Gepubliceerd: 16 juni 2020
Indiener(s): Arie Slob (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU)
Onderwerpen: onderwijs en wetenschap voortgezet onderwijs
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35354-9.html
ID: 35354-9
Origineel: 35354-2

Nr. 9 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 16 juni 2020

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel I, onderdeel F, wordt het voorgestelde artikel 79 als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt na «scholen» toegevoegd «en scholengemeenschappen».

2. In de aanhef van het eerste lid wordt na «school» ingevoegd «of scholengemeenschap».

3. In het eerste lid, onderdeel a, wordt na «school» ingevoegd «of scholengemeenschap» en wordt «naar soort vestiging wat betreft al dan niet» vervangen door «naar het soort vestiging wat betreft het al dan niet».

4. Het tweede lid komt te luiden:

2. Indien op één adres vestigingen van verschillende scholen of scholengemeenschappen van hetzelfde bevoegd gezag zijn gehuisvest, wordt aan iedere vestiging een deel van het bedrag per vestiging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verstrekt naar rato van het aantal vestigingen op dat adres, rekening houdend met het soort vestiging.

5. De tweede volzin van het derde lid komt te luiden: De bekostiging wordt per school of scholengemeenschap berekend aan de hand van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze.

6. In het vierde lid, onderdeel c, wordt «werkloosheidsuitkeringen van het personeel» vervangen door «werkloosheidsuitkeringen».

B

In artikel I, onderdeel F, komt het voorgestelde artikel 79a als volgt te luiden:

Artikel 79a. Aanvullende bekostiging scholen met leerwegondersteunend onderwijs en scholen voor praktijkonderwijs

1. Een school of scholengemeenschap die op grond van artikel 70 dan wel artikel 17a1, tweede lid, in aanmerking komt voor bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs ontvangt in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 79, eerste lid, een bedrag voor bekostiging van personeelskosten en een bedrag voor bekostiging van exploitatiekosten per leerling voor wie het samenwerkingsverband heeft bepaald dat deze is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs.

2. Een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 10f, ontvangt in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 79, eerste lid, een bedrag voor bekostiging van personeelskosten en een bedrag voor bekostiging van exploitatiekosten per leerling voor wie het samenwerkingsverband heeft bepaald dat deze toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs.

C

In artikel I, onderdeel F, komt het tweede lid van het voorgestelde artikel 80 te luiden:

2. Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 oktober de bedragen, bedoeld in de artikelen 79, eerste lid, en 79a, vastgesteld en worden regels gesteld over de termijnen van de betaling daarvan.

D

In artikel I, onderdeel F, komt het voorgestelde artikel 81 te luiden:

Artikel 81. Teldatum aantal leerlingen en vestigingen voor berekening bekostiging

Bij het bepalen van de hoogte van de bekostiging, bedoeld in de artikel 79 en 79a, gaat Onze Minister, volgens daarover bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels, uit van het aantal leerlingen en het aantal en soort vestigingen van de school op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

E

In artikel I, onderdeel F, komt in het voorgestelde artikel 82 het tweede lid te luiden:

2. Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond vaststellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de verdeling.

F

In artikel I, onderdeel F, wordt het voorgestelde artikel 83 als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «aan een school» vervangen door «van een school».

2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt na «onder het verbinden van verplichtingen» ingevoegd «aan het bevoegd gezag».

3. Het vierde lid komt te luiden:

4. Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond vaststellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de verdeling.

G

In artikel I, onderdeel S, wordt «komt paragraaf 2 te vervallen» vervangen door «vervalt paragraaf 2».

H

Artikel I, onderdeel U, vervalt.

I

Artikel I, onderdeel W, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel 1 wordt «onder verlettering van de onderdelen a tot en met i tot a tot en met f» vervangen door «onder verlettering van onderdeel c tot onderdeel b en de onderdelen f tot en met i tot onderdelen c tot en met f».

2. Onderdeel 7 wordt vervangen door twee onderdelen, luidende:

7. In het vijfde lid wordt «onderdeel a of onderdeel c» vervangen door «onderdelen a of b» en wordt «onderdeel d, of onderdeel f» vervangen door «onderdeel c».

8. In het zevende lid wordt «onderdelen d tot en met g» vervangen door «onderdelen c en d».

J

In artikel I, onderdeel Z, wordt «artikel 85b1» vervangen door «artikel 85b1, eerste lid».

K

Artikel I, onderdeel CC, vervalt.

L

In artikel I, onderdeel DD, wordt in het voorgestelde artikel 118w «het samenwerkingsverband» vervangen door «de regionale verwijzingscommissie» en vervalt «van de Wet op het voortgezet onderwijs».

M

Artikel I, onderdeel FF, komt te luiden:

FF

Aan het slot van Titel IVE wordt een afdeling toegevoegd [waarvan de nummering aansluit op de laatste afdeling van die titel], luidende:

AFDELING #. OVERGANGSRECHT WET VAN XX MAAND 20XX TOT WIJZIGING VAN ONDER MEER DE WET OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS EN DE WET VOORTGEZET ONDERWIJS BES IN VERBAND MET VEREENVOUDIGING VAN DE GRONDSLAGEN VAN DE BEKOSTIGING VOOR PERSONEELS- EN EXPLOITATIEKOSTEN VAN DE SCHOLEN VOOR VOORTGEZET ONDERWIJS (VEREENVOUDIGING GRONDSLAGEN BEKOSTIGING VO-SCHOLEN) (STB. 20xx, xxx)

Artikel 118#. Overgangsrecht toegroeien naar nieuwe bekostiging

1. De bekostiging voor de scholen van een bevoegd gezag ingaande het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de artikelen 79 en 80 in werking treden wordt eenmalig berekend op basis van de telgegevens op 1 oktober in het jaar van inwerkingtreding van deze artikelen:

  • a. op grond van de artikelen 79 en 80 en de daarop gebaseerde regelgeving, en

  • b. op grond van de artikelen 84, eerste tot en met derde lid, 84b, 85 en 86, met uitzondering van het derde lid, onderdeel d, van dat artikel, en de daarop gebaseerde regelgeving, artikel 2, tweede en derde lid, van het Formatiebesluit WVO en artikel 3 van de Regeling aanvullende bekostiging nevenvestiging, nieuwe scholen en samenvoeging vo, zoals die artikelen luidden op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop de artikelen 79 en 80 in werking zijn getreden.

2. Het verschil tussen onderdelen a en b van het eerste lid is het herverdeeleffect van een bevoegd gezag.

3. Bij een positief of negatief herverdeeleffect voor een bevoegd gezag wordt de bekostiging voor de scholen van dat bevoegd gezag gedurende vier jaar vanaf het kalenderjaar volgend op de inwerkingtreding van de artikelen 79 en 80 verminderd onderscheidenlijk vermeerderd met achtereenvolgens 80%, 60%, 40% en 20% van het herverdeeleffect.

4. Bij een herverdeeleffect voor een bevoegd gezag van tenminste 3% negatief, ontvangt het bevoegd gezag gedurende vier jaar vanaf het kalenderjaar volgend op de datum van inwerkingtreding van de artikelen 79 en 80 het verschil tussen 3% negatief en het werkelijke negatieve herverdeeleffect, met dien verstande dat het bevoegd gezag niet meer ontvangt dan maximaal 100% van de berekende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. In het vijfde jaar na inwerkingtreding ontvangt het bevoegd gezag nog eenmaal 50% van dit verschil.

5. Het herverdeeleffect, bedoeld in het tweede lid, wordt per bevoegd gezag éénmalig vastgesteld. De bekostiging, bedoeld in het derde en vierde lid, die op grond van dit herverdeeleffect wordt vastgesteld, kan volgens bij ministeriele regeling te stellen regels worden aangepast aan loon-en prijsontwikkelingen, tenzij de toestand van ’s Rijks financiën zich daartegen verzet.

6. Dit artikel is niet van toepassing op scholen ten aanzien waarvan door Onze Minister toepassing is gegeven aan artikel 108, vierde lid.

N

Artikel I, onderdeel HH, wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef komt te luiden:

Voor artikel 124 wordt een artikel ingevoegd [waarvan de nummering aansluit op het artikel daarvoor], luidende:.

2. In het opschrift van het voorgestelde artikel 123d wordt «123d» vervangen door «123#».

O

In artikel II, onderdeel D, komt de tweede volzin van het voorgestelde artikel 152, tweede lid, te luiden: De bekostiging wordt per school berekend aan de hand van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze.

P

In artikel II, onderdeel D, wordt het voorgestelde artikel 153 als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

2. Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 oktober de bedragen, bedoeld in artikel 152, eerste lid, vastgesteld en worden regels gesteld over de termijnen van de betaling daarvan.

2. In het vierde lid wordt «na het tijdstip van vaststelling» vervangen door «volgend op het tijdstip van vaststelling».

Q

In artikel II, onderdeel D, komt het voorgesteld artikel 154 als volgt te luiden:

Artikel 154. Teldatum aantal leerlingen voor berekening bekostiging

Bij het bepalen van de hoogte van de bekostiging, bedoeld in artikel 152, gaat Onze Minister, volgens daarover bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels, uit van het aantal leerlingen van de school op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

R

In artikel II, onderdeel D, komt in het voorgestelde artikel 155 het tweede lid als volgt te luiden:

2. Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond vaststellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de verdeling.

S

In artikel II, onderdeel D, wordt het voorgestelde artikel 156 als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «aan een school» vervangen door «van een school».

2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt na «onder het verbinden van verplichtingen» ingevoegd «aan het bevoegd gezag».

3. Het vierde lid komt te luiden:

4. Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond vaststellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de verdeling.

T

Artikel II, onderdeel E, komt te luiden:

E

Artikel 159 vervalt.

U

In artikel II, onderdeel G, komt onderdeel 1 te luiden:

1. In het eerste lid vervalt onderdeel c onder verlettering van de onderdelen d tot en met f tot onderdelen c tot en met e.

V

In artikel II, onderdeel H, wordt «154, en 156» vervangen door «154 en 156» en wordt «artikel 152, vierde lid, onderdeel g» vervangen door «artikel 152, derde lid, onderdeel g».

W

Artikel II, onderdeel J, komt als volgt te luiden:

J

Artikel 207 vervalt.

X

Artikel II, onderdeel L, wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef komt te luiden:

Voor artikel 219 wordt een artikel ingevoegd, luidende:.

2. In het opschrift van het voorgestelde artikel 218d wordt «218d» vervangen door «218#».

Y

In artikel III, onderdeel D, wordt het voorgestelde artikel 2.2.1 als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt als volgt te luiden:

1. De rijksbijdrage voor beroepsopleidingen waarop de in artikel 2.2.1, eerste lid, bedoelde aanspraak betrekking heeft, wordt per instelling berekend en bestaat uit een bedrag per student, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar leerweg.

2. Het tweede lid vervalt.

3. Het derde en vierde lid worden vernummerd tot tweede en derde lid.

4. In het tweede lid (nieuw) komt de tweede volzin te luiden: De bekostiging wordt per instelling berekend aan de hand van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze.

5. In het derde lid (nieuw), onderdeel j, wordt «deelnemers» vervangen door «studenten».

6. In het derde lid (nieuw), onderdeel k, wordt «deelnemers» vervangen door «studenten».

Z

In artikel III, onderdeel E, wordt «artikel 2.2.1, tweede lid» vervangen door «artikel 2.2.1, eerste lid».

AA

Artikel III, onderdeel F, komt als volgt te luiden:

F

Na artikel 2.2.3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.2.3a Teldatum aantal studenten voor berekening bekostiging

Bij het bepalen van de hoogte van de bekostiging, bedoeld in artikel 2.2.2, gaat Onze Minister volgens daarover bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels, uit van het aantal studenten op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

BB

In artikel III, onderdeel H, wordt »artikel 2.2.1, vijfde lid, onderdelen j en k» vervangen door «artikel 2.2.1, vierde lid, onderdelen j en k».

CC

Artikel IV, onderdeel C, vervalt.

DD

Artikel VI vervalt.

EE

Na artikel VII wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL VIIA. WIJZIGING VAN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT

In artikel 2 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt in de zinsnede met betrekking tot de Wet op het voortgezet onderwijs «de artikelen 85a, 89 en» vervangen door «de artikelen 82, 83 en».

Toelichting

Onderdeel A (artikel I, onderdeel F: artikel 79 WVO)

De wijzigingen in het voorgestelde artikel 79 zijn technisch van aard of zijn aangebracht om de bestaande teksten te verduidelijken. In het tweede lid wordt geregeld dat wanneer een bevoegd gezag meerdere vestigingen (het gaat hierbij om hoofd- en nevenvestigingen) op hetzelfde adres heeft geregistreerd, aan iedere vestiging een deel van het vaste bedrag per vestiging wordt verstrekt, rekening houdend met het soort vestiging. Voor de volledigheid worden hieronder de verschillende scenario’s uitgelegd, waarbij voor de duidelijkheid bij het tweede scenario (geregeld in artikel 79, tweede lid) een aantal voorbeelden wordt genoemd.

1. De hoofdvestiging en nevenvestiging horende bij hetzelfde bevoegd gezag zijn gevestigd op aparte adressen. Zowel de hoofd- als de nevenvestiging ontvangen het volledige vaste bedrag voor hun vestiging. Deze bedragen worden geregeld bij ministeriele regeling.

2. Op hetzelfde adres zijn verschillende soorten vestigingen (hoofd- of nevenvestiging) van een school van hetzelfde bevoegd gezag gevestigd. Dan wordt aan iedere vestiging een deel van het bedrag per vestiging verstrekt naar rato van het aantal vestigingen op dat adres, rekening houdend met het soort vestiging. Ter verduidelijking hierbij een aantal voorbeelden:

  • Er is sprake van twee hoofdvestigingen horende bij hetzelfde bevoegd gezag op hetzelfde adres: allebei de vestigingen ontvangen de helft van het vaste bedrag voor de hoofdvestiging.

  • Er is sprake van twee nevenvestigingen horende bij hetzelfde bevoegd gezag op hetzelfde adres: allebei de vestigingen ontvangen de helft van het vaste bedrag voor de nevenvestiging.

  • Er is sprake van drie nevenvestigingen horende bij hetzelfde bevoegd gezag op hetzelfde adres: alle drie de vestigingen ontvangen een derde van het vaste bedrag voor de nevenvestiging.

  • Er is sprake van een hoofdvestiging en een nevenvestiging horende bij hetzelfde bevoegd gezag op hetzelfde adres: de hoofdvestiging krijgt de helft van de vaste voet voor de hoofdvestiging en de nevenvestiging ontvangt de helft van de vaste voet voor de nevenvestiging.

  • Er is sprake van een hoofdvestiging en twee nevenvestigingen horende bij hetzelfde bevoegd gezag op hetzelfde adres: de hoofdvestiging ontvangt een derde van de vaste voet voor de hoofdvestiging en de twee nevenvestigingen ontvangen ieder een derde van de vaste voet voor de nevenvestiging.

Voor alle scenario’s geldt dat een hoofdvestiging of nevenvestiging in aanmerking komt voor een vast bedrag als wordt voldaan aan bij AMvB te bepalen criteria.

3. Indien op hetzelfde adres verschillende vestigingen zijn gevestigd behorend tot verschillende bevoegde gezagsorganen, dan wordt niet gedeeld. Dus bijvoorbeeld de hoofdvestiging op het adres behoort tot het ene bevoegd gezag en nevenvestiging op hetzelfde adres behoort tot een ander bevoegd gezag. Dan ontvangen zowel de hoofd- als de nevenvestiging het volledige vaste bedrag voor hun vestiging, mits beide vestigingen voldoen aan bij AMvB te bepalen criteria.

Onderdeel B (artikel I, onderdeel F: artikel 79a WVO)

Met de aanpassing van artikel 79a wordt geregeld dat voor wat betreft de aanvullende bekostiging voor scholen met leerwegondersteunend onderwijs en scholen voor praktijkonderwijs de scheiding tussen bekostiging voor personeelskosten en bekostiging voor exploitatiekosten in stand blijft. Dit omdat deze aanvullende bekostiging nauw samenhangt met de bekostiging van de samenwerkingsverbanden, waar de scheiding tussen bekostiging voor personeelskosten en bekostiging voor exploitatiekosten in stand blijft. De aanvullende bekostiging voor scholen met leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs wordt gelijktijdig met de aanpassing van de bekostiging van de samenwerkingsverbanden vereenvoudigd. Hierbij wordt tevens opgemerkt dat de artikelsgewijze toelichting bij artikel 79a in de memorie van toelichting bij het bij koninklijk besluit van 2 december 2019 ingediende voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met vereenvoudiging van de grondslagen van de bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten van de scholen voor voortgezet onderwijs (vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen) (Kamerstukken II 2019/20, 35 354, nr. 3) per abuis is opgenomen bij artikel 80, tweede lid. Voor de volledigheid wordt hierbij de toelichting op artikel 79a gevoegd: Artikel 79a beschrijft dat de scholen voor praktijkonderwijs en scholen met leerwegondersteunend onderwijs in aanvulling op de basisbekostiging ook nog een bedrag per leerling krijgen indien die leerling is geïndiceerd door het samenwerkingsverband passend onderwijs. Dit bedrag is bedoeld voor het bieden van extra ondersteuning.

Onderdeel C (artikel I, onderdeel F: artikel 80 WVO)

De aanpassing van artikel 80, tweede lid, betreft een aanpassing van technische aard.

Onderdeel D (artikel I, onderdeel F: artikel 81 WVO)

Aan artikel 81 is de term «vestigingen» toegevoegd, zodat bij het bepalen van de hoogte van de bekostiging kan worden uitgegaan van het aantal leerlingen en het aantal en de soort vestigingen van een school op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Onderdelen E en F (artikel I, onderdeel F: artikel 82 en 83 WVO)

De herformulering van artikel 82, tweede lid, en artikel 83, vierde lid, betreft een aanpassing van technische aard. Zo wordt meer aangesloten bij de formulering in de huidige artikelen 85a, vierde en vijfde lid, en 89, derde en vierde lid, WVO.

Onderdeel G (artikel I, onderdeel S: artikel 96d WVO)

Dit betreft een wetstechnische correctie. Met het vervallen van Titel III, afdeling II, hoofdstuk III, paragraaf 2, van de WVO vervalt dus ook het daarin opgenomen artikel 96d.

Onderdeel H (artikel I, onderdeel U: artikel 96g1 WVO)

Artikel 96g1 WVO is met ingang van1 april 2020 al komen te vervallen door de Wet van 12 februari 2020 tot wijziging van de verschillende wetten op met name het terrein van onderwijs, cultuur en media in verband met voornamelijk wetstechnische en redactionele verbeteringen (Verzamelwet OCW 2020) (Stb. 2020, 76). Daarmee is dit onderdeel van het wetsvoorstel niet meer nodig.

Onderdeel I (artikel I, onderdeel W: artikel 96i WVO)

In artikel I, onderdeel W, van het wetsvoorstel worden enkele technische wijzigingen doorgevoerd.

Onderdeel J (artikel I, onderdeel Z: artikel 96n WVO)

Dit onderdeel betreft een wetstechnische correctie van de wijzigingsopdracht.

Onderdeel K (artikel I, onderdeel CC: artikel 103b WVO) en onderdeel CC (artikel IV, onderdeel C: artikel 164a WEC)

Artikel 103b, tweede lid, WVO, en artikel 164a, tweede lid, WEC komen te vervallen met de Wet register onderwijsdeelnemers, die binnenkort in werking treedt. De aanpassing van deze artikelen is dan ook niet meer nodig. Deze bepalingen komen terug in het Besluit register onderwijsdeelnemers. De verwijzingen naar de artikelen 85a, 85b en 89a WVO (oud), zullen bij algemene maatregel van bestuur worden aangepast overeenkomstig dit wetsvoorstel.

Onderdeel L (artikel I, onderdeel DD: artikel 118w WVO)

In het voorgestelde artikel 118w WVO is per abuis het samenwerkingsverband genoemd, waar de regionale verwijzingscommissie was bedoeld. Zo wordt geregeld dat ook scholen met leerlingen die door de voorloper van het samenwerkingsverband zijn aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs de aanvullende bekostiging behouden.

Onderdeel M (artikel I, onderdeel FF: artikel 118ff WVO)

Het overgangsartikel toegroeien naar nieuwe bekostiging is in technische opzicht aangepast ter verduidelijking. Dit is vooral ten behoeve van de uitvoering.

Voor de aanduiding van de nieuwe afdeling en het nieuwe artikel met een # is gekozen aangezien verschillende, op dit moment aanhangige of reeds aangenomen wetsvoorstellen overgangsbepalingen toevoegen aan titel IVE. Om een verkeerde nummering te voorkomen wordt de aanduiding #, conform aanwijzing 5.69 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, bij de drukproef voor het Staatsblad gewijzigd in het juiste nummer en wordt het tekstdeel tussen blokhaken geschrapt.

Onderdeel N (artikel I, onderdeel HH: artikel 123d WVO)

Voor de aanduiding van het nieuwe artikel met een # is gekozen aangezien verschillende, op dit moment aanhangige of reeds aangenomen wetsvoorstellen een evaluatiebepaling toevoegen aan de WVO. Om een verkeerde nummering te voorkomen wordt de aanduiding #, conform aanwijzing 5.69 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, bij de drukproef voor het Staatsblad gewijzigd in het juiste nummer en wordt het tekstdeel tussen blokhaken geschrapt.

Onderdeel O (Artikel II, onderdeel D: artikel 152 WVO BES)

Met dit onderdeel komt artikel 152, tweede lid, WVO BES te luiden overeenkomstig het voorgestelde artikel 79, derde lid, WVO, zoals dat door deze nota van wijziging wordt aangepast.

Onderdelen P, Q, R en S (artikel II, onderdeel D: artikelen 153, 154, 155, en 156 WVO BES)

Deze wijzigingen zijn allen technische van aard en omvatten overeenkomstige aanpassing van de bepalingen in de WVO BES, zoals die ook in de WVO worden gewijzigd.

Onderdeel T (artikel 159 WVO BES)

Dit artikel kan, conform artikel 96d van de Wet op het voortgezet onderwijs, komen te vervallen.

Onderdelen U en V (Artikel II, onderdelen G en H: artikelen 163 en 164 WVO BES)

Deze wijzigingen zijn wetgevingstechnisch van aard.

Onderdeel W (artikel 207 WVO BES)

Artikel 207 van de Wet voortgezet onderwijs BES kan komen te vervallen. De onderdelen a tot en met c betreffen uitgewerkt overgangsrecht. De aanwijzing van de Saba Comprehensive School als inrichting voor voortgezet onderwijs (onderdeel d) zal overeenkomstig artikel 117 WVO BES voortaan plaatsvinden bij algemene maatregel van bestuur.

Onderdelen Y, Z en BB (artikel 2.2.1, 2.2.2 en 3.3 WEB BES)

Artikel 2.2.1 van de WEB BES is aangepast om te verduidelijken dat de VO-school het vaste bedrag ontvangt voor zowel het gedeelte van de school waar voortgezet onderwijs wordt verzorgd als voor de beroepsopleidingen. De verwijzing naar «bedrag per instelling» in artikel 2.2.1, eerste en tweede lid, zijn geschrapt, om te voorkomen dat er zowel een vast bedrag voor de school als voor de instelling moet worden verstrekt.

De wijzigingen in de artikelen 2.2.2 en 3.3 WEB BES hangen samen met verwijzingen in die artikelen naar artikel 2.2.1 WEB BES.

Onderdeel AA (artikel III, onderdeel F: artikel 2.2.3a WEB BES)

De aanpassing van artikel 2.2.3a van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES is technisch van aard.

Onderdeel DD (artikel VI: artikel 24f WOT)

Artikel VI (de wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht) kan komen te vervallen vanwege de samenloop met de Wet register onderwijsdeelnemers (Stb. 2019, 119).

Onderdeel EE (artikel VIIa: wijziging Algemene wet bestuursrecht)

In bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht worden de verwijzingen naar de artikelen 85a en 89 (oud) vervangen door de juiste verwijzingen naar de artikelen 83 en 83 (nieuw) van de Wet op het voortgezet onderwijs.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob