Kamerstuk 34000-XV-63

Reactie op de motie van de leden Pieter Heerma en Van Weyenberg over onderzoeken van de effectiviteit van de sectorplannen (Kamerstuk 34 200 XV, nr. 11)

Dossier: Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2015

Gepubliceerd: 7 september 2015
Indiener(s): Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34000-XV-63.html
ID: 34000-XV-63

Nr. 63 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 september 2015

De Tweede Kamer heeft bij het Wetgevingsoverleg over het Jaarverslag SZW 2014 op 25 juni jl. de motie van Heerma en Van Weyenberg (Kamerstuk 34 200 XV, nr. 11) aangenomen die de regering verzoekt om de Algemene Rekenkamer (AR) te vragen de sectorplannen grondig op hun effectiviteit te onderzoeken en de resultaten daarvan vóór de begrotingsbehandeling 2016 aan de TK te rapporteren.

Ter uitvoering van deze motie heeft onder meer ambtelijk overleg plaatsgevonden met de AR met de vraag of en hoe de AR kan voldoen aan de vraag van de Kamer. Daarbij zijn de mogelijkheden om te kunnen voldoen aan de door de Kamer geuite wens inhoudelijk besproken. Mede op basis van dit overleg constateer ik dat de motie technisch niet uitvoerbaar is. Het onderzoeken van de effectiviteit van de sectorplannen kan pas plaatsvinden nadat de daarin opgenomen maatregelen zijn uitgevoerd en niet lopende de uitvoering. Op dit moment zijn nog te weinig plannen afgerond om een zinvolle (tussen) evaluatie te kunnen doen.

Ik onderschrijf dat het van belang is om de effectiviteit van de afgeronde plannen ook tussentijds te laten toetsen door een onafhankelijke derde, zodat een vinger aan de pols wordt gehouden of het geld aan de plannen doelmatig wordt uitgegeven. Ik wijs u er nogmaals op dat met betrekking tot de doelmatigheidsvraag er vanuit mijn ministerie momenteel reeds een monitorings- en evaluatieonderzoek is uitgezet bij de onafhankelijke onderzoekscombinatie SEO/ecbo.

Onlangs heb ik de opdracht aan SEO/ecbo uitgebreid met extra monitor- en evaluatiemomenten. De reden hiervoor is dat 1) veel plannen later begonnen zijn dan oorspronkelijk voorzien, 2) de mogelijkheid is gecreëerd om de duur van de looptijd van een plan met een halfjaar te verlengen en 3) ik besloten heb tot een 3e tranche sectorplannen in 2015. Op basis van deze opdracht ben ik in staat uw Kamer te blijven informeren over de voortgang en resultaten.

Gedurende de looptijd van de sectorplannen wordt nu 6 maal een monitoronderzoek (quickscan) uitgevoerd. Doel van dit monitoronderzoek is een overzicht te geven van de ambities van de plannen en de voortgang daarvan.

Op drie momenten (2016, 2018 en 2019) zal een (tussen) evaluatie plaatsvinden. In de voorlopige evaluatierapporten eind 2016 en eind 2018 worden de maatregelen geëvalueerd die dan al afgerond zijn. In het eindrapport worden alle maatregelen geëvalueerd. De oplevering van dit eindrapport was gepland voor 2018 maar zal als gevolg van de mogelijkheid tot verlenging van de looptijd van maatregelen met een half jaar en de latere sluitingstijd van de 3e tranche verschuiven naar oktober 2019.

Het doel van de (tussentijdse) evaluaties is inzicht te krijgen op vier hoofdvragen.

  • 1. Hoe zijn de gesubsidieerde sectorplannen uitgevoerd binnen de looptijd van de subsidie? Wat hebben de plannen beoogd, zijn ze als gepland uitgevoerd en wat zijn de succes- en faalfactoren?

  • 2. Hebben de sectorplannen bijgedragen aan het overbruggen van de crisis en het verbeteren van de werking van de arbeidsmarkt? Zijn de door de sectorplannen bereikte werknemers medio 2019 nog werkzaam? Is dit in de oorspronkelijke sector (al dan niet bij de oorspronkelijke werkgever), of in een andere sector? Of zijn ze toch werkloos of inactief geworden?

  • 3. Wat is het effect van de tijdelijke cofinanciering op de betrokkenheid en inspanningen van de sociale partners voor een betere werking van de arbeidsmarkt? Wat zijn de succes- en faalfactoren voor een effectieve samenwerking van de verschillende partners bij het opstellen en implementeren van de sectorplannen? Hebben de sectorplannen ertoe geleid dat sociale partners ook in de toekomst een rol blijven spelen bij het verkrijgen van mobiele, goed geschoolde en gezonde werknemers?

  • 4. Wat is de invloed van de vorm van de subsidie geweest op het bereiken van de doelen? Heeft het subsidie-instrument tot het gewenste resultaat geleid en wat was de bijbehorende uitvoeringslast? Wat was de rol van het Ministerie van SZW in het proces?

Het onderzoek dat ik bij SEO/ecbo heb uitgezet richt zich op het analyseren van de feitelijke gerealiseerde meetbare resultaten en effecten (bruto effectiviteit). Hiertoe neemt het bureau een aantal stappen:

  • In de eerste plaats richt het onderzoeksbureau zich op het inventariseren van resultaten (output) van de sectorplannen in termen van het aantal maatregelen dat is uitgevoerd, het aantal personen dat is bereikt, de arbeidsmarktsituatie van deze personen na afloop van de sectorplannen, de betrokkenheid van sociale partners bij de maatregelen en de gevolgen van de maatregelen voor het arbeidsmarktbeleid van sectoren.

  • In tweede plaats wordt bestudeerd of met de gevonden resultaten van de sectorplannen (output) de gestelde doelen in enge zin zijn bereikt en de redenen waarom dat wel of niet is gebeurd. Dat geeft een beeld van succes- en faalfactoren bij de implementatie van de maatregelen in het bijzonder en de sectorplannen in het algemeen.

  • Vervolgens onderzoekt het bureau of met de gevonden resultaten van de sectorplannen de gestelde doelen in ruime zin zijn bereikt en de redenen waarom dat wel of niet is gebeurd. Hebben de sectorplannen (op basis van wat we dan weten) de werking van de arbeidsmarkt versterkt? Hebben ze gezorgd voor overbrugging van de crisis? En hebben ze gezorgd voor meer samenwerking tussen de sociale partners?

  • Tot slot richt het onderzoek zich op de plausibiliteit van beoogde effecten ten aanzien van het overbruggen van de crisis en het versterken van de arbeidsmarkt op langere termijn. Die plausibiliteit wordt vastgesteld door de gevonden resultaten af te zetten tegen de werkzame mechanismen die zijn geïdentificeerd in het inmiddels ontwikkelde theoretische kader, met daarin verwerkt de beleidstheorie achter de implementatie van de sectorplannen.

Door deze combinatie van onderzoeksvragen denk ik een goed beeld te kunnen geven van wat de sectorplannen hebben opgeleverd in het kader van de overbrugging van de crisis en het versterken van de structurele werking van de arbeidsmarkt.

Ten aanzien van de metavragen 2 en 3, die allebei betrekking hebben op de resultaten en effecten die volgen uit de sectorplannen geldt overigens dat het niet goed mogelijk is op basis van een analyse van de sectorplannen harde effecten (outcomes) te meten. Hiermee wordt bedoeld of de resultaten ook bereikt zouden zijn zonder cofinanciering (netto effectiviteit). Dat zou in theorie mogelijk zijn als er een vergelijking zou plaatsvinden met een situatie waarin geen sectorplannen zouden zijn uitgevoerd, bijvoorbeeld een vergelijking met andere sectoren met een vergelijkbare arbeidsmarktproblematiek zonder sectorplannen of met vergelijkbare sectoren in een vergelijkbaar buitenland. Een dergelijk onderzoek, dat in de praktijk lastig realiseerbaar is, behoort niet tot de door mij verstrekte opdracht aan SEO/ecbo

Met betrekking tot de rechtmatige besteding van de ingezette middelen wijs ik u erop dat deze na afloop van een sectorplan door het AgentschapSZW, conform paragraaf 4 van de Algemene Regeling SZW-subsidies, wordt vastgesteld op basis van de bij de eindafrekening van het plan meegeleverde accountantsverklaring.

Ik ben van mening hiermee de motie van Heerma en Van Weyenberg te hebben uitgevoerd. Vanzelfsprekend kan de Kamer als zij alsnog een grotere rol van de AR wenst hierover zelf contact met de AR opnemen. Gegeven de onafhankelijke positie van de AR zie ik hierin voor mijn departement geen verdere rol.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher