Gepubliceerd: 16 maart 2018
Indiener(s): Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD)
Onderwerpen: burgerlijk recht recht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34912-3.html
ID: 34912-3

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING1 2

Algemeen

1. Inleiding

Dit wetsvoorstel strekt tot implementatie van de Leesgehandicaptenrichtlijn3 en tot uitvoering van de Leesgehandicaptenverordening.4 De Leesgehandicaptenrichtlijn en Leesgehandicaptenverordening passen het EU-acquis aan zodat wordt voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit het WIPO Leesgehandicaptenverdrag.5 De richtlijn en de verordening plaveien daarmee de weg voor de ratificatie van en toetreding tot het Leesgehandicaptenverdrag door de Europese Unie en de lidstaten. Het Leesgehandicaptenverdrag voorziet, kort gezegd, in de introductie van een verplichte leesgehandicaptenexceptie zodat auteursrechtelijk beschermde werken rechtmatig in een voor leesgehandicapten toegankelijk format (zoals braille- of gesproken boeken) kunnen worden omgezet, zonder dat daarvoor toestemming van de auteursrechthebbende noodzakelijk is. Daarnaast bepaalt het verdrag dat onder de leesgehandicaptenexceptie omgezette werken tussen de bij het verdrag aangesloten partijen grensoverschrijdend kunnen worden uitgewisseld. Dit voorkomt dat meermaals kosten worden gemaakt voor het toegankelijk maken van werken. De richtlijn introduceert een verplichte leesgehandicaptenexceptie en regelt de uitwisseling van de onder de exceptie omgezette werken op de interne markt (dus tussen de EU-lidstaten onderling). De verordening regelt de uitwisseling van omgezette werken tussen EU-lidstaten en derde landen die partij zijn bij het Leesgehandicaptenverdrag. Nederland moet de richtlijn uiterlijk 11 oktober 2018 in nationale wetgeving hebben omgezet. De Leesgehandicaptenverordening is met ingang van 12 oktober 2018 van toepassing.

In het algemeen deel van de memorie van toelichting wordt in paragraaf 2 op hoofdlijnen ingegaan op de aanleiding en doelstelling van het Leesgehandicaptenverdrag, de Leesgehandicaptenrichtlijn en de Leesgehandicaptenverordening. In paragraaf 3 wordt het toepassingsgebied van de richtlijn en verordening besproken. Hier wordt ingegaan op de vragen wie zich op de exceptie kunnen beroepen, onder welke voorwaarden en omstandigheden dit mogelijk is en welke categorieën van werken onder de exceptie vallen. De verhouding van de leesgehandicaptenexceptie tot de reeds bestaande algemene gehandicaptenexceptie komt aan bod in paragraaf 4. Om rechthebbenden te compenseren voor de schade die zij lijden door onder de exceptie toegestaan gebruik van hun werken, geeft de richtlijn de lidstaten de ruimte om aan de inroepbaarheid van de exceptie de voorwaarde te verbinden van een billijke vergoeding. De wijze waarop van die beleidsruimte gebruik wordt gemaakt, is onderwerp van bespreking in paragraaf 5. In paragraaf 6 ten slotte worden de administratieve lasten en nalevingskosten, alsmede de financiële gevolgen voor de Rijksbegroting geduid. De memorie van toelichting gaat vergezeld van een bijlage. Deze bijlage bevat de transponeringstabel.

2. Aanleiding en doelstelling van het Leesgehandicaptenverdrag, de Leesgehandicaptenrichtlijn en de Leesgehandicaptenverordening

Leesgehandicapten hebben niet in dezelfde mate als mensen zonder leeshandicap toegang tot gepubliceerde werken. Naar schatting komt bijvoorbeeld slechts 7 – 20% van alle boeken op de markt in een voor leesgehandicapten geschikt format.6 Daarnaast kost het vervaardigen van werken in een voor leesgehandicapten toegankelijk format tijd en geld. Zeker in ontwikkelingslanden zijn de kosten een belemmering voor het toegankelijk maken van werken. Het Leesgehandicaptenverdrag heeft tot doel de toegankelijkheid tot gepubliceerde werken voor leesgehandicapten te vergroten. Een verplichte wettelijke exceptie maakt het mogelijk om zonder toestemming van de rechthebbende werken om te zetten in voor leesgehandicapten toegankelijke formats. Overigens beschikken alle lidstaten van de Europese Unie thans al over een dergelijke exceptie. In veel andere (vooral ontwikkelings)landen was hier echter nog niet in voorzien. Daarnaast vergemakkelijkt het Leesgehandicaptenverdrag de grensoverschrijdende uitwisseling van onder de exceptie vervaardigde werken door helder te stellen dat het omgezette werk tussen de bij het verdrag aangesloten landen zonder aanzien van landsgrenzen kan worden uitgewisseld. Het Leesgehandicaptenverdrag is op 27 juni 2013 in Marrakesh tot stand gekomen. Het maakt deel uit van een reeks auteursrechtenverdragen die door de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (World Intellectual Property Organization, de «WIPO») wordt beheerd. Het verdrag is op 30 september 2016, drie maanden na de twintigste ratificatie, in werking getreden. Op 1 december 2017 waren er 33 landen partij bij het verdrag.7

De EU heeft namens de lidstaten het Leesgehandicaptenverdrag op 30 april 2014 ondertekend. Tussen de Raad en de Commissie bestond verschil van inzicht over wie de bevoegdheid had om het verdrag aan te gaan. Het Hof van Justitie heeft op 14 februari 2017 bepaald dat het ratificeren van het Leesgehandicaptenverdrag tot de exclusieve bevoegdheid van de Unie behoort (vgl. Advies van het Hof van Justitie van 14 februari 2017, 3/15, ECLI:EU:C:2017:114). Het deponeren van de akte van bekrachtiging door de EU bij de directeur-generaal van de WIPO (de ratificatie) zal plaatsvinden op 12 juli 2018.8 Het verdrag bepaalt dat drie maanden na het deponeren van de akte van bekrachtiging de ratificerende partij door het verdrag wordt gebonden (zie artikel 19 Leesgehandicaptenverdrag). De EU is dus vanaf 12 oktober 2018 partij bij het verdrag en dient vanaf die datum te voldoen aan de verplichtingen die uit het verdrag voortvloeien. De datum van 12 oktober 2018 correspondeert zo met de voornoemde datum waarop de richtlijn geïmplementeerd moet zijn en de verordening van toepassing wordt.

Het Leesgehandicaptenverdrag, de Leesgehandicaptenrichtlijn en Leesgehandicaptenverordening sluiten aan bij en bouwen voort op de artikelen 9, 21 en 30 van het voor Nederland in 2016 in werking getreden VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (het «VN-Gehandicaptenverdrag»). Zo stelt artikel 9 van het VN-Gehandicaptenverdrag dat de verdragsstaten passende maatregelen nemen om personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen de toegang te garanderen tot (onder meer) informatie en communicatie. Artikel 21 van dit verdrag bepaalt dat de staten die partij zijn alle passende maatregelen nemen om te waarborgen dat personen met een handicap tijdig en zonder extra kosten voor het publiek bedoelde informatie verschaffen in toegankelijke vormen en technologieën, geschikt voor de verschillende soorten handicaps. Artikel 30 van het VN-Gehandicaptenverdrag spoort de verdragsstaten aan om passende maatregelen te nemen om te waarborgen dat personen met een handicap toegang hebben tot cultuuruitingen in toegankelijke vorm.

3. De Leesgehandicaptenrichtlijn en Leesgehandicaptenverordening: toepassingsgebied en definities

Voorgesteld wordt in de Auteurswet (Aw), de Wet op de naburige rechten (Wnr) en de Databankenwet (Dbw), in het voetspoor van de Leesgehandicaptenrichtlijn, te voorzien in een leesgehandicaptenexceptie die beoogt de beschikbaarheid en grensoverschrijdende uitwisseling van boeken en andere drukwerken die in een voor leesgehandicapten toegankelijk format zijn omgezet te vergemakkelijken. Begunstigden van die exceptie zijn leesgehandicapten en toegelaten entiteiten. Onder leesgehandicapten worden blijkens artikel 2, tweede lid, van de Leesgehandicaptenrichtlijn verstaan: (i) personen die blind zijn; (ii) personen met een visuele handicap die niet zodanig kan worden verbeterd dat zij het gezichtsvermogen krijgen dat wezenlijk gelijkwaardig is aan dat van een persoon zonder een dergelijke handicap en die ten gevolge daarvan niet in staat zijn in wezenlijk dezelfde mate als een persoon zonder een dergelijke handicap gedrukte werken te lezen; (iii) personen met een waarnemings- of leeshandicap, waardoor zij niet in wezenlijk dezelfde mate als personen zonder een dergelijke handicap in staat zijn gedrukte werken te lezen (uit overweging 7 van de Leesgehandicaptenrichtlijn volgt dat hierbij onder meer aan bepaalde vormen van dyslexie kan worden gedacht); en (iv) personen die ten gevolge van een fysieke handicap niet in staat zijn een boek vast te houden of te hanteren, dan wel scherp te zien of hun ogen te bewegen in een mate die gewoonlijk voor het lezen aanvaardbaar wordt geacht. Die definitie is nagenoeg letterlijk overgenomen in artikel 15m, onderdeel a, van de Auteurswet. Die bepaling wordt in de Wet op de naburige rechten en de Databankenwet van overeenkomstige toepassing verklaard.

Een «toegelaten entiteit» wordt in artikel 2, vierde lid, van de Leesgehandicaptenrichtlijn omschreven als een entiteit die door een lidstaat is gemachtigd of erkend om zonder winstoogmerk onderwijs, opleiding, aangepast lezen of toegang tot informatie aan begunstigden te bieden. Deze term omvat tevens openbare instellingen of organisaties zonder winstoogmerk die begunstigden dezelfde diensten aanbieden als een van hun hoofdactiviteiten, institutionele verplichtingen of in het kader van hun taken van openbaar belang. Ook die definitie is letterlijk overgenomen in artikel 15m, onderdeel d, van de Auteurswet en van overeenkomstige toepassing verklaard in de Wet op de naburige rechten en de Databankenwet. Uit de Leesgehandicaptenrichtlijn volgt dat aan de toegelaten entiteiten geen registratieplicht mag worden opgelegd als voorwaarde voor het vervaardigen en verspreiden van omgezette werken. Wel moeten de toegelaten entiteiten, zodra zij grensoverschrijdend willen gaan uitwisselen, aan bepaalde verplichtingen voldoen met het oog op een betere beschikbaarheid van exemplaren in toegankelijke vorm en ter voorkoming van de illegale verspreiding van werken of ander materiaal (zie voor deze verplichtingen de artikelsgewijze toelichting bij artikel 15l van de Auteurswet). In Nederland hebben Stichting Dedicon, de Bibliotheekservice Passend Lezen en de Christelijke Bibliotheek voor Blinden en Slechtzienden al hun bereidheid aangegeven grensoverschrijdend werken en andere beschermde prestaties te willen uitwisselen. Zij zijn in ieder geval te kwalificeren als toegelaten entiteit. Dit sluit overigens niet uit dat ook andere instellingen die onder de definitie van «toegelaten entiteit» vallen, ervoor kunnen kiezen om grensoverschrijdend werken uit te wisselen.

De werken of het andere materiaal die onder het bereik van de gehandicaptenexceptie vallen, worden in artikel 2, eerste lid, van de Leesgehandicaptenrichtlijn en de Leesgehandicaptenverordening geduid. Het gaat hierbij om werken in de vorm van een boek, dagblad, krant, tijdschrift of ander soort geschrift, notaties met inbegrip van bladmuziek en daarmee samenhangende illustraties, op om het even welke drager, met inbegrip van audioformaten, zoals luisterboeken en digitale formaten, dat wordt beschermd door het auteursrecht of naburige rechten en dat is gepubliceerd of op een andere geoorloofde wijze algemeen beschikbaar is gesteld. Wat het auteursrecht betreft gaat het dus in hoofdzaak om gepubliceerde geschriften. De definitie van gepubliceerde geschriften is overgenomen in artikel 15m, onderdeel b, van de Auteurswet. Deze definitie wordt van overeenkomstige toepassing verklaard in de Wet op de naburige rechten voor nabuurrechtelijk beschermde prestaties en de Databankenwet voor de sui generis databanken (databanken waarin substantieel is geïnvesteerd).

De werken of het andere materiaal die onder het bereik van artikel 2, eerste lid, vallen, mogen op grond van de leesgehandicaptenexceptie worden omgezet in een voor leesgehandicapten toegankelijke vorm. In de terminologie van artikel 2, derde lid, van de Leesgehandicaptenrichtlijn en de Leesgehandicaptenverordening gaat het dan om een exemplaar van een werk of ander materiaal in een alternatieve vorm waarmee dat werk of dat andere materiaal voor een begunstigde toegankelijk wordt, onder meer om de toegang tot het werk voor die begunstigde even eenvoudig en gemakkelijk te maken als voor een persoon zonder een leeshandicap. Voorbeelden van dergelijke voor leesgehandicapten toegankelijke vormen zijn braille, groteletterdruk, aangepaste e-boeken en radiouitzendingen. De definitie van een exemplaar in toegankelijke vorm is in de Auteurswet neergelegd in artikel 15m, onderdeel c, onder het begrip «omgezet werk». Dit begrip is van overeenkomstige toepassing verklaard in de Wet op de naburige rechten voor nabuurrechtelijk beschermde prestaties en de Databankenwet voor de sui generis databanken.

4. Verhouding van de richtlijn en verordening tot bestaande nationale regelgeving

Sinds de omzetting van Richtlijn 2001/29/EG voorzien de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten in artikel 15i respectievelijk 10, onderdeel i, in een algemene gehandicaptenexceptie die niet tot leesgehandicapten en gepubliceerde geschriften beperkt is. Op grond van artikel 15i van de Auteurswet is het openbaar maken en het verveelvoudigen van een auteursrechtelijk beschermd werk toegestaan indien dit uitsluitend geschiedt ten behoeve van mensen met een handicap, mits de openbaarmaking of verveelvoudiging direct verband houdt met de handicap, vanwege de handicap noodzakelijk is en niet van commerciële aard is. Daarnaast stelt artikel 15i van de Auteurswet de voorwaarde dat er een billijke vergoeding aan de rechthebbenden moet worden betaald voor een dergelijke verveelvoudiging en openbaarmaking. In de thans geldende Regeling toegankelijke lectuur voor mensen met een leesbeperking (hierna: de Regeling toegankelijke lectuur) van het Nederlands Uitgeversverbond, de Koninklijke Bibliotheek en Dedicon is het tarief van deze billijke vergoeding gesteld op € 27,50 per titel.9 De voornoemde organisaties spraken verder af dat de billijke vergoeding alleen verschuldigd is bij een werk dat onder de categorie «Algemene lectuur» valt. In artikel 10, onderdeel i, van de Wet op de naburige rechten is in een nabuurrechtelijke equivalent van de algemene gehandicaptenexceptie voorzien. De leesgehandicaptenexceptie die voortvloeit uit de Leesgehandicaptenrichtlijn en de Leesgehandicaptenverordening laat de hiervoor kort geduide auteurs- en nabuurrechtelijke algemene gehandicaptenexceptie nadrukkelijk onverlet voor gevallen die niet onder de Leesgehandicaptenrichtlijn vallen. Dit volgt uit artikel 8 van de richtlijn, mede bezien in het licht van overweging 20 van die richtlijn.

5. Beleidsvrijheid van de richtlijn inzake de mogelijkheid van een billijke vergoeding voor rechthebbenden

Artikel 3, zesde lid, van de Leesgehandicaptenrichtlijn geeft lidstaten de mogelijkheid aan de inroepbaarheid van de leesgehandicaptenexceptie door toegelaten entiteiten de voorwaarde te verbinden van een billijke vergoeding. De lidstaten zijn daartoe niet verplicht. Over het al dan niet voorschrijven van een dergelijke vergoeding is overleg gevoerd met de partijen die betrokken zijn bij de Regeling toegankelijke lectuur, te weten: het Nederlands Uitgeversverbond, de Koninklijke Bibliotheek en Stichting Dedicon, alsmede met de Bibliotheekservice Passend Lezen en de Christelijke Bibliotheken voor Blinden en Slechtzienden. Ook met de algemene belangenbehartigers voor blinden en slechtzienden, te weten: Koninklijke Visio en Bartiméus, is door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van gedachten gewisseld. Uit deze overleggen is naar voren gekomen dat niet wordt gehecht aan het voorschrijven van een billijke vergoeding. Wel zal met instemming van de voornoemde belanghebbenden in de wet worden geregeld dat bij algemene maatregel van bestuur (hierna: AMvB) een billijke vergoeding kan worden voorgeschreven. Daarvan zou gebruik kunnen worden gemaakt wanneer meer ervaring is opgedaan met de toepassing van de nieuwe exceptie in de praktijk. Het parlement zal op de hoogte worden gesteld van een dergelijk voornemen om te kunnen controleren of de betrokken belangen zorgvuldig tegen elkaar zijn afgewogen. De voorhangregeling is daarom van toepassing verklaard. Dit wordt geregeld in artikel 17d van de Auteurswet en zal in de Wet op de naburige rechten van overeenkomstige toepassing worden verklaard.

6. Regeldruk bedrijfsleven en financiële gevolgen rijksbegroting

Regeldrukkosten vallen uiteen in administratieve lasten en nalevingskosten. Administratieve lasten zijn de kosten die het bedrijfsleven moet maken om te voldoen aan wettelijke informatieverplichtingen jegens de overheid. Onder inhoudelijke nalevingskosten worden andere kosten verstaan die het bedrijfsleven moet maken om aan de verplichtingen te voldoen die nieuwe wet- en regelgeving met zich meebrengt. Dit wetsvoorstel leidt niet tot administratieve lasten, omdat niet wordt voorzien in wettelijke informatieverplichtingen jegens de overheid. Dit voorstel leidt ook niet tot inhoudelijke nalevingskosten voor het bedrijfsleven. De instellingen die als toegelaten entiteit willen functioneren en voornemens zijn om grensoverschrijdend te gaan uitwisselen (Stichting Dedicon, de Bibliotheekservice Passend Lezen en de Christelijke Bibliotheek voor Blinden en Slechtzienden) opereren zonder winstoogmerk en vallen dus niet onder de definitie van bedrijfsleven. Daarnaast sluit het wetsvoorstel aan bij de Nederlandse praktijk. Deze organisaties maken op dit moment al werken toegankelijk voor leesgehandicapten, al dan niet via het netwerk van de openbare bibliotheek. In dat kader houden zij al de informatie bij die op grond van de Leesgehandicaptenrichtlijn en Leesgehandicaptenverordening wordt voorgeschreven om bij te houden. Volledigheidshalve zij ook nog vermeld dat deze wetswijziging geen gevolgen heeft voor de Rijksbegroting.

Overigens is Stichting Dedicon reeds betrokken bij de grensoverschrijdende uitwisseling van onder de algemene gehandicaptenexceptie voor leesgehandicapten omgezette werken. Op Europees niveau wordt door Dedicon samengewerkt in het kader van de European Trusted Intermediary Network (ETIN). Zij is daarnaast lid van het ter ondersteuning van het Leesgehandicaptenverdrag onder de WIPO vlag opgerichte Accessible Books Consortium («ABC») en is aangesloten bij de ABC Global Book Service (voorheen bekend als TIGAR Service). De ABC Global Book Service is een online catalogus waarin toegelaten entiteiten omgezette werken kunnen vinden en een verzoek kunnen indienen voor een bepaald omgezet werk. De Europese en het WIPO-initiatief om te komen tot praktische afspraken over grensoverschrijdende uitwisseling zijn complementair aan elkaar.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I Wijzigingen van de Auteurswet

A

Wijziging artikel 15c, derde lid, Aw

Op grond van artikel 15c, derde lid, zijn bepaalde bibliotheekvoorzieningen vrijgesteld van de betaling van de leenrechtvergoeding, indien zij op basis van de algemene gehandicaptenexceptie omgezette werken aan gehandicapten uitlenen. Met de wijziging wordt de vrijstelling van het betalen van de leenrechtvergoeding ook van toepassing op de uitlening van onder de leesgehandicaptenexceptie omgezette werken. Bibliotheekvoorzieningen die gebruik maken van deze vrijstelling zijn onder meer de Bibliotheekservice Passend Lezen, Stichting Dedicon, de Christelijke Bibliotheek voor Blinden en Slechtzienden, de provinciale ondersteuningsinstellingen en de lokale bibliotheken.

Daarnaast wordt in artikel 15c, derde lid, het begrip «publiek toegankelijke bibliotheekvoorziening» gewijzigd in het begrip «openbare bibliotheekvoorziening». Deze wijziging behelst een redactionele verbetering waarmee wordt aangesloten bij de terminologie van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen.

B

Wijziging artikel 15i, eerste lid, Aw

In aanvulling op de algemene gehandicaptenexceptie van artikel 15i van de Auteurswet wordt een nieuwe exceptie voor leesgehandicapten geïntroduceerd in artikel 15j van de Auteurswet. Deze wijziging verduidelijkt de onderlinge verhouding tussen de twee bepalingen. De leesgehandicaptenexceptie is onverkort van toepassing indien aan de voorwaarden van artikel 15j is voldaan. De algemene gehandicaptenexceptie is van toepassing op gevallen die buiten de reikwijdte van de leesgehandicaptenexceptie vallen. Zo zal de algemene gehandicaptenexceptie als vangnet blijven fungeren voor de verveelvoudiging of openbaarmaking van auteursrechtelijk beschermde werken ten behoeve van gehandicapten met een andere beperking dan een leeshandicap (bijvoorbeeld een auditieve beperking). Daarnaast geldt de leesgehandicaptenexceptie alleen voor het toegankelijk maken van gepubliceerd geschriften. Een gepubliceerd geschrift is een werk in de vorm van een boek, dagblad, krant, tijdschrift of ander soort geschrift, notaties met inbegrip van bladmuziek en daarmee samenhangende illustraties, op om het even welke drager, met inbegrip van audioformaten, dat wordt beschermd door het auteursrecht en dat is openbaar gemaakt (artikel 15m, onderdeel b). Op de algemene gehandicaptenexceptie van artikel 15i Aw kan bijvoorbeeld een beroep worden gedaan voor het toegankelijk maken van werken die niet zijn gepubliceerd of anderszins openbaar zijn gemaakt (zoals dagboekaantekeningen) of voor andere werken dan geschriften.

C

Nieuw artikel 15j Aw

Artikel 15j Auteurswet introduceert voor de handelingen die noodzakelijk zijn voor het vervaardigen van voor leesgehandicapten toegankelijke werken en het openbaar maken van aldus omgezette werken aan leesgehandicapten een nieuwe exceptie op het auteursrecht. Dit artikel vormt daarmee de kern van het wetsvoorstel. Het dient ter implementatie van artikelen 3 en 4 van de Leesgehandicaptenrichtlijn en artikel 3 van de Leesgehandicaptenverordening (die op hun beurt weer gebaseerd zijn op de artikelen 4 en 5 van het Leesgehandicaptenverdrag).

Lid 1

Onderdelen 1 en 2 (de vervaardiging van een omgezet werk)

Het eerste onderdeel van artikel 15j, eerste lid, maakt het mogelijk dat een leesgehandicapte (of een namens hem optredende persoon)10 een werk mag omzetten in een voor leesgehandicapten toegankelijke vorm zonder dat voor de verveelvoudiging die noodzakelijk is voor het omzetten toestemming van de rechthebbende vereist is. Het tweede onderdeel staat deze vervaardigingshandelingen toe voor toegelaten entiteiten.

Artikel 3 van de Leesgehandicaptenrichtlijn legt een drietal voorwaarden vast voor de vervaardiging van een exemplaar door een leesgehandicapte of toegelaten entiteit. Ten eerste dient de leesgehandicapte of de toegelaten entiteit rechtmatig toegang te hebben tot het gepubliceerde geschrift. De leesgehandicapte mag bij de vervaardiging van het exemplaar gebruik maken van de diensten van een derde. Het is dan niet noodzakelijk dat de namens de leesgehandicapte optredende persoon zelf rechtmatig toegang heeft tot het werk. Rechtmatige toegang voor de leesgehandicapte volstaat. Ten tweede moet het omgezette exemplaar bestemd zijn voor het uitsluitend gebruik door een leesgehandicapte. Ten derde dient de omzetting de integriteit van het werk te eerbiedigen, uiteraard met inachtneming van de veranderingen die nodig zijn om het werk in omgezette vorm toegankelijk te maken. Deze drie voorwaarden zijn overgenomen in het eerste, respectievelijk het tweede onderdeel van artikel 15j, eerste lid Auteurswet. Ten behoeve van de leesbaarheid van het eerste lid van artikel 15j is gekozen voor de formulering «de integriteit van het gepubliceerde geschrift zoveel mogelijk geëerbiedigd wordt» in plaats van de in de richtlijn gehanteerde formulering «de integriteit van het werk of ander materiaal eerbiedigt, met inachtneming van de veranderingen die nodig zijn om het werk of ander materiaal in de alternatieve vorm toegankelijk te maken».

De excepties voldoen aldus aan de zogenaamde driestappentoets van artikel 3, derde lid, van de richtlijn. De driestappentoets houdt in dat 1) de exceptie alleen mag gelden voor bepaalde bijzondere gevallen, 2) er geen afbreuk mag worden gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal, en 3) de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk mogen worden geschaad. De driestappentoets is een instructienorm voor de wetgever. Aangezien de toepassing van deze norm al besloten ligt in de voorwaarden die aan de inroepbaarheid van de exceptie worden gesteld is deze eis niet apart opgenomen in het eerste en tweede onderdeel van artikel 15j, eerste lid.

Onderdeel 3 (de openbaarmaking van een omgezet werk)

Artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Leesgehandicaptenrichtlijn en artikel 3 van de Leesgehandicaptenverordening bepalen dat toegelaten entiteiten de exemplaren in toegankelijke vorm die door hen zijn vervaardigd, aan leesgehandicapten en andere toegelaten entiteiten mogen mededelen, beschikbaar stellen, distribueren of uitlenen. In de Nederlandse Auteurswet vallen deze handelingen onder het begrip openbaar maken. Het openbaar maken van de omgezette werken mag ook plaatsvinden aan leesgehandicapten of toegelaten entiteiten in andere EU lidstaten of derde landen die partij zijn bij het Leesgehandicaptenverdrag. Door omgezette werken grensoverschrijdend te verspreiden, wordt voorkomen dat er dubbel werk wordt verricht bij de productie van exemplaren in toegankelijke vorm, wat besparingen en efficiëntiewinsten kan opleveren.

Het derde onderdeel van artikel 15j, eerste lid, bepaalt dat de openbaarmaking van een omgezet werk aan een leesgehandicapte of een toegelaten entiteit in een lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij het Leesgehandicaptenverdrag door een toegelaten entiteit geen inbreuk op het auteursrecht vormt indien de openbaarmaking aan twee voorwaarden voldoet. Ten eerste moet de openbaarmaking plaatsvinden met het oog op uitsluitend gebruik door een leesgehandicapte en ten tweede moet de openbaarmaking zonder winstoogmerk geschieden. De openbaarmaking is voorbehouden aan de toegelaten entiteiten (en niet aan leesgehandicapten of namens hen optredende personen). Toegelaten entiteiten mogen omgezette werken zowel openbaar maken aan individuele leesgehandicapten als andere toegelaten entiteiten. Door de grensoverschrijdende uitwisseling wordt het voor een Nederlandse toegelaten entiteit makkelijker gemaakt om bijvoorbeeld de Nederlandstalige collectie van omgezette werken die in Vlaanderen bestaat te ontsluiten voor gebruik door leesgehandicapten in Nederland. Daarnaast kan grensoverschrijdende uitwisseling ook spelen bij omgezette Engelstalige (studie)boeken. Door te spreken van een toegelaten entiteit gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie (in plaats van een toegelaten entiteit gevestigd in andere lidstaten van de Europese Unie) vallen ook de niet grensoverschrijdende uitwisselingen tussen Nederlandse toegelaten entiteiten onder de exceptie.

Lid 2

Artikel 15j, tweede lid, bepaalt dat niet bij overeenkomst kan worden afgeweken van de in het eerste lid genoemde leesgehandicaptenexceptie. Dit betekent bijvoorbeeld dat de bepalingen van een licentieovereenkomst onverbindend zijn als daarin staat dat voor de vervaardiging of de openbaarmaking van een voor leesgehandicapten toegankelijk exemplaar toestemming van de rechthebbende is vereist. Dit artikel implementeert daarmee artikel 3, vijfde lid, van de Leesgehandicaptenrichtlijn.

Lid 3

Artikel 3, zesde lid, van de Leesgehandicaptenrichtlijn laat aan de nationale wetgever de mogelijkheid om het gebruik van de leesgehandicaptenexceptie door toegelaten entiteiten de voorwaarde te verbinden van een billijke vergoeding voor rechthebbenden. Overweging 14 vermeldt dat om de begunstigden van de richtlijn niet te belasten, om de grensoverschrijdende verspreiding van omgezette werken niet te belemmeren en om het opleggen van buitensporige eisen aan toegelaten entiteiten te voorkomen, het belangrijk is dat de mogelijkheid voor de lidstaten om in compensatieregelingen te voorzien wordt beperkt. Als gevolg hiervan mogen in de compensatieregelingen geen betalingen door begunstigden worden vereist. Zij mogen alleen gelden voor vormen van gebruik door toegelaten entiteiten die gevestigd zijn op het grondgebied van de lidstaat die in een compensatieregeling voorzien en er mogen geen betalingen verlangd worden door toegelaten entiteiten die gevestigd zijn in andere lidstaten of derde landen die partij zijn bij het Leesgehandicaptenverdrag. Er mogen geen zwaardere vereisten worden gesteld aan de grensoverschrijdende uitwisseling van omgezette werken dan bij niet-grensoverschrijdende situaties het geval is, ook niet wat de vorm en de mogelijke hoogte van de compensatie betreft. Bij het bepalen van de hoogte van de compensatie moet naar behoren rekening worden gehouden met de niet-winstgevende aard van de activiteiten van de toegelaten entiteiten, de doelstellingen van het algemene belang van de richtlijn, de belangen van leesgehandicapten en de eventuele schade voor rechthebbenden. Indien de schade voor een rechthebbende minimaal is, mag er geen verplichting tot betaling van een compensatie ontstaan.

In paragraaf 5 van het algemeen deel is reeds vermeld dat over de billijke vergoeding overleg is gevoerd met de partijen die betrokken zijn bij de Regeling toegankelijke lectuur, te weten: het Nederlands Uitgeversverbond, de Koninklijke Bibliotheek en Stichting Dedicon, alsmede met de Bibliotheekservice Passend Lezen en de Christelijke Bibliotheken voor Blinden en Slechtzienden. Ook met de algemene belangenbehartigers voor blinden en slechtzienden, te weten: Koninklijke Visio en Bartiméus, is door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van gedachten gewisseld. Uit deze overleggen is naar voren gekomen dat niet wordt gehecht aan het voorschrijven van een billijke vergoeding. Wel zal met instemming van de voornoemde belanghebbenden in de wet worden geregeld dat bij AMvB een billijke vergoeding kan worden voorgeschreven. Daarvan zou gebruik kunnen worden gemaakt wanneer meer ervaring is opgedaan met de toepassing van de nieuwe exceptie in de praktijk. Uit overweging 14 van de richtlijn blijkt reeds dat terughoudend moet worden omgegaan met het invoeren van een billijke vergoeding. Het hanteren van een billijke vergoeding is een middel dat kan worden ingezet om te voldoen aan de derde stap van de eerder genoemde driestappentoets: het voorkomen dat de wettige belangen van rechthebbenden onredelijk worden geschaad (zie de toelichting op artikel 15j, eerste lid, onderdelen 1 en 2). De afweging of met de billijke vergoeding voldoende tegemoet wordt gekomen aan de wettige belangen van de rechthebbenden en zo wordt voorkomen dat deze onredelijk worden geschaad, is in eerste instantie een afweging die door de wetgever gemaakt moet worden. Het parlement zal op de hoogte worden gesteld van een dergelijk voornemen om te kunnen controleren of de betrokken belangen zorgvuldig tegen elkaar zijn afgewogen. De voorhangregeling is daarom van toepassing verklaard op de AMvB. Dit wordt geregeld in artikel 17d van de Auteurswet en zal in de Wet op de naburige rechten van overeenkomstige toepassing worden verklaard.

Nieuw artikel 15k Aw

Artikel 15k betreft de implementatie van de door artikel 4 van de Leesgehandicaptenrichtlijn en -verordening mogelijk gemaakte grensoverschrijdende invoer van voor leesgehandicapten omgezette werken. De richtlijn en verordening bepalen dat het mogelijk moet zijn voor een leesgehandicapte of een toegelaten entiteit om een omgezet werk in te voeren vanuit een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij het Leesgehandicaptenverdrag. Bij uitwisseling tussen toegelaten entiteiten die in verschillende lidstaten van de Europese Unie gevestigd zijn, verlaten de omgezette werken de interne markt niet. Artikel 4 van de richtlijn spreekt daarom van het mogen vervaardigen en toegang geven tot omgezette werken door toegelaten entiteiten, alsmede het toegang verkrijgen voor leesgehandicapten tot omgezette werken op de interne markt. Bij uitwisseling met landen buiten de Europese Unie die partij zijn bij het Leesgehandicaptenverdrag speelt de interne markt niet. Om die reden is in de verordening de uitvoer (artikel 3 verordening) en de invoer (artikel 4 verordening) in twee separate artikelen opgenomen.

Artikel 15k stelt geheel in lijn met artikel 4 van richtlijn en van de verordening buiten twijfel dat het invoeren van omgezette werken is toegestaan. Met een beroep op het auteursrecht kan aan de invoer dus geen halt worden toegeroepen. De term «invoer» is een communautair begrip. Het is uiteindelijk aan het Europees Hof van Justitie om hier een authentieke interpretatie aan te geven. Volledigheidshalve zij nog opgemerkt dat voor zover bij het uitvoeren van omgezette werken auteursrechtelijk relevante verveelvoudigings- of openbaarmakingshandelingen betrokken zijn, over de band van artikel 15j, eerste lid, onderdeel 3, wordt geregeld dat de toegelaten entiteit hiertoe zonder voorafgaande toestemming van rechthebbenden gerechtigd is. Van artikel 15k kan niet bij overeenkomst worden afgeweken.

Nieuw artikel 15l Aw

Artikel 15l ziet op de implementatie van de onder artikel 5 van de Leesgehandicaptenrichtlijn en -verordening genoemde verplichtingen die gelden voor toegelaten entiteiten die omgezette werken grensoverschrijdend willen uitwisselen. Deze verplichtingen zijn daarmee zowel van toepassing op toegelaten entiteiten die grensoverschrijdend werken openbaar maken, als toegelaten entiteiten die werken invoeren. De verplichtingen zien op het voorkomen van de ongeoorloofde verspreiding van werken en het verbeteren van de informatievoorziening over de omgezette werken voor zowel leesgehandicapten als rechthebbenden.

Lid 1

Ten eerste dient een toegelaten entiteit die grensoverschrijdend uitwisselt op vier punten zijn eigen beleid dient te hebben om te waarborgen dat zij:

  • 1. exemplaren in een voor leesgehandicapten toegankelijke vorm uitsluitend openbaar maakt aan leesgehandicapten of andere toegelaten entiteiten;

  • 2. passende maatregelen neemt om de ongeoorloofde verveelvoudiging of openbaarmaking van exemplaren in een voor leesgehandicapten toegankelijke vorm te ontmoedigen;

  • 3. getuigt van de nodige zorgvuldigheid bij, en registers bijhoudt van, de handelingen die zij uitvoert met gepubliceerde geschriften en met de exemplaren in een voor leesgehandicapten toegankelijke vorm daarvan; en

  • 4. op haar website, in voorkomend geval, of via andere online- of offlinekanalen, informatie publiceert en actualiseert over de manier waarop zij voldoet aan de verplichtingen genoemd onder punt 1 tot en met 3.

Deze vier verplichtingen sluiten aan bij de huidige Nederlandse praktijk zoals omschreven in paragraaf 4 en 5 van het algemeen deel. Uitgevers en leesgehandicaptenorganisaties maken reeds geruime tijd praktische afspraken over het toegankelijk maken van werken voor leesgehandicapten en de zorgvuldigheid die daarbij in acht genomen moet worden. Het is aan deze Nederlandse toegelaten entiteiten om in onderling overleg met elkaar en met de rechthebbenden deze praktijk voort te zetten. In de thans geldende Regeling toegankelijke lectuur wordt overigens al melding gemaakt van het Leesgehandicaptenverdrag.

Lid 2

Ten tweede zijn er verplichtingen voor een toegelaten entiteit die een omgezet werk grensoverschrijdend openbaar maakt om desgevraagd leesgehandicapten, rechthebbenden en andere toegelaten entiteiten de volgende informatie te verstrekken:

  • 1. de lijst met werken waarvan zij over exemplaren in toegankelijke vorm beschikken, alsmede de beschikbare vormen van deze exemplaren (bijvoorbeeld braille of groteletterdruk); en

  • 2. de naam en de contactgegevens van de toegelaten entiteiten waarmee zij deze exemplaren hebben uitgewisseld.

Het spreekt voor zich dat de toegelaten entiteiten deze informatie op een toegankelijke manier dienen te verstrekken.

Artikel 6(1) van de Leesgehandicaptenrichtlijn stelt dat de lidstaten de in hun lidstaat gevestigde toegelaten entiteiten die grensoverschrijdend willen uitwisselen, moeten aanmoedigen hun namen en contactgegevens vrijwillig aan hen mee te delen. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beschikt over de namen en contactgegevens van de organisaties die hebben aangegeven als toegelaten entiteit grensoverschrijdend te willen uitwisselen. Zodra de richtlijn en verordening van toepassing worden, zullen de volgende organisaties worden aangemeld bij de Europese Commissie: Stichting Dedicon, de Bibliotheekservice Passend Lezen en de Christelijke Bibliotheek voor Blinden en Slechtzienden.

Nieuw artikel 15m Aw

Ten behoeve van de leesbaarheid van de artikelen zijn in artikel 15m van de Auteurswet de definities van de vijf kernbegrippen uit de richtlijn en verordening opgenomen:

  • a. leesgehandicapte;

  • b. gepubliceerd geschrift;

  • c. omgezet werk;

  • d. toegelaten entiteit;

  • e. Leesgehandicaptenverdrag

Deze kernbegrippen bakenen de reikwijdte en het toepassingsgebied van de leesgehandicaptenexceptie af. Overeenkomstig het uitgangspunt bij implementatie worden in artikel 15m de definities van de richtlijn en verordening zo veel mogelijk gevolgd. Dit zorgt voor een getrouwe omzetting van de richtlijn en getrouwe uitvoering van de verordening. Wel is bij de aanduiding van de begrippen voor meer gangbare termen gekozen. Zo is het in de richtlijn en verordening gehanteerde begrip van «begunstigde» in de implementatiewet vervangen door «leesgehandicapte», is het begrip «werk of ander materiaal» in de Auteurswet vervangen door «gepubliceerd geschrift», is het begrip «exemplaar in toegankelijke vorm» in het kader van de leesgehandicaptenexceptie in de Auteurswet aangeduid met «omgezet werk » en wordt het «Verdrag van Marrakesh» in de Auteurswet aangeduid als het «Leesgehandicaptenverdrag».

Onderdeel a (begunstigde: wie is er leesgehandicapt?)

Artikel 2, tweede lid, van de richtlijn en de verordening definieert het begrip «begunstigde». Hiermee wordt de personele reikwijdte van de leesgehandicaptenexceptie aanduid. Het begrip geeft aan welke personen leesgehandicapte in de zin van de richtlijn en verordening zijn. Het begrip valt uiteen in vier categorieën:

  • 1. personen die blind zijn;

  • 2. personen met een visuele handicap die niet zodanig kan worden verbeterd dat zij het gezichtsvermogen krijgen dat wezenlijk gelijkwaardig is aan dat van een persoon zonder een dergelijke handicap en die ten gevolge daarvan niet in staat zijn in wezenlijk dezelfde mate als een persoon zonder een dergelijke handicap gedrukte werken te lezen;

  • 3. personen met een waarnemings- of leeshandicap, waardoor zij niet in wezenlijk dezelfde mate als personen zonder een dergelijke handicap in staat zijn gedrukte werken te lezen (uit overweging 7 van de Leesgehandicaptenrichtlijn volgt dat hierbij onder meer aan bepaalde vormen van dyslexie kan worden gedacht); en

  • 4. personen die ten gevolge van een fysieke handicap niet in staat zijn een boek vast te houden of te hanteren, dan wel scherp te zien of hun ogen te bewegen in een mate die gewoonlijk voor het lezen noodzakelijk wordt geacht.

Deze vier categorieën zijn in zijn geheel overgenomen in de definitie van het begrip «leesgehandicapte» in onderdeel a van artikel 15m.

Onderdeel b (gepubliceerd geschrift: welke werken mogen worden omgezet?)

Artikel 2, eerste lid, van de richtlijn en de verordening geeft het toepassingsgebied aan: welke werken mogen worden omgezet via de leesgehandicaptenexceptie. De richtlijn en verordening definiëren «werk of ander materiaal» als «werken in de vorm van een boek, dagblad, krant, tijdschrift of ander soort geschrift, notaties met inbegrip van bladmuziek en daarmee samenhangende illustraties, op om het even welke drager, met inbegrip van audioformaten, zoals luisterboeken en digitale formaten, dat wordt beschermd door het auteursrecht of naburige rechten en dat is gepubliceerd of op een andere geoorloofde wijze algemeen beschikbaar is gesteld». Ter implementatie van deze definitie is het begrip «gepubliceerd geschrift» opgenomen in artikel 15m, onder b, Auteurswet. Nu in de Auteurswet het werkbegrip centraal staat, is gekozen voor de benaming van gepubliceerd geschrift. De term «ander materiaal» duidt op nabuurrechtelijk beschermde prestaties en is als zodanig overgenomen in de Wet op de naburige rechten (zie artikel 10, onderdelen m, n en o Wnr). In artikel 15m, onder b, wordt gepubliceerd geschrift gedefinieerd als «een werk van letterkunde, wetenschap of kunst in de vorm van een boek, dagblad, krant, tijdschrift of ander soort geschrift, notaties met inbegrip van bladmuziek en daarmee samenhangende illustraties, op om het even welke drager, met inbegrip van audioformaten, dat wordt beschermd door het auteursrecht en dat is openbaar gemaakt».

Onderdeel c (omgezet werk: wat is een voor leesgehandicapten toegankelijk exemplaar?)

Artikel 2, derde lid, van de richtlijn en de verordening omschrijft het begrip «exemplaar in toegankelijke vorm» als een «een exemplaar van een werk of ander materiaal in een alternatieve vorm waarmee dat werk of dat andere materiaal voor een begunstigde toegankelijk wordt, onder meer om de toegang tot het werk voor die begunstigde even eenvoudig en gemakkelijk te maken als voor een persoon zonder een van de in punt 2 bedoelde handicaps». Ter implementatie van dit begrip in artikel 15m, onderdeel c, is in de Auteurswet gekozen voor de benaming «omgezet werk» zodat wordt aangesloten op de thans geldende systematiek en terminologie van de Auteurswet.

Onderdeel d (toegelaten entiteit: wie mag er ten behoeve van leesgehandicapten werken omzetten en deze openbaar maken?)

Artikel 2, vierde lid, van de richtlijn en de verordening omschrijft het begrip «toegelaten entiteit» als «een entiteit die door een lidstaat is gemachtigd of erkend om zonder winstoogmerk onderwijs, opleiding, aangepast lezen of toegang tot informatie aan begunstigden te bieden. Deze term omvat tevens openbare instellingen of organisaties zonder winstoogmerk die begunstigden dezelfde diensten aanbieden als een van hun hoofdactiviteiten, institutionele verplichtingen of in het kader van hun taken van openbaar belang».

Uit overweging 9 van de richtlijn volgt dat onder toegelaten entiteiten zowel openbare als private organisaties kunnen worden verstaan die in de behoeften van leesgehandicapten voorzien, met name bibliotheken, onderwijsinstellingen en andere organisaties zonder winstoogmerk, die leesgehandicapten bedienen als een van hun hoofdactiviteiten, institutionele verplichtingen of in het kader van hun taken van openbaar belang. Om te kunnen kwalificeren als toegelaten entiteit is geen nadere registratie bij de overheid vereist. Er is dus geen sprake van een specifiek toelatingsbesluit alvorens te kunnen optreden als toegelaten entiteit: een organisatie is reeds als toegelaten entiteit te kwalificeren uit hoofde van de taken die hij ten behoeve van leesgehandicapten uitvoert.

Om de grensoverschrijdende uitwisseling te bevorderen en de identificatie en onderlinge samenwerking van toegelaten entiteiten te vergemakkelijken is in artikel 6 van de richtlijn bepaald dat lidstaten de toegelaten entiteiten aanmoedigen om op vrijwillige basis hun contactgegevens mede te delen. Deze gegevens dienen te worden meegedeeld aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Overweging 11 geeft hierbij aan dat dit voor de lidstaten geen verplichting mag inhouden om te controleren of de verstrekte informatie volledig en juist is.

De Leesgehandicaptenrichtlijn en -verordening bepalen dat er door de lidstaten aan de toegelaten entiteiten geen registratieplicht mag worden opgelegd als voorwaarde voor het vervaardigen en verspreiden van omgezette werken. Wel moeten de toegelaten entiteiten zodra zij grensoverschrijdend willen gaan uitwisselen aan bepaalde verplichtingen voldoen met het oog op een betere beschikbaarheid van exemplaren in toegankelijke vorm en ter voorkoming van de illegale verspreiding van werken of ander materiaal (zie voor deze verplichtingen de artikelsgewijze toelichting bij artikel 15l). In Nederland hebben Stichting Dedicon, de Bibliotheekservice Passend Lezen en de Christelijke Bibliotheek voor Blinden en Slechtzienden al aangegeven als toegelaten entiteit grensoverschrijdend omgezette werken te willen uitwisselen.

Onderdeel e (Leesgehandicaptenverdrag)

Vanwege de leesbaarheid wordt in het wetsvoorstel het Verdrag van Marrakesh tot bevordering van de toegang tot gepubliceerde werken voor personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben aangeduid als het Leesgehandicaptenverdrag.

D

Wijziging artikel 16g Aw

Artikel 16g regelt dat voor de beslechting van geschillen inzake vergoedingen die aan een exceptie zijn verbonden, de rechtbank Den Haag bij uitsluiting bevoegd is. Zo zijn de geschillen omtrent de billijke vergoeding bij de algemene gehandicaptenexceptie van artikel 15i thans al geconcentreerd bij de rechtbank Den Haag. Het ligt daarom voor de hand dat de rechtbank Den Haag ook bevoegd wordt verklaard om bij uitsluiting te beslissen over geschillen over de vergoeding op grond van de leesgehandicaptenexceptie. Ten overvloede zij hier opgemerkt dat dit wetsvoorstel weliswaar voorziet in de mogelijkheid om bij AMvB een vergoeding voor te schrijven maar dat er in overleg met het veld van af wordt gezien om daar nu gebruik van te maken.

E

Wijziging artikel 17d Aw

In artikel 15j, derde lid, wordt een grondslag gecreëerd om bij AMvB een billijke vergoeding voor rechthebbenden voor te schrijven. In artikel 29a, vijfde lid, wordt een grondslag gecreëerd om bij AMvB ervoor te zorgen dat leesgehandicapten de nodige middelen worden verschaft om, ondanks de technische beveiliging, van de leesgehandicaptenexceptie in de praktijk gebruik te kunnen maken. Overeenkomstig artikel 17d zal een AMvB vastgesteld op basis van artikel 15j, derde lid, of artikel 29a, vijfde lid, niet eerder in werking treden dan acht weken nadat de desbetreffende AMvB in het Staatsblad is gepubliceerd en het parlement hiervan onverwijld op de hoogte is gebracht. Zo zullen beide Kamers tijdig worden geïnformeerd en hebben zij een extra controlemogelijkheid ter beschikking in het geval in de toekomst een AMvB die nadere regels stelt over de billijke vergoeding of het opheffen van een technische beschermingsmaatregelen wordt vastgesteld.

F

Nieuw artikel 29a, vijfde lid, Aw

Artikel 3, vierde lid, van de Leesgehandicaptenrichtlijn bepaalt dat de technische beschermingsmaatregelen verwijderd kunnen worden die het gebruik van de leesgehandicaptenexceptie verhinderen (bekend onder de Engelse afkorting «TPM's»; bijvoorbeeld een encryptie of een kopieerbeveiliging). De lidstaten hebben namelijk de verplichting om ervoor te zorgen dat de toepassing van TPM’s niet mag verhinderen dat leesgehandicapten de leesgehandicaptenexceptie kunnen toepassen. Artikel 29a, vijfde lid, Auteurswet dient ter implementatie van artikel 3, vierde lid van de richtlijn. Op basis van dit artikel kunnen, indien noodzakelijk, rechthebbenden worden verplicht (via een AMvB) ervoor te zorgen dat leesgehandicapten de nodige middelen worden verschaft om, ondanks de technische beveiliging, van de betreffende wettelijke exceptie in de praktijk gebruik te kunnen maken. Dit artikel voorziet thans al in een dergelijke regeling voor de algemene gehandicaptenexceptie. Tot op heden is de noodzaak voor het opstellen van een dergelijke AMvB niet gebleken. Naar verwachting zal dit evenmin nodig zijn voor de specifieke leesgehandicaptenexceptie. Nieuw is dat voor de leesgehandicaptenexceptie de mogelijkheid om bij AMvB in te grijpen ten aanzien van TPM’s ook geldt indien de werken op contractuele voorwaarden aan hen beschikbaar worden gesteld op een door hen individueel gekozen tijd en plaats. Hierbij kan gedacht worden aan digitale werken die via internet worden aangeschaft.

Artikel II Wijziging van de Wet op de naburige rechten

De Leesgehandicaptenrichtlijn en -verordening zijn gelijkelijk van toepassing op het auteursrecht en de naburige rechten. In de Wet op de naburige rechten wordt de regeling van de Auteurswet daarom van overeenkomstige toepassing verklaard voor zover het gaat om de omzetting van door de Wet op de naburige rechten beschermd materiaal in een voor leesgehandicapten toegankelijke vorm. Het onderhavige wetsvoorstel implementeert de leesgehandicaptenexceptie onder de excepties van artikel 10 van de Wet op de naburige rechten (in de onderdelen m, n en o) waarbij de regeling van artikel 15j e.v. Auteurswet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.

Artikel III Wijziging van de Databankenwet

Leesgehandicapten kunnen ook drempels ervaren bij de toegang tot databanken. Artikel 3 van de Leesgehandicaptenrichtlijn geeft daarom aan dat er moet worden voorzien in een uitzondering zodat geen toestemming is vereist van de rechthebbende op werk of materiaal dat is beschermd door artikel 5 en 7 van de Databankenrichtlijn (Richtlijn 96/9/EG). Om die reden is bepaald dat de leesgehandicaptenexceptie van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op het databankenrecht sui generis.

Voor de toelichting op de wijziging van de Databankenwet wordt verwezen naar de toelichting op de van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen van de Auteurswet.

Artikelen IV en V Slotbepalingen

Deze artikelen regelen respectievelijk de inwerkingtreding en de citeertitel.

De wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Er kan worden afgeweken van de vaste verandermomenten omdat er sprake is van implementatie van een richtlijn en uitvoering van een verordening. De Leesgehandicaptenrichtlijn moet uiterlijk 11 oktober 2018 in nationale wetgeving worden geïmplementeerd. De Leesgehandicaptenverordening is met ingang van 12 oktober 2018 van toepassing. Het voorstel is niet referendabel op grond van artikel 5, onder e, van de Wet raadgevend referendum, nu het voorstel uitsluitend implementatie en uitvoering betreft.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker

Bijlage: Transponeringstabel

Transponeringstabel behorende bij Richtlijn (2017/1564) van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2017 inzake bepaalde toegestane vormen van gebruik van door auteursrechten en naburige rechten beschermde werken en ander materiaal ten behoeve van personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben, en tot wijziging van Richtlijn 2001/29/EG betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PbEU L242/6), alsmede de Verordening (2017/1563) van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2017 inzake de grensoverschrijdende uitwisseling tussen de Unie en derde landen van exemplaren in toegankelijke vorm van bepaalde door het auteursrecht en naburige rechten beschermde werken en ander materiaal ten behoeve van personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben (PbEU L242/1)

Bepaling Leesgehandicaptenrichtlijn (en waar aangegeven de Leesgehandicaptenverordening)

Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling:

Toelichting indien niet geïmplementeerd of naar zijn aard geen implementatie behoeft1

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte

Artikel 1

Behoeft geen implementatie

Bepaling bevat doelomschrijving

Geen beleidsruimte

 

Artikel 2, eerste lid

Artikel 15m, onderdeel b, Aw

Artikel 15m is van overeenkomstige toepassing verklaard op de Wnr en Dbw in artikel 10, onderdelen m, n en o, Wnr en artikel 5, tweede lid, Dbw

Geen beleidsruimte

 

Artikel 2, tweede lid

Artikel 15m, onderdeel a, Aw

Artikel 15m is van overeenkomstige toepassing verklaard op de Wnr in artikel 10, onderdelen m, n en o, Wnr en op de Dbw in artikel 5, tweede lid, Dbw

Geen beleidsruimte

 

Artikel 2, derde lid

Artikel 15m, onderdeel c, Aw

Artikel 15m is van overeenkomstige toepassing verklaard op de Wnr in artikel 10, onderdelen m, n en o, Wnr en op de Dbw artikel 5, tweede lid, Dbw

Geen beleidsruimte

 

Artikel 2, vierde lid

Artikel 15m, onderdeel d, Aw

Artikel 15m is van overeenkomstige toepassing verklaard op de Wnr in artikel 10, onderdelen m, n en o, Wnr en op de Dbw in artikel 5, tweede lid, Dbw

Geen beleidsruimte

 

Artikel 3, eerste en tweede lid

Artikel 15j, eerste lid, Aw, artikel 10, onderdelen m en n, Wnr

Artikel 15j Aw is van overeenkomstige toepassing verklaard op de Dbw in artikel 5, tweede lid, Dbw

Geen beleidsruimte

 

Artikel 3, derde lid

Behoeft geen nadere implementatie

De driestappentoets is een instructienorm voor de wetgever; de toepassing van deze norm ligt besloten in de voorwaarden die aan de inroepbaarheid van de exceptie worden gesteld (zie ook de omzetting van richtlijn 2001/29/EG)

Geen beleidsruimte

 

Artikel 3, vierde lid

Artikel 29a, vijfde lid, Aw, artikel 19a, vierde lid, Wnr, artikel 5a, vierde lid, Dbw

Geen beleidsruimte

 

Artikel 3, vijfde lid

Artikel 15j, tweede lid, Aw en artikel 15k Aw

Artikel 15, tweede lid, Aw is van overeenkomstige toepassing verklaard op de Wnr in artikel 10, onderdelen m en n, Wnr en op de Dbw in 5, tweede lid, Dbw

Geen beleidsruimte

 

Artikel 3, zesde lid

Artikel 15j, derde lid, Aw

Artikel 15j, derde lid, Aw is van overeenkomstige toepassing verklaard op de Wnr in artikel 10, onderdelen m en n, Wnr en op de Dbw in 5, tweede lid, Dbw

De richtlijn laat de nationale wetgever de keuze om aan de inroepbaarheid van de leesgehandicaptenexceptie de voorwaarde te verbinden van een billijke vergoeding voor rechthebbenden.

Er zal een grondslag worden gecreëerd in de wet om bij AMvB een vergoeding voor te schrijven indien de situatie daar aanleiding toe geeft. Vooralsnog is daar geen aanleiding toe (zie artikelsgewijze toelichting bij artikel 15j, derde lid)

Artikel 4, eerste volzin, Rl en artikel 3 Vo

Artikelen 15j, eerste lid, onderdeel 3, Aw en artikel 10, onderdeel n, Wnr

Artikel 15j Aw is van overeenkomstige toepassing verklaard op de Dbw in artikel 5, tweede lid, Dbw

Geen beleidsruimte

 

Artikel 4, tweede volzin, Rl en artikel 4 Vo

Artikel 15k Aw en artikel 10, onderdeel o, Wnr

Artikel 15k Aw is van overeenkomstige toepassing verklaard op de Dbw in artikel 5, tweede lid, Dbw

Geen beleidsruimte

 

Artikel 5 Rl en Vo

Artikel 15l Aw

Artikel 15l is van overeenkomstige toepassing verklaard op de Wnr in artikel 10, onderdelen m, n en o, Wnr en op de Dbw in artikel 5, tweede lid, Dbw

Geen beleidsruimte

 

Artikel 6

Behoeft geen implementatie

Betreft feitelijk handelen van de centrale overheid zonder dat derden daarop aanspraak hoeven te kunnen maken

Geen beleidsruimte

 

Artikel 7

Behoeft geen nadere implementatie

Bepaling is reeds geïmplementeerd in Wet bescherming persoonsgegevens

Geen beleidsruimte

 

Artikel 8

Artikel 15i Aw en artikel 10, onder i, Wnr

Geen beleidsruimte

 

Artikel 9–13

Behoeven geen implementatie

Betreft standaard slotbepalingen inzake verslag, evaluatie, omzetting en inwerkingtreding

Geen beleidsruimte

 
X Noot
1

De volgende afkortingen worden in deze kolom gebruikt: Auteurswet (Aw), de Wet op de naburige rechten (Wnr) en de Databankenwet (Dbw).