Gepubliceerd: 6 februari 2018
Indiener(s): Arie Slob (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU)
Onderwerpen: cultuur en recreatie media
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34872-6.html
ID: 34872-6

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 6 februari 2018

Algemeen

Ik dank de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de schriftelijke inbreng bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met maximering van het aantal regionale publieke media-instellingen. In onderstaande beantwoording wordt de indeling van het verslag van de commissie gevolgd.

Inleiding

De leden van de CDA-fractie laten weten een onderbouwing te missen van de noodzaak om nu – en met terugwerkende kracht – het aantal regionale publieke media-instellingen (rpmi’s) per provincie te maximeren. Deze leden vragen de regering wat de reden hiertoe is. Zijn er concrete aanwijzingen dat er aanvragen zijn om een rpmi te vormen? Zo ja, in welke provincie(s) zijn hiertoe initiatieven genomen, zo vragen zij.

De regering heeft vernomen dat in de provincie Groningen nog een gegadigde belangstelling heeft om te worden aangewezen als rpmi, maar ook los daarvan acht zij het niet wenselijk dat het huidige aantal rpmi’s wordt uitgebreid.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering in de toekomst ruimte ziet voor meer budget voor de versterking van regionale omroepen. Regionale omroepen zijn van grote waarde voor de democratische controle en nieuwsvoorziening in de betreffende regio, dus zou het, volgens deze leden, van belang zijn hen uit te rusten met voldoende budget. Zij vragen de regering hier een nadere onderbouwing bij.

In het regeerakkoord heeft het kabinet het belang onderschreven van een stevige publieke omroep op alle schaalniveaus en voldoende onafhankelijk journalistiek aanbod op lokaal en regionaal niveau. Dit kabinet wil de journalistieke informatievoorziening op lokaal en regionaal niveau versterken langs drie lijnen: samenwerking (publiek en privaat), organisatie en financiering van de lokale omroepen en extra geld voor onderzoeksjournalistiek. Daarnaast trekt het kabinet geld uit voor de bevordering van onderzoeksjournalistiek. Na de bezuinigingen in de vorige kabinetsperiode is de budgettaire situatie van de mediabegroting echter zodanig dat structurele extra middelen voor de regionale omroep niet beschikbaar zijn.

Huidige regels aanwijzing

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of er in de huidige praktijk signalen zijn dat er een situatie ontstaat dat er in meerdere regio’s verschillende regionale mediaomroepen meedingen naar subsidie.

Ja, zoals hiervoor naar aanleiding van een vraag van de leden van de CDA-fractie is opgemerkt, heeft de regering vernomen dat in ieder geval in de provincie Groningen nog een gegadigde belangstelling heeft om te worden aangewezen als rpmi.

Voorstel

De leden van de CDA-fractie vragen waarom eerder wel in de wet is opgenomen dat er per gemeente maar één publieke media-instelling kan worden aangewezen, maar dat destijds de rpmi’s daarin niet zijn meegenomen.

De inwerkingtreding van de Mediawet 2008 op 1 januari 2009 betekende voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal en lokaal niveau bestendiging van de situatie. Voor de lokale publieke media-instellingen gold al een wettelijke beperking van één lokale publieke media-instelling per gemeente. Voor de regionale publieke media-instellingen was echter nog een ander wettelijk systeem van toepassing. Sinds 1 januari 2006 berustte de verantwoordelijkheid voor de bekostiging van regionale publieke media-instellingen bij de provincies (Stb. 2005, 236). Zij hadden uit dien hoofde de zorgplicht om financieel zorg te dragen voor het functioneren van ten minste één rpmi in de provincie. Een rpmi werd volgens de wet echter alleen aangewezen door het Commissariaat indien provinciale staten zich bereid hadden verklaard voor de bekostiging ervan zorg te dragen.

De leden van de fractie van het CDA vragen verder een nadere toelichting op de procedure die het Commissariaat hanteert op het moment dat er in een provincie meer dan één aanvraag voor een rpmi aan de eisen voldoet. Is tegen een besluit van het Commissariaat beroep of bezwaar mogelijk, zo vragen de genoemde leden.

Het is mogelijk dat meerdere instellingen aan de wettelijke eisen voldoen om aangewezen te kunnen worden als rpmi. Op grond van artikel 2.61, tweede lid, van de Mediawet 2008 komen instellingen voor aanwijzing in aanmerking die: (1) rechtspersoon naar Nederlands recht zijn met volledige rechtsbevoegdheid, (2) – kort samengevat – statutair als doel hebben het uitvoeren van de publieke media-opdracht op regionaal niveau, en (3) een representatief orgaan hebben dat het beleid voor het media-aanbod bepaalt. Volgens artikel 2.61, derde lid, van de Mediawet 2008 adviseren provinciale staten van de desbetreffende provincie of een instelling voldoet aan bovengenoemde wettelijke eisen. Indien er meerdere instellingen zijn die een aanvraag hebben ingediend én aan de eisen van artikel 2.61, eerste lid, voldoen, dient er door het Commissariaat een keuze te worden gemaakt. Het voorgestelde tweede lid van artikel 2.62 bepaalt dat het Commissariaat bij deze keuze acht slaat op alle factoren die voor het functioneren van de instelling van belang kunnen zijn. Vanwege het belang van het realiseren van gelijke kansen dient het Commissariaat bij zijn besluitvorming een transparante en non-discriminatoire procedure te voeren, waaronder het op passende wijze informeren van potentiële gegadigden over het beschikbaar komen van de aanwijzing, over het aanvraagtijdvak, en over de te hanteren criteria. Daarbij kan het Commissariaat desgewenst advies vragen, bijvoorbeeld aan de Stichting RPO of aan de betrokken provincie. Uiteraard staat conform de Algemene wet bestuursrecht de mogelijkheid van bezwaar en beroep open tegen een besluit van het Commissariaat over de aanwijzing van een rpmi.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of het huidige Commissariaat voldoende is uitgerust om een transparante en non-discriminatoire procedure te starten indien het geval zich voordoet dat (met uitzondering van Zuid-Holland) er meer dan één kandidaat-rpmi is. Tevens vragen zij waarom is gekozen voor de termijn van vijf jaar, en wat de gevolgen van deze termijn zijn voor de continuïteit van omroepen. De leden vragen wat de consequenties inhouden als een rpmi tussentijds moet stoppen. Graag ontvangen de leden hierbij een toelichting.

Het Commissariaat heeft ervaring met de situatie bij de lokale omroepen, waar ook maar één instelling kan worden aangewezen. De bepalingen voor de aanwijzing van lokale publieke media-instellingen zijn volgens het Commissariaat in de praktijk goed werkbaar. De verwachting is dan ook dat de voorgestelde bepalingen over de aanwijzing van regionale publieke media-instellingen eveneens goed uitvoerbaar zijn. Sinds jaar en dag krijgen regionale omroepen, net als lokale omroepen, een aanwijzing voor vijf jaar. Zij dienen dus elke vijf jaar een nieuwe aanwijzing aan te vragen. De continuïteit is nooit problematisch geweest. Wanneer een rpmi tussentijds stopt, is die plek beschikbaar voor aanwijzing van een nieuwe gegadigde.

Artikelsgewijs deel, artikel I (artikel 2.62 Mediawet 2008)

De leden van de VVD-fractie merken op dat de regering met deze wetswijziging een stevige regionale mediadienst, met een hoogwaardig media-aanbod, waarvan onafhankelijke journalistiek een essentieel onderdeel uitmaakt, beoogt. De leden onderschrijven deze eigenschappen voor de regionale publieke omroepen maar vragen of de kwaliteit van het media-aanbod hoog blijft wanneer er geen concurrenten zijn. Graag ontvangen zij een toelichting van de regering.

Het feit dat maar één rpmi per provincie kan worden aangewezen betekent niet dat er geen sprake is van concurrentie. Immers kan zich de situatie voordoen dat meerdere gegadigden zich melden voor dezelfde aanwijzing. Verder is er naast een regionale publieke media-instelling uiteraard ruimte voor commerciële initiatieven. Bij de uitvoering van de publieke media-opdracht op regionaal niveau gaat het om optimale informatievoorziening met kwalitatief hoogwaardig media-aanbod. Die is niet gebaat bij versnippering van de beperkt beschikbare middelen over meerdere instellingen. De spoeling wordt dan immers voor alle regionale omroepen dunner en dat betekent een risico voor het handhaven van een kwalitatief goede informatievoorziening. De regionale informatievoorziening is veel meer gebaat bij samenwerking, dan bij versnippering. Daarom is er ook een nieuwe bestuursstructuur voor de regionale publieke omroep gekomen, waarbij de regionale omroepen meer samenwerken onder coördinatie van de RPO.

De leden van de fractie van de VVD vragen de regering nader in te gaan op de situatie waarin in een provincie meer dan één rmpi voldoet aan de eisen voor aanwijzing. De regering schrijft dat in dat geval moet worden bevorderd dat de betreffende instellingen samengaan en indien dit niet haalbaar blijkt te zijn, een keuze gemaakt moet worden door het Commissariaat over welke instelling wordt aangewezen. Wat zou dit betekenen voor de instelling die niet wordt aangewezen? Zou deze een private media-instelling kunnen worden, die verantwoordelijk is voor de eigen inkomsten?

Anders dan de leden stellen, bepaalt de voorgestelde regeling niet dat wordt bevorderd dat meerdere gegadigden samengaan. Verder is het aan een instelling die niet wordt aangewezen om te bepalen hoe verder te gaan. Als de instelling een commerciële mediadienst wil verzorgen moet daarvoor op grond van de Mediawet 2008 toestemming worden gevraagd aan het Commissariaat.

Ook zouden de leden van de VVD-fractie graag horen of de allocatie van vijf jaar betekent dat een andere instelling na deze vijf jaar de accreditatie als rpmi zou kunnen overnemen. Graag ontvangen de leden een toelichting van de regering.

Ja. De aanwijzing geldt voor vijf jaar. Voor een volgende periode geldt een nieuwe aanvraagronde. Daarbij is het mogelijk dat in een provincie meer dan één instelling voldoet aan de eisen voor aanwijzing. Dan moet er een keuze worden gemaakt, waarbij alle potentiële gegadigden gelijke kansen hebben.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob