Gepubliceerd: 27 januari 2015
Indiener(s): Agnes Mulder (CDA), Henk Nijboer (PvdA)
Onderwerpen: financieel toezicht financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33949-10-n1.html
ID: 33949-10
Origineel: 33949-2

Nr. 10 HERDRUK1 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 27 januari 2015

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel B, wordt in artikel 2:54p, eerste lid, onderdeel g, «omvang van het totaal aan beheerde activa» vervangen door: hoeveelheid aangetrokken opvorderbare gelden.

2. Na onderdeel F, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Fa

Na artikel 3:20 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3:20.0a

In afwijking van artikel 38, eerste en derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek kan in de statuten van een kredietunie aan een persoon niet meer dan tien procent van het totaal aantal stemmen worden toegekend.

3. In onderdeel I wordt na «te bepalen» ingevoegd: maximale.

B

Artikel II, onderdeel B, komt te luiden:

B

In bijlage III, onderdeel «Toezichthouder de Nederlandsche Bank», wordt de toezichtcategorie «Banken» als volgt gewijzigd:

1. In de kolom «Toezichtcategorie» wordt na «banken» toegevoegd: en kredietunies;.

2. In de kolom «Personen» wordt na onderdeel b, onder verlettering van de onderdelen c, d en e tot d, e en f een onderdeel ingevoegd, luidende:

c. Kredietunies waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:54o van de Wft.

3. In de kolom «wetsverwijzing» wordt in de numerieke volgorde van de artikelen ingevoegd: «artikel 2:54o Wft».

4. De tekst in de kolom «Maatstaf» komt te luiden: Voor banken (personen a,b,d,e,f): minimum omvang toetsingsvermogen berekend conform de regels die op grond van artikel 3:57 Wft worden bepaald. Voor kredietunies: een basisbedrag.

C

Artikel III vervalt.

TOELICHTING

Onderdeel A

Het eerste en het derde wijzigingsonderdeel herstellen een redactionele onjuistheid in de eerste nota van wijziging. De eerste nota van wijziging heeft de formulering van artikel 3:38c aangepast en een verwijzing in artikel 2:54p naar artikel 3:38c toegevoegd. In de verwijzing naar artikel 3:38c in artikel 2:54p is per abuis uitgegaan van de oude formulering van artikel 3:38c. Dit wordt hersteld in de eerste wijzigingsopdracht. In de wijziging van artikel 3:38c is per abuis het woordje «maximale» weggevallen. Dit wordt hersteld in de derde wijzigingsopdracht.

Het voorgestelde artikel 3:20.0a regelt dat in de statuten van een kredietunie niet meer dan tien procent van het totaal aantal stemmen aan een enkel persoon kan worden toegekend. Uitgangspunt van de rechtsvorm coöperatie, die het wetsvoorstel voorschrijft voor kredietunies, is het «one man, one vote»-principe. Artikel 38, eerste en derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek biedt evenwel de mogelijkheid om in de statuten van een coöperatie een van dit principe afwijkende regeling op te nemen. Die mogelijkheid wordt door de voorgestelde bepaling beperkt. Kredietunies zijn organisaties van en voor de aangesloten leden, verenigd door een «common bond». In dat kader is het ongewenst dat bij een enkel persoon een (te) groot deel van de zeggenschap komt te liggen. De voorgestelde bepaling voorkomt dit.

De beperking van het aantal stemmen per persoon tot maximaal tien procent sluit aan bij de figuur van de gekwalificeerde deelneming als gedefinieerd in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht. Van een gekwalificeerde deelneming is kort gezegd sprake bij een belang van ten minste tien procent in een onderneming of bij het kunnen uitoefenen van ten minste tien procent van de stemrechten (of een daarmee vergelijkbare zeggenschap) in een onderneming.

Onderdeel B

Kredietunies met een vergunning staan onder toezicht van DNB en dragen op twee manieren bij aan de financiering daarvan. Allereerst betalen zij een eenmalige heffing bij het aanvragen van een vergunning. Dit is in het wetsvoorstel geregeld door hiervoor in de Wet bekostiging financieel toezicht een tarief op te nemen. Kredietunies die over een vergunning beschikken en onder toezicht staan, dienen daarnaast bij te dragen aan de financiering van de kosten voor het doorlopend toezicht. Voorgesteld was dat voor kredietunies een nieuwe toezichtcategorie in bijlage II bij de Wbft in het leven zou worden geroepen. Het onderbrengen in een eigen categorie blijkt echter bezwaarlijk, omdat onzeker is hoeveel kredietunies een vergunning zullen aanvragen en het aantal in elk geval in het eerste jaar waarschijnlijk klein zal zijn. Een deel van de kredietunies zal immers vanwege een beperkt balanstotaal profiteren van een vrijstelling van de vergunningplicht en daardoor ook geen heffing betalen.

Daar komt bij dat het toezicht op de kredietunies op hoofdlijnen vergelijkbaar is met het toezicht op banken, zodat het onderbrengen van kredietunies in de toezichtcategorie banken in de rede ligt. De heffingsmaatstaf voor het verdelen van de toezichtkosten over de individuele banken, te weten de minimum omvang van het toetsingsvermogen, is echter voor kredietunies minder geschikt. Kredietunies zijn pas vanaf een bepaalde omvang vergunningplichtig terwijl zij geen groter balanstotaal dan 100 miljoen euro kunnen hebben. Het verschil in omvang tussen de kleine en de grote kredietunies is dus beperkt, zodat ook de toezichtinspanning voor het toezicht op kredietunies vergelijkbaar zal zijn. Het is daarom gerechtvaardigd om aan alle kredietunies hetzelfde bedrag in rekening te brengen. Dat heeft als bijkomend voordeel dat de heffing voor kredietunies niet wordt beïnvloed door de kosten die DNB maakt vanwege het Europese toezicht op banken.

De hoogte van het bedrag zal – afhankelijk van de uiteindelijke inspanning – bij ministeriële regeling worden vastgesteld. Naar verwachting zal het rond de € 20.000 bedragen.

Onderdeel C

Bij nader inzien is gebleken dat aparte vermelding van kredietunies in artikel 1, onderdeel a, de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) niet noodzakelijk is. Kredietunies voldoen aan de criteria in artikel 1, onderdeel a, subonderdeel 2, Wwft. Daarmee vallen kredietunies reeds op grond van die bepaling binnen de reikwijdte van de Wwft. Om die reden wordt voorgesteld artikel III van het wetsvoorstel te laten vervallen.

Agnes Mulder Nijboer