Gepubliceerd: 26 november 2015
Indiener(s): Pieter Duisenberg (VVD)
Onderwerpen: belasting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34323-5.html
ID: 34323-5

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 26 november 2015

De vaste commissie voor Financiën belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

blz.

       

1.

Inleiding

1

2.

Hoofdlijnen

4

3.

Fiscale eenheid in de nieuwe situaties nader beschouwd

8

 

3.1.

Nederlandse moeder, buitenlandse dochtervennootschap en in Nederland gevestigde kleindochtermaatschappij

8

 

3.2.

Fiscale eenheid tussen zustermaatschappijen

8

 

3.3.

Verschillende situaties

9

 

3.4.

Een niet in Nederland gevestigde vennootschap met een vaste inrichting in Nederland

9

 

3.5.

Bepaling tegen dubbele verliesneming bij vordering

9

4.

EU-aspecten

10

5.

Uitvoeringsaspecten en gevolgen voor het bedrijfsleven

10

6.

Budgettaire aspecten

11

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben nog een aantal vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben bezorgd kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Deze wetgeving wordt ingevoerd naar aanleiding van een aantal arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in antwoord op prejudiciële vragen. Het wetsvoorstel staat een aanzienlijke en complexe uitbreiding van de fiscale eenheidsregeling voor. Ondanks deze uitbreiding is hoogst onzeker of dit wetsvoorstel de regeling houdbaar maakt, en of dit wetsvoorstel überhaupt gewenst is. De leden van de PvdA-fractie hebben dan ook een groot aantal vragen en aarzelingen bij dit wetsvoorstel, die zich ook uitstrekken tot de budgettaire dekking.

De leden van de PvdA-fractie vragen om een uiteenzetting waarom dit wetsvoorstel nodig is. Wat zijn de gevolgen als er geen wetsvoorstel wordt aangenomen? Worden er reeds fiscale eenheidsverzoeken goedgekeurd waarbij er sprake is van een gemeenschappelijke buitenlandse moedervennootschap of een buitenlandse tussenhoudster? Zo ja, sinds wanneer worden dit soort fiscale eenheden goedgekeurd? Hoeveel van deze fiscale eenheden zijn er reeds goedgekeurd? Welke regels worden op dit moment toegepast op dergelijke fiscale eenheden? Waarom is deze praktijk zonder dit wetsvoorstel niet voort te zetten?

Wat zijn de redenen geweest om te kiezen voor uitbreiding van de fiscale eenheidsregeling? De memorie van toelichting geeft slechts als vage reden het «fiscale vestigingsklimaat». Wat wordt hier concreet mee bedoeld? Zijn er minder vergaande voorstellen overwogen die toch tegemoet komen aan de bezwaren van het HvJEU? Zo ja, welke waren deze? Zo nee, waarom niet, vragen de leden van de PvdA-fractie.

In de memorie van toelichting staat dat niet te overzien is welke gevolgen dit wetsvoorstel heeft en welke ongewenste situaties zich zullen voordoen? Waarom acht de regering het niettemin gewenst dit wetsvoorstel in te dienen? De leden van de PvdA-fractie vrezen dat dit wetsvoorstel nieuwe creatieve structuren zal uitlokken die als enig doel hebben belasting te ontwijken. Het BEPS-project probeert heffingslekken, bijvoorbeeld door het gebruik van hybrides, te dichten. Dit wetsvoorstel lijkt juist een nieuwe gereedschapskist aan te bieden voor fiscale acrobatiek tussen lidstaten van de EU. Deelt de regering deze vrees, vragen de leden van de PvdA-fractie

In de memorie van toelichting wordt het arrest Groupe Steria van het HvJEU aangestipt. De leden van de PvdA-fractie hebben reeds eerder aandacht gevraagd voor deze zaak. De gevolgen van deze zaak zouden wel eens veel verder kunnen reiken dan de uitspraken die aanleiding gaven tot dit wetsvoorstel. Het Groupe Steria arrest ziet namelijk niet op slechts de fiscale eenheidsregeling, maar op nagenoeg ieder leerstuk in de vennootschapsbelasting. De leden van de PvdA-fractie vrezen dat dit wetsvoorstel op zijn best een doekje voor het bloeden is en dat volgend jaar de regeling wederom op de schop moet. Blijkbaar deelt de regering deze zorg, blijkens de uitgesproken noodzaak om de consequenties «zorgvuldig te bestuderen». Maar waarom niet gewacht op de uitkomsten daarvan alvorens dit wetsvoorstel in te dienen?

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de wet aanpassing fiscale eenheid. Zij hebben hierover verschillende vragen.

De leden van de SP-fractie vragen de regering in beeld te brengen welke andere EU- of niet-EU-landen een dergelijk regime als de fiscale eenheid kennen.

Welke verschillen bestaan er tussen het besluit van de Staatssecretaris van 16 december 2014 en het onderhavige wetsvoorstel, vragen de leden van de SP-fractie?

De memorie van toelichting meldt dat momenteel niet te overzien is welke ongewenste situaties zich kunnen voordoen en welke maatregelen moeten worden genomen om daarop te reageren. De leden van de SP-fractie vragen de regering wat wordt bedoeld met ongewenste situaties. Gaat het dan enkel om toekomstige uitspraken omtrent de fiscale eenheid door het HvJEU? Zo nee, welke andere onvoorziene situaties kunnen zich omtrent de fiscale eenheid voordoen? Acht de regering de kans aanwezig dat het onderhavige wetsvoorstel al op korte termijn wordt achterhaald door een nieuwe uitspraak van het HvJEU, of na bestudering van de uitspraak in de zaak Groupe Steria?

Vreest de regering dat door de uitspraken van het HvJEU een precedent is geschapen en het regime fiscale eenheid steeds verder wordt opgerekt, vragen de leden van de SP-fractie? Kan de regering garanderen dat dat niet het geval is?

De leden van de SP-fractie vragen de regering aan te geven hoeveel beschikkingen fiscale eenheid er jaarlijks worden afgegeven. Kan de regering tevens de ontwikkeling van zowel het aantal aanvragen als het aantal afgegeven beschikkingen langjarig weergeven? In hoeverre is het aantal afgegeven beschikkingen na de in de memorie van toelichting genoemde uitspraken van het HvJEU gedaald?

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Wet aanpassing fiscale eenheid. Deze leden vragen de regering tevens in te gaan op de vragen en opmerkingen van de Nederlandse Orde voor Belastingadviseurs in hun commentaar op onderhavig wetsvoorstel.

Deze leden vragen de regering bovendien of zij met de nota naar aanleiding van het verslag de conceptversie van het gewijzigde Besluit fiscale eenheid 2003 aan de Kamer kan toekomen.

Kan de regering aangeven wanneer zij verwacht de Kamer te kunnen informeren over de gevolgen van de zaak Groupe Steria voor de Nederlandse fiscale eenheid en de mogelijke oplossingsrichtingen om de vennootschapsbelasting weer in overeenstemming te brengen met het EU-recht naar aanleiding van deze zaak, vragen de leden van fractie van het CDA.

Kunt u aangeven wat de filosofie achter de regeling van de fiscale eenheid is, vragen de leden van de fractie van de PVV.

Kunt u aangeven wat de regering met de regeling van de fiscale eenheid tracht te bereiken?

Kunt u aangeven wat het effect is van de huidige regeling op de hoogte van de vennootschapsbelasting?

Werkt de regeling van de fiscale eenheid feitelijk niet als een uitstel of een afstel van belastingheffing? En wat voor type bedrijven profiteren daar het meest van?

Kunt u aangeven hoeveel belastinginkomsten de regering door deze regeling jaarlijks gaat mislopen?

Kunt u een duiding geven van wat voor soort bedrijven er gebruik gaan maken van de regeling van de fiscale eenheid?

Is het effect van de fiscale eenheid ook niet op een andere wijze te verwezenlijken?

Zijn er soortgelijke regelingen in andere EU-lidstaten? Kan de regering daar een overzicht van geven?

Verwordt door de rechtspraak van het Hof en de door de regering voorgestelde wijzigingen, de regeling van de fiscale eenheid niet tot een gecompliceerde constructiegevoelige regeling die de Nederlandse belastingbetaler alleen maar geld kost?

Is er een afweging gemaakt in de mate waarin er sprake is van opbrengstderving en het fiscale vestigingsklimaat, zo vragen de leden van de fractie van de PVV.

In hoeverre wijkt de regeling van het besluit (Stcrt. 2014, 38029) af van het wetsvoorstel, vragen de leden van de PVV-fractie.

Welke rol speelt de regeling van de fiscale eenheid in het vestigingsbeleid? Kan de regering dit nader duiden?

Kan de regering de (niet anders aangeduide) ongewenste situaties nader duiden?

Waarom heeft de regering ervoor gekozen om de regeling uit te breiden met twee specifieke situaties die beiden betrekking hebben op het buitenland?

Waarom heeft de regering ervoor gekozen om de regeling van de fiscale eenheid uit te breiden. Heeft de regering naar aanleiding van de rechtspraak niet overwogen om de regeling van de fiscale eenheid in zijn geheel te stoppen?

Kan de regering aangeven wat de effecten van de zaak Groupe Steria kunnen zijn op de Nederlandse vennootschapsbelasting?

Kan de regering daarbij ook een beeld geven van de potentiele budgettaire derving, vragen de leden van de PVV-fractie.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden constateren dat de uitspraken van het Europese Hof van Justitie aanpassing van het Nederlandse fiscale-eenheidsregime in de vennootschapsbelasting noodzakelijk maken. Deze leden hebben enkele aanvullende vragen met betrekking tot de uitwerking en de budgettaire aspecten.

Wat is de beweegreden van de regering om het voorgestelde fiscale eenheidsregime beperkt te houden tot in de EU/EER gevestigde entiteiten? Of om welke reden is niet besloten om het fiscale eenheidsregime uit te breiden met derde-landen, waarmee Nederland een belastingverdrag gesloten heeft, vraagt het lid Van Vliet.

2. Hoofdlijnen

Het wetsvoorstel kent twee verruimingen van de mogelijkheden tot het vormen van een fiscale eenheid. Hoeveel bedrijven zullen hier gebruik van maken, vragen de leden van de fractie van de VVD. Wat zijn de concrete gevolgen van deze verruiming en hoe gaat het eruit zien in de praktijk? Moeten andere landen hun wetgeving ook aanpassen door deze uitspraak van het Europese Hof van Justitie of was Nederland gewoon strenger dan noodzakelijk? Wat betekent dit wetsvoorstel voor versterking van het fiscale vestigingsklimaat?

De leden van de VVD-fractie lezen de budgettaire derving in 2015 niet meer kan worden gedekt. Waarom komt deze wet nu naar de Kamer? Was de uitspraak van het Europese Hof van Justitie al eerder dit jaar (voor de zomer) bekend?

De leden van de PvdA-fractie vragen om nadere motivering over waarom voor de onderhavige vormgeving is gekozen. Kan de regering hier nader op ingaan?

De fiscale eenheid is bezwaarlijk nog een administratieve lastenverlichting te noemen, met de talrijke anti-misbruikbepalingen die de regeling bevat. Daarnaast zijn er vele samenloopbepalingen, overgangsbepalingen, boekhoudbepalingen, een omvangrijk besluit en vele jurisprudentie. Een vermogensbestanddeel overdragen binnen de fiscale eenheid is geen sinecure meer, omdat rekening moet worden gehouden met al deze bepalingen. Daarnaast verlangt de belastingdienst gedetailleerde informatie van iedere gevoegde maatschappij, leidend tot weliswaar een enkele aangifte, maar wel een aangifte die bestaat uit tabbladen vol gedetailleerde informatie en vol ingewikkelde verwijzingen. Deelt de regering de analyse dat de fiscale eenheidsregeling per saldo niet meer leidt tot een administratieve lastenverlichting voor belastingplichtigen? Of in ieder geval dat de regeling buitengewoon complex is geworden? Deelt de regering ook de mening dat het onderhavige wetsvoorstel in niet geringe mate bijdraagt aan deze complexiteit, vragen de leden van de fractie van de PvdA.

In het buitenland wordt doorgaans gekozen voor minder vergaande, en minder complexe regelingen. Zo is er in het Verenigd Koninkrijk de group relief. Is een group relief-achtige regeling overwogen? Zo ja, wat waren de voor- en nadelen van een dergelijke regeling voor Nederland? Zo nee, waarom is dit niet overwogen? In hoeverre voorzien andere faciliteiten niet reeds in gelijkwaardige voordelen die de fiscale eenheid biedt? In hoeverre voorzien bijvoorbeeld de fiscaal gefaciliteerde fusie en splitsingsregelingen niet in voldoende mogelijkheden tot het reorganiseren binnen een concern met beperkte fiscale gevolgen? Bent u bereid om een visie op de toekomst van de fiscale eenheidsregeling te formuleren, waarbij expliciet varianten worden onderzocht zoals de afschaffing van de fiscale eenheid en het invoeren van een group relief-regeling? Wat zouden de budgettaire consequenties zijn van een group relief regeling naar Brits model, vragen de leden van de fractie van de PvdA.

Een andere variant is het opnemen van de buitenlandse tussenvennootschap in de fiscale eenheid met het vrijstellen van het buitenlandse object. De leden van de PvdA-fractie vragen waarom niet voor deze variant is gekozen. Geeft dit de Belastingdienst niet meer zicht op de buitenlandse tussenhoudster, en daarmee meer controlemogelijkheden? Past dit bovendien niet beter in bestaande systematiek, zoals de behandeling van vaste inrichtingen?

Welke eisen worden gesteld aan de buitenlandse tussenmaatschappijen en topmaatschappijen met betrekking tot de onderworpenheidseis? Betekent dit dat vennootschappen die niet onderdeel uitmaken van de fiscale eenheid, de buitenlandse vennootschappen, aan de onderworpenheidseis moeten voldoen? Wanneer is een vennootschap onderworpen aan een belasting naar de winst? Worden hier minimumeisen aan gesteld? Hoe wordt omgegaan met objectieve vrijstellingen die Nederland niet kent? Hoe wordt omgegaan met tax holidays en andere subjectieve vrijstellingen? Wordt een minimumtarief vereist, vragen de leden van de fractie van de PvdA.

In hoeverre kan het aangaan van een fiscale eenheid voor bedrijven een voordeel opleveren ten aanzien van de belastingafdracht, vragen de leden van de SP-fractie.

De fiscale eenheid is facultatief. Het wetsvoorstel regelt dat bij een buitenlandse dochter de Nederlandse moeder en kleindochter een fiscale eenheid kunnen vormen en dat de Nederlandse zusters van een buitenlandse moeder een fiscale eenheid kunnen vormen. Als de gehele groep zich in Nederland bevindt, is er echter geen mogelijkheid om alleen de moeder en de kleindochter of alleen de zusters een fiscale eenheid aan te laten gaan. Binnenlandse verhoudingen worden daarmee alsnog anders behandeld dan buitenlandse verhoudingen, zo constateren de leden van de CDA-fractie, zij het dat op grond van het Europese recht het is toegestaan om buitenlandse situaties gunstiger te behandelen als binnenlandse situaties. Kan de regering aangeven waarom zij ervoor gekozen heeft om te vereisen dat de Nederlandse topmaatschappij of tussenhoudster in de fiscale eenheid opgenomen wordt?

De regering schrijft dat er voor de thans al bestaande rechttoe rechtaan fiscale eenheden niets verandert met dit wetsvoorstel. Voor welke reeds bestaande fiscale eenheden verandert er wel iets op grond van onderhavig wetsvoorstel, vragen de leden van de fractie van de PVV.

In welke mate zijn het ketenelement en het toerekeningelement te zien als hoofdkenmerken van de regeling van de fiscale eenheid, vragen de leden van de fractie van de PVV.

Maken de arresten van het HvJ geen inbreuk op het ketenelement en het toerekeningelement?

Ontkrachten die arresten niet de essentie van de regeling van de fiscale eenheid?

In de situatie dat de dochter in het buitenland is gevestigd kan er op grond van de nieuwe wet- en regelgeving wel een fiscale eenheid gevormd worden tussen Moeder en kleindochter.

Klopt het dat er geen fiscale eenheid gevormd kan worden tussen moeder en kleindochter, als de dochter binnenlands gevestigd is?

Is hier geen sprake van ongelijke behandeling? Wordt de binnenlandse belastingplichtige nu niet gediscrimineerd ten opzichte van de buitenlandse belastingplichtige?

Of is het EU-recht dat een binnenlandse belastingplichtige ongunstiger mag worden behandeld (gediscrimineerd) ten opzichte van een buitenlandse belastingplichtige, vragen de leden van fractie van de PVV.

Rechtsvormeis

De leden van de CDA-fractie hechten zeer aan het streven naar een rechtsvormneutrale winstbelasting. De fiscale eenheid staat echter alleen open voor de BV, NV en buitenlandse tegenhangers en dus niet voor belastingplichtige stichtingen, verenigingen of publiekrechtelijke rechtspersonen. Het is bovendien ook aannemelijk dat er meer belastingplichtige stichtingen en publiekrechtelijke rechtspersonen zullen komen vanwege de aanstaande vennootschapsbelastingplicht voor overheidsbedrijven. Kan de regering aangeven waarom het momenteel niet mogelijk is voor een belastingplichtige stichting of vereniging om een fiscale eenheid te vormen? En waarom, zo vragen de leden van de CDA-fractie, is het niet mogelijk om een fiscale eenheid te vormen tussen twee zustervennootschappen wanneer een publiekrechtelijke rechtspersoon de juridische en economische eigendom bezit?

Klopt het dat de wetgeving van het land van vestiging bepalend is voor de vraag of er is voldaan aan de rechtsvormeis, vragen de leden van de PVV-fractie.

Vestigingsplaats

Kan de regering aangeven waarom de voorgestelde wijzigingen zich beperken tot EU/EER-situaties? Waarom is niet gekozen voor een wereldwijd toepassingsbereik of tot alle landen waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten? Is dit vanwege budgettaire redenen?

Bezitseis

Onder de huidige regeling kan onder bepaalde omstandigheden ook een fiscale eenheid gevormd worden indien de moedermaatschappij niet de gehele eigendom heeft van de aandelen, maar wel alle zeggenschap over de dochter heeft, bijvoorbeeld in de situatie van een stichting administratiekantoor waarbij de moeder zeggenschap heeft over het stemrecht over de gecertificeerde aandelen. Onder de voorgestelde wijziging moet een moedermaatschappij ten minste 95% van de gehele juridische en economische eigendom van de aandelen bezitten. Waarom is deze bezitseis aangescherpt, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Heeft de regering specifiek bedoeld om het STAK-arrest (HR 18 juni 2010, nr. 08/03662), nu vijf jaar later, te repareren? En wat is de link met onderhavig wetsvoorstel waar de regering naar verwijst met de woorden «in het kader van de wijziging»?

Dezelfde vragen hebben de leden van de CDA-fractie als het gaat om een hybride dochter, een tussenmaatschappij met rechtspersoonlijkheid die naar Nederlandse maatstaven fiscaal transparant is. Waarom heeft de regering ervoor gekozen dat in deze situatie geen mogelijkheid is tot het aangaan van een fiscale eenheid?

Is er sprake van onbedoeld gebruik bij een fiscale eenheid met een dergelijke fiscaal transparante vennootschap? En zo ja, waaruit bestaat dat onbedoelde gebruik dan? En wat is de lin met onderhavig wetsvoorstel? Is het weigeren van een transparante entiteit, omdat het geen kapitaalvennootschap is, ook getoetst aan EU-aspecten? Klopt het dat deze wijziging feitelijk alleen effect heeft voor situaties met buitenlandse personenvennootschappen, omdat Nederlandse personenvennootschappen geen rechtspersoonlijkheid kennen? Is deze feitelijke werking in overeenstemming met het EU-recht, vragen de leden van de CDA-fractie.

De leden van de D66-fractie constateren dat voorgesteld wordt om de bezitseis aan te passen, waardoor de belastingplichtige voortaan ten minste 95% van de gehele juridische en economische eigendom van de aandelen moet bezitten. Deze leden vragen of de regering deze aanpassing nader kan motiveren. Welke gevolgen heeft het dat wordt afgeweken van het zogenoemde STAK-arrest, waarbij de focus ligt op de materiële zeggenschap? Deze leden ontvangen graag een nadere toelichting.

De leden van de D66-fractie vragen naar de situatie waarbij een in de EU/EER gevestigde entiteit in het spel is, die in het land waarin deze is gevestigd over rechtspersoonlijkheid beschikt, maar die naar Nederlandse maatstaven fiscaal transparant is. Deze leden vragen in hoeverre hierbij een verschil ontstaat tussen binnenlandse en de buitenlandse situaties. Deze leden vragen naar de betwistbaarheid van deze voorgestelde bezitseis in het licht van het EU-recht.

Onderworpenheidseis

Het lijkt de leden van de CDA-fractie logisch te vereisen dat de topmaatschappij of de tussenmaatschappij in het land van vestiging onderworpen zijn aan een belasting naar de winst. Hoe moet de zinsnede «zonder keuzemogelijkheid» daarbij beoordeeld worden? Kan de regering aangeven of deze onderworpenheidseis verschilt van de eis die gesteld zou worden aan de moeder- of dochtermaatschappij als deze in Nederland gevestigd zou zijn? Hoe moet worden vastgesteld of de maatschappij aan de onderworpenheidseis voldoet, als deze is opgenomen in een buitenlandse fiscale eenheid? En hoe moet dit beoordeeld worden als de maatschappij gebruik kan maken van een objectieve vrijstelling?

3. Fiscale eenheid in de nieuwe situaties nader beschouwd

3.1. Nederlandse moeder, buitenlandse dochtervennootschap en in Nederland gevestigde kleindochtermaatschappij

De leden van de VVD-fractie lezen dat in het buitenland (EU/EER) gevestigde dochtervennootschappen geen deel uitmaken van de fiscale eenheid. Wat zijn de overwegingen geweest om de regeling niet uit te breiden tot derde-landen? Als het zou worden uitgebreid naar derde-landen, wat zou de budgettaire derving hiervan zijn?

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe wordt omgegaan met een situatie waarbij er een fiscale eenheid gevormd is tussen een Nederlandse moedermaatschappij en een verliesgevende kleindochter, met een buitenlandse tussenhoudster, waarbij de tussenhoudster een liquidatieverlies neemt in het buitenland onder een regeling die met de Nederlandse liquidatieverlies vergelijkbaar is. Is dan sprake van dubbele verliesverrekening, doordat het verlies van de kleindochter eerst bij de moeder in aftrek is genomen en later bij de tussenhoudster? Wat gebeurt er indien de tussenhoudster later tevens wordt geliquideerd, met een liquidatieverlies tot gevolg bij de moeder?

De leden van de fractie van de PVV vragen of het mogelijk is dat de verliezen van de kleindochter via de fiscale eenheid ten laste van de Nederlandse moeder komen en in mindering worden gebracht op de Nederlandse winst en dat die verliezen ook nog eens ten laste van de (buitenlandse) dochter gebracht kunnen worden met als gevolg een lagere winstbelasting in het buitenland?

3.2. Fiscale eenheid tussen zustermaatschappijen

De leden van de CDA-fractie begrijpen dat het binnen de bestaande systematiek van de fiscale eenheid eigenlijk niet past om twee zustermaatschappijen zonder de moedermaatschappij een fiscale eenheid te laten aangaan. Deze leden achten het dan ook inventief van de regering om dit op te lossen door de maatschappijen zelf te laten kiezen welke vennootschap de «fictieve moedermaatschappij» wordt. Deze leden achten het echter niet logisch dat de fiscale eenheid automatisch eindigt als de aandelen in de «fictieve moeder» verkocht worden, maar er nog steeds meerdere zustermaatschappijen over zijn. Immers dan is de strijd met het EU-recht nog niet geheel weggenomen, want als de daadwerkelijke (de buitenlandse) moedermaatschappij in Nederland gevestigd zou zijn, zou de fiscale eenheid niet eindigen. Waarom is er niet voor gekozen dat het «fictieve moederschap» kan worden overgedragen? En waarom moet de zustermaatschappij die de «fictieve moeder» is bij aanvang van de fiscale eenheid haar boekjaar afsluiten, terwijl een gewone moedermaatschappij dit niet hoeft? Bij een «gewone» fiscale eenheid kan de dochtermaatschappij een deel van de aandelen in de moedermaatschappij hebben. Kan de regering aangeven waarom dat bij een fiscale eenheid van zustermaatschappijen niet mag?

Klopt het dat er geen fiscale eenheid mogelijk is tussen twee zusters zonder de Nederlandse moeder erbij te betrekken maar dat er wel een fiscale eenheid mogelijk is tussen twee zusters als de moeder een buitenlandse moeder is, vragen de leden van de PVV-fractie.

3.3. Verschillende situaties

Bij een fiscale eenheid tussen zustermaatschappijen is het niet mogelijk een andere moeder binnen de fiscale eenheid aan te wijzen zonder dat de fiscale eenheid verbreekt. Begrijpen de leden van de PvdA-fractie goed dat het wel mogelijk is om de fiscale eenheid een nieuwe fiscale eenheid aan te laten gaan met een nieuw opgerichte vennootschap, en vervolgens zonder verbreking van de oude fiscale eenheid de nieuw opgerichte vennootschap de moeder te laten zijn van de nieuwe fiscale eenheid?

3.4. Een niet in Nederland gevestigde vennootschap met een vaste inrichting in Nederland

Een niet in Nederland gevestigde vennootschap met een vaste inrichting in Nederland, dat alle aandelen bezit van een in Nederland gevestigde BV, maar waarbij deze aandelen niet behoren tot het vermogen van de in Nederland aanwezige vaste inrichting van het buitenlandse belastingplichtig lichaam.

Waarom wordt het mogelijk om in deze situatie een fiscale eenheid aan te gaan, vragen de leden van de PVV-fractie.

3.5. Bepaling tegen dubbele verliesneming bij vordering

De leden van de CDA-fractie vragen de regering wat er nu gebeurt met de sinds 2014 aangehouden aanvragen voor fiscale eenheden met een top- of tussenmaatschappij. En als deze aanvragen worden toegewezen, wat gebeurt er dan om dubbele verliesneming te voorkomen op het moment dat onderlinge vorderingen al zijn afgewaardeerd?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering om in te gaan op de situatie van een vordering van een Nederlandse moedermaatschappij op een buitenlandse tussenmaatschappij en van deze maatschappij op een Nederlandse kleindochter, waarbij de buitenlandse tussenmaatschappij de vordering op de kleindochter om zakelijke redenen (deels) kwijtscheldt. Deelt de regering de constatering dat de kwijtscheldingswinst veelal belast zal zijn en artikel 15ac, achtste lid, daarom in dubbele belastingheffing zal resulteren?

In de situatie van een buitenlandse tussenmaatschappij vragen de leden van de CDA-fractie zich af hoe dubbele verliesneming voorkomen wordt als de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is op de buitenlandse tussenmaatschappij. Wat gebeurt er als er verliezen zijn bij de kleindochter? Klopt het dat dit verlies dan zowel in de fiscale eenheid valt en tevens opkomt via afwaardering van de waarde van de aandelen van de tussenmaatschappij, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Is de regering voornemens om een gelijksoortige regeling te treffen als in artikel 36 van het Besluit fiscale eenheid 2003?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering of er samenloop kan plaatsvinden tussen onderhavige wet en het leerstuk van de hybride of onzakelijke lening. Klopt het dat hybride leningen niet onder artikel 15ac, achtste lid, vallen, omdat ze fiscaal worden geherkwalificeerd tot eigen vermogen? Klopt het dat onzakelijke leningen ook niet onder dit artikel kunnen vallen, omdat het afwaarderingsverlies van de onzakelijke lening niet aftrekbaar is?

Is de hier beschreven dubbele verliesneming alleen mogelijk in de situatie van een (buitenlandse) (dochter) tussenmaatschappij of is dat ook mogelijk in de situatie van een binnenlandse dochter, vragen de leden van de PVV-fractie.

Is de voorgestelde oplossing om dubbele verliesneming te voorkomen wel in voldoende mate «constructie-proof»? Of is het aanbevelenswaardig om een anti-misbruik bepaling op te nemen?

Kan de regering toelichten hoe in de praktijk zal worden omgegaan met zuster fiscale-eenheden, die al voor het in werking treden van dit wetsvoorstel tot stand zijn gekomen en waarbij reeds sprake is geweest van (een vorm van) dubbele verliesneming die dit wetsvoorstel juist beoogt tegen te gaan, vraagt het lid Van Vliet.

4. EU-aspecten

De leden van de PvdA-fractie vragen nogmaals om een zorgvuldige analyse van het Groupe Steria arrest, en de gevolgen daarvan voor het fiscale eenheidsregime, inclusief onderhavige wet.

De regering stelt onder «EU aspecten, dat met dit wetsvoorstel wordt beoogd de wetgeving inzake de fiscale eenheid in overeenstemming met het EU-recht te brengen. Ik twijfel er niet aan dat de regering dit inderdaad «beoogt» maar is de regering er ook van overtuigd dat het wetsvoorstel op alle punten de toets van het EU-recht kan doorstaan, vraagt het lid Van Vliet.

5. Uitvoeringsaspecten en gevolgen voor het bedrijfsleven

Hoeveel tijd is een behandelend ambtenaar gemiddeld kwijt aan een fiscale eenheidsverzoek dat is gebaseerd op deze wet? De leden van de PvdA vinden 10 fte voor 150 à 200 verzoeken erg veel, hoeveel fte zijn er nodig voor een 150 a 200 zuiver binnenlandse fiscale eenheden? In hoeverre wordt deze lastendruk voor de belastingdienst veroorzaakt door de zeer complexe anti-misbruikbepalingen die worden voorgesteld, alsmede de samenloopbepaling met art. 13l Wet Vpb 1969? In hoeverre is deze wet überhaupt uitvoerbaar voor de Belastingdienst? In de memorie van toelichting wordt reeds aangegeven dat veel misbruikroutes en ongewenste effecten nog niet op het oog zijn, in hoeverre is bij de belastingdienst de capaciteit aanwezig om dit misbruik op te sporen? Zit deze opsporing inbegrepen bij de geraamde 10 fte? De tekst in de memorie van toelichting lijkt te suggereren van niet, betekent dit dat eventuele opsporing ten koste gaat van andere controletaken? Welke waarborgen worden er aangebracht dat misbruik kan worden opgespoord zonder dat dit ten koste gaat van de overige controletaken? De Belastingdienst zal in de meeste gevallen afhankelijk zijn van actie en melding door belastingplichtigen voor het signaleren van wijzigingen in de fiscale eenheid, is dit een gebruikelijke gang van zaken in de controle? Is het verstandig een wetsvoorstel in te voeren waarbij de Belastingdienst afhankelijk is van belastingplichtigen bij de controle? In hoeverre is dit in lijn met de doelstelling om het belastingstelsel te vereenvoudigen, vragen de leden van de fractie van de PvdA.

Volgens de regering is er ongeveer 11 fte nodig voor de uitvoering van het wetsvoorstel. Worden deze van buiten aangetrokken, vragen de leden van de SP-fractie. Wordt de capaciteit van de Belastingdienst uitgebreid?

Heeft de regering bij de berekening van de «Uitvoeringsaspecten en gevolgen voor het bedrijfsleven» ook rekening gehouden met de kosten die gepaard gaan met aanpassing van het boekjaar van vennootschapsbelastingplichtige entiteiten, als gevolg van de bepaling dat «de aangewezen moedermaatschappij, haar boekjaar op gelijke wijze afsluit als een te voegen dochtermaatschappij?». Kan de regering kwantificeren hoe vaak naar verwachting sprake zal zijn van aanpassing van het boekjaar van entiteiten als gevolg van de nieuwe wetgeving, vraagt het lid Van Vliet.

6. Budgettaire aspecten

De leden van de PvdA fractie staan uiterst kritisch ten opzichte van de budgettaire dekking van het wetsvoorstel in het «lastenkader» en in verhoging van de Awf premie. Deze leden stellen vast dat een lek in de vennootschapsbelasting de facto wordt gedicht door hogere lasten op arbeid. Het komt deze leden voor dat het meer voor de hand ligt om dit budgettaire gat ad 400 niljoen euro over de jaren 2015, 2016 en 2017 te dekken binnen het domein van de vennootschapsbelasting zelf en zij zien graag voorstellen in deze richting tegemoet.

Welk budgettair beslag is in totaal gemoeid met het bestaan van het fiscale eenheid regime, vragen de leden van de SP-fractie.

De budgettaire gevolgen worden geraamd op 139 miljoen euro in 2016 en 41 niljoen euro structureel, merken de leden van de SP-fractie op. Kan deze afloop worden verklaard? In welke orde van grootte valt een bedrijf dat een beschikking fiscale eenheid aanvraagt gemiddeld? Kan worden aangegeven hoe de verdeling van beschikkingen fiscale eenheid over de verschillende segmenten (klein- midden- en grootbedrijf) is verdeeld? Kan die verdeling ook worden gegeven voor enkel de uitbreiding die plaats vindt op grond van het wetsvoorstel? Waarop stoelt de regering de verwachting dat ook het kleinbedrijf hiervan profiteert?

De Awf-premie word incidenteel verhoogd ter dekking van het voorstel. Hoeveel wordt deze verhoogd, vragen de leden van de SP-fractie. Komt die verhoging voornamelijk bij de werkgever of bij de werknemer terecht? Kan ook meer specifiek worden ingegaan op de dekking vanaf 2017? Is de regering het met deze leden eens dat het grootbedrijf, dat in absolute zin het meest profiteert van de uitbreiding, ook de dekking voor het grootste deel zou moeten betalen?

Kan de regering hier aan geven wat de meeropbrengsten zouden zijn als de gehele regeling van de fiscale eenheid zou worden geschrapt, vragen de leden van de PVV-fractie.

Kan een beeld worden gegeven wat dit zou impliceren voor het (fiscale) vestigingsklimaat en de belastinginkomsten?

De leden van de D66-fractie vragen of de regering gedetailleerder in kan gaan op de dekking van de derving van 200 niljoen euro in 2016 en 2017, alsmede met betrekking tot de dekking in de jaren 2018 en 2019. Kan de regering daarbij ingaan op de vormgeving van de incidentele verhoging van de Awf-premie, de beschikbare middelen in het lastenkader en de taakstelling voor potentiële maatregelen die volgen uit het BEPS-project van de OESO?

De leden van de D66-fractie vragen of de regering een reservering zal maken voor een mogelijke derving door eventuele ongewenste situaties die zich kunnen voordoen als gevolg van deze wetswijziging of voor de mogelijke gevolgen van de uitspraak in de zaak Groupe Steria?

Heeft de regering bij de berekening van de meerjarenreeks van de budgettaire derving, rekening gehouden met de gevolgen van de bepaling dat «de aangewezen moedermaatschappij, haar boekjaar op gelijke wijze afsluit als een te voegen dochtermaatschappij», vraagt het lid Van Vliet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, Duisenberg

De griffier van de commissie, Van den Eeden