Kamerstuk 33846-53

Verslag van een schriftelijk overleg over de midterm review Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob)

Dossier: Vaststelling van een geactualiseerd stelsel van openbare bibliotheekvoorzieningen (Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen)

Gepubliceerd: 19 maart 2018
Indiener(s): Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66)
Onderwerpen: cultuur cultuur en recreatie
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33846-53.html
ID: 33846-53

Nr. 53 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 19 maart 2018

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief van 22 december 2017 over de midterm review Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob) (Kamerstuk 33 846, nr. 52).

De vragen en opmerkingen zijn op 1 februari 2018 aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 16 maart 2018 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Tellegen

Adjunct-griffier van de commissie, Arends

Inhoud

I

Vragen en opmerkingen uit de fracties

2

 

– Algemeen

2

 

– Het algemene beeld over de eerste twee jaar van de Wsob

2

 

– Beleidsreactie op specifieke onderdelen

3

II

Reactie Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

6

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

Algemeen

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de midterm review Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen. Deze leden hechten groot belang aan de openbare bibliotheek als een laagdrempelige, algemene publieke voorziening die bijdraagt aan persoonlijke ontwikkeling en verbetering van maatschappelijke kansen.

Deze leden waarderen het dat de openbare bibliotheken met hun activiteiten een belangrijke rol spelen in de lokale gemeenschap.

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de tussentijdse evaluatie van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen. De leden hebben nog enkele vragen.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de midterm review Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen en de bijbehorende beleidsreactie van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Zij zijn verheugd om te lezen dat het aantal leden van bibliotheken onder de jeugd is toegenomen. Voor de taalontwikkeling is het van belang dat juist deze groep veel leest of wordt voorgelezen. Toch hebben de leden van deze fractie nog enkele vragen.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de midterm review Wsob en hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met interesse maar ook met teleurstelling kennisgenomen van de brief van de Minister en de midterm review van de Wet openbare bibliotheekvoorzieningen waarmee een nadere actuele blik wordt geworpen op de ontwikkelingen in de bibliotheeksector. Zij hebben hier dan ook nog verschillende vragen en opmerkingen bij.

Het algemene beeld over de eerste twee jaar van de Wsob

De leden van de CDA-fractie constateren dat in de midterm review verschillende voorbeelden worden genoemd van het werk van openbare bibliotheken ten dienste van ouderen. Deze leden vragen de Minister nader in te gaan op de positie en de wensen van ouderen, voor wie de fysieke nabijheid van een bibliotheekvoorziening van groot belang is.

Deze leden constateren dat de midterm review goede voorbeelden geeft van het belang van openbare bibliotheken voor integratie en inburgering. Zij vragen op welke wijze de Minister bibliotheken op dit gebied ondersteunt. De leden vragen de Minister nader in te gaan op de stand van zaken met betrekking tot de bibliotheekvoorzieningen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Deze leden zouden graag een beeld willen hebben van de ontwikkelingen op dit gebied, niet alleen als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen.

De leden van de D66-fractie merken op dat uit de rapporten blijkt dat de samenwerking en resultaten van de samenwerking tussen de bibliotheken en de KB1 nog niet altijd goed zichtbaar zijn. Zij vragen hoe de Minister de samenwerking tussen bibliotheken en de KB wil stimuleren. Kan de Minister reflecteren op het pleidooi van de VOB2 om de digitale bibliotheek een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de openbare bibliotheken en Koninklijke Bibliotheek te maken, zodat snelle en goede afstemming tussen fysieke en digitale dienstverlening bij de lokale bibliotheek gerealiseerd kan worden?

Ondanks positieve geluiden omtrent het ontwikkelen en in stand houden van de digitale bibliotheek door de KB, bestaat er vanuit de lokale bibliotheken ook een wens om meer invloed te hebben op de uiteindelijke besluitvorming door de KB aangaande de digitale bibliotheek en de inkoop van e-content, zo concluderen KWINK en de Koninklijke Bibliotheek. Tevens vragen zij hoe de Minister wil omgaan met de wensen van het bibliotheekveld op het gebied van de digitale bibliotheek en de inkoop van e-content. In hoeverre kan dit meegenomen worden in het bestuurlijk overleg tussen Minister en IPO / VNG, zo vragen de voornoemde leden.

Het bibliotheekveld pleit voor meer inzet op het voorkómen van taalachterstand en laaggeletterdheid. De leden vragen hoe de Minister dit pleidooi beoordeelt.

Tot slot willen de leden van deze fractie graag weten hoe de Minister de samenwerking tussen de bibliotheken en de Wmo3 op gemeentelijk niveau voor zich ziet.

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat uit de midterm review blijkt dat de samenwerking en de resultaten van de samenwerking tussen bibliotheken en de Koninklijke Bibliotheek niet altijd goed zichtbaar zijn. De voornoemde leden vragen of de Minister het wenselijk vindt dat deze samenwerking wordt versterkt. Kan de Minister aangeven hoe zij deze samenwerking kan stimuleren, zo vragen deze leden.

Beleidsreactie op specifieke onderdelen

De leden van de CDA-fractie volgen met bijzondere belangstelling de uitwerking van het gewijzigd amendement van het lid Keijzer c.s.4, waarbij aan de wet de mogelijkheid is toegevoegd dat inwoners een voorstel kunnen doen voor de voortzetting van een bibliotheekvoorziening, als de gemeente van plan is deze te sluiten of ingrijpend te veranderen. Uit de midterm review blijkt dat burgerinitiatieven uiteenlopen wat betreft omvang en ambitieniveau en ook wat betreft samenwerking met de bibliotheekvoorziening en de mate van financiële ondersteuning door de gemeente. Deze leden vragen de Minister welke maatregelen zij neemt om een goede landelijke dekking van voorzieningen te garanderen. In dit verband achten deze leden het stimuleren van burgerinitiatieven en de goede aansluiting met (gemeentelijk) beleid van belang.

Hoe bevordert de Minister de continuïteit van burgerinitiatieven, die immers afhankelijk zijn van vrijwilligers? Op welke wijze houdt de Minister zicht op deze ontwikkelingen? Hoe brengt de Minister de bestaande ervaring binnen de bibliotheeksector met een «right to challenge»-regeling in bij de verdere concretisering? Ook vragen zij of de Minister nader kan toelichten waarom zij een specifieke AMvB5 met procesvereisten voor het beheer door burgers van een bibliotheekvoorziening niet nodig vindt.

De Minister stelt dat haar beeld is dat gemeenten hun verantwoordelijkheid voor de bibliotheekvoorzieningen serieus nemen. De leden vragen in dit verband naar de constatering dat van de 390 gemeenten (eind 2016) er 16 zijn zonder volwaardige openbare bibliotheekvoorziening in de zin van de Wsob. Welke instrumenten heeft de Minister ten opzichte van deze gemeenten? Zij vragen tevens of gemeenteraden voldoende op de hoogte zijn van de eisen van de Wsob om de verantwoordelijke wethouder op dit punt te controleren.

De leden van deze fractie onderkennen met de Minister dat in dunbevolkte regio’s en in krimpgebieden volwaardige voorzieningen moeilijk te exploiteren zijn. Zij vragen op welke wijze de Minister de positie van de openbare bibliotheken inbrengt in het kabinetsbeleid ten aanzien van krimpregio’s.

De Minister stelt dat de openbare bibliotheken een sleutelrol spelen bij het aanleren van de digitale vaardigheden, onder andere de digitale vaardigheden die nodig zijn voor het gebruik van digitale overheidsdiensten. De leden vragen de Minister nader in te gaan op het bredere vraagstuk van de noodzakelijke digitale vaardigheden die de samenleving vraagt. Op welke wijze kunnen openbare bibliotheken daarin een rol spelen, zo vragen de voornoemde leden.

De leden van de D66-fractie vragen of de Minister zich bewust is van de sterke vergrijzing onder het personeel in de bibliotheekbranche. Kan de Minister aangeven hoe zij de uitstroom te lijf gaat en zorgt voor nieuwe instroom, zodat de bibliotheekbranche een toekomstbestendig personeelsbestand kan opbouwen om de kwaliteit van het hedendaagse bibliotheekwerk in de toekomst te borgen, zo vragen deze leden.

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat het aantal gemeenten zonder bibliotheekvoorziening is toegenomen en het totaal aantal vestigingen in Nederland de laatste jaren is afgenomen. Ook is de gemiddelde afstand tot een bibliotheekvestiging opgelopen van 1,7 kilometer in 2012 naar 1,9 kilometer in 2016. Dit zijn gemiddelden. In Zeeland is dit bijvoorbeeld 3,5 kilometer. Deze leden vinden dit een zorgelijke trend. De voornoemde leden vragen of de Minister kan aangeven of het principe van de Wsob dat iedere inwoner van Nederland toegang moet hebben tot de fysieke en digitale openbare bibliotheek hiermee volstaat. Waar ligt de grens waarbij niet wordt voldaan aan dit principe van de wet, zo vragen deze leden. De leden van deze fractie constateren dat de Minister het behoud van bibliotheken in kleine gemeenten agendeert voor het bestuurlijk overleg met de VNG en IPO, zodat zij gezamenlijk de situatie kunnen monitoren en kunnen bespreken hoe de toegang van elke burger tot een bibliotheekvoorziening gewaarborgd kan worden. Kan de Minister aangeven aan welke maatregelen zij denkt om de toegang voor elke burger tot bibliotheekvoorziening te waarborgen, zo vragen deze leden.

De eerder genoemde leden constateren dat een (hoofd)vestiging minimaal 15 uur per week geopend is. Niet alleen de afstand maar ook de openingstijden zijn van belang voor de toegankelijkheid. Kan de Minister aangeven hoeveel uur per week gemiddeld een (hoofd)vestiging open is? Tevens vragen de leden of zij hierbij een onderscheid kan maken tussen stedelijk en niet-stedelijk gebied. Kan de Minister tevens aangeven of het gemiddelde aantal uren dat een vestiging open is, is toegenomen of afgenomen de afgelopen jaren, zo vragen deze leden.

De leden SP-fractie zijn van mening dat bibliotheken van essentieel belang zijn om laaggeletterdheid tegen te gaan, om kinderen kennis te laten maken met het plezier van lezen en als openbare plek om informatie en kennis te verzamelen. Zij vinden het dan ook een zorgelijke ontwikkeling dat er door gemeenten fors bezuinigd wordt op deze voorzieningen. Zij kunnen dit niet los zien van de forse bezuinigingen op het gemeentefonds die de vorige kabinetten hebben doorgevoerd. Zij vragen naar de mening van de Minister hierover. De genoemde leden vragen of de Minister de mening deelt dat het bereikbaar en zichtbaar zijn van bibliotheken belangrijk is en hoe zij zich hiervoor in de toekomst gaat inzetten. Is zij tevens bereid in het bestuurlijk overleg ook de bibliotheken zelf te betrekken en niet alleen met bestuurders om tafel te gaan? Wat is voor de Minister een acceptabele afstand om te moeten reizen om een bibliotheek te kunnen bezoeken? De leden vragen of zij bereid is deze afstanden beter in kaart te brengen.

De eerder genoemde leden maken zich zorgen over laaggeletterdheid in onze samenleving. Zonder goed te kunnen lezen en schrijven is het lastig om zelfredzaam te zijn, terwijl de overheid daar steeds meer van uitgaat. Laaggeletterdheid voorkomen, zoals ook de Vereniging van Openbare Bibliotheken opmerkt, is beter dan genezen. De genoemde leden delen deze mening. Zij vragen of de Minister bereid is de verdeling van de toegezegde middelen nog eens te herzien, in overleg met de bibliotheken.

Verder vragen de leden van deze fractie hoe het staat met de invoering van één landelijke bibliotheekpas. Tot slot vragen zij de Minister om nader in te gaan op hoe zij de digitale collectie beter wil ontsluiten en hoe zij de problemen met de aankomende vergrijzing van het personeel wil tegengaan.

De leden van de PvdA-fractie hebben eerder bij het wetgevingsoverleg op 13 november 2017 inzake de OCW-begroting 2018 onderdeel Cultuur6 dringend aandacht gevraagd voor de nijpende positie van bibliotheken in kleine gemeenten en dorpskernen. Dat deden de leden vooral vanuit het principe dat iedereen toegang moet hebben tot een bibliotheekvoorziening, omdat het onder andere een essentiële voorziening is voor ontwikkeling, ontmoeting en het in contact komen met cultuur. Die zekerheid staat in verschillende gemeenten in Nederland onder druk. In de Kamerbreed aangenomen motie van het lid Asscher c.s.7 wordt de regering gevraagd zich in te spannen voor het behoud van bibliotheken in kleine gemeenten en om bij deze midterm review een plan voor te leggen om de ambitie «iedereen heeft toegang tot de bibliotheek» nader vorm te geven.

De leden stellen vast dat de Minister invulling meent te geven aan de motie door bestuurlijk overleg met VNG en IPO te agenderen over de bundeling van voorzieningen, waaronder een openbare bibliotheek en het monitoren van de bibliotheekvoorzieningen en de toegankelijkheid daarvan voor iedereen. De Minister merkt daarbij helaas op niet te willen voorzien in een algemeen plan om de ambitie «iedereen heeft toegang tot de bibliotheek» vorm te geven, waarbij zij het beeld schetst van een bibliotheekaanbod dat hier in voldoende mate in voorziet. Deelt zij de opvatting van de leden dat de hiermee de motie niet uitgevoerd is? Graag ontvangen zij een reactie hierop. Zij vragen wanneer de Minister wel voornemens is om deze Kamerbreed aangenomen motie en uitgesproken ambitie uit te voeren en welk tijdpad zij daar dan bij voor ogen heeft.

Zij vragen of de Minister voorts kan ingaan op de discrepantie tussen haar opvatting – dat een plan niet nodig is omdat er voldoende aanbod zou zijn – en de signalering in de midterm review van een daling in het aantal bibliotheken (conform de Wsob) tussen 2014 en 2016. Waarom gaat de Minister zo makkelijk voorbij aan het signaal uit de midterm review dat er ook bezorgdheid bestaat binnen het bibliotheeknetwerk over de ontwikkeling van het sluiten van vestigingen en locaties, waarbij de term «olievlek» gehanteerd wordt? Schetst dit niet juist het beeld van een bibliotheekbereik dat een dalende negatieve lijn kent, waarbij het dus verstandig en noodzakelijk is om juist nu ambitie te tonen en een plan te maken met de sector om te voorkomen dat deze negatieve trend verergert en niet meer te keren is, zo vragen deze leden. De leden wijzen in dat licht ook op de reactie van de VOB, die aangaf zeer verheugd te zijn met de brede steun in de Kamer voor deze motie en daarmee de ambitie. De VOB schetst de noodzaak hiertoe, gelet op de sterke versobering van bibliotheken op het platteland en de «witte vlekken» in Nederland waar bibliotheekvoorzieningen zijn verdwenen. De leden vragen de Minister hierop in te gaan, aangezien de Minister een ander beeld schetst en een gebrekkig gevoel voor urgentie toont ten opzichte van de bibliotheeksector zelf in haar reactie richting de Kamer. De leden vragen aan de Minister waarom zij hier een veel te terughoudende houding aanneemt, terwijl er in den lande verschillende gebieden zijn waar bibliotheekvoorzieningen onder druk staan of al verdwenen zijn, waarmee dan ook niet iedereen zeker is van toegang tot een bibliotheek binnen redelijke afstand. Is de Minister het met de leden eens dat de reactie van de VOB juist aangeeft dat een plan voor het versterken van de huidige basis en het zeker stellen van aanbod van bibliotheekvoorzieningen voor iedereen wenselijk is? De leden vragen de Minister verder waarom er in dit verband alleen in bestuurlijk overleg voorzien wordt, zoals zij aangeeft in haar brief. Is de Minister het met de leden eens dat bestuurlijk overleg geen vervanging kan zijn van een noodzakelijk plan voor de beschikbaarheid en bereikbaarheid van bibliotheekvoorzieningen voor iedereen? Zij vragen wat de Minister nu meer gaat doen dan in overleg treden en uitgaan van haar bestaande inzet, waarbij er dus wel sprake is van de negatieve trend die in de midterm review en door de sector worden benoemd. Welke steun is zij voornemens te bieden aan gebieden waar bibliotheektoegang niet langer vanzelfsprekend en verdwenen is of dreigt te verdwijnen? Hoeveel financiële middelen is zij bereid om daarvoor uit te trekken? Zij vragen of de Minister verder bereid is om in haar aangekondigde bestuurlijk overleg niet alleen over de bibliotheeksector te praten maar vooral met de sector, door ze hierbij actief te betrekken. Zo nee, waarom niet, zo vragen de voornoemde leden.

II Reactie Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Ik heb met interesse kennisgenomen van de vragen van de fracties van het CDA, D66, GroenLinks, SP en PvdA en dank de fracties voor hun inbreng. In mijn beantwoording van de vragen is dezelfde volgorde aangehouden als in de vraagstelling. Waar mogelijk zijn vragen in samenhang beantwoord.

Het algemene beeld over de eerste twee jaar van de Wsob

De leden van de CDA-fractie constateren dat in de midterm review verschillende voorbeelden worden genoemd van het werk van openbare bibliotheken voor ouderen. Deze leden vragen de Minister nader in te gaan op de positie en de wensen van ouderen, voor wie de fysieke nabijheid van een bibliotheekvoorziening van groot belang is.

De openbare bibliotheek is er voor iedereen. Uit onderzoek is bekend dat de gebruikers en bezoekers van de openbare bibliotheek een goede afspiegeling van de bevolking vormen. Bibliotheken houden rekening met de verschillende doelgroepen en bieden daarom ook activiteiten en diensten voor ouderen. Deze activiteiten liggen vooral op de gebieden gezondheid (mantelzorgcafés, dementiecafés) en digitale vaardigheden. Op het terrein van digitale vaardigheden bieden de openbare bibliotheken de cursus Digisterker (omgaan met de e-overheid) aan, zijn er digitale spreekuren en is er een structurele samenwerking met Seniorweb. De Koninklijke Bibliotheek (KB) en de provinciale ondersteuningsinstellingen ondersteunen de lokale bibliotheken bij deze activiteiten.

De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze de Minister de bibliotheken op het gebied van integratie en inburgering ondersteunt.

OCW verstrekt de KB een rijksbijdrage voor taken voor het bibliotheekstelsel als geheel. Onderdeel van deze taken is kennisuitwisseling. Openbare bibliotheken kunnen van elkaar leren en elkaars best practices gebruiken. Bij integratie en inburgering betreft dit met name ondersteuning bij het aanleren van basisvaardigheden. Zo levert het programma «Bibliotheek en basisvaardigheden» materiaal voor dienstverlenging aan personen met beperkte taal- en digivaardigheden. Daarnaast speelt de KB een rol bij het ontwikkelen en delen van programma’s en materiaal voor specifieke doelgroepen, zoals de «Taalkit Dutch». Deze taalkit richt zich op vluchtelingen die nog geen status hebben. Het biedt lesmateriaal voor de cursist en begeleidend materiaal voor vrijwilligers die lesgeven. Verder onderneemt de KB de volgende activiteiten op het gebied van integratie en inburgering:

  • De KB stelt bibliotheken materiaal ter beschikking waarmee deelnemers kunnen oefenen voor hun inburgeringsexamen;

  • De KB heeft voor bibliotheken die actief zijn met vluchtelingenkinderen de aanschaf van tweetalige boeken mogelijk gemaakt, zodat vluchtelingenkinderen al vroeg aan hun taalontwikkeling kunnen werken.

Door hun inbedding in de lokale gemeenschap kunnen de openbare bibliotheken gebruik maken van de inzet van groepen vrijwilligers bij de uitvoering van activiteiten op het gebied van inburgering en integratie.

De leden van de CDA-fractie vragen nader in te gaan op de stand van zaken met betrekking tot de bibliotheekvoorzieningen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Bonaire, Saba en St Eustatius hebben elk een eigen bibliotheekvoorziening. Op Bonaire is dat de openbare bibliotheek Bonaire, op Saba de Queen Wilhelmina Library en op Sint Eustatius de Gertrude Judson Bicentennial Public Library. De bibliotheken zijn niet alleen onderdeel van het Nederlandse netwerk, maar hebben ook samenwerkingsverbanden in de regio. Zo is in 2012 de Dutch Caribbean Library Association (DCLA) opgericht, waarin de bibliotheken op de voormalige Nederlandse Antillen en Suriname zoveel mogelijk samenwerken. De bibliotheken in Caribisch Nederland zijn de afgelopen jaren bezig geweest om hun uitleensysteem te automatiseren en hebben voor hetzelfde open source systeem gekozen als de bibliotheek op Sint Maarten, zodat zij samen kunnen werken bij onder andere trainingen en ondersteuning. De bibliotheken op de eilanden hebben een aantal specifieke uitdagingen, zoals de gevolgen van de meertaligheid voor de samenstelling van de collectie en – bij Saba en St Eustatius – de kleine inwoneraantallen8. De kleine schaal maakt het lastig om te voorzien in een volwaardige bibliotheekvoorziening in de zin van de Wsob.

Dit jaar zal de KB met de bibliotheken op de eilanden afstemmen welke diensten die de KB vanuit de stelseltaken aan de bibliotheken in Nederland levert, ook voor de eilandbewoners relevant en interessant zijn. Die diensten kunnen met aangepaste ondersteuning ook aan de eilanden geleverd worden. In ieder geval zullen de bewoners van de eilanden – zonder meerkosten – gebruik kunnen maken van de digitale bibliotheek. In 2019 zullen de tariefstelling en het gebruik van de digitale bibliotheek voor de eilanden worden geëvalueerd.

De bibliotheken op Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn tot nu toe niet bevraagd door de KB in het kader van de verplichte jaarlijkse gegevenslevering voor de Wsob. Dit omdat het grootste deel van de gegevens niet relevant is voor de situatie op de eilanden en het opvragen ervan een onevenredig grote administratieve last voor deze bibliotheken zou betekenen. Vanaf 2018 zal de KB jaarlijks een kleine set gegevens opvragen en deze presenteren bij de jaarlijkse Bibliotheekmonitor. De informatie die nu voorhanden is, is uitgevraagd in het kader van de midterm review. Deze informatie is vooralsnog ongelijksoortig. Onderstaande informatie geeft een beeld van de huidige stand van zaken per eiland.

Bonaire

De bibliotheek op Bonaire meldt dat het aantal uitleningen daalt, maar het aantal leden stijgt (1.223 in 2015). Het personeelsbestand omvat 6 fte. Het publiek gebruikt de bibliotheek als ontmoetingsplaats, maakt gebruik van de computers voor het lezen van kranten en om informatie te zoeken. De bibliotheek werkt met verschillende partijen samen in het kader van leesbevordering: de Stichting Lezen is Leuk, de Stichting Lezen en Schrijven Bonaire, de Stichting Openbare scholen en RK scholen (Primair Onderwijs), de Stichting Scholengemeenschap Bonaire (Voortgezet – en Beroepsonderwijs), Stichting FORMA (o.a. volwasseneducatie, alfabetisering) en het Centrum voor Jeugd en Gezin. Ook werkt de bibliotheek samen met de plaatselijke stichting die zorg biedt aan slechtzienden en slechthorenden. Bij het organiseren van activiteiten staat de bibliotheek in nauw contact met de bibliotheek op Aruba.

Sint Eustatius

De bibliotheek op Sint Eustatius had in 2017 580 leden, werkt met 3 personeelsleden en ontving in 2016 135.850 dollar subsidie. De bibliotheek verzorgt naast boekenuitleen ook activiteiten voor de jeugd. In de Bibliotheekmonitor 2017 zal meer informatie over deze bibliotheekvoorziening worden opgenomen.

Saba

De bibliotheek op Saba had in 2017 333 leden en werkt met 2 fte en een aantal vrijwilligers. De bibliotheek organiseert onder andere leesprogramma’s en huiswerkbegeleiding en werkt samen met de plaatselijke kinderopvangorganisaties, Social Affairs en de scholen. De bibliotheek heeft afgelopen jaren geïnvesteerd in het vernieuwen van de collectie en in automatisering. De bibliotheek heeft in november 2017 bij de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN) zorgen geuit over de financiële situatie. Komende maanden zal de RCN OCW een completer beeld geven van de situatie.

De leden van de fracties van D66 en GroenLinks merken op dat uit de rapporten blijkt dat de samenwerking en resultaten van de samenwerking tussen de bibliotheken en de KB9 nog niet altijd goed zichtbaar zijn. Zij vragen hoe de Minister de samenwerking tussen bibliotheken en de KB wil stimuleren.

Op grond van de Wsob verricht de KB een aantal taken voor het bibliotheekstelsel als geheel. Dat betreft onderwerpen en vraagstukken die het niveau van de individuele lokale bibliotheek overstijgen.10 Het is evident dat de KB deze taken alleen in samenwerking met de lokale bibliotheken kan uitvoeren. De KB vervult deze rol sinds 2015 en heeft hiervoor verschillende vormen van overleg en afstemming met de branche ingericht. Het is mijn ervaring dat partijen elkaar steeds beter weten te vinden. Belangrijke recente resultaten van deze samenwerking zijn o.a. het gezamenlijk collectieplan, de gezamenlijke innovatie-agenda 2016–2018, de actie-agenda 2017–2018 en het nationale programma «Bibliotheek en basisvaardigheden».

De leden van de D66-fractie vragen de Minister te reflecteren op het pleidooi van de VOB11 om de digitale bibliotheek een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de openbare bibliotheken en Koninklijke Bibliotheek te maken, zodat snelle en goede afstemming tussen fysieke en digitale dienstverlening bij de lokale bibliotheek gerealiseerd kan worden. De leden refereren aan de wens van de bibliotheekbranche meer invloed te hebben op de aanschaf van e-content door de KB. Zij vragen of dit onderwerp besproken kan worden in het bestuurlijk overleg met VNG en IPO.

Op grond van de Wsob draagt de KB de wettelijke verantwoordelijkheid voor het beheer en de ontwikkeling van de landelijke digitale openbare bibliotheek.12 Deze verantwoordelijkheid omvat het beheer en de doorontwikkeling van de landelijke digitale infrastructuur en de inkoop en het ter beschikking stellen van e-content voor de gebruikers van de openbare bibliotheek. De resultaten over de eerste twee jaar van de Wsob laten zien dat de KB deze taak succesvol uitvoert: eind 2016 omvatte de digitale openbare bibliotheek ruim 14.000 titels, waren er ruim 340.000 gebruikers en bijna 5 miljoen digitale uitleningen. Op dit moment liggen deze cijfers al weer substantieel hoger. De Nederlandse digitale openbare bibliotheek behoort met de omvang van de collectie, het aantal gebruikers en de gebruiksvriendelijkheid («one copy, multiple users») tot de Europese voorhoede.

De wetsgeschiedenis en parlementaire behandeling van de Wsob geven de overwegingen weer die ten grondslag liggen aan de inrichting van de digitale openbare bibliotheek en aan de centrale rol en verantwoordelijkheid van de KB:

  • 1. Er zijn in Nederland in 2016 154 lokale en 8 provinciale bibliotheekorganisaties. Het is niet efficiënt, als elk van deze organisaties een eigen digitale bibliotheek met een eigen digitale infrastructuur en eigen e-content zou opzetten. Dat leidt tot versnippering van publieke middelen en gebrekkige dienstverlening aan de gebruiker. De openbare bibliotheken hebben daarom al in een eerder stadium besloten hun inspanningen op het gebied van de digitale bibliotheek te bundelen in een centrale projectorganisatie, de stichting Bibliotheek.nl. De taken van deze projectorganisatie hebben vanaf 2015 via de Wsob een structurele inbedding en structurele financiering gekregen bij de KB. Hiermee is er een stevig fundament voor de digitale openbare bibliotheek en voor de digitale dienstverlening aan het algemene publiek;

  • 2. Het positioneren van de digitale taken bij de KB heeft als voordeel dat een combinatie kan worden gelegd met de digitale taken die de KB op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) in het wetenschapsdomein uitvoert. In aanvulling hierop zijn tegelijkertijd met de invoering van de Wsob ook de activiteiten van de veel geraadpleegde Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) per 1 januari 2015 bij de KB ondergebracht. Op deze manier zijn drie grote publieke digitale bibliotheken samengebracht. Dat biedt grote mogelijkheden voor het publiek toegankelijk maken van verschillende soorten content op het gebied van literatuur, educatie, cultuur en wetenschap. Dit sluit aan bij de lijnen van de nationale strategie digitaal erfgoed. Dit laatste mede in antwoord op een vraag van de SP-fractie over de ontsluiting van digitale collecties.

De KB kan haar digitale taken voor de gebruikers van de openbare bibliotheek alleen adequaat uitvoeren in goede afstemming en samenwerking met de bibliotheekbranche. Dat betreft bijvoorbeeld de inkoop van e-content voor de digitale bibliotheek en het opzetten van marketingacties. Deze samenwerking is op het niveau van de Wsob wettelijk geborgd: de KB koopt e-content uitsluitend in op voordracht van de bibliotheekbranche.13 In de praktijk heeft dit vorm gekregen via een adviescommissie voordracht e-content en een inkoopcommissie digitale content. De leden van de adviescommissie zijn ervaren bibliothecarissen die verantwoordelijk zijn voor de digitale collectie in de lokale bibliotheek. Zij worden benoemd door de VOB. De inkoopcommissie digitale content bewaakt het algemene kader en de financiën en geeft de inkoopopdrachten aan de KB. De inkoopcommissie bestaat uit zes leden, waarvan vier vanuit de bibliotheekbranche en twee vanuit de KB. Naar mijn idee is de invloed van de bibliotheekbranche op de inkoop van e-content op deze manier zowel in formele zin, als in praktische zin naar behoren geregeld. Indien daar bij partijen behoefte aan bestaat, kan het onderwerp aan bod komen in het bestuurlijk overleg met VNG, IPO en VOB.

Het bibliotheekveld pleit voor meer inzet op het voorkómen van taalachterstand en laaggeletterdheid. De leden van de D66-fractie vragen hoe de Minister dit pleidooi beoordeelt.

Het voorkomen van taalachterstand en laaggeletterdheid is een belangrijk onderwerp in het kabinetsbeleid. Bibliotheken spelen daarbij een belangrijke rol. Daarom investeer ik in het kader van Tel mee met Taal in programma’s als BoekStart en de Bibliotheek op school, waarbij bibliotheken ouders, scholen en kinderopvanginstellingen ondersteunen bij het stimuleren van leesplezier. Deze aanpak is succesvol, zoals u kunt lezen in de tussenevaluatie van Tel mee met Taal die ik u eind vorig jaar toe zond.14 Het is de verwachting dat eind dit jaar maar liefst 1 miljoen kinderen tot en met de basisschoolleeftijd zullen worden bereikt met deze bibliotheekprogramma’s die erop gericht zijn lezen te stimuleren en daarmee laaggeletterdheid te voorkomen. Daarnaast investeer ik gedurende de periode 2016–2018 nog eens extra in deze bibliotheekprogramma’s door jaarlijks € 500.000,– beschikbaar te stellen voor pilots, specifiek gericht op het bereiken van laagtaalvaardige gezinnen. Door juist die gezinnen beter te bereiken waar het risico het grootst is, kunnen we nog succesvoller taalachterstand en laaggeletterdheid voorkomen. Eind 2018 vindt de eindevaluatie van Tel mee met Taal plaats.

Daarnaast wijs ik u voor de volledigheid op alle inzet op het voorkomen van taalachterstand en laaggeletterdheid in het onderwijs, waarop Tel mee met Taal een aanvulling is. Ieder kind in Nederland moet de kans krijgen om zich vanaf jonge leeftijd goed te ontwikkelen. Een achterstand in de taalontwikkeling vanwege het opgroeien in een taalarme thuisomgeving kan een negatieve invloed hebben op de wijze waarop een kind de school doorloopt. Daarom ontvangen scholen en gemeenten geld om de onderwijskansen voor deze kinderen te vergroten. Te denken valt aan voor- en vroegschoolse educatie, schakel- en kopklassen. Het kabinet investeert structureel € 170 miljoen extra in een verruiming van het aanbod van voorschoolse educatie. Daarmee kunnen gemeenten een stimulerend aanbod verzorgen aan peuters met een risico op een achterstand waardoor deze hun taalvaardigheden beter ontwikkelen.

De leden van de D66-fractie willen graag weten hoe de Minister de samenwerking tussen de bibliotheken en de Wmo15 op gemeentelijk niveau voor zich ziet.

Sinds de drie decentralisaties in het sociale domein in 2015 beslissen gemeenten zelf over de inrichting van de dienstverlening aan de inwoners op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. Gemeenten kunnen besluiten de bibliotheken hierbij te betrekken en daar zijn succesvolle voorbeelden van. Zo bestaat in Deventer de Wijkwinkel, onderdeel van de Bibliotheek Deventer. De Wijkwinkel is een platform voor vragen van inwoners over wonen, welzijn en zorg. De Wijkwinkel geeft informatie en kan verwijzen naar andere organisaties, zoals het algemeen maatschappelijk werk of een ouderenadviseur. Ook is het mogelijk een afspraak te maken of binnen te lopen bij één van de spreekuren in de Wijkwinkels. Bijvoorbeeld voor het belastingspreekuur of het inloopspreekuur van de sociaal raadslieden.

Ook op landelijk niveau is er aandacht voor de rol van de bibliotheek in het sociaal domein. De KB voert met het Ministerie van VWS drie pilots uit – met de bibliotheken Dalfsen, Deventer en Zoetermeer – om te bekijken welke rol de bibliotheken kunnen spelen op het gebied van zorg en welzijn en de ondersteuning van de inwoners. Op landelijk niveau faciliteert de KB dit door de ontwikkeling van een landelijk dekkende sociaal-educatieve kaart waarmee bibliotheken inwoners op weg kunnen helpen. Deze kaart bevat op dit moment het aanbod van bibliotheken in het kader van de samenwerking met de Belastingdienst. Dit aanbod wordt getoond op de website van de lokale bibliotheek en op de landelijke website voor eindgebruikers, het zgn. Digitaal Hulpplein dat ontwikkeld is in opdracht van de Ministeries van SZW en van BZK. Binnen de netwerkstructuur van het bibliotheekstelsel kunnen goede voorbeelden van lokale of provinciale bibliotheekorganisaties via de KB worden doorontwikkeld en algemeen beschikbaar worden gesteld. De rol van de bibliotheek in het sociale domein is ook terug te vinden in de gezamenlijke innovatie-agenda, opgesteld door de KB, de VOB, IPO en VNG.

Beleidsreactie op specifieke onderdelen

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de Minister de continuïteit van burgerinitiatieven bevordert? Op welke manier houdt de Minister zicht op de ontwikkelingen? Hoe brengt de Minister de bestaande ervaringen in bij de concretisering van het right to challenge. Waarom denkt de Minister dat het inbrengen van een specifieke AMvB met procesvereisten niet nodig?

Burgerinitiatieven kunnen helpen om lacunes in het bibliotheeknetwerk te voorkomen en het bereik van de voorziening te vergroten. De besproken casussen van burgerinitiatieven in de midterm review laten zien dat een burgerinitiatief op verschillende manieren vorm kan krijgen. Voor het niveau en de duurzaamheid van de dienstverlening zijn de initiatieven gebaat bij de ondersteuning vanuit het openbare bibliotheeknetwerk. De Minister van BZK, de VNG en de gemeenten zijn al langere tijd bezig om processen rond burgerinitiatieven te verbeteren en de rol van deze initiatieven binnen de lokale democratie vorm te geven. Als onderdeel van dit proces zal de Minister van BZK dit jaar een actieplan voor de versterking van de lokale democratie aan de Kamer sturen. Het actieplan zal ook ingaan op de voorstellen in het Regeerakkoord over het «right to challenge». Naar verwachting biedt dit actieplan handreikingen voor gemeenten en burgerinitiatieven, die ook van toepassing zijn op burgerinitiatieven voor bibliotheekvoorzieningen. De ervaringen die bij burgerinitiatieven voor openbare bibliotheken zijn opgedaan, zal ik daarbij inbrengen. Een specifieke AMvB met procesvereisten voor burgerinitiatieven bij openbare bibliotheken acht ik niet nodig. Er ontstaat overbodige regelgeving, als de overheid voor elk beleidsterrein waar burgerinitiatieven vorm kunnen krijgen met specifieke procesvereisten komt. Bij de evaluatie van de Wsob in 2019 zal ik de situatie van vrijwilligers- en burgerinitiatieven op het gebied van openbare bibliotheken opnieuw onderzoeken.

De leden van de fracties van het CDA en van GroenLinks refereren aan het feit dat van de 390 gemeenten (eind 2016) er 16 zijn zonder volwaardige openbare bibliotheekvoorziening in de zin van de Wsob. Zij vragen het oordeel van de Minister over deze situatie en vragen naar mogelijke instrumenten van de Minister ten opzichte van deze gemeenten.

Zoals in de midterm review uiteengezet, komen bij dit onderwerp twee principes van de Wsob bij elkaar. Het inhoudelijke principe dat iedere inwoner van Nederland toegang moet hebben tot de fysieke en digitale openbare bibliotheek en het bestuurlijke principe dat de gemeenten verantwoordelijk zijn voor het lokale voorzieningenniveau en daar eigen keuzes in kunnen maken. Het samenspel tussen deze principes heeft als resultaat dat er in Nederland 16 gemeenten zijn zonder volwaardige bibliotheekvoorziening in de zin van de Wsob. Daarbij moet worden opgemerkt dat in 12 van deze gemeenten wel een beperkte bibliotheekvoorziening beschikbaar is of de toegang tot de bibliotheek in een buurgemeente is geregeld. Per saldo zijn er vier gemeenten zonder enige vorm van bibliotheekwerk. De situatie in deze vier gemeenten is de uitkomst van het lokale democratische proces, waarbij de gemeenteraad besluit op een voorstel van het college van B&W en inwoners de gelegenheid hebben hun reactie op een voorgenomen besluit te geven. In de interbestuurlijke verhoudingen kan de Minister van OCW daarin niet interfereren. Wel schrijft de Wsob voor dat gemeenten bij een voornemen de bibliotheek te sluiten of de dienstverlening ingrijpend te wijzigen over de consequenties daarvan moeten overleggen met belanghebbenden en met de buurgemeenten.16 Dit om bij een dergelijk besluit alle argumenten en omstandigheden mee te kunnen wegen. Los van de formele en bestuurlijke argumenten zal vooral de maatschappelijke meerwaarde van de bibliotheek de doorslag moeten geven bij de lokale besluitvorming. In het onderzoeksprogramma «Meten maatschappelijke opbrengst» werken de KB en de bibliotheekbranche aan het meetbaar en inzichtelijk maken van de maatschappelijke effecten van bibliotheekdiensten. Dat kan behulpzaam zijn bij gemeentelijke besluitvorming.

De Minister stelt dat de openbare bibliotheken een sleutelrol spelen bij het aanleren van de digitale vaardigheden, onder andere de digitale vaardigheden die nodig zijn voor het gebruik van digitale overheidsdiensten. De leden van de CDA-fractie vragen de Minister nader in te gaan op het bredere vraagstuk van de noodzakelijke digitale vaardigheden die de samenleving vraagt. Op welke wijze kunnen openbare bibliotheken daarin een rol spelen?

Openbare bibliotheken kunnen op verschillende manieren een rol spelen bij het aanleren van digitale vaardigheden. Zo heeft de KB een licentie afgesloten met Oefenen.nl, een portal met laagdrempelige programma’s waarmee mensen thuis, maar ook onder begeleiding in de bibliotheek, kunnen werken aan het verbeteren van hun digitale vaardigheden. Daarnaast ondersteunt de bibliotheek burgers bij het omgaan met de e-overheid. Zo heeft de KB in 2016 een convenant afgesloten met de Belastingdienst en bieden bibliotheken hulp aan burgers bij de digitale belastingaangifte en het aanvragen van toeslagen. Deze gratis hulp bestaat uit het gebruik van computers met een veilige internetverbinding, printfaciliteiten, spreekuren en cursussen digitale vaardigheden voor omgaan met de e-overheid. Digitale vaardigheden voor het werken met de e-overheid kunnen worden verbeterd via het programma Digisterker.

De leden van de D66-fractie vragen of de Minister zich bewust is van de sterke vergrijzing onder het personeel in de bibliotheekbranche. Kan de Minister aangeven hoe zij de uitstroom te lijf gaat en zorgt voor nieuwe instroom, zodat de bibliotheekbranche een toekomstbestendig personeelsbestand kan opbouwen om de kwaliteit van het hedendaagse bibliotheekwerk in de toekomst te borgen, zo vragen deze leden. Een vergelijkbare vraag stelt de SP-fractie.

De midterm review en het onderliggende rapport van de KB «Trends in het stelsel van openbare bibliotheken» geven de volgende beschrijving van de situatie op het gebied van arbeidsmarkt en personeel: het personeelsbestand van de openbare bibliotheken is vergrijsd, het aantal medewerkers is geslonken van circa 9.000 personen in 2010 naar circa 6.600 in 2016, specifieke vakopleidingen zijn verdwenen en de nieuwe activiteiten van de bibliotheken vragen nieuwe competenties. In de midterm review heb ik hierbij opgemerkt dat deze situatie een aantal uitdagingen oplevert. De belangrijkste daarvan zijn het opvangen van de toekomstige uitstroom, het vinden en vasthouden van nieuw personeel met de juiste kwalificaties en het bijscholen van zittend personeel om de inzetbaarheid te vergroten. De primaire verantwoordelijkheid voor dit onderwerp ligt bij de werkgevers en de vakbonden. Het onderwerp heeft de aandacht van de branche en er zijn initiatieven vanuit de medewerkers zelf, zoals het jonge bibliothecarissen netwerk. De KB kan hieraan bijdragen vanuit haar landelijke netwerktaken.

De leden van de SP-fractie maken zich zorgen over laaggeletterdheid in onze samenleving. Zonder goed te kunnen lezen en schrijven is het lastig om zelfredzaam te zijn, terwijl de overheid daar steeds meer van uitgaat. Laaggeletterdheid voorkomen, zoals ook de VOB opmerkt, is beter dan genezen. De genoemde leden delen deze mening. Zij vragen of de Minister bereid is de verdeling van de toegezegde middelen nog eens te herzien, in overleg met de bibliotheken.

De verdeling van de middelen die hier bedoeld wordt, betreft het actieprogramma «Tel mee met Taal». Vanuit «Tel mee met Taal» ontvangen de Stichting Lezen en de KB voor de ondersteuning van bibliotheken bij het voorkomen van laaggeletterdheid in de periode 2016–2018 € 3.350.000,– per jaar. De Stichting Lezen & Schrijven ontvangt voor de ondersteuning van gemeenten bij de aanpak van laaggeletterdheid bij volwassenen ruim € 10.000.000,– per jaar.

In aansluiting op mijn antwoord op een vraag van de D66-fractie over hetzelfde onderwerp wijs ik er op dat het voorkomen van laaggeletterdheid met name in het onderwijs plaatsvindt. De inzet van bibliotheken is een aanvulling op het onderwijs.

De leden van de SP-fractie vragen hoe het staat met de invoering van één landelijke bibliotheekpas.

Onder de aanduiding nationale bibliotheekpas ontwikkelt de bibliotheekbranche een landelijke pas. Leden kunnen met die pas niet alleen in de eigen lokale bibliotheek boeken lenen en terugbrengen, maar ook in vestigingen van andere bibliotheekorganisaties. De technische randvoorwaarden zijn geregeld voor bibliotheken die werken met de twee meest gebruikte bibliotheeksystemen. Bibliotheken kunnen zelf besluiten of zij met de nationale bibliotheekpas willen werken. Circa 90% van de bibliotheken doet er op dit moment aan mee.

De leden van de PvdA-fractie stellen verschillende vragen over de wijze van uitvoering van de motie Asscher, zoals beschreven in de midterm review. Met deze motie heeft de Tweede Kamer de regering verzocht zich in te spannen voor het behoud van bibliotheken in kleine gemeenten en een plan op te stellen met de ambitie iedereen toegang tot de openbare bibliotheek te geven. De leden van de PvdA-fractie stellen dat de voorgestelde acties onvoldoende tegemoet komen aan de strekking van de motie en wijzen op gebieden waar bibliotheekvoorzieningen onder druk staan. Ook de fracties van het CDA, GroenLinks en de SP vragen aandacht voor de spreiding en bereikbaarheid van de openbare bibliotheek.

De midterm review constateert dat Nederland met circa 1.200 bibliotheeklocaties beschikt over een fijnmazig netwerk van bibliotheekvoorzieningen. In de midterm review zijn naar aanleiding van de motie Asscher de volgende lijnen uitgezet ten aanzien van de spreiding en bereikbaarheid van bibliotheekvoorzieningen: aandacht voor de positie van openbare bibliotheken in het beleid voor krimpgebieden, een meer expliciete rol voor de provincies bij het regionale voorzieningenniveau en bespreking van het onderwerp in een bestuurlijk overleg met VNG en IPO. Naar aanleiding van de vragen van de fracties van de PvdA, het CDA, GroenLinks en de SP over deze lijnen wil ik graag nader op dit onderwerp ingaan. Het aantal bibliotheekvestigingen in de klassieke zin van het woord laat over een reeks van jaren een dalende ontwikkeling zien (tabel 1). De vragenstellers leggen een relatie tussen de ontwikkelingen in het aantal bibliotheeklocaties en het publieksbereik van de openbare bibliotheek. De meerjarencijfers over ontwikkelingen in de aantallen vestigingen, gebruikers en uitleningen laten echter zien dat deze relatie niet één-op-één gelegd kan worden. In de periode dat het aantal locaties is teruggelopen van 1.674 (2012) naar 1.167 (2016), is het aantal jeugdleden gegroeid van 2,2 mln. naar 2,3 mln. (tabel 2).

Tabel 1 Vestigingen openbare bibliotheken 2012–2016
 

2012

2013

2014

2015

2016

Aantal bibliotheekorganisaties

162

160

157

156

154

Aantal vestigingen en hoofdvestigingen

843

810

802

770

767

Aantal servicepunten

220

225

209

232

194

Aantal mini-servicepunten

106

87

59

56

56

Aantal afhaalpunten

0

14

31

56

63

Onbemande zelfbedieningsbibliotheken

6

4

4

11

19

Aantal haltes bibliobus

499

262

212

141

68

Totaal vestigingen/locaties

1.674

1.402

1.317

1.266

1.167

Aantal vestigingen bibliotheek op school PO

       

2.398

De groei in het aantal jeugdleden hangt waarschijnlijk samen met de leesbevorderingsactiviteiten BoekStart en de Bibliotheek op School, die onderdeel zijn van het programma Tel mee met Taal/Kunst van Lezen en in dezelfde periode worden uitgevoerd. Er zijn inmiddels circa 2.400 locaties van de Bibliotheek op School in het primair onderwijs en meer dan 50 in het voortgezet onderwijs. Deze locaties zijn niet opgenomen in de standaardstatistieken over het openbare bibliotheekwerk, maar zijn wel in de midterm review vermeld, omdat zij als gezamenlijke activiteit van school en openbare bibliotheek van belang zijn voor het bereik van de openbare bibliotheek onder een belangrijke leeftijdscategorie: de jeugd. In 2016 bereikten BoekStart en de Bibliotheek op School ongeveer 700.000 kinderen in de leeftijd 0–12 jaar.

Tabel 2 Gebruikers en uitleningen openbare bibliotheken 2012–2016
 

2012

2013

2014

2015

2016

Aantal leden

3,9 mln.

3,8 mln.

3,8 mln.

3,8 mln.

3,7 mln.

waarvan volwassen

1,7 mln.

1,6 mln.

1,5 mln.

1,5 mln.

1,4 mln.

waarvan jeugd

2,2 mln.

2,2 mln.

2,3 mln.

2,3 mln.

2,3 mln.

Totaal aantal fysieke uitleningen

92 mln.

84 mln.

80 mln.

78 mln.

73 mln.

Totaal aantal fysieke uitleningen boeken

85 mln.

78 mln.

73 mln.

73 mln.

68 mln.

Aantal fysieke uitleningen boeken volwassen

44 mln.

40 mln.

38 mln.

36 mln.

33 mln.

Aantal fysieke uitleningen boeken jeugd

41 mln.

38 mln.

36 mln.

37 mln.

36 mln.

Ontwikkelingen in aantallen vestigingen en filialen zeggen niet alles over het gebruik en het bereik van de openbare bibliotheek. Dat neemt niet weg dat de fysieke aanwezigheid en nabijheid van de openbare bibliotheek een voorwaarde is voor een relevante rol in de lokale gemeenschap. Er zijn regio’s waar het voorzieningenniveau dun is geworden en dat verdient de aandacht. Het kabinet voert daar in algemene zin beleid op via de decentralisatie-uitkering bevolkingsdaling gemeentefonds, die in de periode 2016–2020 wordt toegekend aan negen krimpregio’s.17 De regio’s kunnen zelf bepalen waar zij deze uitkering voor willen inzetten. Bijvoorbeeld voor het in standhouden van lokale voorzieningen zoals de openbare bibliotheek. Naar aanleiding van de motie Asscher is gekeken naar goede voorbeelden uit de regionale praktijk. De provincie Drenthe levert een interessant voorbeeld. Deze provincie hecht veel belang aan een dekkend netwerk aan bibliotheekvoorzieningen, zowel in de stedelijke als in de landelijke gebieden, en heeft daarom een regeling opgesteld voor de financiële ondersteuning van gemeenten die zich voor een langere periode committeren aan de openbare bibliotheek. Tegelijkertijd wil de provincie met betrokken partners (gemeenten, de provinciale ondersteuningsorganisatie, lokale bibliotheken en de KB) een visie ontwikkelen op toekomstbestendige bibliotheekvoorzieningen in dunbevolkte gebieden ter versterking van de leefbaarheid. Interessant aan dit voorbeeld is dat bestuurlijke partijen (provincie en gemeenten) met elkaar werken aan een gemeenschappelijk doel zonder dat de ene partij de rol van de ander overneemt. In bestuurlijk overleg met VNG, IPO en de bibliotheekbranche wil ik toetsen of het voorbeeld van Drenthe ook voor andere provincies bruikbaar is, eventuele andere goede voorbeelden inventariseren en onderzoeken wat nodig is voor een bredere toepassing van goede voorbeelden. Het is, in antwoord op een vraag van de PvdA-fractie, in dit stadium niet mogelijk vast te stellen of in aanvulling op de middelen van de decentralisatie uitkering bevolkingsdaling en de provinciale middelen voor ondersteuning van het bibliotheekwerk extra middelen nodig zijn. Het bestuurlijk overleg zal voor de zomer plaatsvinden. Ik zal de Kamer informeren over de uitkomsten.

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat een (hoofd)vestiging minimaal 15 uur per week geopend is. Niet alleen de afstand maar ook de openingstijden zijn van belang voor de toegankelijkheid. Kan de Minister aangeven hoeveel uur per week gemiddeld een (hoofd)vestiging open is? Tevens vragen de leden of zij hierbij een onderscheid kan maken tussen stedelijk en niet-stedelijk gebied. Kan de Minister tevens aangeven of het gemiddelde aantal uren dat een vestiging open is, is toegenomen of afgenomen de afgelopen jaren, zo vragen deze leden.

Jaarlijks worden op grond van de Wsob via de Regeling gegevenslevering openbare bibliotheken kerngegevens opgevraagd bij de lokale bibliotheken, de provinciale ondersteuningsorganisaties en de digitale bibliotheek. De openingsuren van openbare bibliotheken worden niet opgevraagd. Er zijn daardoor ook geen gegevens beschikbaar over de ontwikkeling in openingstijden.

De leden van de SP-fractie vragen of de Minister bereid is de afstand tot de bibliotheek beter in kaart te brengen.

De midterm review bevat de geaggregeerde cijfers over de afstand tot de openbare bibliotheek op provinciaal niveau. Het onderliggend onderzoek heeft gebruik gemaakt van de CBS-statistiek «Nabijheid voorzieningen», die de afstand tot maatschappelijke voorzieningen per provincie, per gemeente en in de grotere gemeenten per wijk en buurt beschrijft.18 Hiervoor is geen aanvullend onderzoek nodig.