Kamerstuk 33839-6

Nota naar aanleiding van het verslag

Dossier: Regels omtrent de basisregistratie ondergrond (Wet basisregistratie ondergrond)


Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 6 mei 2015

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag van de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu met betrekking tot bovenvermeld voorstel van wet. Ik dank de onderscheidene fracties voor de aandacht die zij aan het wetsvoorstel hebben besteed. U ontvangt deze nota naar aanleiding van het verslag na een lange periode van stilte rondom dit wetsvoorstel. Ik heb die periode gebruikt om het proces van totstandkoming van de Basisregistratie Ondergrond (hierna: BRO) te herijken. Daarbij heb ik ook de vorderingen betrokken die in het kader van de ontwikkeling van de Structuurvisie Ondergrond (hierna: STRONG) en de Omgevingswet zijn gemaakt. Derhalve heb ik dan ook de tijd genomen om de activiteiten in het kader van de BRO, STRONG en de digitale informatievoorziening over de fysieke leefomgeving − het digitale stelsel dat beleid en uitvoering van de Omgevingswet ondersteunt − zorgvuldig en volgordelijk op elkaar af te stemmen.

Alvorens op de vragen uit het verslag in te gaan, wil ik u allereerst informeren over waar dit proces van herijking mij heeft gebracht, alsmede over het door mij beoogde vervolgtraject om te komen tot een volledig functionerende BRO.

Tegelijk met deze nota naar aanleiding van het verslag breng ik een nota van wijziging uit. De nota van wijziging herstelt een tweetal onjuistheden in het wetsvoorstel.

Het belang van de BRO

De ondergrond levert belangrijke bijdragen aan maatschappelijke opgaven als de energie-, drinkwater- en voedselvoorziening en biedt ruimte en draagkracht voor transport, mobiliteit en gebouwen. De behoefte om gebruik te maken van de ondergrond neemt toe, waarbij ook wordt gezocht naar nieuwe vormen van gebruik. Tegelijkertijd zijn er soms ook twijfels over de effecten van ingrepen in de ondergrond. Het is van belang om bewust keuzes te maken op basis van een visie op hoe we duurzaam, veilig en efficiënt met de ondergrond om kunnen gaan.

Om beleidsmakers, bedrijven en burgers in staat te stellen goede, op feiten gebaseerde beslissingen te nemen over het gebruik van de ondergrond zijn betrouwbare gegevens nodig over de ruimtelijke opbouw, de eigenschappen van en de processen in de ondergrond. Deze gegevens moeten bovendien makkelijk toegankelijk zijn voor iedereen.

De huidige informatievoorziening met betrekking tot de ondergrond kenmerkt zich door een grote versnippering van data over kennisinstellingen, Rijks- en decentrale overheden en derden. Daarbij bestaan er grote verschillen in hoeverre deze data digitaal ontsloten zijn, voldoen aan het open databeleid en de mate waarin data gestandaardiseerd en geharmoniseerd zijn. Zover er al van standaardisatie binnen de brede ondergrondsectoren sprake is, beperkt deze zich tot specifieke domeinen zoals grondwater en mijnbouw.

Het kabinet acht het van groot belang om de nu versnipperde informatie over de ondergrond bijeen te brengen en barrières voor informatie-uitwisseling weg te nemen. De BRO beoogt de informatievoorziening sterk te verbeteren door publieke gegevens over de ondergrond op gestandaardiseerde wijze voor zowel de overheid als andere partijen ter beschikking te stellen. Door al bekende gegevens over de ondergrond binnen de overheid met elkaar te delen, kan de overheid efficiënter opereren en de dienstverlening verbeteren.

De BRO als onderdeel van het Stelsel van Overheidsgegevens en de «Open Overheid» maakt alle onderzoeksgegevens van de ondergrond breder toegankelijk voor overheden, burgers en bedrijven. Dit levert een belangrijke bijdrage aan de kennis over de effecten van menselijke activiteiten in de bodem en ondergrond op de directe leefomgeving. De BRO brengt gegevens over de ondergrond uit meetnetten, vergunningen en civiel technische werkzaamheden samen met gegevens uit toegepast en wetenschappelijk onderzoek en bestrijkt inhoudelijk een aantal verschillende werkvelden. Deze informatie kan zowel bij de beleidsvorming en de uitvoering van werken door de overheid, als door bedrijven bij het ontwikkelen van activiteiten in of boven de ondergrond en door burgers worden benut.

Recente ontwikkelingen rondom de totstandkoming van de BRO en mijn visie op het vervolgtraject

Vanuit een gedeelde visie op een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van de ondergrond werkt het Rijk samen met decentrale overheden aan een Programma Bodem en Ondergrond en daarbinnen aan een Structuurvisie Ondergrond: STRONG. Een goede kennis- en informatiestructuur is een van de speerpunten van het Programma Bodem en Ondergrond.

De afgelopen jaren is hard gewerkt aan het uitwerken van de architectuur en de inhoud van de BRO. De BRO is daarbij een complex project gebleken. Die complexiteit wordt veroorzaakt door de diversiteit aan kennisdomeinen over de bodem en ondergrond die worden samengebracht in de BRO en het aantal registratieobjecten dat gestandaardiseerd en geharmoniseerd moet worden, waarbij meerdere belanghebbende partijen betrokken zijn. De gebruikerswensen van de verschillende partijen zijn daarbij verschillend. Dit heeft ertoe geleid dat het proces om te komen tot overeenstemming over standaardisatie en harmonisatie van registratieobjecten meer tijd in beslag heeft genomen dan verwacht. Het resultaat na 2 jaar is dat er momenteel slechts voor het registratieobject «geotechnische sonderingen» consensus is over het informatiemodel en de vast te leggen standaard. Voor de overige registratieobjecten die zijn voorzien voor de BRO is dit proces nog gaande, of moet dit nog worden opgestart. Omdat het mijn wens is om de BRO van start te laten gaan met een zo groot mogelijke hoeveelheid relevante registratieobjecten heb ik maatregelen genomen om het proces rond de totstandkoming van de BRO te vereenvoudigen en te versnellen. Al lerende en in overleg met alle betrokkenen is daarom een meer stapsgewijze aanpak voor de totstandkoming van de BRO ontwikkeld, waarbij de inhoud van de BRO meer «dakpansgewijs» in verschillende tranches gerealiseerd wordt. Later in deze nota zal deze systematiek nader uiteen worden gezet. Daarnaast heb ik de rol van het ministerie als opdrachtgever van de BRO verstrekt.

Hierbij past eerst nog de constatering dat de BRO geen automatiseringsproject in engere zin is, maar dat het vooral gaat om het maken van gedragen werkafspraken over de standaardisatie en harmonisatie van de ondergrondse gegevens en modellen en over de wijze waarop men deze onderling in de keten uitwisselt. De implementatie van deze nieuwe werkafspraken bestaat uit het aanpassen van de huidige werkprocessen van bronhouders en van ketenprocessen tussen bronhouders en gebruikersgroepen. Het uiteindelijke doel is om te komen tot een efficiënter en effectiever proces van uitwisseling van gegevens en kennis over het ondergrondse domein tussen overheden.

Voor een verbeterde aansturing van het programma heb ik besloten om een voorlopige regieraad in het leven te roepen, waarin alle belanghebbende partijen bij gegevens over de ondergrond vanaf heden worden vertegenwoordigd. De taak van deze voorlopige regieraad is om mij in deze fase van het programma van gedragen adviezen te voorzien op basis waarvan ik tot besluiten kan komen die leiden tot een tijdige afronding van het programma en een succesvolle implementatie van de BRO. De voorlopige regieraad zal worden voorgezeten door de Directeur-Generaal Ruimte en Water. In deze voorlopige regieraad hebben de bestuurlijke vertegenwoordigers van de gebruikers en beoogde bronhouders binnen de rijksoverheid en decentrale overheden zitting, alsmede ook een vertegenwoordiger van de beoogde operationeel beheerder van de landelijke voorziening BRO (TNO). Daarnaast kunnen ook vertegenwoordigers van derde belanghebbende partijen (zoals de kennisinstelling Alterra, de Vewin en Netbeheer Nederland) zitting nemen in de voorlopige regieraad om de belangen van gebruikers te vertegenwoordigen. De voorlopige regieraad zal worden ondersteund door een ambtelijke programmabegeleidingsgroep. Tevens zal er een klankbordgroep worden ingesteld voor overleg met maatschappelijke organisaties en private partijen uit het werkveld. Deze voorlopige regieraad zal per de invoering van de BRO worden opgevolgd door de permanente regieraad.

Omgevingswet

In het kader van de Omgevingswet werkt het kabinet gelijktijdig aan de verbetering van de digitale informatievoorziening over de fysieke leefomgeving. Dit krijgt vorm in een nieuw digitaal stelsel ter ondersteuning van de Omgevingswet ofwel de Laan van de Leefomgeving. Vanzelfsprekend is de ondergrond een onderdeel van de fysieke leefomgeving, zodat de informatie over de ondergrond die in het kader van de uitvoering van de Omgevingswet van belang is ook via de Laan van de Leefomgeving zal worden ontsloten. Binnen de Laan van de Leefomgeving zal daartoe een zogeheten informatiehuis Bodem en ondergrond worden opgezet. De BRO zal als fundament dienen voor dit informatiehuis. Dat wil zeggen dat net als alle basisregistraties binnen het stelsel er wettelijk een verplicht gebruik door het informatiehuis Bodem en ondergrond zal gelden voor de registratieobjecten die zijn opgenomen in de BRO. De reikwijdte van de Laan van de Leefomgeving beperkt zich daarbij tot informatie voor besluiten met rechtsgevolgen op grond van de Omgevingswet, zoals vergunningen voor de uitvoering van werken in de fysieke leefomgeving of een omgevingsplan. Daarentegen zal de BRO worden ingericht voor een breed gebruik binnen het Rijk en de decentrale overheden. Immers voor een basisregistratie binnen het stelsel geld een wettelijk verplicht gebruik voor alle overheidstaken en een terugmeldplicht voor alle gebruikers binnen de overheid. Daarnaast zijn de bij wet aangewezen bronhouders wettelijk verplicht om gegevens aan te leveren aan de BRO conform bepaalde standaarden. Het betreft hier dan ook basisgegevens waarop het principe eenmalige inwinnen en meervoudig gebruik op van toepassing is in een breed palet van domeinen en werkterreinen van de Nederlandse overheid.

De BRO als onderdeel van het stelsel van basisregistraties omvat deze basisdata en informatie van de gehele ondergrond van Nederland.

Na deze algemene beschouwing ga ik over tot de beantwoording van de vragen van de onderscheidene fracties. Hierbij baseer ik mij op het bovenstaande.

Algemeen

De leden van de VVD-fractie vragen of bij de inwerkingtreding van de basisregistratie ondergrond wordt voldaan aan de volgende punten:

  • 1. duidelijkheid over gegevens die aan de basisregistratie ondergrond moeten worden aangeleverd;

  • 2. een actuele detailplanning voor de invoering van de basisregistratie ondergrond;

  • 3. afspraken over de financiële vergoedingen vanuit het Rijk;

  • 4. een landelijk protocol waarin juridische, inhoudelijke, informatiekundige en eventueel financiële voorwaarden voor uitbesteding worden vastgelegd;

  • 5. een landelijke helpdesk basisregistratie ondergrond;

  • 6. tijdig overleg tussen softwareleveranciers en het Rijk, zodat de software van de opdrachtnemers van gemeenten op tijd is aangepast om aan de leveringsverplichting van gemeenten te voldoen.

Indien aan deze punten zal worden voldaan, dan vraagt de VVD-fractie hoe de regering hieraan denkt te voldoen en zo niet aan alle punten zal worden voldaan, dan vraagt de VVD-fractie waarom de regering hier niet aan zal voldoen.

Hierna volgt per punt een toelichting op de wijze waarop bij de voorbereiding van de BRO invulling wordt gegeven aan de door de VVD-fractie genoemde punten.

  • 1. De gegevens die aan de BRO moeten worden aangeleverd zijn in het wetsvoorstel onderverdeeld in vier hoofdcategorieën: 1) Verkenningen, 2) Gebruiksrechten, 3) Ondergrondse constructies en 4) Modellen.

    In elke categorie is een aantal soorten registratieobjecten te onderkennen. In totaal zijn er momenteel zesentwintig registratieobjecten geselecteerd om in de BRO te worden opgenomen in de eerste realisatiefase van de basisregistratie. Deze zesentwintig registratieobjecten zijn onder te verdelen in een zestal domeinen: 1) Bodem en grondonderzoek, 2) Bodemkwaliteit, 3) Grondwatermonitoring, 4) Grondwatergebruik, 5) Mijnbouwwet en 6) Modellen. De BRO zal dus initieel zesentwintig registratieobjecten bevatten, die zich laten groeperen in zes registratiedomeinen en de vier in het wetsvoorstel benoemde hoofdcategorieën. Deze onderverdeling en de thans geselecteerde registratieobjecten zijn weergegeven in de onderstaande tabel 1:

    Tabel 1. BRO registratiedomeinen, categorieen met hun registratieobjecten

    Registratiedomein

    Categorie

    Registratieobject

    Bodem- en grondonderzoek

    Verkenning

    Geotechnisch sondeeronderzoek

    Verkenning

    Geo-elektrisch onderzoek

    Verkenning

    Seismisch onderzoek

    Verkenning

    Booronderzoek

    Verkenning

    Profielonderzoek

    Bodemkwaliteit

    (in landelijk gebied)

    Constructie

    Bodemmeetnet

    Constructie

    Bodemsamenstellingsonderzoek

    Grondwatermonitoring

    Constructie

    Grondwatermonitoringnet

    Constructie

    Grondwatermonitoringput

    Constructie

    Grondwaterstandonderzoek

    Constructie

    Grondwatersamenstellingsonderzoek

    Constructie

    Synthese grondwaterkwaliteit

    Constructie

    Synthese grondwaterstand

    Grondwatergebruik

    Gebruiksrecht

    Grondwatergebruiksysteem

    Gebruiksrecht

    Grondwaterproductiedossier

    Mijnbouwwet

    Gebruiksrecht

    Mijnbouwwetvergunning

    Constructie

    Mijnbouwwet boorgatsysteem

    Constructie

    Mijnbouwwet booronderzoek

    Constructie

    Mijnbouwwet putsysteem

    Constructie

    Mijnbouwwet productiedossier

    Gebruiksrecht

    Koolwaterstof Reservedossier

    Modellen

    Model

    Koolwaterstofvoorkomen

    Model

    Bodem- en grondwatertrappenkaart 1: 50.000

    Model

    Geomorfologische kaart 1: 50.000

    Model

    REGIS (inclusief DGM)

    Model

    GeoTOP

    De registratieobjecten vormen de kern van de BRO; iedere vorm van informatie-uitwisseling tussen de BRO en haar bronhouders en gebruikers heeft betrekking op een registratieobject. Een registratieobject begint zijn ontstaan in de BRO op het moment dat een bronhouder welomschreven gegevens in de vorm van een brondocument aan de basisregistratie aanlevert en de beheerder van de BRO deze gegevens in de registratie ondergrond opneemt. Een brondocument bij het registratieobject geotechnisch sondeeronderzoek kan bijvoorbeeld een onderzoekrapportage zoals een sonderingsrapport inclusief de bijbehorende meetgegevens zijn, dat tot stand is gekomen bij voorbereidende werkzaamheden bij de aanleg van infrastructuur. Bij het registratieobject grondwatergebruiksysteem kan een brondocument bijvoorbeeld een door het bevoegd gezag verleende watervergunning zijn.

    De exacte gegevens die een bronhouder in de vorm van brondocumenten aan de BRO dient aan te leveren, zullen worden bepaald door de inhoud van een registratieobject. De ontwikkeling van de inhoud van een registratieobject gebeurt in een intensieve samenwerking tussen alle partijen die een rol hebben in de informatieketen met betrekking tot dat registratieobject en die loopt van gegevensproductie tot hergebruik. Deze inhoud zal voor ieder registratieobject worden beschreven in de catalogus basisregistratie ondergrond. Deze catalogus zal per registratieobject beschikbaar zijn ruim voor het moment dat dat registratieobject in de BRO van start gaat en er een verplichting voor bronhouders ontstaat om brondocumenten met betrekking tot dat registratieobject aan de basisregistratie te leveren. Dit stelt overheden in staat om zich hierop voor te bereiden. De brondocumenten die het betreft, zullen bij algemene maatregel van bestuur (hierna: AMvB) worden aangewezen. Het moment waarop de exacte inhoud van een registratieobject tussen alle daarbij betrokken partijen is overeengekomen, is bepalend voor het moment waarop dat registratieobject in de BRO van start gaat. Ik ben voornemens om de BRO van start te laten gaan met een eerste tranche van vijf registratieobjecten. Voor geprioriteerde onderwerpen voor de tweede en volgende tranches zal allereerst nog een verkenningsfase worden uitgevoerd. Dit moet antwoord geven op de vraag of de BRO voor een bepaald registratieobject inderdaad het juiste instrument is, of dat de behoefte efficiënter kan worden ingevuld via een andersoortige informatievoorziening.

  • 2. De bepaling van de inhoud van de zesentwintig registratieobjecten is een complex en arbeidsintensief proces dat bestaat uit het komen tot standaardisatie- en harmonisatieafspraken tussen alle partijen die een rol hebben in de informatieketen met betrekking tot een registratieobject. Deze partijen zijn de zogeheten ketenpartners, bestaande uit de Ministeries van Infrastructuur en Milieu en Economische Zaken, het IPO, de VNG en de UvW, en daarnaast de andere belanghebbende partijen in de informatieketen en gebruikers zoals de kennisinstellingen TNO en Alterra, drinkwaterbedrijven, netbeheerders, softwarebedrijven en ingenieurs- en adviesbureaus. Deze afspraken worden per registratieobject gemaakt, zodat de BRO feitelijk per registratieobject wordt ontwikkeld. De operationalisering van de BRO zal daarbij gebeuren in verschillende tranches waarin steeds een aantal registratieobjecten zijn samengenomen. De doorlooptijd van de totale realisatie van de BRO met de zesentwintig nu voorziene registratieobjecten is hiermee naar verwachting circa 10 jaar. Binnen de lijst van registratieobjecten heb ik een prioritering aangebracht, hetgeen heeft geresulteerd in een eerste tranche van vijf registratieobjecten waarmee in de BRO een aanvang wordt gemaakt. Met de keuze voor deze registratieobjecten vangt de BRO in eerste instantie aan met de registratieobjecten die aan het begin staan van de informatieketens binnen de domeinen die thans het grootste directe belang hebben bij de BRO: grondwatermonitoring, mijnbouw en bodem- en grondonderzoek. Het gaat dan om de registratieobjecten geotechnisch sondeeronderzoek, booronderzoek (onderdeel bodemkundig boormonsterprofiel), grondwatermonitoringput, grondwatersamenstellingsonderzoek en mijnbouwwetvergunning. Deze prioritering heb ik aangebracht op grond van een aantal criteria: 1) De baten voor de gebruikers binnen de diverse bestuursorganen bij de opname van een registratieobject in de BRO, 2) Aan basisgegevens is een hogere prioriteit toegekend dan aan gegevens waaraan in de keten vervolgens kennis is toegevoegd zoals modellen, en 3) De realisatie van de BRO start met de relatief eenvoudigste registratieobjecten, waarover binnen het werkveld al een redelijk consensus bestaat over de standaardisatie. Ten behoeve van het vaststellen van de registratieobjecten voor de tweede tranche zal een bijstelling van de prioriteitstelling aan actuele ontwikkelingen plaatsvinden.

    Van deze eerste tranche aan registratieobjecten zijn de efficiëntiebaten van opname in de BRO relatief groot, voor zowel de rijksoverheid als de decentrale overheden en de uitvoeringsorganisaties. Deze gegevens worden namelijk veelvuldig gebruikt voor het uitvoeren van wettelijke taken zoals de aanleg en het beheer van infrastructuur, waterbeheer en bij vergunningverlening en in de aanbesteding van publieke werken aan derden.

    Een wettelijke borging van de landsdekkende beschikbaarheid, uniformiteit en kwaliteit van deze gegevens zal resulteren in een reductie van de onderzoekslasten voor overheden, burgers en het bedrijfsleven en leiden tot een vermindering van administratieve lasten. Tevens ontstaat er door de toename aan algemeen beschikbare gegevens met betrekking tot de ondergrond een beter beeld van de ondergrond, wat resulteert in bijvoorbeeld een reductie van de faalfactor bij bouw- en constructiewerkzaamheden.

    Voor deze eerste tranche van vijf registratieobjecten is in maart 2013 gestart met de initiële realisatie. De ontwikkeling van de volledige inhoud van een registratieobject verloopt daarbij in een aantal fasen: 1) Ontwerpfase, 2) Transitiefase, 3) Implementatie bij gebruikers en 4) Beheerfase. De ontwerpfase van een registratieobject bestaat uit het uitvoeren een aantal deelactiviteiten als onderdeel van de volgende actielijnen: i) Regelgeving: het aanwijzen van brondocumenten behorend bij een registratieobject bij AMvB en de uitwerking van de exacte inhoud van de aangewezen registratieobjecten in een catalogus die bij ministeriële regeling wordt vastgesteld, ii) Ketenproces: het ketenproces beschrijft de samenwerking en afspraken tussen partijen zoals dataleveranciers, bronhouders, landelijke voorzieninghouder en de gebruikers om de gegevensuitwisseling binnen de BRO en tussen basisregistraties succesvol te laten plaatsvinden. Alle ketenpartners dienen aanpassingen aan hun ICT systemen te maken om het ketenproces geautomatiseerd te laten verlopen, iii) Gebruik- en batenmanagement: de invoering van de BRO vereist aanpassing van de interne werkprocessen van gebruikers, iv) Standaardisatie en voorbereiding transitie: er is per registratieobject een proces van standaardisatie en harmonisatie om te komen tot een gedragen informatiemodel. Nadat er een standaard overeen is gekomen, kan worden aangevangen met de transitie naar de nieuwe standaard, en v) Communicatie: over de inhoud, het transitieproces en de implementatie van ieder registratieobject wordt een communicatietraject ingericht.

    Een registratieobject is vervolgens gereed voor opname in de BRO wanneer er een nieuwe standaard is afgesproken, het ketenproces is afgerond en de financiering van de transitiefase en de beheerfase zijn geregeld. De opname van een registratieobject in de BRO gebeurt vervolgens in twee fasen. In de eerste fase worden de dataleveranciers en bronhouders op de landelijke voorziening BRO aangesloten. De tweede fase bestaat uit het aansluiten van de gebruikers op de landelijke voorziening BRO. Zowel bronhouders als gebruikers krijgen gedurende de transitieperiode maximaal twee jaar de tijd om de BRO te implementeren en de werkprocessen en softwaresystemen binnen de interne organisatie in te richten op de BRO.

    Momenteel bevinden alle registatieobjecten behorende tot de eerste tranche zich in de ontwerpfase. Voor het registratieobject geotechnisch sondeeronderzoek zijn de actielijnen standaardisatie en voorbereiding transitie en ketenproces succesvol afgerond en wordt gewerkt aan het ketenproces. Dit betekent dat voor het registratieobject geotechnisch sondeeronderzoek de eerste fase van het aansluiten van dataleveranciers en bronhouders op de landelijke voorziening bijna is afgerond en de tweede fase van het aansluiten van gebruikers kan worden gestart. Voor de overige vier registratieobjecten uit de eerste tranche zijn de standaardisatie- en harmonisatieactiviteiten nog gaande. De planning is erop gericht om uiterlijk begin 2016 voor alle vijf de registratieobjecten de ontwerpfase te hebben afgerond. Daarmee staat dan de inhoud van die registratieobjecten vast. Middels aanwijzing bij AMvB kunnen de specifieke registratieobjecten inclusief de brondocumenten vervolgens onder het regime van de BRO worden gebracht. Het is mijn inzet dat de BRO met de genoemde vijf registratieobjecten per 1 januari 2017 operationeel van start gaat.

  • 3. De kosten voor de realisatie van de BRO bestaan uit éénmalige investeringskosten voor de implementatie van de BRO en structurele kosten voor het onderhoud en het beheer van deze basisregistratie. De eenmalige investeringskosten voor de realisatie van de landelijke voorziening BRO alsmede ook de structurele beheerkosten van de landelijke voorziening BRO worden door het Rijk gefinancierd uit het huidige budget voor het Geo-Informatie Programma (GIP) van TNO-GDN. Tussen het Rijk en de medeoverheden is daarnaast in algemene zin de afspraak gemaakt dat de kosten voor de implementatie van de BRO in de eigen overheidsorganisatie in principe worden voorgefinancierd uit de eigen beschikbare middelen. Na de implementatie van de BRO worden deze investeringskosten door de overheden in principe terugverdiend door een besparing van onderzoekslasten en een efficiënter gebruik en beheer van gegevens over de ondergrond. De verdeling van de investerings- en structurele kosten en de daar tegenoverstaande baten tussen de verschillende overheden is in de maatschappelijke kosten-batenanalyse (hierna: MKBA) die voor de BRO is opgesteld echter niet in detail onderzocht. Deze verdeling is afhankelijk van de inhoud van de registratieobjecten die in de BRO wordt opgenomen en konden ten tijde van de totstandkoming van het wetsvoorstel nog niet in detail berekend worden. Deze kosten-batenanalyse per registratieobject maakt deel uit van de ontwerpfase van een registratieobject, waarin een gedetailleerde ketenanalyse worden uitgevoerd. Dit leidt tot een financiële analyse van de kosten en baten behorend bij een registratieobject, uitgesplitst naar overheidslaag en ketenpartner. Deze informatie wordt betrokken bij de aanwijzing van registratieobjecten voor opname in de BRO. Dit betekent dat alvorens een registratieobject bij AMvB onder het regime van de basisregistratie gebracht kan worden er overeenstemming moet zijn bereikt tussen de relevante bestuursorganen over de kostenverdeling. In algemene zin is echter wel al geconstateerd dat de kosten en baten per registratieobject niet altijd evenredig tussen de verschillende overheden verdeeld zullen zijn. Tussen het Rijk en de medeoverheden is daarom de afspraak gemaakt dat wanneer de kosten en baten voor een specifiek registratieobject niet evenredig tussen de verschillende overheden verdeeld zijn, de overheden een alternatieve kostenverdeling overeen zullen komen. In het geval de baten grotendeels bij het Rijk vallen en de kosten bij andere overheidslagen, lijkt het redelijk en billijk dat het Rijk de medeoverheden hiervoor zal compenseren.

    De MKBA voor de invoering van BRO binnen de overheid valt in totaliteit bezien echter positief uit. De baten van de BRO zijn opgebouwd uit kwantitatieve en kwalitatieve baten. De kwantitatieve baten bestaan uit een kostenbesparing van naar verwachting zo’n 10 tot 15% ten opzichte van de huidige situatie, door efficiëntere en effectievere werkprocessen binnen de overheid en het bedrijfsleven. Tevens zijn er substantiële kwantitatieve baten in de vorm van een vermindering van onderzoekslasten en de faalkosten door het gebruik van de BRO bij de realisatie van projecten in de fysieke leefomgeving, zoals de aanleg van infrastructuur of waterkeringen. Deze baten worden behaald door het principe van eenmalig inwinnen en meervoudig gebruik en het landelijk ontsluiten van gestandaardiseerde en geharmoniseerde informatie over de ondergrond. De kwalitatieve baten bestaan deels uit een vergroting van het gebruiksgemak van ondergrondgegevens, maar met name uit de beschikbaarheid van vollediger informatie over de ondergrond. Dit draagt onder andere bij aan een verbetering van de ruimtelijke planvorming in relatie tot de ondergrond.

  • 4. De suggestie om een landelijk protocol op stellen waarin voorwaarden voor uitbesteding worden vastgelegd met betrekking tot de daadwerkelijke aanlevering van data die onder het regime van de BRO vallen, neem ik over. Ik zal het programmabureau BRO hiertoe opdracht geven.

  • 5. Wanneer het wetsvoorstel tot wet wordt verheven en in werking treedt, zal in een landelijke helpdesk BRO voorzien zijn. Hiervan zullen zowel bronhouders als gebruikers en dataleveranciers gebruik kunnen maken. Algemene informatie over de implementatie van de BRO is nu reeds te vinden op de websites www.basisregistratiesienm.nl en www.broinfo.nl. Voor uitwisseling van kennis tussen de rijksoverheid en de medeoverheden wordt er daarnaast een op Wikipedia gelijkende website voor de BRO ingericht op Pleio (broweb.pleio.nl). Op deze Pleio website zal algemene informatie over de BRO staan, maar ook specifieke informatie over bijvoorbeeld de transitie naar de BRO, en de beschikbare achtergronddocumentatie.

  • 6. Voor alle registratieobjecten die worden opgenomen in de BRO zal tijdens de ontwerpfase als onderdeel van de deelactiviteit ketenproces overleg met softwareleveranciers en decentrale overheden plaatsvinden om ervoor zorg te dragen dat de software die nodig is voor de gegevensuitwisseling tussen bronhouders en de BRO tijdig beschikbaar is en voldoet aan alle gebruikerswensen. Voor elk registratieobject resulteert dit overleg in een gegevenscatalogus met daarin ook transactiehandboeken, koppelvlak-documenten en een berichtenstandaard. Daarnaast wordt er een publieke consultatie uitgevoerd van deze gegevenscatalogus via het internet. De uitkomsten van het ketenoverleg en de publieke consultatie worden meegenomen in de invoeringsplanning van het registratieobject. Hiermee zijn zowel softwareleveranciers als decentrale overheden in staat om hun software tijdig aan te passen.

De leden van de CDA-fractie hebben vernomen dat de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) heeft geadviseerd de basisregistratie voor gemeenten facultatief in te voeren en vragen om een nadere onderbouwing van de regering om niet aan dit verzoek tegemoet te komen. Volgens deze leden kan het verplichtende karakter van een basisregistratie immers als een belemmering van de gemeentelijke vrijheid om autonome keuzes te maken worden gezien.

Een belangrijke meerwaarde van een basisregistratie is het gegeven dat de afnemer er binnen het bereik van de basisregistratie van uit kan gaan dat alle beschikbare informatie binnen deze registratie te vinden is en dat deze informatie landsdekkend, compleet, uniform, gestandaardiseerd en gevalideerd aanwezig is en daarmee betrouwbaar. Facultatieve deelname van gemeenten doorkruist deze zekerheid. Het betekent dat gegevenssets binnen de BRO niet volledig zijn en dat de gebruikers van de basisregistratie in veel gevallen zelf extra werkzaamheden moeten uitvoeren om ontbrekende informatie aan te vullen, waardoor de efficiëntievoordelen van een basisregistratie door eenmalige inwinning en meervoudig gebruik voor een belangrijk deel vervallen. Om deze reden wil ik, in lijn met alle andere basisregistraties binnen het stelsel, vasthouden aan het verplichtende karakter van de basisregistratie ondergrond.

De leden van de CDA-fractie stellen het op prijs als de regering expliciet aanduidt hoe uitvoering zal worden gegeven aan de verplichtingen die voortvloeien uit de richtlijn Inspire zoals uitgewerkt in de Implementatiewet. De leden van deze fractie wijzen erop dat in de memorie van toelichting nu is opgenomen dat bij het vormgeven van de toegankelijkheid en gebruiksvriendelijkheid de Inspire-eisen «kaderstellend» zijn en dat gegevens zich, voor zover van toepassing, zullen «conformeren aan geharmoniseerde definities» zoals vastgelegd in de Inspire-richtlijn. Met de Afdeling advisering van de Raad van State zijn de leden van de CDA-fractie van mening dat daarmee niet «expliciet» is gemaakt hoe er uitvoering gegeven wordt aan dit deel van de verplichting voortvloeiend uit de Inspire-richtlijn.

Met de term «kaderstellend» is bedoeld aan te geven dat de eisen zoals die voortvloeien uit de richtlijn INSPIRE onverkort op de BRO van toepassing zijn. Concreet betekent dit dat de basisregistratie voorzieningen zal kennen om de benodigde zoek-, raadpleeg-, download- en verwerkingsdiensten te kunnen leveren.

De richtlijn INSPIRE vraagt van de lidstaten om de beschikbare geo-informatie die onder het bereik van INSPIRE valt volgens INSPIRE-standaarden te ontsluiten. Het is dus zo dat wanneer de BRO informatie bevat welke onder de INSPIRE richtlijn valt, deze informatie volgens de eisen van INSPIRE ontsloten dient te worden. Om dat te kunnen doen, conformeert de BRO zich aan de dataspecificaties van INSPIRE. Echter INSPIRE vereist niet dat nieuwe additionele informatie wordt ingewonnen ter aanvulling van de huidige beschikbare informatie.

Toegevoegde waarde, volledigheid en draagvlak

De leden van de VVD-fractie vragen waarom niet gelijk alle gegevens van de ondergrond in de basisregistratie ondergrond worden opgenomen, zoals gegevens over ondergrondse (delen van) gebouwen en gegevens over kabels en leidingen.

Het opnemen van gegevens over ondergrondse (delen) van gebouwen in de BRO is niet nodig, omdat andere basisregistraties zoals de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) reeds in belangrijke mate in deze informatie voorzien. De gegevens van ondergrondse (delen van) gebouwen en panden worden sinds 1 juli 2009 vast gelegd in de BAG. Vooralsnog gebeurt dit in tweedimensionaal perspectief (X,Y) door middel van levels boven en onder het maaiveld. Welk deel van het gebouw of pand ondergronds ligt, wordt niet in een exact driedimensionaal perspectief (X,Y,Z) vastgelegd. Analoog aan de huidige Grootschalige Basiskaart Nederland (GBKN) wordt in de toekomstige BGT de maaiveldtopografie van gebouwen en kunstwerken en andere beheertopografie zoals vuilcontainers opgenomen. De BGT zal naast ondergrondse delen van gebouwen dan ook gegevens over bijvoorbeeld tunnels bevatten. Geonovum evalueert momenteel in het kader van het programma 3D geo-informatie Nederland in opdracht van het ministerie of op termijn de topografische objecten in de Basisregistratie Topografie (BRT), de BGT en de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) door middel van het informatiemodel 3D IMGEO geïntegreerd kunnen worden. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de mogelijkheden om in de BGT voor alle topografische gegevensobjecten in de toekomst over te gaan op driedimensionale vastlegging van zowel boven als ondergrondse gebouwen en infrastructuur in het informatiemodel 3D IMGEO.

De ligging van kabels en leidingen wordt reeds verplicht bijgehouden in het kader van de WION. Via het KLIC (Kabel- en LeidingsInformatie Centrum) wordt deze informatie ook gedeeld. Er is daarom mijns inziens geen noodzaak om deze informatie ook in de BRO op te nemen. Op de wat langere termijn bij de ingebruikname van de Laan voor de Leefomgeving als ondersteuning voor de uitvoering van de Omgevingswet is het voornemen om informatie over kabels en leidingen middels open web services via het informatiehuis Bodem en ondergrond toegankelijk te maken. Gebruikers kunnen dan via één portaal toegang krijgen tot informatie over kabels en leidingen en andere informatie met betrekking tot de fysieke leefomgeving.

De leden van de VVD-fractie willen tevens weten waarom de informatie over milieukwaliteit (bodemverontreiniging en bodemkwaliteit) van gemeenten en provincies niet in de basisregistratie ondergrond wordt opgenomen.

In maart 2013 is in overleg met alle betrokken overheden en andere belanghebbende partijen een keuze gemaakt voor zesentwintig beoogde registratieobjecten (zie tabel 1) die samen de eerste realisatiefase van de BRO vormen (BRO I). Daarbij is tevens overwogen om twee additionele registratiedomeinen, respectievelijk Milieukwaliteit en Archeologie, in de BRO op te nemen. Uit de MKBA 2011 en de uitgevoerde additionele verkenning in 2012 bleek immers dat het instrument basisregistratie – door het standaardiseren en centraal ontsluiten van gegevens – een maatschappelijke en economische meerwaarde heeft. Echter, zowel het registratiedomein milieukwaliteit als archeologie kent een hoge operationele, bestuurlijke en technisch inhoudelijke complexiteit. Dit wordt voor het registratiedomein milieu onder andere veroorzaakt door het feit dat de huidige beschikbare milieuhygiënische bodem informatie vaak wordt ingewonnen in het kader van bodemonderzoek door overheidsorganisaties, bedrijven en burgers. Door de vergaande decentralisatie is versnippering en een grote verscheidenheid aan kwaliteit, uniformiteit en toegankelijkheid van de huidige milieuhygiënische bodeminformatie ontstaan. Hierdoor is deze informatie niet uniform landsdekkend beschikbaar en minder geschikt voor hergebruik in andere werkprocessen van de overheid en het bedrijfsleven of door burgers. Naast standaardisatie en harmonisatie dienen er ook additionele gegevens over de milieukwaliteit van de bodem en ondergrond te worden ingewonnen, wil deze bruikbaar zijn voor eindgebruikers zoals bijvoorbeeld om de milieuhygiëne van de bodem te kunnen beoordelen voor graafwerkzaamheden. De opgave en investeringskosten om deze informatie onder de BRO te brengen, zijn dan ook aanzienlijk. De voormalige stuurgroep heeft om die reden mij geadviseerd om dit domein in de BRO II op te nemen.

Recentelijk is daarom op verzoek van de netbeheerders samen met Rijkswaterstaat en de medeoverheden een initiatief gestart om de beschikbare milieuhygiënische bodeminformatie eerder centraal te ontsluiten (project BIDON: Bodem Informatie Delen Overheid & Netbeheerders). Tussen de overheid en de netbeheerders zijn in dat verband afspraken gemaakt over de inrichting van een tijdelijke centrale informatievoorziening voor milieuhygiënische bodeminformatie. In het nieuwe Convenant Bodem en Ondergrond zijn deze afspraken vanuit de overheid geborgd. Hiermee is reeds een eerste stap gezet naar standaardisatie en harmonisatie van bodemkwaliteitsgegevens en daarmee ook naar de opname van deze informatie in de BRO. Zoals ik in een eerder antwoord heb aangegeven zal de termijn waarop van een volledige opname van bodemkwaliteitsgegevens in de BRO sprake kan zijn, nader in kaart moeten worden gebracht gedurende de implementatie van BRO I.

De implementatie van de huidige zesentwintig registratieobjecten vormt op zich al een grote opgave. Het toevoegen van extra registratiedomeinen in dit stadium zou die opgave nog complexer maken. Daarom is alle inzet er nu op gericht om eerst samen met het werkveld en de ketenpartners te komen tot een succesvolle implementatie van de geprioriteerde registratieobjecten in BRO I. Pas wanneer deze eerste realisatiefase succesvol is afgerond, kan een tweede fase van de BRO (BRO II) van start gaan, waarin mogelijkerwijs ook milieukwaliteit en archeologie aan de BRO zullen worden toegevoegd. Gedurende de implementatie van BRO I zullen de mogelijkheden daartoe, alsmede de termijn waarop van een BRO II sprake kan zijn, nader in kaart worden gebracht.

De leden van de VVD-fractie vragen voorts of het onderzoek naar nut en noodzaak van de basisregistratie ondergrond niet uitgevoerd moet zijn vóór de inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Dit met het oog op de kostenbesparing en de verhoogde veiligheid voor opslag van gegevens over milieukwaliteit wanneer dit gebeurt bij wettelijke grondslag. De leden van deze fractie vragen of deze basisregistratie ondergrond niet een kans biedt om een volledige opslag van gegevens over de ondergrond te bewerkstelligen.

Ik onderschrijf de gedachte van de leden van de VVD-fractie dat het nut en de noodzaak van de BRO vooraf bekend moeten zijn. In het eerste deel van deze nota heb ik nut en noodzaak van de BRO daarom nader uiteengezet. De uitgevoerde MKBA’s hebben uitgewezen dat de BRO in algemene zin meerwaarde voor de Nederlandse samenleving heeft.

Voor het antwoord op de vraag of deze basisregistratie niet een kans biedt om een volledige opslag van gegevens over de ondergrond te bewerkstelligen, verwijs ik kortheidshalve graag naar mijn inleiding en de beantwoording van eerdere vragen van de VVD-fractie.

De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd wanneer er besluitvorming volgt over of en zo ja wanneer gegevens over archeologie en milieukwaliteit in de basisregistratie ondergrond opgenomen worden.

De implementatie van de huidige zesentwintig registratieobjecten is op zich al een grote opgave. Alle inspanningen zijn er nu op gericht om een snelle start van de eerste fase van de BRO (BRO I) te kunnen maken. Zoals ik in antwoord op een soortgelijke vraag van de VVD-fractie heb aangegeven, kent het registratiedomein archeologie een te hoge operationele, bestuurlijke en technisch inhoudelijke complexiteit, om deze gegevens nu al aan de BRO toe te voegen. Pas wanneer de eerste realisatiefase van de BRO succesvol is afgerond, kan een volgende stap gezet worden naar het toevoegen van gegevens over archeologie aan de BRO. Gedurende de implementatie van BRO I zullen de mogelijkheden daartoe, alsmede de termijn waarop van een BRO II sprake kan zijn, nader in kaart worden gebracht.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het, gezien het integrale karakter van de basisregistratie ondergrond, niet logisch zou zijn om de informatie met betrekking tot kabels en leidingen uit het Nationaal Georegister ook in de basisregistratie ondergrond op te nemen. De leden van deze fractie vragen tevens op welke termijn zal worden onderzocht en afgewogen of de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netwerken (betreffende kabels en leidingen) alsnog wordt betrokken bij de basisregistratie ondergrond.

Het Nationaal Georegister bevat zelf geen gegevens, maar ontsluit alleen de beschrijving van datasets en webservices, de zogenaamde metadata. Denk daarbij aan gegevens als de actualiteit, de ruimtelijke begrenzing, de beheerder van de dataset of webservice en de (digitale) vindplaats van de data. Het Nationaal Georegister bevat zelf dus geen inhoudelijke informatie over kabels en leidingen. Deze informatie wordt daarentegen bijgehouden op grond van de Wet informatievoorziening uitwisseling ondergrondse netten en via het KLIC gedeeld. Zoals ik in mijn antwoord op een gelijkluidende vraag van de leden van de VVD-fractie heb toegelicht, is het daarom niet nodig om deze informatie ook via de BRO te ontsluiten. Voor aanvullende informatie verwijs ik naar mijn eerdere antwoord.

De leden van de PvdA-fractie hebben vernomen dat in de tweede implementatiefase het voor gemeenten wél interessant wordt om te participeren in de basisregistratie ondergrond omdat er dan bodemkwaliteitsgegevens worden toegevoegd als datatype. De leden van deze fractie zijn benieuwd of het mogelijk is om deze gegevens eerder toe te voegen zodat participeren in de basisregistratie ondergrond interessanter wordt voor gemeenten.

In antwoord op een gelijksoortige vraag van de VVD-fractie waarom informatie over bodemkwaliteit niet in de BRO wordt opgenomen, heb ik uiteengezet dat het toevoegen van gegevens over bodemkwaliteit aan de eerste realisatiefase van de BRO een al te grote opgave zou zijn. Ik verwijs daarom kortheidshalve naar de daar gegeven toelichting, en naar het hiervoor beschreven project BIDON.

De leden van de SP-fractie vragen wat er met de basisregistratie ondergrond nu precies gedocumenteerd gaat worden. Deze leden constateren namelijk, en met enige verwondering, dat er voorlopig nog geen sprake zal zijn van het opnemen van gegevens met betrekking tot archeologie en milieukwaliteit in de basisregistratie ondergrond. Daarnaast valt ook de registratie van gegevens over kabels en leidingen buiten dit wetsvoorstel. De leden van de SP-fractie vragen wat dit wetsvoorstel nog wél regelt. Wat wordt nu geborgd met de basisregistratie ondergrond en welke belangen worden versterkt?

In mijn antwoord op een vraag van de VVD-fractie over de gegevens die in de BRO zullen worden opgenomen, onder het kopje «algemeen», heb ik uiteengezet wat er precies gedocumenteerd zal worden in de BRO. Ik verwijs daarom kortheidshalve naar de daar gegeven toelichting.

De leden van de SP-fractie vragen voorts hoe, als het gaat om de toegevoegde waarde, dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten en de Europese richtlijn Inspire waarin wordt benadrukt dat metagegevens volledig moeten zijn.

Voor de verhouding van dit wetsvoorstel tot de WION verwijs ik kortheidshalve naar mijn antwoord op gelijkluidende vragen van de leden van de VVD-fractie.

Ten aanzien van de richtlijn INSPIRE stelt de SP-fractie terecht dat deze richtlijn eisen stelt aan de volledigheid van metagegevens. Het betreft gegevens die verzamelingen ruimtelijke gegevens en diensten beschrijven en die het mogelijk maken deze te zoeken, te inventariseren en te gebruiken. Metagegevens betreffen dus niet de inhoudelijke gegevens zelf. Aan de datasets in de BRO zullen minimaal de verplichte metagegevens meegegeven worden, zodat aan de eisen van deze richtlijn voldaan wordt.

De leden van de SP-fractie constateren dat onder het begrip ondergrond in het wetsvoorstel wordt verstaan «het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeistoffen en gassen, inclusief de daarin aanwezige holle ruimtes. Grondwater maakt onderdeel uit van de ondergrond.» De leden van deze fractie zijn van mening dat er met uitzondering van deze zin niet meer over grondwater wordt gesproken in dit wetsvoorstel en zijn hierover teleurgesteld. Deze leden vragen welke status de regering verleent aan de bescherming van grondwater, mede gelet op de functie van grondwater als bron van ons drinkwater.

Het registratiedomein Grondwatermonitoring is een van de omvangrijkste gegevensets die in de BRO wordt opgenomen. Dit onderstreept het belang dat het kabinet toekent aan grondwater als zodanig, alsmede aan een goede en betrouwbare informatievoorziening over grondwater. Het registratiedomein Grondwatermonitoring bestaat uit zes registratieobjecten, te weten grondwatermonitoringnet, grondwatermonitoringput, grondwaterstandonderzoek, grondwatersamenstellingsonderzoek, synthese grondwaterkwaliteit en synthese grondwaterkwantiteit. Twee van deze registratieobjecten – grondwatermonitoringput en grondwatersamenstellingsonderzoek – zullen vanwege het directe belang dat overheden en gebruikers bij deze registratieobjecten hebben, reeds in de eerste tranche in de BRO worden opgenomen. Daarnaast heeft het registratiedomein Grondwatergebruik nog twee additionele registratieobjecten uit de categorie Gebruiksrechten namelijk grondwatergebruiksysteem en grondwaterproductiedossier, welke gerelateerd zijn aan watervergunningen. In het registratiedomein modellen is tot slot nog een registratieobject Regionaal Grondwater Model (REGIS) opgenomen. Al met al heeft het kabinet zeer goed oog voor de bescherming van grondwater, mede gelet op de functie van grondwater als bron van ons drinkwater. In de beleidsnota Drinkwater is aangegeven dat winning van drinkwater uit de ondergrond van nationaal belang is voor de openbare drinkwatervoorziening. In STRONG wordt de behoefte aan reservering van strategische grondwatervoorraden als bron voor drinkwater op een evenwichtige manier afgewogen ten opzichten van andere nationale belangen. Ook hiermee worden de status en het nationaal belang van grondwater als bron voor drinkwater nogmaals bevestigd.

De leden van de CDA-fractie constateren dat onder ondergrond in dit wetsvoorstel ook wordt verstaan het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeistoffen en gassen, inclusief de daarin aanwezige holle ruimtes. Grondwater maakt daarom ook onderdeel uit van de ondergrond evenals andere – van nature voorkomende of door de mens ingebrachte – vloeistoffen of gassen, zoals geïnfiltreerd water, aardolie, aardgas en CO2. De leden van deze fractie vragen of de reikwijdte van dit wetsvoorstel daarmee niet erg groot wordt.

Uit de vragen van de leden van de CDA-fractie en van de andere fracties blijkt de spanning tussen enerzijds de wens om de informatievoorziening met betrekking tot de ondergrond in één keer goed te regelen en aan de andere kant te voorkomen dat de reikwijdte van de BRO zo groot wordt, dat de totstandkoming van deze basisregistratie niet meer hanteerbaar is. Met een stapsgewijze, gefaseerde aanpak voor het vullen van de BRO beoogt het kabinet een route te volgen waarin ambitie is gekoppeld aan een verantwoorde en beheersbare invoering van de BRO. De brede toepassing van het begrip ondergrond in dit wetsvoorstel maakt het daarbij mogelijk om op die terreinen waar een informatiebehoefte in relatie tot de ondergrond is, registratieobjecten te selecteren. Het wetsvoorstel is daarmee ook toegerust voor de toekomstige doorontwikkeling van de BRO.

De leden van de CDA-fractie vernemen graag of de toegevoegde waarde van de basisregistratie ondergrond beperkt geacht moet worden vanwege het niet opnemen van gegevens over kabels en leidingen. Deze leden vragen hoe geduid moet worden dat de richtlijn Inspire bepaalt dat metagegevens volledig moeten zijn (dus inclusief gegevens over kabels en leidingen) terwijl die geen deel uit zullen maken van de basisregistratie ondergrond. Indien de regering in overleg met betrokken partijen gaat bezien hoe metadata betreffende kabels en leidingen het beste kunnen worden toegevoegd op vrijwillige basis, dan vragen de leden van de CDA-fractie of de juistheid, volledigheid en actualiteit dan wel gegarandeerd kan worden.

In het voorgaande heb ik in antwoord op een vraag van de VVD-fractie uiteengezet welke gegevens gefaseerd in de BRO zullen worden opgenomen. Op basis van de MKBA en in overleg met de medeoverheden en overige ketenpartners is nu voor het opnemen van eerste tranche van vijf registratieobjecten gekozen. Deze registratieobjecten hebben een substantiële toegevoegde waarden voor de uitvoering van werken in de fysieke leefomgeving, zoals infrastructurele werken, bouwwerkzaamheden en werkzaamheden in het kader van waterveiligheid. Ten aanzien van de metadata betreffende kabels en leidingen verwijs ik kortheidshalve naar mijn antwoord op een gelijkluidende vraag van de SP-fractie.

De leden van de CDA-fractie vragen of er voldoende bestuurlijk draagvlak is. Met name gemeenten zullen volgens de leden van deze fractie vanwege de beperkte toegevoegde waarde van de basisregistratie afhaken; kan de Minister daarop reflecteren?

Vanaf de start van de beleidscyclus voor de BRO in 2006 zijn de verschillende overheden op ambtelijk en bestuurlijk niveau betrokken bij de ontwikkeling van de BRO. Vanaf het begin hebben alle overheden het maatschappelijk belang van de realisatie van deze basisregistratie onderschreven, om zo de beschikbaarheid van kwalitatief hoogwaardige, gestandaardiseerde en geharmoniseerde informatie over de ondergrond te realiseren. Hier hebben alle overheden, en ook het bedrijfsleven en burgers, baat bij. Het maatschappelijk belang van de BRO voor de uitvoering van werken in de fysieke leefomgeving en het beter ontsluiten van informatie over de ondergrond en de aanwezige gebruiksfuncties staan dan ook niet ter discussie. Ook de gemeenten onderschrijven in brede zin het belang van het op orde brengen van de informatiehuishouding van de ondergrond binnen het gemeentelijk grondgebied. Dit draagt bij aan een vermindering van onderzoekslasten en een verbetering van de uitvoering van gemeentelijke taken zoals het weg- of rioolbeheer en de ruimtelijke planvorming. Daarover bestaat tussen de gemeenten en mij ook geen verschil van inzicht. De gemeenten hebben echter aangegeven behoefte te hebben aan een snellere invoering van andere registratieobjecten dan momenteel is voorzien bij de implementatie van de BRO. Zo is bijvoorbeeld gebleken dat met de prioriteitstelling voor de eerste tranche van vijf registratieobjecten in grotere mate nationale en regionale belangen gediend worden, en in mindere mate lokale belangen. Daarentegen worden gegevens over de milieukwaliteit van de bodem of archeologie veelvuldiger gebruikt voor de uitvoering van lokale taken. De reikwijdte van de inhoud van de BRO en de prioritering en fasering van de diverse domeinen en registratieobjecten zijn daarom geregeld onderwerp van gesprek tussen het Rijk en de medeoverheden. Zoals reeds aangegeven worden gedurende de implementatie van BRO I de haalbaarheid en realisatietermijn van een BRO II, met daarin ook de registratiedomeinen milieukwaliteit en archeologie, nader in kaart gebracht. De VNG is daar als lid van de regieraad voor het programma BRO nauw bij betrokken en zal ook in de nabije toekomst betrokken zijn bij de prioritering en fasering van het implementatietraject.

Ik verwacht dat er voldoende bestuurlijk draagvlak is voor deze aanpak.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering bereid is om ook informatie over bodemverontreiniging van provincies en gemeenten op te nemen in dit wetsvoorstel.

Kortheidshalve verwijs ik hiervoor naar de eerdere beantwoording van gelijkluidende vragen van de VVD- en de PvdA-fractie.

Ook zien de leden van deze fractie graag dat de ligging van grondwaterbeschermingsgebieden wordt opgenomen en dat de drinkwatersector op alle niveaus in de uitwerking van dit wetsvoorstel wordt betrokken.

De drinkwatersector is vanaf de start van het programma BRO op operationeel niveau betrokken geweest bij de totstandkoming van de BRO. Echter op bestuurlijk niveau was deze sector nog niet vertegenwoordigd. In het registratiedomein grondwatermonitoring zijn de drinkwaterbedrijven een belangrijke leverancier van data met betrekking tot grondwater aan met name provincies en waterschappen. Tevens is de drinkwatersector een belangrijke gebruikersgemeenschap van de BRO, zodat de sector tevens deelneemt aan de diverse gebruikersoverleggen met betrekking tot de BRO. De drinkwatersector is daarmee een belangrijke partner bij de verdere uitwerking van de BRO.

Ten aanzien van de ligging van grondwaterbeschermingsgebieden zal in overleg met de drinkwatersector een verkenning worden uitgevoerd of het wenselijk en haalbaar is om deze op termijn via de BRO of de BGT te ontsluiten. Hierbij zal een kosten-batenanalyse worden uitgevoerd. De VEWIN zal worden gevraagd om deel te nemen aan de voorlopige regieraad van de BRO.

De leden van de D66-fractie lezen dat de regering heeft overwogen om gegevens met betrekking tot archeologie en milieukwaliteit in de basisregistratie ondergrond op te nemen, maar dit voorlopig nog niet wil doen. De leden vragen de regering nader te motiveren waarom zij bodemverontreiniging niet in het wetsvoorstel heeft opgenomen en vragen voorts meer informatie over de studie die in het vooronderzoek hier naar gedaan is. Ook vragen de leden van de D66-fractie met welk tijdspad de regering nu van plan is om de nut en noodzaak van opname van gegevens van milieukwaliteit en archeologie in de basisadministratie te onderzoeken en wanneer zij de Kamer daarover verder gaat informeren.

Ik verwijs hiervoor naar de eerdere beantwoording van gelijkluidende vragen van de VVD- en de PvdA-fractie. Van de uitkomsten van de prioritering van de registratieobjecten in de volgende tranches en het tijdpad voor de implementatie van die registratieobjecten zal de Kamer per brief op de hoogte worden gehouden.

De leden van de D66-fractie vragen de regering nader te motiveren waarom de gegevens van kabels en leidingen, die al beschikbaar zijn met de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netwerken, niet meteen worden geïntegreerd in de basisregistratie ondergrond.

Ik verwijs hiervoor naar de eerdere beantwoording van gelijkluidende vragen van de leden van de VVD-fractie.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat ondergrondse (delen van) bouwwerken, zoals parkeergarages en kelders of infrastructuur zoals tunnels, buiten het bereik vallen van de basisregistratie ondergrond. De leden van deze fractie constateren dat gemeenten juist belang eraan hechten om ook de ondergrondse infrastructuur op te nemen in de nieuwe basisregistratie ondergrond en zijn nog niet overtuigd waarom dit (op dit moment) niet gewenst zou zijn. Deze leden missen een stappenplan hoe en wanneer dan uiteindelijk wel tot integratie wordt overgegaan inclusief een afweging welke delen vanuit de baten voor de verschillende deelnemers het meest wenselijk zijn om als eerst te realiseren.

In mijn antwoord op een gelijkluidende vraag van de VVD-fractie onder het kopje «toegevoegde waarde, volledigheid en draagvlak» heb ik toegelicht op welke wijze informatie over ondergrondse infrastructuur momenteel in andere basisregistraties wordt ontsloten en dat gewerkt wordt om deze informatie in de toekomst nog verder te verbeteren door middel van 3D-registratie. Het is mijns inziens daarom niet nodig om deze informatie eveneens in de BRO op te nemen. Voor een nadere toelichting verwijs ik kortheidshalve naar mijn eerdere antwoord.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of integratie op een later moment niet tot het risico leidt dat de kosten dan hoger zijn. Deze leden vragen wanneer integratie wel reëel is en of bij de realisatie van de basisregistratie ondergrond in het dataontwerp al zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de toekomstige integratie, zodat hiervoor in de toekomst niet onnodig hoge kosten hoeven te worden gemaakt.

Een gefaseerde opbouw van de BRO zorgt ervoor dat de oprichting en implementatie van de BRO beheersbaar blijven en beperkt daarmee de financiële risico’s. Zoals de leden van de ChristenUnie-fractie al aangeven, kunnen meerkosten zoveel mogelijk voorkomen worden door in al een vroegtijdig stadium bij het dataontwerp, de BRO catalogus en het ontwerp van de BRO architectuur al rekening te houden met een mogelijke toekomstige integratie van samenhangende gegevens en registratieobjecten. Gedurende het implementatietraject zal in de actielijnen Ketenproces en Standaardisatie en voorbereiding transitie daarom steeds de algehele samenhang tussen de registratieobjecten onderling en het gehele stelsel van basisregistraties nauwlettend worden bewaakt.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of informatie over de ligging van grondwaterbeschermingsgebieden in de basisregistratie ondergrond wordt opgenomen, aangezien dit van belang is voor de ruimtelijke ordening van de bovengrond en de ondergrond. De leden van deze fractie vragen voorts waarom de koepel van drinkwaterbedrijven (VEWIN) nog niet is aangesloten bij de stuurgroep, de ambtelijke werkgroepen en expertbijeenkomsten die de invoering van dit wetsvoorstel voorbereiden.

Ten aanzien van de vraag over de opname van de ligging van grondwaterbeschermingsgebieden in de BRO verwijs ik naar mijn eerdere antwoord op een gelijkluidende vraag van de CDA-fractie. Daarbij merk ik in algemene zin op dat de drinkwaterbedrijven al jaren op reguliere basis grondwatergegevens aanleveren aan de registratie Data en Informatie Nederlandse Ondergrond (DINO) van TNO. Deze grondwatergegevens zullen ook in de BRO worden opgenomen.

Ten aanzien van de betrokkenheid van de drinkwatersector merk ik op dat ik veel belang hecht aan het betrekken van alle belanghebbenden bij de totstandkoming van de BRO, STRONG en het Informatiehuis Bodem en ondergrond. Ik voer daarom periodiek overleg met de drinkwatersector over relevante beleidsdossiers met betrekking tot de ondergrond, zoals de BRO. In het verleden hebben ook gesprekken plaatsgevonden met vertegenwoordigers van VEWIN over de BRO. VEWIN heeft daarnaast ook gebruik gemaakt van de mogelijkheid via de publieke internetconsultatie op het wetsvoorstel te reageren. Ook voor de verdere ontwikkeling van de BRO is de VEWIN van harte welkom bij de voor haar relevante expertbijeenkomsten. Zoals eerder aangegeven zal ik de VEWIN uitnodigen zitting te nemen in de voorlopige regieraad BRO.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat gemeenten toegevoegde waarde aan de basisregistratie ondergrond toekennen als ook bodemkwaliteitsgegevens worden toegevoegd als datatype. Ook de drinkwaterbedrijven dringen er op aan dat informatie over bodemverontreiniging wordt opgenomen, juist omdat deze informatie momenteel zeer gebrekkig beschikbaar is. Deze leden vragen wat precies de redenen zijn dat gegevens inzake archeologie en milieu/bodemkwaliteit (nog) niet in de basisregistratie worden opgenomen en wanneer dit wel zal gebeuren.

Ik verwijs hiervoor kortheidshalve naar de eerdere beantwoording van gelijkluidende vragen van de VVD- en de PvdA-fractie.

Informatiebeveiliging en privacy

De leden van de PvdA-fractie vinden het van belang dat de informatie die in de basisregistratie wordt opgeslagen en zal worden gedeeld goed beveiligd is en zijn voorts benieuwd welke voortgang de regering op het gebied van informatiebeveiliging heeft gemaakt.

De BRO volgt alle standaarden en best practices die binnen de e-overheid, het stelsel van basisregistraties en INSPIRE worden gehanteerd. Niemand kan ongeautoriseerd gegevens aanleveren of veranderen. De BRO voldoet aan de algemene regels over hoe om te gaan met persoonsgegevens conform de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP). De infrastructuur van de BRO is reeds ISO 27001 gecertificeerd en voldoet tevens aan de Baseline Informatiebeveiliging rijksoverheid (BIR), met daarin opgenomen de standaarden voor informatiebeveiliging ISO27001/ISO27002 met aanvullingen en het Tactisch Normen Kader (TNK).

De leden van de SP-fractie krijgen graag uitleg over de wijze waarop persoonsgegevens – die niet voor iedereen toegankelijk zijn – binnen dit wetsvoorstel worden beschermd. Hiermee bedoelen de leden van deze fractie wie onder welke voorwaarden toegang krijgt tot dit soort vertrouwelijke gegevens en hoe hierop wordt toegezien.

Het is mogelijk om de toegang tot delen van de BRO waarin persoonsgegevens zijn opgeslagen te beperken tot bepaalde categorieën van gebruikers, zoals overheidsorganen, door om extra identificatie te vragen. Bij het ontwerpen van de BRO architectuur wordt hier aandacht aan besteed. Daarbij zal tevens het toetsmodel Privacy Impact Assessment (PIA) Rijksdienst worden toegepast. Het PIA is een hulpmiddel om bij ontwikkeling van beleid, en de daarmee gepaard gaande wetgeving of bouw van ICT-systemen en aanleg van databestanden, privacyrisico’s op gestructureerde en heldere wijze in kaart te brengen.

Daarnaast vragen de leden van de SP-fractie een toelichting op de informatiebeveiliging en een uitleg over de eisen wat betreft informatiebeveiliging die uit de richtlijn Inspire en de Kaderrichtlijn water voortvloeien.

Voor een toelichting op de informatiebeveiliging van de BRO verwijs ik naar mijn antwoord op een gelijkluidende vraag van de PvdA-fractie. De richtlijn INSPIRE en de Kaderrichtlijn Water stellen geen specifieke eisen aan informatiebeveiliging. Wel zal aan de Europese richtlijn voor netwerk- en informatiebeveiliging (NIB) worden voldaan.

De leden van de SP-fractie vragen voorts of de regering aan kan geven op welke wijze wordt omgegaan met gegevens die nu nog een vertrouwelijk karakter hebben, waaronder gegevens waarvan openbaarheid in de basisregistratie ondergrond van belang is. Deze leden wijzen erop dat deze gegevens staan opgenomen in het voormalige systeem KLIC (Kabels en Leidingen Informatie Centrum). Deze leden vragen de regering aan te geven op welke wijze de systemen en de gegevens opgenomen in het voormalige KLIC en de basisregistratie ondergrond op elkaar worden afgestemd.

Onder initiatief van de graafsector wordt momenteel in het programma KLIC-WIN gewerkt aan een verbetering van de ontsluiting van informatie over kabels en leidingen, met het doel dat deze altijd en overal beschikbaar zijn en deze te kunnen combineren met andere locatiegebonden informatie. Na een succesvolle afronding van dit programma kan deze informatie in de toekomst mogelijkerwijs middels open web services via het informatiehuis bodem en ondergrond als onderdeel van de Laan voor de Leefomgeving toegankelijk worden gemaakt, waar deze informatie ook eenvoudig te combineren is met andere informatie over de ondergrond. Als uitgangspunt blijft daarbij dat afspraken over vertrouwelijkheid van informatie over kabels en leidingen in het kader van de WION daarbij worden gerespecteerd tenzij andersluidende afspraken worden gemaakt.

De leden van de CDA-fractie vragen of er afdoende aandacht aan informatiebeveiliging wordt gegeven, alsmede aan de eisen die uit de richtlijn Inspire en de Kaderrichtlijn water voortvloeien, nu er door de koepelorganisaties is aangedrongen op een goede aansluiting van de basisregistratie ondergrond op het stelsel van andere basisregistraties.

Ten aanzien van informatiebeveiliging verwijs ik kortheidshalve naar mijn antwoorden op de vragen van de PvdA- en SP-fractie.

Over de overige eisen die vanuit de richtlijn INSPIRE voortvloeien heb ik in antwoord op een eerdere vraag van de CDA-fractie toegelicht dat de BRO daar onverkort aan zal voldoen. Voor de Kaderrichtlijn water geldt dat de BRO behulpzaam kan zijn bij de ontsluiting van gegevens die vallen binnen het registratiedomein Grondwatermonitoring.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven welke voortgang rond informatiebeveiliging is gemaakt en welke acties hiervoor zijn uitgezet.

Ik verwijs naar mijn antwoorden op gelijkluidende vragen van de PvdA-fractie.

De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe het staat met de informatiebeveiliging en welke acties daarvoor zijn ingezet. Ook willen deze leden weten wat de mening van het College bescherming persoonsgegevens was over de kritiek van de Afdeling advisering van de Raad van State met betrekking tot de openbaarmaking en verstrekking van gegevens via internet.

Ten aanzien van de informatiebeveiliging verwijs ik naar mijn antwoorden op de gelijkluidende vragen van de PvdA-fractie.

Het College bescherming persoonsgegevens is om advies gevraagd over het concept wetsvoorstel, conform de daarvoor voorgeschreven procedure op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens. Het advies van het college is betrokken bij de verdere voorbereiding van het wetsvoorstel in de fase voordat dit bij de Afdeling advisering van de Raad van State voor advies aanhangig is gemaakt. Het college bescherming persoonsgegevens heeft geen betrokkenheid bij de fase van het wetgevingsproces na de advisering door de Raad van State. Ten aanzien van het verwerken van persoonsgegevens is in het wetsvoorstel grote terughoudendheid betracht. Zo zal de voor een ieder toegankelijke registratie ondergrond geen persoonsgegevens bevatten van natuurlijke personen, maar in voorkomend geval alleen het KvK-nummer van ondernemingen of rechtspersonen, indien zij houder zijn van een gebruiksrecht of van een constructie die in de registratie ondergrond is opgenomen. Het KvK-nummer is een openbaar gegeven. Onderliggende persoonsgegevens zijn alleen voor geautoriseerde afnemers te verkrijgen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering kan aangeven welke voortgang rond informatiebeveiliging is gemaakt en welke acties hiervoor zijn uitgezet.

Ik verwijs kortheidshalve naar mijn antwoorden op de gelijkluidende vragen van de PvdA- en SP-fractie.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wat de in de memorie van toelichting genoemde onnodige risico’s zijn van verbreding van de scope van de basisregistratie ondergrond. Ook wordt genoemd dat de scope van de basisregistratie ondergrond en de informatiesystemen over ondergrondse netwerken anders zijn omdat bij laatstgenoemde ook private partijen betrokken zijn die niet-openbare informatie leveren. De leden van deze fractie vragen wat hier het probleem van is: niet-openbare informatie wordt nu al afgeschermd, dus dat zou in de nieuwe basisregistratie toch ook geen probleem hoeven te zijn?

De implementatie van de BRO met de huidige zesentwintig registratieobjecten vormt op zich al een grote opgave. Het toevoegen van extra registratiedomeinen in dit stadium door middel van het samenvoegen van reeds bestaande registraties zou als reëel risico met zich meebrengen dat die opgave technisch, inhoudelijk en organisatorisch nog complexer wordt. Daarom is alle inzet er nu op gericht om eerst samen met het werkveld en de ketenpartners te komen tot een succesvolle implementatie van de geprioriteerde registratieobjecten in BRO I.

Governance

De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd hoe de regering de aanbevelingen heeft verwerkt die in de uitvoeringstoets zijn gedaan met betrekking tot de governance (tijdens de ontwikkeling en het gebruik van de basisregistratie ondergrond).

Mede op basis van de aanbevelingen uit de uitvoeringstoets voer ik een aantal wijzigingen in de aanpak van de BRO door. De belangrijkste hierbij is dat er een voorlopige regieraad op bestuurlijk niveau wordt ingesteld onder voorzitterschap van het ministerie. Direct belanghebbenden als bronhouders en grootgebruikers zullen voor deelname aan de voorlopige regieraad worden uitgenodigd. Andere belanghebbende partijen zullen worden uitgenodigd voor deelname aan een ambtelijke projectbegeleidingsgroep, een Bronhouders-Afnemersoverleg (BAO) op operationeel uitvoerend niveau. De voorlopige regieraad heeft tot taak het stellen van prioriteiten en het tijdig realiseren van de planning van de BRO. Om die reden zal een apart budget wordt gealloceerd voor het tot stand brengen van de BRO. De opdrachtgever, regieraad en projectbegeleidingsgroep zullen worden bijgestaan door een programmabureau en een programmamanager binnen het ministerie.

De leden van de CDA-fractie hebben zorgen over de governance van dit wetsvoorstel. Het is volgens de leden van deze fractie immers nog niet duidelijk hoe die eruit komt te zien en ook is het niet helder hoe stakeholders betrokken worden en hoe de informatievoorziening richting de bronhouders zal verlopen.

Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord hierboven op een gelijkluidende vraag van de PvdA-fractie.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen op welke wijze de regering invulling heeft gegeven aan de aanbevelingen op het terrein van de governance van de basisregistratie ondergrond.

Ook hier verwijs ik kortheidshalve naar mijn eerdere antwoord op eenzelfde vraag van de PvdA-fractie.

Inwerkingtreding, planning en handhaving

De leden van de PvdA-fractie vragen of het haalbaar is dat de landelijke voorziening basisregistratie ondergrond vanaf 1 januari 2015 naar behoren functioneert. De leden van deze fractie zijn van mening dat het van belang is dat de regering hierover helderheid biedt aan de toekomstige gebruikers van de basisregistratie ondergrond en verzoeken de regering hierover snel duidelijkheid te geven aan de bestuursorganen die de basisregistratie ondergrond zullen gaan gebruiken.

Zoals hiervoor aangegeven ben ik voornemens de BRO fasegewijs in te voeren, waarbij deze per 1 januari 2017 van start gaat met een eerste tranche van vijf registratieobjecten. Voor nadere informatie verwijs ik naar mijn toelichting onder het kopje «algemeen».

De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd of het voor de regering een optie is om de gemeenten in de eerste fase van de basisregistratie ondergrond op vrijwillige basis te laten deelnemen, net zoals nu het geval is bij de registratie Data en Informatie Nederlandse Ondergrond (DINO) van de Geologische Dienst Nederland.

In antwoord op een soortgelijke vraag van de CDA-fractie onder het kopje «algemeen» heb ik het belang van een volledige landsdekkende registratie toegelicht, waarin ook de gemeenten participeren. Kortheidshalve verwijs ik daarom naar mijn eerdere antwoord.

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de regering nader toe te lichten waarom het van belang is dat gemeenten al in de eerste fase van de basisregistratie ondergrond als bronhouder worden aangemerkt. De leden van deze fractie zijn specifiek geïnteresseerd in wat de consequenties zijn van het weglaten van de gegevens waar gemeenten als enige beschikking over hebben voor de kwaliteit en betrouwbaarheid van de basisregistratie ondergrond.

Zie ook hiervoor mijn eerdere beantwoording van een gelijkluidende vraag van de CDA-fractie onder het kopje «algemeen».

De leden van de SP-fractie vernemen graag door wie en op welke wijze de driejaarlijkse onafhankelijke controle zal worden uitgevoerd.

Voor de uitvoering van de controle zal er gebruik worden gemaakt van een onafhankelijke externe partij met internationale experts in het domein van informatiebeheer van de bodem en ondergrond. De wijze van uitvoering is op dit moment nog niet concreet uitgewerkt. Deze uitwerking zal plaatsvinden bij ministeriële regeling. Het voornemen is om voor de inhoud van de controle zo veel mogelijk aan te sluiten bij controles op andere basisregistraties.

De leden van de SP-fractie vragen ten aanzien van de verplichting om zogeheten brondocumenten aan de Minister te leveren wat de sanctie is bij het verzaken van deze plicht. Voorts willen deze leden weten wie hier toezicht op houdt.

Op het niet aanleveren van brondocumenten aan de Minister staat geen sanctie. Ik heb geen redenen om te veronderstellen dat overheden zich niet aan deze wettelijke verplichting zullen houden. Wanneer bestuursorganen onverhoopt toch de door hun ontvangen brondocumenten niet aan de basisregistratie ondergrond aanleveren, dan zal dat mogelijk zichtbaar worden door de controleservices binnen de BRO of worden gesignaleerd door TNO als operationeel beheerder van de BRO door afwijkingen in de locale of regionale datadichtheid van registratieobjecten in de basisregistratie. Op bepaalde locaties of regio’s zijn er dan bijvoorbeeld veel minder of geen gegevens van de ondergrond bekend ten opzichte van vergelijkbare andere locaties of regio’s. Daarnaast wordt zowel aan bestuursorganen als aan bedrijven en burgers de mogelijkheid geboden om een melding te doen aan de Minister van Infrastructuur en Milieu wanneer deze opmerken dat gegevens die als authentiek gegeven in de registratie behoren te zijn opgenomen, daarin ontbreken. Een dergelijke melding zal door de Minister naar de desbetreffende bronhouder worden doorgezonden, zodat deze de melding kan onderzoeken en het ontbrekende authentieke gegeven alsnog kan aanleveren aan de registratie.

De leden van de CDA-fractie vernemen graag of de centrale landelijke voorziening waar geo-informatie betreffende verschillende thema’s in wordt opgenomen per 1 januari 2015 ook daadwerkelijk functioneert. Deze duidelijkheid hebben de medeoverheden nog niet gekregen. De leden van deze fractie zijn van mening dat eventuele boetes die uit het niet voldoen aan deze verplichtingen kunnen voortvloeien, redelijkerwijs niet voor rekening van medeoverheden zouden moeten komen.

Zoals aangegeven is alle inzet er momenteel op gericht om de BRO met ingang van 1 januari 2017 van start te laten gaan met een eerste tranche van vijf registratieobjecten. De verplichtingen op grond van de richtlijn INSPIRE ten aanzien van het thema ondergrond worden momenteel ingevuld met behulp van de reeds bestaande informatiesystemen Data en Informatie Nederlandse Ondergrond (DINO) en Bodem Informatie Systeem (BIS). Hiermee wordt aan de verplichtingen op grond van de Implementatiewet EG-richtlijn infrastructuur ruimtelijke informatie voldaan. Alle medeoverheden zijn hierover geïnformeerd door de stuurgroep Inspire en het Beraad voor Geo-Informatie. Van de medeoverheden wordt er daarom verder geen actie gevraagd voor wat betreft het thema ondergrond. De kosten voor deze tijdelijke oplossing heb ik voor mijn rekening genomen. Er is dus geen sprake van meerkosten voor medeoverheden.

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat zowel medeoverheden als het bedrijfsleven maatregelen moeten treffen en acties moeten uitzetten, maar dat er nu nog geen duidelijkheid bestaat over waar ze zich exact op moeten voorbereiden. De leden van deze fractie vragen of dit mogelijk leidt tot desinvesteringen en tijdsverlies omdat er bijvoorbeeld niet gewerkt wordt met BRO-standaarden. Daarbij vragen deze leden of de regering kan aangeven wanneer gangbare BRO-standaarden worden gepubliceerd en stakeholders definitief duidelijkheid krijgen over waar ze zich op moeten voorbereiden.

Ik onderken dat dit een belangrijk vraagstuk is. Om die reden zullen direct belanghebbenden als bronhouders en grootgebruikers worden uitgenodigd voor deelname aan een voorlopige regieraad op bestuurlijk niveau onder voorzitterschap van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Andere belanghebbende partijen zullen worden uitgenodigd voor deelname aan een ambtelijke projectbegeleidingsgroep, een Bronhouders-Afnemersoverleg (BAO) op operationeel uitvoerend niveau en een klankbordgroep. De regieraad zal een belangrijke functie hebben bij de implementatie van de BRO. Tevens zal bij de ontwikkeling van standaarden tijdig en goed gecommuniceerd wordt, en er steeds een overgangstermijn worden gehanteerd.

De leden van de D66-fractie vragen de regering wanneer ze beoogt om het wetsvoorstel in werking te laten treden.

Zoals aangegeven is mijn planning erop gericht om de wet met ingang van 1 januari 2017 in werking te laten treden.

De leden van de D66-fractie vragen hoe de voorbereiding op de uitvoering van het wetsvoorstel bij de verschillende betrokken partijen verloopt en hoe de regering deze partijen informeert welke stappen ze moeten zetten, wanneer het duidelijk wordt welke gegevens aan de basisregistratie ondergrond moeten worden aangeleverd en wanneer de gangbare BRO-standaarden beschikbaar komen? De leden van deze fractie vragen of de regering van plan is om protocollen met alle voorwaarden te maken en of ze een centraal informatiepunt gaat instellen.

Ik heb het programmabureau BRO gevraagd om in overleg met alle betrokken partijen een uitwerking te maken van de gewenste BRO-architectuur en voor de genoemde registratieobjecten een start te maken met het beschrijven van het gewenste BRO-systeem, inclusief het definiëren van de datasets met bijbehorende technische specificaties. Deze zullen in de actielijn Standaardisatie en voorbereiding transitie in overleg met het gehele werkveld verder worden uitgewerkt en ter goedkeuring aan het programmabureau BRO en de regieraad worden voorgelegd. Onder regie van het programmabureau zal vervolgens samen met de operationeel beheerder van de BRO en de bronhouders invulling worden geven aan de verdere operationalisering en het beheer hiervan. De resultaten van deze processen zullen steeds worden gecommuniceerd naar alle betrokken partijen. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op de 6 punten die de VVD-fractie in haar vraag heeft benoemd onder het kopje «algemeen».

De leden van de ChistenUnie-fractie vragen wat de geplande startdatum is van de inwerkingtreding van de landelijke voorziening. De leden van deze fractie vragen of het klopt dat Europese richtlijnen zoals Inspire en de Kaderrichtlijn water vereisen dat de voorziening per 1 januari 2015 beschikbaar is en dat andere overheden zoals waterschappen geen voorzieningen hebben getroffen om te voldoen aan deze richtlijnen aangezien zij er vanuit zijn gegaan dat de basisregistratie ondergrond op die datum beschikbaar is. Voorts vragen deze leden of de medeoverheden (provincies, gemeenten en waterschappen) er nog steeds vanuit kunnen gaan dat de landelijke voorziening basisregistratie ondergrond vanaf 1 januari 2015 naar behoren functioneert. Of is dit niet haalbaar gezien de complexiteit van de benodigde informatiesystemen? Indien deze datum niet haalbaar is, dan vragen deze leden wat dat betekent voor de eisen die voortvloeien uit de genoemde Europese richtlijnen. Klopt het dat de andere overheden hiervoor boetes kunnen krijgen? Zo ja, zo vragen deze leden, is de regering bereid hiervoor verantwoordelijkheid te nemen aangezien in het verleden de verwachting is gewekt dat de basisregistratie ondergrond op tijd gerealiseerd zou zijn?

De beoogde startdatum van de BRO is zoals aangegeven 1 januari 2017. Ten aanzien van het voldoen aan de verplichtingen van de genoemde Europese richtlijnen verwijs ik naar mijn eerdere antwoord op een soortgelijke vraag van de CDA-fractie hierboven.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of er voor behandeling van het wetsvoorstel duidelijkheid kan worden gegeven aan gemeenten over de gegevens die aan de basisregistratie ondergrond moeten worden aangeleverd inclusief een actuele planning voor de invoering, afspraken over de financiële vergoeding vanuit het Rijk en een landelijk protocol waarin de juridische, inhoudelijke, informatiekundige en eventueel financiële voorwaarden voor uitbesteding worden vastgelegd. Ook vragen deze leden of er in de huidige planning voldoende tijd is voor gemeenten om hun software aan te passen om aan de leveringsverplichting te voldoen. Heeft er al overleg plaatsgevonden tussen de softwareleveranciers en het Rijk over een haalbare planning?

Ik verwijs graag naar mijn eerdere antwoord op een gelijkluidende vraag van de VVD-fractie onder het kopje «algemeen».

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering kan aangeven wanneer gangbare BRO-standaarden worden gepubliceerd en stakeholders definitief duidelijkheid krijgen over waar ze zich op moeten voorbereiden.

Ik verwijs naar mijn antwoord op een soortgelijke vraag van de PvdA-fractie.

Consultaties

De leden van de CDA-fractie constateren met instemming dat veel betrokken instanties zijn geraadpleegd bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel. De leden van deze fractie vragen of de regering verzekerd is van een blijvende betrokkenheid van deze groep bij de verdere vormgeving van de basisregistratie.

Middels deelname in de voorlopige regieraad op bestuurlijk niveau, in de ambtelijke projectbegeleidingsgroep, het Bronhouders-Afnemersoverleg (BAO) op operationeel uitvoerend niveau en in een klankbordgroep is een brede groep van partijen betrokken bij de verdere vormgeving van de BRO. Ik maak dan ook graag gebruik van de deskundigheid van deze partijen.

De leden van de D66-fractie lezen dat verschillende burgers en instanties op het wetsvoorstel hebben gereageerd tijdens de internetconsultatie. De leden van deze fractie vragen de regering nader aan te geven welke opmerkingen over het wetsvoorstel zijn gemaakt en wat daar precies mee is gedaan.

Op de website http://www.internetconsultatie.nl/basisregistratieondergrond is een verslag opgenomen van de internetconsultatie dat door iedereen te raadplegen is. In dit verslag zijn zowel de gemaakte opmerkingen opgenomen als de wijze waarop hier in het wetsvoorstel rekening mee is gehouden. Omdat een beschrijving van de gemaakte opmerkingen en de wijze van verwerking daarvan hier tot een al te uitgebreide verhandeling zou leiden, verwijs ik kortheidshalve naar het verslag op de website.

Kosten en baten

De leden van de VVD-fractie vragen of inzichtelijk is gemaakt wat de voorbereiding kost voor gemeenten die verplicht gegevens moeten toeleveren. Welke kosten zijn dat en welke baten staan daar exact tegenover? De leden van deze fractie vragen voorts of, als er wel kosten maar geen baten zijn voor gemeenten en/of gemeenten gegevens aanleveren zonder daar direct belang bij te hebben, er wordt overwogen om de desbetreffende gemeenten hiervoor te compenseren.

Zoals eerder beschreven, zal per registratieobject tijdens de ontwerpfase een gedetailleerde ketenanalyse worden uitgevoerd. Deze resulteert onder andere in een financiële analyse van de kosten en baten die gepaard gaan met de opname van dat registratieobject in de BRO, uitgesplitst naar overheidslaag en ketenpartner. Tussen het Rijk en de medeoverheden is een procesafspraak gemaakt dat wanneer de kosten en baten voor een specifiek registratieobject niet evenredig tussen de verschillende overheden verdeeld zijn, die overheden afspraken zullen maken over de kostenverdeling. Dit betekent dat alvorens een registratieobject bij AMvB onder het regime van de basisregistratie gebracht wordt, er overeenstemming moet zijn bereikt tussen de betrokken overheden over de kostenverdeling. In het geval de baten grotendeels bij het Rijk vallen en de kosten bij andere overheidslagen, lijkt het redelijk en billijk dat het Rijk de medeoverheden hiervoor zal compenseren.

De leden van SP-fractie vinden de paragraaf over baten en lasten van een wonderlijke eenvoud. Er wordt volgens deze leden niet duidelijk gemaakt of de beoogde efficiencywinst van 5.8 miljoen euro daadwerkelijk wordt behaald. De dekking van de kosten is daarnaast niet in beeld gebracht en eenmalige kosten voor het aansluiten van de bestuursorganen zijn pro memorie gesteld. De regering geeft voorts aan dat de te bereiken baten mede zullen afhangen van de gegevens die in de basisregistratie ondergrond zullen worden opgenomen. De leden van deze fractie verzoeken de regering daarom om de genoemde bedragen nader te onderbouwen.

Op het niveau van het wetvoorstel is het op basis van de huidige beschikbare informatie niet mogelijk een meer gedetailleerde kosten-batenanalyse uit te voeren, waarin het totaal van de registratieobjecten is betrokken. Daarvoor is het allereerst nodig dat de betrokken partijen per registratieobject een informatiestandaard afspreken. Pas wanneer een standaard is overeengekomen, kan men een gedetailleerde impactanalyse uitvoeren binnen de eigen organisatie en in de gehele keten. Op basis van deze impactanalyse kan vervolgens een gedetailleerde kosten-batenanalyse worden gemaakt. Om deze reden hebben het Rijk en de medeoverheden de procesafspraak gemaakt dat wanneer de kosten en baten voor een specifiek registratieobject niet evenredig tussen de overheden verdeeld zijn, de overheden een kostenverdeling overeen dienen te komen. Bij de aanwijzing van een registratieobject met de bijbehorende brondocumenten bij AMvB zal derhalve in meer detail inzicht worden geschaft in de kosten en baten per registratieobject en de wijze waarop de kosten van een registratieobject gedekt worden.

De leden van de SP-fractie verzoeken de regering toe te lichten waarom er een maximum aan kosten gesteld moet worden in het geval dat verstrekking van gegevens en authentieke modellen uit de basisregistratie ondergrond op een andere wijze dan via internet plaatsvindt. Voorts vragen de leden van deze fractie waarom de vaststelling van de tarieven inzake deze kosten bij ministeriële regeling gebeurt.

Binnen de rijksoverheid geldt het uitgangspunt dat voor verstrekking van gegevens voor hergebruik maximaal de marginale kosten van verstrekking worden gerekend en dat voor het gebruik van de gegevens geen vergoedingen in rekening worden gebracht. Verstrekking van gegevens via internet is conform het open databeleid altijd gratis. Bij verstrekking van gegevens via een andere weg dan via internet kunnen ten hoogste de kosten van de informatiedragers in rekening worden gebracht. Anders dan bij de verstrekking van gegevens via internet kunnen aan de verstrekking op andere wijze substantiële kosten zitten.

De vaststelling van de tarieven voor de verstrekking van gegevens of modellen uit de BRO betreft de uitwerking van een detail van het wetsvoorstel zodat, conform de Aanwijzingen voor de regelgeving, het niveau van een ministeriële regeling hiervoor het meest aangewezen is.

De leden van de CDA-fractie vragen of, indien bij de nadere uitwerking van de basisregistratie de kosten en baten gespecificeerd naar overheidslaag in kaart gebracht worden, het Rijk dan bereid is het merendeel van de kosten op zich te nemen.

Hiervoor heb ik in antwoord op gelijkluidende vragen van de VVD-fractie toegelicht welke afspraken er zijn gemaakt over de kostenverdeling tussen overheden. Ik verwijs daarom kortheidshalve naar de daar gegeven toelichting.

De leden van de D66-fractie lezen dat de regering in een algemene maatregel van bestuur de kosten en baten gespecificeerd naar overheidslaag in kaart gaat brengen. De leden van deze fractie vragen op welke manier de regering gebruik gaat maken van die gegevens en of het de bedoeling is dat op basis van deze informatie financiële compensaties worden gegeven wanneer de balans tussen kosten en baten voor een bestuurslaag negatief uitpakt.

Ik verwijs kortheidshalve naar mijn antwoorden op gelijkluidende vragen van de VVD-fractie.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat gemeenten aangeven in de eerste fase nog niet verplicht te willen deelnemen aangezien zij in de eerste fase vooral kosten moeten maken en geen voordelen hebben. De leden van deze fractie vragen welke kosten en baten er voor de gemeenten in de eerste fase zijn en wat de mogelijkheden zijn om deze verhouding voor gemeenten in de eerste fase gunstiger te maken.

Zoals uiteengezet onder het kopje «algemeen» ben ik voornemens om de BRO te starten met een eerste tranche van vijf registratieobjecten, te weten geotechnisch sondeeronderzoek, booronderzoek (onderdeel bodemkundig boormonsterprofiel), grondwatermonitoringput, grondwatersamenstellingsonderzoek en mijnbouwwetvergunning. De keuze om prioriteit te geven aan deze vijf registratieobjecten is gebaseerd op een analyse van het relatieve belang van de registratieobjecten en de te behalen baten bij opname in de BRO, alsmede de opgave voor standaardisatie en harmonisatie van registratieobjecten. Inderdaad liggen de baten die met deze eerste tranche worden behaald in mindere mate bij gemeenten. Wat betreft de verplichte aanlevering en het hergebruik van gegevens zijn voor gemeenten vooral gegevens met betrekking tot sonderingen en grondwater relevant. De daarbij te behalen baten voor gemeenten liggen in efficiëntere aanleverprocessen en informatiebeheer en in een vermindering van onderzoekslasten en dus een betere dienstverlening aan de burger en bedrijven. Tegenover de beperkte baten staan in deze eerste tranche ook beperkte kosten. Deze bestaan uit de invoering van standaarden en aanpassing van de werkprocessen en de interne informatiesystemen. Gegeven de ruime transitietermijn van de BRO hebben gemeenten naar mijn opvatting voldoende tijd om deze wijzigingen in hun reguliere beheersprocessen te effectueren.

Gedelegeerde regelgeving

De leden van de PvdA-fractie krijgen graag inzicht in de planning met betrekking tot de ontwikkeling en vaststelling van de gedelegeerde regelgeving omtrent de basisregistratie ondergrond en verzoeken de regering hierin helderheid te bieden.

Op grond van het wetsvoorstel dienen voor de start van de BRO in ieder geval één AMvB en één ministeriële regeling te worden vastgesteld. In de AMvB worden de brondocumenten van registratieobjecten aangewezen die in de BRO worden opgenomen. Als dat nodig is dan kunnen in die AMvB ook nadere regels worden gesteld ten aanzien van die brondocumenten. In diezelfde AMvB kunnen eventueel nog bestuursorganen worden aangewezen die geen melding hoeven te doen bij gerede twijfel over de juistheid van gegevens. Uitgaande van de planning om de BRO met ingang van 1 januari 2017 van start te laten gaan met de eerste registratieobjecten, betekent dat dat ik voornemens ben om uiterlijk dit najaar een aanvang te maken met de AMvB. Hierbij merk ik op dat de relevante belanghebbende partijen daarbij betrokken zullen worden.

Bij ministeriële regeling dient de catalogus voor de BRO te worden vastgesteld. Daarnaast dienen in ieder geval nadere regels te worden gesteld over de wijze waarop brondocumenten aan de Minister worden geleverd. Deze beide aspecten dienen op het moment van inwerkingtreding van de BRO bij regeling te zijn vastgelegd. Aan al deze onderdelen wordt reeds samen met de relevante belanghebbende partijen gewerkt. Daarnaast bestaat nog de mogelijkheid om nadere regels te stellen ten aanzien van de technische en administratieve inrichting, werking en beveiliging van de BRO. Ook hierover vindt gedurende de ontwikkeling van de BRO overleg plaats met de operationeel beheerder van de BRO en softwareleveranciers.

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de regering nader in te gaan op de vraag waarom het wetsvoorstel niet voorziet in de betrokkenheid van de Kamer bij de vaststelling van algemene maatregelen van bestuur door middel van een voorhangprocedure.

Volgens de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt geen betrokkenheid van het parlement bij gedelegeerde regelgeving geregeld, tenzij daarvoor bijzondere redenen bestaan. De ontwikkeling van de inhoud van de registratieobjecten die voor opname in de BRO in aanmerking komen, is een intensief, maar in belangrijke mate ook een technisch proces dat samen met de vertegenwoordigers van de andere overheden en belanghebbende maatschappelijke partijen wordt doorlopen. Dit proces en de resultaten daarvan worden breed gecommuniceerd, zodat iedereen daarvan kennis kan nemen en partijen desgewenst in dit proces kunnen participeren. Bij de totstandkoming van de AMvB’s is dus voorzien in een brede betrokkenheid van belanghebbende partijen. Om die reden is niet voorzien in een voorhangprocedure. Desgewenst zal ik uw Kamer bij brief op de hoogte houden van de vorderingen met betrekking tot de totstandkoming van de BRO.

De leden van de SP-fractie geven aan dat zij, waar sprake is van de vaststelling van algemene maatregelen van bestuur voorstander zijn van een voorhangprocedure. Deze leden vragen voorts de regering te motiveren waarom hier nadrukkelijk niet voor wordt gekozen.

Ik verwijs kortheidshalve naar mijn antwoord hierboven op een gelijkluidende vraag van de leden van de PvdA-fractie.

De leden van de SP-fractie constateren dat in het wetsvoorstel staat aangegeven welke gegevens als authentiek worden aangemerkt. Ter wille van de flexibiliteit wordt voorgesteld om onder bepaalde voorwaarden krachtens of bij algemene maatregel van bestuur een ander gegeven als authentiek aan te merken in de basisregistratie ondergrond. De leden van deze fractie verwachten hierover een toelichting. Naar de mening van deze leden vraagt het om uitleg wanneer de regering iets vastlegt in een wetsvoorstel terwijl krachtens of bij algemene maatregel van bestuur alles gewijzigd kan worden. Daarnaast valt het deze leden op dat in de memorie van toelichting niet staat aangegeven wat wordt verstaan onder «bepaalde voorwaarden». De leden van de SP-fractie vragen de regering ook hier om een toelichting.

De totstandkoming van de gegevensinhoud van een registratieobject is een arbeidsintensief en deels ook een lerend proces. Om dit toch al lastige proces niet nodeloos te frustreren heb ik enige ruimte gevraagd om de gegevensinhoud van registratieobjecten zo nodig bij AMvB te kunnen aanvullen. Dit maakt het mogelijk om samen met de aanwijzing van brondocumenten van een registratieobject een gegeven, waaraan in de praktijk behoefte blijkt te bestaan, in de BRO op te nemen, zonder de totstandkoming van de BRO op dat punt te vertragen. Die ruimte blijkt in de praktijk ook nodig. Zo is in discussies over de gegevensinhoud van een type verkenning gebleken dat het wenselijk kan zijn om het precieze doel van een verkenning in de registratie op te nemen, om zo de waarde van het desbetreffende object voor hergebruik te kunnen beoordelen. Een ander voorbeeld is dat gebruikers hebben aangegeven graag expliciet willen zien of een grondwatermonitoringput daadwerkelijk in gebruik is. Dit zijn twee voorbeelden van gegevens die nu niet onder de in het wetsvoorstel genoemde categorieën van authentieke gegevens vallen, maar waar al gaandeweg de ontwikkeling van de BRO, wel een behoefte blijkt te bestaan. Hoewel momenteel nog wordt bezien of het daadwerkelijk aangewezen is om de genoemde gegevens als authentieke gegevens in de BRO om te nemen, steunen deze eerste praktijkvoorbeelden mij in de overtuiging dat de gevraagde ruimte ook in de toekomst nodig zal blijken. De voorwaarden waaronder dit mogelijk is, zijn opgenomen in het wetsvoorstel zelf. In artikel 23, derde lid, van het wetsvoorstel is wat dat betreft bepaald dat het opnemen van een aanvullend authentiek gegeven alleen mogelijk is wanneer de kenbaarheid van het betreffende gegeven van belang blijkt voor het doel van de basisregistratie ondergrond en er geen gewichtige redenen zijn die zich daartegen verzetten.

De bovengenoemde motivering van de wens en noodzaak om bij AMvB aanvullende authentieke gegevens in de BRO op te nemen, gaat overigens niet op voor authentieke modellen. Wanneer het op termijn wenselijk wordt geacht om nog andere authentieke modellen in de BRO op te nemen dan de modellen die nu bij wet zijn aangewezen, dient dat door een aanpassing van de wet te gebeuren. Hierbij is immers sprake van een uitbreiding van de reikwijdte van de BRO met een nieuw model, en niet van een aanvulling van de gegevensinhoud van een registratieobject. Ik heb daarom een nota van wijziging ingediend waarmee de mogelijkheid om een authentiek model bij AMvB op te nemen in de BRO wordt geschrapt.

De leden van de CDA-fractie vragen of bij wet geregeld kan worden wat onder constructies wordt verstaan. Naar de mening van deze leden is de invloed van ministeriële regelingen groot, zodat niet vooraf duidelijk is of alle door de mens aangebrachte constructies in de ondergrond – voor zover deze gekoppeld zijn aan het winnen of onttrekken van natuurlijke hulpbronnen, het opslaan van stoffen of het meten van ondergrondprocessen zoals het verloop van de grondwaterstand in de tijd (zoals boorgaten, putten of het meetnet) – wel of niet onder de wet vallen.

Het wetsvoorstel bevat een algemene definitie van het begrip «constructie». Bij AMvB zal worden bepaald ten aanzien van wat voor typen constructies gegevens in de BRO zullen worden opgenomen. Dan zal dus ook duidelijk worden welke door de mens aangebrachte constructies in de ondergrond wel of niet onder het bereik van de wet vallen. Momenteel zijn er twaalf constructies beoogd, welke zijn opgenomen in tabel 1 onder het kopje «algemeen». De exacte inhoud van de gegevens ten aanzien van constructies die in de BRO worden opgenomen, zal worden vastgelegd in de catalogus basisregistratie ondergrond, die bij ministeriële regeling wordt vastgesteld. De huidige wettelijke definitie biedt daarbij de ruimte om die constructies waar in de toekomst een informatiebehoefte bestaat, als registratieobject voor de BRO aan te merken. De selectie van registratieobjecten voor de BRO is daarbij een proces waarbij alle daarbij belanghebbende partijen worden betrokken. Door de wettelijke definitie op voorhand op het niveau van de wet in te perken, zou ongewild een belemmering kunnen ontstaan voor het opnemen van registratieobjecten in de BRO, terwijl daar wel behoefte aan bestaat.

De leden van de D66-fractie zijn benieuwd naar het tijdspad van de ministeriële regelingen en de algemene maatregelen van bestuur en willen weten of alle algemene maatregelen van bestuur naar de Kamer worden gestuurd.

Voor het tijdpad verwijs ik kortheidshalve naar de toelichting op de planning die ik heb gegeven in antwoord op vragen van de VVD-fractie onder het kopje «algemeen». Ten aanzien van de betrokkenheid van de Kamer bij de totstandkoming van de AMvB’s verwijs ik naar mijn antwoord hierboven op een gelijkluidende vraag van de leden van de PvdA-fractie.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus