Gepubliceerd: 27 januari 2018
Indiener(s): Arie Slob (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU)
Onderwerpen: cultuur en recreatie media
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34872-3.html
ID: 34872-3

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen deel

Inleiding

Dit voorstel tot wijziging van de Mediawet 2008 strekt ertoe dat op korte termijn de regels voor de aanwijzing van regionale publieke media-instellingen (rpmi’s) zodanig worden gewijzigd dat het aantal rpmi’s in Nederland wordt gemaximeerd op het huidige aantal per provincie.

Deze maatregel en de snelle invoering daarvan zijn noodzakelijk. Voorop staat het belang van een stevige regionale publieke mediadienst, met een kwalitatief hoogwaardig media-aanbod, waarvan onafhankelijke journalistiek een essentieel onderdeel uitmaakt. Met dit belang is onverenigbaar dat het beperkt beschikbare budget wordt verdeeld over meer rpmi’s dan op dit moment zijn aangewezen.

De regionale publieke omroep in Nederland heeft een geschiedenis van meer dan 70 jaar. In Limburg startten in 1945 de eerste regionale radiouitzendingen. Geleidelijk werden ook in andere provincies regionale instellingen opgericht. De laatste toevoeging was in Zeeland, waar in 1990 met regionale uitzendingen werd gestart. Op die manier is in elke provincie één instelling tot stand gebracht. Alleen in Zuid-Holland zijn twee rpmi’s actief, een in die provincie historisch gegroeide situatie. Er bestaat dus al jarenlang een status quo van dertien rpmi’s.

Met ingang van 1 januari 2014 is de bekostiging van deze instellingen overgeheveld van de provincies naar het Rijk.1 Rpmi’s hebben volgens artikel 2.143 Mediawet 2008 aanspraak op bekostiging die een kwalitatief hoogwaardig media-aanbod mogelijk maakt en waardoor continuïteit van de financiering is gewaarborgd. De realiteit is dat het beschikbare budget beperkt is. Sinds de centralisering van de bekostiging wordt de rijksbijdrage verdeeld over de dertien aangewezen instellingen volgens een procentuele verdeelsleutel die is opgenomen in het Mediabesluit 2008. De Mediawet 2008 bevat echter nog steeds een bepaling die aanwijzing van meer dan één rpmi per provincie toelaat.

Huidige regels aanwijzing

Het Commissariaat voor de Media (Commissariaat) kan op grond van artikel 2.61, eerste lid, Mediawet 2008 rpmi’s aanwijzen. Het tweede lid van artikel 2.61 bepaalt aan welke vereisten een instelling moet voldoen om te kunnen worden aangewezen. Voor aanwijzing komen in aanmerking instellingen die: (1) rechtspersoon naar Nederlands recht met volledige rechtsbevoegdheid zijn, (2) – kort gezegd – statutair als doel hebben het uitvoeren van de publieke media-opdracht op regionaal niveau, en (3) een representatief orgaan hebben dat het beleid voor het media-aanbod bepaalt. Volgens artikel 2.61, derde lid, geschiedt aanwijzing nadat provinciale staten van de desbetreffende provincie hebben geadviseerd over de vraag of de instelling voldoet aan de eisen van artikel 2.61, tweede lid. Budgettaire overwegingen spelen daarbij geen rol. Daarnaast bepaalt het huidige artikel 2.62 Mediawet 2008 dat per provincie ten minste één rpmi wordt aangewezen voor zover door één of meer instellingen uit de desbetreffende provincie een aanvraag voor een aanwijzing is ingediend. Daarmee is de toekenning van een aanvraag tot aanwijzing als rpmi naast de bestaande rpmi’s een reële mogelijkheid. Volgens artikel 2.65, eerste lid, Mediawet 2008, gebeurt een aanwijzing op aanvraag, geldt de aanwijzing voor een periode van vijf jaar en vervalt zij van rechtswege na afloop van deze periode.

Voorstel

Voorgesteld wordt dat voortaan per provincie maximaal één rpmi kan worden aangewezen. De historisch gegroeide afwijkende situatie in Zuid-Holland wordt geëerbiedigd. Daar wordt aanwijzing van twee rpmi’s het maximum. Voor de formulering van het nieuwe artikel 2.62, eerste lid, is aangesloten bij de bepaling over de aanwijzing door het Commissariaat van lokale publieke media-instellingen in artikel 2.63, tweede lid. Voor de lokale instellingen geldt namelijk al dat per gemeente maar één publieke media-instelling kan worden aangewezen. De bepaling draagt het Commissariaat op om acht te slaan op alle factoren die voor het functioneren van de instelling van belang kunnen zijn. In dit kader kan het voor het Commissariaat gewenst zijn om ten behoeve van de voorbereiding van het besluit advies te vragen aan relevante partijen, zoals de betrokken provincie of de Stichting Regionale Publieke Omroep (RPO).

Het voorstel brengt verder met zich mee dat zich de situatie kan voordoen dat in een provincie meer dan één instelling voldoet aan de eisen voor aanwijzing en dat een keuze moet worden gemaakt. Daarbij is van belang dat gelijke kansen worden gerealiseerd voor alle potentiële gegadigden. Het Commissariaat dient derhalve ten behoeve van zijn besluitvorming een transparante en non-discriminatoire procedure te voeren.

Een aanwijzing als rpmi geldt voor vijf jaar (artikel 2.65, eerste lid). De Mediawet 2008 bevat geen voorschriften over het moment waarop een aanwijzing ingaat, en verder kan volgens de huidige wet een aanvraag voor aanwijzing als rpmi door een nieuwe gegadigde op elk moment worden ingediend. Dit maakt dat voor dit wetsvoorstel niet alleen wordt gestreefd naar spoedige inwerkingtreding, maar ook dat het noodzakelijk wordt geacht aan de wetswijziging, wanneer zij in werking is getreden, terugwerkende kracht te verlenen. Zie hierover verder de artikelsgewijze toelichting bij artikel II.

Het Commissariaat is over de voorgenomen wijziging en de aanpak daarvan geconsulteerd. Volgens het Commissariaat is het voorstel naar verwachting uitvoerbaar. Het Commissariaat heeft opgemerkt dat de bepalingen over de aanwijzing van lokale publieke media-instellingen – per gemeente kan maar één publieke media-instelling worden aangewezen – in de praktijk goed werkbaar zijn.

Het Interprovinciaal Overleg (IPO) stelt geen oordeel te willen geven over het maximeren van het aantal rpmi’s. Volgens het IPO is het aan de Minister en aan het Commissariaat om een oordeel te vellen over het maximum aantal publieke media-instellingen en om zorg te dragen voor een effectieve inzet van middelen. De RPO heeft laten weten zich te kunnen vinden in het haar voorgelegde voorstel.

Artikelsgewijs deel

Artikel I (artikel 2.62)

Aangesloten wordt bij de regeling voor de lokale publieke media-instellingen. Het eerste lid maakt duidelijk dat per provincie maar één rpmi kan worden aangewezen. Het tweede lid bevat de bepaling die de situatie in Zuid-Holland eerbiedigt: in die provincie kunnen maximaal twee rpmi’s worden aangewezen. Er is geen aanleiding om deze bestaande situatie te doorbreken. Ook bij een aanwijzing in Zuid-Holland geldt uiteraard het voorschrift van het eerste lid dat het Commissariaat acht slaat op alle factoren die voor het functioneren van de aan te wijzen instelling van belang kunnen zijn.

Artikel II (inwerkingtredingsbepaling)

De urgentie van de invoering van de voorgestelde wijziging is groot. Voorop staat het belang van een kwalitatief hoogwaardig media-aanbod door de regionale publieke mediadienst. Het beperkt voorhanden budget is een gegeven, zodat uitbreiding van het aantal aangewezen rpmi’s onwenselijk is. Toevoeging van rpmi’s zou versnippering van het budget betekenen. Daarbij is indiening van een aanvraag tot aanwijzing als rpmi op elk moment mogelijk.

De urgentie leidt ertoe dat is gekozen voor inwerkingtreding met voorbijgaan aan het beleid over de vaste verandermomenten, en dat een beroep wordt gedaan op de uitzonderingsbepaling van de Wet raadgevend referendum. Verder wordt het noodzakelijk geacht aan de voorgenomen wijziging, wanneer zij in werking treedt, terugwerkende kracht te verlenen. Daarvoor is aansluiting gezocht bij de beleidslijn over terugwerkende kracht in fiscale regelgeving.2 Volgens deze beleidslijn zijn bij het toekennen van terugwerkende kracht aan belastende fiscale maatregelen twee aspecten van belang: de rechtvaardiging van de terugwerkende kracht enerzijds en de periode van terugwerkende kracht anderzijds. De rechtvaardiging van de terugwerkende kracht is voor dit wetsvoorstel gebaseerd op de urgentie zoals hierboven omschreven. Wat betreft de periode van de terugwerkende kracht: deze wordt beperkt tot het moment waarop van de betrokkenen redelijkerwijs kan worden gevergd dat zij met de verandering in de regelgeving rekening konden houden. Uitgangspunt daarbij is dat de wetswijziging niet verder terugwerkt dan tot het moment waarop van regeringswege het voornemen tot de wijziging publiek is gemaakt. Hier is gekozen voor bekendmaking door middel van een persbericht. Dit is een wijze van bekendmaking die wordt erkend in de eerder genoemde beleidslijn.3 Snel handelen was geboden nu de huidige wet indiening van een aanvraag tot aanwijzing als rpmi op elk moment mogelijk maakt en met het oog op de ongewenste effecten van een extra aanwijzing (versnippering van het budget). Deze overweging leidde tot het uitbrengen van het persbericht op 15 december 2017. Gelet hierop is het voorstel om de voorgenomen wijziging na inwerkingtreding terugwerkende kracht te verlenen tot en met 16 december 2017.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob