Gepubliceerd: 16 april 2020
Indiener(s): Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD)
Onderwerpen: burgerlijk recht recht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35439-3.html
ID: 35439-3

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen deel

1. Inleiding

Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan de toezegging aan de Tweede Kamer om in de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) meer differentiatie aan te brengen in de griffierechttarieven voor geldvorderingen van € 500 tot € 5.000 zodat deze tarieven beter in verhouding komen te staan tot de hoogte van de vordering. Over het wetsvoorstel heeft schriftelijk overleg plaatsgevonden met de Tweede Kamer (zie de brieven van 16 april 2018, Kamerstukken II 2017/18, 29 279, nr. 422, en van 15 november 2018, Kamerstukken II, 2018/19, 29 279, nr. 469). Naar aanleiding van deze brieven is in de Tweede Kamer uitdrukkelijk steun verkregen voor een wetsvoorstel conform de in de brief van 15 november 2018 opgenomen uitgangspunten en het in de brief opgenomen voorkeursscenario (zie het verslag van het algemeen overleg rechtspraak op 31 januari 2019, Kamerstukken II 2018/19, 29 279, nr. 493). Dit wetsvoorstel vormt de uitwerking hiervan, waarbij de hoogte van de griffierechten zijn geïndexeerd voor het jaar 2020.

2. Aanleiding voor het wetsvoorstel

De competentiegrens in kantonzaken bedraagt per 1 juli 2011 € 25.000. In kantonzaken is alleen de eiser griffierecht verschuldigd (artikel 4, eerste lid, onder b, en tweede lid, onder a). De hoogte van het griffierecht is allereerst afhankelijk van de persoon van de eiser. Bij de persoon van de eiser wordt onderscheid gemaakt tussen niet-natuurlijke personen (dit zijn in beginsel rechtspersonen1), natuurlijke personen (dit zijn burgers maar bijvoorbeeld ook zelfstandigen zonder personeel) en on- en minvermogenden (dit zijn natuurlijke personen die door hun financiële situatie voor een verlaagd griffierecht in aanmerking komen). Daarnaast is de hoogte van het griffierecht afhankelijk van de hoogte van de geldvordering. Voor geldvorderingen in kantonzaken gelden momenteel drie categorieën:

  • 1. voor vorderingen met een beloop van € 500 of lager bedraagt het tarief voor rechtspersonen, natuurlijke personen en min- en onvermogenden respectievelijk € 124, € 83 en € 83;

  • 2. voor vorderingen met een beloop van meer dan € 500 tot en met € 12.500 bedraagt het tarief respectievelijk € 499, € 236 en € 83;

  • 3. voor vorderingen met een beloop van meer dan € 12.500 bedraagt het tarief respectievelijk € 996, € 499 en € 83.

Deze indeling in categorieën leidt ertoe dat het griffierecht voor een vordering van een rechtspersoon met een financieel belang van € 501 even hoog is als het griffierecht voor een vordering van € 12.500 (€ 499 per 1 januari 2020). Met name de hoogte van het griffierecht voor rechtspersonen in verhouding tot een geldvordering van net boven de € 500 wordt als problematisch ervaren: de hoogte van het griffierecht (€ 499) staat bij deze lagere geldvorderingen niet goed in verhouding tot de hoogte van de vordering (€ 501). In deze categorie lagere vorderingen gaat het veelal om vorderingen van rechtspersonen (zoals MKB´ers, woningbouwcorporaties of ziektekostenverzekeraars) die veelal van burgers betaling eisen van openstaande rekeningen. Gerechtsdeurwaarders en creditmanagement-bedrijven geven aan dat vooral de kleinere ondernemingen er vanwege de hoogte van het griffierecht steeds vaker vanaf zien om met onbetaalde rekeningen van net boven de € 500 naar de rechter te stappen.2

Daarnaast wordt als problematisch ervaren dat een natuurlijk persoon die een procedure verliest die door een rechtspersoon tegen hem is gevoerd, het hogere griffierecht moet vergoeden dat de rechtspersoon als eiser heeft betaald. Bij zaken waarbij schuldeisers betaling eisen van onbetaalde rekeningen gaat het vaak om burgers die in een financieel benarde situatie zitten of (problematische) schulden hebben. Als de vordering van de schuldeiser door de rechter wordt toegewezen dient de schuldenaar het hogere griffierecht dat de rechtspersoon als eiser heeft moeten betalen, te vergoeden bovenop de onbetaalde rekening en de andere proceskosten (zoals kosten voor de dagvaarding en salaris gemachtigde).

De afgelopen jaren is onder andere door de Raad voor de rechtspraak (Rvdr) een afname geconstateerd van het aantal zaken met relatief lagere vorderingen. De hoogte van het griffierecht is een van de factoren die de instroom van zaken beïnvloedt.

3. Inhoud wetsvoorstel

Om tegemoet te komen aan deze bezwaren wordt voorgesteld om in de Wgbz voor de lagere geldvorderingen in kantonzaken meer griffierechtcategorieën te introduceren. Door drie nieuwe griffierechtcategorieën in te voegen, komt het griffierecht in een betere verhouding te staan tot de hoogte van de vordering. De tarieven voor min- en onvermogenden blijven hierbij in de drie nieuwe categorieën ongewijzigd (€ 83). De nieuwe indeling voor rechtspersonen en natuurlijke personen in kantonzaken wordt dan als volgt:

  • 1. voor vorderingen met een beloop van € 500 of lager blijft het tarief € 124 en € 83.

  • 2. voor vorderingen met een financieel belang van meer dan € 500 tot en met € 1.500 zal het tarief respectievelijk € 312 en € 208 bedragen;

  • 3. voor vorderingen van meer dan € 1.500 tot en met € 2.500 zal het tarief respectievelijk € 354 en € 236 bedragen;

  • 4. voor vorderingen van meer dan € 2.500 tot en met € 5.000 zal het tarief respectievelijk € 472 en € 236 bedragen;

  • 5. voor vorderingen van meer dan € 5.000 tot en met € 12.500 zal het tarief respectievelijk € 672 en € 318 bedragen;

  • 6. voor vorderingen van meer dan € 12.500 tot en met € 25.000 zal het tarief respectievelijk € 1.342 en € 672 bedragen.

Het opsplitsen van de bestaande categorie € 500–€ 12.500 in vier nieuwe categorieën (waarvan drie voor geldvorderingen tot € 5.000) zorgt voor meer differentiatie in de griffierechttarieven voor vorderingen van € 500 tot € 5.000. De tarieven voor rechtspersonen en in twee categorieën voor natuurlijke personen worden voor de geldvorderingen tot € 5.000 verlaagd en komen daardoor beter in verhouding te staan tot de hoogte van de vordering. Het verlagen van deze griffierechttarieven voor rechtspersonen is gunstig voor rechtspersonen die een procedure willen starten en hiervoor als eiser minder kosten hoeven te maken. En het is uiteindelijk ook gunstig voor de burger (natuurlijk persoon) die na verlies van een procedure een minder hoog griffierecht hoeft te vergoeden aan de eiser (rechtspersoon).

Daarnaast wordt nog een andere maatregel voorgesteld; de griffierechten voor vorderingen met een financieel belang van € 500 tot en met € 5.000 worden voor rechtspersonen en natuurlijke personen deels verlaagd én dichter bij elkaar gebracht. Ook het dichter bij elkaar brengen van de tarieven voor rechtspersonen en natuurlijke personen is gunstig voor zowel de rechtspersoon als eiser (het griffierecht is lager) als voor de natuurlijke persoon als verliezende gedaagde (minder te betalen proceskosten). Daar staat tegenover dat daardoor de tarieven voor natuurlijke personen minder kunnen dalen.

De griffierechtverlaging voor vorderingen tot € 5.000 wordt bekostigd door de griffierechten in de categorieën voor vorderingen van meer dan € 5.000 te verhogen. Ook na de verhoging blijven de griffierechten in deze hogere categorieën in verhouding staan tot de hoogte van de vordering. Ter vergelijking, voor een vordering van € 3.000 bedraagt het griffierecht voor een rechtspersoon straks € 472. Het griffierecht is dan 15,7% van de vordering. Voor een vordering van een rechtspersoon van € 30.000 straks € 2.751, dat komt neer op 9,1% van de vordering.

Dit wetsvoorstel sluit aan bij het pakket aan maatregelen dat wordt genomen in het kader van de Brede Schuldenaanpak, waarmee het kabinet zich inzet om ervoor te zorgen dat minder mensen te maken krijgen met problematische schulden (zie o.m. Kamerstukken II 2018/19, 24 515, nr. 489). Ook sluit het aan op bepaalde aanbevelingen uit het rapport Incassozaken en het Visiedocument schuldenproblematiek en rechtspraak die in het kader van Maatschappelijke effectieve rechtspraak in opdracht van de Rechtspraak zijn opgesteld (zie www.rechtspraak.nl).

4. Financiële gevolgen

De Tweede Kamer heeft eerder ingestemd met het uitgangspunt dat de maatregelen in het wetsvoorstel budgetneutraal zijn, waardoor het wetsvoorstel onder de streep niet of nauwelijks financiële gevolgen heeft voor de overheid. Het verlagen van een griffierechttarief heeft wel meerdere financiële effecten:

  • in beginsel dalen de totale griffierechtontvangsten door een tariefdaling;

  • door de tariefdaling neemt echter het aantal zaken toe. Door deze zaaktoename stijgen vervolgens ook de ontvangsten, zij het in mindere mate dan de daling van de ontvangsten als gevolg van de tariefdaling;

  • door de zaaktoename stijgen ook de uitgaven van de rechtspraak, omdat meer zaken dienen te worden behandeld.

Bij de berekening van het griffierecht is rekening gehouden met bovengenoemde effecten. Per saldo geldt wel dat bij een tariefdaling het totale budgettaire effect negatief is en bij een tariefstijging het totale budgettaire effect positief. De mate waarin hangt uiteraard af van het zaakvolume in de betreffende griffierechtcategorie, de tariefsaanpassing en de prijselasticiteit (de prijselasticiteit bepaalt in welke mate er sprake is van toe- of afname van de zaakinstroom als gevolg van een tariefsaanpassing). De mate van de prijselasticiteit is gebaseerd op onderzoek van de Rvdr en het zaakvolume is gebaseerd op de gerealiseerde zaakinstroom over het jaar 2017. Op basis van de bovenstaande uitgangspunten is bepaald hoeveel bepaalde tarieven moeten stijgen om de gewenste tariefdaling budgettair neutraal te kunnen realiseren.

De Rvdr onderschrijft de verwachting dat het wetsvoorstel budgetneutraal is. Zij geeft daarbij aan een groei van 23.000 zaken te verwachten in de categorie zaken met een financieel belang tot € 5.000. Hierbij gaat zij ervan uit dat de groei voornamelijk zal zien op de verstekzaken (84%, circa 19.000 zaken) omdat het percentage verstekzaken hoger is bij de lagere vorderingen. Bij zaken met een financieel belang van meer van € 5.000 verwacht de Rvdr een daling van circa 2.000 zaken per jaar waarvan naar schatting 51% verstekzaken.

5. Advies en consultatie

Naar aanleiding van de internetconsultatie van het wetsvoorstel zijn elf openbare reacties en een niet-openbare reactie ontvangen. De openbare reacties zijn in te zien op www.internetconsultatie.nl/griffierechten. Separaat van de internetconsultatie heeft de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) een reactie gestuurd3 en heeft de Rvdr over het wetsvoorstel geadviseerd4. Het wetsvoorstel is daarnaast voorgelegd aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR). ATR deelt de analyse en de conclusie dat er geen gevolgen voor de regeldruk zijn.

In alle reacties is er steun voor het verlagen van de griffierechten voor lagere geldvorderingen zodat deze in een betere verhouding komen te staan ten opzichte van de hoogte van de vordering. In een aantal reacties worden aanvullende voorstellen gedaan voor verdere aanpassingen, zo stelt de Rvdr voor om een nieuwe categorie in te voegen voor zeer hoge geldvorderingen. Ook is er een aantal reacties die inhouden dat de griffierechten nog verder moeten worden verlaagd, zo wordt bijvoorbeeld voorgesteld om een apart griffierecht in te voeren voor onbetwiste vorderingen.

Ook is er brede steun voor het dichter bij elkaar brengen van de griffierechten voor rechtspersonen en natuurlijke personen. De Rvdr merkt terecht op dat het verlagen van het tarief voor rechtspersonen past in het grotere geheel van initiatieven om de schuldenproblematiek voor natuurlijke personen beter beheersbaar te krijgen en – als procedures eenmaal lopen – niet onnodig te verergeren.

Veel reacties gaan in op de budgetneutraliteit van het voorstel. In het overleg met de Tweede Kamer is budgetneutraliteit steeds als voorwaarde gehanteerd. Een budgetneutraal wetsvoorstel voorkomt dat de kosten van de rechtspraak toenemen waardoor er minder geld beschikbaar is voor andere justitietaken. Een aantal partijen meent dat de gestelde budgetneutrale uitwerking niet (voldoende) is onderbouwd in de toelichting. Om hieraan tegemoet te komen is in de vorige paragraaf over de financiële toelichting nader ingegaan op de berekening van de voorgestelde griffierechten. Voorts zij verwezen naar de berekeningen en de toelichting zoals aan de Tweede Kamer was medegedeeld in de eerder genoemde brieven van 16 april en 15 november 2018.

De NOvA vraagt hoe deze verhoging van de griffierechten voor de hogere geldvorderingen zich verhoudt tot het regeerakkoord waarin is opgenomen dat de griffierechten, behoudens indexatie, niet zullen worden verhoogd. Het regeerakkoord bevat de afspraken die de in het kabinet vertegenwoordigde partijen maken voorafgaand aan de start van hun kabinetsperiode. Nu de omstandigheden dit vergen en er voldoende politieke draagvlak voor is, is er in casu op deze afspraak teruggekomen. Na schriftelijk en mondeling overleg met de Tweede Kamer is door het kabinet de noodzaak voor aanpassing van de griffierechten onderschreven. Voor een budgetneutrale aanpassing is in de Tweede Kamer voldoende draagvlak. Door het uitgangspunt van budgetneutraliteit te hanteren zorgt de verlaging van de griffierechten voor lagere geldvorderingen tot een verhoging van de griffierechten voor hogere geldvorderingen. Per saldo worden er niet meer griffierechten geheven en is in alle categorieën de verhouding tussen de hoogte van het griffierecht afgezet tegen de hoogte van de geldvordering beter in balans. Ter illustratie, in de categorie € 5.001–€ 12.500 varieert het nieuwe griffierecht van 13,4% tot 5,4% van het gevorderde bedrag.

De NOvA vraagt zich voorts af of het onderscheid tussen het griffierecht voor natuurlijke personen en rechtspersonen als eiser in kantonzaken wel gemaakt moet worden omdat in de praktijk bij incassozaken de natuurlijke personen vaak het hogere griffierecht moeten betalen dat door rechtspersonen als eiser is betaald. Juist daarom is ervoor gekozen om de tarieven voor rechtspersonen en natuurlijke personen in incassozaken dichter bij elkaar te brengen. Het onderscheid opheffen zoals door de NOvA wordt voorgesteld is niet raadzaam aangezien hierdoor de drempel voor natuurlijke personen (als eiser) om een procedure te starten hoger wordt. De NOvA gaat er in haar reactie abusievelijk vanuit dat in de omgekeerde situatie (de rechtspersoon die als eiser een kantonzaak verliest) het lagere griffierecht van de natuurlijke persoon moet vergoeden aan de gedaagde. In kantonzaken is de gedaagde geen griffierecht verschuldigd, zodat zich dit niet zal voordoen.

Tot slot stelt de NOvA de hoogte van het griffierecht voor zaken van onbepaalde waarde ter discussie. De NOvA acht dit griffierecht belemmerend hoog. Voor zaken met betrekking tot een verzoek of een vordering van onbepaalde waarde geldt echter zowel in kantonzaken als in niet-kantonzaken bij de rechtbank dat al wordt aangeknoopt bij het laagst geldende griffierecht. In kantonzaken is dit per 1 januari 2020 € 124 voor rechtspersonen en € 83 voor natuurlijke personen, in niet-kantonzaken is dit per voornoemde datum € 656 voor rechtspersonen en € 304 voor natuurlijke personen. Een verdere verlaging zou alleen mogelijk zijn indien andere griffierechten zouden worden verhoogd en een verdere verhoging wordt niet wenselijk geacht. Op onderdelen kunnen er wel andere aanpassingen worden doorgevoerd, zo maakt het wetsvoorstel herziening beslag en executierecht het mogelijk dat geschillen over de tenuitvoerlegging van vonnissen in kantonzaken aan de kantonrechter kunnen worden voorgelegd (zie Kamerstukken II 2018/19, 35 225, nr. 2). Dit betekent dat voor dergelijke executiegeschillen het lagere kantonzaken tarief gaat gelden.

Ook de Rvdr onderschrijft de wenselijkheid van de betere verhouding van het griffierecht in zaken met een belang van (minder dan) € 5.000. De Rvdr meent dat er sprake is van een discrepantie tussen de griffierechten bij de rechtbanken en die bij de gerechtshoven en de Hoge Raad. De Rvdr merkt terecht op dat hier bewust voor is gekozen. Het is eveneens juist dat dit wetsvoorstel ertoe leidt dat voor een rechtspersoon in de categorie € 25.000 tot € 100.000 de griffierechten in eerste aanleg hoger zijn dan in hoger beroep. Dit is echter geen onvoorzien gevolg. Het doet zich ook nu al voor bij het griffierecht voor natuurlijke personen in deze categorie. Dit wordt op zichzelf beschouwd niet als bezwaarlijk ervaren.

De Rvdr bepleit een fors hogere heffing van het griffierecht in zaken over zeer hoge geldvorderingen in de veronderstelling dat dit zou leiden tot fors hogere inkomsten. Deze hogere inkomsten zouden dan gebruikt kunnen worden voor het verlagen van de tarieven voor lagere geldvorderingen. Het volume aan zaken met een zeer hoge geldvordering is echter relatief klein ten opzichte van het grote volume aan zaken met een lagere vordering. Dat wil zeggen dat met de griffierechtontvangsten van een relatief klein aantal zaken, de verlagingen van een zeer grote groep (incasso)zaken zou moeten worden bekostigd. De instroom van zaken is altijd aan schommelingen onderhevig, een geringe daling van het aantal zaken met een vordering van meer dan 1 miljoen euro kan in het voorstel van de Rvdr ertoe leiden dat er forse tekorten ontstaan. Dit voorstel brengt daarmee een budgettair risico met zich. Het verhogen van het griffierechttarief voor de hele hoge vorderingen kan niet worden gehanteerd als argument om daarmee een griffierechtverlaging in het veel grotere aantal zaken met lagere geldvorderingen te financieren.

De Rvdr geeft twee voorbeelden waarbij de hoogte van het griffierecht in zijn optiek disproportioneel is ten opzichte van de vordering. Als eerste voorbeeld noemt hij de cumulatie van vorderingen ingesteld via zogeheten «litigation vehicles» of andere belangenbehartigers. Dit wordt toegelicht met een voorbeeld waarbij één partij vorderingen van meerdere derden opkoopt. De door de Rvdr voorgestelde oplossing (bij een groep eisers met gelijkluidende verzoekschriften en conclusies is iedere eiser apart griffierecht verschuldigd) is echter in het gegeven voorbeeld niet van toepassing omdat er bij opkoop sprake is van één eiser. Het feit dat er afspraken met derden zijn gemaakt in geval de eiser de vordering krijgt toegewezen, maakt dit niet anders. Ook in het geval er wel sprake zou zijn van meerdere eisers die gelijkluidende verzoekschriften hebben en gelijkluidende conclusies nemen is er geen reden om af te wijken van het eenmalig heffen van griffierechten. Een dergelijke handelwijze is efficiënter omdat de rechter zich in dat geval slechts eenmaal hoeft te buigen over de kwestie. Het tweede voorbeeld van de Rvdr ziet op zaken met zeer hoge vorderingen die vaak ook bijzonder arbeidsintensief zijn voor de rechtspraak, zoals octrooizaken of aanbestedingskwesties. Of het opportuun is om voor specifieke rechtsgebieden een hoger griffierecht in te voeren is de vraag. Bovendien strookt het invoeren van een hoger griffierecht voor specifieke rechtsgebieden niet met de afspraak die is gemaakt met de Eerste Kamer bij de behandeling van de Wet Netherlands Commercial Court (Handelingen I 2018/19, nr. 10, item 10).

Ook MKB Nederland ziet de verlaging van de griffierechten in de categorieën met een financieel belang van € 500 tot en met € 2.500 als een stap in de goede richting. Zij vraagt aandacht voor een evaluatie van de gevolgen van de voorgestelde wijzigingen en een onderzoek naar verdere verbetering van de griffierechten en de incassoprocedure. Daarbij benoemt MKB Nederland een aantal aandachtspunten, waaronder de digitale toegankelijkheid van de incassoprocedure. Voorts vragen zij aandacht voor het rapport Incassozaken van de Rvdr. Samen met de rechtspraak wordt gewerkt aan het verbeteren van de incassoprocedure waarbij ook gekeken wordt naar de digitale toegankelijkheid van de procedure. Naar verwachting zal in de eerste helft van 2020 daarvoor een pilot starten. Het parlement is onlangs geïnformeerd over de voorstellen voor verbetering van de bestaande incassoprocedure (Kamerstukken II 2019/20, 29 279, nr. 554). Het griffierechtenstelsel vergt voortdurende aandacht en de gevolgen van dit wetsvoorstel zullen dan ook worden geëvalueerd.

MKB Nederland vraagt daarnaast, evenals de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG), aandacht voor het voorstel van de KBvG voor een alternatieve procedure voor onbetwiste vorderingen. Dit voorstel is geïnspireerd op de Belgische procedure voor de Inning van Onbetwiste Schuldvorderingen tussen bedrijven, de zogeheten IOS procedure. In de brief van 20 maart 2019 is, in reactie op het onderzoek hierover van het WODC, nader uiteengezet tegen welke achtergrond deze procedure is geïntroduceerd en wat de voor- en nadelen zijn van de Belgische IOS procedure (zie Kamerstukken II 2018/19, 29 279, nr. 497).

De KBvG pleit er onder andere voor om voor de inning van onbetwiste schuldvorderingen (IOS-procedure) een separate procedure in te richten waarbij het model van de Belgische IOS-procedure richtinggevend kan zijn. In het voorstel van de KBvG zouden de gerechtsdeurwaarder die namens de eiser optreedt zonder tussenkomst van een rechter een executoriale titel moeten kunnen verschaffen op basis van een proces-verbaal van niet-betwisting als er niet is gereageerd op de aanmaning van betaling en waartegen verzet bij de rechter open staat.

De Belgische IOS-procedure die door de KBvG als voorbeeld wordt gesteld ziet echter alleen op inning van geldvorderingen tussen bedrijven onderling en had tot doel de werklast van de Belgische gerechten te verminderen. Het grootste deel van de Nederlandse incassovorderingen ziet op vorderingen tussen bedrijven en burgers. Daarnaast wordt in de door de KBvG voorgestelde procedure ten onrechte verondersteld dat een executoriale titel kan worden verleend door de gerechtsdeurwaarder zonder tussenkomst van de rechter. Dit kan op gespannen voet komen te staan met artikel 112 van de Grondwet waarin is vastgelegd dat de beslechting van geschillen over burgerlijke rechten en schuldvorderingen exclusief aan de rechterlijke macht zijn opgedragen. In reactie op het onderzoek «Geschillen in het MKB» is gemeld dat de rechtspraak zal verkennen of in het kader van maatschappelijk effectieve rechtspraak een specifiek project kan worden gestart gericht op het MKB (Kamerstukken II 2019/20, 32 637, nr. 383). In overleg met MKB Nederland zal de rechtspraak bezien op welke wijze het beste tegemoet kan worden gekomen aan de specifieke behoeften van het MKB.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

Dit artikel wijzigt de griffierechten voor kantonzaken en andere zaken dan kantonzaken bij de rechtbank, zoals opgenomen in de bijlage bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Het artikel vervangt de categorie «zaken met betrekking tot een vordering dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 500 en niet meer dan € 12.500» door vier nieuwe categorieën griffierechten te weten:

  • Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek, met een beloop van meer dan € 500 en niet meer dan € 1.500;

  • Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 1.500 en niet meer dan € 2.500;

  • Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 2.500 en niet meer dan € 5.000;

  • Zaken met betrekking tot een vordering dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 5.000 en niet meer dan € 12.500.

De griffierechten in de eerste drie nieuwe categorieën vallen voor niet-natuurlijke personen lager uit dan het griffierecht in de bestaande categorie, voor natuurlijke personen geldt dat zij in één categorie lager uitvallen en in twee categorieën gelijk blijven. Het griffierecht in de vierde nieuwe categorie valt hoger uit dan het griffierecht in de bestaande categorie voor zowel niet-natuurlijke personen als natuurlijke personen. Daarnaast wordt ook in de bestaande categorie «zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 12.500» in kantonzaken en de twee bestaande categorieën voor andere zaken dan kantonzaken bij de rechtbank het griffierecht verhoogd.

De aanpassingen zien enkel op griffierechten voor niet-natuurlijke personen en voor natuurlijke personen in civiele zaken in eerste aanleg voor vorderingen met een financieel belang van meer dan € 500.

Artikel II

De in artikel I opgenomen griffierechtbedragen zijn berekend op basis van het prijspeil 2020. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid om de in artikel I van dit wetsvoorstel opgenomen bedragen te indexeren op het moment dat de wet in 2021 in werking treedt. Treedt de wet voor 1 januari 2021 in werking dan wordt de jaarlijkse indexatie van de bedragen (ingaande per 1 januari 2021) geregeld via artikel 2 van de Wgbz. Treedt de wet in werking na 1 januari 2021 maar voor 1 januari 2022, dan kan op basis van artikel II de indexatie voor het jaar 2021 worden doorgevoerd.

Artikel III

Dit artikel voorziet in de gebruikelijke inwerkingtredingsbepaling.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker