Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 19 mei 2016

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.

Inhoudsopgave

blz.

   

Algemeen

1

1.

Inleiding

2

2.

Voorgestelde wijziging in betrokkenheid van ouders bij het handelingsdeel

3

3.

Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

7

4.

Internetconsultatie

7

5.

Financiële gevolgen

8

6.

Administratieve lasten

8

Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben met enige twijfels kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij benadrukken het belang van een goede samenwerking en verstandhouding tussen ouders en school voor de leerling. De inspraak van ouders en leerling moet een belangrijke rol hebben als het om het vormgeven van het onderwijs gaat. Echter, de voornoemde leden hechten ook aan een correcte en heldere rolverdeling en zij waken voor de professionele ruimte en vrijheid van docenten. Zij hebben daarom nog een aantal vragen aan de regering.

De leden van de PvdA-fractie zijn verheugd dat zij nu eindelijk het wetsvoorstel onder ogen krijgen, waar de Kamer op 16 april 2013 naar had gevraagd met het aannemen van de motie van het lid Ypma1.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel dat uitvoering geeft aan de motie van het lid Ypma2 die door deze leden mede is ondertekend. Hiermee worden scholen verplicht om het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief in overeenstemming met de ouders op te stellen. Hiermee krijgen ouders meer invloed op het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief en wordt hun positie tegenover de school op dit punt versterkt. Deze leden hebben nog wel enkele vragen.

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling het voorliggende wetsvoorstel bestudeerd en hebben hierover nog een aantal vragen.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel dat ten doel heeft het handelingsdeel in overeenstemming met de ouders vast te stellen. Zij hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van het vaststellen van het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief na overeenstemming met de ouders. Zij stellen enkele vragen.

De leden van de SGP-fractie hebben met enige verwondering kennisgenomen van het voorstel om de Wet passend onderwijs zo snel na inwerkingtreding aan te passen. Deze leden vrezen dat de kracht van de onderbouwing omgekeerd evenredig is aan de snelheid van de aanpassing.

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie kunnen zich vinden in de kritiek van de Raad van State dat een aanpassing van de bestaande regels zeer snel komt en de urgentie in de praktijk ontbreekt of niet wordt beargumenteerd. Als wetgevende macht is een consistente lijn wenselijk, zeker wanneer de aanpassingen niet gebaseerd zijn op acute problemen. Zij vragen op basis van welke cijfers of welk onderzoek de regering dit wetsvoorstel heeft opgesteld. Kan de regering uiteenzetten waarom een wijziging van de wet noodzakelijk is wanneer er geen signalen zijn dat er problemen zijn die opgelost dienen te worden? De leden constateren dat de motie3 die ten grondslag ligt aan de wetswijziging is ingediend voor de eerdere wijziging van de wet inwerking was getreden. Zij vragen of de regering de motie ook in die context heeft bezien en of de regering het met deze leden eens is dat de vrees die de motie moest wegnemen in de praktijk geen grote rol van betekenis lijkt te spelen. Voorts vragen zij de regering welke andere maatregelen zijn genomen of zijn overgewogen voordat werd overgegaan tot het opstellen van de voorliggende wetswijziging. Is de regering bereid om te wachten met de invoering van deze wet totdat de eerdere wijziging van de wet zijn beslag heeft kunnen krijgen in de praktijk en er gedegen onderzoek is gedaan, of tot een ander logisch moment zoals de evaluatie van de Wet passend onderwijs?

Ook ten aanzien van het toevoegen van het handelingsdeel als verplicht element in het ontwikkelingsperspectief voor leerlingen in het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs zijn de voornoemde leden nog niet overtuigd van de nut en noodzaak. Kan de regering nader uiteenzetten waarom deze maatregel nodig is? Zij vragen tot slot op basis van welke ervaringen dit voorstel wordt gedaan.

De leden van de PvdA-fractie zijn van oordeel dat ouders als volwaardige gesprekspartner moeten kunnen meedenken over de zorg en ondersteuning van hun kinderen op school. Het is immers niet aan de school alleen om te bepalen hoe zij passend onderwijs gestalte geven. Zij vragen of de regering deze mening deelt.

De voornoemde leden waarderen dat de regering op kritiek van de Raad van State reageert door deze ten dele te weerleggen en ten dele weg te nemen met aanpassingen (verduidelijkingen) die de kerngedachte ongemoeid laten. Deze leden menen dan ook dat de vraagtekens die de Raad van State plaatste, met een adequaat weerwoord zijn weggenomen.

De leden van de D66-fractie lezen in het advies van de Raad van State dat deze wetswijziging leidt tot twee kort op elkaar volgende wijzigingen, namelijk eerst bij de invoering van passend onderwijs en weer bij deze wetswijziging. De regering geeft aan dat het niet haalbaar was om deze wetswijziging voor 1 augustus 2013 in te dienen, maar kan zij ook aangeven waarom het niet mogelijk was dit voor 1 augustus 2014, bij de inwerkintreding van passend onderwijs in het po4 en vo5, in te dienen? Tevens vragen zij of de regering voorts kan aangeven waarom het wetsvoorstel pas in april 2016 naar de Kamer is gestuurd, terwijl het Raad van State-advies al uit april 2015 stamt.

De leden van de SGP-fractie hebben in de toelichting van de regering, waaronder de reactie op het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, geen beschrijving gevonden van de problematiek en knelpunten inzake de huidige regeling. Deze leden vragen of zij hieruit terecht mogen opmaken dat de noodzaak voor dit voorstel niet zozeer is ingegeven door problemen of knelpunten, maar enkel door politieke keuzes.

Zij vragen hoe de regering zich rekenschap geeft van het feit dat de keuze voor het op overeenstemming gericht overleg in plaats van overeenstemming door de wetgever bewust en weloverwogen is gemaakt. Kan zij zich voorstellen dat de geloofwaardigheid van de overheid ernstig in de knel kan komen wanneer een weloverwogen afstemming van verantwoordelijkheden na een jaar reeds naar de prullenbak wordt verwezen, zo vragen deze leden. Zij vragen waarom de hoge roeping van de overheid om jegens burgers betrouwbaar en consistent te zijn niet voldoende reden vormt om politieke wensen kritisch tegen het licht te houden.

2. Voorgestelde wijziging in betrokkenheid van ouders bij het handelingsdeel

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering de observatie van hen deelt dat de vrijheid van onderwijs en de professionaliteit van docenten wordt ingeperkt door dit wetsvoorstel wanneer zij afhankelijk worden van de instemming van de ouders in plaats van op basis van hun expertise het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief vorm te geven. Zij ontvangen graag een toelichting hierop.

De regering lijkt met dit wetsvoorstel er vanuit te gaan dat ouders, wanneer zij niet instemmen met de aanpak in het handelingsdeel, altijd een verzoek hebben gedaan om extra ondersteuning. Waarom acht de regering het niet mogelijk dat ouders minder of een andere vorm van ondersteuning van een school willen? In antwoord op de Raad van State wordt een voorbeeld uiteengezet door de regering waarbij de ouders naast extra rekenonderwijs ook om extra taalonderwijs verzoeken alvorens zij in willen stemmen met het handelingsdeel. De regering stelt in dit voorbeeld dat het de school niet ontslaat van de verantwoordelijkheid om het extra rekenonderwijs in de tussentijd te verzorgen. Maar gaat dat ook op wanneer de ouders juist af willen zien van het extra rekenonderwijs en daarmee niet hebben ingestemd? Zij vragen of de school dan wel het extra rekenonderwijs mag geven tot het moment dat er alsnog consensus is.

De regering stelt onder meer dat de vaststelling van de verwachte uitstroombestemming in het ontwikkelperspectief geen overeenstemming met de ouders zal gaan vereisen. Beargumenteerd wordt dat dit vanwege onderwijskundige redenen onwenselijk zou zijn. De leden van deze fractie stellen dat ook het handelingsdeel van het ontwikkelperspectief gebaseerd moet zijn op onderwijskundige overwegingen. Zij vragen of de regering deze opvatting deelt. Zo ja, waarom weegt de regering deze niet mee? Zo nee, welke andere overwegingen dan onderwijskundige redenen spelen wat de regering betreft mee in het vaststellen van de inhoud van het handelingsdeel?

Voorts maken de bovengenoemde leden zich zorgen over de onduidelijkheid en rechtsonzekerheid die de wetgeving door haar formulering kan gaan betekenen. De regering kiest ervoor om niet te spreken over een instemmingsrecht voor de ouders, maar stelt dat het handelingsdeel pas vastgesteld kan worden als er overeenstemming met de ouders is bereikt. Zij vragen waarom de regering voor deze constructie kiest. Waarom zou deze constructie volgens de regering niet leiden tot impasses? Als de wetswijziging niet tot een instemmingsrecht voor de ouders leidt, wat is dan de toegevoegde waarde van deze wetgeving? Zij vragen of de regering erkent dat deze constructie tot onduidelijkheid kan leiden zoals ook de Raad van State stelt. Heeft de regering in voldoende mate het belang van de leerling in ogenschouw genomen die vooral baat heeft bij een kwalitatief goede en spoedige afweging? Zij ontvangen graag een toelichting. Voorts vragen de voornoemde leden of de regering klip en klaar uiteen kan zetten wat de juridische en financiële consequenties zijn voor een school wanneer het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief niet wordt vastgesteld omdat overeenstemming uitblijft. Zij vragen tot slot hoe de school bijvoorbeeld dan toch haar zorgplicht kan vervullen.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat het de bedoeling is dat de Inspectie voor het Onderwijs (hierna: inspectie) risicogericht toezicht houdt op de naleving van de nieuwe voorschriften. Betekent dit dat de inspectie ook signalen uit de samenleving, in de pers of van individuele ouders, betrekt bij haar toezicht, indien een school ouders niet laat meedenken over de zorg en ondersteuning, zo vragen de voornoemde leden.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering nader toe lichten wat de mogelijkheden voor scholen en ouders zijn indien overeenstemming uitblijft. In de memorie van toelichting lezen deze leden dat dit niet betekent dat de school de leerling niet meer kan of zou hoeven te begeleiden. Zij vragen wat dit precies betekent in de praktijk en of het voldoende is als de school deze begeleiding uitvoert conform hun ideeën over het ontwikkelingsperspectief van het kind of conform de ideeën van de ouders.

De voornoemde leden vragen de regering op welke wijze de ouders moeten aangeven dat zij met de school overeenstemming hebben bereikt over het handelingsdeel van

het ontwikkelingsperspectief nu een handtekening van de ouders onder het document niet nodig is. Deze leden vragen tevens wat de te volgen procedure is als school en ouders er niet samen uitkomen en een beroep kunnen doen op bemiddeling door onderwijsconsulenten. Zij vragen welke stappen moeten worden ondernomen voor deze consulenten kunnen worden ingeschakeld. Als bemiddeling niet leidt tot de gewenste uitkomst kunnen ouders dan pas een verzoekschrift indienen bij de tijdelijke geschillencommissie of ook gelijk na het moment waarop blijkt dat overeenstemming tussen ouders en school niet mogelijk is?

Deze leden vragen de regering nader toe te lichten wat er gebeurt als ouders met een school wel overeenstemming hebben bereikt over het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief maar nadien van mening verschillen over de uitvoering van dit handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief. Staat dan ook de weg naar bemiddeling en het eventueel indienen van een verzoekschrift bij de tijdelijke geschillencommissie open?

De Raad van State is kritisch over het onderhavige wetsvoorstel, met name op het punt van noodzaak en bestendigheid van het wetsvoorstel. De Raad stelt dat er nog geen ernstige problemen ten aanzien van vaststellen van het ontwikkelingsperspectief zijn gebleken. De Raad doelt hierbij blijkbaar op het relatief geringe aantal geschillen dat hierover aanhangig is gemaakt. Deze leden vragen de regering of zij het met deze leden eens is dat het aanhangig maken van een geschil bij een geschillencommissie een uiterste middel is indien ouders en school er niet samen uitkomen en dat dit niet betekent dat er veel meer conflicten zijn tussen ouders en school dan hieruit blijkt, maar ouders om hen moverende redenen een dergelijke stap niet aandurven of willen, bijvoorbeeld om de relatie met school niet te verstoren omdat zij bang zijn dat dit nadelig uitpakt voor hun kind. Zij ontvangen graag een nadere toelichting hierop.

De voornoemde leden kunnen zich wel vinden in de toevoeging van een evaluatiebepaling waarbij expliciet wordt gekeken of deze uitwerking van de motie van het lid Ypma de gewenste verbetering van de effectiviteit van de ouders heeft bewerkstelligd. Deze leden vragen de regering of zij bereid is de instemming op het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief te heroverwegen indien de evaluatie negatief uitpakt.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering de noodzaak tot wijziging kan toelichten en cijfermatig onderbouwen. Hoeveel meldingen heeft de inspectie ontvangen over het ontbreken van een beschrijving van de individuele begeleiding van een leerlingen in het ontwikkelingsperspectief bij leerlingen in het (voorgezet) speciaal onderwijs? Tevens vragen zij hoeveel meldingen de inspectie heeft ontvangen over het ontbreken van overeenstemming met de ouders op het handelingsdeel van het ontwikkelperspectief.

Kan de regering reageren op de praktische bezwaren van leraren en scholen dat het handelingsdeel in de praktijk moeilijk van de rest van het ontwikkelingsperspectief is te onderscheiden? Wat gebeurt er als er een impasse ontstaat en er instemming wordt onthouden en bezwaarprocedures en onafhankelijke inmenging geen soelaas bieden? Wie heeft er in een dergelijke situatie doorzettingsmacht?

Kan de regering toelichten wat de procedure is wanneer het handelingsdeel en dus het ontwikkelingsperspectief wijzigt? Is er bij elke wijziging overeenstemming vereist van de ouders? Kan de regering reageren op de opmerking van de Raad van State dat de uitleg in de memorie van toelichting dat scholen wel begeleiding dienen te bieden voor die delen van het handelsdeel waarover overeenstemming bestaat, deze wetswijziging een nihil verschil met het geldende recht voorstelt? Tot slot vragen deze leden hoe het voorliggende wetsvoorstel zich verhoudt tot de wens van de regering om te komen tot minder bureaucratie in het onderwijs.

De leden van de D66-fractie zijn voorstander van een beter evenwicht tussen ouders en scholen waar het gaat om de ondersteuning aan kinderen, en hebben daarom ook de motie van het lid Ypma ondersteund. Zij hebben enige vraagtekens wat er met voorliggend wetsvoorstel in de praktijk verandert wanneer scholen en ouders er samen niet uitkomen. Zij vragen in hoeverre de ouders een positie hebben als er onverhoopt geen overeenstemming kan worden bereikt. Deze leden lezen dat ouders dan bij de geschillencommissie terecht kunnen, waarna deze beoordeelt of de school voldoende en zorgvuldig overleg heeft gevoerd met de ouders. Tevens vragen zij of dat een andere procedure is dan er nu geldt en of de uitspraak van de geschillencommissie bindend is.

De regering schrijft dat wanneer ouders geen enkel vertrouwen meer hebben in de school, zij altijd op zoek kunnen gaan naar een andere school. De voorgenoemde leden wijzen er op dat dit in de praktijk weerbarstiger is, zeker waar het gaat om een specialistische zorgvraag, waarbij er maar een beperkt aantal scholen het onderwijs kunnen verzorgen. Voor deze leden staat het leerrecht van het kind, waarbij het kind goed en passend onderwijs krijgt, centraal.

De leden van de ChristenUnie-fractie hechten aan een goede positie en betrokkenheid van ouders bij het vormgeven en vaststellen van het ontwikkelingsperspectief en het handelingsdeel. Voor het ontwikkelingsperspectief is al een verplichting om op overeenstemming gericht overleg (OOGO) te voeren met de ouders. Voor het handelingsdeel wordt een zwaardere variant geïntroduceerd, waarbij toestemming van de ouders nodig is. Kan de regering nader toelichten waarom dit onderscheid wordt gemaakt? Waarom voldoet het op overeenstemming gericht overleg voor het ontwikkelingsperspectief en is OOGO te licht voor het handelingsdeel, zo vragen deze leden.

De voornoemde leden vinden het belangrijk dat ouders nauw betrokken zijn bij de ontwikkeling van hun kind. Tegelijkertijd benoemt de Raad van State het spanningsveld dat de school professionele autonomie heeft en verantwoordelijk is voor goed onderwijs. Leidt dit wetsvoorstel niet tot onwenselijke juridisering, terwijl ouders juist in gesprek met de school tot een gewenste uitkomst moeten komen? Tevens vragen zij hoe wordt voorkomen dat het handelingsdeel niet meer aansluit op het ontwikkelingsperspectief, aangezien het handelingsdeel alleen met toestemming van de ouders wordt vastgesteld. Tot slot vragen zij op welke manier voldoende mate van bekostiging voor scholen volgt, bijvoorbeeld vanuit de samenwerkingsverbanden passend onderwijs, wanneer het handelingsdeel wordt aangescherpt op verzoek van ouders.

De leden van de SGP-fractie krijgen de indruk dat naar de mening van de regering de Wet primair onderwijs (Wpo) en de Wet voortgezet onderwijs (Wvo), in tegenstelling tot de Wet op de expertisecentra, een expliciet voorschrift kennen dat het ontwikkelingsperspectief een handelingsdeel dient te bevatten. Deze leden vragen een nadere toelichting op die veronderstelling. Zij constateren namelijk dat de artikelen 8, vierde lid, Wpo en 17b, eerste lid, Wvo betrekking hebben op de inrichting van het onderwijs en niet op de samenstelling van het ontwikkelingsperspectief. Zij hebben de indruk dat op basis van het wetsvoorstel enkel impliciet geconstateerd kan worden dat de wetgever van mening zou zijn dat het ontwikkelingsperspectief een handelingsdeel dient te bevatten. Deze leden vragen waarom niet voor een explicieter regeling gekozen is.

De voornoemde leden lezen dat scholen volgens de regering het overleg dienen voort te zetten zolang geen overeenstemming is bereikt met ouders. Deze leden merken op dat dit overleg niet voor onbepaalde tijd kan voortduren. Immers, de school is gehouden aan vaste termijnen waarbinnen een ontwikkelingsperspectief moet worden vastgesteld. Zij vragen welke gevolgen voor de bekostiging en het toezicht verbonden zijn aan deze wettelijke termijnen. Vindt de regering het acceptabel dat een school als gevolg van het optreden van ouders in een situatie kan geraken waarin zij deze deugdelijkheidseisen niet naleeft? Deze leden vragen in hoeverre het wetsvoorstel met deze situatie rekening houdt.

Zij vragen welke consequenties het ontbreken van overeenstemming kan hebben voor de aansprakelijkheid van de school in civiele procedures. In hoeverre kunnen de wettelijke termijnen voor het vaststellen van een ontwikkelingsperspectief nadelig uitpakken voor scholen, zo vragen zij. Graag zouden zij een nadere toelichting van de regering vernemen.

Deze leden vragen tevens op grond van welke principiële argumenten de regering het onderscheid aanbrengt tussen het handelingsdeel en het ontwikkelingsperspectief als zodanig. Zij vragen waarom vanuit het perspectief van de professionele autonomie niet juist de vertaling van het ontwikkelingsperspectief in de handelingspraktijk zoveel mogelijk vrij gelaten zou moeten worden, terwijl omgekeerd de overeenstemming van ouders juist bij het perspectief als zodanig wezenlijk is en gelet op het inzicht en de betrokkenheid van ouders meer voor de hand kan liggen dan keuzes over de handelingspraktijk.

De leden van deze fractie begrijpen uit de toelichting dat volgens de regering de begeleiding van leerlingen gewoon kan starten wanneer het ontwikkelingsperspectief nog niet is vastgesteld. Deze leden kunnen zich voorstellen dat dit in de genoemde voorbeelden het geval kan zijn. Echter, zij vragen wat scholen en ouders te doen staat wanneer het ontbreken van overeenstemming te maken heeft met een zodanig verschil van inzicht dat het niet mogelijk is het onderwijs te laten starten. Wordt het belang van de leerlingen met dit voorstel voldoende gediend, zo vragen zij.

3. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

De leden van de PvdA-fractie vinden het geruststellend dat de inspectie aangeeft verder geen problemen te hebben op het terrein van de handhaafbaarheid.

De leden van de D66-fractie lezen dat voor het (v)so6 nog niet is voorgeschreven dat een ontwikkelingsperspectief een handelingsdeel dient te bevatten. Daarom wordt nu een bepaling opgenomen dat het ontwikkelingsperspectief een beschrijving van de individuele begeleiding aan de leerling bevat. Kan de regering aangeven of en in hoeverre in de huidige praktijk het beschrijven van de individuele begeleiding in de praktijk al gebeurde in het (v)so, of dat dit een aanvullende maatregel is. Zij vragen of de scholen de mogelijkheid krijgen hierbij zoveel mogelijk aan te sluiten bij individuele (handelings)plannen die er nu al liggen.

Deze leden vragen waarop is gebaseerd dat dit leraren een uur per jaar extra tijd kost. Welke mogelijkheden zijn onderzocht om de lastenverzwaring voor het (v)so te beperken? In hoeverre verschilt de beschrijving van de individuele begeleiding met het handelingsdeel in het po en vo, zo vragen deze leden.

4. Internetconsultatie

De leden van de PvdA-fractie merken op dat verschillende ouders en ouderorganisaties positief gereageerd hebben op de voorgestelde wetswijziging. Volgens de leden toont dit aan dat het wetsvoorstel ook voorziet in een behoefte, die is ontstaan met de vervanging van het handelingsplan, dat diende te worden vastgesteld in overeenstemming met ouders, door het ontwikkelingsperspectief, dat geen overeenstemming met ouders over de ondersteuning van hun kinderen vereiste. Om deze reden delen deze leden ook niet de kritiek van scholen dat het wetsvoorstel de professionaliteit van de leraar en de school zou aantasten, alsof deze professionaliteit in de oude situatie niet bestond. Zij vragen of dit ook een overweging is van de regering.

Terecht rekent de regering het tot de professionele verantwoordelijkheid van de school dat de leerling er niets van hoeft te merken als er nog geen overeenstemming bestaat tussen de school en de ouders over het schriftelijk vast te stellen handelingsdeel. De eerder genoemde leden vragen welke consequenties het zal hebben indien het de inspectie blijkt dat op een school een leerling van die situatie wel wat merkt.

5. Financiële gevolgen

De leden van de VVD-fractie wijzen er op dat in de praktijk het vereisen van instemming van de ouders op het handelingsdeel er toe kan leiden dat docenten of scholen om impasses of een nare sfeer te voorkomen eerder geneigd zijn om precies naar de ouders te luisteren met als gevolg veel meer individuele ondersteuning, ook daar waar dit eigenlijk niet wenselijk of niet nodig wordt geacht door de professionals voor de leerling. In hoeverre kan dit wetsvoorstel leiden tot de situatie dat daar waar het juist beoogt de samenspraak tussen ouders en onderwijs te versterken, de omgekeerde werkelijkheid wordt?

De leden van de PvdA-fractie lezen dat de regering schrijft dat het wetsvoorstel geen gevolgen heeft voor de rijksbegroting. Hoe moeten zij dit rijmen met de vrij precieze geldbedragen die worden vermeld bij de administratieve lasten? Zij vragen tot slot of het gaat om bedragen die voor de scholen tijdelijk waren vrijgevallen met de inwerkingtreding van de Wet passend onderwijs.

6. Administratieve lasten

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen op welke manier scholen de extra administratieve lasten moeten opvangen als gevolg van dit wetsvoorstel. Krijgen scholen hiervoor geen extra compensatie en zo nee, gaat dit ten koste van begeleiding in de klas, zo vragen deze leden.

De voorzitter van de commissie, Wolbert

De adjunct-griffier van de commissie, Arends