Gepubliceerd: 19 juni 2015
Indiener(s): Pieter Duisenberg (VVD)
Onderwerpen: financieel toezicht financiën
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34198-5.html
ID: 34198-5

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 19 juni 2015

De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

Blz.

   

1. Algemeen

2

2. Bescherming derivatenbezitters tegen faillissement van tussenpersonen

2

3. Uitvoering aanbevelingen evaluatie Interventiewet

4

4. Overige wijzigingen

5

a. intrekking vergunning wegens niet voldoen aan betalingsverplichtingen onder de Wbft

5

b. voeren van een adequate administratie van het derivatenvermogen

6

c. aanbieden van deelnemingsrechten in beleggingsinstellingen

6

d. doorberekening kosten Wwft-toezicht op kansspelaanbieders

6

e. aanpassing roulatieplicht in de Wet toezicht accountantsorganisaties

7

5. Administratieve lasten, nalevingskosten en toezichtlasten

8

a. bescherming derivatenbezitters tegen faillissement van tussenpersonen

8

b. wijziging Wet op de kansspelen

8

6. Consultatie

8

a. bescherming derivatenbezitters tegen faillissement van tussenpersonen

8

b. aanwijzing bij waarschijnlijk niet voldoen aan eisen geschiktheid of betrouwbaarheid

8

7. Artikelsgewijze toelichting

9

8. Advies Afdeling Advisering Raad van State en nader rapport

10

9. Overig

10

1. Algemeen

De leden van de VVD-fractie, van de SP-fractie, van de CDA-fractie, van de D66-fractie en van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2016 en hebben nog een aantal specifieke vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de voorgestelde Wijzigingswet financiële markten 2016. Volgens deze leden zijn de financiële markten te complex geworden. Als gevolg daarvan is ook de regulering van financiële markten complex. Maar complexiteit bestrijd je niet met complexiteit. Daarom is het noodzakelijk om de complexiteit in de financiële sector te reduceren door de transparantie te verhogen en producten te standaardiseren. De leden van de PvdA fractie hebben over deze wijzigingswet nog een aantal vragen.

2. Bescherming derivatenbezitters tegen faillissement van tussenpersonen

De leden van de VVD-fractie lezen dat er een link is met MiFID. Waarom wordt deze wijziging nu separaat voorgelegd via deze verzamelwet en is deze dus niet tegelijk met de implementatie MiFID 2 opgepakt, die inmiddels ook in consultatie is?

In de memorie van toelichting wordt gesteld dat de verplichting om adequate regelingen te treffen is in de praktijk lastig te realiseren voor financiële instrumenten die niet als effecten in de zin van de Wet giraal effectenverkeer (Wge) kunnen worden aangemerkt. Het is in de praktijk lastig, dus niet onmogelijk. Waarom is het in de praktijk lastig? Hoe kan het nu wel in de praktijk worden uitgevoerd zonder deze wetswijziging, zo vragen de leden van de fractie van de VVD.

In hoeverre vloeit dit voorstel onmiddellijk voort uit artikel 13 van de MiFID-richtlijn, vragen de leden van de fractie van de VVD. De Raad van State geeft namelijk aan dat dit niet het geval is. Waarom wordt het dan nu toch voorgesteld, lang nadat de MiFID-richtlijn van kracht is geworden?

In 2009 is gewerkt aan een vergelijkbaar voorstel, maar dat is uiteindelijk niet ingediend na kritische opmerkingen van marktpartijen en rechtswetenschappers. De leden van de fractie van de VVD vragen in hoeverre het huidige voorstel verschilt van het voorstel uit 2009?

Mede op verzoek van de AFM en DNB, maar ook op basis van geluiden uit de markt is in 2012 besloten opnieuw te trachten tot een regeling te komen. Welke geluiden waren dat en van wie waren die geluiden uit de markt?

Wat zijn de gevolgen voor een cliënt met een derivatenpositie indien die positie onderdeel is van een faillissement van een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling, zo vragen de leden van de fractie van de VVD. Waarom is er specifiek voor cliënten met een derivatenpositie extra bescherming nodig ten opzichte van andere cliënten die ook betrokken zijn in zo’n faillissement? Wat zijn de gevolgen voor andere schuldeisers in het faillissement door de regeling zoals die nu via deze wet wordt ingevoerd?

Alle derivatenpositie die een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling ten behoeve van haar cliënten aangaat met een derde, moeten straks worden afgescheiden van het vermogen van de betreffende instelling. Welke gevolgen heeft dit voor de vermogens- en kapitaalspositie als dit vermogen wordt afgescheiden, zo vragen de leden van de fractie van de VVD.

De leden van de VVD-fractie lezen dat er niet naar uitziet dat beleggingsondernemingen, die geen bank zijn, niet door dit wetsvoorstel zullen worden geraakt. Is «het ziet ernaar uit» niet een beetje vaag voor een dergelijk wetsvoorstel? Waarom weet men het niet zeker?

Duitsland, Engeland en Frankrijk hebben zich beperkt tot het bepalen dat het faillissementsrecht niet in de weg staat aan de overdracht van een derivatenportefeuille op grond van artikel 48 European Market Infrastructure Regulation (EMIR). Waarom hebben deze landen daarvoor gekozen, vragen de leden van de VVD-fractie. Waarom heeft Nederland niet voor deze optie gekozen? Wat is het grote verschil tussen de Nederlandse oplossing en de Duitse/Engelse/Franse oplossing? Hoe is een en ander geregeld in andere EU-landen?

Volgens de Raad van State vloeit de voorgestelde bescherming van opgebouwd derivatenvermogen buiten faillissement niet onmiddellijk voort uit de EMIR-verordening. Waarom wordt het dan toch zo voorgesteld, zo vragen de leden van de fractie van de VVD.

Waarom wordt enerzijds aangegeven dat dit voorstel voortvloeit uit de MiFID en de EMIR, maar wordt in het nader rapport gesteld dat het Europees rechtelijk regime tekort lijkt te schieten om een effectieve en volledige bescherming te realiseren, vragen de leden van de fractie van de VVD. In hoeverre heeft Nederland dit punt eerder ingebracht bij de onderhandelingen en besprekingen met betrekking tot MiFID 2 en EMIR? Zo niet, waarom is het toen niet ingebracht? Waarom wordt het niet alsnog op Europees niveau geregeld in plaats van nationaal?

De leden van de PvdA-fractie begrijpen de wens om derivatenbezitters beter te beschermen tegen het faillissement van hun, beleggingsonderneming of clearinginstelling. De leden van de PvdA-fractie vragen om nader te motiveren waarom het Europeesrechtelijke regime tekort lijkt te schieten om een effectieve en volledige bescherming te realiseren. De genoemde leden vragen waarom het nodig is dat Nederland met de voorgestelde bescherming van derivatencliënten verder gaat dan bijvoorbeeld Duitsland, Engeland en Frankrijk? De leden van de PvdA-fractie van welke marktpartijen – buiten enkele centrale tegenpartijen – signalen zijn ontvangen dat een beter bescherming van derivatenbezitters gewenst is?

De voorgestelde regeling heeft volgens de Minister mogelijk een positieve invloed omdat de regeling een betere bescherming biedt voor cliënten van tussenpersonen dan het rechtsregime in Duitsland, Engeland en Frankrijk. Kan nader aangegeven worden wat voor positieve invloed de regeling heeft? Waarom heeft Nederland een nationale kop gezet op artikel 48 EMIR? Geeft dit de Nederlandse tussenpersoon een gunstige concurrentiepositie? Waarom heeft de Minister het advies van de Raad van State niet opgevolgd en toch gepersisteerd in een aanwijzingsbevoegdheid? Waarom wordt er meer gewicht gegeven aan de roep vanuit de markt dan het advies van de Raad van State?

De financiële crisis heeft aangetoond dat handel in OCT-derivaten grote risico’s voor de financiële stabiliteit met zich meebrengt. Standaardisatie van derivaten en het verhogen van de transparantie in de handel ervan is essentieel om de derivatenmarkt veiliger te maken en de risico’s voor de financiële stabiliteit te beperken. Met de invoering van EMIR wordt een belangrijke stap gezet om een aantal belangrijke risico’s te verminderen, maar tegelijkertijd verschijnen daardoor nieuwe risico’s. De leden van de PvdA-fractie vragen wanneer de verplichting om gestandaardiseerde over-the-counter (OTC) derivatentransacties centraal te clearen via centrale clearinghuizen (CCPs) in de EU van kracht wordt? In hoeverre betekent de verplichting om gestandaardiseerde OCT derivatentransacties centraal te clearen niet slechts een verschuiving en concentratie van de risico’s bij deze CCPs? Welke maatregelen zijn genomen of worden verwacht om te komen tot een verdergaande standaardisatie van derivaten? Nu al bestaan zorgen over de kapitaalbuffers van CCPs. De leden van de PvdA-fractie vragen welke risico’s het omvallen van een CCP met zich meebrengt? De genoemde leden vragen welke kapitaaleisen aan CCPs worden gesteld en of deze eisen omhoog gaan als straks meer derivatentransacties via CCPs worden afgewikkeld? De leden van de PvdA-fractie vragen welke derivatentransacties niet via CCPs zullen worden verhandelend? Voorts vragen deze leden of de stresstest voor CCPs wel transparant en streng genoeg zijn? Worden CCPs voorafgaand aan de invoering van het raamwerk voor herstel en afwikkeling – gelijk banken voorafgaand aan de start van de Bankenunie – aan een grondige stresstest onderworpen?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering naar de noodzaak van dit onderdeel van onderhavig wetsvoorstel, nu de regering zelf ook al aangeeft dat bij veel derivatenhandel reeds sprake is van een vermogensscheiding en dat de bescherming van derivatenbezitters bij een faillissement van tussenpersonen niet vaak nodig zal blijken. Tevens merkt de regering zelf al op dat in omringende landen geen sprake is van een dergelijke beschermingsconstructie. Kan de regering een nadere motivatie voor nut en noodzaak van het wetsvoorstel geven die uitgebreider is dan thans in de memorie van toelichting is opgenomen?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering uiteen te zetten waarom voor bezitters van rentederivaten niet voor eenzelfde bescherming is gekozen als voor effectenbezitters.

De leden van de CDA fractie merken op dat derivaten in Nederland en elders niet gestandaardiseerd zijn en vragen welke gevolgen dat heeft voor voorliggend wetsvoorstel. Zij zouden de regering ook willen verzoeken om standaardisatie van derivaten, waardoor afwikkeling en waardering een stuk eenvoudiger worden, te overwegen en op de Europese agenda te plaatsen. Is de regering daartoe bereid?

3. Uitvoering aanbevelingen evaluatie Interventiewet

De leden van de VVD-fractie lezen dat het de facto geen verschil maakt voor de leningverstrekker of zijn vorderingsrecht rechtstreeks wordt onteigend dan wel of het met de door hem verstrekte lening corresponderende vermogensbestanddeel van de probleeminstelling wordt onteigend. In beide gevallen kan onteigening dus plaats vinden. Waarom is deze wetswijziging dan nodig?

In deze wijzigingswet wordt een aantal aanbevelingen van de evaluatie van de nationalisatie van SNS en evaluatie van de interventiewet verwerkt. Welke aanbevelingen, die het kabinet heeft overgenomen, zijn met deze wijzigingen nog niet uitgevoerd en wanneer en hoe gaan die alsnog uitgevoerd worden, zo vragen de leden van de fractie van de VVD.

De leden van de PvdA-fractie constateren tevreden dat twee belangrijke aanbevelingen uit de evaluatie van de Interventiewet worden uitgevoerd. De leden van de PvdA-fractie vragen evenwel welke voordelen het heeft dat vorderingsrechten op dezelfde wijze kunnen worden onteigend als effecten?

De leden van de fractie van de SP juichen de wijzigingen in de Interventiewet toe omdat nu ook de moedermaatschappij erbij wordt betrokken. Waarom is er zo lang gewacht om dit voorstel in wet om te zetten? Zijn er nog andere instellingen naast SNS waar de interventiebevoegdheden zijn toegenomen door dit voorstel? Hoe zat het specifiek met ABN AMRO en ING?

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom er een onderscheid wordt gemaakt tussen de voorwaarden voor ingrijpen bij een moedermaatschappij van een verzekeraar (zoals nu in de wijzigingswet wordt voorgesteld) en van een bank/beleggingsonderneming? Bij verzekeraars wordt ook gekozen voor de mogelijkheid om in te grijpen bij een gevaarlijke ontwikkeling met betrekking tot het eigen vermogen, de solvabiliteit en liquiditeit, waarbij redelijkerwijs te voorzien is dat die ontwikkeling niet voldoende of niet tijdig ten goede zal keren, terwijl voor banken/beleggingsinstellingen geldt «faalt of waarschijnlijk zal falen»? Waarom moet er bij een verzekeraar vroeger ingegrepen kunnen worden? Waarom is niet dezelfde terminologie c.q. voorwaarden gekozen? Waarom wordt de terminologie c.q. de voorwaarden niet gelijk getrokken? Welke regelgeving geldt als er van de groep zowel een bank als een verzekeraar onderdeel uitmaakt, zo vragen de leden van de fractie van de VVD.

De leden van de CDA-fractie vragen of deze wetswijziging gevolgen heeft voor interventies bij verzekeraars waarbij de moedermaatschappij niet in Nederland is gevestigd, of waarbij juist de dochter niet in Nederland is gevestigd. Heeft DNB respectievelijk het ministerie dan dezelfde bevoegdheden in vergelijking met verzekeraars die alleen in Nederland zijn gevestigd? Deze leden vragen ook of de Interventiewet nog steeds van toepassing is op kleinere banken die niet onder ECB toezicht vallen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om een nadere onderbouwing van de keuze om DNB de bevoegdheid te geven voor het inzetten van het overdrachtsinstrument jegens de moedermaatschappij van een verzekeraar. Welke voordelen heeft dit en waarom wordt deze bevoegdheid niet alleen bij de Minister neergelegd, zo vragen deze leden. Genoemde leden vragen hoe de afstemming tussen DNB en de Minister wordt gewaarborgd.

4. Overige wijzigingen

a. intrekking vergunning wegens niet voldoen aan betalingsverplichtingen onder de Wbft

De leden van de VVD-fractie lezen dat een relatief klein, maar consistent aantal vergunninghouders niet voldoet aan de betalingsverplichting. Om hoeveel vergunninghouders gaat het jaarlijks? De leden van de D66-fractie vragen hoeveel vergunningshouders op dit moment een betalingsachterstand hebben van meer dan een jaar. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe groot het aantal vergunninghouders is dat niet voldoet aan de verplichting tot het betalen van heffingen voor het doorlopend toezicht op grond van de Wet bekostiging financieel toezicht.

De leden van de fractie van de VVD vragen om welke type vergunningshouders het gaat (groot/klein, welke deel van de financiële sector)? Wat zijn de redenen dat vergunningshouders niet kunnen of willen betalen, vragen de leden van de fracties van de VVD en van de ChristenUnie.

De leden van de fractie van de VVD vragen hoe het niet (tijdig) betalen van de toezichtkosten is geregeld in andere sectoren? Wordt daar ook de mogelijkheid van het intrekken van een vergunning ingezet?

Als de vergunning in zo’n geval wordt ingetrokken, hoe en wanneer kan een bedrijf dan weer een vergunning aanvragen en krijgen? Wat zijn de gevolgen van het intrekken van de vergunning voor de onderneming en haar personeel en in hoeverre wordt daarmee rekening gehouden bij het inzetten van deze mogelijkheid door DNB/AFM, zo vragen de leden van de fractie van de VVD.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering op een rij te zetten welke oorzaken er ten grondslag liggen aan wanbetaling van de financiële ondernemingen aan de kosten voor doorlopend toezicht. Is dit bij de regering bekend? De leden van de CDA-fractie vinden het onwenselijk als instellingen wel profiteren van toezicht, maar er niet aan meebetalen. De ultieme sanctie van het intrekken van de vergunning gaat deze leden echter wel wat ver. Waarom wordt er niet gekozen voor andere oplossingen zoals het starten van een rechtszaak, waarbij de uitkomst minder verstrekkend is voor de onderneming?

De leden van de PvdA-fractie vragen om een overzicht van de acties die de toezichthouder onderneemt voordat de vergunning wordt ingetrokken van een onderneming die niet voldoet aan de betalingsverplichting van de heffingen voor het doorlopend toezicht.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wat de consequenties zijn van het intrekken van een vergunning van een onderneming voor de klanten. Hoe worden de gevolgen voor klanten zo beperkt mogelijk gehouden, zo vragen deze leden.

b. voeren van een adequate administratie van het derivatenvermogen

Een tussenpersoon moet aantonen te voldoen aan de eisen van het nieuwe artikel 3:33c Wft. Hoe kan een tussenpersoon dat aantonen, vragen de leden van de fractie van de VVD.

c. aanbieden van deelnemingsrechten in beleggingsinstellingen

Bij de implementatie van de richtlijn beheerders alternatieve beleggingsinstellingen (AIFM), die nog niet zo lang geleden heeft plaatsgevonden, zijn de nu opgenomen voorwaarden niet geïmplementeerd. Waarom is dat destijds niet gedaan, vragen de leden van de fractie van de VVD. Wat waren daarvoor de redenen c.q. wat is nu de aanleiding voor de implementatie? Waarom wordt artikel 36 van de richtlijn nu alsnog ingevoerd, en is dit eerder achterwege gelaten?

d. doorberekening kosten Wwft-toezicht op kansspelaanbieders

Het toezicht op naleving van beide wetten (Wwft en kansspelwetgeving) leidt naar verwachting tot een efficiencywinst en lagere kosten. Kan hier een indicatie van gegeven worden, vragen de leden van de fractie van de VVD.

De kosten voor het Wwft-toezicht voor landgebonden speelcasino’s worden geschat op 30.000 euro. Hoeveel kosten maakt de DNB op dit moment voor deze taak?

Hoe kan het Wwft-toezicht op aanbieders van kansspelen op afstand goed en effectief plaats vinden? De kosten Wwft-toezicht voor kansspelen op afstand wordt geschat op 560.000 euro. Het percentage van het brutospelresultaat wordt vastgesteld op 0,28%. Wat gebeurt er met dit percentage als de aannames die zijn gedaan absoluut niet kloppen, vragen de leden van de fractie van de VVD.

De leden van de CDA-fractie vragen een indicatie van de opbrengst die dit onderdeel van de wetswijziging met zich meebrengt, aangezien het gaat om het heffen van een bijdrage bij een sector waar eerder geen bijdrage werd geheven. Is dit dezelfde 560.000 euro die aan nu aan kosten wordt gemaakt? Tevens vragen deze leden naar de nut- en noodzaak van de wijziging anders dan de argumentatie dat het stond aangekondigd in het regeerakkoord, aangezien de regering zelf ook al aangeven dat kansspelaanbieders zelf ook al maatregelen nemen om witwassen en financiering van terroristische activiteiten tegen te gaan.

e. aanpassing roulatieplicht in de Wet toezicht accountantsorganisaties

De leden van de fractie van de VVD zijn zeer content met het feit dat naar aanleiding van een motie van de leden van de VVD-fractie de roulatieplicht voor accountantsorganisaties bij wettelijke controles van organisaties van openbaar belang door deze wijzigingswet wordt aangepast van 8 naar 10 jaar en daarmee in lijn worden gebracht met de Europese regelgeving op dit punt.

Als het gaat om de interne roulatie van externe accountants gaat deze van 7 naar 5 jaar. Waarom is hierbij niet voorzien in een overgangstermijn? Een persoon die op 1 januari 2016 langer dan 5 jaar bij een klant zit, is direct in overtreding. Voor circa 90% van de accountants van organisaties van openbaar belang (OOB’s) zal dit geen probleem zijn, omdat zij de afgelopen paar jaar van accountantskantoor zijn gewisseld. Er lijkt wel een probleem voor het resterende deel. Zij zullen hals over kop met ingang van 1 januari 2016 hun controle moeten staken en dat levert praktische problemen op en risico’s voor de controlekwaliteit. Waarom kan dit onderdeel van de wijzigingswet niet ingaan per 1 januari 2018, vragen de leden van de VVD-fractie.

De termijn voor roulatie van de externe accountant die verantwoordelijk is voor de wettelijke controle gewijzigd naar vijf jaar. Doordat de partnerroulatie en de kantoorroulatie niet gelijk lopen bestaat de vrees dat er situaties kunnen ontstaan dat een OOB in drie opeenvolgende boekjaren met drie verschillende externe accountants te maken krijgt. De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de regering hier tegenaan kijkt?

De leden van de CDA-fractie vragen naar de reden dat de wijziging van de roulatieplicht al ingaat per 1 januari 2016 en vragen het oordeel van de Minister over het mogelijke gevolg dat OOB’s door een samenloop van verschillende wetswijzigingen in enkele jaren met verschillende wijzigingen van de externe accountant te maken kunnen krijgen.

De leden van de D66-fractie onderschrijven de aanpassing van de termijn voor interne roulatie van de externe accountant die verantwoordelijk is voor de wettelijke controle van zeven naar vijf jaar, zodat op de helft van de termijn voor kantoorroulatie gewisseld wordt van verantwoordelijke externe accountant. Deze leden vragen hoe de regering aankijkt tegen een overgangstermijn voor organisaties van openbaar belang waar de controlepartner in het 6e of 7e controlejaar zit.

5. Administratieve lasten, nalevingskosten en toezichtlasten

a. bescherming derivatenbezitters tegen faillissement van tussenpersonen

De implementatie en naleving van de regeling tot bescherming van derivatenbezitters tegen faillissement van tussenpersonen zullen tot kosten voor de toezichthouder leiden. Hoe hoog zijn deze kosten van DNB en AFM die doorgerekend worden aan de sector? Hoe wordt dit verdeeld over de bedrijven, vragen de leden van de fractie van de VVD.

b. wijziging Wet op de kansspelen

De leden van de fractie van de VVD vragen hoeveel hoger de kansspelheffing wordt die de kansspelautoriteit gaat innen als gevolg van de voorstellen in deze wijzigingswet?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om een toelichting over de wijze waarop de risicoanalyse onder kansspelvergunninghouders wordt uitgevoerd.

6. Consultatie

a. bescherming derivatenbezitters tegen faillissement van tussenpersonen

Met betrekking tot de bescherming van derivatenbezitters tegen faillissement van tussenpersonen is een aantal kritische kanttekeningen geplaatst, zo is te lezen in de memorie van toelichting. Op welke onderdelen was dit, vragen de leden van de fractie van de VVD. Door wie zijn die kritische kanttekeningen geplaatst? En wat waren de redenen voor de kritische kanttekeningen?

Verdergaande bescherming van de rechten van cliënten zou van invloed zijn op het verdienmodel van tussenpersonen en hen op achterstand zetten ten aanzien van buitenlandse concurrenten. In hoeverre beïnvloeden de huidige voorstellen het verdienmodel van tussenpersonen? En in hoeverre zetten de huidige voorstellen de tussenpersonen op achterstand bij buitenlandse concurrenten ofwel in hoeverre is er nog sprake van een gelijk speelveld en een gelijke concurrentiepositie door de voorstellen, vragen de leden van de VVD-fractie.

b. aanwijzing bij waarschijnlijk niet voldoen aan eisen geschiktheid of betrouwbaarheid

Een aanwijzingsbevoegdheid tot schorsing van beleidsbepalers en commissarissen, zoals opgenomen in de consultatieversie van dit wetsvoorstel is geschrapt. De leden van de fractie van de VVD denken dat dit terecht is. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is besloten om de wenselijkheid en eventuele wettelijke vormgeving van een dergelijke bevoegdheid te heroverwegen. Waarom is er gekozen voor heroverwegen en waarom dus niet gewoon voor schrappen? Is er sprake van uitstel of afstel? Waar hangt het wederom opnieuw indienen van een dergelijke aanwijzingsbevoegdheid eventueel vanaf? Bent u het met deze leden eens dat een financiële onderneming in eerste instantie zelf verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het functioneren van haar bestuurders en beleidsbepalers? Zo nee, waarom niet? Waarom zou een onderneming in de situatie waarin de aanwijzingsbevoegdheid mag worden toegepast niet zelf optreden? Waarom is een ingrijpende mogelijkheid van een aanwijzingsbevoegdheid bij waarschijnlijk niet voldoen aan eisen geschiktheid of betrouwbaarheid überhaupt nodig volgens de regering?

De betrouwbaarheid- en geschiktheidstoetsingen in de financiële sector worden ervaren als een machtig instrument. DNB heeft enerzijds de pet op van toezichthouder en anderzijds die van toetser. Tegen het DNB-besluit staat de mogelijkheid van bezwaar open. De bezwaarfase is een intern DNB-traject en wordt eigenlijk ervaren als een kansloze procesgang, terwijl de vervolgstap naar de bestuursrechter ook niet makkelijk wordt genomen in verband met reputatieschade. De leden van de fractie van de VVD vragen of het klopt dat het bezwaar weliswaar door DNB-medewerkers wordt behandeld die eerder niet betrokken zijn bij de zaak, maar wel door medewerkers die onder dezelfde leidinggevende vallen als degene die negatief heeft geoordeeld? Hoe wordt de onafhankelijkheid van de bezwaarfase gegarandeerd? Hoe is dit in de wet- en regelgeving geregeld? Zou de onafhankelijkheid niet beter gegarandeerd kunnen worden door bijvoorbeeld het instellen van een bezwaarcommissie bestaande uit deskundige mensen die niet werkzaam zijn bij DNB? Zo nee, waarom niet? Welke andere opties zijn er dan wel mogelijk om de onafhankelijkheid te kunnen garanderen, vragen de leden van de VVD-fractie.

7. Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel CC

Het is wenselijk om de systematiek waaronder kan worden ingegrepen op het niveau van een moedermaatschappij voor alle type financiële ondernemingen zoveel mogelijk consistent te houden, wordt gesteld in de memorie van toelichting. De leden van de fractie van de VVD vragen waarom hier wordt gesproken van zoveel mogelijk? Waar zitten er nu afwijkingen? Waarom is het niet gewoon consistent geregeld? Waar is er «zoveel mogelijk» aangesloten bij de BRRD-systematiek, waarom is er niet gewoon de BRRD-systematiek overgenomen? Waar wordt afgeweken van de BRRD-systematiek in deze wijzigingswet en waarom?

Artikel I, onderdeel QQ

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering kan aangeven hoe invulling wordt gegeven aan de nadere regels die gesteld kunnen worden over de bedrijfsvoering, de informatie aan beleggers en deelnemers, de bewaarder, de informatie aan toezichthoudende instanties, de bevoegdheden van toezichthoudende instanties en de adequate behandeling van deelnemers.

Artikel II, onderdeel U

Artikel 49f

De leden van de fractie van de SP danken de regering voor de uitgebreide artikelsgewijze toelichting met overzichtelijke schema’s. Wat zijn de voor- en nadelen van een indirect clearing member? Heeft dit geen nadelen op het gebied van de transparantie en de complexiteit van de processen?

Artikel 49g

Hoe is de regering van plan om de administratie van de tussenpersoon te verplichten om van goede kwaliteit te zijn waaruit blijkt welke derivatenposities de rechten en verplichtingen tot het derivatenvermogen behoren, vragen de leden van de fractie van de SP.

8. Advies Afdeling Advisering Raad van State en nader rapport

Het onderdeel uit de consultatieversie van de wijzigingswet «toepassing douanewet ter voorkomen witwassen en financiering terrorisme» is geschrapt en het wordt heroverwogen. Waarom is er gekozen voor heroverwegen, vragen de leden van de VVD-fractie. Is er sprake van uitstel of afstel? Waar hangt het wederom opnieuw indienen van dit voorstel vanaf?

Vanuit de consultatieversie zijn twee voorstellen geschrapt, die worden heroverwogen naar aanleiding van opmerkingen van de Raad van State. Welke lering wordt daaruit getrokken? In hoeverre gaat de voorbereiding van de wetgeving te snel en daarmee niet voldoende zorgvuldig, zo vragen de leden van de fractie van de VVD.

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom de redactionele opmerkingen van de Raad van Staten over artikel 3:99 niet worden overgenomen?

9. Overig

De Wijzigingswet financiële markten 2016 is één in de jaarlijkse wijzigingscyclus en daarmee feitelijk een verzamelwet. Daarom willen de leden van de VVD-fractie ook nog een aantal zaken aankaarten die (mogelijk) ontbreken in de voorliggende wijzigingswet.

Klanten met Amerikaanse nationaliteit

De leden van de fractie van de VVD vragen of het de regering bekend is dat in ieder geval één financiële instelling de cliënten heeft benaderd om na te gaan of zij (ook) de Amerikaanse nationaliteit hebben om vervolgens op basis daarvan al dan niet de rekening van de betrokkenen te sluiten? In hoeverre is deze praktijk ook bij andere financiële instellingen aan de orde, bij huidige klanten dan wel bij de beoordeling van nieuwe klanten? Klopt het er naast deze ene financiële instelling er in ieder geval nog twee financiële instellingen zijn die om dezelfde reden kritisch zijn bij nieuwe rekeningen?

In hoeverre vindt de regering het wenselijk dat financiële instellingen een dergelijke aanpak kiezen met betrekking tot de beleggingsdienstverlening of anderszins? Op basis van of vanwege welke wet- en regelgeving (in Nederland of de Verenigde Staten) kijken financiële instellingen kritisch naar klanten met (ook) een Amerikaanse nationaliteit? Welke risico’s lopen financiële instellingen in Nederland als ze dit niet doen? Wat is de rol van de AFM op dit punt en waarom pakt de AFM dit niet aan/op? Heeft het gesprek met de banken waartoe het kabinet is opgeroepen naar aanleiding van de motie Neppérus bij het FATCA-verdrag nu effect gesorteerd? Hoe is deze motie uitgevoerd?

Telefoonabonnementen met telefoon

In juni 2014 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan inzake de vraag of het aanbieden van gratis mobiele telefoontoestellen bij het afsluiten van een abonnement koop op afbetaling is. De Hoge Raad concludeerde dat er van mag worden uitgegaan dat in de prijs van het abonnement een vergoeding voor het mobiele toestel zit inbegrepen. En dat er sprake is van koop op afbetaling en consumentenkrediet. Deze uitspraak kan grote gevolgen hebben voor zowel de providers als consument. Daarmee zouden de telecombedrijven ook onder de Wet financieel toezicht komen te vallen, Wft-diploma’s moeten halen en een vergunning van de AFM moeten hebben. En voor consumenten die bijvoorbeeld getrouwd zijn zou gaan gelden dat de echtgenoot toestemming moeten verlenen om een abonnement met telefoon af te sluiten.

Er zou in april 2015 duidelijkheid komen vanuit het Ministerie van Financiën en de AFM. Dat is tot op heden nog niet gebeurd. Welke gevolgen kan de uitspraak van de Hoge Raad hebben voor de providers c.q. telecombedrijven, vragen de leden van de fractie van de VVD. Welke gevolgen kan dit hebben voor de consument? Vindt de regering dit wenselijk? Hoe gaat de regering om met de uitspraak van de Hoge Raad? Hoe gaat de AFM om met de uitspraak van de Hoge Raad? In hoeverre gaat de regering de wet- en regelgeving aanpassen?

Evaluatie biedplicht

Tijdens het wetgevingsoverleg aangaande de Wijzigingswet financiële markten 2015 deed de Minister van Financiën de toezegging om het toezicht op de biedplicht te evalueren en specifiek de rollen van de AFM en de Ondernemingskamer daarin te betrekken. De leden van de D66-fractie vragen of de regering kan aangeven hoe ver de evaluatie gevorderd is en wanneer de Kamer hierover geïnformeerd zal worden.

Triloogonderhandeling over Betaaldienstrichtlijn II (PSD II)

De leden van de D66-fractie vragen of de regering kan toelichten hoe de triloogonderhandeling over Betaaldienstrichtlijn II (PSD II) vordert. Deze leden vragen of de regering daarbij in kan gaan op de bepalingen omtrent surchargen.

De voorzitter van de commissie, Duisenberg

De adjunct-griffier van de commissie, Van den Eeden