fractie nogmaals met deze ontwikkeling.

Ik heb nog wel de vraag, die aansluit bij wat de heer Ceder zojuist vroeg, of deze oplossing structureel van aard is, dus of deze risicomanagers permanent zijn aangesteld. De leden van de VVD-fractie zien namelijk graag dat de tot vorig jaar jaarlijks terugkerende kritiek van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot het beheersen en analyseren van risico's, definitief tot het verleden gaat behoren.

Ondanks deze positieve ontwikkeling zijn er nog steeds 74 vermoedens van malversatie gemeld. Het gaat hier om fraude met ontwikkelingsgeld. Fraude moet wat de VVD-fractie betreft bestreden worden en Nederlands belastinggeld mag niet zomaar verloren gaan aan corruptie. Ik ben daarom ook blij dat de Minister in reactie op de rapporteurs toegezegd heeft te kijken in wat voor vorm de Kamer geïnformeerd kan worden, dus om het op een andere manier te rapporteren. Ga daar vooral mee door; ik kijk er erg naar uit te horen hoe het eruit komt te zien.

Voorzitter. Ik ga verder met handelsbevordering. Veel doelen van het ontwikkelingsbeleid kunnen we veel effectiever bereiken met vrijhandel en met meer en goede handelsverdragen komen we uiteindelijk allemaal uit de coronacrisis. Met meer en goede handelsverdragen geven we een impuls aan bedrijven en aan gewone banen voor gewone mensen. De VVD ziet graag dat Nederland in EU-verband meer pleit voor handelsverdragen, in navolging van Vietnam en Mexico in 2020 en Japan en Singapore in 2019. Zaken als klimaat en arbeidsomstandigheden zijn belangrijk en daarover kunnen in handelsverdragen goede afspraken worden gemaakt.

De voorzitter:

Meneer Klink, u heeft een interruptie van de heer Hammelburg.

De heer Klink (VVD):

Van de heer Hammelburg ...

De heer Hammelburg (D66):

Ja, van meneer Hammelburg, buurman. Ik hoorde de heer Klink zeggen dat handel heel effectief is in het bestrijden van de covidpandemie. Nou ben ik erg voorstander van handel en zie ik ook echt de waarde in van handel in ontwikkelingswerk. Sterker nog, ik deel met de VVD dat dat een grote kracht is. Maar ik zie niet in hoe handel een oplossing zou kunnen zijn voor deze vreselijke pandemie en hoe het de noden van de allerarmsten in de wereld zou kunnen oplossen, behalve dan dat we heel veel meer moeten doneren aan die arme landen en hun heel veel meer ondersteuning moeten bieden, bijvoorbeeld via het COVAX-programma. Misschien kan de heer Klink hier nog iets meer toelichting op geven, want ik begrijp het echt niet.

De heer Klink (VVD):

Dat zijn een paar verschillende onderdelen. Wat betreft het COVAX-programma is het uiteindelijk in ons aller belang als alle mensen in de wereld zo snel en zo massaal mogelijk gevaccineerd worden. Dat is iets anders dan de economische gevolgen van de coronapandemie. We hebben Nederlandse economen gehad die zeer dramatische beelden schetsten van de gevolgen van covid voor de Nederlandse, Europese en wereldeconomie. Maar nu constateren de drie hoofdeconomen van de drie banken in Nederland en meer denktanks en planbureaus in Nederland toch echt dat het helemaal niet zo dramatisch gaat met de Nederlandse economie. Uiteindelijk zal dat ook breder gaan gelden voor de wereldeconomie. Nu, op dit moment, is het voor Nederland en voor veel ondernemers in Nederland echt nog heel dramatisch. In ontwikkelingslanden is het zeker nóg dramatischer, omdat zij niet het luxe vangnet hebben dat wij hebben. Dat is zeker zo. Maar we moeten natuurlijk niet de situatie waarin wij nu zitten, automatisch doortrekken en denken dat het vele jaren zo zal zijn. Uiteindelijk wordt de wereldeconomie beter, als we met z'n allen uit deze verschrikkelijke crisis komen.

De voorzitter:

Tweede interruptie, meneer Hammelburg.

De heer Hammelburg (D66):

Dat vind ik toch een beetje verwarrend nieuws. Ik krijg uit alle kanalen te horen, ook via de Verenigde Naties, dat we door de impact van COVID-19 vijf jaar terug in de tijd zijn getransporteerd waar het de armoede in de wereld betreft. Dat maakt het verhaal van de VVD toch wel ingewikkeld. Want als ik dit hoor, moeten we juist kijken naar intensivering van de steun om die achterstand in te halen, misschien juist ook, in termen van de VVD, in het belang van Nederland, en in het belang van de Nederlandse economie en in het belang van het Nederlandse bedrijfsleven. Een stabiele wereld waarin die armoede beperkt is, zorgt ervoor dat wij meer kunnen verdienen. Misschien is dat dan een handreiking.

De voorzitter:

En uw vraag?

De heer Hammelburg (D66):

Bent u dat met mij eens?

De heer Klink (VVD):

Nee, ik ben het niet geheel met u eens. Het gaat om de manier waarop je dat doet en om het referentiepunt waarin je nu zit. Kijk, de cijfers die er nu zijn, zijn echt heel dramatisch. Maar dit is natuurlijk niet een systeemfout in de economie, dit is gewoon een externe factor waar iedereen in de wereld door is getroffen en die grote economische gevolgen heeft. Maar of dat echt langjarig het geval zal zijn, is nog maar de vraag. Het gaat vooral om – ik zeg dit tot slot, daarna zou ik graag willen voortzetten – de manier waarop je dat doet. Doe je dat door als Nederland meer steun te geven of doe je dat als Nederland in EU-verband door die landen meer als gelijkwaardige partners te zien waarmee je handelsakkoorden sluit? Daarin heb je dan elk een gedeeld belang. Wat de VVD betreft kiezen we voor dat laatste pad.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Klink (VVD):

Zaken als klimaat en arbeidsomstandigheden zijn belangrijk en daarover kunnen in handelsverdragen goede afspraken worden gemaakt. Maar het moet niet zo zijn dat aanvullende wensen op deze onderwerpen de handelsverdragen onnodig frustreren. De VVD ziet liever dat we de handel bevorderen en een impuls leveren voor economie, bedrijven en banen, dan dat we Nederlands belastinggeld uitgeven aan bijvoorbeeld het maatschappelijk middenveld. Als je daarnaar kijkt, zie je dat toch nog meer dan 15 miljoen meer is uitgegeven dan was begroot.

Dan wil ik nu naar het kopje China gaan.

De voorzitter:

Voordat u dat doet, meneer Klink, heeft u een interruptie van de heer Van der Lee van GroenLinks.

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Ik heb toch wat vragen voor de heer Klink. Kijk alleen al naar het Dutch Good Growth Fund. Daarin zitten elementen die met klem door de VVD zijn afgedwongen. Financiering van Nederlandse bedrijven die een project ontwikkelen in het Zuiden, exportbevordering, een enorme onderschrijding: iets meer dan de helft van het budget is daaraan uitgegeven. Toch hoor ik u er alleen maar over praten dat er 15 miljoen te veel naar het maatschappelijk middenveld gaat. Maar geen woord van kritiek op een instrument waarvan ú wilde dat het er kwam en dat in de praktijk te weinig doet. Waarom spreekt u de heer Klink daar niet over?

De voorzitter:

Meneer Klink. U had uw microfoon nog aanstaan.

De heer Klink (VVD):

Excuus. Ja, ik kijk naar mijn microfoon en zag dat die nog aanstond; dat was uiteraard niet de bedoeling.

Ik kom hier zo nog op. Ik ga ook iets noemen waar niets uitgegeven is. Daar heb ik ook vragen over, dus het is niet zo dat ik eenzijdig dat ene punt noem. Je kan niet alles noemen in een bijdrage, je kan niet alle plussen en minnen noemen en dat moeten we ook niet doen. Ik dacht bij dit punt al dat ik inderdaad inzoomde op iets. Het gaat mij echter meer om het grotere geheel. Wat ik met het vorige punt wilde benadrukken, was vooral het aspect van handelsbevordering en dat we daarmee moeten doorgaan.

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Ja, daarom was mijn vraag extra relevant, want handelsbevordering doen we namelijk al. We doen dat zo veel, met zo veel geld dat het niet eens wordt uitgegeven. Dus dan zou je ook kunnen kijken waar de echte noden zijn. En dan ben ik het eens met de heer Hammelburg. Als je kijkt naar de impact van covid en naar alle cijfers over honger, armoede en ongelijkheid, zie je dat de problemen alleen maar toenemen. Daar wil de VVD op beknibbelen, maar de handel moeten we nóg meer gaan pushen. Dat is toch gewoon het paard achter de wagen spannen? De heer Klink moet toch consequenties trekken uit die evaluaties waar iedereen altijd op aandringt? Die evaluaties zijn heel kritisch. Dan moet je daar ook conclusies aan verbinden en het geld besteden waar het wél werkt. En dat is juist bij de ondersteuning van het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden, om die noden te repareren.

De heer Klink (VVD):

Ja, ik hoor wat u zegt, meneer Van der Lee. We hebben vorige week, of twee weken terug, een debat gehad over noodhulp. Daarin heeft de VVD gezegd dat we het belangrijk vinden om daar geld aan uit te geven. Dat is echt heel belangrijk. Maar ik hoor u zeggen dat er te veel middelen gaan naar handelsbevordering.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van der Lee.

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Ik noem alleen feiten. Het blijkt uit een evaluatie dat bijna de helft van het budget niet is uitgegeven. Dat is geen mening, dat is een feit. Met een evaluatie moet je ook iets doen. Zeker de partij die wilde dat dit er kwam, moet ook consequenties trekken als het niet werkt zoals men dacht en hoopte dat het zou werken.

De voorzitter:

Dan geef ik het woord weer aan de heer Klink.

De heer Klink (VVD):

Ja, ik vervolg over China, want we kunnen hier nog een lange discussie over voeren.

Voorzitter. De relatie met China blijft een voortdurend aandachtspunt. Naast het zorgen voor een gelijk speelveld om Nederlandse en Europese banen te beschermen tegen oneerlijke concurrentie, gaat het daarbij ook om de onwenselijke en onevenredig grote Chinese invloed in landen rondom Europa. In de begroting is een post opgenomen om een Chinastrategie te ontwikkelen. De middelen die hiervoor waren begroot, een klein bedrag op de totale begroting van zes ton, zijn niet gebruikt. Waarom niet?

De leden van de VVD-fractie willen graag aandacht voor het G7-initiatief om via westerse steun aan infrastructuurprojecten in Eurazië en Afrika een tegenwicht te bieden aan de nieuwe zijderoute of, in goed Nederlands, het Belt and Road Initiative. Hier is niet zozeer extra geld direct nodig; het gaat om een geopolitiekere besteding van bestaande middelen uit financieringsmogelijkheden. Hoe gaat de Minister zich ervoor inzetten dat gelden uit de EU-begroting en instellingen zoals de Europese Investeringsbank en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling niet bij staatsgesteunde Chinese bedrijven terechtkomen? Want zo financieren wij indirect de Chinese agenda, indachtig de opmerking van Lenin dat wanneer het tijd wordt om de kapitalisten op te hangen, zij eerst met elkaar zullen rivaliseren om het leveringscontract voor de stroppen binnen te slepen.

We zouden wat de VVD-fractie betreft juist samenwerking moeten zoeken met gelijkgezinde landen, zoals de VS en Japan. Dit betekent ook voorwaarden stellen als onze fondsen in indirect beheer worden uitgegeven door organisaties in bijvoorbeeld Afrika. Want Chinese staatsgesteunde bedrijven zijn onderdeel van een politieke agenda en het land houdt de multilaterale afspraken over financieren tegen.

Ook zouden we hogere standaarden kunnen stellen rond bijvoorbeeld duurzaamheid, maatschappelijk verantwoord ondernemen en het in dienst nemen van lokale arbeidskrachten. Dit zijn punten waarop westerse bedrijven over het algemeen veel beter scoren dan de Chinese concurrenten. Dit zou ertoe moeten leiden dat projecten nog wel openstaan voor bedrijven uit landen die zich houden aan internationale standaarden en uit landen die ontwikkelingssteun ontvangen, maar niet meer voor bedrijven uit China. Ik vraag tot slot aan de Minister hoe zij hiertegen aankijkt.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u. Dan heeft u nog een interruptie van de heer Van der Lee van GroenLinks.

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Op zich begrijp ik het pleidooi voor wederkerigheid, en kritiek op China deel ik ook vaak. Maar wat mij enigszins ontgaat, is de logica van de VVD in dezen. Want in Nederland pleit de VVD juist voor meer gebonden hulp, terwijl ze andere landen die gebonden hulp bieden, juist verwijten maakt. Ik vind dat niet helemaal consistent. Ik wil dus best met u meegaan, maar dan wil ik u ook oproepen om op te houden met pleiten voor meer gebonden hulp in Nederland en andere landen.

De heer Klink (VVD):

Tja, ook dit is weer «waarvan akte». Ik hoor het u zeggen, meneer Van der Lee.

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Dit is nou jammer, want het leuke van een discussie is dat je argumenten uitwisselt en daarop reageert. Als je alleen argumenten noteert en er niet op reageert, komen we niet verder met elkaar. Dan wordt het moeilijk om tot elkaar te komen, dus ik hoop toch dat de heer Klink ook inhoudelijk ingaat op argumenten en dat, als er een inconsistentie wordt aangetoond in het eigen betoog, er wordt nagedacht over hoe die te weerleggen, behalve daarvan akte te nemen.

De heer Klink (VVD):

Nou, dan word ik toch wat uitgedaagd. Het gaat hier echt om het grotere plaatje van de invloed van China in Afrika, dat daar dingen gebeuren die we eigenlijk niet zouden willen en dat dat ook nog eens een keer bekostigd wordt met Nederlands belastinggeld. In zijn algemeenheid zou Nederland, en zeker Nederland als onderdeel van de Europese Unie veel geopolitieker moeten kijken wat de ontwikkelingen in de wereld zijn. Ik wil niet per se «de grote boze buitenwereld buiten de Europese Unie» zeggen, maar China is wel een serieuze partij aan het worden en de macht van dat land in het Afrikaanse continent neemt steeds toe. Daar ging dit onderdeel over. Het is een oproep om daar echt iets meer aan te gaan doen vanuit lidstaat Nederland, bij voorkeur in Europees verband.

De voorzitter:

Dan geef ik nog de laatste interruptie voor dit punt aan de heer Van der Lee.

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Ja, maar dat deel van het betoog begreep ik en daar kan ik ook heel ver in meegaan. Het ging mij juist om de andere kant, dat de VVD ook wil dat Néderland meer gebonden hulp gaat geven. Dan gaan andere landen daar misschien ook wel toe over en krijg je alleen nog maar meer van dat type problemen. Het is juist veel beter om ongebonden hulp te geven. Maar op dat punt hoor ik de heer Klink niet ingaan. Dat betreur ik.

De voorzitter:

Als u nog wat wilt toevoegen ...

De heer Klink (VVD):

Nee.

De voorzitter:

Oké. Dan geef ik het woord aan de heer Hammelburg van D66.

De heer Hammelburg (D66):

Dank u wel, voorzitter. Ik geniet wel van deze discussie, want er is nogal wat aan de hand in de wereld. Laat ik het zo zeggen: ik ben het met mijn voorganger wel eens dat China daadwerkelijk een uitdaging is voor Nederland, voor Europa en de wereld. Daar moeten we zeer zeker niet naïef over zijn. Ik dacht ik ga niet meer meedoen aan dit debatje, maar ik vond het wel interessant. Ik dank de heer Klink daar dan ook wel voor.

Voorzitter. Waar ik toch wat anders in sta, is de uitdaging waar we op dit moment voor staan in de wereld. Ik vind de behandeling van het jaarverslag een prachtig moment om terug te kijken, maar ook om vooruit te blikken. Ik vind het nu, zeker gezien de demissionaire staat van het kabinet, ook wel interessant om eens te kijken hoe we reflecteren op de afgelopen jaren, op het coronajaar, waarin zo veel is gebeurd in Nederland, Europa en de wereld, en hoe we daarmee omgaan. Hoe zouden we daarmee om móéten gaan in de toekomst? Laat ik de vraag dan maar zo stellen, want ik ben me er wel degelijk van bewust dat ook deze Minister demissionair is.

Voorzitter. Het is ons niet ontgaan dat de armoede in de wereld – ik zei het net ook al – gigantisch is toegenomen en dat de ongelijkheden in de wereld ontzettend zijn toegenomen door de impact van corona. Ik ben heel gelukkig dat wij in Nederland zo'n goed opvangsysteem hebben. Ik zie overal ter wereld de gevolgen en de impact van corona, niet alleen op persoonlijke levens – de ziekte, het overlijden, het gebrek aan cijfers vaak nog vooral –, maar ook op economieën. We hebben hier in Nederland en in Europa – de heer Klink zei het net ook al, en terecht – een hele mooie buffer en een heel mooi opvangnet geregeld. Dat piepte en dat kraakte en we denken dat we er goed uit gaan komen.

Hier ziet het er goed uit, maar voor de rest van de wereld geldt dat niet. Dat vraagt wat van ons als Nederland en dat vraagt wat van ons als Europa. Als we dat al niet uit solidariteit zouden moeten willen, wat voor mij en voor D66 heel belangrijk is, dan zit er ook een groot element van eigenbelang in. Dat zit hem in de banen van Nederland. Als je nagaat dat een derde van ons bni, van ons inkomen, afhankelijk is van handel, Nederlandse handel binnen Europa en buiten Europa, en dat de wereldeconomie in gevaar is door de impact van corona, maar ook door de klimaatveranderingen – dat zien we nu ook duidelijk terug; het mag zelfs wel een «tweede pandemie» worden genoemd – dan betekent dat gewoon dat ons Nederlands bedrijfsleven en daarmee de werkgelegenheid in Nederland ook in gevaar is.

Als we het al niet uit solidariteit zouden willen doen, dan zouden we het uit eigenbelang moeten doen. De vraag is dan wat dat precies is. Wat is er van ons, van Nederland, de komende jaren nodig? Daar vraag ik dan ook een reactie van de Minister op. We hebben nu te maken met een bepaald budget voor Ontwikkelingssamenwerking. Wat D66 betreft mag dat echt omhoog, en dat weet iedereen ook van ons. Dat mag van ons echt minimaal naar 0,7% van het bni. Maar wat is er nog meer nodig om de klimaatuitdagingen van de komende jaren, de hongeruitdagingen, de klimaatrampen die we verwachten, aan te pakken? Hoe kunnen we mitigerende maatregelen nemen en wat is daarvoor nodig, in fysieke zin, maar ook in financiële zin?

Ik verwacht echt niet van de Minister dat ze nu met berekeningen komt en met bedragen, maar ik hoor graag haar visie waar we naartoe moeten. Want als het aan D66 ligt, dan moeten we nu echt een vlucht naar voren nemen in die klimaataanpak, niet alleen in Nederland, niet alleen in Europa, maar ook wereldwijd. Hetzelfde geldt voor onze coronasteun. Die is immanent. We zullen vandaag ook een motie indienen in het coronadebat over een actief donatieplan voor COVAX. We vinden namelijk dat het daar echt sneller moet gaan, zodat de boemerang ons niet gaat raken.

Voorzitter. Nog een aantal ... Nee, laat ik afronden met een kleine technische vraag. Twee technische vragen. De eerste betreft de samenwerking binnen de Europese Unie. Ik weet dat er een discussie is geweest in deze Kamer over – dat is volgens mij nog een motie geweest van mijn voorganger, de heer Bouali, en mevrouw Becker van de VVD – de transparantie van bijvoorbeeld ook het Europese OS-beleid en hoe dat samenhangt met het Nederlandse OS-beleid. Dat is ontzettend belangrijk, alleen al omdat je wilt weten of je inzet effectief is en omdat je ervoor wilt zorgen dat wat je doet complementair is. Mevrouw Koekkoek zei het vorige week ook al, toen zij het had over «team Europe»: het is ontzettend belangrijk dat we niet dubbel werk doen en daarmee ander werk laten liggen dat ook belangrijk is in de wereld. Hoe vindt die afstemming plaats binnen de Europese Unie, de grootste donor in de wereld?

Dan een vraag daarover. Ik zie afnemende OS-budgetten in alle lidstaten. Volgens mij moet ik richting een afronding, als ik zo naar u kijk, voorzitter.

De voorzitter:

U heeft een interruptie; dat was mijn punt. Ik zat te wachten op een punt van u.

De heer Hammelburg (D66):

Dan maak ik even de laatste zin af van deze vraag.

De voorzitter:

Ja, doe maar.

De heer Hammelburg (D66):

Ik zie een afname van de OS-budgetten in alle lidstaten in Europa. Ik maak me daar zorgen over. De discussie is niet alleen een Nederlandse, maar ook een Europese. Als alle lidstaten van Europa de komende jaren een afnemend in plaats van een stijgend OS-budget hebben, betekent dit dat de grootste donor, de Europese Unie in het geheel, het echt laat afweten in de wereld. Dat heeft ontzettend veel consequenties voor de vrede en de stabiliteit in de wereld. Dat komt als een boemerang terug. De vraag aan de Minister is of het niet gewoon noodzakelijk is dat wij als Nederland ons gaan inzetten voor een verhoging van de OS-budgetten in alle lidstaten en in Brussel. Deze vraag is overigens wellicht voor een nieuwe Minister, want ik weet niet of deze Minister daar een uitspraak over mag doen. Dan stop ik even, voorzitter.

De voorzitter:

Ja, want u heeft een interruptie van mevrouw Van Weerdenburg van de PVV.

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Ik heb even een korte vraag over het vurige pleidooi van de heer Hammelburg voor ophoging van het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Waar precies ziet hij het draagvlak bij de Nederlandse bevolking voor een dergelijke ophoging?

De heer Hammelburg (D66):

Ik vind dat een hele prettige vraag. Ik heb er ook meerdere antwoorden op. Ik zei het net in mijn bijdrage al heel duidelijk. Stel dat je dit niet uit solidariteit wilt doen. Iedere euro die je in OS investeert, heeft een enorme return of investment. Daar zijn zo veel rapporten over volgeschreven. Het probleem is dat wanneer je die bijdrage niet doet als Nederland, als Europese Unie en als het rijke Westen, je de armoede en de inkomensverschillen ziet toenemen. Dat leidt tot instabiliteit in de wereld, tot migratieproblemen, waarmee ik in uw termen spreek, en tot alle kosten die daarmee gepaard gaan. Daar moeten de Europese Unie en Nederland dan voor opdraaien. Dat zijn uiteindelijk de belastingbetalers. Zelfs als je het niet vanuit solidariteit zou beredeneren, maar puur vanuit de veiligheid van Nederland, puur vanuit ons eigen economisch belang, puur vanuit de kosten die ermee gepaard gaan om onszelf te beschermen tegen instabiliteit in de wereld buiten Europa, zou je nu preventief ervoor moeten zorgen dat je meer geld gaat investeren in ontwikkelingssamenwerking en handelsbevordering. Je moet zorgen dat dat als een hefboom werkt en dat die vrede en stabiliteit ook buiten de Europese Unie geborgd zijn. De kosten voor ons zullen dan afnemen. Dat zijn uiteindelijk de centen van de Nederlandse belastingbetaler.

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Onze economie heeft ook een gigantische klap gehad vanwege de coronacrisis. Een heleboel bedrijven zijn nu nog aan het opkrabbelen en vragen zich af hoe ze in hemelsnaam een faillissement moeten voorkomen. Kan de heer Hammelburg zich inleven in de Nederlandse bevolking en begrijpen dat haar hoofd nu misschien even niet staat naar het vlammende betoog dat hij daarnet hield, dat eigenlijk al jaren hetzelfde is?

De heer Hammelburg (D66):

Ja, ik begrijp dat heel goed. Daarom is het misschien ook wel goed om wat perspectief te bieden hierover. Ik zei net al iets over het belang voor de Nederlandse belastingbetaler en de zorgen die u namens hen uit over de investeringen in ontwikkelingssamenwerking. Ik gebruik niet voor niets het woord «investeringen». We hebben terecht tientallen miljarden in coronasteun gestoken in het afgelopen jaar om alle bedrijven overeind te houden, om de banen van al die Nederlanders te beschermen. U moet zich voorstellen dat het hier gaat om 0,61% van het Nederlandse bni. Dat is echt een fractie van wat de Nederlandse overheid uitgeeft. Het is heel belangrijk om dat te investeren om ervoor te zorgen dat we buiten Europa ook die stabiliteit hebben en ook daar de economie kunnen waarborgen. We moeten zorgen dat de armoede wordt aangepakt, juist ook zodat het ons uiteindelijk wat oplevert. Dat vraagt wel dat we eventjes wat verder vooruitkijken dan het komende jaar. Dit gaat om een vergezicht naar de komende vijf, tien jaar. We moeten zorgen dat ook onze kinderen straks in een veilige wereld leven en zich niet hoeven te bewapenen en zich geen zorgen hoeven te maken over de vreselijk hoge investeringen die zij dan op dat moment moeten doen om zichzelf en hun economie te beschermen, terwijl wij het hebben nagelaten om preventieve maatregelen te nemen. Dat zou hartstikke zonde zijn. Dat gaat niet alleen over ons, maar ook over onze kinderen.

De voorzitter:

Ik kijk naar de heer Klink, die ook een vraag hierover heeft.

De heer Klink (VVD):

Ik heb ook een vraag naar aanleiding van de opmerking van meneer Hammelburg. Meneer Hammelburg, 4,5 miljard structureel geld noemt u klein bier. «Een fractie van het geld» hoorde ik u net zeggen. Meent u dat werkelijk? Want er zijn ministeries in het land die echt in hun handjes knijpen als ze zo'n begroting hebben. Ik ben daar toch erg benieuwd naar.

De voorzitter:

Dan geef ik het woord aan de heer Hammelburg. Meent u dit werkelijk?

De heer Hammelburg (D66):

Ja, de heer Hammelburg meent dit toch echt werkelijk. Natuurlijk, als je absolute getallen gaat noemen en het over miljarden gaat hebben – u heeft het over 4 miljard euro – klinkt dat als heel veel geld. Het ís ook heel veel geld. De totale begroting van de staat Nederland is gigantisch. Het is bijna niet te beseffen voor een gewoon mens als ik zie hoeveel geld dat eigenlijk is. Ik heb het niet op mijn rekening staan en u volgens mij ook niet. We kunnen ook kijken naar wat het in percentages betekent. Dan ziet u de verhoudingen. Als ik zeg dat je nu 0,61% uitgeeft aan ontwikkelingssamenwerking en als ik ook nog zeg dat het geld oplevert in de toekomst, gaat het om een fractie. Het levert ook nog meer op. We zouden wel stom zijn om dat niet te doen. Het zou heel onverstandig zijn om dat niet te doen. Nogmaals merk ik op – dat zeg ik dan ook maar richting de VVD en de heer Klink – dat dit ook over onze kinderen gaat en over de toekomst van Nederland. Ook gaat het over onze handelsbelangen en om ons eigen belang. Ik zei u al dat het wat mij betreft gaat over solidariteit, maar zelfs als je dat niet vindt, is het nog steeds in ons eigen belang.

Voorzitter. Ik heb nog één vraag.

De voorzitter:

Ja, u moet richting een afronding gaan.

De heer Hammelburg (D66):

Dat vermoedde ik al.

Deze vraag is heel praktisch. Ik wilde het nog over waardeketens hebben, maar ik begrijp de beperking in de tijd. De uitstekende motie-Weverling is prachtig uitgevoerd door de Minister en het ministerie. Ik dank de Minister daarvoor. Ik begrijp dat er ook nog een analyse is van de knelpunten in het buitenland, voor ondernemers in het buitenland, die door posten is uitgezet. Ik zou heel graag weten wanneer we daar misschien een brief over tegemoet mogen zien, want ik ben heel nieuwsgierig wat die knelpunten precies zijn in de COVID-19-pandemie.

Daar laat ik het even bij. Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u. Dan ga ik naar mevrouw Van Weerdenburg van de PVV.

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Voorzitter, dank u wel. Ik wil beginnen met het bedanken van de rapporteurs voor hun gedegen werk, en natuurlijk de ambtenaren. Het is niet makkelijk om als kersvers Kamerlid meteen in de begrotingssystematiek van BuHa-OS te moeten duiken, struikelend over afkortingen en Engelstalige vakjargon, je een weg banend door het ondoordringbare woud aan rapportages, langs revolverende fondsen en beleidsevaluaties en, niet te vergeten, de kasschuiven die om de haverklap ingezet dan wel teruggedraaid worden. Zie daar maar eens doorheen te komen. En dan moet je vervolgens nog de vertaalslag proberen te maken naar de burgers thuis, die doodgewoon willen weten wat er precies met al die miljarden van hun belastinggeld gebeurt, onder het mom van ontwikkelingssamenwerking.

Voorzitter. Mijn fractie constateert teleurgesteld dat het ook dit jaar niet is gelukt om ontwikkelingshulp transparanter en beter meetbaar te maken, om daadwerkelijk inzicht te krijgen in het effect van ontwikkelingshulp. De reden is simpelweg dat de wil hiervoor ontbreekt bij deze Minister. Waar haar voorgangster van de PvdA nog bereid leek om daadwerkelijk de meetbaarheid van OS-resultaten te verbeteren, heeft deze Minister de afgelopen vier jaar haar uiterste best gedaan om de andere kant op te rennen. Resultaten worden door ...

De voorzitter:

Maakt u uw zin af. Dan wacht ik op uw punt.

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Dat was mijn volgende zin.

De voorzitter:

Oké. U heeft een interruptie van de heer Van der Lee van GroenLinks.

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Het is misschien niet aan mij om het op te nemen voor de Minister, maar ik wil het via haar wel opnemen voor het departement. Kijk naar het trackrecord van het ministerie dat zich bezighoudt met ontwikkelingssamenwerking op het punt van evalueren, op het punt van open data en op het punt van het verstrekken van inzicht in de impact van projecten op projectniveau. Er worden vele miljarden versleuteld op andere ministeries waarvan we niet eens weten wat ermee is gedaan. En dan deze kritiek vanuit de PVV? Het is bespottelijk.

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Ik hoorde geen vraag, maar wil er wel even op reageren, vooral omdat de heer Van der Lee ook open data noemde. Daar heeft de PVV ook altijd voor gepleit, want meten is weten. Er zijn nu ook heel veel open data beschikbaar, dus gebruik die. Daarom hebben wij ons altijd sterk gemaakt voor de website die vroeger op openaid.nl te vinden was, en nu door de Minister is overgenomen. Ik kom daar zo ook op in mijn spreektekst. Als het aan de Minister had gelegen, hadden we die website überhaupt niet meer gehad. Het is te danken aan de Kamer dat die er nog wel is. Maar goed, ik kom er zo in mijn tekst op. Ik denk dat het handig is als ik gelijk doorga.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Hammelburg van D66, die hierop wil reageren.

De heer Hammelburg (D66):

Ja, want ik hoor nu dingen die in mijn beleving absoluut onwaar zijn. Volgens mij heeft deze Minister juist heel hard gewerkt aan transparantie en openbaarheid. Er is geen land in de wereld dat zo transparant is en dat zo veel informatie tot op projectniveau inzichtelijk heeft gemaakt, zoals de heer Van der Lee al zei. Dat is ook heel erg essentieel, niet alleen voor ons als Kamer om te controleren, maar ook voor al die ontwikkelingssamenwerkingsorganisaties die zeker willen weten dat wij het goede doen en dat wij middelen goed besteden. De transparantie is er voor iedereen en is essentieel. Nederland is daarin koploper. Dit ministerie is onder alle ministeries ook nog eens koploper. Ik begrijpelijk werkelijk waar niet waar de PVV dit vandaan haalt, behalve dan dat het weer een aanklacht is tegen ontwikkelingssamenwerking. Volgens mij is dat, zoals ik net al in mijn betoog verwoordde, een ontzettend onverstandig idee voor de Nederlandse belastingbetaler. Trap er niet in!

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Ja, dat worden vier leuke jaren. Even reagerend op het feit dat de Minister complimenten krijgt dat het in Nederland op projectniveau inzichtelijk is. Dat is juist het punt. Dat kan via die website, die nu onder een andere URL staat. Het is aan de Kamer te danken dat die website er nog is, waar je op projectniveau kunt zien wat er met dat geld gedaan is. Dan nog is er geen effect aan toegevoegd. Ik hoop dat dit nog wel wordt doorontwikkeld. Dat is dus te danken aan de motie van de heer Van Haga, die toen nog van de VVD was, en mijzelf. Maar goed, ik kom daar in mijn spreektekst ook op. Ik denk dat ik daar ook mee doorga.

Resultaten worden door dit kabinet en door deze Minister het liefst op aggregatieniveau weergegeven. Nederlands belastinggeld wordt bij voorkeur zonder oormerk in de oneindig grote pot van multilaterale organisaties gedeponeerd. Er wordt vooral creatief boekgehouden met kasschuiven en verdeelartikels om het OS-budget op peil te houden. Alles is geoorloofd om het subsidiecircus maar in stand te houden. Dat is wat deze Minister belangrijk vindt. Of de hulp daadwerkelijk effectief is, of de mensen in ontwikkelingslanden daadwerkelijk worden geholpen, is minder belangrijk. Deze Minister is immers niet in burgers geïnteresseerd. De Nederlandse burger is er alleen om haar subsidiecircus te bekostigen, ongeacht of hij dat geld zelf kan missen of niet. De burger in Afrika is er alleen als excuustruus om het subsidiecircus van rechtvaardiging te voorzien. Of die daadwerkelijk baat bij de hulp heeft, boeit deze Minister niet. Voor haar staat voorop dat de multilaterale organisaties, die de spil zijn in het grote subsidiecircus, kunnen blijven bestaan. Dat zijn dezelfde organisaties waar deze Minister haar hele leven werkzaam is geweest. Zelfs de coronacrisis wordt aangegrepen om hun kas te spekken.

Voorzitter. De rapporteurs waren zo-even niet mals over de indicatoren. Terecht, want de bedoeling was dat het systeem van indicatoren zou zorgen voor meer transparantie en een betere meetbaarheid van de resultaten van de ontwikkelingshulp. Maar helaas moet mijn fractie constateren dat er niks is verbeterd. Sterker nog, op deze manier is er zelfs sprake van een onwenselijke schijntransparantie. Meer ziet mijn fractie in het doorontwikkelen van het resultatenportaal op internet. Dat is de enige plek waar ook direct inzichtelijk gemaakt wordt waar OS-geld wordt ingezet en aan welke projecten geld wordt besteed.

De voorzitter:

U heeft een interruptie van mevrouw Koekkoek van Volt.

Mevrouw Koekkoek (Volt):

Ik dacht: ik probeer even wat, omdat ik heel veel sympathie heb voor het pleidooi. Ik ben nieuw Kamerlid. Dat hebben de collega en ik met elkaar gemeen. Zelf zit ik hier zonder politieke ervaring. Maar ik heb mij juist heel erg aan de hand genomen gevoeld, ook door het departement en de rapporteurs. Ik heb ook zelf vragen gesteld, zoals gisteren, toen ik aanwezig was bij de technische briefing hierover. Ik voel mij dus heel goed geïnformeerd. Ik was even heel concreet benieuwd waar u mogelijke verbeteringen ziet in de informatieslag richting bijvoorbeeld de Kamerleden. U noemde ook het creatief boekhouden. Ik was even benieuwd of u concreet dingen kunt aanstippen die u echt gemist heeft. Ik heb die zelf niet gemist als nieuw Kamerlid.

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Ter opheldering: ik ben geen nieuw Kamerlid, ik doe dit al een tijdje. Maar dan nog, je moet tegenwoordig als je zo'n begroting of een jaarverslag krijgt, bijna een forensisch accountant zijn om er een beetje uit te kunnen halen wat wat is. We hebben allerlei verschillende beleidsevaluaties. Elke keer wordt dat verdeelartikel weer bijgesteld om het niveau op peil te houden. Ga het maar eens proberen uit te leggen aan een gewone burger. De gewone burger heeft nog steeds het idee dat het geld wordt uitgegeven aan waterputten, aan voedselhulp, aan medicijnen. Dat was in de jaren tachtig zo. Ik geef hun altijd het advies om eens even een halfuurtje rond te klikken op die rapportagewebsite, waarop projecten staan. Je weet niet wat je ziet als je ziet waaraan het uitgegeven wordt. Deze Minister heeft zich altijd ingezet voor resultaten op aggregaatniveau, voor totalen – zoveel geld hebben we ervoor begroot, zoveel geld is eraan uitgegeven – maar dat zegt helemaal niks over de effectiviteit. Als het gelukt is om ergens geld aan uit te geven, weet je nog steeds niet of er mensen op de grond mee zijn geholpen.

Mevrouw Koekkoek (Volt):

Ik identificeer me in die zin erg met de gewone burger, omdat ik zelf nieuw ben en ook geen achtergrond heb in ontwikkelingssamenwerking. Ik voel me heel erg aan de hand genomen. Mijn vraag was: kunt u, misschien ook mij helpend, concreet aangeven waar het misgaat? Waar ziet u dingen waarvan u zegt «dat snap ik echt niet»? Ik ben gister door onder anderen mensen van het departement aan de hand genomen in de technische briefing, dus mij is het wel duidelijk.

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Het is niet dat ik het niet snap of dat het niet duidelijk is. Ik ageer juist tegen het feit dat het weinig grijpbaar is. Mensen in het land hebben het idee dat al deze miljarden van hun belastinggeld nuttig worden besteed. Dat is wat dit kabinet ook altijd heeft beweerd. Je krijgt een heleboel staatjes, tabellen en een complete begroting, maar dan nog is voor mensen thuis niet te begrijpen wat ermee is gedaan. Ja, het is uitgegeven, dat blijkt hier allemaal uit. Maar is het effectief besteed? Als je heel specifiek op projectniveau gaat kijken... Met de voorgaande Minister hebben we een hele discussie gehad over een project geodata for development. Uiteindelijk kwamen we erachter dat het ging om een buienradarapp voor Ethiopische boeren. Dan heb je tenminste scherp: waarover hebben we het hier, is het nuttig, is het gebruikt, is het überhaupt uitgevoerd en wat vonden de mensen op de grond ervan? Is het nuttig besteed? Op de een of andere manier lukt het niet – dat is ook onwil – om die grote totalen, dat vage concept van ontwikkelingshulp, gewoon te concretiseren en te kijken: wat is het nou eigenlijk, wat gebeurt ermee en is het nuttig? Ik snap het niet. Als het nuttig besteed wordt, dan wil je dat toch van de daken schreeuwen – dat geldt voor linkse partijen en zeker ook de Minister, lijkt me – en dan wil je toch voor iedereen heel specifiek aantonen: kijk hoeveel mensen wij hebben geholpen, kijk hoeveel scholen of wat dan ook er zijn gebouwd; dit is nodig, dus blijf hieraan geld besteden. Ik snap die onwil gewoon niet.

De voorzitter:

Tot slot mevrouw Koekkoek.

Mevrouw Koekkoek (Volt):

Het wordt hier gekwalificeerd als onwil. Dat begrijp ik niet zo heel goed. Ik geef het nog maar eens aan: ik ben gister stap voor stap door het hele proces heen gelopen en ik begrijp het. Ik denk dat de website hierin een heel belangrijke rol speelt. Daarbij zie ik het zelf als een taak van Kamerleden om juist datgene wat wellicht wel ingewikkeld is, dingen die wellicht moeilijk inzichtelijk zijn, met de ondersteuning die we krijgen van onze eigen fracties, van de departementen en de experts die we kunnen consulteren in duidelijke en klare taal uit te leggen. Ik mis dus nog steeds het concrete punt. U heeft het over de vorige Minister en wat toen wel duidelijk was, maar wat is er op dit moment dan niet duidelijk?

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Nou, ik denk dat de overeenkomst tussen onze partijen is dat we heel graag willen dat het webportaal wordt doorontwikkeld. Nogmaals, wij moesten dat redden uit de klauwen van het ministerie, want daar wilden ze helemaal niet mee doorgaan, dat werd afgeserveerd. Goed dat de Kamer besloten heeft om het wel te houden. Ik zou graag zien dat het wordt doorontwikkeld en dat er bijvoorbeeld op projectniveau, heel simpel, een linkje komt te staan. Een heleboel van dat soort grote projecten hebben een aparte website. Waarom niet gewoon even een linkje plaatsen op de website van de overheid, zodat je kunt doorklikken om te zien: wat is dat eigenlijk, wat doen ze daar eigenlijk? Een heleboel projecten hebben prachtige websites, maar je moet eerst naar Google en googelen om daarachter te komen. Dat hoeft helemaal niet. Op het ministerie is al die informatie beschikbaar. Ik vind – ik denk dat mevrouw Koekkoek dat met mij eens kan zijn – dat het superweinig moeite is om net even wat meer te doen. Hoe laagdrempeliger dan een mooie, navigeerbare website wil je het hebben, zou ik zeggen.

De voorzitter:

Ik zie hier nog geen overeenkomst, maar vervolgt u uw betoog. Tot slot geef ik dan de heer Hammelburg de gelegenheid om te interrumperen. Of wilt u liever nu interrumperen, op dit punt?

De heer Hammelburg (D66):

Ja heel kort, voorzitter. Want ik zie de PVV en Volt ineens wel dichter bij elkaar komen en ik zal u ook vertellen waarom ik dat denk. Natuurlijk is transparantie belangrijk. Ik denk dat die website al heel veel informatie bevat. Als je deze kamer zou proberen te vullen met de resultaten die in één maand worden geboekt door al die partners die volgens de PVV worden gesubsidieerd, zou het in deze ruimte niet eens passen. Ik ben dus heel blij dat het op een behapbare manier wordt gepresenteerd aan de Nederlandse belastingbetaler. Natuurlijk kunnen we op zoek gaan naar een betere manier om het nog transparanter te maken. Maar de PVV begint met een aanklacht en komt uiteindelijk met een verzoek om beter te informeren en de website te blijven verbeteren. Dat past niet bij elkaar. Ik vraag mevrouw Van Weerdenburg toch om de toon aan te passen. Het gaat dus om transparantie over ontwikkelingssamenwerking. Dat begrijpt iedereen. Negen op de tien Nederlanders willen ontwikkelingssamenwerking en zien daar ook het belang van in. Maar eerst beginnen met een aanklacht en vervolgens komen met een simpel verzoek om transparantie – dat vragen wij allemaal – vind ik niet bij elkaar passen. Ik weet ook niet of ik het gepast vind, eerlijk gezegd.

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Ik weet nou even niet... Kijk, ik denk... Natuurlijk, iedereen wil transparantie. De PVV is er heilig van overtuigd dat op het moment dat inzichtelijker wordt voor de Nederlandse burgers waar hun geld aan besteed wordt, het draagvlak, dat er al bijna niet meer is, volledig weg zal vallen. Als de heer Hammelburg daar anders over denkt: prima, we zullen zien. Maar ik kan me niet voorstellen dat er ook maar één partij is, aan welke kant dan ook van het politieke spectrum, die hiertegen is.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Misschien ook tot de anderen: u mag mij altijd vragen om mijn toon te matigen, maar dat is meestal aan dovemansoren gericht bij een PVV'er. Maar goed, in ieder geval dank voor de poging.

Ik vervolg mijn betoog. Deze Minister was dus van plan om de website, die tot voor kort op openaid.nl te vinden was, op te heffen. Maar de Kamer heeft dit gelukkig weten te voorkomen. Dankzij een motie van de heer Van Haga, toen nog van de VVD, en mijzelf is een schat aan gedetailleerde informatie bewaard gebleven. Toegegeven, de nieuwe url nlontwikkelingssamenwerking.nl is wat lang en minder catchy, maar het belangrijkste is dat burgers nog steeds kunnen zien aan welke vage onzinprojecten hun geld wordt uitgegeven. Ik roep iedereen dan ook op om eens een uurtje te gaan rondklikken op die website. Kijk en huiver. Dan snapt u gelijk waarom de PVV al jaren pleit voor afschaffing van deze vorm van ontwikkelingshulp door de overheid. De PVV zou graag zien dat dit webportaal wordt doorontwikkeld met meer informatie en meer data, bijvoorbeeld aangevuld met tussentijdse evaluaties van projecten of weblinks naar speciale projectwebsites daar waar die beschikbaar zijn. Kan de Minister aangeven wat zij van plan is om de website te verbeteren?

Voorzitter. Ik wil het toch nog even hebben over de schaamteloze financiering door deze Minister van antisemitische terreur in het Midden-Oosten. Dat Nederland al jaren foute partijen in het Midden-Oosten financiert is geen verrassing. Ettelijke malen is het ministerie gewaarschuwd door ngo's, andere private partijen en zelfs Israëlische overheidsorganisaties voor het antisemitische tuig dat het ministerie onder het mom van solidariteit geld toestopt. Alle noodsignalen ten spijt financiert de Minister talloze dubieuze Palestijnse organisaties. Voor de bühne stelde ze weliswaar een onderzoek in naar een van die organisaties en toen ze niet anders kon, werden ook de betalingen aan de organisatie waar de moordenaars van Rina Shnerb werkzaam waren, opgeschort, maar dat betekent niet dat daarmee ook het financieren van islamitische terreur is gestopt. Op dit moment steunt Nederland ten minste twee Palestijnse hulporganisaties die banden hebben met het PFLP, dat op de Europese lijst van terreurorganisaties staat. Deze hulporganisaties doen niets anders dan het doorsluizen van buitenlandse hulpgelden naar terroristen.

Afgelopen jaren werden zeker zeven omstreden ngo's door Nederland of met Nederlands geld gefinancierd. Er moet per direct een einde komen aan deze financiering van terrorisme en daarvoor moet Nederland wat mij betreft stoppen met alle financiering richting Palestijnse organisaties. Hier moet toch echt het principe gelden: bij twijfel niet oversteken. Kan de Minister hierop ingaan en duidelijk maken wat zij eraan gaat doen om ervoor te zorgen dat er nooit meer één cent belastinggeld direct via ons land dan wel via de EU besteed wordt aan antisemitische terreur?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank. Dan geef ik het woord aan de heer Van der Lee van GroenLinks.

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Dank, voorzitter. Ik zeg er even bij dat ik mede namens Gijs van Dijk van de Partij van de Arbeid het woord voer.

Ik herhaal heel kort even de complimenten die ik net bij interruptie gaf aan het departement, dat op vele fronten vooroploopt en nu ook in reactie op de degelijke rapportage van de beide rapporteurs toezegt om een aantal punten nog verder te verbeteren. Dat is heel belangrijk en nuttig. Maar ik wil me in deze bijdrage graag wat meer concentreren op een aantal bevindingen en van de Minister horen hoe ze daarover oordeelt. Ik ga ervan uit dat ze straks, als ze met een andere pet op gaat schrijven aan het nieuwe reageerakkoord, op het punt van de heer Hammelburg, de uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking in de toekomst, een goed percentage van 0,7 neerzet en daarbovenop ook de klimaatfinanciering goed regelt. Daar ga ik gewoon van uit, maar dat staat een beetje buiten de orde.

De voorzitter:

Ja, ja, ja, precies. We hebben hier gewoon een debat met de Minister en niet met de partijleider.

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Ja, maar ik droom altijd en dat doe ik soms hardop.

De feiten. Als ik kijk naar de inspanningen om wat meer focus aan te brengen in ons ontwikkelingswerk, dan vraag ik me af of we wel on track liggen. En ook wel: waar liggen nou precies de ambities? Ik noem een aantal voorbeelden waarvan ik me afvraag hoe de Minister hierop reflecteert. Neem de focusregio's. Nog geen kwart van het budget gaat daarnaartoe, dus ruim driekwart niet. Kun je dan eigenlijk wel van focusregio's spreken? Neem het feit dat slechts 16% van de ODA-uitgaven op decentraal wordt uitgegeven en 84% dus niet. Is dat wel waar we moeten zijn? Hoe meer contextspecifiek, hoe gerichter en minder gefragmenteerd het vaak is. Neem het feit – we hebben er een heel lang ideologisch debat over gehad – dat begrotingssteun bijna begraven is. Uiteindelijk gaat maar 1,4% van het budget naar overheden in arme landen, terwijl het belang van good governance bijna voor alle vormen van ontwikkelingssamenwerking cruciaal is. Zitten we daar wel op het goede spoor?

Verder worden er ook nieuwe stappen gezet als het gaat om de strategische evaluatieagenda. Dat vind ik allemaal positief en ik juich dat ook toe. Er wordt veel geëvalueerd. Ik heb wel recent een artikel van een groep ontwikkelingseconomen gelezen in ESB. Zij benadrukken dat het niet alleen gaat om de vraag wat en hoe vaak je evalueert, maar ook om de vraag hoe je evalueert. Wordt er voldoende en ook tijdig met onderzoekers nagedacht over: hoe gaan we die agenda vormgeven en wat doen we straks met de resultaten opdat we ervan blijven leren? Ook daar hoor ik graag een reflectie op van de Minister.

Op het punt van de beleidscoherentie liggen nog grote uitdagingen. Als ik vandaag alleen al het uitgelekte rapport van IPCC zie waaruit blijkt dat 80 miljoen mensen extra dreigen te verhongeren en dat ons voedselsysteem echt kritisch beschadigd dreigt te raken, vraag ik me af of we wel voldoende doen om onze mondiale voetafdruk te beperken. Neem de belastingontwijking en de aanpak daarvan. Uit onderzoek, ook uit onderzoek van een medewerker van het ministerie, blijkt ook dat daar waar wij exportkredietverlening verzorgen, dit vaak gepaard gaat met het verschuiven van belasting op een manier die wij niet willen. Is er voldoende aandacht voor de noodzaak van beleidscoherentie? Lukt het om andere departementen daar in voldoende mate in mee te nemen? Of zijn die toch te veel bezig met hun eigen prioriteiten en activiteiten?

Dan meer specifiek de klimaatsteun. Die is cruciaal, ook straks tijdens de top in Glasgow met het oog op het mondiale ambitieniveau en ook het omzetten daarvan in daadwerkelijke plannen. Het is belangrijk dat Nederland bijdraagt. We proberen een fair share te geven. We kunnen heel erg twisten over welk geld wel en niet meetelt. Uit het HGIS-jaarverslag blijkt dat van het aandeel klimaatrelevante uitgaven binnen artikel 1 – het gaat dus over duurzame economische ontwikkeling – slechts 9% wordt getypeerd als klimaatrelevant, terwijl de regels daarvoor niet eens zo heel streng zijn. Ook al een nevendoel als gunstig effect mag je immers voor 40% meetellen en toch is het in totaal maar 9%. Wat is nou eigenlijk onze ambitie? Hoe snel willen we het op 40% of liever nog meer hebben? Kan de Minister daar wat meer over zeggen?

Dan op het terrein van – even kijken, ik sla dit even over – het imvo. Daar praten we heel vaak over, evenals over het belang van meer normering. Er ligt een initiatiefwet, maar ook op Europees niveau zijn er activiteiten gaande, die nu wel weer uitgesteld lijken te worden. We hebben het ook vaker gehad over de noodzaak dat het ministerie werkt aan bouwstenen. Daar heeft de Kamer vaak naar gevraagd. Wanneer kunnen we die tegemoetzien? Op welke termijn kunnen we hier nog stappen zetten? Ik begrijp heel goed de uitdagingen die er zitten in het vaststellen van indicatoren en in het vervolgens ook internationaal eens worden over hoe je die dusdanig berekent dat ze vergelijkbaar worden. Het is heel belangrijk dat we hier stappen op zetten, juist ook uit het oogpunt van beleidscoherentie, waar ik het net over had. Dat is niet alleen een Nederlandse opgave, maar een mondiale, en het is echt belangrijk dat we hierin meer tempo maken. Ik hoor graag van de Minister wanneer we daarover meer tegemoet kunnen zien als Kamer.

De exportkredietverzekeringen noemde ik al even. Ik had het over een artikel in Vice Versa van Dirk-Jan Koch, die een opvallende link ziet tussen het verstrekken van exportkredietverzekeringen en het voorkomen van transacties naar belastingparadijzen. Wordt er wat gedaan met die analyse? Meer specifiek wacht ik nog op antwoord op een aanvullende set vragen die ik heb gesteld over Mozambique. Dat antwoord hoef ik niet vandaag te horen. Ik heb over Mozambique weleens vaker iets gevraagd en ik wil wel echt weten hoe dat zit. Dat kan in die schriftelijke antwoorden, maar daarbij hoort ook de nog steeds belangrijke wens om te voorkomen dat we in de toekomst nog exportkredietverzekeringen gaan geven die bijdragen aan fossiele winning waar dan ook.

Dan nog even de Dutch Good Growth Fund. Ik had het er al met de heer Klink over in een interruptiedebat, maar ik stel die vraag ook graag aan de Minister. Pijler twee loopt. Het lukt echt om risicodragend kapitaal te geven aan bedrijven in ontwikkelingslanden, maar op dat budget zit een cap, terwijl er in de andere twee pijlers sprake is van forse onderbesteding. Er is een kleine verschuiving aangebracht, maar het is toch echt eeuwig zonde dat er geld op de plank blijft liggen, terwijl de crisis ook daar door corona extra groot is. Iets werkt: dan verschuiven we toch gewoon de middelen? Desnoods tijdelijk, dat maakt mij niet uit, maar dat kan heel snel gebeuren en het heeft niets met regeerakkoord, formatie of wat dan ook te maken. Dat kan de Minister nu regelen.

De voorzitter:

Denkt u aan de tijd?

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Ik heb geen idee hoe lang ik heb gesproken.

De voorzitter:

Wilt u uw laatste zin al uitspreken?

De heer Van der Lee (GroenLinks):

U kent mij, ik blijf altijd doorpraten. Omdat u mij daarop aanspreekt, stop ik nu even. Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank. Dan geef ik het woord aan mevrouw Koekkoek van Volt.

Mevrouw Koekkoek (Volt):

Dank u wel, voorzitter. Ik wil ook graag zowel de rapporteurs als de verdere ondersteuning heel erg bedanken dat zij mij aan de hand nemen in deze ingewikkelde materie.

De heer Ceder noemde het eerder al: congruentie tussen handel en Ontwikkelingssamenwerking is eigenlijk heel ingewikkeld. Maar juist dit jaar, juist gedurende een pandemie, hebben gezien hoe belangrijk het is om deze twee onderdelen bij elkaar te brengen, om daar meer congruentie in te krijgen. We zien dat door de pandemie de ongelijkheid in de wereld verder groeit. Terwijl in Nederland in juni 10 miljoen prikken gezet zijn, hebben landen in Afrika nog niet één vaccin ontvangen. Terwijl de grotere economieën de herstelfase ingaan, blijven Afrika en Latijns-Amerika steeds verder achter.

Het is tijd om anders na ...

De voorzitter:

Mevrouw Koekkoek, ik zou even wachten tot de bel ophoudt.

Mevrouw Koekkoek (Volt):

We wachten in spanning tot de bel klaar is. Het is tijd om anders na te gaan denken over handel en niet alleen voor eigen gewin te gaan. Investeringen in de productiecapaciteit en het openhouden van toeleveringsketens zijn daarvoor essentieel. Want hoe kunnen we het verantwoorden dat Afrika, met een bevolking van 1,3 miljard mensen, maar 0,17% van de productiecapaciteit van de vaccins heeft, en Latijns-Amerika maar 2%? Mijn vraag aan de Minister is dan ook welke concrete stappen Nederland nu nog kan nemen om deze ongelijkheid te verminderen, ook met het oog op de toekomst. Is het bijvoorbeeld mogelijk om de infrastructuur van COVAX in de komende jaren ook in te zetten voor andere vaccins, zoals het poliovaccin?

Wij als Nederland weten als geen ander wat het belang van handel is voor het stijgen in de welvaart. We kennen ook de waarde van handel als instrument in de ontwikkeling. Nederland en de EU kunnen als economische grootmacht een belangrijke rol spelen in het herstel van de minst ontwikkelde landen. Welke stappen kunnen wij zetten om ervoor te zorgen dat met name de landen in het zuiden van de wereld de komende jaren en daarna niet achterblijven?

Voorzitter. Nu we langzaam kunnen uitkijken naar de herstelfase van onze economie, moeten we ook nadenken over hoe we handel weer kunnen laten werken voor mensen. De Frans-Nederlandse non-paper over handel, duurzaamheid en sociaaleconomische ontwikkeling is een eerste stap in de goede richting. We steunen dan ook het versterken van de duurzaamheidshoofdstukken in handelsverdragen en de inclusie van ambitieuze hoofdstukken over gendergelijkheid en kmo's zoals voorgesteld door het Europees parlement. Ook de herziening van het vijftienpuntenactieplan van de Europese Commissie over afdwingbaarheid ondersteunen we zeker. Dit zal een belangrijke stap zijn naar meer duurzame handel die de rechten van mensen centraal stelt. Maar een appel is niet voldoende. Dat is belangrijk, maar het verandert vaak weinig als vertegenwoordiging in de Wereldhandelsorganisatie achterblijft, als we exportrestricties in stand houden en als we de kleine ondernemers niet meenemen in handelsakkoorden. Deze zaken houden vaak verband met elkaar. Zo zien we dat meer open handel leidt tot een betere positie van kleine ondernemers, vaak vrouwen, die daardoor een eigen inkomen vergaren. Mijn vraag is dan ook: welke stappen zet Nederland nu al om de emanciperende werking te versterken? Kan de Minister concrete voorbeelden geven van hoe we via handel als instrument de emanciperende werking voortzetten? Wat zijn verbeterpunten voor de toekomst?

Voorzitter. Nederland staat er niet alleen voor. Multilaterale samenwerking in de Wereldhandelsorganisatie zou centraal moeten staan in het terugbrengen van handel naar de mensen. Dat is ook een doel dat de nieuwe dg van de WTO al gesteld heeft. Hervorming van de WTO zou dan ook hierop moeten inzetten, zowel door duurzaamheidsstandaarden multilateraal overeen te komen, maar ook door ontwikkelingslanden betere en gelijke toegang te geven tot het faciliteren van de WTO. Waar ze nu vaak een speelbal zijn van economische grootmachten, zouden ontwikkelingslanden een gelijkwaardige plek aan tafel moeten hebben. Ook is het daarbij belangrijk dat het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigd wordt in diezelfde WTO. Zij vertegenwoordigen immers de mensen. Welke rol ziet de Minister voor Nederland, eventueel indirect via de EU, met betrekking tot de hervormingen en met name met betrekking tot het versterken van het maatschappelijk middenveld en een gelijker speelveld voor de minder ontwikkelde landen? Welke stappen kunnen wij nu al zetten om ervoor te zorgen dat die gelijkwaardigheid verder terugkomt in internationale handel?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u. Dan geef ik het woord even aan de heer Van der Lee en vraag ik hem om even tijdelijk voorzitter te zijn.

Voorzitter: Van der Lee

De voorzitter:

Dat had ik begrepen. Dank u wel. Dat doe ik graag. Dan geef ik het woord aan mevrouw Kuik, die namens het CDA haar bijdrage gaat leveren.

Mevrouw Kuik (CDA):

Dank, voorzitter. Ik wil ook de rapporteurs danken en alle mensen voor en achter de schermen die aan dit beleid hebben bijgedragen. Juist dit jaar heeft laten zien hoe verbonden we met elkaar zijn over de hele wereld. De Minister gaf bij de rapporteurs al even aan dat we ook weer een beetje teruggeslagen zijn in de tijd. We hadden een heleboel dingen bereikt, maar op een flink aantal punten hebben we echt weer stappen teruggezet, bijvoorbeeld als het gaat over de rechten van vrouwen en meisjes. Vandaag maken we de rekeningen op van het laatste jaar van deze kabinetsperiode en het laatste jaar van deze Minister op dit punt. We hadden dit jaar natuurlijk van tevoren ook niet kunnen voorspellen, maar we hebben wel in september met een aanvulling vanuit de algemene begroting geantwoord op de eerste grote behoefte. We doen internationaal mee in de strijd tegen deze pandemie. Ik sta stil bij drie thema's, want we zijn door dit jaar natuurlijk ook met de neus op de feiten gedrukt over hoe belangrijk de inzet en de basis is op een thema als gezondheid. Ik wil het graag hebben over de global health, de rechten van vrouwen en meisjes en tot slot de multilaterale organisatie.

Dan begin ik bij de global health. De Kamer heeft in februari op verzoek van het CDA de AIV verzocht om een Nederlandse Global Health Strategie op te laten stellen. Als CDA denken we dat wij een belangrijke rol op ons kunnen nemen waarbij we vasthouden aan de focusregio's. Gezondheid en preventie zijn absolute prioriteiten de komende jaren. Die globalhealthagenda is natuurlijk veel meer dan alleen dat. Het gaat om toegang tot goede basiszorg, erkennen van zorg voor vrouwen en meisjes, mondiale vaccinatieprogramma's, sterke infrastructuur en toegang tot medicatie.

Dan kom ik op het punt van de PDP's, het ontwikkelen van producten en het ontwikkelen van diagnostiek. Daar zijn wij heel goed in. We hebben in de COVID-19-crisis ook gezien dat dit framework, het PDP-model, model heeft gestaan om snel te kunnen schakelen. Ik maak me wel zorgen over die PDP's. Vorig jaar heb ik bij de begrotingsbehandeling een motie ingediend om zo spoedig mogelijk de geplande evaluatie van de PDP's uit te voeren en in te zetten op een nieuwe meerjarige inzet, maar we wachten nu al een jaar op de evaluatie. Hoe staat het daarmee?

De voorzitter:

Er is een interruptie van de heer Klink.

De heer Klink (VVD):

Sorry, ik ben nog nieuw. Ik luister graag naar mevrouw Kuik, maar ik weet niet wat PDP's zijn. Kunt u de afkorting misschien duiden? Ik kan het zelf zo niet goed volgen.

Mevrouw Kuik (CDA):

Dat snap ik. Het zijn ook een hoop afkortingen. Het gaat om producten die we developen, die ontwikkeld worden. Het zijn dus innovaties die ontwikkeld worden op het gebied van diagnostiek van ziektes. Over bijvoorbeeld tuberculose wordt kennis verzameld vanuit Nederland, maar ook vanuit allerlei stromingen over de hele wereld. Die kennis en die informatie worden gebundeld en dat wordt over de wereld gedeeld. Sorry, ik heb er geen Nederlandse term voor, dus ik houd het dan bij PDP's. Het gaat dan echt om de ontwikkeling van kennis en het delen ervan, zodat ook landen in ontwikkelingsgebieden ervan kunnen profiteren.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Kuik vervolgt haar betoog.

Mevrouw Kuik (CDA):

Oké. Hoe zit het met de financiering van die product-developmentprogramma's? De ontwikkeling daarvan is belangrijk, ook voor baanbrekende diagnostiek bij tbc. We hebben mensen gezien die ziek zijn en een resistentie hebben ontwikkeld voor medicijnen, maar nu wel kunnen worden geholpen. Tbc is wel de grootste infectieziekte ter wereld. Er was altijd een flink bedrag beschikbaar, maar dat loopt af in 2021. Kan de Minister aangeven hoe het zit met de nieuwe calls? Zijn we nog op tijd of moeten de PDP's dan gestaakt worden?

Ik kom op het punt van de rechten van vrouwen en meisjes. Ik zei het in het begin al: we zijn ook weer een beetje teruggeworpen als het gaat om kindhuwelijken en om het naar school gaan van meisjes. De heer Ceder noemde in zijn bijdrage al het Fonds bestrijding kinderprostitutie. Daarvoor hebben we eerder aandacht gevraagd. Het lijkt nu af te lopen en daar maken we ons wel zorgen over, omdat we juist in de coronatijd hebben gezien dat het niet is afgenomen. Het is eigenlijk toegenomen. Dat is natuurlijk verschrikkelijk. Daarom is het van belang dat we daar wel op kunnen blijven inzetten. Ik sluit me aan bij de vragen van de heer Ceder op dit punt. In het jaarverslag ...

De voorzitter:

Ik onderbreek u weer, want er is een interruptie van de heer Hammelburg.

De heer Hammelburg (D66):

Ik kan niet anders zeggen dan dat ik het met het CDA eens ben dat er ontzettend veel extra uitdagingen bij zijn gekomen door de coronapandemie, maar inderdaad ook door tuberculose. Dat vraagt heel veel van een land als Nederland. Is het CDA dan ook bereid om daar echt een schepje bovenop te doen? We kunnen heel veel vragen stellen en ons zorgen maken over projecten die aflopen, maar als we nieuwe projecten willen opstarten betekent dat ook gewoon dat we daar financiering voor nodig hebben. Het is dus ook wel belangrijk dat het CDA daar dan water bij de wijn doet of, beter gezegd, er een schepje bovenop doet.

Mevrouw Kuik (CDA):

Ja, het is natuurlijk altijd een kwestie van geld en hoeveel je daarvan hebt, maar ook van prioriteiten stellen. Dit zijn wel de prioriteiten die het CDA altijd heeft aangegeven. Als je dan moet kiezen waarvoor je het schaarse geld inzet, dan is dit iets waarop wij al langer inzetten. U kunt dat ook zien aan moties die eerder zijn ingediend. Dit is onze innovatie, onze kennis, ook voor het integrale verhaal. Dit raakt niet alleen BuHa-OS. Dit raakt ook onze gezondheid. Dit raakt ook OCW en de kennis die we kunnen delen. Ik plus dit er nu dus niet bij als iets nieuws. Dit is iets waarop het CDA al jaren heeft ingezet als prioriteit.

De voorzitter:

De heer Hammelburg. Nee? Dan gaat mevrouw Kuik verder met haar betoog.

Mevrouw Kuik (CDA):

Voorzitter. In het verslag lees ik over de Nederlandse inzet op SEAH, dus sexual exploitation, abuse and harassment. Internationaal zet Nederland zich in voor de verankering van deze afspraken in contacten met VN-organisaties en in samenwerking met de VS en het VK. Dat is een hele goede ontwikkeling, waarin ik de Minister van harte steun. Dit zou moeten leiden tot een betere organisatiestructuur, transparantie over misstanden, een betere selectie van medewerkers en het tegengaan van straffeloosheid. In de humanitaire sector richtte Nederland zich ook op accountability mechanisms voor slachtoffers. Kan de Minister hier een toelichting bij geven? In hoeverre is dat nu verankerd? Kan de Minister ook aangeven hoe het gaat met bijvoorbeeld het humanitaire paspoort dat we in Nederland eerder hebben aangekondigd? Gebruiken we dat al voor de Nederlandse hulpverleners?

Voorzitter. Tot slot de inzet op multilaterale organisaties. Het terugdringen van de fragmentatie blijkt weerbarstig, stelt de Rekenkamer. Aangegeven wordt dat het voor medewerkers soms lastig is om afscheid te nemen van activiteiten of programma's. Om die fragmentatie terug te dringen is er een cultuurverandering nodig. Kan de Minister zich hierin vinden? Kan ze aangeven hoe ze met deze aanbeveling van de Rekenkamer aan de slag gaat en hoe haar overdracht straks kan bijdragen aan deze cultuurverandering? Multilaterale organisaties zijn in de coronacrisis vooral gebruikt in de uitgaven. Tijdens de behandeling van het Jaarverslag 2017 bleek al dat het lastig te controleren is hoe de gelden van Nederland die via multilaterale organisaties in Irak waren ingezet, zijn uitgegeven. Hoe is dat in de tussentijd verbeterd? Welke stappen zijn er in 2020 gezet om de transparantie te verbeteren? Kunnen we hiervoor een betere systematiek ontwikkelen?

Ik rond af, voorzitter, want ik zie u kijken. Kunnen we zoeken naar een internationale afspraak over de wijze waarop internationale hulpgelden worden uitgegeven, dus een definiëring van wat noodhulp is?

De voorzitter:

Dank voor uw inbreng, mevrouw Kuik. Daarmee geef ik u het woord ook weer terug als voorzitter.

Voorzitter: Kuik

De voorzitter:

Dank. Dan schorsen we tot 14.55 uur.

De vergadering wordt van 14.45 uur tot 14.55 uur geschorst.

De voorzitter:

Goed, dames en heren, we gaan weer beginnen en wel met de beantwoording door de Minister van de vragen uit de eerste termijn van de Kamer. Ik geef het woord aan de Minister.

Minister Kaag:

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Dank aan de leden voor de constructieve suggesties, waar die geplaatst zijn, en voor de vragen. Ik wil eerst de extra vragen afhandelen die gesteld zijn door de rapporteurs.

Worden vermoedens uitsluitend gemeld bij het Expertisecentrum Malversaties? Vermoedens van malversatie komen in eerste instantie binnen bij de beleidsdirecties of de posten, dus de ambassades. Zij melden alles bij het Expertisecentrum Malversaties. Dan is er een vaste procedure waardoor de melding wordt doorgeleid naar de ambtelijk en/of, afhankelijk van het type melding, bedrag et cetera, de politieke top. Daar is een heel stappenplan voor. Ik kan me voorstellen dat u dat een keer wil toevoegen aan de mogelijke ideeën rondom een vervolg-verbetertraject. Ik kan de ambtenaren het erbij laten schrijven, dan is dat inzichtelijk.

Hoe ziet de Minister het verbetertraject, hoe beoordeelt ze werken met indicatoren en welke mogelijkheden voor verbeteringen ziet ze? Elk jaar proberen we via de resultatenrapportage meer en nog volledigere informatie te geven. Er werd in eerdere commissiejaren juist vaak gesteld dat er te veel informatie was; dat geef ik ook maar even mee, daar kan ik me ook wel in vinden. Ik waardeer de opmerking van mevrouw Koekkoek van Volt dat zij het belangrijk vindt dat het de júíste mate van informatie is, zodat je door de bomen het bos nog kunt zien. Eerlijk gezegd is het een continu verbetertraject voor iedereen, de gebruikers maar natuurlijk ook de eindlezers.

De koppeling tussen athematische resultaten op de resultatenwebsite en de indicatoren in het jaarverslag blijft belangrijk en kan nog verbeterd worden. Omgekeerd wordt in het jaarverslag verwezen naar thema's in de resultatenrapportage, oftewel we proberen continu het loepje te laten zien. Zoals ik al eerder zei, lopen de indicatoren tot 2030.

Moeten we indicatoren toevoegen, verwijderen of aanpassen? Maken we het ingewikkeld? Hoe zie ik bijvoorbeeld de mobiliteit van indicatoren? Dat hangt samen met het verbetertraject. Ik meen dat dit een vraag was van de heer Hammelburg. Zoals u weet, is de huidige lijst met indicatoren strategisch gekozen voor elke beleidsprioriteit, om in één oogopslag te kunnen zien waar het over gaat, wat we willen bereiken en hoe je het meet; dus de SDG-agenda. Verwijderen betekent dat trendanalyse onmogelijk wordt, want dan weten we gewoon niet wat de stand van zaken is, laat staan de evolutie. Toevoegen van nieuwe indicatoren is mogelijk, dat kan data opleveren, maar je moet dan wel weten wat je meetmoment is geweest. Het is dus eigenlijk het beste om dat voor toekomstige projecten te gaan doen, met toekomstige partners, uitvoerende partijen, dus om dan afspraken te maken over de nieuwe indicator. Anders wordt het wel een enorme mengeling. Verder willen we ook nog steeds werken aan het verbeteren van het narratief, dus niet alleen de kwantitatieve indicatoren.

Soms is het ingewikkeld om gegevens van het jaarverslag, indicatoren en gegevens in het OS-portaal in samenhang te zien met de link naar beleidsartikelen, was een opmerking. Hoe zou de Tweede Kamer dat moeten bezien? Zijn er verbeteringen mogelijk voor de drie informatiebronnen voor het goed uitvoeren van de controlefunctie van de Tweede Kamer: verhouding streefwaarden en indicatoren in het jaarverslag en OS-portaal? Het OS-portaal blijft altijd een proces in ontwikkeling. Zoals ik al zei, gaan we bij de volgende resultatenrapportage de koppeling verbeteren, ook aan begrotingsartikelen en begrotingsindicatoren, evenals de koppeling tussen thematische resultaten en de rapportage en de lijst met individuele projecten.

Hoe hangen de evaluaties in de SEA samen met hoe Buitenlandse Zaken nu al evalueert met de informatie die de Tweede Kamer al heeft? De beleidsartikelen van BuHa-OS hebben over het algemeen een thematisch karakter, zoals u weet. Daardoor zijn de evaluatieactiviteiten de afgelopen jaren veelal al thematisch ingericht, waardoor er een continuïteit in de rapportage is. SEA biedt de mogelijkheid om nog meer tegemoet te komen aan de inzichtbehoeften, zoals dat kennelijk heet, en om artikeloverstijgende thema's te bestuderen.

Kan de Minister toelichten waar het strategische karakter van de Strategische Evaluatie Agenda, de SEA, uit blijkt? Welke mogelijkheden zijn er voor de Tweede Kamer? SEA geeft de mogelijkheid om op basis van de actuele behoefte aan inzicht artikeloverstijgende en dg-overstijgende beleidsthema's te evalueren. SEA stimuleert ook het gebruik van strategische evaluatiemethoden, bijvoorbeeld vooraf modelleren of scenario's ontwikkelen, evenals de evaluatie van de resultaten al tijdens de uitvoering. We zijn natuurlijk allemaal al gewend aan de midterm reviews, een spot check als je al een paar jaar aan het uitvoeren bent, maar dit is kennelijk nog een treetje hoger. De SEA-agenda is een bijlage bij de memorie van toelichting.

Welke andere onderzoeksbureaus zijn ingeschakeld voor het evalueren? Ik weet niet meer van wie die vraag was, van de heer Klink wellicht of van de heer Hammelburg. Zijn er naast de IOB nog andere organisaties? De grote beleidsevaluaties worden, zoals u weet, als sinds jaar en dag door de IOB uitgevoerd, met name de evaluatie van individuele programma's en projecten door Buitenlandse Zaken. Via een Europese aanbesteding is er een mantelovereenkomst afgesloten met consortia van gekwalificeerde kennisinstellingen, commerciële onderzoeksbureaus en universitaire partners. Die worden weer geselecteerd en gescreend door de IOB. Voor de mantelovereenkomst evaluatie 2020 zijn zestien partijen en consortia geselecteerd. Ik weet niet of tijdens de technische briefing al deze partners genoemd zijn, maar anders kunnen we dat op een of andere manier delen. Het is geen geheim. Maar dan weet u dat ook, voor de goede orde.

Dat waren de vragen.

De voorzitter:

Ik zie hierop nog één vraag van de heer Hammelburg.

De heer Hammelburg (D66):

Ja, omdat we hier natuurlijk net in de eerste termijn een debatje hadden over de transparantie van de bestedingen en dus het belang van de evaluaties, is het inderdaad voor ons als commissie heel erg belangrijk om te weten welke instanties daarbij betrokken zijn. Dat geeft weer, ook aan de Nederlandse belastingbetaler – dan kijk ik ook even naar mevrouw Van Weerdenburg aan mijn linkerzijde – hoe degelijk die evaluaties zijn en door welke partijen die worden uitgevoerd. Dat lijkt me heel belangrijk, dus dank aan de Minister. Als er meer informatie naar ons toe kan komen over welke partijen dat zijn, dan zijn we daar als commissie erg bij gebaat.

Minister Kaag:

Ja, met alle plezier. Het hoort erbij. Ik weet niet of het misschien ergens op de website is te vinden, maar ik deel het graag, met een paar andere dingen. Zoals de heer Hammelburg ook weet, is dit echt een vak. Er zijn hele gespecialiseerde organisaties voor nodig. Het is niet zomaar iets wat je er even bij leert. Dat zijn gerenommeerde instellingen, maar ook commerciële bureaus, universiteiten en andere. Ik noem bijvoorbeeld de Erasmus Universiteit en de Maastricht Universiteit, die dat dan weer samen met anderen doen. Je bundelt echt kennis en expertise op terreinen met een andere inkijk en een ander perspectief, wat ontzettend belangrijk is. Zo hou je het niet alleen eerlijk, maar zo kijk je naar hoe de resultaten bereikt kunnen worden. Ik wil nog even toevoegen dat Nederland dit jaar van het OESO-DAC een soort enorm grote pluim heeft gekregen, niet alleen voor de kwaliteit van onze ontwikkelingssamenwerking, maar voor de evaluaties, voor de transparantie en voor de resultaten die bereikt zijn. Want ontwikkelingssamenwerking is geen putten boren. Die fase is al decennialang achter ons gelaten. Het gaat om de analogie mensen niet alleen vissen te geven, maar ze te leren vissen. Dat is een langdurig investeringsproject van kennis, kunde en ondersteuning. Nederland heeft van hét orgaan dat dit kan evalueren en beoordelen op techniek, financiële besteding, transparantie en rapportage de grootst mogelijke pluim gekregen. Die wil ik hier formeel doorgeven. In analogie van de heer Van der Lee: alle dank aan alle ambtenaren, ook de voorgaande. Dit is een werk van vele jaren. Ik ben enorm trots op iedereen die hier namens Buitenlandse Zaken aan werkt en op de partnerorganisaties, want zij voeren het ook uit.

Dan wil ik graag doorgaan met de vragen, ditmaal niet op thema, maar per partij, als dat akkoord is. Ik begin met de vragen die gesteld zijn door de heer Klink. De Algemene Rekenkamer was kritisch over de incidentele suppletoire begroting. De heer Klink vroeg: waarom is er niet voor de aanpak gekozen zoals de Algemene Rekenkamer opmerkte? De Kamer is met een Kamerbrief op 10 julij 2020 geïnformeerd over het tweede steunpakket. Het tweede steunpakket is daarom op die manier meegenomen in de tweede suppletoire begroting. Het verschil was ook dat het tweede covidsteunpakket geen nieuw beleid betrof. Het waren gelden die we gevonden hebben binnen de bestaande begroting. Het bouwde voort op een regulier ontwikkelingssamenwerkingsbeleid en op het eerdere steunbeleid van de 100 miljoen euro. De Algemene Rekenkamer geeft ook aan dat de Kamer voldoende is geïnformeerd. Mochten we ooit nog een keer zo'n situatie meemaken, dan kan degene die dan Minister is altijd bedenken of we het alsnog via de incidentele suppletoire begroting kunnen doen. Het was, denk ik, niet een punt van kritiek. Het was een opmerking. Het kan altijd weer gewogen worden. Maar vanuit ons perspectief klopte het proces op zich.

Is de oplossing voor risicomanagement structureel doordat speciale risicomanagers permanent zijn aangesteld? Om de kwaliteit van risicomanagement op een goed niveau te brengen, is binnen elke organisatiedeel een risicomanager aangesteld. Die is toegevoegd aan het bestaande takenpakket van een leidinggevende. Het is een medewerker met juist heel veel ervaring in de activiteitencycli. Zolang de kwaliteit niet op een goed niveau ligt, zullen zij aanblijven. Ik heb geen inschatting van hoelang dit nog zal duren. Ik zal zeer zeker de aanbeveling aan mijn opvolger of opvolgster meegeven dat het goed is om dit een tijdje te blijven doen, gelet op de complexiteit van de gebieden waar wij werken.

De middelen die in 2020 waren begroot voor de ontwikkeling van de Chinastrategie, € 600.000, zijn niet gebruikt. De middelen waarop wordt gedoeld, zijn gebruikt. Het budget is overgeheveld naar RVO, omdat de Chinastrategie voor een groot deel wordt uitgevoerd door RVO. Het zijn dus geen ODA-middelen; het is non-ODA. Het gaat om handelsbevordering. De RVO heeft in opdracht van BuZa een informatie- en contactpunt voor decentrale overheden opgezet, waar zij met vragen over China en inkomende delegaties uit China terechtkunnen. Verder is er een International Business Academy opgericht. Ze hebben de informatievoorziening verbeterd. Er is een online risicoscan, waarmee bedrijven risico's voor hun sector in kaart kunnen brengen. Dit sluit in feite ook aan bij een aantal andere eisen en verwachtingen die wij delen met bedrijven via de RVO, maar ook VNO-NCW en anderen, over het risico van zakendoen in China als het gaat om de mensenrechtensituatie. Dan heb ik het met name over Xinjiang. Ik verwacht dat dit kanaal zich ook daarvoor inzet en bedrijven goed informeert, indachtig de motie-Van der Lee, over de keuze die bedrijven moeten maken. Als ze niet zeker weten, conform het OESO-beleid en het imvo-beleid van dit kabinet, dat mensenrechten worden geschonden door de productiewijze in hun keten, met name in Xinjiang, moeten ze voor de keuze worden gesteld om zich terug te trekken uit die regio of sector.

De voorzitter:

U heeft een vraag van de heer Klink.

De heer Klink (VVD):

Nog even over de Chinastrategie. Op pagina 41 zie ik bij de realisatie het getal 0 staan. Er is een verschil van zes ton. Dat is natuurlijk op de totale begroting een bedrag van niets, maar begrijp ik goed van de Minister dat RVO die Chinastrategie het komende jaar gaat uitvoeren? Of is die dan al uitgevoerd? Waarom staat er dan dat het geld niet is uitgegeven?

Minister Kaag:

Nou, mijn begrip is dat het is overgeheveld. Ik weet niet hoe ze dat accountingtechnisch hebben gedaan. Het geld is ingezet voor wat ik net noemde. Ik moet dat in tweede termijn nog even bij de financiële afdeling navragen.

De heer Klink (VVD):

Er is dus niet een document waar die Chinastrategie kan worden gevonden?

Minister Kaag:

Nee. Volgens mij is «Chinastrategie» een beetje een groot woord. Er is een Chinastrategie van het kabinet. Die is namens het kabinet voorgelegd door Minister Blok. Dit is een onderdeel van de uitvoering voor wat betreft de handelsbevorderende poot, die weer onderdeel is van dé Chinastrategie. Maar er is geen aparte handelsstrategie voor China.

De heer Klink (VVD):

Nee. Oké. Dus op dit vlak kunnen we niet iets vinden, zeg maar.

Minister Kaag:

Nee. Wat ik net allemaal heb genoemd, zijn voorbeelden van initiatieven van RVO waarvoor de middelen zijn ingezet.

De voorzitter:

Gaat u verder, Minister.

Minister Kaag:

Het G7-initiatief. De heer Klink vroeg: hoe gaat de Minister zich ervoor inzetten dat geld uit de EU-begroting en -instellingen, zoals de Europese Investeringsbank en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling niet bij staatsgesteunde Chinese bedrijven terechtkomen? Volgens mij bedoelt u het G7-initiatief rond de nieuwe investeringsgelden om herstel te bevorderen. Ja? Dan hebben we het over hetzelfde initiatief. We zijn nog niet bekend met de invulling. Dat hebben we volgens mij eerder gewisseld in een ander commissiedebat. Wij willen er juist naar streven, middels een aantal andere lidstaten van de G7, dat er echt aandacht wordt gevraagd voor hoogwaardige standaarden op het gebied van mens, milieu, governance en transparantie. De G7 wil, zoals u meldde, samenwerken met een aantal multilaterale ontwikkelingsbanken, maar we weten nog niet óf er, en zo ja hoeveel, EU-financiering naar het initiatief zal gaan. Samenwerking met die banken betekent niet dat ze het G7-initiatief willen gaan financieren. Misschien gaat het om lopende projecten. Ik zei al: de details weten we nog niet. Ontwikkelingsbanken hanteren al sinds jaar en dag internationaal open biedingsprocedures. Dus er is geen preselectie, laat staan uitsluiting op basis van nationaliteit of landenherkomst. Selectie gebeurt op basis van kosten en voorwaarden. Het gaat ons erom dat wij de standaarden willen verhogen. Als je uitgaat van standaarden, is het heel snel het geval dat een Chinees bedrijf niet per se zal worden gekozen.

Ik begrijp uw zorg over oneerlijke concurrentie door staatsgeleide en staatsgesubsidieerde bedrijven uit China. Ik denk dat alle lidstaten, dus niet alleen Nederland, zich daarvan bewust zijn. Wij vragen hier aandacht voor bij alle «boarden» van deze banken. Het is een thema dat wordt vervolgd.

De heer Klink had ook een vraag over het stellen van hogere standaarden aan Chinese bedrijven rond duurzaamheid, maatschappelijk verantwoord ondernemen en het in dienst nemen van lokale arbeidskrachten. Wat zou ertoe zou moeten leiden dat projecten nog wel openstaan voor bedrijven uit westerse landen en landen die OS ontvangen, maar niet meer voor bedrijven uit China? Ik geloof dat ik daar net al op heb geantwoord. Ik begrijp niet helemaal hoe u de link legt met OS-landen. Bedoelt u dat de kwaliteitsnorm dusdanig hoog is dat bedrijven uit westerse landen niet kunnen concurreren? Wat bedoelt meneer Klink precies, mevrouw de voorzitter?

De voorzitter:

Even een verhelderende vraag van de Minister aan de heer Klink. Misschien kunt u het kort ophelderen.

De heer Klink (VVD):

Dit hangt behoorlijk samen met de vorige vraag die ik stelde. Waar het eigenlijk om gaat, is dat we niet met Nederlands of Europees geld in landen biedingen faciliteren die Chinese partijen zullen winnen, omdat de standaarden daar lager zijn dan de standaarden die wij het liefst zouden willen zien en die ik net noemde. Kan daar iets meer aan gedaan worden? We zien het allemaal gebeuren en u ziet het zelf ook. U probeert waar mogelijk daar iets over te zeggen, maar in de tussentijd wordt de rol van China alleen maar dominanter. Of dat goed is voor de geopolitieke verhoudingen... Daar maak ik me erg veel zorgen over.

De voorzitter:

Dank. Dan geef ik het woord weer aan de Minister.

Minister Kaag:

Ik deel de zorg van de heer Klink, alleen denk ik dat de voorbeelden die hij noemde hier niet altijd van toepassing zijn. Uiteindelijk gaat het over handel en de OS-agenda. Wij geven OS-middelen zelf uit via de Europese instellingen. De kwaliteitseisen en -standaarden en de normering zijn dusdanig hoog dat ik denk dat veel Chinese bedrijven daaraan nog steeds niet kunnen of willen voldoen. Dus daar zit die concurrentieslag niet. Bij het concurreren op de commerciële markt hebben we inderdaad een groter probleem als het gaat om overnames en het type investeringen. Maar dat zijn andere vragen. Het is gelukkig ook nog steeds zo – dat hebben wij eerder gewisseld – dat westerse bedrijven veel beter scoren dan de Chinese concurrenten. Veelal wordt daarom de opdracht op grond van technische normen en standaarden aan westerse bedrijven gegund. Dat zijn niet per se Nederlandse bedrijven. Die slag moeten we ook nog maken.

Dan de vraag van de heer Klink over de «afbouwlanden». Dat woord had ik niet eerder gehoord, mevrouw de voorzitter, maar oké, de landen waar wij onze ontwikkelingsrelatie omzetten in een relatie van meer handel, zoals Indonesië, Rwanda en Ghana. Welke landen, zoals Indonesië, zouden op termijn moeten worden uitgefaseerd? Het heeft met veel stappen te maken. Ik ga nu niet in een demissionaire periode zeggen: land A, B of C. We moeten stellen dat de meeste landen veel liever handel drijven en in staat gesteld willen worden om handel te drijven, dan ontwikkelingssamenwerking te ontvangen. Als je ontwikkelingssamenwerking ontvangt op basis van de criteria die nu gelden, is het nog steeds slecht gesteld met de bevolking te lande. We geven ook nooit geld aan regeringen. We geven soms nog via de EU sectorale steun, maar sinds 2012 doen we al niet meer aan budgettaire begrotingssteun.

Het tweede is dat we kijken naar landen waar Nederland, of onze bilaterale relatie, meerwaarde kan hebben, en waar de OS-inzet echt het verschil kan maken. Dat varieert. Het hangt ook af van de prioriteiten, namelijk of het meer gaat om humanitaire hulp of om bijvoorbeeld mensenrechtenbescherming en promotie van vrouwenrechten et cetera. Dus demissionair ga ik geen stap vooruitzetten. Het hangt af van het kader. Ik hoop eerlijk gezegd dat men blijft inzetten op de SDG's, want die zijn internationaal afgesproken. Die zijn ook op Nederland van toepassing. Ik hoop dat een toekomstig kabinet kijkt waar nog steeds de meerwaarde ligt voor Nederland. Dat is niet uniek; het is geen rocketscience.

De voorzitter:

Ik kijk nog even naar de heer Klink.

De heer Klink (VVD):

Ik dank de Minister dat ook op deze vraag antwoord komt. Die heb ik nu vandaag niet gesteld, maar gisteren tijdens de technische briefing. Toen werd gezegd: het is toch te te veel een politiek getinte vraag. Het ging mij er niet zozeer om per se land vier of vijf te noemen. Ik wilde de vraag gisteren juist ambtelijk stellen om de volgende reden. Stel dat we ooit om wat voor reden dan ook op zo'n moment komen, dan mag ik hopen dat er een feitelijke technische onderbouwing is en we kunnen zeggen: we hebben nu dit gedaan met Indonesië, Ghana en Rwanda en er komt nu een vierde of een vijfde land bij. Dat moet dan wel ergens op gebaseerd zijn. Het gaat erom dat het niet een soort politiek handjeklap wordt, in de zin van: het komt ons nu wel goed uit dat dit land van hulp naar handel overgaat.

De voorzitter:

Uw vraag is duidelijk.

Minister Kaag:

Dan ben ik toch wel geïnteresseerd in het verkiezingsprogramma van de VVD, als het nog even mag. Daarin werd eigenlijk voorgesteld om de ATM – zo heette het – van Nederland dicht te doen. De heer Klink is daar niet verantwoordelijk voor, maar dat deed mij meer denken aan handjeklap, zeg ik tegen de heer Klink. Ontwikkelingssamenwerking is goed gestoeld. Er zitten wetenschap, studies en grote netwerken achter. Defensie en ontwikkelingssamenwerking zijn dé instrumenten van het Nederlandse buitenlandbeleid, in mijn inschatting. Daardoor worden wij gezien. We zijn een geziene gast en worden gerespecteerd, omdat we serieuze partners van andere landen zijn in moeilijke tijden. Maar ik weet ook dat deze commissie, als ze weer gaat reizen, met eigen ogen zal zien wat voor goede dingen er allemaal gebeuren op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, onder moeilijke omstandigheden, en hoe dat wordt gewaardeerd. Dan zal de heer Klink denk ik ook een eerste inschatting krijgen. Handjeklap is al van heel lang geleden, mijns inziens. Dat zou ook moeilijk te rapporteren zijn.

Dan ga ik door naar de heer Hammelburg. Wat is er van Nederland nodig de komende jaren om klimaatuitdagingen, hongeruitdagingen en rampen aan te pakken? Hoe kunnen we zorgen dat we mitigerende maatregelen nemen? We moeten klimaatdiplomatie voortzetten zoals die is uitgezet en natuurlijk proberen om anderen te overtuigen om, net als Nederland en de EU, meer te doen om klimaatverandering tegen te gaan. Maar dat kan ook door te helpen bij de investeringen. Dat kan een politieke keuze zijn. Dat kunnen ook keuzes zijn die wij maken via de Wereldbank of met aansturing van het IMF, zodat op internationaal niveau de juiste keuzes kunnen worden gemaakt. Natuurlijk kan dat ook door slimme samenwerking en innovatie. We moeten ook altijd aanbieden waar we goed in zijn, op het terrein van klimaatadaptatie en natuurlijk op het terrein van voeding en landbouw. Dan denk ik met name aan kringlooplandbouw, maar ook aan de kennis en kunde die we in huis hebben. Denk bijvoorbeeld aan een universiteit als Wageningen.

Hoe vindt de afstemming over inzet op het gebied van ontwikkelingssamenwerking plaats binnen de EU om de complementariteit te waarborgen? U doelde op de motie-Becker/Bouali. Transparantie over EU-ontwikkelingssamenwerking is belangrijk. Wij voldoen aan die motie middels de jaarlijkse EU-ontwikkelingssamenwerkingsbrief. Ik begrijp ook dat het ingewikkeld is om de ontwikkelingssamenwerkingsstructuur van de Europese Unie in kaart te brengen. Wij vinden dat ook best lastig. Wij blijven de Kamer daarover informeren. Afstemming vindt plaats tijdens de Ontwikkelingssamenwerkingsraad en in de landen zelf. Wij zijn betrokken bij Team Europe-initiatieven. Onze ambassades spelen daar een actieve rol in. En ja, er zijn Raadswerkgroepen over allerlei thema's in Brussel. Eerlijk gezegd gebeurt het dus op alle niveaus, net zoals het bij andere thema's zou gaan.

Wanneer mag de Tweede Kamer een brief tegemoetzien over knelpunten voor ondernemers in het buitenland ten gevolge van COVID-19? Dat is een onderdeel van het handelsrelatieprogramma. We zullen daar een passage aan wijden in de rapportage over de voortgang van de Handelsagenda. Die wordt dit jaar weer in de herfst aan de Tweede Kamer aangeboden. Ook weer in het kader van de transparantie heb ik sinds wij die proactieve Handelsagenda hebben geformuleerd besloten om hierover jaarlijks een update naar de Kamer te sturen om u mee te nemen in de voortgang, maar ook de tegenvallers en de oplossingen die wij voor ogen hebben. Ik kan al zeggen dat er belangrijke knelpunten zijn op het terrein van de middelen. Er is soms gebrek aan internationale netwerken en distributiekanalen. Dat heeft die ondernemers die net de internationale markt wilden betreden onmiddellijk geraakt. Maar ik denk dat we er heel veel aan hebben kunnen doen door middel van de digitale handelsmissies, digitale coaching en het hele systeem dat daarvoor is ingericht. Daar hoort u meer over in de brief.

Gaat de Minister ervoor pleiten dat de EU en de EU-lidstaten hun OS-budget vergroten? Ik denk eerlijk gezegd dat ons ook wel enige bescheidenheid past. Eerlijk is eerlijk: we hebben deze kabinetsperiode natuurlijk... Wat zegt u? Ik kan de heer Van der Lee niet horen, mevrouw de voorzitter.

De voorzitter:

Meneer Van der Lee, u moet niet zomaar mompelen; dan moet u het woord vragen.

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Ik zei: nieuwe rondes, nieuwe kansen.

De voorzitter:

Nieuwe rondes, nieuwe kansen. Inderdaad.

Minister Kaag:

Dat deel ik wel. Ons past enige bescheidenheid. We hebben deze kabinetsperiode door middel van kasschuiven natuurlijk wel weer de kortingen ongedaan gemaakt waartoe was besloten ten tijde van het kabinet-Rutte II. Mijn voorgangster, mevrouw Ploumen, had ook een inzet, maar die is toen niet gerealiseerd, vanwege de korting. Dat hebben we ongedaan kunnen maken. Maar er is natuurlijk meer nodig als je kijkt naar de grote uitdagingen en de vraag hoe we ontwikkelingssamenwerking slim kunnen inzetten. In het beleidskader van de Europese consensus over ontwikkeling staat dat de EU en de lidstaten zich samen moeten inzetten om 0,7% van het bni te verstrekken tegen het tijdpad van 2030. Zoals ik zei: we kunnen andere landen daartoe oproepen, maar ik zie liever dat we eerst zelf wat meer ambitie durven en kunnen tonen en daarna vanuit die geloofwaardigheid de oproep doen.

Dan ga ik door naar de ChristenUnie, om de simpele reden dat de antwoorden op de opmerkingen van mevrouw Van Weerdenburg nog niet bij mijn setje zitten. De heer Ceder zei over het wegwerken van de constatering van de Algemene Rekenkamer dat het verstandig zou zijn als het projectteam blijft bestaan. We houden ook dit projectteam dit jaar nog aan, als ik het goed begrijp. Er wordt ingezet op kennisoverdracht voor borging van de resultaten.

Dan de vraag van de heer Ceder over beleidscoherentie. We geven aanzienlijke bedragen uit om positieve ontwikkelingen te bewerkstelligen. Nederlands handelen kan ook negatieve effecten hebben op de wereld, zoals bij belastingwetten. Kunnen we cijfers geven? Hij vraagt ook om een koppeling tussen de Monitor Brede Welvaart en het actieplan beleidscoherentie. Ik verwijs naar de brief van de Staatssecretaris van Financiën uit 2020 – dat is wel al een jaar geleden – over monitoring van effecten van het Nederlandse beleid ten aanzien van belastingontwijking. De jaarlijkse rapportage over terugdringing van fiscale routes vanuit ontwikkelingslanden via Nederland naar belastingparadijzen is toegezegd. De ramingen zijn wel met wat onzekerheden omgeven. Informatie uit de Monitor Brede Welvaart wordt meegenomen in de beleidsontwikkeling, ook met het oog op beleidscoherentie. Ik ben bereid om met het CBS te kijken naar indicatoren om de voetafdruk beter te meten.

Wat kunnen we nog meer doen aan belastingontwijking? Dit kabinet heeft er vanaf het begin al op ingezet om belastingontwijking effectief tegen te gaan. Er zijn veel maatregelen aangekondigd, met name natuurlijk op het terrein van het Ministerie van Financiën. Je moet ook denken aan invoering van bronbelasting op uitgaande rente- en royaltybetalingen. Op 30 juni vindt een commissiedebat Belastingen plaats met collega Vijlbrief. Daarbij komen deze onderwerpen uitgebreid aan de orde. Wat wij hebben gedaan, is bijvoorbeeld mensen leveren aan het OESO/UNDP-programma Tax Inspectors Without Borders. We geven dus veel technische assistentie op het gebied van douane, belastingheffing et cetera. Kennelijk zijn de Nederlandse douaniers de beste van de wereld. Dit programma wordt enorm gewaardeerd. Het is een lange rij landen die allemaal vragen om steun via dit programma. Dat is een goed teken. Het hoort bij SDG 17 dat overal ter wereld belasting geheven moet worden. Dat is een belangrijke bron van eigen financiën en investering in landen.

Dan kinderprostitutie en de uitvoering van de motie-Voordewind/Kuik. In de brief staat: tot maart 2020. Leidend hiervoor is de financiering in het SRGR Partnerschap Fonds. Op verzoek van de Kamer is los van dit kader in mei jongstleden 5 miljoen aan de bestrijding van kinderprostitutie toegekend. De strijd tegen kinderprostitutie wordt al sinds 2016 gefinancierd. Het is een vreselijk verschijnsel. Ik vind het ook belangrijk dat wij dit voortzetten. De aansluiting bij het SRGR-artikel is nog niet eerder geëvalueerd. Na de evaluatie komt er een besluit over vervolgfinanciering. Ik ga ervan uit dat de Kamer hier welwillend tegenover zal staan.

De voorzitter:

Ik kijk even naar de heer Van der Lee. Wilt u mij even het woord geven voor een interruptie?

Voorzitter: Van der Lee

De voorzitter:

Zeker. Mevrouw Kuik, gaat uw gang.

Mevrouw Kuik (CDA):

Dank. Dit was het punt waar ik bij aansloot. Het is fijn dat de Minister bekijkt hoe het kan worden voortgezet, maar het loopt wel af. Ik vraag mij af of de continuering van projecten in gevaar komt.

Minister Kaag:

Ik kijk even achter mij, mevrouw de voorzitter, want misschien was er een spontaan antwoord. Nee, ik kom er in tweede termijn op terug. Het is niet mijn inschatting, maar ik kan het ook niet bevestigen.

De voorzitter:

Oké. Mevrouw Kuik is weer de voorzitter.

Voorzitter: Kuik

De voorzitter:

Dan geef ik het woord weer aan de Minister.

Minister Kaag:

De heer Ceder had een laatste vraag over opvang in de regio. Hij zei dat vluchtelingen beperkt kunnen werken en daardoor weinig perspectief hebben in opvanglanden. Hij vroeg: is de Minister het met mij eens dat het doel om verdere migratie tegen te gaan niet behaald wordt op deze wijze? Hier spelen twee dingen, mijns inziens – volgens mij bedoelde de heer Ceder dat ook. Opvang in de regio is in de eerste plaats bedoeld om humanitaire nood te lenigen. Historisch gezien gaan mensen altijd al naar hun buurland toe. 80% van de vluchtelingenbevolking blijft in de regio zelf in de hoop ooit weer naar huis terug te kunnen keren. Het zijn geen irreguliere migranten als het vluchtelingen zijn. We hebben van vroeg af aan in landen als Libanon en Jordanië ingezet op toegang tot werkgelegenheid. Daar hebben wij in 2018 een nieuw partnerschap voor opgericht: PROSPECTS. Dat heeft goede resultaten behaald. We dringen er via UNHCR en de Internationale Arbeidsorganisatie ook op aan dat de regeringen die opvang bieden, toegang tot de formele sector leveren.

Maar als het in Nederland al een moeilijk debat is, kunt u zich ook voorstellen dat de lokale bevolking in landen waar een derde van de bevolking vluchteling is, Libanon bijvoorbeeld, zegt: allemaal leuk en aardig – wij vangen ze op – maar hier vindt enorme verdringing op de arbeidsmarkt plaats. Meestal zijn dat mensen die zelf al niets hebben en die lijden onder de kosten van de opvang van vluchtelingen uit buurlanden. Dit zijn dus hele moeilijke gesprekken. Vaak is het wettelijk nog steeds niet mogelijk. We proberen dan wel in de informele sector banen te creëren, via training. We kijken ook naar banen voor vrouwen. Wij zijn heel erg afhankelijk van de onderhandelingen die hier continu over worden gevoerd, maar de houding richting vluchtelingen in veel landen verstart en verhardt, zeker als blijkt dat ze structureel veel langer blijven dan initieel was verwacht of gehoopt door de mensen zelf en de gastlanden. Het is dus vaak een heel moeilijk proces.

Dan ga ik door naar de vragen van de heer Van der Lee van GroenLinks. Dat waren heel veel vragen, ook namens de PvdA. Zijn we met onze inspanningen om focus aan te brengen in ontwikkelingssamenwerking op de goede weg? Waar liggen de ambities? Een voorbeeld was de focusregio. Nog geen kwart van het budget gaat daarnaartoe. Kunnen we dan wel van focusregio's spreken? 16% van de ODA-uitgaven wordt decentraal uitgegeven. Is dit goed? De verschuiving naar de focusregio's loopt volgens het plan dat wij in de nota hebben vastgesteld. Dat is een derde meer dan in 2017. Het is binnen bereik. Moet er meer? Ja, dat kan. Daar wordt aan gewerkt, maar ik ga geen radicale koersverandering inzetten.

Ik sta er sympathiek tegenover om meer te doen via de posten. U weet dat. In het lange verleden van Nederlandse ontwikkelingssamenwerking zijn er periodes dat het meer centraal gaat, dan weer meer decentraal en soms weer meer via lokale partners. Wij zetten er sowieso op in om meer via lokale partnerschappen te doen, ook in het kader van de gelijkwaardigheid van het globale zuiden, de activiteit en de beklijfbaarheid. Het percentage dat direct via overheden gaat is laag, maar er gaat ook veel via multilaterale kanalen die soms samenwerken met overheden, maar met name met lokale partners. Wij nemen al uw punten mee, want ze zijn heel relevant voor mijn opvolger of opvolgster. Dan ligt er eventueel wat klaar dat deze Kamer weer kan bespreken.

U vroeg naar good governance. Dat is een heel lang debat. Ik denk dat wij daar hetzelfde over denken. Het is geen ideologie. Het gaat uit van ordentelijkheid en de rechtsstaat. Bij alles wat de rechtsstaat kan bevorderen, opbouwen of versterken, ook vanuit een mensenrechtenperspectief, hoort goed bestuur. Daar hoort ook corruptiebestrijding bij. Daar hoort belastingbetaling bij. Daar hoort onderwijs bij. Het is het hele pakket. Goed bestuur was vroeger een apart thema. Ik denk dat we tegenwoordig zover zijn dat we het meenemen in alle samenwerkingsverbanden. Of het nu gaat om onderwijs of gezondheidszorg; alles vergt goed bestuur. Dat zien we in eigen land maar ook in andere landen, natuurlijk.

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Dank, helder. Het gaat mij ook om de combinatie. Ik heb zelf in het verleden meegemaakt dat delen van een overheid probeerden de corruptie bij andere delen van de overheid te bestrijden. Die zoeken daarbij steun, niet alleen qua capaciteit en trainingen, maar soms ook financieel. Dat is niet direct begrotingssteun, maar het is wel direct werken met een overheid. Mijn zorg is dat de discussie die wij in het verleden hebben gehad over het uitbannen van begrotingssteun, ervoor gezorgd heeft dat wij de goede krachten op dit punt soms te weinig steun geven. Daar wilde ik nog even aandacht voor vragen.

Minister Kaag:

Ik kan alleen maar zeggen dat ik het noteer. We geven natuurlijk nog wel op sommige niveaus via de EU sectorale steun. Dat is daar ook een voorbeeld van, maar dan zit je vaak meer in landbouw of onderwijs. U bedoelt meer de capaciteitsversterking die wij vaak financieren via UNDP en andere Europese donoren, dus het hangt er inderdaad vanaf. Maar het is een belangrijk punt.

De heer Van der Lee zei ook dat wij veel evalueren. Het ESB-artikel benadrukt niet alleen dat we moeten evalueren, maar ook hoe vaak en hoe. Kunnen wij kijken met onderzoekers hoe dat beter kan? Hoe gaan wij een agenda vormgeven? Wat doen wij met de resultaten? Om uitspraken te kunnen doen over welk soort project of programma werkt of niet, moeten wij systematisch bewijs vergaren. Dat gebeurt via de systematic reviews. Daar gebruiken wij impactevaluaties voor rondom vergelijkbare interventies, en dan komt de analyse. Naar aanleiding van eerdere conclusies van de IOB over kwaliteit van individuele projectevaluaties wordt in de ontwikkelfase van een project al nagedacht over de inrichting van de eindevaluatie, zodat je gaandeweg al de juiste data vergaart. Dat lijkt me heel belangrijk. De IOB heeft ook haar kwaliteitscriteria voor individuele evaluaties aangescherpt. In het recent gestarte Power of Voices-programma van het ministerie, bijvoorbeeld, zijn die criteria in de beschikkingen meegenomen. Er wordt continu gewerkt aan kwaliteitsverhoging. Evaluaties zijn een belangrijk leermiddel, maar ook een toets om te kijken of we de beoogde resultaten bereiken.

Dan beleidscoherentie. Uit het uitgelekte ICC-rapport blijkt dat mensen verhongeren. Doen wij voldoende om de impact van de mondiale voetafdruk te beperken? De trend is een aantal jaren al heel negatief en door corona alleen maar erger. U weet dat als geen ander. We hebben in november een VN-top over voedselsystemen voor meer en betere acties. Wij zijn heel actief daarin, ook dankzij professor Louise Fresco. We nemen actief deel met de overheid, het bedrijfsleven, Wageningen – ik noemde het al – en de ngo's. Wij bereiken jaarlijks 25 miljoen mensen, vooral vrouwen en meisjes, met betere voeding. Wij doen dat onder andere met UNICEF, omdat wij weten dat het niet alleen werkt, maar ook dat het transparant is en dat zij de systemen daarvoor hebben.

Is er voldoende aandacht voor de noodzaak van beleidscoherentie? Lukt het voldoende om andere departementen mee te nemen? Dat is een hele goeie. Ik heb al vaker in deze zaal gezegd dat ik vind dat de nationale agenda voor beleidscoherentie en SDG's niet belegd moeten zijn bij de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking. We hebben een werkgroepje opgezet om aan het volgende kabinet advies te geven en suggesties te doen voor waar dat beter belegd zou kunnen zijn, juist om andere ministeries mee te nemen vanuit een nationaal perspectief. Dat moet mijns inziens niet vanuit de Buitenlandse-Zakenhoek.

Klimaatsteun is cruciaal. Er werd gesproken over het mondiaal ambitieniveau en het plan. Wij moeten onze fair share bijdragen. In het HGIS-jaarverslag zag u terug dat maar 9% van de uitgaven voor duurzame ontwikkeling klimaatrelevant was ten aanzien van artikel 1 van de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, maar de regels zijn niet zo streng. Kunnen wij op 40% liggen? Wij werken toe naar een vergroening van begrotingsartikel 1, maar niet aan de hand van een percentage. Wij kijken waar wij aan klimaatmitigatie en -adaptatie kunnen doen als verplichte nevendoelstelling, maar niet per se binnen het beleidsartikel. In dat beleidsartikel ligt de focus op banen en economische ontwikkeling. Maar ik begrijp wat u bedoelt, namelijk dat wij alles op een slimme manier zouden moeten vergroenen en dat we ook zouden moeten kijken hoe wij groene banen kunnen creëren. Daar is nog wel een ontwikkelingsstap te maken.

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Het is goed om te horen dat daarnaartoe wordt gewerkt, maar ik vind het lastig dat er niet echt een kwantitatief doel is geformuleerd. Het kan altijd meer en het kan altijd beter, maar je kunt niet de resultaten meten als je niet van tevoren een ambitie hebt geformuleerd. Een wat concretere invulling van die ambitie zou ik dus toejuichen. Dat hoeft geen hard percentage te zijn, maar wel iets wat meetbaar is.

Minister Kaag:

Dat kan ik wel toezeggen, want ik vind dat ook belangrijk. En wie er ook komt, die zal zich hier ook wel toe willen zetten. Dus wij kunnen alvast ambtelijk voorwerk laten doen.

Wanneer kan de Kamer de imvo-bouwstenen tegemoetzien? Het is belangrijk dat wij stappen zetten op de verplichting. De bouwstenen voor de imvo-wetgeving liggen ter advies voor aan de SER en het ATR. Na ontvangst van de adviezen worden de bouwstenen afgerond. Ik hoop deze in september te kunnen delen met uw Kamer. Intussen hadden wij, zoals u ook weet uit mijn eerdere brief hierover, gezegd dat wij idealiter op Europees niveau het wetgevingstraject zouden hebben afgerond. Nou is daar ook wat vertraging opgelopen. Ik heb onlangs met Commissaris Reynders gesproken. Hij vertelde mij dat hij dacht daar in het vierde kwartaal op terug te kunnen komen. Ik wil niet wachten. Wij willen het werk afronden. Dan kan er altijd een politieke weging komen van de vraag of het op nationaal niveau wordt doorgezet of dat we goed zicht hebben op afronding op Europees niveau.

De voorzitter:

U heeft een interruptie van de heer Hammelburg.

De heer Hammelburg (D66):

Ja, over het SER-advies. Ik weet niet of de Minister dit precies weet, maar ik had begrepen dat het SER-advies nog voor de zomer zou komen. Is dat correct?

Minister Kaag:

Het SER-advies komt ook later, maar dat heeft niets te maken met de rol van de SER-voorzitter. Haha. Dat laatste was alleen maar een grapje.

De voorzitter:

Ik zie ook de heer Klink met een vraag.

De heer Klink (VVD):

Ook eventjes hierop inhakend. Ik begrijp heel goed dat de Minister zich volop inzet om dit zo veel mogelijk Europees vorm te geven. Mag ik aannemen dat de voorbereidingen die gedaan worden, voorbereidingen zijn zoals wij als Nederland het liefst willen dat ze Europees uit komen te zien? Wij gaan daar toch niet eenzijdig Nederlandse wetgeving op ontwikkelen? Begrijp ik het goed dat dat meer een kwestie is van ons eigen huiswerk doen, zodat wij goed beslagen ten ijs komen als er op Europees niveau wetgeving op komt?

Minister Kaag:

Nee, er zijn verschillende toezeggingen gedaan in de vorige Kamerperiode. Er is gezegd dat wij idealiter inzetten op Europees niveau, maar wij ronden wel de imvo-bouwstenen af. Die moeten op een gegeven moment klaar zijn en getoetst zijn. Dan liggen ze klaar en is de politieke weging aan een volgend kabinet. Dat zal niet in de demissionaire periode gebeuren. Een volgend kabinet moet de inschatting maken of het dat Europees wil afronden of op nationaal niveau als Europa toch tegen allerlei hobbels aanloopt.

De voorzitter:

Ik wou zeggen «gaat u verder», maar ik zie de heer Van der Lee opspringen.

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Dank aan de Minister voor de beantwoording. Op zich verrast het antwoord mij niet. Ik begrijp ook de logica als het gaat om het demissionaire kabinet. Tegelijkertijd zie je dat het Europese traject ook vertraging oploopt. Je ziet ook dat er bij de stakeholders heel veel ruis is, of het nou de ngo's zijn, die tempo willen maken, dan wel bedrijven of hun brancheorganisaties, die zorgen hebben over de vormgeving van indicatoren en die zich afvragen waar ze echt op afgerekend worden. Ik hoor graag de analyse van de Minister van waar die vertraging op Europees niveau hem nou in zit. Is het een reële verwachting dat er op afzienbare termijn iets uit gaat komen? Of moeten wij toch meer op het nationale traject blijven inzetten, ook bij het volgende missionaire kabinet omdat het in Europa te moeizaam blijft lopen?

Minister Kaag:

Ik wil niet speculeren. Wij ronden ons eigen huiswerk af op basis van de adviezen van SER en ATR. Dan heb ik ook beter inzicht in waarom Europa vertraging heeft opgelopen. Er was wat weerstand van lidstaten, heb ik begrepen van Commissaris Reynders. Dat is zorgelijk, want wij kunnen niet eeuwig wachten. Dat is politiek en maatschappelijk niet verstandig, maar de echte besluitvorming is aan een volgend kabinet. Maar ik kom daar in mijn schriftelijke verslaglegging op terug als ik de bouwstenen en het advies van onder andere de SER aan de Kamer aanbiedt. Dan heb ik ook meer informatie en een betere inschatting van Commissaris Reynders. Dat is naar mijn inschatting ook gelieerd aan een aantal verkiezingen die gaan plaatsvinden ...

De voorzitter:

Vervolgt u uw betoog.

Minister Kaag:

... niet in Nederland overigens, even voor de duidelijkheid van de kijker.

Dan ging het over een artikel over exportkredietverzekeringen en over ons eigen Ministerie van Dirk-Jan Koch. Hij ziet een link tussen het verstrekken van kredieten en transacties naar belastingparadijzen. Wat wordt gedaan met die analyse? Het artikel is gebaseerd op een aantal oudere transacties van voor 2015. Ik denk dat dat goed is om te zeggen. Het antiomkopingsbeleid is twee jaar geleden aangepast, in mijn tijd. Ekv kent antiomkopingsbeleid gebaseerd op internationale richtlijnen. Als belastingparadijzen onderdeel zijn van een transactie, dan leidt dat altijd tot extra due diligence. Dit jaar wordt het antiomkopingsbeleid van de ekv weer geëvalueerd. De resultaten worden eind dit jaar aan de Kamer aangeboden. Dat is een continu werkje, dat altijd verbeterd moet worden.

Uw vragen over Mozambique ben ik absoluut niet vergeten. Er wordt heel hard gewerkt aan en nagedacht over de hamvraag: hoe kan je een exportkredietverzekering weer ongedaan maken als de omstandigheden wijzigen? Die vraag heb ik ook gesteld, want ik wil dat ook weten. Het is geen lineair proces, maar een zorgvuldig juridisch en reputationeel werkje.

De laatste vraag van de heer Van der Lee ging over het DGGF (Dutch Good Growth Fund). Via pilot 2 lukt het echt om risicodragend kapitaal aan ontwikkelingslanden te geven. Er is een budget cap. Andere pijlers hebben forse onderbesteding. Kunnen wij de middelen verschuiven? Door corona is er ook vertraging opgelopen. Kunnen middelen tijdelijk anders worden aangewend?

Ik moet aan de ene kant het beeld rechtzetten dat er geld op de plank zou zijn blijven liggen. De onderuitputting waar in de evaluatie van werd gesproken, had te maken met het kasbudget, maar de kas loopt vanzelfsprekend achter op de verplichting. Bovendien zijn wij anderhalf jaar verder. Het fonds heeft zich verder ontwikkeld. Van de 700 miljoen investeringskapitaal die de drie fondsonderdelen ter beschikking is gesteld, ligt 640 vast in concrete projecten. Dus het is beter dan wij eerst dachten. We houden de vinger aan de pols. Toen ik aantrad, wist ik dat een aantal van uw voorgangers hier vaak naar vroegen, omdat het niet helemaal leek te kunnen voldoen aan de hoge verwachtingen, maar het gaat nu een stuk beter. Ik heb in een aantal landen een aantal hele mooie projecten kunnen bezoeken.

Mevrouw Koekkoek vroeg welke concrete stappen Nederland kan zetten om ongelijke toegang tot vaccins te verminderen, ook met het oog op de toekomst. Kan de infrastructuur van COVAX worden ingezet voor andere vaccins, zoals vaccins tegen polio? We hebben 70 miljoen euro in COVAX gestoken. Als directe oplossing voor het tekort aan vaccins is de WHO COVAX Manufacturing Taskforce opgezet. Die richt zich op uitbreiding van bestaande productie – dat is natuurlijk het hele snelle middel – en snelle vrijwillige overdracht van technologie en kennis. Het beheer van COVAX ligt bij de vaccinalliantie Gavi – die is bekend – maar de kerntaak van Gavi is basisvaccinatie van kinderen tegen infectieziekten, waaronder polio. Er wordt internationaal gewerkt aan meer lokale productiecapaciteit. Ik ben daar ook een voorstander van. Die kan dan ook ingezet worden voor andere vaccins in de toekomst. Het is een win-winkans voor veel landen, ook vanuit het oogpunt van werkgelegenheid, naast de kennisoverdracht.

Welke stappen kan Nederland zetten onder andere om het zuiden van de wereld niet achter te laten blijven in de herstelfase na covid? Dat is eigenlijk het grote verhaal van ontwikkelingssamenwerking. We hebben twee lagen. We moeten via het IMF en de Wereldbank echt helpen met de grote financieringsstromen. Dat gaat om investeringskeuzes die wij kunnen ondersteunen. Het is niet per se ons geld, maar het is wel het grote verhaal van de Wereldbank en het IMF. Verder proberen wij via de EU te kijken wat er moet gebeuren met de grote fondsen van de EU, waaraan wij afdrachten leveren, en te werken via Team Europe. Verder is het een kwestie even te kijken wat we zelf nog anders en beter moeten doen. Dan kom ik weer terug op een eerder debat dat we hebben gehad ooit – sorry, ik wees naar mevrouw Kuik, maar ik bedoelde mevrouw Kuiken – met de voorzitter over de gezondheidssystemen. We hebben als Nederland heel lang ingezet op seksuele rechten en gezondheidsrechten. Dat blijft ontzettend belangrijk, maar bij het ministerie heb ik een vraag uitgezet. In het kader van de beperkte kennis van nu, moeten wij ook weer anders gaan kijken naar het versterken van gezondheidssystemen in een aantal landen, door middel van kennis of kunde of via de WHO. Als het daar hapert, gaat het natuurlijk in de breedte ook mis. Dat is nog een vraag die uitstaat. Daar zou ik op terug willen komen. Het is direct verbonden aan de medische kant van de herstelfase van covid, maar ik heb uw vraag begrepen dat het natuurlijk over het sociaaleconomische gaat. Dit wordt vervolgd.

Welke stappen neemt Nederland nu al om de emanciperende werking van handelsakkoorden te versterken? Kan de Minister voorbeelden geven van hoe we via handelsinstrumenten de emanciperende werking voortzetten? Welke verbeterpunten zie ik voor de toekomst? Ons hele handelsbeleid probeert bij te dragen aan het bevorderen van gendergelijkheid en economische verzelfstandiging van vrouwen. Wij trekken heel erg op met landen als Zweden, ook in de review van het handelsbeleid. We hebben daar een aantal voorstellen voor gedaan en wij verwachten ook dat de EU die uit gaat werken. Wij willen ook dat de Commissie voorafgaand aan handelsakkoorden een echte analyse uitvoert van wat de handelsbarrières zijn voor vrouwen, hoe we die belemmeringen kunnen wegnemen en hoe je dat inzet in onderhandelingen. Verder doen we veel via het ITC, maar ook UNCTAD aan heel praktische programma's en projecten. Het is een standaardonderdeel van al mijn bezoeken en gesprekken op politiek niveau.

Welke rol ziet de Minister voor Nederland, eventueel indirect via de EU, om bij te dragen aan de WTO-hervorming en een gelijk speelveld voor minder ontwikkelde landen? Welke stappen kunnen we nemen – dit begint op een handelscommissiedebat te lijken – zodat die gelijkwaardigheid terugkomt in de internationale handel? U stelt een heel belangrijke vraag. Wij spreken al sinds jaar en dag over het belang van hervorming van de WTO. Ik heb grote verwachtingen van dr. Ngozi. Zij kan dit als geen ander. Zij legt ook een slimme link tussen economische gelijkheid, gelijkwaardigheid en het pad dat veel landen zullen moeten afwandelen, waar de WTO een hernieuwde sleutelrol in kan spelen. Wij willen natuurlijk wel de discussie aanjagen over de zogenaamde «bijzondere en gedifferentieerde behandeling», dus de status van landen. Daar hoort natuurlijk bij dat China geen ontwikkelingsland meer is. Daar willen wij bijvoorbeeld al sinds jaar en dag vanaf, van die status. Het is ook onheus gebruik van bepaalde mogelijkheden die worden geboden.

Wij willen dus kijken hoe de data worden ingezet en welke beleidskeuzes daarbij horen. Verder komt in Wereldhandelsorganisatieverband ook steeds meer – daar hebben we ook eerder over van gedachten gewisseld – het concept terug of we niet alleen moeten kijken naar de criteria voor veiligheid en standaarden, maar ook productiewijzen. Dat is ontzettend belangrijk en ik denk dat dat ons ook gaat helpen in de toekomst bij het afspreken van handelsakkoorden, als we zeker zijn dat productiewijze, eerlijk loon, duurzaamheid, veilige productiestandaarden, et cetera echt worden meegenomen. Dat zal ook hopelijk het klimaat voor internationale handelsverdragen weer verbeteren. Er is een lange weg te gaan, maar we gaan moedig voorwaarts.

Dan zijn er een aantal vragen van mevrouw Van Weerdenburg.

De voorzitter:

Sorry, ik was even aan het dromen. Mevrouw Koekkoek van Volt.

Mevrouw Koekkoek (Volt):

Ik heb misschien meer een vervolg- en verduidelijkingsvraag. Ook richting de vernieuwing van de WTO de oproep aan de nieuwe dg van de WTO om ook het maatschappelijk middenveld meer in dat multilaterale te betrekken. Ik begrijp heel goed wat er gezegd wordt over duurzame standaarden. Daar ben ik het mee eens. Hoe kunnen we dat versterken, eventueel indirect via de EU?

Minister Kaag:

Ik denk dat de EU daar zelf nog een verbeterpad kan afwandelen. Wij zijn er ook altijd heel actief in. Ik zal dat zeker meenemen. Dr. Ngozi hoeft daar geen aanmoediging voor te krijgen. Het zijn de lidstaten via de EU die dat echt moeten willen uitvoeren. Het maatschappelijk middenveld is gelukkig heel prominent aanwezig in Genève, maar het kan altijd beter en meer.

Dan de vragen – dat waren relevante vragen – van mevrouw Van Weerdenburg. Zij had een vraag over de website van ontwikkelingssamenwerking. Kan de Minister aangeven wat zij van plan is om de website te verbeteren? Mevrouw Van Weerdenburg en ik hebben hier al vaker over van gedachten gewisseld. Het behoeft geen toelichting dat ik altijd al een fan was van de website en de verbeteringsmethodes. Het ministerie herkent zich dus helemaal niet in opmerkingen, suggesties of inferenties over «terugmoffelen» of wegmoffelen. Er wordt onderzocht of het mogelijk is om informatie die uitvoerende partners hebben in IATI te zetten en toe te voegen. De projectinformatie op de site is op basis van de open data van BZ in IATI. Dat is de internationale standaard voor het publiceren van gegevens over ontwikkelingssamenwerking. Wij waren ook een van de aanjagers van IATI. Het is dus eigenlijk omgekeerd: wij lopen meestal voorop en we proberen het altijd nog beter te doen en anderen mee te krijgen.

De voorzitter:

U heeft een vraag van de heer Hammelburg.

De heer Hammelburg (D66):

De standaarden van IATI zijn ontzettend belangrijk, juist ook voor de transparantie. Ergens heb ik ook wel een vrees. We willen dat ons ontwikkelingssamenwerkingsgeld zo veel mogelijk daar terechtkomt waar het nodig is. Er is ook nog het risico van overrapportering en een te grote rapporteringsdruk voor maatschappelijke organisaties in het veld die echt met de poten in de modder moeten staan. Hoe zorgen we ervoor dat we de balans bewaken tussen rapporteringsplicht en overheadkosten aan de ene kant en die transparantie, die natuurlijk heel erg noodzakelijk is, aan de andere kant?

Minister Kaag:

Even kijken of ik de vraag van de heer Hammelburg goed heb begrepen. U wilt nog een verdere stap zetten?

De heer Hammelburg (D66):

De discussie gaat hier over rapportering in IATI en het toevoegen van informatie. Tegelijkertijd betekent dat voor uitvoeringsorganisaties... Ik heb het vooral over de kleine maatschappelijke organisaties. Vaak gaat het over journalisten of activisten die met vijf à zes mensen werken en schaarse toegang hebben tot communicatiemiddelen als een laptop. De rapportering is heel belangrijk, maar het is ook heel erg belangrijk dat ze het aankunnen en dat het uitvoerbaar is. Ik maak me zorgen over die balans. Dit is misschien meer iets wat ik mee zou willen geven dan een actieve vraag, maar ik wilde het hier wel gezegd hebben.

Minister Kaag:

Ik vind het heel herkenbaar. Aan de ene kant willen we namelijk het maatschappelijk middenveld versterken en ze een stem geven. Er is vaak een zorg met betrekking tot mensenrechtenvoorvechters, vertegenwoordigers van de lhbti-gemeenschap of mensen die niet meer geloven of van geloof veranderen. Dat zijn allemaal mensen die in het land waar ze werken vaak in een hele kwetsbare positie zitten. Ze durven zich toch in te zetten. Ook het delen van data over hen is dus vaak al een enorm risico voor hen. Het tweede is inderdaad de werklast. Onlangs heb ik het stokje overgedragen als zogenaamd eminent person van de Grand Bargain. Dat heb ik overgedragen aan Jan Egeland. Daarbij heeft Nederland ook het heel belangrijke thema van lokalisatie uitgewerkt. Het gaat om het ontwerpen en uitvoeren van in dit geval humanitaire hulp, maar er is ook grote aandacht voor de transactiekosten en bureaucratische overlast die te gedetailleerde rapportage voor hele kleine organisaties met zich meebrengt. Daar moeten we ergens de balans in vinden, want soms voegt de informatie die gevraagd wordt ook niets toe aan de audits of aan het leerproces. Het is meer, meer, meer, maar je drijft een organisatie bijna over de klip.

Er zijn geen URL's van projectwebsites. Mevrouw Van Weerdenburg vroeg hiernaar. Er zijn wel bijna 9.000 activiteiten. Het advies is vooralsnog dat het moeilijk is om die alsnog toe te voegen, maar ik wil best technisch laten uitzoeken of dit kan en of het ook een toegevoegde waarde heeft. Dat kan ik eerlijk gezegd echt niet overzien voor 9.000 activiteiten, maar er is altijd een openheid om te kijken of er nog meer mogelijk is. Ik heb begrepen dat mevrouw Van Weerdenburg eigenlijk wilde weten dat alles aan elkaar gelinkt kan worden, dat je niet alleen kunt lezen over de grote projecten, maar ook over de kleine, en dat het ook inzichtelijker en visueler wordt.

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Ik wil daar inderdaad even op reageren, ook omdat mijn vraag door de interruptie van de heer Hammelburg misschien groter lijkt dan hij is. Wat ik graag zou willen, is om te beginnen dat de informatie die er al is op uw departement – ik neem aan dat projecten ook evaluaties sturen naar het departement; het wordt in de gaten gehouden – en bijvoorbeeld websites die er al zijn, gewoon toegevoegd kunnen worden aan de speciale webpagina op de projectenwebsite. Het is dus niet dat we nu iedereen aan het werk moeten zetten en «meer, meer, meer» willen. Er is al heel veel data, en die is nog niet toegevoegd. Dat was eigenlijk meer mijn vraag.

Minister Kaag:

Ik ben technisch gezien gewoon niet in staat om te kijken of dit werkt, eerlijk gezegd. Ik wil hier ambtelijk advies over krijgen. Mij is geadviseerd dat het niet aan te raden is om het toe te voegen, maar misschien is er een slimmere methode. Ik denk dat mevrouw Van Weerdenburg meer een soort logisch systeem wil, waarbij als je op a drukt, wordt geïntroduceerd dat er ergens ook nog een b en c op te halen zijn. Het is maar hoeveel de mens wil weten. Dat kan ik me wel goed voorstellen.

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Als ik daar iets aan mag toevoegen: als je klikt op een project of een partner, krijg je een aparte webpagina. Daarop staat ook de startdatum en de einddatum van het project en hoeveel ernaartoe is gegaan. Maar er is nog veel meer ruimte op die pagina om net even een linkje toe te voegen of wat dan ook. Het is technisch lastiger om webpagina's toe te voegen; dat snap ik. Maar ik heb het echt over het toevoegen van een linkje op een al bestaande site. Volgens mij moet dat niet heel erg...

Minister Kaag:

Ik laat het gewoon netjes uitzoeken en dan komt er hopelijk een afdoende antwoord. We hebben in deze periode, mijn periode, sowieso zeker al mooie afspraken gemaakt met de Kamer over verbetering en integratie van websites en transparantie. Daarbij ging het ook over het taalgebruik, in het Nederlands en Engels, meen ik. Dat was eerder ook een verzoek, omdat veel documenten in het Engels worden aangeleverd. De vertaalknop helpt tegenwoordig gelukkig ook. Dat is het mooie van de techniek. Met de nieuwe website worden afspraken gemaakt volgens de overeengekomen planning, maar we nemen deze vraag nog mee, want ik kan me inderdaad voorstellen dat er misschien toch nog wel een soort praktisch opstapje is. Maar zoals ik zei, vraag ik tegenwoordig ook mijn kinderen om mij te helpen met een paar dingen. Ik ben dus niet de juiste persoon om hier een oordeel over te vellen. Maar transparantie staat bovenaan. Als D66-partijleider kan ik dat alleen maar beamen.

Kan ik duidelijk maken wat we nu gaan doen zodat er geen geld meer gaat naar – ik citeer – «antisemitische terreur»? Dat zijn de woorden van mevrouw Van Weerdenburg, voor de goede orde. Nederland steunt geen organisaties die door de Verenigde Naties of de EU zijn aangewezen als terreurorganisaties. We nemen alle informatie over organisaties die mogelijk banden hebben met terreurorganisaties altijd serieus. Een aantal van de organisaties die genoemd zijn in artikelen, worden overigens al vijftien jaar, of veertien of dertien jaar, door Nederland gesteund. Banden met terroristische organisaties moeten natuurlijk ook bewezen worden. Wij willen graag dat overtuigend bewijs wordt aangeleverd en dat het getoetst is door een onafhankelijke rechter. Ik heb dit ook weer besproken met mijn Israëlische counterpart Yair Lapid. We gaan hier samen in optrekken, want er is vanuit de Nederlandse regering totale openheid en verantwoordelijkheid om dit goed uit te zoeken.

De organisatie die in het Elsevierartikel werd aangeleverd was een organisatie waar Nederland niet mee samenwerkt. Er zijn ook organisaties genoemd die Nederland in het verleden heeft gefinancierd, maar die we niet meer financieren. Ik geloof dat er bijvoorbeeld een financiering is afgerond in 2016, of het ging via de Verenigde Naties. We hebben ook overal formele informatieverzoeken neergelegd. Vooralsnog hebben we ook een intern onderzoek gedaan vanuit de audit, want het ging ook om het misleiden of het omleggen... Hoe moet je dat zeggen? Het ging erom dat het geld niet werd gebruikt voor de projectactiviteit waarvoor het bedoeld was. Onze eigen audit en alle financiële afrekeningen hebben dat tot nu toe niet laten zien. Zoals ik net zei, heb ik ook met Yair Lapid afgesproken dat als er nog documenten zijn die ze wel kunnen verstrekken en die aantonen dat er organisaties zijn waar Nederland in het verleden aan heeft bijgedragen, onder het kabinet-Rutte I, gedoogd door de PVV, het kabinet-Rutte II of het kabinet-Rutte III, we die graag willen zien. Tot nu toe heeft de Israëlische ambassadeur in Den Haag verzekerd dat Israël nog niet over die documenten beschikt of er niet over beschikt.

U weet ook dat we als enige land – dat heb ik gedaan – de financiering aan UHWC hebben opgeschort. We zijn het meest veelomvattende externe onderzoek gestart. Geen enkel ander Europees donorland heeft dit gedaan, en de EU ook niet. Ik verwacht het rapport binnenkort te ontvangen. Ik zal dat zorgvuldig bestuderen en het voorzien van een kabinetsreactie. Dat komt u zo snel mogelijk na het reces toe. Dit wordt gekoppeld aan een bredere studie die we ook hebben gedaan ten aanzien van risicoweging. Daarbij hebben we gekeken of Nederland en het ministerie, misschien met andere partners met wie we werken, in dit tijdsgewricht wel de juiste risicokaders hebben. Veel informatie gaat namelijk via één kanaal. Dat hebben we meegemaakt bij de discussie over financiering van het EIP. Ik wil dit dus ook gebruiken om een totale verbeterslag te maken in de bestudering, de informatiedeling en de afweging, maar ook in situaties en landen waar Nederland werkt waarbij we gewoon niet het inzicht hebben in de totaliteit van de informatie die er misschien moet zijn. Dat willen we ook op Europees niveau doen. Dat is een langere stap.

Dit was het. O, het CDA nog. Sorry. Ik heb uw vragen nog, mevrouw de voorzitter.

De voorzitter:

En ik zie nog een vraag van de heer Van Weerdenburg. O, ik haal ze door de war. Ik zie de heer Klink in mijn ooghoek, maar mevróúw Van Weerdenburg krijgt het woord.

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Nog heel even over het voorgaande punt. Ik probeer een beetje te begrijpen hoe dat proces dan gaat. Er komen serieuze signalen door van diplomatieke kant, van Israël of zelfs van inlichtingendiensten. Hoe kan het dat dan niet alle alarmbellen afgaan? Wat gebeurt er dan? Wordt er dan even een telefoontje gepleegd naar die organisatie, zo van: jullie spenderen dat toch niet aan terreur? Want dan is het antwoord: nee, natuurlijk niet. Het lijkt mij dat de Israëlische inlichtingendiensten, de beste ter wereld, dat niet zomaar zeggen. Waar loopt het dan mis, zeker omdat we weten dat het in dat gebied al gevoelig is? Het lijkt mij dat alle alarmbellen moeten afgaan en dat we dan even heel goed gaan kijken wat daar loos is.

Minister Kaag:

Over de informatie van diensten tot diensten: u heeft die misschien, maar daar spreken wij niet over. Veel belangrijker is dat er een extern onderzoek loopt. Zoals ik zei, zijn we het enige donorland aan deze organisatie dat dit heeft uitgezet. Men heeft dezelfde informatie ontvangen van Israëlische zijde, maar geen enkel ander land heeft de financiering stopgezet. Wij zijn zo zorgvuldig dat wij kijken of er iets heeft plaatsgevonden, of er informatie is gemist en wat de stand van zaken is. Ik ga hier verder niet over speculeren, want ik heb nog geen enkele conceptstudie gezien. Dit komt nog, en dan wordt het gewogen en besproken, ook in het kabinet. Daarna worden vervolgstappen gezet. In de studie en de kabinetsappreciatie zal alles worden gedeeld wat feitelijk is vastgesteld. Het gaat ook om feiten. Dat is ontzettend belangrijk.

De voorzitter:

Vervolgt u uw betoog, Minister. Of een slotopmerking?

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Ja, tot slot. Zou de Minister zich ook in EU-verband voor deze werkwijze sterk kunnen maken? Er gaat ook genoeg EU-geld die kant op. Als Nederland dan zo'n voorbeeldfunctie vervult, mag dat ook wel in EU-verband duidelijk gemaakt worden, neem ik aan.

Minister Kaag:

Iedereen kijkt al naar ons. Eerlijk gezegd hebben we veel kritiek gehad op onze heel strakke werkwijze. Dat wil ik dan ook eens meegeven. Het tweede is dat, als wij bevindingen hebben die dusdanig zijn, het ook onze verantwoordelijkheid is om die te delen. Uiteraard. Dat is niet alleen zo omdat er via de EU gelden lopen, maar ook omdat het een heel belangrijke conclusie zou zijn. Maar ik loop op niets vooruit. Feiten doen ertoe, voor dit kabinet en voor mij: niet aantijgingen, maar feiten en goed onderzoek. Daarna gaat het om conclusies en goed handelen. Zo kent deze Kamer mij.

Dan hebben we de laatste paar vragen van mevrouw Kuik van het CDA. Wanneer is de PDP-evaluatie klaar? Hoe houden we de PDP's volgend jaar nog mogelijk, ook financieel gezien? De eindevaluatie is dit najaar gereed en zal samen met de beleidsreactie met uw Kamer worden gedeeld. Dan vindt besluitvorming plaats over de voortzetting. Ik begrijp de vraag van mevrouw Kuik wel. Mevrouw Kuik is wellicht bang dat er een lacune zou kunnen optreden. Dat is niet de insteek. Als de evaluatie goed is, hopen we dat een doorstart mogelijk kan zijn.

Hoe staat het met het humanitair paspoort in het kader van seksueel misbruik en machtsmisbruik? Gebruiken we het in Nederland al en hoe kunnen we het Europees gaan regelen? Ik ben nog steeds een groot voorstander van het humanitair paspoort, maar het blijkt nog steeds heel lastig om andere lidstaten zover te krijgen, ook vanwege privacywetgeving en de diversiteit aan functies in de hulpsector. Ik blijf het belangrijk vinden, dus wij blijven ons ervoor inzetten. Ik deel de zucht van mevrouw Kuik. We hebben in het verleden vaak gezien dat een aantal mensen van de ene organisatie naar de andere konden switchen, dat ze het verleden bij wijze van spreken weg konden wissen en weer konden herstarten met misbruik. Daar maak ik me zorgen over. Er zijn platforms opgericht – ik zeg het toch even in het Engels – zoals het interagency misconduct scheme. Leden maken dan afspraken over uitwisseling van informatie over daders. Dat is al één, maar je moet weten of iemand een dader is. Elf van de DRA-leden hebben zich al aangesloten: Cordaid, Dorcas, Oxfam Novib, Red een Kind, Save the Children, SOS Kinderdorpen, Stichting Vluchteling, Terre des Hommes, Tearfund, Wold Vision en ZOA. Ik denk dus dat we er uiteindelijk komen, maar het gaat me nog steeds een beetje te langzaam. Wij trekken er enorm aan.

Voorzitter: Van der Lee

Mevrouw Kuik (CDA):

Kijk, daar zit de frustratie wel: over wiens privacy moeten we ons nou zorgen maken? Het gaat om de privacy van de vrouwen die misbruikt worden, wordt geschonden. Het is eigenlijk van de zotte dat de privacy van de dader, de misbruiker dan vooropstaat. Dat is gewoon hartstikke krom. Ik ben blij dat de Nederlandse organisaties zich nu hebben uitgesproken en aangesloten, maar we moeten vol de druk erop houden. Want het is gewoon de omgekeerde wereld.

Minister Kaag:

Ik deel de frustratie helemaal. Tegelijkertijd mag inachtneming van de privacywetgeving geen obstakel worden om een slim systeem te vinden waarbij je preventief kunt opereren, de slachtoffers borging kunt geven en daders kunt aanpakken, en ook kunt voorkomen dat ze gewoon weer elders opduiken. Dat is heel belangrijk, in een wereld waarin de meest kwetsbaren ultiem afhankelijk zijn. De risico's zijn dus alleen maar vergroot. Ik deel dit. Wij zullen ook weer kijken of we hier met een aantal landen toch nog een oplossing voor kunnen vinden, want het is te belangrijk.

Mevrouw Kuik had ook een vraag over het verantwoordingsmechanisme, of accountability mechanism. Het einddoel is een onafhankelijk, internationaal accountabilitymechanisme te krijgen voor de slachtoffers. De eerste stap is dat we voortbouwen op het nationale systeem, met mensenrechtenorganisaties of lokale ombudsmechanismes. Er zijn gelukkig wel drie pilots in drie landen gestart, die werken op basis van de alliantie van humanitaire kernstandaarden en het Instituut voor Sociale Studies van Erasmus. De pilots zijn een beetje vertraagd, maar we verwachten snel meer resultaten. De vertraging komt alleen maar door corona, door reisbeperkingen en de werksituatie te lande.

Wat is er gedaan met de aanbeveling van de Rekenkamer over cultuurveranderingen op het ministerie en wat kan daaraan gedaan worden? Er wordt meer tijd en ruimte vrijgemaakt voor monitoren, evalueren en leren voor meer impact. Daarnaast is de concrete doelstelling: 25% minder activiteiten vanaf 2022 en de succesvolste activiteiten fors opschalen. Daarbij is de aantekening dat er ook vanuit deze Kamer terecht heel veel informatie wordt gevraagd en vragen worden gesteld. Dat vergt ook ambtelijke tijd en denktijd. Er worden ook vaak initiatieven gelanceerd op verzoek van deze Kamer, die niet per se altijd aansluiten bij de prioriteiten die gesteld zijn. Ik vraag dus ook uw coulance, dus dat u ons vanuit de controlerende taak die u heeft misschien helpt om de aanbevelingen van de Rekenkamer zo goed mogelijk te kunnen uitvoeren. Dat kan misschien een optie zijn.

Er is een laatste vraag gesteld over de definiëring van internationale hulpmiddelen om meer transparantie te realiseren: hoe en waar kunnen we dat doen? We hebben twee jaar heel veel tijd, energie en politiek kapitaal gestoken in de Grand Bargain. Dat gaat om een verbetering van het humanitaire systeem, voor effectievere en efficiëntere noodhulp. Tegelijkertijd gaat het om financiering van het humanitaire systeem, want de noden zijn elk jaar groter. De financiële en fysieke hulpmiddelen worden er niet beter op; die gaan omlaag. IATI hebben we al eerder genoemd, net als de rapportageverplichtingen maar ook de kansen om te laten rapporteren. Dat was een punt van mevrouw Van Weerdenburg: schreeuw het van de daken als je iets goeds hebt gedaan en het aantoonbaar is in de levens van mensen. Natuurlijk gebruiken we alle studies die er zijn, met name MOPAN en alle onafhankelijke beoordelingen van internationale organisaties, waarmee we laten zien hoe de partners waarin wij investeren presteren, hoe goed ze het doen en, als ze het niet goed doen, de redenen om wel te blijven financieren of minder steun te geven, inderdaad op basis van de prestaties, verwachtingen en managementcultuur daar, in de breedte van het hele spectrum.

Mevrouw Kuik (CDA):

Het gaat mij om het zichtbaar hebben welk resultaat een uitgave heeft. Ik vind dat nog echt moeilijk te zien als het gaat om die multilaterale organisaties.

Minister Kaag:

Er wordt ontzettend veel gerapporteerd. Er wordt ook op individueel niveau geaudit, indachtig linkjes naar projecten en programma's. Wij krijgen het vaak alleen als donorland niet op die manier terug gerapporteerd. Er is ook daar veel meer, maar dat is eerlijk gezegd beter te vinden op de websites van die organisaties. Ik kijk even naar de ambtenaren: ze zullen denken dat ik een gedrocht aan het optuigen ben. We moeten even kijken hoe dat in zijn werk zal gaan. Ik weet uit eigen ervaring dat daar ook heel professioneel wordt geaudit, door de ene organisatie beter dan de andere, maar dat is in Nederland ook zo. We moeten even kijken wat daar meer aan kan gebeuren. We maken financieringskeuzes. We steunen het mandaat van die organisaties idealiter tot op zekere hoogte. We geven hun de ruimte om prioriteiten te stellen. Laten we UNICEF nemen. Daar gaat het om kinderen overal vaccineren, kinderbescherming en kinderen naar de klas. Wij vragen dan niet om aan ons over elk subactiviteitje te rapporteren, want daar zit geen Nederlands vlaggetje bovenop. Over de programma's die we wel bilateraal via UNICEF financieren, kun je veel meer rapportage terug verwachten. Soms gaat het ook wel over het grotere verhaal: hoeveel kinderen zijn dit jaar naar school gegaan, wat hebben ze geleerd, zijn er meer meisjes in de klas, zijn ze in de klas gebleven, hebben ze de middelbare school kunnen afmaken? Dat zijn ook de kwalitatieve verhalen. De echte impact ligt ook daar. Wij zijn toch al decennialang af van alleen maar projecten, want projecten blijven kleinschalig. Die zijn ook belangrijk, maar als je een systeemverandering wilt bewerkstelligen voor mensen, moet je ook groter denken en de grote kanalen blijven benutten om dat te doen. Wij zoeken altijd de balans.

De voorzitter:

Ik neem het gewoon weer over.

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Dan bent u weer voorzitter, mevrouw Kuik.

Voorzitter: Kuik

De voorzitter:

Ja. Volgens mij was de Minister klaar met haar bijdrage in eerste termijn. Dit is een WGO, dus er is de mogelijkheid om moties in te dienen. Ik stel voor dat we een schorsing van drie minuten houden en dat we om 16.15 uur weer terug zijn voor de tweede termijn.

De vergadering wordt van 16.12 uur tot 16.17 uur geschorst.

De voorzitter:

Goed, we gaan verder met de tweede termijn van de Kamer. Daarvoor geef ik het woord allereerst aan de heer Klink namens de VVD.

De heer Klink (VVD):

Dank, voorzitter, en dank aan de Minister voor de antwoorden. Ik heb één motie. Ik heb vier minuten spreektijd, maar het is wel een enigszins lange motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de G7 de ambitie heeft uitgesproken om via wereldwijde investeringen in infrastructuur en duurzame groei een alternatief te bieden voor het Chinese Belt and Road Initiative (BRI);

constaterende dat Europese landen individueel en via de EU al over veel financierings- en ontwikkelingsinstrumenten beschikken;

constaterende dat China bij het financieren van BRI-projecten in ontwikkelingslanden zich niet houdt aan de hoogste internationale standaarden met betrekking tot environmental, social and governance (ESG) risico's en anticorruptie, waarmee het internationale imvo-beleid van multilaterale ontwikkelingsbanken en OESO-landen wordt gefrustreerd;

constaterende dat China bij het financieren van BRI-projecten in ontwikkelingslanden zich eveneens niet houdt aan internationale afspraken over schuldhoudbaarheid en daarmee het beleid van het IMF, de Wereldbank en de Club van Parijs, bestaande uit met name OESO-landen, ernstig bemoeilijkt;

overwegende dat er sprake is van ernstige concurrentievervalsing voor BRI-projecten in ontwikkelingslanden als gevolg van (a) staatssteun aan Chinese staatsbedrijven en (b) het feit dat de OESO-regels met betrekking tot hulp en overheidsgesteunde exportkredieten niet van toepassing zijn op Chinese hulp en overheidsgesteunde exportkredieten;

overwegende dat de Europese Unie recentelijk is overgegaan tot de aanpak van dergelijke ongelijke concurrentiepraktijken op de interne markt;

overwegende dat er geen sprake is van beleidscoherentie als Europese ODA-middelen en andere vormen van ongebonden hulpfinanciering die via direct of indirect beheer worden uitgegeven toegankelijk zijn voor Chinese staatsgesteunde bedrijven, terwijl er geen sprake is van wederkerigheid,

verzoekt de regering zich er binnen de kaders van ongebonden hulp voor in te zetten dat Nederlandse en Europese ODA-middelen alsmede andere vormen van Nederlandse en Europese ontwikkelingsfinanciering, uitgegeven via direct en indirect beheer, alleen op basis van wederkerigheid toegankelijk zijn voor bedrijven uit landen die aan gebonden hulp doen en zich niet houden aan internationale afspraken voortkomend uit het multilaterale stelsel,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Klink.

Zij krijgt nr. 5 (35 830-XVII).

Dank u. Dat was ruim binnen de vier minuten, meneer Klink. Ik geef het woord aan de heer Hammelburg van D66.

De heer Hammelburg (D66):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb geen lange moties. Ik heb überhaupt geen moties. Ik wil nogmaals de Minister bedanken voor de uitgebreide beantwoording en het fantastische werk van de afgelopen jaren. Er is nu ook sprake van het einde van een termijn. Zoals mijn bijdrage in eerste termijn al suggereerde, kijk ik uit naar het beleid van de toekomst en de uitdagingen die we als Nederland, Europa en de wereld hebben om ervoor te zorgen dat armoede de wereld uit gaat, dat we klimaatmitigerende maatregelen nemen en dat we ook opkomen voor de meest kwetsbaren, vrouwen, meisjes, lhbti, journalisten en mensenrechtenverdedigers. We hebben daar als Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid voor. Daar zal ik me voor blijven inzetten. Dank aan de Minister. Dank ook aan de ambtenaren voor het vele werk.

De voorzitter:

Dank. Dan geef ik het woord aan mevrouw Van Weerdenburg van de PVV.

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Dank, voorzitter. Ik heb ook geen moties. Een kleine tip aan de heer Klink: less is more. Mijn motto is altijd: een goede motie is een korte motie. Ik heb alleen nog een vraagje over de toezegging van de Minister dat zij eventjes bij de technische mensen gaat kijken wat er eventueel voor verbetering mogelijk zou zijn. Zou die brief of die reactie wellicht kort na het zomerreces, in september, al kunnen komen?

Minister Kaag:

Ja, hoor.

Mevrouw Van Weerdenburg (PVV):

Oke, mooi. Dank.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Van der Lee van GroenLinks.

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Dank voor de heldere en overtuigende beantwoording van de Minister en dank aan alle ondersteuning voor het goede werk in de afgelopen vier jaar. Ik ben dat eens met de heer Hammelburg. Ik hoop dat die bouwstenen er zo snel mogelijk komen en ik wil ook graag benadrukken dat het genderperspectief daarin heel cruciaal is. Ik weet uit ervaring hoe belangrijk vrouwen zijn voor een succesvolle ontwikkeling. Het zou mooi zijn als het daar een plek in krijgt.

Ik heb twee aanmoedigingsmoties om ervoor te zorgen dat zaken in de demissionaire periode worden meegenomen naar de missionaire periode.

De eerste motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat ontwikkelingslanden hard worden geraakt door de klimaatcrisis en dat Nederland de ontwikkelingssamenwerking, waar mogelijk, moet inzetten op ondersteuning bij klimaatmitigatie en -adaptatie;

overwegende dat in 2020 slechts 9% van de uitgaven onder artikel 1 van de BuHa-OS-begroting kwalificeerde als klimaatrelevant en dus meetelt als klimaatfinanciering;

overwegende dat een project of investering waar klimaatmitigatie of -adaptatie een nevendoelstelling is al voor 40% meetelt als klimaatfinanciering;

overwegende dat bij elk project of investering gericht op het bevorderen van duurzame economische ontwikkeling een bijdrage aan klimaatmitigatie of -adaptatie ten minste een nevendoelstelling zou moeten zijn;

verzoekt de regering om de programma's binnen artikel 1 van de BuHa-OS-begroting verder te vergroenen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Lee.

Zij krijgt nr. 6 (35 830-XVII).

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Ik hoop dus ook dat het op een meetbare manier wordt ingevuld.

De tweede motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de kwaliteit van ontwikkelingssamenwerking in grote mate afhankelijk is van een gedegen en structurele evaluatie- en leercultuur, zodat kennis over wat wel en niet werkt in welke context centraal staat;

overwegende dat de Strategische Evaluatie Agenda van het ministerie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zich vooral richt op wat te evalueren en hoe vaak;

overwegende dat een groep vooraanstaande ontwikkelingseconomen ruimte ziet voor verbetering van het evaluatieproces zelf, bijvoorbeeld door onderzoekers in een eerder stadium bij projecten en programma's te betrekken, de onafhankelijkheid van evaluatoren beter te borgen, en door niet alleen te evalueren net na afloop van een programma, maar soms ook een aantal jaren later om beter inzicht te krijgen in langetermijneffecten;

verzoekt de regering om, in de context van de Strategische Evaluatie Agenda, een plan uit te werken om de kwaliteit van evaluaties en de cultuur van leren verder te bevorderen, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Lee.

Zij krijgt nr. 7 (35 830-XVII).

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u. Dan geef ik het woord aan mevrouw Koekkoek van Volt. Als u uw microfoon uitzet, meneer Van der Lee. Ja, top.

Mevrouw Koekkoek (Volt):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb zelf geen moties. Ik sluit me alleen aan bij alle woorden van dank voor de ondersteuning, de heldere uitleg en de heldere beantwoording van de vragen.

De voorzitter:

Dank. Dan geef ik het woord aan de heer Van der Lee om mij het woord te geven.

Voorzitter: Van der Lee

De voorzitter:

Mevrouw Kuik, uw tweede termijn.

Mevrouw Kuik (CDA):

Dank, voorzitter. Ik dank ook de Minister voor de beantwoording. Ik kom nog even terug op het punt dat de heer Ceder ook al had ingebracht over het bestrijden van kinderprostitutie. De Minister heeft aangegeven dat er nog een evaluatie komt over hoe dit wordt toegevoegd aan het SRGR Fonds. Ik ben benieuwd of de Minister al een indicatie heeft wanneer die evaluatie komt. Heb ik goed begrepen dat de continuering van dit soort projecten, waarin we inzetten op de strijd tegen kinderprostitutie, niet in gevaar komt?

Voorzitter. Dan heb ik één motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de meerjarige financiering van Product Development Partnerships (PDP's) afloopt in 2021;

overwegende dat het kabinet de uitkomsten van de externe evaluatie van PDP's, aanvankelijk aangekondigd voor 2020, pas later dit jaar verwacht af te ronden;

overwegende dat dit oponthoud tijdige verlenging van PDP's in de weg staat en dat onderbreking in de ontwikkeling van producten onwenselijk is;

constaterende dat de investering in PDP's succesvolle innovatieve en baanbrekende producten oplevert en dat wereldwijd de gecoördineerde manier van productontwikkeling in PDP's zich bewezen heeft als model voor de versnelde ontwikkeling van vaccins, sneltesten en de behandeling van COVID-19;

overwegende dat de Nederlandse ambitie om in te zetten op een integrale gezondheidsstrategie gebaat is bij de internationale ontwikkeling van producten;

verzoekt de Minister zeker te stellen dat een call voor de nieuwe PDP's tijdig uitgezet wordt voor financiering met aanvang van januari 2022;

verzoekt de Minister de evaluatie van PDP's vergezeld van een appreciatie zo spoedig mogelijk naar de Kamer te sturen, uiterlijk voor de presentatie van de Miljoenennota;

verzoekt de Minister met voorstellen te komen hoe een meerjarige verlenging van PDP's binnen de begroting van BuHa-OS opvolging kan krijgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kuik.

Zij krijgt nr. 8 (35 830-XVII).

Dank u wel. Dan bent u ook weer voorzitter, mevrouw Kuik.

Voorzitter: Kuik

De voorzitter:

Dan kijk ik even naar de Minister hoeveel tijd ze nodig heeft, want de moties zijn natuurlijk nog niet allemaal afgedrukt. Er wordt hier hard aan gewerkt, daar ligt het niet aan. Oké. De Minister gaat gewoon alvast een aantal vragen beantwoorden.

Minister Kaag:

Er was een vraag van mevrouw Van Weerdenburg. We zullen ervoor zorgen dat er voor het einde van het zomerreces hopelijk een voorstel ligt, maar ik wilde eigenlijk alleen maar als anekdote melden dat onze technische mensen daarnet al meldden dat de 9.000 activiteiten helaas nog steeds manueel moeten worden geüpload. Nou denk ik zelf dat dat een leuk klusje is voor een paar studenten. Ik weet niet hoe snel dat gaat. Maar ik wil daarmee even aangeven: de wil is er, maar we moeten echt goed uitzoeken of dit op een efficiënte en slimme manier kan. Dat is het enige.

De voorzitter:

Dan hebben we gewoon even een schorsing van vijf minuutjes totdat de moties ook de Minister hebben bereikt en zij een oordeel kan geven.

De vergadering wordt van 16.27 uur tot 16.33 uur geschorst.

De voorzitter:

We gaan naar de beantwoording van de Minister op de tweede termijn van de Kamer.

Minister Kaag:

Ja, mevrouw de voorzitter, ik ga door met de moties. De motie op stuk nr. 5 van de heer Klink moet ik helaas ontraden, want het is statutair onmogelijk aandeelhouders van banken, zoals China, uit te sluiten van deelname. Maar u weet ook dat ik heb gezegd dat wij wel kijken naar kwaliteitsverhoging en standaarden. En we kijken heel kritisch mee. In de praktijk is het dus zo dat Europese bedrijven, waaronder Nederlandse, heel vaak de opdracht wordt gegund. Verder wordt er in het kader van de bredere Chinastrategie van het kabinet ook altijd kritisch gekeken, maar het is op dit moment onmogelijk. Op basis daarvan moet ik de motie ontraden.

De motie op stuk nr. 6 krijgt oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 7 krijgt oordeel Kamer. Wat de motie op stuk nr. 8 betreft: de evaluatie is niet klaar voor de Miljoenennota, maar wordt wel zo gepland dat dit op ordentelijke wijze kan worden uitgevoerd, ook met het oog op de begroting voor 2022. De motie krijgt oordeel Kamer.

De voorzitter:

Goed. Dank voor de oordelen. Daarmee komen we aan het einde van dit WGO. Ik zal nog even de toezeggingen voorlezen die zijn gedaan.

  • In het jaarverslag 2021 wordt een tabel opgenomen over revolverende fondsen met verwijzing naar het beleidsartikel. De Minister komt schriftelijk terug op mogelijkheden om dit ook in de begroting voor 2022 te doen.

  • De Minister komt na het zomerreces terug op de mogelijkheden voor het opstellen van een afwegingskader voor het informeren over malversaties.

  • In het volgende jaarverslag en de resultatenrapportage komt er een betere koppeling tussen indicatoren, thematische resultaten en begrotingsartikelen.

  • De Minister zal een overzicht van partijen die zijn betrokken bij evaluaties van beleid, met de Kamer delen.

  • De Minister stuurt in september het SER-advies en het ATR-advies, bouwstenen met betrekking tot de stand van zaken van het EU-traject, naar de Kamer.

  • De Minister gaat uitzoeken wat technisch mogelijk is in het verder doorlinken naar andere websites en de beschikbare informatie op de resultatenwebsite en informeert de Kamer daar kort na de zomer over.

De heer Klink heeft nog een vraag.

De heer Klink (VVD):

Ja, over de eerste twee toezeggingen. Die hebben betrekking op na de zomer, maar kan het wel gebeuren voor de behandeling van de begroting? Want het helpt wel als die uitkomsten dan bekend zijn. Dat gaat over de malversaties en over de revolverende fondsen. Daar zou de Minister schriftelijk op terugkomen of ze zou met een voorstel komen.

Minister Kaag:

Ja, ik denk van wel. De begrotingsbehandeling is eind oktober of midden november. Dat moet dus lukken.

De voorzitter:

Goed. Ik dank u allen, ook de mensen achter de schermen. Thanks en goedenavond.

Sluiting 16.36 uur.