Kamerstuk 35577-11

Nader gewijzigd amendement van het lid Leijten ter vervanging van nr. 9 over aanpassing van de vermogensrendementsheffing zodat alleen daadwerkelijk behaald rendement wordt belast

Dossier: Wijziging van enkele wetten houdende aanpassing van de belastingheffing over sparen en beleggen in de inkomstenbelasting (Wet aanpassing box 3)

Gepubliceerd: 11 november 2020
Indiener(s): Renske Leijten (SP)
Onderwerpen: belasting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35577-11.html
ID: 35577-11
Origineel: 35577-9

46,0 %
54,0 %

VVD

Krol

PvdD

PvdA

CDA

vKA

CU

D66

DENK

PVV

GL

SGP

FVD

Van Haga

50PLUS

SP


Nr. 11 NADER GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN HET LID LEIJTEN TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 9

Ontvangen 11 november 2020

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

In artikel I, onderdeel A, wordt «31%» vervangen door «33%».

II

In artikel I, onderdeel B, wordt in de tweede kolom «€ 50.000» vervangen door «€ 73.961», wordt in de eerste kolom «€ 50.000» vervangen door «€ 73.961», en wordt «€ 950.000» telkens vervangen door «€ 1.021.661».

III

In artikel I wordt na onderdeel B een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ba

Na artikel 5.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.2a

  • 1. In afwijking van artikel 5.2 wordt het voordeel uit sparen en beleggen op verzoek van de belastingplichtige gesteld op het laagste in artikel 5.2 genoemde percentage van de grondslag sparen en beleggen, indien die grondslag gedurende het gehele of nagenoeg gehele jaar geheel of nagenoeg geheel bestaat uit risicoarme bezittingen als bedoeld in het tweede lid.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid geldt dat geen sprake is van een grondslag die gedurende het gehele of nagenoeg gehele jaar geheel of nagenoeg geheel bestaat uit risicoarme bezittingen, indien gedurende ten minste één aaneengesloten periode van 30 dagen of meer zich de situatie voordoet dat de grondslag sparen en beleggen niet geheel of nagenoeg geheel bestaat uit risicoarme bezittingen.

  • 3. Onder risicoarme bezittingen in de zin van het eerste lid worden verstaan alle vormen van banktegoeden, waaronder in ieder geval betaalrekeningen, spaarrekeningen en termijndeposito’s als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van dit artikel.

IV

In artikel I, onderdeel C, wordt «€ 50.000» vervangen door «€ 31.340».

V

Artikel I, onderdeel D, vervalt.

VI

Artikel I, onderdeel E, vervalt.

VII

Artikel I, onderdeel F, vervalt.

VIII

Artikel II vervalt.

IX

Artikel III vervalt.

X

Artikel IV vervalt.

XI

Artikel V vervalt.

XII

Artikel VI vervalt.

XIII

Artikel VII vervalt.

XIV

Artikel VIII vervalt.

XV

Artikel IX vervalt.

XVI

Artikel X wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «tot en met E» vervangen door «en C» en vervalt «en artikel III».

2. onderdelen b en c vervallen.

3. Het tweede lid vervalt, alsmede de aanduiding «1». voor het eerste lid.

Toelichting

Dit amendement breekt met de aanname dat iemand met spaargeld een deel van zijn of haar vermogen volgens een vaste verdeling belegt. Die aanname leidt al jaren tot belastingheffing over niet bestaande inkomsten uit spaar- en banktegoeden. Indiener is van mening dat met dit amendement de box 3-heffing eerlijker en rechtvaardiger wordt, in het bijzonder voor belastingplichtigen die bewust geen risico willen nemen met hun vermogen. Het amendement strekt er tevens toe het door de Hoge Raad geconstateerde rechtstekort op stelselniveau op te lossen voor spaarders.

Met dit amendement wordt de belastingheffing zo vormgegeven dat het voordeel uit sparen en beleggen op verzoek van de belastingplichtige verlaagd kan worden. De belastingplichtige kan dit verzoek doen indien hij gedurende het gehele of nagenoeg gehele jaar risicoarme bezittingen heeft, die bij de huidige rentestand niet of nauwelijks renderen. Indien achteraf komt vast te staan dat de belastingplichtige ten onrechte heeft verzocht om toepassing van dit artikel, kan de toepassing van dit artikel worden geweigerd en kan er een boete worden opgelegd op basis van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in het kader van verzuim, dan wel vergrijp.

De belastingplichtige kan een verzoek doen voor de toepassing van het voorgestelde artikel 5.2a Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) indien zijn vermogen (de grondslag) gedurende het gehele of nagenoeg gehele jaar bestaat uit risicoarme bezittingen. De verlaging is niet van toepassing indien meer dan 10% van het vermogen wordt aangehouden in andere dan in het voorgestelde artikel genoemde bezittingen of indien gedurende meer dan 10% van het jaar andere dan de voorgestelde bezittingen worden aangehouden.

Het is inherent aan het systeem van de vermogensrendementsheffing dat de grondslag sparen en beleggen alleen op de peildatum wordt beoordeeld. Het voorgestelde artikel sluit zoveel mogelijk bij deze bestaande systematiek aan.

De beoordeling of de belastingplichtige terecht verzoekt om toepassing van het voorgestelde artikel 5.2a Wet IB 2001 zal grotendeels geautomatiseerd kunnen plaatsvinden op basis van de gegevens die door financiële instellingen thans reeds worden aangeleverd op basis van hoofdstuk II van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIBB). Deze gegevens worden onder andere gebruikt voor de vooraf ingevulde aangifte. Indicaties dat de belastingplichtige ten onrechte verzoekt om toepassing van dit artikel zijn bijvoorbeeld:

  • 1. Uit de vooraf ingevulde aangifte blijkt dat belastingplichtige op de peildatum of op 31 december van het betreffende jaar een grondslag sparen en beleggen had die niet geheel of nagenoeg geheel bestond uit risicoarme bezittingen (artikel 10b WIBB).

  • 2. Uit de vooraf ingevulde aangifte blijkt dat de belastingplichtige een bedrag aan rente op zijn banktegoeden heeft ontvangen dat lager is dan dat verwacht had mogen worden op basis van de saldi op de peildatum en 31 december van het betreffende jaar (artikel 10c WIBB).

  • 3. Uit de vooraf ingevulde aangifte blijkt dat de belastingplichtige gedurende het jaar dividenden heeft ontvangen (artikel 10c WIBB).

  • 4. Uit de vooraf ingevulde aangifte blijkt dat de belastingplichtige zogenoemde overige opbrengsten wegens verkoop van effecten (aandelen, obligaties etcetera) heeft ontvangen (artikel 10c WIBB).

  • 5. Uit de vooraf ingevulde aangifte blijkt dat de belastingplichtige gedurende het kalenderjaar onroerende zaken heeft gekocht of verkocht (Renseignering Kadaster).

  • 6. Uit de aangifte van een andere belastingplichtige blijkt dat de belastingplichtige die een beroep doet op toepassing van het voorgestelde artikel 5.2a Wet IB 2001 hem geld heeft geleend dat is gebruikt voor de eigen woning (art. 3.119g Wet IB 2001).

Indiener is van mening dat een toetsing op basis van peildata altijd ruimte laat voor arbitrage. Dat is in het huidige stelsel van box 3 ook het geval. De Belastingdienst beschikt echter via de bovengenoemde renseignementen over zeer veel bruikbare data. In de relatie tot de zogenoemde ketenpartners hoeft er dan ook niets te wijzigen. Ten behoeve van de praktische uitvoering van dit artikel is tevens een delegatiebepaling opgenomen.

Dit amendement beoogt voor zo’n 900.000 belastingplichtigen een box 3 heffing over het forfaitaire spaarrendement en benadert het daadwerkelijk behaalde spaarrendement. Het lage rendement dat genoemd wordt in art. 5.2 is immers het gemiddelde van de rendementen op deposito’s. Dekking voor deze wijziging wordt gevonden door het heffingsvrije vermogen gelijk te laten aan wat het volgens de tot op heden geldende systematiek zou zijn en de heffing te verhogen van de voorgestelde 31% naar 33%. Dit sluit aan bij de tariefswijziging die was voorzien bij het box 3-wetsvoorstel dat in september 2019 door het kabinet is ingediend.

Dit amendement strekt tevens tot het vereenvoudigen van het Wetsvoorstel Wet aanpassing box 3. Gelet op de Uitvoeringstoets van de Belastingdienst en het Advies van de Raad van State concludeert indiener dat dit amendement tot minder uitvoeringsproblemen en uitvoeringskosten leidt dan het genoemde wetsvoorstel. Dit blijkt uit de volgende elementen:

  • De Uitvoeringstoets stelt: «.... Voor een aantal burgers geldt dat zij aangifte moeten doen terwijl dat fiscaal niet langer relevant is. Dit is contra-intuïtief, zodat hiervoor specifieke aandacht nodig is in de dienstverleningskanalen (website/portaal/beschikkingen/telefonie)...»

  • De Uitvoeringstoets stelt: «.... Met het voorstel [van het kabinet] wordt een nieuwe niet-fiscale taak voor de B/Belastingen geïntroduceerd. De belastinginspecteur wordt verantwoordelijk voor het vaststellen van het vermogen dat wordt gebruikt bij het vaststellen van het recht op toeslagen, waar B/Toeslagen tot nog toe gebruik kan maken van door de belastinginspecteur vastgestelde fiscaal relevante informatie. Tot nog toe was de rol van de belastinginspecteur uitsluitend die van gegevensleverancier. De interne complexiteit neemt hiermee toe....»

  • Het Advies van de Raad van State stelt: «... Het niet doorwerken van de verhoging van het heffingsvrije vermogen naar diverse inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen noodzaakt tot formeelrechtelijke wijzigingen, aanpassing van een groot aantal wetten en het leidt tot complicaties bij de uitvoering...»

Indiener beoogt met dit amendement een einde te maken aan de lang slepende discussie over de «box 3-belasting» voor spaarders. Zo wordt met dit amendement ook recht gedaan aan burgers, gelet op het rechtstekort zoals vastgesteld door de Hoge Raad. Met dit amendement wordt ook tegemoet gekomen aan de breed levende wens alleen daadwerkelijk behaald rendement te belasten.

Leijten