Kamerstuk 34000-XV-8

Aandachtspunten bij de begroting 2015 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Dossier: Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2015

Gepubliceerd: 11 november 2014
Indiener(s): Indiener/ondertekenaar n.v.t.
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34000-XV-8.html
ID: 34000-XV-8

Nr. 8 BRIEF VAN DE ALGEMENE REKENKAMER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 november 2014

Met deze brief ontvangt u enkele aandachtspunten bij onderdelen van de begroting 2015 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Een goede verantwoording begint bij een goede begroting. Het is van belang inzicht te hebben in hoe het kabinet uw Kamer informeert over bezuinigingen of intensiveringen en de bijbehorende maatregel(en) en effecten. Deze brief kan uw Kamer derhalve betrekken bij de voorbereiding op het begrotingsdebat van 25 november 2014.

De begroting 2015 van het Ministerie van SZW omvat € 32.422 miljoen aan uitgaven en € 1.685 miljoen aan ontvangsten. We besteden in deze brief aandacht aan de volgende onderwerpen:

  • Participatiewet

  • Sectorplannen

  • Fraude

  • Open data

  • Opvolging aanbevelingen Algemene Rekenkamer

De uitgaven op het terrein van de sociale zekerheid en het arbeidsmarktbeleid omvatten naast begrotingsgefinancierde uitgaven ook premiegefinancierde uitgaven. Als de premiegefinancierde uitgaven worden meegenomen bedragen de totale uitgaven in 2015 op het terrein van de sociale zekerheid en het arbeidsmarktbeleid € 77 miljard.1 Daarmee vormen ze de grootste post binnen de collectieve uitgaven. De Tweede Kamer heeft geen budgetrecht op de premiegefinancierde uitgaven. De premies worden wel geïnd door de Belastingdienst onder verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën. De premiehoogte wordt vastgesteld door de Minister van SZW middels een ministeriële regeling.2 In onze brief van 7 november 2013 over de modernisering van de Comptabiliteitswet hebben we hier in het kader van het budgetrecht aandacht aan besteed.3

1 Participatiewet

Op verzoek van uw Kamer hebben wij afgelopen jaar bijzondere aandacht besteed aan de komende decentralisaties. In de Staat van de Rijksverantwoording hebben wij daarover gerapporteerd en onder meer voorwaarden voor een verantwoorde decentralisatie omschreven.4 In deze brief staan we daar wederom bij stil, in het bijzonder betreffende de arbeidsparticipatie als onderdeel van de decentralisatieoperatie.

Per 1 januari 2015 wordt de Participatiewet van kracht. Gemeenten krijgen geld en taken voor de uitvoering van deze wet. Doordat per 1 januari 2015 strengere toegangseisen voor de Wajong gelden en de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) wordt afgesloten voor nieuwe instroom, moeten gemeenten deze nieuwe instroom van mensen met een arbeidsbeperking ondersteunen bij het zoeken naar werk.5 De gemeenten krijgen een aantal extra instrumenten, waarmee ze ook deze doelgroep van de Participatiewet naar een baan kunnen begeleiden. Dat gaat om loonkostensubsidies, garantiebanen en beschutte werkplekken.

Wet- en regelgeving nog niet gereed

De Participatiewet is in 2014 door de Tweede en Eerste Kamer aanvaard, maar een aantal onderdelen moet d.d. oktober 2014 nog worden uitgewerkt in Algemene maatregelen van Bestuur. Per oktober 2014 moet het Besluit Beschut werk nog worden gepubliceerd. Het is van belang dat bij de inwerkingtreding van de Participatiewet per 1 januari 2015 tijdig zekerheid bestaat over alle geldende wetten en regels. Zoals bij beschut werk bijvoorbeeld, waarbij nog formeel moet worden vastgelegd dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) adviseert of iemand in aanmerking komt voor beschut werk en welke criteria daarbij moeten worden gehanteerd. De stand van zaken is echter dat gemeenten twee maanden voor het ingaan van de decentralisaties hierover deze zekerheid nog moeten krijgen.

In de begroting koppelt de Minister de invoering van de Participatiewet aan de afspraak uit het Sociaal Akkoord 2013 om in de periode tot en met 2026 structureel 125.000 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking te scheppen («garantiebanen»). Deze 125.000 banen dienen bij werkgevers met meer dan 25 werknemers te worden gerealiseerd: 100.000 in de marktsector en 25.000 bij de overheid. Daartoe is de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten op 30 juni 2014 bij uw Kamer ingediend. In artikel 2 van de begroting 2015 staat vermeld dat er in 2015 in de marktsector 10.000 van dergelijke garantiebanen zullen zijn, en bij de overheid 5.000, waarvan respectievelijk 5.000 en 2.500 in 2014 moeten zijn gerealiseerd. Hierover moeten op regionaal niveau afspraken worden gemaakt tussen gemeenten en sociale partners. De monitoring van de garantiebanen en de activering van de quotumheffing wil de Minister nader uitwerken in regelgeving.

De Minister geeft aan dat hij in 2014 een nulmeting zal uitvoeren en vervolgens de jaarlijkse toename van het aantal garantiebanen zal bijhouden.6 Van belang is dat de Minister ook verantwoording aflegt in het jaarverslag 2015 over het realiseren van de doelstelling.

Afspraken over toezicht sociaal domein ontbreken nog

Voor het sociaal domein is sprake van een complexe inrichting van het toezicht, waarbij taken verdeeld zijn over gemeenten, landelijke inspecties en ministeries. In onze brief bij de begroting van BZK constateren wij dat elk van de drie wetten in het sociaal domein een eigen inrichting van toezicht kent.7

In de Participatiewet is bepaald dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het handhavingstoezicht. In de begroting 2015 zegt de Minister systeemtoezicht te houden op de Participatiewet. In de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen is bepaald dat de Inspectie SZW8 is belast met het stelseltoezicht. Bij dit type toezicht oordeelt de inspectie in hoeverre partijen met hun gezamenlijke uitvoering effectief bijdragen aan de kabinetsdoelen.9

Een interessant voorbeeld in dit verband is het gezamenlijk onderzoek van de Rijksinspecties die betrokken zijn bij het toezicht op het sociaal domein, dat in 2014 is gestart.10 Dat onderzoek richt zich op de re-integratie van jongeren na een verblijf in een gesloten inrichting, waarbij inspecties samen onderzoeken of het stelsel tot voldoende effecten leidt. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij de uitgangspunten van het gedecentraliseerde beleid, waarin doelgroepen integraal moeten worden geholpen.

Complicerende factor daarbij is dat de inrichting van de uitvoering van taken op het sociaal domein en het gemeentelijke toezicht daarop kan verschillen per gemeente. Een gegeven is dat hulpverleners en instellingen vanuit verschillende wetten burgers zorg, hulp en ondersteuning kunnen leveren en dat zij en de betreffende burgers daardoor te maken krijgen met verschillende toezichthouders.

Het is daarom van belang dat het kabinet samen met gemeenten vóór 1 januari 2015 duidelijk maakt hoe de verantwoordelijkheden, taken en bevoegdheden voor het toezicht en de coördinatie en afstemming daarvan ingevuld gaan worden in de praktijk. In de brief bij de begroting van BZK gaan we daar nader op in

(zie bijlage 1).

Veranderingen in de financieringssystematiek

Tegelijk met de invoering van de Participatiewet verandert ook de financiering. In de volgende tabel laten we de ontwikkeling van de macrobudgetten van de Participatiewetuitkering en de integratie-uitkering Sociaal domein zien.

Ontwikkeling macrobudget Participatiewetuitkering en budget bijstand en gebundeld Participatiebudget/ Wet sociale werkvoorziening (WSW) (bedragen in € miljard)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Bijstand / P-wetuitkering1

Artikel 2 SZW

5,7

5,5

5,6

5,8

5,9

6,1

WSW2

Artikel 2 SZW

2,4

         

Participatiebudget2

Artikel 2 SZW

0,7

         

Integratie-uitkering Sociaal domein

0,0

2,9

2,7

2,6

2,4

2,3

Totaal

8,8

8,4

8,3

8,4

8,3

8,4

Bron: Ontwerpbegroting SZW 2015. Tabel 2.1.2.1, SZA-uitgaven 2014–2019, blz. 25.

X Noot
1

Specifieke uitkering van het Ministerie van SZW aan gemeenten.

X Noot
2

Tot en met 2014 zijn dit specifieke uitkeringen van het Ministerie van SZW aan gemeenten.

Wij willen bij dit overzicht het volgende onder de aandacht brengen:

  • Voor zowel de Participatiewetuitkering als de integratie-uitkering Sociaal domein (arbeidsparticipatie) worden met ingang van 2015 nieuwe verdeelmodellen gebruikt. Deze nieuwe verdeelmodellen leiden tot herverdeeleffecten tussen gemeenten. De Staatssecretaris heeft aangegeven dat deze herverdeeleffecten beperkt zijn.11

  • In 2015 wordt met de invoering van de integratieuitkering Sociaal domein € 10,3 miljard ondergebracht in het gemeentefonds. Hiervoor wordt vanuit de begroting SZW € 2,9 miljard overgeboekt naar de begroting van het gemeentefonds. Oogmerk van de integratie-uitkering Sociaal domein is dat gemeenten zelf beslissen over de aanwending van deze gelden binnen het sociaal domein. Daarover leggen colleges van B en W verantwoording af aan de gemeenteraad. De verantwoordelijkheid van de Minister van SZW is daarmee gewijzigd en de Minister is niet langer verantwoording verschuldigd aan het parlement over de specifieke aanwending van voornoemde 2,9 miljard euro. We merken op dat hij hier wel over rapporteert in de bijlage over het SZA-kader. De Minister stelt daarin dat hij – in ieder geval in de periode 2015–2017 – aanspreekbaar blijft voor zowel de omvang van de geldstroom (macrobudget) als de verdeling daarvan over de gemeenten (verdeelmodel). Deze nieuwe verantwoordelijkheid vraagt nadere duiding gelet op de nieuwe positie van gemeenten en roept tevens de vraag op wat het parlement bij gelegenheid van de verantwoording over 2015 van de Minister van SZW kan verwachten. Is de Minister bijvoorbeeld voornemens om zich dan te verantwoorden over de toereikendheid van het macrobudget en de robuustheid van de verdeelmodellen?

2 Sectorplannen

De Minister van SZW heeft voor de periode 2014–2015 € 600 miljoen beschikbaar gesteld voor de cofinanciering van sectorplannen.12 Het doel van deze sectorplannen is op de korte termijn gericht op behoud van werkgelegenheid en voorkomen van werkloosheid. Op de middellange termijn moeten ze de werking van de arbeidsmarkt versterken. In de begroting 2015 (artikel 2) geeft de Minister van SZW aan dat 185.000 mensen in 2014 geholpen zijn met de sectorplannen die in de eerste tranche zijn goedgekeurd. Dat varieert van stages, scholing, mentorschap, van-werk-naar-werk, ondersteuning bij het vinden van nieuw werk en gezondheidschecks. Uit de begroting SZW voor 2015 (artikel 2 en de subsidiebijlage (bijlage 6)) blijkt dat er komend jaar € 214 miljoen beschikbaar is voor de sectorplannen.

Verantwoording over effectiviteit niet duidelijk

Uw Kamer heeft aangegeven dat de regering zich goed moet verantwoorden over de doelmatigheid en doeltreffendheid van de sectorplannen. In de motie Heerma c.s. wordt de regering verzocht om bij voortgangsbrieven, jaarverslagen en eindevaluatie per sectorplan meer en voldoende informatie te verschaffen over kwantitatieve doelen, aangevuld met gegevens over de behaalde resultaten.13 De indieners van de motie zijn van mening dat de informatieverstrekking over de sectorplannen nog niet toereikend is om een goed oordeel te vormen over de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid.

De Minister heeft uw Kamer voor 2016 een evaluatie van de sectorplannen toegezegd.14 Het is om twee redenen nog niet duidelijk of de Minister zich daarmee voldoende over de doeltreffendheid van de sectorplannen zal kunnen verantwoorden:

  • 1. De cofinanciering voor twee jaar impliceert niet dat alle plannen een looptijd van twee jaar hebben. Dat geldt zeker voor de maatregelen die gericht zijn op een versterking van de arbeidsmarkt voor de langere termijn. In 2016 zal voor een deel van de plannen een definitieve evaluatie te vroeg zijn.

  • 2. De Minister dient volgens de regeling informatie te ontvangen over de behaalde resultaten en gemaakte kosten in termen van aantallen, aard en kosten van de maatregelen en de prestaties. Alle goedgekeurde plannen bevatten deze concrete informatie. Het aanleveren van informatie over de effecten van de plannen daarentegen is geen subsidievoorwaarde.15 De Minister zal daardoor wel uitspraken kunnen doen over de prestaties, maar in hoeverre de Minister uitspraken kan doen over de doeltreffendheid van de sectorplannen waarvoor geld in de begroting is opgenomen, is onduidelijk. De vraag resteert in hoeverre stages, scholing, gezondheidschecks, e.d. hebben geleid tot het overbruggen van de crisis of versterking van de arbeidsmarkt.

3 Fraude

Op verzoek van uw Kamer hebben wij het afgelopen jaar bijzondere aandacht besteed aan de fraudeaanpak. De aanpak zoals voorgesteld door de Minister van SZW, richt zich op het intensiveren van de handhaving, het verhogen van de pakkans en het voorkomen van fraude.16 In 2013 kondigde de Minister aan om met ingang van 2014 vier jaar lang de capaciteit bij het UWV, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de Inspectie SZW met 260 fte uit te breiden, waarvoor hij cumulatief € 100 miljoen beschikbaar had gesteld. Hiermee verwachtte de Minister in totaal € 189 miljoen te besparen.17 Voor het UWV zijn in de bijlage van de begroting 2015 de kosten en besparingen ingeboekt.18 Uit deze gegevens komt naar voren dat in de periode 2014–2017 cumulatief € 100,7 miljoen euro wordt besteed aan de intensivering van de handhavingscapaciteiten van de WW. De intensiveringen bij de SVB en de Inspectie SZW worden niet in de begroting genoemd.

Bij dergelijke intensiveringen is het van belang dat de Minister verantwoording kan afleggen over de resultaten van extra investeringen.19 In ons Verantwoordingsonderzoek 2013 concludeerden we dat informatie over resultaten voor het parlement van belang is om te controleren of het fraudebeleid succesvol is.20 We constateren dat in de begroting 2015 geen verband wordt gelegd tussen de inzet van extra handhavingscapaciteit en de beschikbare informatie over fraude. In de begroting zijn kerncijfers opgenomen voor preventie (gepercipieerde detectiekans en kennis van de verplichtingen), opsporing (aantal geconstateerde overtredingen en het totaal benadelingbedrag) en terugvordering (incassoratio). We constateren dat een indicator voor de gepercipieerde strafkans ontbreekt. Voor preventie is dit belangrijke informatie: als uitkeringsgerechtigden de strafkans laag inschatten wordt het risico op fraude groter. Het is daarom belangrijk dat deze indicator wordt meegenomen in de vervolgmeting waarvan de uitkomsten in het jaarverslag 2014 worden opgenomen.21

4 Open data

De overheid moet méér het voortouw nemen in het actief digitaal beschikbaar stellen van de openbare data waar zij over beschikt. Daarmee neemt het inzicht in de besteding van belastinggeld toe, ontstaan kansen voor hergebruik van data en wordt de overheid gestimuleerd om te innoveren en efficiënter te werken. Hiervoor is het van belang dat de departementen weten over welke data zij beschikken en welk deel daarvan openbaar is en dus als open data kan worden aangeboden. Een en ander constateerden wij in ons Trendrapport open data (maart 2014).

Wij constateren dat de Minister van SZW op dit moment nauwelijks open data beschikbaar stelt. Positief is dat de Minister het komend half jaar verkent welke data structureel als open data kunnen worden aangeboden. Een goed voorbeeld van informatie die als open data kunnen worden aangeboden zijn beschikbare gegevens over de omvang en kwaliteit van de kinderopvang in Nederland. Zo is er de rapportage Cijfers kinderopvang eerste kwartaal 2014. Deze rapportage biedt een goed inzicht in de ontwikkeling in het gebruik van kinderopvangtoeslag, arbeidsparticipatie, het aantal instellingen en uurprijzen.

Wij bevelen de Tweede Kamer aan om de Minister van SZW te vragen welke data hij op korte termijn al als open data kan aanbieden.

5 Opvolging aanbevelingen Algemene Rekenkamer

We wijzen de Tweede Kamer op de stand van zaken met betrekking tot het opvolgen van de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer door het Ministerie van SZW. Tot voor kort was er geen goed inzicht in de mate waarin de ministeries onze aanbevelingen opvolgen. Sinds 2013 vragen wij daarom de ministeries om ons te rapporteren welke acties zij hebben ondernomen naar aanleiding van onze onderzoeken. Voor het Ministerie van SZW betreft het voor de periode van januari 2012 tot en met juni 2014 vijf rapporten met daarin vijftien aanbevelingen. Op veertien van deze aanbevelingen hebben de bewindspersonen van SZW actie ondernomen. Op zeven aanbevelingen is geen toezegging gedaan, maar het ministerie heeft volgens eigen opgave wel actie ondernomen. Op een aanbeveling heeft de Minister geen toezegging gedaan, daar is dus geen actie op ondernomen. In de bijlage staat een uitgebreidere rapportage van de resultaten voor het Ministerie van SZW22. Ook hebben wij in bijlage 2 per rapport de stand van zaken in kaart gebracht. Deze zijn ook digitaal te vinden op http://www.rekenkamer.nl/Publicaties/Opvolging_aanbevelingen. Zo kan uw Kamer zicht houden op de mate waarin ministeries daadwerkelijk aan de slag gaan met onze aanbevelingen en indien gewenst de bewindspersonen daarop aanspreken.

6 Reactie Minister van SZW

Op 11 november 2014 heeft de Minister van SZW, mede namens de Staatssecretaris, gereageerd op een conceptversie van deze brief. De volledige reactie is te lezen op www.rekenkamer.nl.

De Minister zegt dat de aanbevelingen herkenbaar zijn en in lijn liggen met eerdere toezeggingen aan de Tweede Kamer en al ingezette activiteiten:

  • Toezeggingen met betrekking tot monitoring en evaluatie van de Participatiewet worden onverkort nagekomen.

  • Voor de sectorplannen is een tussenevaluatie op basis van toegekende middelen en in uitvoering genomen plannen voorzien. Na afloop is een evaluatie van de behaalde resultaten, gemaakte kosten en prestaties voorzien.

  • De gepercipieerde detectiekans en de kennis van de verplichtingen zullen in het jaarverslag als kerncijfers voor preventie van fraude worden opgenomen.

  • In overleg met het CBS en andere ministeries zal de Minister bezien welke data wanneer als open data kunnen worden aangeboden.

De aanbeveling over het op regionaal niveau inzicht geven in de pedagogische kwaliteit van kinderopvang neemt de Minister niet over. Hij vindt juist een landelijk beeld van kwaliteit van belang, omdat stimuleringsmaatregelen ook een landelijk karakter hebben.

Helaas neemt de Minister de aanbeveling om regionale verschillen in de pedagogische kwaliteit te monitoren niet over. We denken dat inzicht in (verklaringen voor) regionale verschillen kan bijdragen aan een beter inzicht in de werking van het systeem van kinderopvang, waarvoor de Minister van SZW verantwoordelijk is.

7 Tot slot

Indien gewenst gaan wij graag met u in gesprek over de door ons geconstateerde aandachtspunten bij de begroting 2015 van het Ministerie van SZW.

Algemene Rekenkamer

drs. C.C.M. Vendrik, wnd. president

drs. P.J. Rozendal, wnd. secretaris

Bijlage 1: integraal toezicht sociaal domein (uit de brief bij de begroting van BZK)

Wij constateren dat de drie nieuwe wetten die ten grondslag liggen aan de decentralisaties ieder een eigen inrichting van het toezicht kennen. Verantwoordelijkheden, taken en bevoegdheden voor het toezicht zijn verdeeld over gemeenten, landelijke inspecties en ministeries. Zo houden de Inspectie voor de Jeugdzorg, Inspectie VenJ en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) gezamenlijk toezicht op:

  • de naleving van de Jeugdwet (handhavingstoezicht);

  • de naleving van kwaliteitseisen aan hulpverleners en instellingen die jeugdhulp bieden (kwaliteitstoezicht en instellingstoezicht);

  • de werking van de Jeugdwet (stelseltoezicht).

Verder is in de Participatiewet bepaald dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het handhavingstoezicht. In de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen is bepaald dat de Inspectie SZW is belast met het stelseltoezicht.

Ten slotte is in de Wmo 2015 bepaald dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het handhavingstoezicht. De IGZ heeft als taak om gemeenten desgevraagd te ondersteunen bij het inrichten van dit toezicht en om jaarlijks aan de Minister van VWS te rapporteren over de uitvoering van het toezicht.

Gemeenten zullen voor elk van de drie wetten moeten toezien op het naleven van contractvoorwaarden door aanbieders van zorg, hulp en ondersteuning. Tegelijkertijd houden de Ministeries van SZW en VWS toezicht op die organisaties die taken uitvoeren voor de gemeenten op het sociaal domein: het Centraal Administratie Kantoor (CAK), het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ), de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Wij verwijzen hiervoor ook naar onze brief bij de begroting VWS 2015.

Coördinatie en afstemming tussen de verschillende toezichthouders is nodig om:

  • te voorkomen dat sprake is van leemtes of doublures in het toezicht;

  • integraal toezicht te kunnen houden passend bij de integrale aanpak van beleid en uitvoering;

  • het toezicht voor betrokkenen overzichtelijk en toegankelijk te organiseren;

  • optimaal gebruik van toezichtinformatie te bevorderen.

Op dit moment heeft het kabinet nog geen landelijk beeld van de voorbereidingen van de toezichthouders op het sociaal domein. Wij vinden het van belang dat het kabinet samen met gemeenten vóór 1 januari 2015 duidelijk maakt hoe de verantwoordelijkheden, taken en bevoegdheden voor het toezicht en de coördinatie en afstemming daarvan in de praktijk ingevuld gaan worden. Het zou goed zijn als de Minister van BZK vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het openbaar bestuur en de coördinatie van de decentralisaties hierbij het voortouw neemt.

Bijlage 2: opvolgen aanbevelingen Algemene Rekenkamer

Hieronder staat de stand van zaken voor het Ministerie van SZW weergeven wat betreft de opvolging van onze aanbevelingen. In de periode van 2012 tot en met juni 2014 hebben we vijf rapporten aan de Minister van SZW gericht, met daarin vijftien aanbevelingen.

Aantal acties naar aanleiding van aanbevelingen

Aantal acties naar aanleiding van aanbevelingen

In het volgende figuur vergelijken we de mate waarin onze aanbevelingen worden of zijn opgevolgd door het Ministerie van SZW met het rijksbrede gemiddelde.

Sociale Zaken en Werkgelegenheid vergeleken met de totale rijksoverheid

Sociale Zaken en Werkgelegenheid vergeleken met de totale rijksoverheid