Kamerstuk 35210-VII-3

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden inzake Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2019 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)

Dossier: Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2019 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)

Gepubliceerd: 26 juni 2019
Indiener(s): Erik Ziengs (VVD)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35210-VII-3.html
ID: 35210-VII-3

Nr. 3 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 26 juni 2019

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 12 juni 2019 voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Bij brief van 24 juni 2019 zijn ze door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Ziengs

De griffier van de commissie, Roovers

1

Vraag:

Klopt het dat de omvang van de betaalde verhuurderheffing ieder jaar in deze kabinetsperiode is opgelopen ondanks dat er een heffingsvermindering voor duurzaamheid is geïntroduceerd en een tariefskorting is gegeven?

Kunt u een overzicht laten zien van de stijging en de vermindering tegelijk?

Antwoord:

Voor deze kabinetsperiode zijn er definitieve cijfers voor het jaar 2017 en voorlopige cijfers voor het jaar 2018. De heffingsvermindering voor verduurzaming en de tariefskorting gelden pas vanaf 2019.

Tabel 1. Overzicht opbrengst verhuurderheffing en ingezette heffingsvermindering (bedragen in € 1 mln.)
 

2017

2018

Opbrengst verhuurderheffing

1.618

1.714

Ingezette heffingsvermindering

46,4

74,4

2

Vraag:

Op welke manier(en) worden de effecten van ATAD1 en andere fiscale maatregelen, zoals de verhuurderheffing en de vennootschapsbelasting, op de corporatiesector gemonitord?

Antwoord:

Er vindt overleg plaats tussen de Ministeries van Financiën en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) over de wijze van rapporteren. Ik zal dit najaar rapporteren over de nieuwe indicatieve bestedingsruimte woningcorporaties. Daarbij zal ook worden ingegaan op ontwikkelingen in de belastingafdrachten van corporaties. Daarnaast zullen eind 2019 door het Ministerie van BZK geïnitieerde onderzoeken naar de investeringsopgave en de financiële ruimte van corporaties aan de Tweede Kamer worden gezonden, naar aanleiding van de motie Ronnes c.s. (Kamerstuk 35 000-VII, nr. 52). Hierin worden de belastingafdrachten van corporaties eveneens meegenomen.

3

Vraag:

Kunt u overzicht geven van de huidige stand van zaken van de verschillende fiscale maatregelen op de woningcorporatiesector, zoals de verhuurderheffing, ATAD, vpb? Wilt u hierbij ingaan op de omvang van de actueel verwachte financiële impact voor het lopende jaar zowel voor de woningcorporatiesector als totaal, en de ramingen voor komende jaren, en kunt u tevens via een uitsplitsing aangeven welke andere sectoren voornamelijk door de renteaftrekbeperking geraakt blijken te worden?

Antwoord:

Ten opzichte van de in het najaar van 2018 gepresenteerde cijfers (zie tabellen hieronder) zijn nog geen nieuwe gegevens beschikbaar voor de verhuurderheffing en Vpb (incl. ATAD1). Ik zal dit najaar rapporteren over de nieuwe indicatieve bestedingsruimte woningcorporaties. Daarbij zal ook worden ingegaan op ontwikkelingen in de belastingafdrachten van corporaties. Daarnaast zullen eind 2019 door BZK geïnitieerde onderzoeken naar de investeringsopgave en de financiële ruimte van corporaties aan de Tweede Kamer worden gezonden, naar aanleiding van de motie Ronnes c.s. (Kamerstuk 35 000 VII, nr. 52). Hierin worden de belastingafdrachten van corporaties eveneens meegenomen.

Tabel 2. Maatregelen kabinet Rutte III (bedragen x € 1 mln.)

Rij

Maatregel

2019

2020

2021

Struc

1

ATAD1

102

144

193

353

2

Tariefsverlaging vennootschapsbelasting

0

– 29

– 65

– 106

3

Verduurzaming in verhuurderheffing

– 26

– 52

– 78

– 104

4

Tariefsverlaging verhuurderheffing

– 100

– 100

– 100

– 100

5

Totaal

– 24

– 37

– 50

43

Tabel 3. Ontwikkeling totale lasten uit ATAD1, Vpb en verhuurderheffing (bedragen x € 1 mln.)
 

2019

2020

2021

Strc.

Vpb (incl. ATAD1)

246

269

293

487

Verhuurderheffing1

1.634

*

*

 

Totaal

1.878

     
X Noot
1

Ingeschat is dat 95% van de geraamde totaalopbrengsten uit de verhuurderheffing afkomstig zijn van woningcorporaties, tegenover 5% van andere heffingsplichtige verhuurders.

4

Vraag:

Kunt u inzicht geven in het aantal belastingplichtigen, niet zijnde toegelaten instellingen (woningcorporaties), die boven de vrijstelling van 50 woningen uitkomen en die verhuurderheffing betalen? Welk percentage van de totale opbrengst is dat en hoe ontwikkelt dit zich de komende jaren?

Antwoord:

In 2018 (voorlopige cijfers) waren er 506 belastingplichtigen niet zijnde toegelaten instellingen, voor de verhuurderheffing. Zij brachten gezamenlijk 5,0% van de totale opbrengst van de verhuurderheffing in. Door de verschillende factoren die een rol spelen bij de opbrengst van de verhuurderheffing, kan ik geen antwoord geven op de vraag van de ontwikkeling hiervan de komende jaren. Ik heb echter geen signalen dat het percentage van de opbrengst door niet-toegelaten instellingen de komende jaren sterk zal afwijken van de huidige 5,0%.

5

Vraag:

Wat is het totaal aantal belastingplichtigen voor de verhuurderheffing (toegelaten instellingen en niet toegelaten instellingen)? Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van het aantal niet-toegelaten instellingen vanaf invoering van de verhuurderheffing?

Antwoord:

In 2018 (voorlopige cijfers) waren er in totaal 842 belastingplichtigen. Dit is verdeeld in 336 toegelaten instellingen en 506 niet-toegelaten instellingen. In onderstaande tabel is het aantal belastingplichtigen, niet zijnde toegelaten instellingen vanaf 2014 weergegeven. De daling in 2018 wordt verklaard vanwege de verhoging van de heffingsvrije voet van 10 naar 50 woningen.

Tabel 4. aantal belastingplichtigen, niet zijnde toegelaten instellingen

Jaar

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Niet-toegelaten instellingen

3.146

2.954

2.947

2.910

2.872

506

6

Vraag:

Als de huidige opbrengst van de verhuurderheffing als doelopbrengst gehanteerd zou worden voor een vervangende heffing over alle huurwoningen, dus niet alleen betaalbare huurwoningen tot ca. 720 euro maar ook duurdere woningen, wat zou het tarief in dat geval worden?

Antwoord:

Volgens het WoON2018 is het aandeel huurwoningen met een huur boven de liberalisatiegrens 18% van de totale voorraad huurwoningen. Rekening houdend met een dergelijke stijging van de grondslag in de verhuurderheffing, kan het tarief naar schatting dalen van 0,561% (tarief 2019) naar ongeveer 0,475%.

7

Vraag:

Is uit te sluiten dat verhuurders al dan niet grootschalig hun huurwoningen duurder maken om de verhuurderheffing, die enkel op sociale huurwoningen met een huur tot circa 720 euro wordt geheven, te ontwijken? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord:

Er zijn geen signalen bekend dat huurwoningen duurder gemaakt worden om de verhuurderheffing te ontwijken. Tussen 2014 en 2017 is het aantal woningen die onder de grondslag valt, gedaald met ongeveer 88.000 woningen. In 2018 is het aantal woningen die onder de grondslag valt gedaald met 89.000 woningen. Deze daling is echter bijna volledig toe te schrijven aan de stijging van de heffingsvrije voet van 10 naar 50 woningen. Door wet- en regelgeving op het gebied van huurstijgingen is het maar beperkt mogelijk om de huren te laten stijgen tot het niveau dat woningen niet meer onder de verhuurderheffing vallen.

8

Vraag:

Wat is de totale, actuele «korting» aan verhuurderheffing, ofwel de heffingsvermindering, voor verduurzaming? De verduurzaming van hoeveel woningen, en hoeveel labelstappen zijn hier naar schatting mee gemoeid? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord:

De laatste stand (13 juni jl.) is dat er aanvragen zijn ingediend voor 43.400 woningen. Dit betreft een totaalbedrag van ongeveer € 158 mln. Voor het merendeel van deze woningen (73%) is een aanvraag ingediend voor een heffingsvermindering waarbij de woning met 3 of 4 labelstappen wordt verbeterd. In onderstaande tabel is de gehele verdeling weergegeven.

Tabel 5. Aanvragen heffingsverminderingen voor verduurzaming (stand per 13 juni 2019)

Aantal Energie-Index stappen

Aantal woningen

Bedragen x € 1 mln.

9

263

2,6

7 of 8

1.459

10,2

5 of 6

10.019

50,1

3 of 4

31.659

95,0

Totaal

43.400

157,9

9

Vraag:

Wat zijn de meevallers voor de schatkist bij zowel de verhuurderheffing als de overdrachtsbelasting?

Antwoord:

De raming voor zowel de verhuurderheffing als voor de overdrachtsbelasting zijn opwaarts bijgesteld in de Voorjaarsnota 2019. Het gaat om bijstellingen van respectievelijk € 39 mln. en € 168 mln. (zie ook bijlage 2 Voorjaarsnota 2019). Het gaat om endogene (niet-beleidsmatige) bijstellingen van de raming, er is dan ook geen effect op het inkomstenkader.

10

Vraag:

Kunt u toelichten waarom de AIVD bovenop de met ingang van 2018 toegevoegde structurele middelen van € 3 miljoen voor het bestrijden van Jihadisme wederom structureel geld, en zelfs meer, namelijk € 5 miljoen voor dit doel erbij krijgt? Hoe is dit bedrag precies tot stand gekomen?

Antwoord:

Onderzoek van de AIVD naar de jihadistische dreiging betreft onderzoek naar een complexe onderzoekspopulatie met internationale verbanden, waar een potentiële dreiging voor Nederland van uit gaat. Het dreigingsbeeld is structureel aan verandering onderhevig, zoals bijvoorbeeld de recente val van het kalifaat en vragen ten aanzien van terugkeer van foreign fighters laten zien.

Bovendien betreft het een onderzoekspopulatie die een lerend vermogen en een toegenomen veiligheidsbewustzijn heeft, en daarbij volop gebruik maakt van technische ontwikkelingen.

Dit vergt investeren in een duurzame inlichtingenpositie, wat betekent dat de AIVD in staat moet zijn om zowel in de breedte als in de diepte onderzoek moet kunnen blijven doen. Onderzoek dat leidt tot een toekomstbestendige dekking en inzicht, wat essentieel is voor het bestrijden van de jihadistische dreiging.

Het kabinet heeft daarom besloten structureel middelen voor het bestrijden van de jihadistische dreiging toe te voegen aan de begroting van BZK.

11

Vraag:

Kunt u toelichten waar de structurele middelen van € 5 miljoen voor de AIVD voor het bestrijden van Jihadisme vandaan komt?

Antwoord:

De middelen worden toegevoegd aan de BZK-begroting vanuit de generale middelen.

12

Vraag:

Op welke wijze wordt (conform artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet 2016) inzicht geboden in de nagestreefde doelstellingen, de in te zetten beleidsinstrumenten, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de structureel toegekende middelen aan het budget van de AIVD?

Antwoord:

De AIVD biedt jaarlijks inzicht in de doelstellingen en de in te zetten beleidsinstrumenten door middel van de Jaarplanbrief en het (geheim gerubriceerde) externe jaarplan. In de Jaarplanbrief informeert de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) de Kamer over de hoofdlijnen van het AIVD-jaarplan. De Commissie voor de Inlichtingen – en Veiligheidsdiensten (CIVD) van de Tweede Kamer ontvangt het volledige geheim gerubriceerde externe jaarplan van de AIVD. Over de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de toegekende middelen wordt verantwoording afgelegd door middel van voortgangsrapportages. De CIVD ontvangt drie keer per jaar deze voortgangsrapportages. Financieel toezicht op zowel de «open» als de «geheime» begroting wordt uitgeoefend door zowel de Auditdienst Rijk als de Algemene Rekenkamer. Daar waar het kan, rapporteren zij hierover aan de Kamer via openbare stukken. Daar waar het gerubriceerde karakter dit niet mogelijk maakt wordt gerapporteerd aan de CIVD.

13

Vraag:

Kunt u toelichten waarom de loon- en prijsbijstelling niet nu al is verdeeld over de verschillende begrotingsartikelen? Wanneer gebeurt dit wel?

Antwoord:

De loon- en prijsbijstelling is bij 1e Suppletoire 2019 aan de begroting toegevoegd. Op dat moment is de omvang hiervan bekend. In de Ontwerpbegroting 2020 zal de verdeling van de loon- en prijsbijstelling over de begrotingsartikelen worden opgenomen.

14

Vraag:

Welke budgettaire gevolgen heeft het niet toedelen van de loon-en prijsbijstelling op de verschillende begrotingsartikelen op dit moment? Kunt u aangeven om welk bedrag per artikel het gaat?

Antwoord:

De loon- en prijsbijstelling wordt bij Ontwerpbegroting 2020 verdeeld over de begrotingsartikelen. In de verdiepingsbijlage wordt het bedrag per artikel zichtbaar.

15

Vraag:

Kunt u toelichten op welke moment opdrachten aan ZBO’s/RWT’s en bijdragen aan agentschappen in de begroting worden opgenomen? Wanneer is dit, zoals u bijvoorbeeld stelt bij de Rijksdienst voor identiteitsgegevens (RvIG) te rechtvaardigen?

Antwoord:

Bij het verstrekken van een opdracht in de vorm van een bijdrage aan een baten-lastendienst of een ZBO/RWT moet deze bijdrage op het juiste instrument worden verantwoord conform de Rijksbegrotingsvoorschriften. Dit kan leiden tot overhevelingen tussen instrumenten binnen het artikelonderdeel van bijvoorbeeld opdrachten naar bijdrage baten-lastendiensten als de opnemer bekend is. Bij een eerst volgende begrotingswet dat ik bij uw Kamer indien, meld ik deze overheveling. Dit geldt dus ook voor RvIG.

16

Vraag:

Hoe zou hiermee beter rekening gehouden kunnen worden, zodat aan het begin van het begrotingsjaar inzichtelijker is hoeveel geld er beschikbaar is bij de diverse ZBO’s/RWT’s en agentschappen?

Antwoord:

In een ontwerpbegroting wordt het beschikbare budget voor een beleidsdoel zo nauwkeurig mogelijk verdeeld over de diverse instrumenten. De keuze voor een opdrachtnemer gedurende het jaar leidt gedurende het jaar tot herschikkingen tussen de diverse instrumenten. De Rijksbegrotingsvoorschriften zijn daarbij leidend.

17

Vraag:

Kunt u toelichten waardoor het overschot op het eigen vermogen van FMHaaglanden (FMH), het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) en de Dienst van de Huurcommissie (DHC) in 2018 veroorzaakt werd?

Antwoord:

FMH: FMH heeft in 2018 meer panden geserviced door wijzigingen in het Masterplan Huisvesting Den Haag. Daarnaast is de dienstverlening voor een aantal producten/diensten toegenomen. De toename in de dienstverlening is ook de oorzaak van de toename in omzet en kosten. De kosten laten echter een beperktere stijging zien dan de omzet omdat de indirecte kosten niet evenredig meestijgen met de toename in de dienstverlening. Dit heeft geleid tot een overschot op het eigen vermogen.

RVB: Het overschot op het eigen vermogen van het RVB wordt voornamelijk veroorzaakt door hoger dan geprognosticeerde verkoopopbrengsten.

DHC: Het surplus op het eigen vermogen 2018 wordt vooral veroorzaakt doordat de hoogte van de reorganisatievoorziening en andere transitiekosten lager uitvallen dan vooraf gedacht. Voor beide kosten heeft DHC in 2018 een eenmalige bijdrage ontvangen van BZK.

18

Vraag:

Kunt u toelichten waarom het Shared Service Centrum (SSC ICT) een tekort heeft op het eigen vermogen over 2018?

Antwoord:

Het ontstaan van een negatief eigen vermogen bij SSC-ICT is enerzijds gelegen in een meer dan verwachte stijging van de apparaatskosten (zoals aanschaf licenties en huisvestings- en facilitaire kosten) en anderzijds in minder opbrengsten op zowel de reguliere als de maatwerk dienstverlening. Zie ook het jaarverslag 2018 (Kamerstuk 35 200 VII, nr. 1, pagina 185).

Doordat het saldo van het eigen vermogen van SSC-ICT nihil was, leidt een negatief resultaat per definitie tot een negatief eigen vermogen.

19

Vraag:

Op welke wijze gaat een herijking van het financieel jaarplan van het Shared Service Centrum (SSC ICT) bijdragen aan het tegengaan van tekorten in de toekomst? Welke afspraken zijn herijkt?

Antwoord:

Het financiële jaarplan 2019 van het SSC-ICT is gericht op een kostendekkende exploitatie in 2019. Hiervoor is een fors besparingspakket afgesproken. Deze besparing heeft met name betrekking op externe inhuur en het temporiseren van de investeringen. Dit leidt tot het – in overleg met de afnemers – temporiseren van nieuwe en vervangingsinvesteringen. Ook wordt er in 2019 geen nieuwe dienstverlening ontwikkeld. Dit heeft niet geleid tot een herijking van de bestaande dienstverleningsafspraken.

De besparingen zijn vooralsnog gericht op het jaar 2019. Inmiddels is SSC-ICT in gesprek met stakeholders op welke wijze SSC-ICT weer financieel gezond kan worden.

20

Vraag:

Wat zijn de gevolgen van de onlangs uitgesproken rechterlijke uitspraak over Programma Aanpak Stikstof (PAS) voor de ruimtelijke inrichting van Nederland? En op welke manier wordt er op deze uitspraak geanticipeerd?

Antwoord:

Er zijn grote gevolgen voor (geplande) ontwikkelingen in diverse sectoren. Dit vraagt om het analyseren van de reikwijdte van de uitspraak, het inventariseren van getroffen projecten en het maken van keuzes door alle betrokken partijen. Ik verwijs naar de inhoud van de kabinetsbrief over het PAS van 11 juni jl. (Kamerstuk 32 670, nr. 147), die de aanpak in drie fasen indeelt.

21

Vraag:

Welk bedrag zal gemoeid zijn met het actieplan ter voorkoming en behandeling van schimmel- en vochtproblemen in 2019 en daarna?

Antwoord:

Voor het actieplan is geen extra geld nodig. Met betrokken sectorpartijen worden de verdere vormgeving van het actieplan en de activiteiten uitgewerkt. Hierover zal ik uw Kamer in het najaar informeren.

22

Vraag:

Wat voor belasting wil de regering invoeren voor de uitbreiding van het openbaar vervoer en wordt dit een extra heffing voor woningcorporaties?

Antwoord:

De stelling dat de overheid zint op een openbaar vervoersheffing voor woningbezitters en ondernemers, of een extra heffing voor woningcorporaties is prematuur. Op dit moment worden zowel op regionaal als Rijksniveau verkenningen uitgevoerd naar de bekostiging van infrastructuur en ruimtelijke ontwikkeling. Op Rijksniveau gebeurt dit door een ambtelijke studiegroep onder voorzitterschap van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Dit zijn verkenningen waarbij breed naar diverse opties wordt gekeken. In de verkenningen wordt onder andere naar redelijkheid, haalbaarheid, uitvoerbaarheid en de gevolgen voor lastendruk gekeken. Er zijn nog geen inhoudelijke voorkeuren uitgesproken of keuzes gemaakt.

23

Vraag:

Wat zullen de gevolgen zijn voor particuliere woningbezitters en voor ondernemers als zij extra heffingen moeten betalen voor Openbaar vervoer? Hoe kan deze heffing eruit komen te zien, ofwel: welke verschillende vormen van heffingen worden onderzocht, en aan welke steden wordt gedacht?

Antwoord:

Zie antwoord op vraag 22.

24

Vraag:

Waar is de bevinding op gebaseerd dat bij nieuwbouw er 5.000 euro extra gevraagd kan worden? (bron: Financieel Dagblad)

Klopt deze veronderstelling van 5.000 euro en geldt dit voor particulieren, beleggers, woningcorporaties en vastgoedontwikkelaars, of zitten daar verschillen tussen?

Antwoord:

Zie antwoord op vraag 22.

25

Vraag:

Hoe groot zijn de tekorten op de benodigde uitbreiding van het openbaar vervoer en waarom wordt dit opgelost via woningbezitters en (ver)huurders?

Antwoord:

Zie antwoord op vraag 22.

26

Vraag:

Kunt u de extra personele en materiële uitgaven voor doc-direkt toelichten?

Antwoord:

Doc-Direkt heeft in 2019 een begroting van € 42,3 mln. De personele en materiële uitgaven worden betaald uit twee bronnen. Voor een aan Doc-Direkt verstrekte opdracht zijn jaarlijks financiële middelen toegekend en begroot. Voor andere dienstverlening van Doc-Direkt worden jaarlijks door middel van facturering aan opdrachtgevers de gemaakte uitgaven gefinancierd. Doc-Direkt heeft dus in 2019 de taak zijn kosten voor het genoemde bedrag van € 27,5 mln. gedekt te krijgen door betalingen van klanten. Het in het betreffende jaar te factureren totaalbedrag ter dekking van de geleverde dienstverlening wordt jaarlijks in de 1e suppletoire begroting verwerkt en betreft dus geen toename van de personele en materiële uitgaven.

27

Vraag:

Op basis waarvan worden er in de periode 2019–2024 minder terugvorderingen in de huurtoeslag verwacht?

Antwoord:

De terugvorderingen voor de jaren 2019–2024 zijn grotendeels gebaseerd op realisaties uit eerdere toeslagjaren. In de toeslagjaren 2017 en 2018 zijn minder aanvragen ingediend, waardoor het aantal terugvorderingen daalt. Naar verwachting is dit gedeeltelijk een tijdelijk effect, omdat het meerjarige gemiddelde beduidend hoger ligt. Tevens zijn er minder terugvorderingen ingesteld, omdat de Belastingdienst eerder in het aanvraagproces controles uitvoert, waardoor vaker foutieve voorschotten worden voorkomen. Deze effecten samen zorgen dat er in de periode 2019–2024 minder terugvorderingen worden verwacht.

28

Vraag:

Kunt u nader uiteenzetten waardoor de stroomlijning van het invorderingsbeleid vertraging oploopt?

Antwoord:

Zoals verwoord in de 21e en 22e halfjaarsrapportage van de Belastingdienst is de belangrijkste oorzaak voor het uitstel van de stroomlijning van de invorderingsregelgeving voor belastingen en toeslagen het knelpunt rondom vertraagde vervanging van het automatiseringssysteem Enterprise Taks Management (ETM), benodigd voor de inning en betaling van een groot aantal belastingen en middelen. De implementatie van stroomlijnen van de invorderingsregelgeving voor belastingen en toeslagen zal pas na de realisatie van de vervanging van ETM in zijn geheel worden voltooid. Dat betekent dat deze voltooiing pas na 2021 te realiseren is.

29

Vraag:

Hoeveel huishoudens ontvangen huurtoeslag?

Antwoord:

Er ontvangen circa 1,4 mln. huishoudens huurtoeslag. Naar verwachting neemt het aantal huurtoeslagontvangers komende jaren licht toe door demografische ontwikkelingen, zoals bevolking en werkloosheid.

30

Vraag:

Kunt u de uitgaven ter versterking van het lokaal bestuur toelichten?

Antwoord:

Op 5 juli 2018 (Kamerstuk 34 775 VII, nr. 69) heb ik de Tweede Kamer het Plan Versterking lokale democratie en bestuur gestuurd. Hierin worden maatregelen aangekondigd om de lokale democratie en het lokaal bestuur te versterken en aan te passen aan de nieuwe uitdagingen en eisen van deze tijd. Noodzaak hiervoor zijn onder andere de implementatie van de Omgevingswet, de decentralisaties in het sociaal domein en de energietransitie. De inzet is vooral gericht op een krachtige gemeenteraad, toerusting politieke ambtsdragers, betrekken van inwoners en een krachtige lokale digitale democratie.

Maatregelen en daarmee uitgaven betreffen onder andere de ontwikkeling van instrumenten (bijvoorbeeld handreikingen), het opstarten van innovatietrajecten en het bevorderen van het uitwisselen van kennis en ervaring (bijvoorbeeld door middel van een kennisplatform). De uitvoering hiervan ligt voor een belangrijk deel bij het Samenwerkingsprogramma Democratie in Actie. De VNG die hier deel van uitmaakt, ontvangt hiervoor subsidie.

31

Vraag:

Kunt u het herschikken van € 2,7 mln. binnen de regeling Verbinding inwoner en overheid van opdrachten naar subsidies toelichten?

Antwoord:

Er is € 1,3 mln. aan middelen herschikt ten behoeve van verschillende subsidies ter versterking van de lokale democratie ten behoeve van het samenwerkingsprogramma Democratie in Actie Publieke streekomroepen en Landelijk Samenwerkingsverband Actieve bewoners. Er is € 1,4 mln. herschikt ten behoeve van subsidies ter bevordering van democratisch burgerschap, waaronder het Democratiefestival, Leerstoel Friese taal, Prinsjesfestival en Nationale jeugdraad.

32

Vraag:

Waar wordt de overgehevelde 2,1 mln ten behoeve van de versterking van weerbaarheid van het lokaal bestuur aan besteed?

Antwoord:

De middelen worden ingezet voor activiteiten vanuit het Netwerk Weerbaar Bestuur ter versterking van de integriteit en veiligheid van bestuurders, waaronder een aantal pilots met integrale beveiligingsplannen, woningscans en trainingen, de ontwikkeling en verspreiding van de basisscan integriteit en uitvoering van de aanpak van vakantieparken. Verder worden er middelen ingezet voor activiteiten om samen met VNG, IPO, lokale bestuurders, ambtenaren en volksvertegenwoordigers, instrumenten te ontwikkelen, zoals handreikingen en e-learning, om ruimte voor lokaal maatwerk binnen organieke wetgeving beter te benutten.

33

Vraag:

Hoeveel sociale huurwoningen zijn er op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba? En hoe groot zijn de wachtlijsten op deze eilanden?

Antwoord:

Op Bonaire staan ongeveer 480 sociale huurwoningen, welke worden verhuurd door Fundashon Cas Bonairiano (FCB). De wachtlijst van FCB telt ongeveer 650 actieve woningzoekenden. Sint Eustatius kent momenteel 95 sociale huurwoningen, welke worden beheerd door de St. Eustatius Housing Foundation (SHF). Er staan ongeveer 90 huishoudens op de wachtlijst voor een sociale huurwoning. Saba beschikt over 44 sociale huurwoningen, welke worden beheerd en verhuurd door de Own Your Own Home Foundation (OYOHF) en Woonlinie. De wachtlijst bedraagt ongeveer 40 huishoudens.

34

Vraag:

Wat zijn de actuele inkomenseisen voor sociale huurwoningen op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba? En hoeveel inwoners komen hier potentieel per eiland voor in aanmerking gezien de hoogte van hun inkomen?

Antwoord:

Bonaire, Sint Eustatius en Saba gaan bij het bepalen van de huurprijs voor een sociale huurwoning af op het gezamenlijk huishoudinkomen. Bonaire en Sint Eustatius hanteren daarbij een huur/inkomenstabel op basis waarvan wordt bepaald hoeveel procent van het huishoudinkomen in rekening wordt gebracht aan huur.

Op Bonaire betaalt iemand de volledige huurprijs boven een huishoudeninkomen van $ 22.346 per jaar ($ 1.862 per maand). Daaronder bedraagt de maximale huur tussen de 10 – 30% van het huishoudinkomen, afhankelijk van de hoogte van het huishoudinkomen.

Op Sint Eustatius betaalt iemand de volledige huurprijs boven een huishoudinkomen van $ 22.626 per jaar ($ 1.886 per maand). Huishoudens met een lager jaarinkomen betalen tussen de $ 56 en $ 391, afhankelijk van het jaarinkomen.

Op Saba wordt de stelregel gehanteerd dat iemand nooit meer huur betaalt dan 30% van het gezamenlijke gezinsinkomen. Gelet op de beperkte omvang van het sociaal woningbestand, vallen er jaarlijks slechts een beperkt aantal woningen vrij. Woningtoewijzing vindt daarom veelal plaats in overleg tussen de woonstichting, een maatschappelijk werker en een arts. Hierbij worden diverse zaken in acht genomen, waaronder de omvang van het huishouden in relatie tot de grootte van de woning, het huishoudinkomen in relatie tot de huurprijs, de duur van de inschrijving (wachttijd), alsmede het verlenen van urgentie.

35

Vraag:

Hoe hoog is de actuele liberalisatiegrens voor huurwoningen op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba?

Antwoord:

Op basis van de huidige Wet huurcommissieregeling BES bedraagt de huur van een huurwoning op Bonaire, Sint Eustatius of Saba niet meer dan 8% van de totale bouwkosten (inclusief grondkosten) voor woningen gebouwd voor 1 maart 1977. Is de woning gebouwd op of na 1 maart 1977, dan mag de huur niet meer bedragen dan 12% van de bouwkosten. De huidige huurcommissieregeling is niet van toepassing op huurwoningen met bouwkosten vanaf $ 56.000.

36

Vraag:

Kunt u een update geven over de stand van zaken omtrent Woondeals?

Antwoord:

Dit voorjaar heb ik woondeals getekend met de stad Groningen, het Stedelijk Gewest Eindhoven en de zuidelijke Randstad. Ik ben nog in gesprek over woondeals met de regio Utrecht en de Metropoolregio Amsterdam, en richt op ondertekening voor het zomerreces. Vervolgens ontvangt u deze zomer een overkoepelende Kamerbrief over de woondeals en de afspraken die hierin zijn gemaakt.

37

Vraag:

Voor welke uitgaven worden vanuit het Rijk middelen beschikbaar gesteld ten behoeve van de Woondeals à € 6.3 miljoen in 2019?

Antwoord:

In de woondeals maak ik met de betrokken regio’s afspraken op, onder andere, het gebied van versnelling van de woningbouw en het tegengaan van excessen op de woningmarkt. Deze uitgaven zijn daarbij een middel om beide tot stand te brengen. In overleg kan besloten worden om vanuit het Ministerie van BZK daarvoor bij te dragen. In de overkoepelende Kamerbrief informeer ik u nader over de totale verdeling van uitgaven aan de woondeals.

38

Vraag:

Op welke wijze wordt de effectiviteit van de Woondeals achteraf getoetst?

Antwoord:

Zie antwoord op vraag 42.

39

Vraag:

Op welke wijze vindt monitoring van de uitgaven aan de Woondeals plaats?

Antwoord:

Zie antwoord op vraag 42.

40

Vraag:

Was voor het afsluiten van de woondeals al bekend hoeveel geld er vanuit het Rijk beschikbaar was voor de woondeals? Kunt u nader toelichten hoe tot het bedrag van € 6,3 miljoen is gekomen en waar het geld vandaan komt?

Antwoord:

Ja. Binnen de bestaande begroting is ruimte gemaakt voor een incidentele impuls aan de woningbouw en voor verbetering van de handhaving door middel van de woondeals. Daarbij speelde de regionale problematiek, die onderdeel was van de gesprekken tussen het Ministerie van BZK en de regio’s, een vormende rol voor de ontstane bijdrage vanuit het Ministerie van BZK. In de overkoepelende Kamerbrief over de woondeals informeer ik u deze zomer nader over alle financiële afspraken.

41

Vraag:

Kunt u toelichten hoe de € 6,3 miljoen voor de totstandkoming van de woondeals wordt verdeeld over de betrokken regio’s? Welke ratio zit achter deze verdeling?

Antwoord:

Samen met de betrokken regio´s is bekeken waar BZK het beste een bijdrage kon leveren voor het versnellen van de woningbouw of het tegengaan van excessen. De bestedingen volgen uit de gesprekken die ik voer met de regio.

42

Vraag:

Op welke wijze wordt (conform artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet 2016) inzicht geboden in de nagestreefde doelstellingen, de in te zetten beleidsinstrumenten, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de woondeals?

Antwoord:

Na het afsluiten van een woondeal worden twee halfjaarlijkse bestuurlijke overleggen gepland tussen BZK en de betrokken regio’s. In deze overleggen wordt besproken wat de inzet is geweest (doelstellingen), welke activiteiten reeds zijn uitgevoerd en wat de bijbehorende uitkomst daarvan is. De doeltreffendheid en doelmatigheid zijn daar tevens een onderdeel van. Ook wordt gekeken of de activiteiten reeds bij de juiste partij zijn belegd in de overkoepelende kamerbrief die in de zomer naar uw Kamer wordt verstuurd, ga ik hier nader op in.

43

Vraag:

Op basis van welke informatie wordt een schatting gemaakt van het aantal verhuurders dat voornemens is huren (niet) te verhogen?

Antwoord:

Om een inschatting te maken van de gemiddelde huurontwikkeling van huurtoeslagontvangers zijn analyses over voorgaande jaren gebruikt. Uit realisatiecijfers blijkt dat verhuurders minder gebruik maken van de wettelijke ruimte die zij hebben om huren van huurtoeslagontvangers te verhogen dan eerder verwacht. Deze realisatiecijfers komen uit de huurenquête, waarover in november 2018 een rapportage bij de Staat van de Woningmarkt aan de Kamer is gestuurd. Vanaf 2020 wordt tevens rekening gehouden met de doorwerking van de afspraken uit het Sociaal Huurakkoord. De afspraken uit het Sociaal Huurakkoord hebben effect op de ruimte voor huurverhogingen, en daarmee op de huurtoeslag. Er is enerzijds sprake van een opwaarts effect door het buiten de berekening van de jaarlijkse huursomstijging brengen van de huurharmonisatie en door de afwijkingsmogelijkheid dat woningcorporaties in gezamenlijke afspraak met huurdersvertegenwoordigers en gemeente een lokale hogere huursomstijging kunnen afspreken. Anderzijds kan er sprake zijn van een neerwaarts effect door het vaststellen van de maximale huursomstijging op inflatieniveau. Per saldo wordt het totale effect op de uitgaven voor huurtoeslag van de afspraken in het Sociaal Huurakkoord 2018 die in wet- en regelgeving worden verwerkt neutraal ingeschat.

44

Vraag:

Kunt u uiteenzetten hoe het verschil in werkloosheidcijfers ten opzichte van de eerdere verwachting ontstaat?

Antwoord:

Voor de hoogte van de werkloosheid wordt gebruik gemaakt van werkloosheidscijfers uit het Centraal Economisch Plan (CEP) van het Centraal Planbureau (CPB). De hoogte van de werkloosheid voor 2019 is door het CPB bijgeteld. Er is sprake van een zwakkere economische ontwikkeling, waardoor de eerder verwachte sterke daling van de werkloosheid in 2019 zich niet voordoet. Dit zorgt in 2019 en 2020 voor hogere aantallen huurtoeslagontvangers en daarmee hogere uitgaven aan huurtoeslag.

45

Vraag:

Hoeveel geld is in totaal uitgegeven aan de Tijdelijke regeling stimulering huisvesting statushouders? IN welke gemeenten zijn aanvragen voor de subsidie toegekend en hoe ziet die verdeling in geld eruit?

Antwoord:

Per juni 2019 is € 23,2 mln. toegekend in het kader van de Tijdelijke regeling stimulering huisvesting statushouders en is € 3,4 mln. uitbetaald aan subsidie. Gegevens over de toekenning van de subsidiegelden zijn in verband met de privacy niet openbaar, ook omdat het niet altijd een gemeente of corporatie is die de subsidieaanvraag heeft ingediend. Wel kan ik aangeven dat in de provincies Flevoland, Gelderland, Limburg, Noord-Brabant, Utrecht en Zuid-Holland projecten zijn gerealiseerd met behulp van de Tijdelijke Regeling Stimulering Huisvesting Vergunninghouders.

46

Vraag:

Hoeveel statushouders hebben een woning gevonden dankzij de Tijdelijke regeling stimulering huisvesting statushouders in 2018 en wat is de verwachting voor 2019? En in hoeverre heeft dit in de wachtlijsten in de asielzoekerscentra verminderd in 2018 en wat is de verwachting voor 2019?

Antwoord:

Het totaal aantal vergunninghouders dat in het kader van de Tijdelijke Regeling Stimulering Huisvesting Vergunninghouders (TRSHV) tot en met 2018 is gehuisvest betreft 519 en voor 2019 betreft dat tot juni 2019 28 vergunninghouders. De genoemde aantallen vergunninghouders worden vanuit de asielzoekerscentra gehuisvest in de desbetreffende gemeenten en daarmee zullen de wachtlijsten in de asielzoekerscentra navenant dalen.

47

Vraag:

Op basis waarvan komen de geraamde uitgaven bij de kasschuif SEEH voor de periode 2020–2023 tot stand?

Antwoord:

De raming van de uitgaven van de Subsidie energiebesparing eigen huis (SEEH) voor Verenigingen van Eigenaars is tot stand gekomen door de gerealiseerde uitgaven in 2018 (€ 1,7 mln.) door te trekken naar de jaren erna, waarbij rekening is gehouden met een oploop in latere jaren. De ervaring leert dat VVE’s meer tijd nodig hebben om aanvragen in te dienen.

48

Vraag:

Hoeveel budget is er per jaar tot en met 2023 nog beschikbaar voor verduurzaming door verhuurders?

Antwoord:

De onder artikel 4 genoemde uitgaven voor energiebesparing huursector betreffen de uitbetalingen van de subsidies van de intussen gesloten STEP (Stimuleringsregeling energieprestatie huursector). Aanvragen konden tot en met het jaar 2018 worden gedaan. Bij de STEP-regeling worden de subsidies uitgekeerd nadat de verduurzaming van de huurwoning voltooid is. Aanvragers hebben twee jaar de tijd om de woning te renoveren. Aanvragen die in 2018 zijn goedgekeurd, kunnen daarom tot en met 2020 worden uitbetaald. De komende jaren (2019 meegerekend) zal nog zo’n € 300 mln. aan STEP-subsidies worden uitgekeerd.

Ter ondersteuning van de verduurzaming door verhuurders is in 2019 de Heffingsvermindering Verduurzaming open gesteld. Deze sluit op 1 juli a.s. vanwege het grote aantal aanvragen. De opbouw van de budgettaire reeks Heffingsvermindering Verduurzaming ziet er als volgt uit: in 2019 € 26 mln., in 2020 € 52 mln., in 2021 € 78 mln. en vanaf 2022 € 104 mln. structureel.

49

Vraag:

Waarom zijn er ten tijde van de tweede suppletoire 2018 middelen overgeheveld van de STEP-regeling naar het NEF gegeven dat de STEP-regeling reeds is overboekt?

Antwoord:

Gedurende het jaar 2018 is subsidie vastgesteld en uitgekeerd voor de Stimuleringsregeling Energieprestatie Huursector (STEP). De STEP-subsidie wordt pas na voltooiing van de verduurzaming vastgesteld en uitbetaald. Verhuurders hebben na de goedkeuring van de aanvraag twee jaar de tijd om de woning te renoveren. Door het niet volledig uitkomen van de prognose van RVO.nl met betrekking tot de vaststelling van subsidies enerzijds en de (gedeeltelijke) afwijzingen van aanvragen omdat deze niet voldeden aan de criteria/eisen voor de STEP anderzijds, is € 20 mln. van het budget niet in 2018 uitgekeerd. Dit deel wordt in 2019 uitgekeerd. Dit kan doordat het oorspronkelijk in 2019 beschikbare budget voor het NEF in 2018 is uitgekeerd (uit de STEP-middelen). Het is dus niet zo dat de middelen die in 2018 aan het NEF zijn uitgekeerd, ten koste zijn gegaan van het totaal beschikbare budget voor de STEP.

50

Vraag:

Hoeveel geld zit er in 2019 in totaal in de verschillende geldpotten voor verduurzaming van koop- en huurwoningen? Kunt u een schematisch overzicht geven?

Antwoord:

Op de begroting van BZK staan de volgende middelen:

Huur

Voor de afhandeling van de in 2018 gesloten STEP-regeling is er van 2019 tot met 2021 € 290,6 mln. beschikbaar, waarvan € 146,6 mln. in 2019 beschikbaar is.

Koop

De Subsidie energiebesparing eigen huis (SEEH) voor Verenigingen van Eigenaren (VvE’s): € 2 mln. in 2019.

51

Vraag:

Kunt u aangeven welke uitgaven in de stand eerste suppletoire 2019 nog niet juridisch verplicht zijn?

Antwoord:

Van artikel 5 Ruimtelijke ordening en omgevingswet is 16% van de uitgaven niet-juridische verplicht. Conform de toelichting van de niet verplichte uitgaven in de ontwerpbegroting is de bestemming voornamelijk voor opdrachten voor Aan de slag (€ 9,7 mln.), Eenvoudig beter (€ 0,8 mln.), Programma Ruimtelijk Ontwerp (€ 0,7 mln.) en Basis Registratie Ondergrond (€ 0,4 mln.). Daarnaast betreft het de bijdrage aan het Kadaster op artikelonderdeel Omgevingswet (€ 1,8 mln.) en aantal overige regelingen over het gehele artikel (€ 3,4 mln.).

52

Vraag:

Kunt u nader ingaan op de reden voor de extra beschikbaar gestelde middelen voor de ontwikkeling van fase-1 van het Digitaal Stelsel Omgevingswet?

Antwoord:

In de kostenraming voor de ontwikkeling van fase-1 van het Digitaal Stelsel Omgevingswet is eind 2016 een risicoreservering opgenomen. In 2018 is bij de overgang van de Omgevingswet van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het budget zonder volledige dekking van de risicoreservering overgekomen. De beschikbaar gestelde middelen betreffen een toevoeging aan het budget om de kosten en het budget weer met elkaar in evenwicht te brengen voor de ontwikkeling van fase-1 van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).

53

Vraag:

Wat betekenen deze toegevoegde middelen voor het totale budget van het Digitale Stelsel Omgevingswet?

Antwoord:

In 2018 is bij de overgang van de Omgevingswet van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het budget zonder volledige dekking van de risicoreservering overgekomen. Met de toegevoegde middelen is het totale budget weer in lijn met de actuele kostenraming. De actuele kostenraming inclusief risico’s blijft € 142 mln.

54

Vraag:

Wat is de reden dat er extra geld moet worden vrijgemaakt voor de ontwikkeling van fase-1 van het Digitaal Stelsel Omgevingswet? Waarom valt dit niet binnen de huidige begroting, gezien de ruimte in de gepresenteerde geschatte meerjarige projectkosten op het Rijksictdashboard? Betekent dit dat de geschatte meerjarige projectkosten naar boven moeten worden bijgesteld?

Antwoord:

Zie antwoord vraag 52. Het betreft een aanvulling op de risicoreservering van het budget. Deze aanvulling past binnen de totale kostenraming van € 142 mln. als opgenomen in de toelichting van het Rijksictdashboard. Met de toegevoegde middelen is het totale budget weer in lijn met de actuele kostenraming. Deze wordt sinds 2016 ieder half jaar geactualiseerd en de raming is nog altijd stabiel.

55

Vraag:

Waar komt de € 8 miljoen vandaan die is toegevoegd aan de begroting van BZK voor de ontwikkeling van fase-1 van het Digitaal Stelsel Omgevingswet?

Antwoord:

De middelen worden toegevoegd aan de BZK-begroting vanuit de generale middelen.

56

Vraag:

Kunt u toelichten wat de samenhang is tussen het extra budget voor Digitaal Stelsel Omgevingswet op artikel 5 en artikel 11 voor de inhuur van externen? Komt de € 4 miljoen voor inhuur externen voor de ontwikkeling van fase-1 van het Digitaal Stelsel bovenop de vrijgemaakte € 14 miljoen binnen artikel 5?

Antwoord:

Van de vrijgemaakte € 14 mln. is € 4 mln. voor inhuur externen voor de ontwikkeling van fase-1 van het Digitaal Stelsel.

57

Vraag:

Kunt u aangeven hoe ver medeoverheden inmiddels zijn met het implementeren van de Omgevingswet? Hoeveel gemeenten hebben reeds een omgevingsvisie opgesteld of zijn hier actief mee bezig? Hoeveel provincies hebben reeds een omgevingsvisie opgesteld of zijn hier actief mee bezig? En hoe worden de Waterschappen hier in de praktijk bij betrokken?

Antwoord:

De voortgang van de implementatie van de Omgevingswet wordt mede op verzoek van uw Kamer via een halfjaarlijkse omvangrijke monitor gevolgd. Ik informeer u voor de zomer over de uitkomsten van de monitorresultaten, hiermee worden uw vragen beantwoord.

58

Vraag:

Kunt u de laatste stand van zaken geven van de planning voor oplevering van het beheer van de landelijke voorziening (DSO-LV Basisniveau)? Is dit hetzelfde als fase-1 van het Digitaal Stelsel Omgevingswet?

Antwoord:

De beoogde opleverdatum van het basisniveau van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) is eind 2019. Dit is hetzelfde als fase-1 van het DSO.

59

Vraag:

Wat werd er in 2018 en het begin van 2019 gefinancierd uit de investeringspost digitale overheid?

Antwoord:

De middelen voor 2018 zijn ingezet ter behoeve van de uitvoering van de acties uit NL DIGIbeter voor o.a. het Programma eID, doorontwikkeling MijnOverheid, e–procurement poort en Platform openbare overheidsinformatie (PLOOI).

In 2019 is op basis van NL DIGIbeter een investeringsagenda voor de Investeringspost vastgesteld. Begin 2019 zijn daaruit o.a. de volgende activiteiten gefinancierd: aanpak levensgebeurtenissen, ondersteuning API-strategie (Application Programming Interface), programma machtigen en e-procurementpoort.

60

Vraag:

Kunt u een nadere uiteenzetting geven van de toegevoegde middelen aan de BZK-begroting ten behoeve van niet-huisvestingskosten van gebruikers tijdens renovatie Binnenhof?

Antwoord:

Uit het budget van de € 475 mln. is € 12,5 mln. apart gezet voor kosten die gebruikers hebben als gevolg van het renovatieproject; dit zijn de zogeheten niet-huisvestingskosten. Deze kosten zijn bedoeld voor het mogelijk maken van de verhuizing naar de tijdelijke huisvesting en maken geen onderdeel van het bouwbudget en worden dus ook niet geactiveerd. Het bouwbudget voor de renovatie wordt door deze mutatie niet gewijzigd.

Het bedrag van € 2,7 mln. is de resultante van verschillende mutaties die plaatsvinden op het begrotingsartikel waarop de middelen staan die bedoeld zijn voor de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van AZ (waaronder de 12,5 mln. die kan worden aangewend voor de niet-huisvestingskosten). Deze mutaties betreffen onder andere de toevoeging van de eindejaarsmarge voor de beschikbare middelen voor de niet-huisvestingskosten welke in 2018 niet tot besteding zijn gekomen. Daarnaast is er sprake van een technische kasschuif voor de verbouwing van de tijdelijke huisvesting als gevolg van de verwerking van de verlenging van de afschrijvingsperiode. Ten slotte worden er op basis van de specifieke behoeften van de gebruikers van het Binnenhof middelen toegevoegd voor kosten aanvullend op de normale bedrijfsvoeringskosten.

61

Vraag:

Kunt u aangeven in hoeverre de € 2,7 miljoen voor de niet-huisvestingskosten worden toegevoegd aan de reeds beschikbare € 12,5 miljoen voor de niet-huisvestingskosten?

Antwoord:

Zie antwoord op vraag 60.

62

Vraag:

Kunt u toelichten waar dit bedrag, 2,7 miljoen en 12,5 miljoen, specifiek voor bedoeld is en in hoeverre dit gebaseerd is op de behoefte van de gebruikers?

Antwoord:

Zie antwoord op vraag 60.

63

Vraag:

In hoeverre heeft deze € 2,7 miljoen toevoeging aan de begroting van BZK voor de niet-huisvestingskosten gevolgen voor het totale Renovatiebudget van € 475 miljoen?

Antwoord:

Zie antwoord op vraag 60.