Gepubliceerd: 14 mei 2020
Indiener(s): Johannes Sibinga Mulder
Onderwerpen: financiën organisatie en beleid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35440-5.html
ID: 35440-5

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 14 mei 2020

De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Anne Mulder

De adjunct-griffier van de commissie, Schukkink

INLEIDING

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Zij hebben hierover enkele vragen.

De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Herstelwet financiële markten 2020. Naar aanleiding van het genoemde punt brengen de leden van de PVV-fractie het volgende naar voren.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. Gezien het technische karakter van de herstelwet hebben de leden nog een enkele vraag over het wetsvoorstel.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de Herstelwet financiële markten 2020. Zij hebben geen verdere vragen.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben kennisgenomen van de Herstelwet financiële markten 2020. Zij hebben geen verdere vragen.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de Herstelwet financiële markten 2020. Zij hebben hierover een enkele vraag.

De leden van de PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.

ALGEMEEN

1. Inleiding

Het wetsvoorstel voorziet in het herstel van enkele omissies bij de implementatie van Europese wetgeving, zo lezen de leden van de PvdA-fractie. Deze leden vragen welke omissies in implementatie precies worden bedoeld, hoe deze aan het licht zijn gekomen en op welke termijn deze dienen te zijn hersteld.

2. Toetsing uiteindelijk belanghebbende

De leden van de VVD-fractie lezen dat de reputatietoets grotendeels plaatsvindt «aan de hand van de eerdere ervaringen die de uiteindelijk belanghebbende heeft met het zijn van uiteindelijk belanghebbende van andere entiteiten, het investeringsverleden van de uiteindelijk belanghebbende, zijn of haar curriculum vitae, en zijn of haar ervaring met trustkantoren, wisselinstellingen of aanbieders. Ook eventuele berichtgeving in de media over de uiteindelijk belanghebbende wordt meegenomen in de beoordeling.» Deze leden vragen de regering of daarbij ook gebruik kan worden gemaakt van justitiële documentatie of informatie uit lopende strafonderzoeken.

De leden van de PVV-fractie merken allereerst op dat voor wat betreft de betrouwbaarheid van uiteindelijk belanghebbenden van trustkantoren, aanbieders van diensten voor het wisselen tussen virtuele valuta en fiduciaire valuta, aanbieders van bewaarportemonnees en wisselinstellingen aangesloten wordt bij de bestaande betrouwbaarheidseisen voor beleidsbepalers en medebeleidsbepalers. De leden van de PVV-fractie vragen toe te lichten wat deze bestaande betrouwbaarheidseisen voor beleidsbepalers en medebeleidsbepalers precies inhouden.

Voor wat betreft de toetsing van bekwaamheid merken de leden van de PVV-fractie op dat in zijn algemeenheid geldt dat iemands geschiktheid gerelateerd is aan de functie die iemand uitoefent bij een bepaalde financiële onderneming. De leden van de PVV-fractie willen weten hoe de verschillende vaardigheden, kennis en professioneel gedrag van de uiteindelijk belanghebbende precies worden getoetst en hoe er bepaald zal worden dat iemand «onbekwaam» is.

Voorts merken de leden van de PVV-fractie op dat de toetsing van de geschiktheid van uiteindelijk belanghebbenden van trustkantoren, aanbieders van diensten voor het wisselen tussen virtuele valuta en fiduciaire valuta, aanbieders van bewaarportemonnees en wisselinstellingen een andere beoordeling dan de geschiktheidstoetsing van (mede)beleidsbepalers behelst. De leden van de PVV-fractie vragen naar het precieze verschil hiertussen.

Verder merken de leden van de PVV-fractie op dat de reputatietoets grotendeels plaatsvindt aan de hand van de eerdere ervaringen die de uiteindelijk belanghebbende heeft met het zijn van uiteindelijk belanghebbende van andere entiteiten, het investeringsverleden van de uiteindelijk belanghebbende, zijn of haar curriculum vitae, en zijn of haar ervaring met trustkantoren, wisselinstellingen of aanbieders. De leden van de PVV-fractie vragen welke minimale eisen hiervoor gelden.

Ten slotte merken de leden van de PVV-fractie op dat een uiteindelijk belanghebbende geacht wordt een goede reputatie te bezitten indien er geen betrouwbaar bewijs is dat het tegendeel suggereert en de toezichthouder geen goede redenen heeft om aan de goede reputatie van de uiteindelijk belanghebbende te twijfelen. De leden van de PVV-fractie vragen wat er precies wordt verstaan onder een «goede reputatie» en hoe dit wordt bepaald.

De leden van de CDA-fractie lezen dat er voor uiteindelijk belanghebbenden van aanbieders van diensten voor het wisselen van virtuele valuta en fiduciaire valuta, aanbieders van bewaarportemonnees en wisselinstellingen een reputatietoets wordt geïntroduceerd. De leden van de CDA-fractie vragen welk zicht er is op de aanbieders van bewaarportemonnees en aanbieders van diensten voor het wisselen van virtuele valuta en fiduciaire valuta. Kan de regering inzichtelijk maken hoe er onderzoek gedaan wordt naar deze markt en haar aanbieders en hoe men zicht krijgt op deze uiteindelijke belanghebbenden.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe er bij deze, relatief nieuwe, sector een gedegen bekwaamheidstoets kan worden uitgevoerd. In hoeverre is duidelijk welke kennis en kunde er nodig is in de wereld van wisselen van virtuele valuta en fiduciaire valuta of het aanbieden van bewaarportemonnees, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Ook vragen deze leden of het problematisch kan zijn dat iemand nog geen ervaring heeft met enige wisselinstellingen of aanbieders.

Kunnen de leden van de PvdA-fractie concluderen dat ten aanzien van uiteindelijk belanghebbenden van trustkantoren en cryptohandelshuizen al eerder reputatieonderzoek had moeten gebeuren en dat dit niet gebeurd is? Onderschrijft de regering dat deze sectoren uitermate gevoelig zijn voor illegale activiteiten, en dat zelfs los van een Europeesrechtelijke verplichting reputatieonderzoek een goed idee is? Hoe kan het dat uitgerekend op dit punt omissies zijn geconstateerd in de implementatie, overwegende de grote aandacht die er de afgelopen jaren was voor witwassen en terrorismefinanciering en de verhoren van de parlementaire ondervragingscommissie fiscale constructies, zo vragen deze leden.

Voorts vragen de leden van de PvdA-fractie welke lidstaatopties er zijn met betrekking tot deze regelgeving. Waarom is ervoor gekozen deze niet in dit wetsvoorstel en de toelichting daarop te benoemen, en wanneer kan de Kamer zich uitspreken over de al dan niet wenselijkheid van het gebruikmaken van lidstaatopties?

3. Administratieve lasten, nalevingskosten en toezichtlasten

De leden van de VVD-fractie vragen de regering of de toetsingsduur per persoon nader kan worden gespecifieerd. Waar is de vier tot zes uur toetsingsduur per persoon op gebaseerd? Deze leden lezen dat er naar verwachting 45 toetsingen op jaarbasis zullen plaatsvinden. Hoe verhoudt zich dit tot de 250 nieuwe instellingen (176 trustkantoren, 9 wisselinstellingen en naar schatting 60 tot 70 crypto-aanbieders) die moeten worden getoetst?

De leden van de SP-fractie vragen de regering om verduidelijking met betrekking tot de 87.599,25 euro aan extra kosten. Worden deze kosten ook doorberekend aan de sector? Hoeveel zullen de uiteindelijke totale kosten van dit toezicht dan zijn voor elke instelling? Kan de regering dit antwoord ook uitsplitsen voor de drie groepen (trustkantoren, wisselinstellingen en cryptoaanbieders), zo vragen deze leden.