Gepubliceerd: 6 maart 2014
Indiener(s): Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA)
Onderwerpen: bestuur gemeenten
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33889-3.html
ID: 33889-3

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING1

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt (artikel 26, vijfde lid, van de Wet op de Raad van State).

Algemeen deel

1. Inleiding

Met dit wetsvoorstel wordt in de Wet algemene regels herindeling (hierna: Wet arhi) een structurele regeling opgenomen voor de effecten van een gemeentelijke herindeling op de reguliere gemeenteraadsverkiezingen. De regering heeft gekozen voor een brede regeling, dat wil zeggen dat voor alle jaren van een raadsperiode de gevolgen van een herindeling voor de reguliere raadsverkiezingen in de Wet arhi worden geregeld. Het voordeel hiervan is dat in één regeling, de Wet arhi, wordt geregeld wat de gevolgen zijn van een herindeling voor de gemeenteraadsverkiezingen en de zittingsduur van de betrokken raden. Zo wordt meer helderheid verschaft aan gemeenten en kunnen zij die gevolgen betrekken bij hun herindelingsadvies.

Door de voorgestelde aanpassing van de Wet arhi wordt in de eerste plaats beoogd de bestaande praktijk wettelijk te verankeren. Deze bestaande praktijk ziet er schematisch als volgt uit (de cyclus wordt elke vier jaar herhaald):

Datum van herindeling

Herindelingsverkiezingen

Eerstvolgende reguliere verkiezingen

Zittingsduur eerste gemeenteraad nieuwe gemeente

1 januari 2017

November 2016

Maart 2022

5 jaar en 3 maanden

1 januari 2018

November 2017

Maart 2022

4 jaar en 3 maanden

1 januari 2019

November 2018

Maart 2022

3 jaar en 3 maanden

1 januari 2020

November 2019

Maart 2022

2 jaar en 3 maanden

Deze regeling bevat één wijziging ten opzichte van de geldende praktijk, namelijk wanneer een wijziging van de gemeentelijke indeling halverwege de raadsperiode plaatsvindt (in het schema een herindeling per 1 januari 2020). Voorgesteld wordt om ook in dat geval de eerstvolgende gemeenteraadsverkiezing achterwege te laten. Het gevolg hiervan is dat bij een herindeling halverwege de raadsperiode de zittingsduur van de eerste gemeenteraad van de nieuwe gemeente 6 jaar en 3 maanden zal zijn en dat er niet langer drie raadsverkiezingen in vier jaar gehouden worden. Voor de andere drie jaren van een raadsperiode bevat dit voorstel een structurele regeling voor wat nu via een aparte «uitstelwet» of in de herindelingswet wordt geregeld.

De Wet arhi bepaalt dat niet alleen bij gemeentelijke herindeling een tussentijdse gemeenteraadsverkiezing moet plaatsvinden, maar ook bij grenscorrecties wanneer de grenscorrectie leidt tot een wijziging van het aantal raadszetels. Voorgesteld wordt deze bepaling te schrappen.

Met dit wetsvoorstel wordt gevolg gegeven aan twee adviezen van de (Afdeling advisering van de) Raad van State (Kamerstukken II 2008/09, 32 048, nr. 4 en Kamerstukken II 2012/13, 33 681, nr. 4) en een toezegging aan de Tweede Kamer, gedaan bij de behandeling van het wetsvoorstel tot verlenging van de zittingsduur van raden van gemeenten waarvoor met ingang van 1 januari 2015 een wijziging van de gemeentelijke indeling wordt beoogd (Kamerstukken II 2012/13, 33 681).

Hieronder wordt eerst ingegaan op de huidige praktijk en de discussie daarover in de afgelopen jaren (paragraaf 2). In paragraaf 3 worden de wijzigingen die in dit wetsvoorstel worden voorgesteld beschreven.

2. Huidige praktijk

Sinds 1951 is geregeld dat de verkiezing van gemeenteraden op één dag plaatsvindt. Vóór 1951 was het aan de colleges van burgemeester en wethouders om de datum van verkiezing van de raad in hun gemeente vast te stellen. Sinds 1983 bepaalt artikel 129, vierde lid, van de Grondwet dat de zittingsduur van gemeenteraden vier jaar is, behoudens bij wet te bepalen uitzonderingen. Deze uitzonderingen zijn juist opgenomen om in verband met wijziging van de gemeentelijke indeling van de reguliere zittingstermijn af te kunnen wijken (Kamerstukken II 1978/79, 13 990, nrs. 3 en 11).

Bij wijzigingen van de gemeentelijke indeling wordt afgeweken van deze vierjarige zittingstermijn en van de vaste verkiezingsdatum. Omdat een nieuwe gemeente ook een nieuwe gemeenteraad nodig heeft, vinden voorafgaande aan de datum van herindeling zogeheten herindelingsverkiezingen plaats. Afhankelijk van het jaar waarin de wijziging van de gemeentelijke indeling plaatsvindt, hebben deze herindelingsverkiezingen een verschillend effect op de reguliere gemeenteraadsverkiezingen. Gemeentelijke herindelingen binnen twee jaar voorafgaand aan reguliere gemeenteraadsverkiezingen hebben tot gevolg dat in de herindelingswet de eerstvolgende reguliere gemeenteraadsverkiezingen worden overgeslagen. Bij wijzigingen van de gemeentelijke indeling volgend op het jaar waarin reguliere gemeenteraadsverkiezingen gehouden worden, worden via een aparte uitstelwet deze reguliere gemeenteraadsverkiezingen overgeslagen. Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling die halverwege de raadsperiode plaatsvindt, worden extra gemeenteraadsverkiezingen gehouden voor de betrokken gemeenten. De reguliere gemeenteraadsverkiezingen voorafgaand en volgend op de datum van herindeling worden in dit geval ook gehouden.

Zoals in de inleiding is beschreven, werd via aparte uitstelwetten en bepalingen in herindelingsregelingen geregeld wat de effecten van een wijziging van de gemeentelijke indeling waren voor de reguliere gemeenteraadsverkiezingen. Op twee punten heeft deze praktijk de afgelopen jaren geleid tot discussie. De eerste was de vraag of een structurele regeling in de Wet arhi niet de voorkeur genoot boven de praktijk van algemene uitstelwetten. De tweede discussie betrof de zittingsduur van een raad bij een wijziging van de gemeentelijke indeling halverwege de raadsperiode. Hieronder wordt op beide discussies ingegaan.

2.1 Wenselijkheid van een structurele regeling in de Wet algemene regels herindeling

Op 11 september 2009 is een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer dat ertoe strekte de reguliere gemeenteraadsverkiezingen van maart 2010 over te slaan voor gemeenten waarvoor een herindeling per 1 januari 2011 werd beoogd (Kamerstukken II 2008/09, 32 048). Tot 2009 was het gebruikelijk de gevolgen die een herindeling heeft voor de gemeenteraadsverkiezingen te regelen in een aparte wet, die tegelijk met het herindelingswetsvoorstel werd ingediend. De aanleiding om in 2009 met een algemeen wetsvoorstel te komen voor het uitstel van de reguliere gemeenteraadsverkiezingen van maart 2010 was dat herindelingsvoorstellen vaak pas in oktober of november ingediend (kunnen) worden bij de Tweede Kamer. Het voordeel van deze algemene uitstelwet was dat minder wetgeving noodzakelijk was en dat voor gemeenten eerder duidelijkheid ontstond over het al dan niet achterwege blijven van gemeenteraadsverkiezingen. Doorgaans traden de specifieke uitstelwetten tijdig, dat wil zeggen uiterlijk medio december in werking, maar het is voorgekomen dat inwerkingtreding pas in februari plaatsvond. Indien de inwerkingtreding van deze uitstelwetten dichter tegen de dag van kandidaatstelling aanligt, betekent dit dat gemeenten en politieke partijen al zijn begonnen met de voorbereidingen op de reguliere gemeenteraadsverkiezingen, die vervolgens achterwege blijven.

De argumenten om één wetsvoorstel in te dienen konden op ruime steun rekenen. De nieuwe vorm van uitstelwetgeving riep bij de Raad van State evenwel de vraag op waarom er niet voor was gekozen om in de Wet arhi een structurele voorziening op te nemen, die een dergelijke vierjaarlijks terugkerende uitstelwet overbodig zou maken. In het nader rapport en de parlementaire behandeling is een voorstel tot wijziging van de Wet arhi toegezegd die daarin zou voorzien.

In haar advies over het wetvoorstel van de regering om voor gemeentelijke herindelingen per 1 januari 2015 nogmaals de vorm van de uitstelwet uit 2009 te hanteren, heeft de Afdeling advisering van de Raad van State andermaal aangedrongen op het tot stand brengen van een structurele regeling in de Wet arhi. Dit pleidooi is door de Tweede Kamer bij de behandeling van het wetsvoorstel overgenomen, waarop de regering heeft toegezegd op korte termijn een daartoe strekkend voorstel bij de Tweede Kamer te zullen indienen.

2.2 Zittingsduur raden bij wijziging van de gemeentelijke indeling halverwege de raadsperiode

Een ander onderwerp waarover de afgelopen jaren is gediscussieerd, betreft de zittingsduur van raden bij een herindeling halverwege de reguliere zittingsduur van een gemeenteraad. Op 17 juni 2009 heeft de Tweede Kamer, tijdens een Algemeen Overleg over het Beleidskader wijziging van de gemeentelijke indeling, aandacht gevraagd voor de zittingsduur van raden bij wijzigingen van de gemeentelijke indeling per 1 januari 2012, dat wil zeggen halverwege de raadsperiode 2010–2014. Achtergrond hiervan was dat de toenmalige gemeenten Anna Paulowna, Niedorp, Wieringen en Wieringermeer een voorkeur hadden uitgesproken voor de vorming van de nieuwe gemeente Hollands Kroon per 1 januari 2012. Met de keuze voor deze datum zouden in deze gemeenten drie gemeenteraadsverkiezingen in vier jaar plaatsvinden (de reguliere gemeenteraadsverkiezingen in maart 2010, herindelingsverkiezingen eind 2011 en reguliere gemeenteraadsverkiezingen in maart 2014). Op 19 november 2009 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer gemeld dat zij voornemens was een (gezamenlijk) advies te vragen aan de Raad voor het openbaar bestuur (hierna: Rob) en de Kiesraad over de mogelijkheid van een systematiek waarbij drie raadsverkiezingen in vier jaar niet nodig zijn (Kamerstukken II 2009/10, 28 750, nr. 16). Dit advies is op 3 december 2009 aan beide adviesraden gevraagd.

Ook bij de behandeling van het wetsvoorstel tot de vorming van de gemeente Hollands Kroon is gesproken over de opeenvolgende raadsverkiezingen bij een herindeling halverwege de raadsperiode. Hoewel de vier betrokken gemeenten vroegen om uitstel van de reguliere verkiezingen, heeft de wetgever destijds besloten voor continuering van de praktijk dat de afwijking van de grondwettelijke zittingsduur zo beperkt mogelijk moet zijn. In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2010/11, 32 677, nr. 5) heeft de regering gesteld dat deze keuze is gemaakt uit overwegingen van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid. De regering stelde zich in de hiervoor genoemde nota naar aanleiding van het verslag op het standpunt dat het verlengen van de zittingsduur van een raad tot 6 jaar en 3 maanden geen precedent kende en om een zorgvuldige afweging vroeg, waarbij ook de adviezen van de Rob en Kiesraad betrokken moesten worden.

Bij de voorbereiding van de onderhavige regeling voor de effecten die een gemeentelijke herindeling heeft op de gemeenteraadsverkiezingen, heeft deze nadere standpuntbepaling plaatsgevonden. In paragraaf 3.2 wordt inhoudelijk ingegaan op beide adviezen en de weging daarvan door de regering.

3. Een regeling voor herindelingsverkiezingen in de Wet algemene regels herindeling

3.1 Een structurele regeling voor elke datum van herindeling

Bij het opnemen van regels over de effecten van verkiezingen bij wijzigingen van de gemeentelijke indeling in de Wet arhi, heeft het de voorkeur van de regering een regeling te treffen die alle jaren van een raadsperiode omvat. Het voordeel daarvan is dat binnen een (algemeen) wettelijk kader wordt bepaald wat de effecten zijn van een bepaalde datum van herindeling voor de reguliere gemeenteraadsverkiezingen en de zittingsduur van de betrokken raden zodat er geen aparte uitstelwetten of bijzondere bepalingen in een herindelingsregeling meer nodig zijn. In de regeling die de regering nu voorstelt, blijven de reguliere gemeenteraadsverkiezingen voorafgaand aan de datum van herindeling achterwege indien de datum van herindeling volgt op het jaar waarin de reguliere gemeenteraadsverkiezingen worden gehouden. De zittingsduur van de leden van de zittende raden die betrokken zijn bij een wijziging van de gemeentelijke indeling wordt dan tussentijds verlengd. Valt een datum van herindeling binnen drie jaar voor reguliere gemeenteraadsverkiezingen, dan blijven de reguliere gemeenteraadsverkiezingen na de datum van herindeling achterwege. De zittingsduur van de tussentijds gekozen raad wordt in dat geval verlengd.

3.2 Wijziging van de gemeentelijke indeling halverwege de raadsperiode

Een gemeentelijke herindeling halverwege de raadsperiode komt niet vaak voor. In de afgelopen jaren heeft driemaal een gemeentelijke herindeling halverwege de raadsperiode plaatsgevonden: bij de vorming van de gemeenten Midden-Delfland en Westland in 2004 en Hollands Kroon in 2012. Zowel vanuit de toenmalige vier betrokken Noord-Hollandse gemeenten als vanuit de toenmalige Westlandse gemeenten is de regering gevraagd het mogelijk te maken de eerstvolgende reguliere gemeenteraadsverkiezingen over te slaan. Een belangrijke overweging hierbij was, zo is bij de vorming van de gemeente Hollands Kroon ook door meerdere fracties in de Tweede Kamer opgemerkt in het verslag (Kamerstukken II 2010/11, 32 677, nr. 5), dat het overslaan van de eerstvolgende reguliere raadsverkiezingen de nieuwe gemeente voldoende rust zou geven om (de gevolgen van) de gemeentelijke herindeling te implementeren.

De regering heeft zich in het verleden steeds op het standpunt gesteld dat een afwijking van de grondwettelijke zittingstermijn van raden, die vier jaar bedraagt, zo gering mogelijk moet zijn, maar heeft in 2009 advies gevraagd aan de Rob en de Kiesraad over de mogelijkheid van een systematiek waarbij drie gemeenteraadsverkiezingen in vier jaar wordt vermeden bij een wijziging van de gemeentelijke indeling.

Beide adviesraden onderkennen voor- en nadelen bij een zittingsduur van 6 jaar en 3 maanden, maar adviseren beide om het mogelijk te maken dat in geval van een wijziging van de gemeentelijke indeling die halverwege een raadsperiode ingaat de eerstvolgende gemeenteraadsverkiezingen worden overgeslagen.

De Kiesraad is van oordeel dat voorkomen moet worden dat de zittingsduur van een vertegenwoordigend orgaan tussentijds verlengd wordt, omdat de kiezer dan geen rekening heeft kunnen houden met de langere zittingsduur. Verder baseert de Kiesraad zich in zijn advies vooral op de uitvoeringsaspecten en ziet daarin geen belemmeringen. Uitputting van kieslijsten (onvoldoende kandidaten om vacatures in de raad te kunnen invullen) zou een risico kunnen zijn, bijvoorbeeld omdat raadsleden hun functie voortijdig beëindigen of vervangen moeten worden wegens ziekte of zwangerschap. Ook zullen niet alle kandidaten daadwerkelijk willen toetreden tot de raad. Maar door een wijziging van de Kieswet, die op 1 januari 2010 is ingegaan, is het mogelijk kieslijsten te maken met 50, in sommige gevallen 80, kandidaten. Op voorhand ziet de Kiesraad daarom geen aanleiding te veronderstellen dat er spanning kan ontstaan op dit punt.

Hoewel de Kiesraad het standpunt inneemt dat de afwijking van de grondwettelijke zittingsduur zo beperkt mogelijk moet zijn, acht hij het aanvaardbaar dat in het uitzonderlijke geval van een wijziging van de gemeentelijke indeling halverwege de raadsperiode een zittingsduur van 6 jaar en 3 maanden wordt vastgesteld.

De Rob constateert dat een korte zittingsduur van raden na een wijziging van de gemeentelijke indeling de negatieve fusie-effecten kan versterken, waarbij de Rob echter twee kanttekeningen plaatst. De eerste is dat het kan voorkomen dat de effecten van een langere zittingsduur positief uitpakken voor de organisatie en negatief voor de raad. De tweede kanttekening is dat wijzigingen van de gemeentelijke indeling complexe operaties zijn waarbij veel factoren bepalen hoe lang de negatieve fusie-effecten blijven spelen. Ook merkt de Rob op dat de kwaliteit van een raad vaak toeneemt na een herindeling, maar dat zeker in de eerste raad na een herindeling het verschijnsel van «dorpisme» kan voorkomen. Een relatief korte zittingsduur van de eerste raad van de nieuwe gemeente kan eraan bijdragen dat het «dorpisme» eerder verdwijnt. Maar kort achter elkaar verkiezingen houden in een nieuwe gemeente acht de Rob ook kwetsbaar, omdat raadsverkiezingen een grote impact hebben op de nieuwe organisatie. Zeker omdat een herindeling vaak beleidsachterstanden oplevert, is het niet wenselijk dat na de herindeling snel nieuwe verkiezingen volgen. Wel is de opkomst bij herindelingsverkiezingen vaak significant lager dan bij reguliere gemeenteraadsverkiezingen.

De Rob concludeert dat het binnen twee jaar organiseren van nieuwe gemeenteraadsverkiezingen tweeslachtige effecten heeft. Voor de politiek-bestuurlijke kant kan het positief uitpakken, voor de ambtelijke organisatie slecht. Dit brengt de Rob tot de conclusie dat het overslaan van de eerstvolgende reguliere gemeenteraadsverkiezingen bij een wijziging van de gemeentelijke indeling halverwege de raadsperiode mogelijk gemaakt moet worden. Het zou volgens de Rob aan de gemeenten moeten zijn hierin een keuze te maken.

Alles afwegende komt de regering tot de conclusie dat het wenselijk is de eerstvolgende reguliere gemeenteraadsverkiezingen over te slaan bij een herindeling halverwege een raadsperiode. Verlenging van de zittingsduur heeft een aantal (mogelijke) nadelen: lijstuitputting, politiek-bestuurlijke conflicten kunnen langer voortduren en de afwijking van de grondwettelijke zittingsduur is 2 jaar en 3 maanden. Maar de voordelen, met name voor de betrokken gemeente die meer rust en tijd krijgt om de nieuwe gemeente in te richten, wegen voor de regering zwaarder. Daar komt bij dat een afwijking van de grondwettelijke zittingstermijn van 2 jaar en 3 maanden nu al praktijk is, maar dan als verkorting van de zittingsduur. Dit vindt ook plaats bij een herindeling halverwege een raadsperiode. De periode tussen de verkiezingen voorafgaand aan de herindeling en de eerste gemeenteraad van de nieuwe gemeente is dan 1 jaar en 9 maanden.

Het voorstel van de Rob om bij een herindeling halverwege de raadsperiode het optioneel te maken om de eerstvolgende raadsverkiezingen over te slaan, is niet overgenomen. De afwijking van de zittingsduur van 4 jaar is door de grondwetgever opgedragen aan de wetgever en kan gelet op de gehanteerde terminologie in de Grondwet niet aan de gemeenten worden gedelegeerd. Daarnaast is de regering van oordeel dat de gevolgen van wijzigingen van de gemeentelijke indeling niet overzichtelijker worden indien de raden van gemeenten met dezelfde datum van herindeling verschillende zittingstermijnen hebben en zodoende de ene gemeente wel aan de eerstvolgende reguliere verkiezing meedoet en een andere juist niet. Overigens laat de structurele regeling die de regering voor ogen staat onverlet dat het de wetgever vrijstaat, indien zij van mening is dat sprake is van bijzondere omstandigheden, in een herindelingsvregeling te regelen dat de zittingsduur van de tussentijds gekozen raad eindigt bij de eerstvolgende reguliere raadsverkiezingen.

3.3 Geen tussentijdse verkiezingen bij grenscorrecties

Artikel 52, tweede lid, onder c, van de Wet arhi bepaalt dat bij een grenscorrectie die naar verwachting leidt tot een wijziging in het aantal raadszetels, herindelingsverkiezingen georganiseerd moeten worden. Het opnemen van een uitgebreide regeling voor gemeenteraadsverkiezingen in de Wet arhi roept de vraag op of de thans voorgestelde algemene regeling niet ook voor dat geval een voorziening moet treffen.

De regering is van oordeel dat deze bepaling geen praktische betekenis heeft. In de praktijk blijken de verschuivingen van inwonertallen als gevolg van een grenscorrectie (doorgaans) maar beperkt van aard te zijn. Daarnaast worden ook geen tussentijdse gemeenteraadsverkiezingen gehouden indien andere (demografische) omstandigheden tot een dusdanige verschuiving van het inwonertal leiden, dat de gemeente tot een andere categorie als bedoeld in artikel 8 van de Gemeentewet komt te behoren. Voor deze situaties bepaalt artikel 8, tweede lid, van de Gemeentewet dat een wijziging van het aantal leden van de raad eerst intreedt bij de eerstvolgende periodieke verkiezingen van de raad. De regering stelt op grond van het hiervoor overwogene voor om ook bij grenscorrecties aan te sluiten bij deze voorziening in de Gemeentewet en derhalve artikel 52, tweede lid, onder c, te schrappen.

4. Consultatie Vereniging van Nederlandse Gemeenten en Interprovinciaal Overleg

Het wetsvoorstel is ter consultatie voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO). Beide koepels onderschrijven het wetsvoorstel2.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel B

Het voorgestelde artikel 52 schrijft tussentijdse gemeenteraadsverkiezingen voor indien sprake is van een wijziging van de gemeentelijke indeling. Dat is ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, het geval bij instelling en opheffing van gemeenten of indien als gevolg van een wijziging van gemeentegrenzen naar verwachting het inwoneraantal van ten minste een van de betrokken gemeenten 10% of meer zal toe- of afnemen. Indien opheffing gepaard gaat met een splitsing van het grondgebied van de op te heffen gemeenten over meerdere gemeenten dan zal in alle ontvangende gemeenten een tussentijdse raadsverkiezing moeten worden georganiseerd, tenzij sprake is van een grenscorrectie. Door het voorgestelde artikel is het niet langer noodzakelijk dat het herindelingsvoorstel in een tussentijdse raadsverkiezing voorziet en dat, in het geval dat een nieuwe gemeente wordt gevormd, in dat wetsvoorstel een gemeente wordt aangewezen die met de voorbereiding van de tussentijdse raadsverkiezing is belast.

Artikel I, onderdelen C tot en met F

In deze onderdelen wordt de verwijzing naar artikel 52 redactioneel aangepast aan de redactie van het voorgestelde artikel 52.

Ingevolge onderdeel F, onder 2, vervalt het huidige vierde lid van artikel 56 dat de zittingsduur van de leden van de bij de tussentijdse raadsverkiezingen gekozen raad regelt en het moment waarop zij aftreden. Dit artikellid wordt ondergebracht bij de artikelen 56c en 56e.

In de redactie van die twee artikelen wordt niet meer geregeld dat de zittingsduur van de wethouder benoemd door de bij de tussentijdse raadsverkiezing gekozen raad, gelijktijdig eindigt met de zittingsduur van leden van die raad, zoals nu nog wel het geval is. Artikel 42 van de Gemeentewet voorziet reeds in het moment waarop de wethouders aftreden.

Artikel I, onderdeel G

Artikel 56a

Dit artikel beperkt de toepassing van paragraaf 2 tot gemeenten die betrokken zijn bij een wijziging van de gemeentelijke indeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet arhi en waarvoor een daartoe strekkend wetsvoorstel in die periode is ingediend. Indien in een dergelijk wetsvoorstel tevens wordt voorzien in een grenscorrectie, als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet arhi, dan wordt de zittingsduur van de raad van de gemeente waaraan via een grenscorrectie gebied wordt toegevoegd niet tussentijds verlengd. De tussentijdse verlenging is alleen van toepassing op gemeenten die zijn betrokken bij een wijziging van de gemeentelijke indeling.

Artikel 56b

Dit artikel regelt in het eerste lid de tussentijdse verlenging van de zittingsduur van leden van de raden die zitting hebben in de gemeenten die blijkens een wetsvoorstel als bedoeld in artikel 56a bij een wijziging van de gemeentelijke indeling zijn betrokken. De reguliere verkiezingen blijven na indiening in die gemeenten achterwege. Om aan te geven om welke verkiezing het gaat is verwezen naar de dag van kandidaatstelling, bedoeld in artikel F 1, eerste lid, van de Kieswet.

Het tweede lid regelt dat de zittingsduur van de zittende raden in de bij een wijziging van de gemeentelijke indeling betrokken gemeenten wordt verlengd tot 1 januari volgend op het jaar waarin de reguliere verkiezingen hebben plaatsgevonden.

Artikelen 56c en 56e

Beide artikelen regelen de zittingsduur van de leden van de ingevolge artikel 52 gekozen raden. De zittingsduur van de raad, bedoeld in artikel 56d, eerste lid, eindigt tegelijk met de zittingsduur van leden van de raden van de overige gemeenten die zijn gekozen bij de reguliere verkiezingen. De zittingsduur van de leden van raad die ingevolge artikel 52 van de Wet arhi is gekozen wordt verkort tot circa drie jaar en drie maanden. Het tweede lid van artikel 56d regelt de zittingsduur van de leden van de raden van de afzonderlijke gemeenten die worden gekozen bij de gemeenteraadsverkiezingen die plaatsvinden indien het wetsvoorstel niet tot wet is verheven en in werking is getreden in de periode, genoemd in artikel 56c, eerste lid. De zittingsduur van de leden van deze raden wordt eveneens verkort tot circa drie jaar en drie maanden.

Artikel 56e regelt de zittingsduur van de leden van een raad die ingevolge artikel 52 is gekozen en waarvan de datum van herindeling valt binnen drie jaar voor de datum van de reguliere gemeenteraadsverkiezingen. De zittingsduur van die raden wordt verlengd. Dit wordt bewerkstelligd doordat de reguliere gemeenteraadsverkiezingen in de bij een wijziging van de gemeentelijke indeling betrokken gemeenten in de situatie, bedoeld in het eerste lid, achterwege blijven. De zittingsduur van de leden van die raden eindigt tegelijk met de zittingsduur van de raden van de overige gemeenten die volgt op de eerstvolgende reguliere raadsverkiezingen. Afhankelijk van de periode die gelegen is tussen de datum van herindeling en de datum van de eerstvolgende reguliere verkiezingen bedraagt de zittingsduur van de leden van de ingevolge artikel 52 gekozen raden zes jaar en drie maanden, vijf jaar en drie maanden of vier jaar en drie maanden.

Artikel 56d

Dit artikel voorziet in een vangnet voor het geval dat een wetsvoorstel als bedoeld in artikel 56a niet uiterlijk op de donderdag in de periode tussen 17 september tot en met 23 september in het jaar waarin de reguliere gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden, tot wet is verheven en in werking is getreden. De uiterste datum waarop het wetsvoorstel tot wijziging van de gemeentelijke indeling in werking moet treden wordt bepaald door de dag van kandidaatstelling. Dat is maandag in de periode van 5 tot 11 oktober. De uiterste datum waarop de wet in werking moet treden verschuift daardoor eveneens. Indien deze situatie zich voordoet vinden er namelijk geen tussentijdse verkiezingen plaats vanwege een wijziging van de gemeentelijke indeling. Omdat de reguliere verkiezingen achterwege zijn gebleven dienen echter alsnog gemeenteraadsverkiezingen gehouden te worden voor de raden van de afzonderlijke gemeenten.

Voor de in het eerste lid beschreven situatie wordt in het tweede lid een aantal termijnen verkort, onder meer betreffende de registratie van de aanduidingen van politieke groeperingen. De verkorting van de termijnen komt overeen met de verkorting van termijnen die gebruikelijk is bij tussentijdse gemeenteraadsverkiezingen bij wijzigingen van de gemeentelijke indeling.

Artikel II

In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel tot verlenging van de zittingsduur van gemeenteraden in gemeenten waarvoor met ingang van 1 januari 2015 een wijziging van de gemeentelijke indeling wordt beoogd (Kamerstukken II 2012/13, 33 681, nr. 6, p. 6) is naar aanleiding van vragen van de SGP-fractie toegezegd de uitstelwetten van vóór 2009 in te trekken. De in dit artikel genoemde uitstelwetten zijn materieel uitgewerkt, omdat de verkiezingen of herindelingen waarnaar wordt verwezen reeds hebben plaatsgevonden.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk