Gepubliceerd: 18 juli 2019
Indiener(s): Suzanne Dekker (D66)
Onderwerpen: organisatie en beleid recht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35262-3.html
ID: 35262-3

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen

Inleiding

Dit wetsvoorstel combineert een aantal onderwerpen. Allereerst strekt het ertoe de beroepskwaliteitstoetsingen nader te regelen die passen bij de huidige beroepsuitoefening in de advocatuur, het notariaat en de gerechtsdeurwaarderij. Voor de advocatuur gaat het om het aanvullen van een wettelijke opdracht aan de Nederlandse orde van advocaten (NOvA) voor de uitvoering van deze kwaliteitstoetsingen, terwijl het voor de beide andere juridische beroepsgroepen uitsluitend gaat om het aanvullen van een reeds bestaande wettelijke grondslag. De kwaliteitstoetsingen kunnen inmiddels rekenen op een breed draagvlak binnen de drie beroepsorganisaties en worden in de praktijk van de notarissen en de gerechtsdeurwaarders al een aantal jaren toegepast.

Voorts behelst het voorstel een aantal aanpassingen van wetstechnische en van redactionele aard, betrekking hebbend op alle drie de beroepsgroepen. Deze wijzigingen zijn grotendeels procedureel van karakter, herstellen soms een wetgevingstechnische omissie zoals een verouderde verwijzing, en hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat ze technisch van aard zijn.

Kwaliteitstoetsen

In de Wet positie en toezicht advocatuur is in artikel 26 van de Advocatenwet de wettelijke grondslag neergelegd voor het uitvoeren van beroepskwaliteitstoetsen. Daarbij heeft voor ogen gestaan dat ook de kwaliteit van de dienstverlening van de advocatuur is gebaat bij intercollegiale toetsing. Deze wet is op 1 januari 2015 in werking getreden, echter met uitzondering van voornoemd artikel 26.1 De inrichting van de kwaliteitstoetsen heeft de nodige voorbereiding gevergd in de beroepsgroep van de advocatuur. Met het vaststellen van de wijzigingsverordening kwaliteitstoetsen op 21 juni 2017 door het college van afgevaardigden zijn deze voorbereidingen afgerond (zie ook hierna onder Privacy Impact Assessment). In afwachting van de aanpassing van de wettelijke regeling roepen de NOvA en de lokale dekens advocaten op om al zoveel mogelijk met de toetsingen aan de slag te gaan. Advocaten kunnen kiezen uit drie vormen van beroepskwaliteitstoetsing: de intervisie, een peer review of het gestructureerde intercollegiale overleg. Alle toetsingen betreffen de professionele aanpak van de beroepsbeoefenaar en de kantoororganisatie waar hij of zij werkzaam is. Wil de uitvoering van deze kwaliteitstoetsen doelmatig en doeltreffend zijn, dan zullen er door de toetser ten behoeve van de verslaglegging (persoons)gegevens moeten worden verwerkt. Zodra het gewijzigde artikel 26 zal zijn ingevoerd, kan registratie van gespreksleiders en reviewers bij de algemene raad plaatsvinden.

Per 25 mei 2018 is de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)2 in werking getreden die de Wet bescherming persoonsgegevens heeft vervangen. Het begrip «verwerken» heeft onder de AVG een brede werking. Zo valt het enkele verzamelen, opvragen, raadplegen en ordenen al onder het verwerkingsbegrip. In het kader van een intercollegiale toetsing, waarbij een toetsingsexpert een aantal dossiers onder de professionele loep neemt, zullen dus ook gegevens kunnen worden verwerkt in de zin van de privacyverordening. Het gaat hierbij dus om de gegevensverwerking door de toetser van de beroepskwaliteit, die het kantoor bezoekt, niet om de initiële gegevensverwerking ten behoeve van het dossier tussen de cliënt en de beroepsbeoefenaar. Bij een dergelijke «verwerking» kent het stelsel van de bij wet gereguleerde juridische beroepsgroepen reeds ingebouwde waarborgen voor de privacy. Deze toetsers zijn immers meestal collega-beroepsbeoefenaren die evenzeer onderworpen zijn aan een – in geval van advocaten en notarissen wettelijke – geheimhoudingsplicht als de collega die gevisiteerd wordt. Als het geen collega’s maar externe auditors zijn – zoals bij de gerechtsdeurwaarders gebruikelijk is – dan geldt eveneens een wettelijke geheimhoudingsplicht.

In verband met de artikelen 6, eerste lid, 9 en 10 van de AVG en paragraaf 3.1 onderscheidenlijk 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG)3 is niettemin gekozen voor een aanvullende wettelijke regeling. Om de kwaliteitstoets op een goede wijze mogelijk te maken in de advocatuur wordt een lid toegevoegd aan artikel 26 van de Advocatenwet, waarin kennisneming van de bijzondere persoonsgegevens is opgenomen. Met de bepaling is niet beoogd onderscheid te maken naar type zaken die kunnen worden onderworpen aan een kwaliteitstoets. Want het spreekt voor zich dat de kwaliteitstoetsen zich kunnen uitstrekken – afhankelijk van de steekproef die door de beroepskwaliteitstoetser wordt getrokken – tot alle dossiers die bijvoorbeeld in een advocatenpraktijk worden behandeld. Doel van de kwaliteitstoetsen is nu eenmaal een goed inzicht te verkrijgen in de kwaliteit van de beroepsuitoefening van het bezochte advocatenkantoor in het algemeen en van de professionele werkwijze van de individuele advocaat in het bijzonder. Aan dit doel zou afbreuk worden gedaan indien op voorhand bekend is dat dossiers waarin bijzondere gegevens zijn opgenomen (bijvoorbeeld strafdossiers of ontslagdossiers, insolventiedossiers of dossiers inzake letselschade) niet aan een dergelijke toets onderhevig zouden zijn.

Men zou zelfs kunnen zeggen dat ieder advocatendossier per definitie bijzondere persoonsgegevens zal bevatten omdat de advocaat nu eenmaal voor een goede behandeling van de zaak alle bijzonderheden nodig heeft. Dat wil allerminst zeggen dat de beroepskwaliteitstoetser die persoonlijke gegevens ook opneemt in zijn verslag. Het gaat er bij de toetsing immers om dat de beroepsbeoefenaar en zijn professionele aanpak van de verschillende dossiers centraal staat, en niet de cliënt waarvoor hij werkzaam is. In het toetsingsverslag worden de persoonlijke gegevens dus ook niet opgenomen. Een toetsingsverslag bevat een tot op zaaksniveau geabstraheerd relaas van hetgeen de beroepskwaliteitstoetser heeft aangetroffen en besproken bij zijn visitatie. De persoonlijke gegevens van de cliënt zijn niet relevant voor de kwaliteit van de beroepsbeoefenaar, en worden dus ook niet vermeld in het verslag c.q. worden geanonimiseerd in het verslag van de toetsing.

Dezelfde argumenten gelden ook voor het notariaat en de gerechtsdeurwaarderij. Deze beide beroepsgroepen hebben al de nodige ervaringen opgedaan de afgelopen jaren met de (driejaarlijkse) toetsingspraktijk. De intercollegiale toetsing verloopt in het notariaat via peer reviews en bij de gerechtsdeurwaarders via externe door de Koninklijke Beroepsorganisatie voor Gerechtsdeurwaarders (KBvG) aangewezen auditors. Aangezien het wenselijk is om de regelgeving voor notarissen, deurwaarders en advocaten waar mogelijk te harmoniseren is er voor gekozen om de nieuwe aanvullende formuleringen in artikel 61a van de Wet op het notarisambt en in artikel 57a van de Gerechtsdeurwaarderswet zoveel mogelijk gelijk te laten luiden als dat in artikel 26 Advocatenwet is gedaan voor de advocatuur. In alle drie de situaties gaat het erom dat de aangewezen deskundigen bijzondere persoonsgegevens mogen verwerken in de zin van de AVG, maar alleen voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de doelmatige en doeltreffende uitvoering van de kwaliteitstoetsen.

Kritische intercollegiale toets en toetsingsverslag

In artikel 26 van de Wet positie en toezicht advocatuur is al bepaald dat de kwaliteitstoetsing wordt verricht door deskundigen die worden aangewezen door de algemene raad van de NOvA. Zoals gezegd is deze wetswijziging op verzoek van de NOvA niet op 1 januari 2015 in werking getreden in afwachting van de voorbereidingen die binnen de advocatuur moesten worden getroffen. Aangezien de kwaliteit van de beroepsuitoefening moet worden beoordeeld, zijn (in het geval is gekozen voor peer review) deze deskundigen advocaten met de nodige ervaring in het vak. Het gaat hier immers om een kritische intercollegiale toetsing. Zo ligt het in de rede om bij de uitoefening van een kwaliteitstoets bij een gespecialiseerd strafrechtadvocaat de kwaliteitstoets te laten uitoefenen door een advocaat gespecialiseerd in strafzaken. In de dossiers zullen veel strafrechtelijke persoonsgegevens zijn opgenomen. Zo kan blijken dat iemand wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit, en dat er wellicht meer verdachten in de zaak zijn en of de verdachte een strafblad heeft. Het zijn allemaal gegevens die van belang zijn om te kunnen beoordelen of een zaak op de juiste wijze door de advocaat is aangepakt. Het op voorhand anonimiseren van de gegevens kan afbreuk doen aan een juiste uitoefening van de kwaliteitstoets. Juist het inzicht in de cliënt specifieke gegevens is nodig om te beoordelen of de zaak op een juiste wijze is behandeld. Want het is belangrijk dat de toetser een totaaloverzicht in de zaak heeft om op die manier te kunnen beoordelen of op een juiste wijze is omgegaan met de feiten en de combinatie van feiten.

Gelet op de kennisneming van persoonsgegevens door de kwaliteitstoetser was in artikel 26, derde lid, al geregeld dat deze kwaliteitstoetser een afgeleide geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht heeft. Met deze bepaling blijft gewaarborgd dat de cliënt specifieke en vertrouwelijke gegevens in een advocatendossier niet verder worden verspreid dan voor de toetsing noodzakelijk is. De afgeleide geheimhoudingsplicht is van gelijke reikwijdte als die van de advocaat die het dossier heeft behandeld. Dat betekent dat de informatie binnen een zeer beperkte kring van deskundigen blijft. Dat strookt met de bedoeling van de kwaliteitstoetsen. Het gaat erom dat de vakgenoten elkaar met hun expertise kunnen aanspreken om daarmee de kwaliteit van de dienstverlening die voor een rechtzoekende moeilijk te beoordelen is, te bevorderen. Dit draagt bij aan het op peil houden en waar mogelijk verder verbeteren van hoogwaardige juridische dienstverlening en is daarmee van belang voor een kwalitatief goede toegang tot het recht. Nogmaals zij benadrukt dat het feit dat de toetsers kennis mogen nemen van allerlei bijzondere gegevens in het dossier, niet betekent dat zij over die bijzonderheden ook rapporteren in hun toetsingsverslag. De persoonlijke gegevens van de cliënt zijn immers niet relevant voor de beoordeling van de beroepskwaliteit en worden achterwege gelaten of geanonimiseerd. De publiekrechtelijke beroepsorganisatie (de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB), de KBvG en de NOvA) ontvangt uitsluitend dit resultaat van de periodieke beroepskwaliteitstoetsing, waarin dus geen gegevens vermeld staan die tot de persoon van de cliënt herleidbaar zijn.

Ten aanzien van het notariaat en de gerechtsdeurwaarders is het niet anders: de toetser moet overal kennis van kunnen nemen, maar zal in zijn relaas van bevindingen geen tot de persoon van de cliënt herleidbare persoonsgegevens opnemen. Net zoals bij de advocatuur is voor de kwaliteitstoetser bij de notarissen in artikel 61a, derde lid, van de Wet op het notarisambt al geregeld dat deze kwaliteitstoetser een afgeleide geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht heeft. Voor de regeling van de gerechtsdeurwaarders is, in het kader van de harmonisatie, aansluiting gezocht bij de regeling zoals die geldt voor het notariaat. Ook voor gerechtsdeurwaarders geldt een geheimhoudingsplicht inzake artikel 5 van de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders. Met de kwaliteitstoets geven de beroepsorganisaties verdere invulling aan hun wettelijke taak: het bevorderen van een goede beroepsuitoefening en de vakbekwaamheid van haar leden.

Financiële aspecten en de gevolgen voor de regeldruk

De toevoeging van de drie vergelijkbare artikelleden betreft een bevoegdheid voor de juridische beroepsgroepen om in het kader van de kwaliteitstoetsing het bewerken van bijzondere persoonsgegevens mogelijk te maken voor zover dat noodzakelijk is voor het doel van de kritische intercollegiale toets. Dit zal geen aanvullende kosten voor cliënten c.q. afnemers van de juridische dienstverlening met zich mee brengen. De administratieve lasten en de tijd van het voorbereiden en ondergaan van een kwaliteitstoets vormen de regeldruk voor de beroepsbeoefenaar zelf. Voor wat het notariaat en de gerechtsdeurwaarderij betreft zijn deze driejaarlijkse kwaliteitstoetsen al staande praktijk en gaat het uitsluitend om het aanvullen van de wettelijke grondslag. Voor de advocatuur is de wettelijke opdracht om kwaliteitstoetsen in te voeren reeds opgenomen in de Wet positie en toezicht advocatuur. Met voorliggend wetsvoorstel wordt dan ook geen nieuwe of aanvullende plicht ingevoerd. Het strekt louter tot nadere aanvulling van die wettelijke grondslag. Het onderhavige wetsvoorstel heeft dus ook geen nieuwe gevolgen voor de regeldruk van juridische beroepsbeoefenaars. Een moderne opvatting van de rol van de juridische beroepen brengt met zich mee dat – mede gezien het domeinmonopolie en de afhankelijkheid die cliënten hebben ten opzichte van deze beroepsbeoefenaars – een onafhankelijke kwaliteitstoetsing en een kritische zelfreflectie onlosmakelijk bij de beroepsuitoefening zijn gaan horen.

Privacy Impact Assessment

De vraag rijst hoe de verwerking van de bijzondere persoonsgegevens zich verhoudt tot het recht op bescherming van persoonsgegevens. Dit recht vormt een onderdeel van het meer omvattende recht op eerbiediging van het privéleven, neergelegd in artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In het onderstaande wordt eerst ingegaan op de verhouding van de verwerking van de bijzondere persoonsgegevens in het kader van de kwaliteitstoetsing tot artikel 8 EVRM en daarna op de verwerking van persoonsgegevens op grond van de AVG.

Bijzondere persoonsgegevens worden beschermd omdat het een inbreuk op het recht op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan betekenen. Onder omstandigheden mag een inbreuk op dit recht worden gemaakt. Het EVRM stelt daarbij als eis dat er een legitiem doel wordt nagestreefd en dat de inbreuk noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving waarbij het proportionaliteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel in acht moet zijn genomen.

Door de mogelijkheid tot het verwerken van bijzondere persoonsgegevens in het kader van de kwaliteitstoetsen voor de juridische beroepsgroepen in de wet voor elke van de drie beroepsgroepen te verankeren, wordt de kwaliteit van de dienstverlening van de juridische beroepsgroepen gewaarborgd en verbeterd. Kritische zelfreflectie hoort bij een hoge kwaliteit van de juridische dienstverlening. Burgers en bedrijven moeten er van op aan kunnen dat de dienstverlening waarop zij in sommige gevallen zijn aangewezen kwalitatief hoog is. Een kritische en deskundige collegiale blik helpt daarbij. Tegelijkertijd is het vertrouwelijke karakter van de dienstverlening essentieel. De belangrijkste waarborg daarvoor vormen de wettelijke geheimhoudingsplichten. Maar ook moet gewaarborgd zijn dat de bijzondere persoonsgegevens uitsluitend mogen worden geraadpleegd (en dus «verwerkt» in de zin van de verordening) indien dat noodzakelijk is voor de doelmatige en doeltreffende uitvoering van de toetsing. De wettelijke formuleringen zijn daarom strikt geredigeerd. Het aantal personen dat door de kwaliteitstoetsing in aanraking komt met de bijzondere persoonsgegevens is gering. Van indirect contact kan sprake zijn bij kantoorpersoneel dat uit hoofde van de functie toegang heeft tot de bijzondere persoonsgegevens. Ook voor hen geldt een (afgeleide) wettelijke geheimhoudingsplicht.

Er zijn verschillende methoden van beroepskwaliteitstoetsing. In de deurwaarderij is een externe audit gebruikelijk vanwege de scherpe onderlinge concurrentieverhoudingen. Deze auditor rapporteert aan de KBvG op een wijze die niet tot de persoon van de opdrachtgever of de debiteur herleidbaar is. In het notariaat wordt ieder kantoor eens in de drie jaar getoetst via een peer review, waarbij aan de hand van 19 criteria het kantoor geacht wordt eerst een voorbereidende zelfevaluatie uit te voeren. Op basis daarvan volgen er gesprekken, een dossieronderzoek, en een eindgesprek. Advocaten kunnen kiezen uit drie vormen van beroepskwaliteitstoetsing: de intervisie, een peer review of het gestructureerde intercollegiale overleg. Bij peer review worden er tenminste vijf dossiers kritisch bekeken. Bij de beide andere vormen van kwaliteitstoetsing kunnen diverse dossiers ter plekke worden geraadpleegd. In alle gevallen worden er gesprekken gevoerd met de beroepsbeoefenaar zelf en met kantoorgenoten over zijn of haar aanpak en ervaringen, om zo de goede beroepsuitoefening te toetsen. Er is geen sprake van koppeling, verrijking of vergelijking van gegevens uit verschillende bronnen. Artikel 12 van de AVG schrijft voor dat de verantwoordelijke aan de betrokkene kenbaar moet maken dat zijn persoonsgegevens verwerkt worden. Aan deze verplichting wordt in de praktijk voldaan. Cliënten van de notarissen en gerechtsdeurwaarders worden geïnformeerd dat in het kader van de kwaliteitstoetsen steekproefsgewijs dossiers worden bekeken door een deskundige die onderworpen is aan een wettelijke geheimhoudingsplicht en dat de beroepsbeoefenaren en de toetser gebonden zijn aan de verplichtingen voortvloeiend uit de AVG. Voor de advocatuur geldt het volgende. De verplichting in het kader van de kwaliteitstoetsen houdt in dat advocaten gehouden zijn ieder jaar een vorm van gestructureerde feedback te ondergaan. Zoals hiervoor aangegeven worden alleen bij peer review dossiers ingezien. Gelet op de voorgestelde wijzigingen in artikel 26 Advocatenwet met betrekking tot bijzondere persoonsgegevens en de al opgenomen geheimhoudingsplicht in artikel 26, is aparte vermelding van kenbaarheid aan cliënten – naast de reguliere melding dat advocaten verplichtingen uit hoofde van de AVG dienen na te komen – niet nodig.

De juridische beroepsorganisaties hebben in (bindende) verordeningen en reglementen nadere regels vastgesteld omtrent de kwaliteitstoetsen. Op 21 juni 2017 is door het college van afgevaardigden de wijzigingsverordening kwaliteitstoetsen vastgesteld. Op 4 september 2017 is door de algemene raad de wijzigingsregeling op de kwaliteitstoetsen aangenomen. In de wijzigingsverordening en de wijzigingsregeling worden nadere regels gesteld over uitvoeringsvereisten aan de vormen van gestructureerde feedback binnen de advocatuur. Deze wijzigingen treden in werking als de wijzigingen in artikel 26 Advocatenwet in werking treden. Eerder al werden vergelijkbare nadere regels opgesteld in de KNB verordening op de kwaliteit met bijbehorend reglement, en in de KBvG normen voor Kwaliteit, eveneens met bijbehorend reglement.

Aan al deze normen uit de verordeningen wordt de nakoming van de beroepskwaliteitsnormen door de advocaat, de notaris of de gerechtsdeurwaarder getoetst en indien nodig gesanctioneerd door de tuchtrechter. Het doel voor de gegevensverwerking is hiermee welbepaald en duidelijk omschreven. De beroepskwaliteitstoets beoogt een kwalitatief hoge juridische dienstverlening te waarborgen. De verantwoordelijken voor de daarvoor noodzakelijke gegevensverwerking zijn de aangewezen deskundigen en de beroepsorganisaties. Hun wettelijke taak is het bevorderen van een goede beroepsuitoefening en vakbekwaamheid van haar leden. De kwaliteitstoets maakt dit tastbaar, bevordert het concrete debat tussen beroepsgenoten over de invulling van de dagelijkse praktijk en draagt aldus zeker bij aan deze wettelijke taakstelling.

Consultatie

Een concept van dit wetsvoorstel is ter consultatie voorgelegd aan de KBvG, de KNB, NOvA, de Raad voor de rechtspraak, de raad voor rechtsbijstand, de raden van discipline, het hof van discipline, het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR) en de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP)4. Een concept van dit wetsvoorstel is tevens ter internetconsultatie aangeboden.

Een reactie is ontvangen van de KBvG, de KNB, NOvA, de Raad voor de rechtspraak, de raad voor rechtsbijstand, de raden van discipline, het Adviescollege toetsing regeldruk en de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP).

De KBvG en de Raad voor de rechtspraak hebben aangegeven geen aanleiding te zien tot het maken van opmerkingen. De ATR heeft aangegeven geen formeel advies uit te brengen nu de conclusie gedeeld wordt dat er geen gevolgen voor de regeldruk zijn.

De raad voor rechtsbijstand laat weten met instemming kennis te hebben genomen van het wetsvoorstel. De overwegingen die in het verlengde van de reactie op onderhavig wetsvoorstel worden meegegeven vallen buiten het bestek van het wetsvoorstel en worden bij een andere gelegenheid meegenomen.

De KNB heeft aangegeven inhoudelijk geen bezwaren te hebben tegen de voorgestelde wijzigingen. De KNB geeft in overweging om aanvullend een tweetal technische wijzigingen door te voeren in de artikelen 6, tweede lid, onderdeel a, onder 1, en in artikel 99, zestiende lid, van de Wet op het notarisambt. Beide wijzigingen zijn opgenomen in het wetsvoorstel (zie artikel III, onderdelen B en F en de artikelsgewijze toelichting).

Voor wat betreft de voorgenomen wetstechnische wijzigingen en de wijzigingen met betrekking tot de kwaliteitstoetsen geeft het ontwerp de NOvA geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. In de consultatiereactie spreekt de NOvA de teleurstelling uit over het ontbreken van een eenduidige regeling van de inning van het griffierecht in tuchtzaken. Deze teleurstelling wordt geheel gedeeld. Helaas is het tot op heden niet gelukt om hierover met de raden van discipline, het hof van discipline, de Stichting Ondersteuning Tuchtcolleges Advocatuur en de NOvA overeenstemming te bereiken. Nu het overleg over de inning van het griffierecht voortduurt en de NOvA er ook op aandringt dat onderhavig wetsvoorstel zo snel mogelijk is ervoor gekozen om een wijziging van de regeling van het griffierecht in een volgend wijzigingsvoorstel van de Advocatenwet op te nemen.

De raden van discipline hebben het wetsvoorstel voor wat de Advocatenwet betreft bestudeerd en hebben daar geen op- of aanmerkingen bij. In het verlengde van het wetsvoorstel verzoeken de raden om artikel 46 Advocatenwet aan te vullen met de zin «De raden en het hof van discipline voldoen aan dezelfde kwaliteitseisen als de gewone rechterlijke colleges.» Volgens de raden maakt de wet dan duidelijk dat de tuchtcolleges advocatuur geen instanties zijn die «advocaten onderling alleen maar de hand boven het hoofd houdt». De raden menen dat deze toevoeging ieder misverstand bij de beroepsgroep, de burger en het bedrijfsleven voorkomt. Aan dit verzoek wordt niet tegemoet gekomen. Uit bestaande wetgeving blijkt reeds afdoende dat er kwaliteitseisen aan de tuchtcolleges advocatuur worden gesteld, die mede tot doel hebben de onafhankelijke positie van de tuchtrechtspraak te waarborgen. De Grondwet bepaalt in artikel 113, tweede lid, dat het door de overheid ingestelde tuchtrecht bij wet wordt geregeld. Voor de advocatuur is dat geregeld in paragraaf 4 van de Advocatenwet, waarin onder meer de samenstelling van de tuchtcolleges en de benoemingsvereisten voor de voorzitter en de leden is geregeld. Voor wat de benoemingsvereisten betreft is zoveel mogelijk aangesloten bij de benoemingsvereisten die voor rechters in de reguliere rechtspraak gelden. In dit verband wordt gewezen op de artikelen 46b, 51, 52 en 54 van de Advocatenwet.

De AP verzoekt om een nadere onderbouwing van het in artikel 9, tweede lid, onder g, van de AVG genoemde zwaarwegend algemeen belang. Voorts vraagt de AP de memorie van toelichting aan te vullen met passende en specifieke maatregelen die getroffen worden ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen van betrokkene.

Het in het leven roepen van een wettelijke grondslag voor de mogelijkheid tot het verwerken van bijzondere persoonsgegevens in het kader van beroepskwaliteitstoetsen door de juridische beroepsgroepen is niet primair bedoeld in het belang van het waarborgen van de ontwikkeling van de drie beroepsgroepen zelf. Het gaat vooral om de belangen van diegenen die ervoor kiezen, of zelfs genoodzaakt zijn, om een beroep te doen op de dienstverlening van een van de drie juridische beroepsgroepen. De cliënt of de opdrachtgever is voor bepaalde vormen van dienstverlening in het rechtsbestel (bijvoorbeeld het laten uitbrengen van een dagvaarding of het laten opmaken van een testament) aangewezen op juridische beroepsbeoefenaars die een domeinmonopolie hebben. Het is dan juist in het belang van de burger of het bedrijf dat van die dienstverlening afhankelijk is, dat bij de beroepsbeoefenaar een hoogstaand niveau van kwaliteit verzekerd is en dat zulks periodiek en kritisch wordt getoetst.

Een dergelijke toets moet een representatieve steekproef behelzen van hetgeen de juridische dienstverlener doet, en dus over de volle breedte van zijn dossiers kunnen gaan, dat wil zeggen inclusief de bijzondere persoonsgegevens die in een dossier meestal aanwezig zullen zijn, en inclusief de gegevens van strafrechtelijke aard die aanwezig kunnen zijn, en in een dossier van een strafrechtadvocaat aanwezig zullen zijn. Deze casuïstiek is onlosmakelijk verbonden met een analyse van de aanpak van het dossier, en vormt juist de context van de toetsing. Pas met inbegrip van die context kan een kwaliteitstoets voldoende concreet en kritisch zijn. De dienstverlening van de advocaat, de notaris of de gerechtsdeurwaarder wordt nu eenmaal verzocht met het oog op een optimale behartiging van de individuele belangen, feiten en omstandigheden. Als dat laatste niet in de kwaliteitstoets zou mogen worden meegewogen, verliest die toets aanmerkelijk aan scherpte.

Het van tevoren niet herleidbaar maken van alle persoonsgegevens in een dossier, zoals de AP suggereert, zou afdoen aan het uiteindelijke doel. Dat doel is de toetser in staat stellen om optimaal te kunnen beoordelen of in deze specifieke casus de professioneel juiste aanpak is gevolgd. Het zou daarnaast een behoorlijke administratieve last met zich mee brengen, en ook onnodig zijn gezien de discretie waarmee de beroepskwaliteitstoetsers te werk moeten gaan, hetzij als toetser, hetzij als beroepsbeoefenaar zelf. Daarbij gaat het niet alleen om de wettelijke geheimhoudingsplichten als zodanig, maar ook om de passende waarborgen die zijn ingebouwd via de betrokken beroepsverordeningen van de NOvA, de KNB en de KBvG, welke nadere regels bindend zijn voor iedere beroepsbeoefenaar en waaraan de tuchtrechter toetst.

Als voorbeeld zij vermeld de invulling van de geheimhoudingsplicht die op de gerechtsdeurwaarder rust: De gerechtsdeurwaarder verwerkt vertrouwelijke gegevens die in de uitoefening van zijn beroep te zijner kennis zijn gekomen, niet verder of anders, en aan die gegevens geeft hij niet verder of anders bekendheid, dan voor de zorgvuldige vervulling van zijn beroep wordt vereist en hem bij of krachtens de wet is toegestaan (artikel 5 van de KBvG-Verordening beroeps- en gedragsregels en artikel 57a Gerechtsdeurwaarderswet).

Een ander voorbeeld is dat de geheimhoudingsplicht niet alleen voor de kwaliteitstoetser geldt, maar ook voor het betrokken kantoorpersoneel. De toetsing mondt uiteindelijk uit in een geobjectiveerde rapportage omtrent de bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van de beroepsuitoefening, waarin zich uiteraard geen bijzondere persoonsgegevens bevinden. Deze rapportages worden dus niet met naam en toenaam ter beschikking gesteld aan de beroepsorganisaties en evenmin aan de toezichthouder, het Bureau Financieel Toezicht (BFT). Het BFT ontvangt twee maal per jaar een overzichtsrapportage met geaccumuleerde gegevens, trends en anonieme casusbeschrijvingen.

Artikelsgewijs

Artikel I

A (Artikel 1)

Sinds de inwerkingtreding van de Wet positie en toezicht advocatuur op 1 januari 20155 regelt de laatste volzin van artikel 1, derde lid, onder meer dat de voorwaardelijke inschrijving als advocaat op tableau van rechtswege onvoorwaardelijk wordt, indien een verklaring of erkenning «als bedoeld in de eerste volzin» wordt overlegd. Het is echter niet duidelijk naar welke verklaring wordt verwezen, nu in de eerste volzin niet wordt gerept over een verklaring. In het oorspronkelijke voorstel voor de eerste volzin van artikel 1, derde lid, van de Wet positie toezicht advocatuur maakte de wetgever duidelijk een koppeling tussen voorwaardelijke inschrijving en het overleggen van een verklaring dat de in artikel 9b bedoelde stage met gunstig gevolg is voltooid. Hierdoor werd duidelijk dat de onvoorwaardelijke inschrijving van een advocaat pas plaats zou vinden wanneer de gehele beroepsopleiding en stage met goed gevolg zouden zijn doorlopen en hiervan een verklaring zou worden overgelegd.6 De onvoorwaardelijke inschrijving vormt derhalve het sluitstuk van zowel theorie- als praktijkopleiding tot advocaat. Bij de derde nota van wijziging, is de formulering van de eerste volzin van artikel 1, derde lid, aangepast. Volgens de toelichting werd in het derde lid geregeld dat de onvoorwaardelijke inschrijving van advocaten op het tableau niet langer afhangt van het examen waarmee de stage wordt afgesloten, maar van het niet langer bestaan van de verplichting om de praktijk onder toezicht van een patroon uit te oefenen.7 Hierdoor is de verwijzing in de laatste volzin van het derde lid, van artikel 1, naar een verklaring als bedoeld in de eerste volzin, zinledig geworden en behoeft het derde lid aanpassing. Bij nadere beschouwing lijkt het beter om terug te grijpen op de oorspronkelijke intentie van de wetgever, door het moment van onvoorwaardelijke inschrijving te koppelen aan het verkrijgen van de stageverklaring. Hiermee wordt recht gedaan aan de volgtijdelijkheid van de overgang van de voorwaardelijke naar onvoorwaardelijke inschrijving op het tableau. Immers pas nadat de advocaat-stagiaire de beroepsopleiding, zowel het theoretisch als het praktijk gedeelte, heeft voltooid en een stageverklaring heeft ontvangen, is hij of zij niet langer verplicht om onder toezicht van een patroon werkzaam te zijn. Het ontvangen van de stageverklaring maakt dus een einde aan het voorwaardelijke karakter van de inschrijving en markeert de overgang naar de onvoorwaardelijke inschrijving, waarna de advocaat zelfstandig diens praktijk mag uit oefenen. Het ligt in de rede om de onvoorwaardelijke inschrijving daarom af te laten hangen van het al dan niet in bezit zijn van een stageverklaring. Zie in dit verband ook de toelichting op onderdeel E, (artikel 9b, vijfde lid, nieuw).

Daarnaast is van de gelegenheid gebruik gemaakt om in artikel 1 een duidelijker onderscheid aan te brengen tussen de onvoorwaardelijke inschrijving op het tableau en de voorwaardelijke inschrijving. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd. De inschrijving op het tableau vindt in beginsel onvoorwaardelijk plaats (nieuw tweede lid). In drie gevallen is de inschrijving echter voorwaardelijk (nieuw derde lid). Ten eerste, zoals hiervoor toegelicht, wanneer de verzoeker nog niet beschikt over een verklaring dat de stage, als bedoeld in artikel 9b, met gunstig gevolg is voltooid. Ten tweede wanneer de verzoeker niet beschikt over een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. Tot slot als verzoeker het document als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, niet heeft overgelegd.

B (Artikel 4)

Hetgeen thans in artikel 8c, eerste lid, onderdeel c, onder 1 en 2, is geregeld, was voorheen geregeld in artikel 8c, derde lid, onderdelen a en b. Dit wijzigingsonderdeel bevat een technische aanpassing in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, en het vijfde lid, in verband met de hernummering van de leden van artikel 8c. Daarnaast bevat dit wijzigingsonderdeel een aanvulling in artikel 4c, eerste lid, onderdeel c, nu artikel 8c, eerste lid, onderdeel c, niet alleen betrekking kan hebben op de verklaring genoemd onder 1, maar ook betrekking kan hebben op het bewijs genoemd onder 2.

C (Artikel 8)

In de opsomming van de onderdelen in het eerste lid van artikel 8 (oud) staat het verbindingswoord «en» niet op de juiste plaats achter het één na laatste onderdeel (zie artikel 8, onderdeel l,). Dit wijzigingsonderdeel regelt dat het verbindingswoord «en» op de juiste plaats in artikel 8 (achter het één na laatste onderdeel «m») wordt geplaatst.

D (Artikel 8c)

In artikel 8c wordt een aantal gevallen opgesomd waarin een advocaat van het tableau geschrapt kan worden. Aangezien de opsomming in de huidige wetsbepaling aan overzichtelijkheid kan winnen wordt het artikel – gedeeltelijk – herschreven. De gevallen die kunnen leiden tot schrapping van het tableau (thans het eerste tot en met derde lid) worden samengebracht in het eerste lid. De leden 4 tot en met 7 worden vernummerd tot 2 tot en met 5 en deze vernummering vindt noodzakelijkerwijs ook in de betreffende leden plaats. Voor de goede orde wordt hier opgemerkt dat de opsomming in artikel 8c, eerste lid, niet limitatief is. Zo kan de raad van discipline in bepaalde gevallen beslissen dat een advocaat van het tableau wordt geschrapt. Zie in dit verband bijvoorbeeld de artikelen 8e, eerste lid, 9, eerste lid, en 48, tweede lid, onderdeel e.

Voorts behelst dit wijzigingsonderdeel enkele inhoudelijke aanpassingen. In het nieuwe tweede lid (vierde lid oud) wordt de mogelijkheid geboden aan degene die het tijdvak van voorwaardelijke inschrijving van drie jaar heeft onderbroken en geen bewijs van voltooiing van de stage en behalen van het examen kan overleggen, om een verzoek in te dienen tot herinschrijving op het tableau voor wederom een tijdvak van drie jaar. Om te voorkomen dat voorwaardelijk ingeschreven advocaten lichtzinnig zouden omgaan met de mogelijkheid tot herinschrijving op het tableau, wordt in de laatste volzin van het vierde lid de mogelijkheid van hernieuwde inschrijving gekoppeld aan het verlopen van een termijn. Hiermee wordt beoogd te verhinderen dat een advocaat die bijna het tijdvak van drie jaar heeft volbracht maar voorziet dat hij niet binnen de resterende termijn zal voldoen aan de vereisten tot onvoorwaardelijke inschrijving, zich laat uitschrijven en zich vervolgens weer laat inschrijven op het tableau, met als gevolg dat hij drie jaar extra heeft om aan de voorwaarden tot onvoorwaardelijke inschrijving te voldoen.8 In het oorspronkelijke voorstel voor het huidige artikel 8c, vierde lid, van de Wet positie en toezicht advocatuur werd het aan de algemene raad overgelaten om deze termijn te stellen.9 Bij de tweede nota van wijziging is vervolgens, op verzoek van de NOvA, om redenen van kenbaarheid een termijn in de bepaling opgenomen.10 Hierbij is echter ten onrechte bepaald dat een verzoek tot hernieuwde inschrijving binnen drie jaar moet geschieden. Dit strookt niet met de bedoeling van de wetgever om lichtzinnig gebruik van de mogelijkheid tot hernieuwde inschrijving tegen te gaan. Dit wijzigingsonderdeel bepaalt daarom dat de laatste volzin van het nieuwe artikel 8c, tweede lid, in die zin wordt gewijzigd dat een verzoek tot hernieuwde inschrijving ingediend kan worden ná verloop van een termijn van drie jaar.

Vervolgens stelt het nieuwe vierde lid, in tegenstelling tot het zesde lid oud, buiten twijfel dat de schrapping bedoeld in artikel 8c, eerste lid, onder c, een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is.

Tot slot de toelichting op het nieuwe vijfde lid van artikel 8c. In het oude zevende lid was geregeld dat de secretaris van de algemene raad van de inschrijving of de schrapping binnen acht dagen kennis moest geven aan de algemene raad en de raad van de orde in het arrondissement. Aangezien artikel 8c enkel ziet op schrappingen van het tableau door de secretaris van de algemene raad is er sprake van een vergissing voor zover er wordt gesproken over de inschrijving. Verzoeken tot inschrijving als advocaat dienen immers op grond van artikel 2, vijfde lid, te worden ingediend bij de raad van de orde in het arrondissement waar de verzoeker kantoor wenst te houden. Het gewijzigde vijfde lid ziet enkel nog op schrappingen van het tableau.

E (Artikel 9b)

Het nieuwe vijfde lid bepaalt expliciet dat een advocaat-stagiaire een verklaring ontvangt van het succesvol afronden van de stage. In de praktijk gebeurt dit reeds. Vanuit het oogpunt van wetssystematiek en rechtszekerheid is het wenselijk om deze staande praktijk vast te leggen in de wet, omdat het beschikken over een stageverklaring een wijziging teweeg brengt in de rechten van betrokkene. Immers, zoals bij de wijziging van artikel 1, derde lid, is toegelicht, geeft het overleggen van de stageverklaring betrokkene toegang tot onvoorwaardelijke inschrijving op het tableau en daarmee het recht om zelfstandig praktijk te kunnen houden. Daarentegen is het niet kunnen overleggen van een stageverklaring reden om de voorwaardelijke inschrijving van een advocaat op het tableau te schrappen (zie de toelichting op wijzigingsonderdeel D (artikel 8c)). In het zesde lid (nieuw) is de mogelijkheid toegevoegd om ook administratief beroep in te stellen tegen de weigering van de raad van de orde in het arrondissement een verklaring te verstrekken dat de stage met gunstig gevolg is voltooid.

F (Artikel 9j)

Een advocaat kan verzoeken om een aantekening op het tableau waaruit blijkt dat hij de hoedanigheid van «advocaat bij de Hoge Raad» heeft. Artikel 9j, tweede lid, regelt dat deze aantekening plaats vindt door de secretaris van de algemene raad. Per abuis is het verzoek om deze aantekening niet uitgezonderd van de toepasselijkheid van paragraaf 4.1.3.3 van de Awb. Daardoor is het in de huidige situatie mogelijk dat een advocaat van rechtswege de hoedanigheid «advocaat bij de Hoge Raad» verkrijgt. Hoewel dat in de praktijk nog niet tot problemen heeft geleid, is het wenselijk artikel 9j op dit punt aan te passen. Vergelijkbaar in dit verband zijn de artikelen 2, tiende lid, 9b, derde lid en 12a van de Advocatenwet waar de toepasselijkheid van paragraaf 4.1.3.3 van de Awb is uitgezonderd.11

G (Artikel 11a)

Artikel 7 van de Grondwet bepaalt dat alleen de formele wetgever de omvang van de vrijheid van meningsuiting kan bepalen (en deze dus bijvoorbeeld kan inperken). In artikel 11a van de Advocatenwet was bepaald dat niet alleen de formele wetgever maar ook het college van afgevaardigden van de NOvA de bevoegdheid heeft om (bij verordening) te bepalen in welke gevallen de geheimhoudingsplicht van de advocaat kan worden doorbroken. Hierdoor had genoemd college de bevoegdheid om de omvang van de vrijheid van meningsuiting van advocaten te bepalen, hetgeen niet strookt met de Grondwet. Voor de goede orde wordt er op gewezen dat het college van afgevaardigden geen gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid. Dit wijzigingsonderdeel brengt de delegatiegrondslag in artikel 11a in lijn met artikel 7 Grondwet. Zie in dit verband ook de toelichting op de wijziging van artikel 22 van de Wet op het notarisambt.

H (Artikelen 28, 30, 36a, 36c, 45e, 45f, 46a, 46b en 46e)

De portefeuillehouder van de Advocatenwet bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid is thans de Minister voor Rechtsbescherming. Dit wijzigingsonderdeel past de artikelen in de Advocatenwet aan de actuele situatie aan.

I (Artikel 45e)

Ter voorkoming van ieder misverstand wordt met deze wijziging verduidelijkt dat zowel de jaarrekening als de begroting van het college van toezicht dienen te worden goedgekeurd door de Minister voor Rechtsbescherming.12

J (Artikel 45g)

Dit wijzigingsonderdeel bevat een technische aanpassing in artikel 45g, eerste lid, in verband met de vernummering van de leden van artikel 9b.

K (Artikelen 46aa en 51)

In het Besluit vestigingsplaatsen raden van discipline, hof van discipline en kamers voor het notariaat is geregeld dat het hof van discipline is gevestigd in Den Bosch. Sinds langere tijd was het hof van discipline echter al niet meer gevestigd in de bij deze algemene maatregel aangewezen standplaats, maar in Prinsenbeek. Het hof van discipline heeft zich met ingang van 1 juli 2015 gevestigd in ’s-Gravenhage. Aanleiding voor de wijziging van de standplaats was gelegen in de mogelijkheid tot een betere samenwerking met andere in de hofstad gevestigde tuchtcolleges. Daarnaast kunnen de mogelijkheden om gebruik te maken van diensten van de medewerkers van het Wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad als plaatsvervangend griffier, nog beter benut worden. De verhuisbewegingen van het hof van discipline hebben aanleiding gegeven om de vestigingsplaats voor zowel de raden als het hof van discipline niet langer bij algemene maatregel van bestuur vast te leggen, maar bij bestuursreglement. Voor de tuchtcolleges is het praktischer indien de standplaats bij bestuursreglement gewijzigd kan worden.

L (Artikel 46fa)

Dit artikel vloeit voort uit artikel 7, tweede lid, van de richtlijn 98/5/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat. Het laatstgenoemde artikel bepaalt dat voordat een tuchtprocedure ingesteld wordt jegens een advocaat die zich heeft laten inschrijven in een andere lidstaat, de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst een melding van dat voornemen maakt aan de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat. Bij de implementatie van dit artikel in de Advocatenwet is de raad van de orde in het arrondissement als bevoegde autoriteit aangemerkt.13 Hoewel de raad van de orde in het arrondissement in diverse artikelen van de eerdergenoemde richtlijn inderdaad de bevoegde Nederlandse autoriteit is, zoals in de bepalingen betreffende de inschrijving op het tableau, is de raad in geval van tuchtrechtelijke kwesties niet het juiste orgaan om taken bij te beleggen. Gezien de rol van de deken in het ter kennis brengen van tuchtklachten aan de raad van discipline, zie in dit verband de artikelen 46c en verder, ligt het voor de hand de melding over het voornemen om een tuchtrechtelijke procedure jegens een advocaat te starten, bij de deken te beleggen. De deken is degene die primair de beschikking heeft over dergelijke informatie en er is geen reden waarom deze informatie via een tussenstap (de raad van de orde in het arrondissement) gedeeld zou moeten worden met een andere lidstaat.

M (Artikel 56)

Op verzoek van de tuchtcolleges is de eerste volzin van het derde lid aangepast. In verband met voortschrijdende digitalisering is het niet meer nodig dat de appelmemorie in zevenvoud vergezeld van zes afschriften van de beslissing waarvan beroep, wordt ingediend bij de griffier van het hof.

Artikel II

A (Artikel 1)

Dit wijzigingsonderdeel past artikel 1, onderdeel a, van de Gerechtsdeurwaarderswet aan, aan de actuele situatie. De portefeuillehouder van de Gerechtsdeurwaarderswet bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid is thans de Minister voor Rechtsbescherming.

B (Artikel 36)

De regel dat een lid van de kamer voor gerechtsdeurwaarders niet tot waarnemend gerechtsdeurwaarder kan worden benoemd is al enige tijd feitelijk achterhaald. Deze bepaling heeft oorspronkelijk tot doel gehad te voorkomen dat een lid van de kamer moet oordelen bij een deurwaarderspraktijk waar hij als waarnemer bij betrokken was.14 De rol van de waarnemer is echter sindsdien geëvalueerd en heeft, zeker wanneer er wordt waargenomen voor collega’s binnen hetzelfde kantoor, een vrijwel gelijk inhoud gekregen aan die van een gewone gerechtsdeurwaarder. Ook een gerechtsdeurwaarder kan als lid van de kamer geconfronteerd worden met een klacht tegen iemand van zijn eigen kantoor. Hij zal zich dan verschonen. Bij de wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet in 201615 is bepaald dat de leden van de kamer voor gerechtsdeurwaarders worden benoemd uit de in artikel 56 genoemde leden van de KBvG. Tot deze leden behoren ook waarnemend gerechtsdeurwaarders. Daarmee is het principe dat een waarnemer geen lid mag zijn van deze kamer losgelaten. Het is daarbij niet de bedoeling geweest dat een lid van de kamer vervolgens niet meer tot waarnemend gerechtsdeurwaarder zou worden kunnen worden benoemd, terwijl hij als waarnemend gerechtsdeurwaarder wel lid van de kamer mag worden. Artikel 36, tweede lid, is op dat moment abusievelijk niet geschrapt. Dat gebrek wordt hierbij hersteld.

C (Artikel 57a)

Voor het verwerken van bijzondere persoonsgegevens bij de uitvoering van kwaliteitstoetsen is een wettelijke grondslag noodzakelijk. Dit wijzigingsonderdeel voorziet daarin. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het algemeen deel van deze memorie.

Artikel III

A (Artikel 1), D (Artikel 59), G (artikel 127) en H (Artikel 128)

Ten gevolge van de gewijzigde benaming van het betreffende ministerie of de bewindspersoon die portefeuillehouder is, zijn de artikelen 1, onderdeel j, 59, tweede lid, 127, tweede en vierde lid, 128, eerste lid, van de Wet op het Notarisambt aangepast aan de actuele situatie.

B (Artikel 6)

In de praktijk is gebleken dat universiteiten geen apart Bachelordiploma notarieel recht afgeven. In zijn algemeenheid geldt dat een student die een Master notarieel recht wil gaan volgen in de Bachelorfase van zijn studie die vakken behaald moet hebben die toegang geven tot een Master notarieel recht. Met de KNB wordt de mening gedeeld dat dat in artikel 6, tweede lid, onderdeel a, onder 1, ook bedoeld is. Reden waarom het vereiste van de graad van Bachelor op het gebied van het notarieel recht kan worden geschrapt. Immers het eindresultaat moet zijn dat degene die benoemd wil worden tot notaris een Masteropleiding op het gebied van notarieel recht met succes heeft afgerond.

C (Artikel 22)

Artikel 7 van de Grondwet bepaalt dat alleen de formele wetgever de omvang van de vrijheid van meningsuiting kan bepalen (en deze dus bijvoorbeeld kan inperken). In artikel 22 van de Wet op het notarisambt was geregeld dat niet alléén bij maar óók krachtens de wet, bepaald kon worden in welke gevallen de geheimhoudingsplicht van de notaris kan worden doorbroken. Hierdoor kon ook bij algemene maatregel van bestuur de omvang van de vrijheid van meningsuiting van notarissen bepaald worden, hetgeen de Grondwet niet toestaat. Van deze mogelijkheid is nooit gebruik gemaakt. Met dit wijzigingsonderdeel is de delegatiegrondslag in artikel 22 in lijn gebracht met artikel 7 Grondwet. Zie in dit verband ook de toelichting op de wijziging van artikel 11 a Advocatenwet.

E (Artikel 61a)

Voor het verwerken van bijzondere persoonsgegevens bij de uitvoering van kwaliteitstoetsen is een wettelijke grondslag noodzakelijk. Dit wijzigingsonderdeel voorziet daarin. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het algemeen deel van deze memorie.

F (Artikel 99)

Met deze technische aanpassing wordt een onjuiste verwijzing aangepast.

Artikel IV

Op 1 januari 2015 is de Wet positie en toezicht advocatuur in werking getreden met uitzondering van artikel I, onderdeel R16. Dit onderdeel bevat de wijziging van artikel 26 van de Advocatenwet. Ten behoeve van de verwerking van bijzondere persoonsgegevens bij de uitvoering van de kwaliteitstoeten wordt aan het gewijzigde, maar nog niet in werking getreden artikel 26 Advocatenwet, een grondslag toegevoegd. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het algemeen deel van deze memorie. Het is de bedoeling dat artikel I, onderdeel R, van de Wet positie en toezicht advocatuur in werking treedt voordat onderhavige wet in werking treedt. Dit wordt geregeld in het koninklijk besluit waarin de inwerkingtreding van zowel deze wet als het genoemde onderdeel van de Wet positie en toezicht advocatuur wordt geregeld.

Artikel V

Hoewel het in de bedoeling ligt deze wet als één geheel in werking te laten treden, is de mogelijkheid van gedifferentieerde inwerkingtreding opengehouden. De ervaring leert dat in het geval een wet meerdere wetten wijzigt, het nuttig is om de mogelijkheid achter de hand te houden om voor de verschillende wijzigingsonderdelen verschillende inwerkingtredingsdata vast te stellen.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker