Kamerstuk 33836-5

Verslag van een algemeen overleg

Vechtscheidingen

Gepubliceerd: 29 juli 2014
Indiener(s): Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA), Fred Teeven (staatssecretaris veiligheid en justitie) (VVD)
Onderwerpen: burgerlijk recht recht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33836-5.html
ID: 33836-5

Nr. 5 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 29 juli 2014

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie en de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben op 14 mei 2014 overleg gevoerd met Staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie en Staatssecretaris Van Rijn van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en over:

  • de brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 31 maart 2014 inzake de positie van kinderen in een vechtscheiding verbeteren (Kamerstuk 33 836, nr. 3).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Jadnanansing

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Neppérus

De griffier van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Van Doorn

Voorzitter: Jadnanansing

Griffier: Tielens-Tripels

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Berndsen-Jansen, Jadnanansing, Kooiman, Keijzer, Ypma, Van der Burg, Van der Staaij, Voordewind,

en Staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie en Staatssecretaris Van Rijn van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, die vergezeld zijn van enkele ambtenaren van hun ministeries.

Aanvang 10.00 uur.

De voorzitter: Hiermee open ik de vergadering. Een hartelijk welkom aan de mensen op de publieke tribune, de twee Staatssecretarissen en mijn collega's. We hebben een spreektijd afgesproken van vijf minuten. Daar moeten we ons heel strak aan houden. We hebben maar drie uur de tijd en heel veel te bespreken. Ik sta twee interrupties per lid toe. Als eerste geef ik het woord aan mevrouw Ypma van de Partij van de Arbeid.

Mevrouw Ypma (PvdA): Voorzitter. «En ze leefden nog lang en gelukkig». Dat is een mooi einde van veel sprookjes, maar helaas eindigt een derde van de huwelijken in een echtscheiding. De Partij van de Arbeid vindt het van groot belang dat mensen bewust afscheid van elkaar nemen als partners, maar niet als ouders. Alle ouders willen het beste voor hun kind, maar partners zijn op het moment van een echtscheiding heel erg met zichzelf bezig. Misschien zijn ze heel erg boos of zijn er financieel grote belangen. De PvdA vindt dat ouders ook bij een echtscheiding verantwoordelijk zijn voor hun kinderen, want ouder ben je, en ouder blijf je.

Ook bij een vechtscheiding zijn de ouders er verantwoordelijk voor dat hun kinderen niet worden gebruikt in allerlei conflicten, maar dat gebeurt helaas toch regelmatig. Als ouder moet je op je tong bijten om niet de ander te beschuldigen, heb ik begrepen van ouders. Meestal gaat dat gelukkig goed. Per jaar gaan de ouders van zo'n 70.000 kinderen scheiden. Voor 14.000 van die kinderen verloopt dat problematisch. Hun ouders hebben daar problemen mee. Bij ongeveer 3.500 kinderen per jaar is er sprake van een vechtscheiding. Die kinderen worden betrokken in het conflict. Dan doet de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek, en hij adviseert de rechter aangaande de uitspraak. De ouders verliezen helaas in die gevallen de belangen van het kind uit het oog. Voor deze kinderen zijn de gevolgen groot. Ze denken dat het hun schuld is en hebben een negatief zelfbeeld. Soms hebben ze last van depressies, of ze hebben het gevoel dat ze partij moeten kiezen. Soms is er sprake van eetstoornissen met ernstige gevolgen.

Op dit moment komt de zorg voor en ondersteuning van kinderen die de dupe worden van een vechtscheiding te laat op gang. Volgens de Partij van de Arbeid is het vroeg signaleren en het eerder bieden van de juiste hulp ook voor deze groep kinderen van groot belang. Ook in gevallen waarin er geen sprake is van een vechtscheiding kunnen kinderen zorg en ondersteuning nodig hebben bij de scheiding van hun ouders. Wat ons betreft zou het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) hier een rol in kunnen spelen. Het zou in de eerste plaats informatie moeten verzamelen over de gevolgen van een echtscheiding voor kinderen. Die informatie moet op eenvoudige manier te raadplegen zijn. Op dit moment is er wel veel informatie, maar die is heel moeilijk te vinden. Wij zouden dat graag gemakkelijker willen maken. Het heet niet voor niets het Centrum voor Jeugd en Gezin. Wellicht is dat de plek waar dat zou kunnen gebeuren.

Daarnaast zie je dat de huisarts en de juf of de meester op school soms signaleren dat het niet goed gaat met kinderen. Zij moeten dat kunnen doen. Zij moeten het gezin in kwestie ook de juiste ondersteuning kunnen bieden, in eerste instantie zelf, maar wellicht ook via het Centrum voor Jeugd en Gezin. Docenten zouden bijscholing kunnen krijgen vanuit het CJG over hoe zij moeten omgaan met kinderen na de scheiding van hun ouders, en hoe zij oudergesprekken moeten voeren. Ik heb zelf als juf ervaren dat ouders niet meer met elkaar willen praten, maar dat ze wel geïnformeerd moeten blijven worden over het kind. Hoe moet je daar nu mee omgaan? Dat is best ingewikkeld. Straks, na 2015, zijn de lijntjes kort om zorg en ondersteuning via wijkteams en het Centrum voor Jeugd en Gezin in te schakelen. Ik hoor graag een reactie van de Staatssecretaris op dit voorstel.

Door begeleiding kan escalatie worden voorkomen. Partners zouden voorafgaand aan een rechtsgang daarom wat ons betreft verplicht mediation moeten inschakelen. Mediation zorgt ervoor dat de verhouding tussen ouders dankzij deskundige begeleiding minder snel escaleert en minder snel verscherpt. Daarnaast zou de mediator ook een oogje in het zeil kunnen houden voor scheidingen die dreigen uit te lopen op een vechtscheiding. Zou het verstandig zijn om de meldcode voor deze professionals van toepassing te verklaren? Wat zijn daarvan de voor- en de nadelen?

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Mij puzzelt toch de term «verplichte mediation». Een NMI-geregistreerde mediator zal nooit verplichte mediation kunnen toepassen. Mediation kan alleen op basis van vrijwilligheid. Ik las gisteravond al op NU.nl dat verschillende partijen verplichte mediation willen. Ik wil toch graag een toelichting op hoe men dat in vredesnaam denkt rond te krijgen.

Mevrouw Ypma (PvdA): Wij zien dat mediation gelukkig niet bij alle vechtscheidingen nodig is. 80% van de mensen die gaan scheiden, kunnen dat heel goed zelf regelen. Ze hebben wel de juiste informatie nodig om het belang van het kind centraal te stellen, maar daar is geen mediation voor nodig. Waar ouders echter beslissen om naar de rechter te stappen, vinden wij dat mediation een voorwaarde moet zijn om naar de rechter te kunnen gaan. Er moet mediation ingezet zijn, voordat je toegang krijgt tot de rechter.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Dat is techniek, het gaat om hoe het in de praktijk werkt. Als ouders geen mediation willen en de overheid stelt het verplicht, dan zul je geen mediator vinden die dat proces wil gaan doen. Hoe kun je tot een oplossing komen als je als mediator niet aan de voorwaarden voldoet en als je de kaders die binnen het NMI worden gesteld, niet kunt invullen? Hoe kun je dan mediation laten toepassen?

Mevrouw Ypma (PvdA): In 80% van de gevallen komen ouders er zelf uit. Het gaat mij om de situaties waarin ouders er niet zelf uitkomen en besluiten om naar de rechter te stappen. Er is ruimte tussen er samen uitkomen, met zijn tweeën, en naar de rechter toe stappen. Daartussen past mediation, waarbij ouders proberen er alsnog in overleg uit te komen, zonder het belang van het kind uit het oog te verliezen. Wij zien dat er in Engeland en in Noorwegen heel positieve resultaten zijn behaald met mediation. Op die manier zouden wij dat ook heel graag zien in Nederland.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik sta niet onwelwillend tegenover verplichte mediation. Het is een aanbeveling van de Kinderombudsman en het leek mij ook heel logisch om dat in te zetten, alleen is de vraag wie dat moet betalen. De rechtshulp en de toegang tot het recht worden eigenlijk momenteel al kapotgemaakt door de enorme bezuinigingen. Een mediator kost ongeveer € 180 per uur. We weten allemaal dat de financiën bij scheidingen een enorme bron van ruzie zijn. Dat is heel schadelijk voor het kind. Dus mijn vraag aan de Partij van de Arbeid is wie dat volgens haar zou moeten betalen.

Mevrouw Ypma (PvdA): Wij zien in Noorwegen dat mediation juist tot besparingen leidt. Het bespaart kosten, in plaats van extra kosten op te leveren. We zijn het direct met de SP eens als zij zegt: mediation moet voor iedereen toegankelijk zijn. Ook wij vinden dat de inzet van mediation voor mensen met een laag inkomen via de rechtsbijstand geregeld en betaald moet worden.

Mevrouw Kooiman (SP): Ook op de rechtsbijstand wordt zodanig gekort dat het zelfs voor mensen met een laag inkomen haast niet meer te betalen is. De eigen bijdrage is enorm hoog, waardoor ook de toegang tot mediation voor heel veel mensen niet meer mogelijk is. Nu heeft de Kinderombudsman gisteren nog in een gesprek gezegd: laten we anders doorrekenen wat het bijvoorbeeld oplevert als je mediation in een vroeg stadium inzet. Kunnen we het dan niet onderbrengen bij het Centrum voor Jeugd en Gezin of bij de Raad voor de Kinderbescherming? Dan kunnen we mediation voor iedereen aanbieden, zonder dat daarvoor een drempel opgeworpen wordt.

Mevrouw Ypma (PvdA): De SP-fractie en de PvdA-fractie vinden elkaar direct als het gaat om de toegankelijkheid van mediation. Zelf heb ik gisteren bij de Kinderombudsman geopperd om het onder te brengen bij het Centrum voor Jeugd en Gezin. Dan breng je naar mijn mening alle lijnen bij elkaar. De betaling ervan zou wat ons betreft langs de juridische kant moeten gaan, dus via de rechtsbijstand.

Het opstellen van een ouderschapsplan is een goede stap, maar kan helaas ook leiden tot escalatie. De Partij van de Arbeid wil graag van de Staatssecretaris weten hoe vaak het opstellen van een ouderschapsplan leidt tot problemen. Wat zou de rol van advocaten en echtscheidingsexperts moeten zijn, om tijdens het opstellen van een ouderschapsplan de verhoudingen niet op scherp te stellen? Kunnen zij niet sneller ingrijpen als een echtscheiding ten koste gaat van het welzijn van kinderen? Hoe kunnen we de prikkel eruit halen voor advocaten om steeds maar door te procederen en steeds weer procedures op te starten? Graag een reactie van de Staatssecretaris.

De echtscheiding van ouders komt bij verschillende rechters terecht. Wij achten het van belang om één rechter, één dossier als uitgangspunt te nemen. De Partij van de Arbeid is daarom van mening dat bij een dreigende vechtscheiding waar kinderen bij betrokken zijn, één persoon verantwoordelijk moet worden voor het gehele traject. De Partij van de Arbeid denkt dat de regierechter daarvoor de aangewezen persoon is. Daarnaast zou de regierechter ook een bijzonder curator kunnen inschakelen, die zich ontfermt over het kind dat de dupe dreigt te worden van de scheiding. Dit alles om te voorkomen dat kinderen klem en verloren raken tussen beide ouders. Kinderen zijn namelijk eindeloos loyaal aan hun ouders. Als je een vechtscheiding weet te voorkomen, zal dat positieve gevolgen hebben voor het welzijn van het kind en creëer je een beter klimaat om samen als ouders verder te gaan, ook na de scheiding. Kinderen willen niet dat hun ouders ruziemaken. Zij willen heel graag de hoogtepunten en de dieptepunten met beide ouders kunnen blijven meemaken.

Ten slotte zou er beter naar kinderen geluisterd moeten worden, ook tijdens de echtscheidingsprocedure. Ook rechters zouden daarin geschoold moeten zijn. Natuurlijk moeten we kinderen niet naar hun keuze vragen, maar als een kind tussen de 12 en de 17 jaar duidelijk een voorkeur heeft, moet dat wel meegewogen kunnen worden. Ook voor jongere kinderen moet daartoe een mogelijkheid zijn. Het sociale netwerk van het gezin zou eveneens beter betrokken moeten worden bij een echtscheiding, zodat er een vangnet ontstaat van mensen die zich ontfermen over de kinderen. Laat alsjeblieft het belang van het kind meer centraal staan bij echtscheidingen.

De voorzitter: Dank u wel. Voordat we naar mevrouw Kooiman gaan luisteren, zeg ik tegen de mensen die wat later zijn binnengekomen dat we een spreektijd van vijf minuten hebben afgesproken en twee interrupties per fractie.

Mevrouw Kooiman (SP): Voorzitter. Als ik terugdenk aan mijn werk als gezinsvoogd, denk ik dat de «omgangs-lts», zoals vechtscheidingen genoemd worden, het meest moeilijke waren om te begeleiden. Ouders die ruziemaken ten koste van het kind, terwijl het kind zich altijd schuldig voelt en zich afvraagt: hé, ben ik soms de oorzaak dat papa en mama gaan scheiden? Dat was ontzettend lastig werk en ik ben heel erg blij dat de Kinderombudsman zo veel werk heeft gestoken in een rapport om te bezien hoe we dit kunnen verbeteren. Des te meer vind ik het jammer dat we van beide Staatssecretarissen een heel korte brief hebben ontvangen, terwijl de aanbevelingen in het rapport zo uitgebreid waren. Ik had het netjes gevonden als de Staatssecretarissen de aanbevelingen een voor een waren langsgegaan om te bezien of ze wel of niet overgenomen worden en zo ja, op welke manier. Daarom kan ik ze nu ook niet allemaal puntsgewijs langslopen, maar ben ik genoodzaakt om er maar twee uit te halen. Dat doe ik dan bij dezen.

Ik wil eigenlijk net als mijn voorgangster spreken over verplichte mediation. Ik gaf gisteren bij de Kinderombudsman al aan dat ik er een beetje retrogevoel bij kreeg. Toen ik ooit begon, in een stage bij Bureau Jeugdzorg in de vrijwillige hulpverlening, was er altijd een mediator van de Raad voor de Kinderbescherming. Die was gewoon in dienst van de Raad voor de Kinderbescherming, omdat daar de zaken binnenkwamen op het moment dat de Raad voor de Kinderbescherming advies moest geven. Het was logisch dat daar ook een mediator bij betrokken was, zodat een gang naar de rechter mogelijk voorkomen kon worden of in ieder geval niet zo zwaar werd. De reden dat zo'n mediator bij Bureau Jeugdzorg zat, in de vrijwillige tak van hulpverlening, was dat hij daar ook heel veel preventief werk kon doen. Het geniet dan ook mijn voorkeur dat het een hulpverlener is die werkzaam is bijvoorbeeld bij de Raad voor de Kinderbescherming of bij het Centrum voor Jeugd en Gezin, omdat het laatste laagdrempelig is en dicht bij de mensen zelf.

Mijn grote zorg zijn de kosten. Zoals ik al zei in een interruptie op mevrouw Ypma kost een mediator gemiddeld € 180 per uur. Ik heb maar geïnformeerd bij mediators die daarvoor bevoegd zijn en dat zijn de kosten die ik te horen kreeg. Ik denk dat de vroege inzet van een mediator uiteindelijk meer oplevert dan die kost, terwijl een omgangsregeling telkens opnieuw bespreken bij de rechter alleen maar geld kost. Ik wil echt pleiten voor de inzet van mediators. Nu hebben de advocaten van de vereniging van Familierechtadvocaten Scheidingsmediators (vFAS) een heel mooie brief aan de Kamer verzonden, waarin zij aangeven dat ze het eigenlijk vreemd vinden dat het telkens opnieuw procederen geld kost en dus eigenlijk een financieel voordeel voor hen is. Ze menen dat het eigenlijk veel logischer en humaner zou zijn, en ook in het belang van het kind veel beter, als er werd ingezet op het voorkomen van een rechtszaak of op een schikking. Blijkbaar hebben zij veel meer financieel voordeel van het telkens opnieuw procederen dan van het laten zien van enig oplossend vermogen. Ik spoor de bewindspersonen graag aan, in gesprek te gaan met de familierechtsadvocaten en de mediators om te bezien hoe we het stelsel met de huidige perverse prikkel kunnen doorbreken. Het lijkt me inderdaad logisch en veel humaner, ook voor het kind, om te bezien hoe we dat kunnen voorkomen. Dat zal een grote besparing opleveren en dat is ook wel mooi, want dan hoeven we ook geen eigen bijdrage te vragen voor de inzet van een mediator, zo lijkt mij. Dan is dat ook opgelost. Kijk, ik denk toch wel heel erg mooi mee, al zeg ik het zelf.

Voorzitter. Voor een bijzonder curator heeft de Kinderombudsman ook gepleit. Dat is eigenlijk een soort coach die naast het kind in de rechtszaak staat en die echt spreekt namens het kind. Dat lijkt mij heel erg fijn, want ik zie heel vaak in echtscheidingszaken dat het belang van het kind en de stem van het kind totaal verloren gaan, zelfs in ouderschapsplannen, terwijl het idee eigenlijk was dat het kind dan veel beter vertegenwoordigd zou zijn. Nu is dat al mogelijk, maar ik vraag met name aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie hoe dit verder gestimuleerd wordt en of het ook vaker ingezet zal worden. Ik denk namelijk dat het niet alleen in echtscheidingszaken, maar ook in jeugdzorgzaken vaker ingezet zou kunnen worden.

Ik weet dat de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bezig is, te bezien of er voor de gefinancierde rechtsbijstand gekeken kan worden naar het gezinsinkomen in plaats van naar het inkomen van de ouders apart. Ik snap dat op zich ook wel, omdat soms de ene partner de ander helemaal kapot kan procederen. Dat hebben we gisteren ook besproken met de Kinderombudsman. Ik ben heel erg bang dat het, als je naar het gezinsinkomen kijkt en niet naar dat van de personen apart, soms heel erg moeilijk is. Financiën zijn een grote bron van ruzie. Ik kan mij voorstellen dat de ene partner weigert om te betalen voor de ander en dat dit alleen nog meer wrevel brengt.

Dan ga ik nog in op het punt van gezag en erkenning. De fracties van de VVD en de SP hebben er in het verleden beide voor gepleit dat bij de geboorte van een kind ook de vader automatisch het gezag krijgt. Nu is het vaak zo dat een vader het kind eerst erkent en daarna het gezag moet aanvragen. Ik zie in heel veel gevallen dat een vader vergeet om het gezag aan te vragen. Dat kan leiden tot problemen, en mijn ervaring is dat het dat zeker in jeugdzorgzaken ook doet. Op een gegeven moment zijn de ouders uit elkaar en krijgt de vader ineens geen informatie meer over de voortgang van de hulpverlening. Dat leidt alleen maar tot meer wrevel en loopt soms echt totaal uit de hand. Het zou met het oog op gelijkwaardig ouderschap voor de hand liggen als er ook gekeken werd naar het per direct regelen van het gezag van de vader bij de geboorte van een kind. Misschien is dit juridisch heel erg lastig, maar ik stel het bij dezen toch nogmaals voor. Ik denk dat daar een breed draagvlak voor is in de Kamer.

Tot slot. De SP is altijd een groot voorstander geweest van het ouderschapsplan en ik vind het logisch dat we daar goed naar kijken en het goed evalueren. Ik kan me voorstellen dat de stem van het kind in de praktijk niet altijd goed wordt meegenomen bij het opstellen van het ouderschapsplan. De Kinderombudsman wees daar ook op. We moeten er goed naar kijken hoe dat uitwerkt in de praktijk. Ik wil van beide Staatssecretarissen graag weten hoe zij dit gaan evalueren en wanneer wij eventueel een evaluatie kunnen verwachten.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Voorzitter. De VVD-fractie is van mening dat de ouders er in beginsel verantwoordelijk voor zijn, te voorkomen dat het tot een vechtscheiding komt als het huwelijk uitloopt op een scheiding. Ouders die ervoor kiezen om niet samen verder te gaan, moeten zich realiseren wat dit voor hun kind kan betekenen. Dat kan heel veel zijn. Het kind misbruiken als inzet van de strijd is voor de VVD-fractie onacceptabel.

Dat brengt mij op het punt van het gelijkwaardig ouderschap na de echtscheiding. Juridisch gezien hebben beide ouders recht op een gelijkwaardig onderdeel van het ouderschap na de scheiding. Beide zijn ook verplicht, daaraan mee te werken. Mijn collega Foort van Oosten heeft daar bij de begrotingsbehandeling Veiligheid en Justitie al aandacht voor gevraagd. Wij zien in de opdracht aan de staatscommissie familierecht niet terug dat daarnaar gekeken zou worden, terwijl dat wel toegezegd is. Het is voor vaders heel erg belangrijk hoe dat in de praktijk vormgegeven wordt. Ik hoor van de Staatssecretaris graag een toezegging dat dit meegenomen wordt.

Dan kom ik bij de scheidingen en het onderwerp waar wij het vandaag over hebben.

80% van de ouders komt er zelf uit. Daar hoeven wij niets aan te doen. Deze ouders kunnen zelf een ouderschapsplan opstellen en de rechter dat laten bekrachtigen. Dat geldt voor 80% van de ouders met minderjarige kinderen, op wie ik mij vandaag wil concentreren. 20% lukt het niet. De VVD-fractie stelt voor om voor die 20% van de ouders verplichte mediation in te stellen, en wel één tot maximaal drie sessies. Sommige paren zijn er in één sessie uit, andere hebben er drie nodig. Als ze er na drie sessies niet uit zijn, stapt de mediator naar de rechter en zegt: deze mensen komen er niet uit, nu bent u aan zet. De rechter zou, wat ons betreft, een zogenaamde regierechter moeten worden, die in korte tijd alle aspecten van de echtscheiding met de ouders regelt, dus zowel de financiële kant als ook de omgangsregeling. Die rechter kan de ouders in de ogen kijken en afspraken maken over die omgangsregeling. Als het aan de VVD ligt, is de regierechter ook de rechter die vanaf dat moment de hele zaak volgt. Mochten de gemaakte afspraken over de omgangsregeling dan niet nagekomen worden, kan de rechter aan de voorkant duidelijk maken aan de ouders dat het niet nakomen of traineren van afspraken door één van beide partijen – wat nu een enorm grote bron is van vechtscheidingen – consequenties heeft. In het buitenland zijn er voorbeelden waarin dat heel duidelijk gebeurt. Een van de mogelijkheden is dat de omgangsregeling dan wordt omgebogen in de richting van de andere ouder. Ik hoor hier graag een reactie op van de Staatssecretaris. Eigenlijk wil de VVD-fractie de toezegging hebben dat heel serieus wordt bekeken of deze trits aan maatregelen ook in Nederland kan helpen om het aantal vechtscheidingen terug te brengen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Van mevrouw Ypma kreeg ik geen antwoord dus ik probeer het nog maar even bij mevrouw Van der Burg. Een gecertificeerde mediator mag zich ook tuchtrechtelijk niet lenen voor verplichte mediation. Dan zijn mensen dus eigenlijk overgeleverd aan beunhazen. Hoe denkt mevrouw Van der Burg dat te voorkomen?

Mevrouw Van der Burg (VVD): Wij zijn voor erkende mediators, laten we daar heel duidelijk over zijn. Mevrouw Berndsen heeft gelijk dat ouders die echt absoluut niet willen, waarschijnlijk direct naar de rechter moeten stappen. Dan kan echter de rechter, van wie wij willen dat hij regierechter wordt, de ouder die absoluut niet wil meewerken duidelijk maken dat dit misschien wel consequenties zal hebben. Je kunt de druk vergroten om ervoor te zorgen dat ouders met elkaar in gesprek gaan en de consequenties van hun gedrag overzien voor de kinderen. Wij zijn voorstander van de inzet van mediators, omdat die geschoold zijn om het conflict niet te vergroten, maar tot een vergelijk te komen. De advocatuur daarentegen moet optimaal de belangen van de cliënt behartigen. Dat zal eerder leiden – dit geldt niet voor alle advocaten – tot het vergroten van het conflict dan tot het verkleinen, en dat is niet in het belang van de minderjarige kinderen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Met die omschrijving ben ik het van harte eens, maar waarom gebruikt u dan de term «verplichte mediation»? Daarmee zet u mensen op het verkeerde been. Laten we niet het begrip «verplichte mediation» gebruiken, maar laten we kijken hoe we mensen kunnen voorbereiden op het vrijwillig aangaan van mediation. Daar zijn beproefde methodieken toe. Ik zal daar in mijn eigen bijdrage nog wel op ingaan.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Wat ons betreft, gaan ouders eerst naar de mediator om te voorkomen dat ze al met advocaten in dat conflict zitten en dat het conflict vergroot wordt. We moeten er alles aan doen wat mogelijk is, binnen de redelijkheid, om dat proces te bevorderen. Vandaar dat wij het begrip «verplichte mediation» gebruiken. Alle druk die kant op, om er eerst voor te zorgen dat je er met elkaar uitkomt en dat het conflict niet escaleert, omdat het ook nog over allerlei andere zaken gaat. Eerst proberen er samen uit te komen, in het belang van de minderjarige kinderen. Tegen mevrouw Berndsen wil ik ook nog zeggen dat in het buitenland blijkt dat deze methode werkt. Bijvoorbeeld in de Scandinavische landen leidt dit bij gelijke populatie tot ongeveer 50% minder vechtscheidingen. Moet u kijken wat dat voor een winst is, vooral voor de kinderen die er niets aan kunnen doen, maar er wel tussen zitten.

Mevrouw Keijzer (CDA): Ik ben op zoek naar hoe dit in de praktijk zou werken. Ik heb er gisteren al over gelezen en vind het op zich een interessant voorstel. Als ik het goed begrijp, zegt de VVD dat dit alleen voor de 15% van de gevallen geldt die bij de rechter komen omdat ze het niet eens worden over de scheiding. Dan is er al sprake van een advocaat. Hoe gaat dit dan in de praktijk werken? Een laatste opmerking: ik ben het met mevrouw Berndsen eens dat mediation verplichtstellen helemaal niet kan. Dat los je volgens mij eenvoudig op door het een verplichte doorverwijzing te noemen. Dan gaat de mediator zelf wel in gesprek met ze over de vraag of men daar vrijwillig zit om eruit te komen.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Het punt is dat er volgens de wet een ouderschapsplan moet komen. Dat zie ik ook als het haakje. Daarom vroeg ik ook aan de Staatssecretaris of hij wilde toezeggen om heel serieus te kijken naar deze trits en of hij daarop wilde terugkomen. Er moet natuurlijk nog wat uitzoekwerk gedaan worden om dit in het Nederlandse systeem in te voeren. Als je een ouderschapsplan moet presenteren bij de rechter om je scheiding geëffectueerd te krijgen, dan is te zien of dat ouderschapsplan goed ingevuld is. Op dat moment kan de rechter ouders die dat niet op een goede manier hebben ingevuld, geleiden naar mediation. Dat lijkt mij een goede praktische oplossing, net zo goed als u met een praktische oplossing op het andere punt kwam.

Mevrouw Keijzer (CDA): Dat is goed. Dank voor de toelichting. Maar dan zijn er dus al advocaten in het spel. Ik ben hier zo precies in, omdat een echtscheiding voor mensen al buitengewoon ingewikkeld is. Heel veel mensen bellen dan automatisch een advocaat. Ik denk dat we dat met elkaar moeten vaststellen en vervolgens kijken, hoe je kunt voorkomen dat mensen in een vechtscheiding terechtkomen. Dat we dat moeten voorkomen, deelt de fractie van het CDA volledig.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Volgens mij kunnen wij het hier wel over eens worden. Ik verzoek de Staatssecretaris om een toezegging dat hij heel serieus naar deze trits zal kijken. Uit het buitenland blijkt namelijk dat dit werkt. De VVD-fractie vindt ook de sancties een heel belangrijk aspect bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken door een van de ouders, vaak de zorgende ouder. Het kan immers niet zo zijn dat een rechterlijke uitspraak voor een van de ouders niet geldt, terwijl die bij de andere ouder in Nederland wel heel hard toegepast wordt. De feitelijkheid is vaak dat die bij de vader wel heel hard wordt toegepast en bij de moeder niet. Graag hoor ik daarop een reactie.

Ik kom ook nog even op de perverse prikkels bij de rechtsbijstand. Mijn collega Kooiman kwam daar ook al mee. Ook ik wil daar graag een reactie van de Staatssecretaris op, want ik vind het buitengewoon cynisch dat je, op het moment dat je een op tegenspraak gebaseerde procedure start, geen korting krijgt op de vergoeding voor rechtsbijstand, terwijl je wel korting krijgt op een procedure waarin je juist probeert om tot een oplossing te komen. Volgens de vereniging van Familierechtadvocaten en Scheidingsmediators vFAS kost het tweede veel meer werk. Ik denk dat de Staatssecretaris die rechtsbijstandsregeling toch eens goed op perverse prikkels tegen het licht moet houden. Graag een toezegging daarop.

Wat de bijzondere curator betreft, sluit ik mij aan bij de uitspraak dat dit een belangrijk punt is in die gevallen waarin een kind echt in de knel komt.

Ik wil ook nog een punt maken ten aanzien van jeugdzorg. Jeugdzorg zegt nu: als het tot een echtscheiding komt, doen wij in sommige gevallen helemaal niets; die ouders zijn immers in conflict, we kijken niet of de beschuldigingen van kindermishandeling of seksueel misbruik van de ene ouder aan de andere ouder een probleem zijn; we zeggen slechts dat het een vechtscheiding is en dat wij daar daarom niet in gaan treden, of we kiezen op basis van meningen één van de twee kanten. Dat gebeurt ook. Om te de-escaleren wil ik graag de toezegging hebben dat in gevallen waarin een dergelijke beschuldiging wordt geuit, direct forensisch-medische expertise wordt ingezet voor kinderen om te bezien of die beschuldiging terecht is. Dan is die zaak gelijk uit de wereld en we kunnen dat punt weghalen, of de beschuldiging wordt bevestigd en in dat geval is er natuurlijk een andere situatie ontstaan en hebben we de normale rechtsmiddelen ter beschikking die daarbij horen. Graag hoor ik een toezegging dat we zaken op feiten baseren en niet op meningen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Voorzitter. Echtscheidingen waarbij ouders vooral bezig zijn om elkaar een hak te zetten en zich ten koste van elkaar en hun kinderen te profileren, zijn een groot probleem. Een voortdurende ouderlijke ruzie blijkt de grootste risicofactor voor de ontwikkeling van een kind te zijn bij een echtscheiding. Ze kunnen last krijgen van schuldgevoel, angsten en loyaliteitsproblemen. Op langere termijn kan een vechtscheiding leiden tot het slechts moeizaam kunnen hechten aan anderen, of tot moeite met het aangaan van relaties. We moeten dus voorkomen dat een echtscheiding ontspoort. Waar het belang van het kind in het gedrang dreigt te komen, moeten we zo snel en goed mogelijk hulp bieden. Toch past de overheid bescheidenheid. Zij kan het probleem niet helemaal oplossen. Veel factoren liggen buiten het bereik van overheidsinstanties. Het zijn toch echt de ouders die hun verantwoordelijkheid moeten nemen, waar nodig of noodzakelijk met ondersteuning door professionals, zorgverleners, mediators enzovoorts.

D66 is niet voor een verplichte mediation. Wij achten het belangrijk om te investeren in het komen tot vrijwillige mediation. Dat kan. Er is een systematiek waarbij aan kinderen onder professionele begeleiding wordt gevraagd om zich te uiten, bijvoorbeeld door middel van tekeningen of gesprekken. Daar wordt een film van gemaakt en die wordt aan de ouders getoond. Dat lijkt mij heel erg belangrijk voor de bewustwording. Aangetoond is dat ouders wanneer ze die film onder begeleiding gaan bekijken, de emotionele impact onder ogen zien en daarna ontstaat de bereidheid om tot vrijwillige mediation te komen. Mijn fractie acht dit een betere systematiek dan iets verplichtstellen.

Wat is een vechtscheiding? De definities die bestaan, rekenen het aantal vechtscheidingen uit aan de hand van bijvoorbeeld de hoeveelheid eenzijdige scheidingsverzoeken op tegenspraak. Dat neemt de ervaring van het kind niet mee. Denken de Staatssecretarissen dat het meer meenemen van de ervaringen van het kind het inzicht in vechtscheidingen kan verbeteren? Graag hoor ik daarop een reactie. Wat voor effect hebben alle plannen? Als dat eenmaal helder is, kunnen we ook beter onderzoeken of het gevoerde beleid effectief is. Voor de toegezegde terugkoppeling over de voortgang van het uitvoeringsplan ben ik benieuwd hoe de verbetering van de positie van kinderen in een vechtscheiding gemeten gaat worden. Kunnen de Staatssecretarissen daar nader op ingaan?

Sinds 2009 is het verplicht om een ouderschapsplan op te stellen en gelijkwaardig ouderschap is na een echtscheiding het uitgangspunt. Het WODC trekt nog geen harde conclusies over de effectiviteit, maar er leven bij betrokkenen veel twijfels. Zij zien dat het te vaak over regeltjes en procedures gaat en dat er te weinig aandacht is voor kwalitatieve afspraken over opvoeding, communicatie en meewegen van de mening van het kind. Die focus zou er wel moeten zijn. Kunnen de Staatssecretarissen toezeggen dat zij met brancheorganisaties gaan regelen dat het ouderschapsplan meer inhoudelijk wordt ingevuld?

Signalering en preventie zijn belangrijk. Jeugdzorgprofessionals moeten over de juiste middelen en kennis beschikken om vroegtijdig problemen bij een echtscheiding te kunnen signaleren en daarna ondersteuning te kunnen bieden. Goede scholing is hierbij van groot belang. Daarbij moeten we niet alleen voorkomen dat we signalen over het hoofd zien, maar ook dat we onterecht signaleren. Anders bestaat het risico dat goede bedoelingen het echtscheidingsproces juist schaden. Kunnen de Staatssecretarissen aangeven wanneer de richtlijn scheiding en problemen van kinderen klaar zal zijn en in werking kan treden?

Voorzitter, ik weet niet hoeveel tijd ik nog heb.

De voorzitter: U hebt nog twee minuten.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): O, dan kom ik een heel eind.

Ik kom op de betere begeleiding van kinderen. In het gehele proces moeten wij ons goed bewust zijn van de kwetsbaarheid van veel kinderen. De Raad voor de rechtspraak overweegt een pilot voor de inzet van zorgprofessionals in plaats van advocaten en mediators, dit om meer met en vanuit het kind te werken. Dat lijkt D66 een goed uitgangspunt. Wat is de reden dat er twijfels bestaan aan deze pilot? Zijn er mogelijkheden om die pilot na een initiële fase bij succes snel verder uit te rollen?

Een nieuwe rol voor de rechter. Ook bij de rechter lopen enkele veelbelovende projecten. Zo blijkt een actief vragende rechter, die de ouders stap voor stap meeneemt langs de feiten, de problemen, de doelen en de mogelijke conclusies, een goede manier van werken voor een grote groep ouders te zijn. Ook de pilot met een vaste rechter die alle aan de echtscheiding gerelateerde rechtszaken behandelt, blijkt te kunnen bijdragen aan het vermijden of stoppen van vechtscheidingen. Ziet de Staatssecretaris mogelijkheden voor een bredere toepassing van deze experimenten?

Tot slot vraag ik de Staatssecretarissen inzake de decentralisaties of zij er zicht op hebben of alle gemeenten de echtscheidingsproblematiek specifiek opnemen in het zorgaanbod dat zij aanbesteden. Ook de Kinderombudsman gaf in zijn rapport namelijk aan dat dit van belang is.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. Een scheiding verandert je toekomst. Het verandert wie je bent. Dat zei een jongeman met gescheiden ouders ruim een jaar geleden voor de camera's van het Jeugdjournaal. De cijfers liegen er niet om. Elk jaar scheiden er ongeveer 70.000 ouderparen met minderjarige kinderen. Jaarlijks zijn dat ongeveer 55.000 kinderen, en van die 55.000 kinderen zitten er op dit moment 16.000 in de problemen, in een vechtscheiding. De Kamer spreekt hier dus terecht over, met alle beperkingen erbij, dat zeg ook ik van de ChristenUnie. Dat het tot een vechtscheiding komt, ligt in eerste instantie aan de mensen zelf. Omdat er echter kinderen bij betrokken zijn, vindt de ChristenUnie dat de overheid daar een ondersteunende en beschermende rol in zou kunnen vervullen.

Het gaat vandaag over vechtscheidingen, en terecht, gezien de serieuze problemen. Ik zal later in mijn bijdrage ook ingaan op en vragen stellen over de preventie, dus het voortraject voordat er een echtscheiding plaatsvindt. In eerste instantie reageer ik op de brief van de Staatssecretarissen. Ze schrijven dat de advocatuur en mediators zich gaan richten op een betere onderlinge overeenstemming. Ik zie nog meer voorstellen van de Staatssecretarissen. Het moet echter allemaal nog worden uitgewerkt. De pilots rondom de transitie naar de gemeenten en het gemeentelijke traject moeten worden uitgewerkt. Wachten we de resultaten daarvan af? De Staatssecretarissen zeggen dat ook verder onderzoek naar het co-ouderschap nodig is. Zijn de Staatssecretarissen bereid om in dat onderzoek ook te laten kijken naar de effectiviteit van preventie? Ik kom daar later nog op terug.

Ik kom op de trieste gebeurtenissen in Zeist, waarvan de conclusie was dat de hulpverlening zich eerder had moeten positioneren. De vraag daarbij is welke rol het Centrum voor Jeugd en Gezin bij die eerdere signalering zou kunnen spelen. De Staatssecretaris zou ook met het Lorentzhuis nagaan over welke competenties de professionals zouden moeten beschikken. Wat gaat hij vervolgens doen met die conclusie? Er zijn veel voornemens, pilots, onderzoeken, maar echt concrete maatregelen wachten we nog af. Ik begrijp dat het kabinet zorgvuldig te werk wil gaan, maar we hebben ook het rapport van de Kinderombudsman gezien met negen aanbevelingen. We hebben net een briefje mogen ontvangen, waarin beide Staatssecretarissen ingaan op twee elementen. Ik begrijp dat er onduidelijkheid was rondom het vooraf ontvangen van die brief door de Kamer, maar ik zou het op prijs stellen als beide Staatssecretarissen willen ingaan op die negen aanbevelingen.

Ik zal dat heel kort doen. Met betrekking tot de verplichte mediation in een vroeg stadium ben ik het niet eens met de Kinderombudsman dat dit meteen aan het begin zou moeten. Uit andere hoorzittingen die we zelf hebben georganiseerd, maar ook op het congres van de Stichting Passage anderhalve week geleden heb ik begrepen dat 80% van de echtscheidingen zonder problemen verloopt, relatief gezien. Verplichte mediation op het moment dat er een vechtscheiding dreigt, zou een geschikt middel kunnen zijn. Wij steunen dat dus in de vorm die PvdA en VVD hier hebben aangedragen.

Ik vraag een reactie op de aanbevelingen inzake de scheidingseducatie. Hoe zien de Staatssecretarissen die in zijn werk gaan? Het voorstel van de Kinderombudsman met betrekking tot de professionalisering van de bijzondere curator vinden wij prima. Ik zie ook dat de leden van het kabinet daar positief op reageren. Wat de regierechter betreft, is al een pilot gestart en er komt een tweede pilot aan. Wij zouden er groot voorstander van zijn dat één rechter de hele zaak gaat behandelen, wat naar ik begreep de situatie is in Duitsland.

Op mijn laatste punt ben ik ook gewezen op het reeds genoemde congres. Als er een omgangsregeling is afgesproken en een van de ouders houdt zich daar niet aan, wat zijn dan de sancties? Ik kreeg te horen dat die sancties er mogelijk wel op papier bestaan, maar heel weinig worden uitgevoerd, mogelijk ook in het belang van het kind. De vraag is echter wel of de ontbinding, het verliezen van het contact met één ouder indien de andere ouder weigert om een omgangsregeling te treffen, wel in het belang van het kind is, zeker als de situatie langere tijd voortduurt. Ik dring er toch op aan om naar die sancties te kijken en om te bezien of je, zoals ook mevrouw Van der Burg aandroeg, moet dreigen met het omkeren van de omgangsregeling. Dan kun je bezien of het contact met de vader – in de meeste gevallen is het de vader – uiteindelijk weer tot stand komt.

Dan kijk ik nog even naar het voortraject.

De voorzitter: U bent door uw tijd heen. Ik vraag u om in drie zinnen af te sluiten.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Ik wil de Staatssecretarissen en ook de collega's de belangrijkste aanbeveling aanbieden die is voortgekomen uit de hoorzittingen die wij hebben gehouden. Die aanbeveling is om te bezien of het niet toch verstandig is om de relatietherapie, die in 2010 uit het basispakket is gehaald, terug te plaatsen in het basispakket, gezien het feit dat het meer oplevert dan het kost. Graag hoor ik daarop een reactie van de Staatssecretarissen. Het verzoek is om er serieus naar te kijken of dat weer tot de mogelijkheden kan gaan behoren, aangezien er nog steeds zo veel kinderen betrokken zijn bij echtscheidingen. Als de bode dat wil faciliteren, bied ik bij dezen ons rapport aan de Staatssecretarissen aan en aan de collega's.

De voorzitter: Dan is er ook nog een interruptie van mevrouw Ypma en van de heer Van der Staaij.

Mevrouw Ypma (PvdA): Ik help een collega graag aan meer tijd door een interruptie te plegen. Natuurlijk willen we graag preventief werken. De Partij van de Arbeid gaf ook aan dat we daarin een rol zien voor het Centrum voor Jeugd en Gezin. Mensen kunnen nu bij een echtscheiding ook vijf gesprekken krijgen met maatschappelijk werk. Ik ben echter heel erg benieuwd wat het plannetje van de ChristenUnie gaat kosten. Is dat al doorgerekend? Ik ben ook heel erg benieuwd wat de heer Rouvoet, een partijgenoot van de heer Voordewind, van dit plannetje vindt.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Dat is heel aardig. Ik zou hem even moeten bellen om dat te vragen, want hij zit niet meer in de politiek. Hij zit ergens anders. Ik ga hier over de politiek. We hebben gezamenlijk met verschillende instanties het manifest opgesteld. De Universiteit Utrecht is daar bijvoorbeeld bij betrokken, maar ook de koepel van relatietherapeuten. Zij zeggen mij dat er een daling is geconstateerd nadat relatietherapie uit het zorgpakket is gehaald. Dat hebben we eerder net zo gezien bij de diëtisten. Die zijn in 2010 ook uit het zorgpakket van de basisverzekering gehaald. Vervolgens waren er grote zorgen over de daling in het gebruik dat gemaakt werd van diëtisten, waarop het weer is teruggeplaatst in het basiszorgpakket. Onderzoeken wijzen uit dat 70% baat hebben bij relatietherapie en verbeteringen zien in hun relatie, waardoor het aantal echtscheidingen kan worden verminderd. Natuurlijk zou je het kunnen beperken tot gecertificeerde relatietherapeuten. Dan beperk je je binnen het woud aan therapeuten tot echt professionele hulp. Onze conclusie is in ieder geval dat het meer oplevert dan dat het kost.

De voorzitter: Graag iets korter, ook in de beantwoording.

Mevrouw Ypma (PvdA): De PvdA-fractie zou het geld graag zo goed mogelijk besteden. Je hebt maar een beperkt budget. Is de ChristenUnie van mening dat alle premiebetalers in Nederland zouden moeten meebetalen aan de relatietherapie van een aantal mensen die gaan scheiden? Is de ChristenUnie van plan om dat mee te nemen in de pakketdiscussie die in juni zal plaatsvinden?

De heer Voordewind (ChristenUnie): Het mooie aan het pakket dat we nu hebben, is dat het solidariteit in zich heeft. De Partij van de Arbeid is daar ook altijd een voorstander van geweest. Alleen op die manier kun je het betaalbaar houden, ook voor de lagere inkomens. Je ziet nu al een daling in het gebruik van relatietherapeuten. Wat het kost is één van de overwegingen. De kosten vormen een drempel om er gebruik van te maken. Er zijn nu al berekeningen van de totale maatschappelijke schade die minder gebruik ervan zal veroorzaken. Ik heb het over uitkeringen, over huursubsidies die worden aangevraagd et cetera. Die schade is berekend op 2,3 miljard. Als je wilt voorkomen dat we allemaal aanspraak maken op die zorgverzekering op het moment dat het fout gaat, dan zal die zorgverzekering alleen maar duurder worden als die kosten verder oplopen. Het is dus een preventieve maatregel, die haar kosten op den duur zal uitsparen.

De heer Van der Staaij (SGP): Ik ben het helemaal eens met mijn voorganger dat we juist ook preventief moeten bezien hoe je relaties kunt versterken en relatieproblemen vroegtijdig en laagdrempelig kunt aanpakken. Ik heb de voorstellen nog niet helemaal kunnen bestuderen, maar hoe kijkt de heer Voordewind aan tegen de eHealth-programma's waarmee ook in Engeland de nodige ervaring is opgedaan?

De heer Voordewind (ChristenUnie): Ik dank collega Van der Staaij voor deze vraag. Een van onze voorstellen is om te kijken naar eHealth-programma's, die inderdaad in Engeland heel goede scores halen. De ervaring leert wel dat eHealth heel goed zou kunnen zijn ná relatietherapie. Het is dus verstandig om eerst een aantal uren face-to-face relatietherapie te hebben. Ook voor het welslagen van die relatietherapie is het echter heel belangrijk dat er een follow-up plaatsvindt. Het eHealth-systeem kan dan juist de aanvullende werking hebben dat het de eerder bereikte resultaten duurzaam maakt. Het kan elkaar heel goed versterken.

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. «Wij voelen ons verscheurd tussen twee mensen van wie we zo veel houden». Ik citeer. Dat is de ruwe schets van een scheiding door de scheidingskinderen van Villa Pinedo. Een scheiding is hartverscheurend en heeft zo veel invloed op het leven van scheidingskinderen dat het niet verbazingwekkend is dat zij op allerlei terreinen vaker problemen hebben. Een scheiding pakt over het algemeen eerder negatief dan positief uit. Dat wordt inmiddels breed erkend en wordt uitgebreid beschreven in allerlei wetenschappelijke rapporten. Dat signaal moet de samenleving en de overheid in beweging brengen.

In de brieven waar wij vandaag over spreken en in de discussie die we nu met elkaar voeren, gaat het over de problemen als gevolg van vechtscheidingen, van problematische scheidingen. Dat is ook wel logisch, want in die gevallen zijn de problemen natuurlijk ook het grootst. Aan de andere kant zeggen de scheidingskinderen: ook al lijkt het allemaal gladjes te verlopen, dan is het voor ons evengoed diep ingrijpend. Zij zeggen ook dat wij moeten beginnen met het voorkomen van problemen, vanaf het begin. Er moet een actieplan «Vechten voor je relatie» komen. Dat is eigenlijk het eerste waar we nu behoefte aan hebben. Dat is niet iets wat de overheid met één druk op de knop voor elkaar kan krijgen, maar het is wel een belangrijke maatschappelijke opgave, juist vanuit het belang van kinderen geredeneerd. Voor de SGP is de vraag dan ook niet alleen hoe je voorkomt dat een echtscheiding uitloopt in een vechtscheiding. Dat is een heel belangrijke vraag waar we vandaag terecht met elkaar over spreken. Het is ook de vraag hoe we voorkomen dat relaties spaaklopen. Dat is ook een maatschappelijke opgave. Deelt het kabinet dat startpunt?

In het uitvoeringsplan wordt veel aandacht besteed aan voorlichting. Ouders zouden meer informatie moeten krijgen over de gevolgen van een scheiding voor hun kinderen wanneer ze de scheiding regelen. Ook ondersteunt het kabinet experimenten in gemeenten met betrekking tot zorgaanbod dat vechtscheidingen moet voorkomen. Prima. Kan het kabinet echter ook uitleggen welke inspanningen er worden verricht om relaties te versterken en de voorlichting over de gevolgen van echtscheiding te verbeteren, voordat er sprake is van een scheiding? Hoe wordt er gewerkt aan een betere beschikbaarheid van programma's voor relatieondersteuning, waaronder eHealth? Dat is het punt waar ik het net met collega Voordwind over had.

Het huidige systeem laat toe en bevordert dat een echtscheiding een juridisch gevecht wordt. Door veel betrokkenen wordt dit terecht als een probleem gezien. Als minderjarige kinderen in het geding zijn, is dat des te funester. De SGP steunt daarom het voorstel om mediation verplicht te stellen. Ik vind dat echt een goede gedachte. Wij steunen het voorstel daartoe dat door de PvdA en de VVD is geformuleerd. We zijn benieuwd naar de reactie van het kabinet op de financieringsmogelijkheden hiervoor. Ik heb ook nog even nadrukkelijk gekeken naar het punt dat mevrouw Berndsen inbracht: is «verplichte mediation» niet een soort contradictio in terminis? Ik vind dat echt de oude school van de mediation. Er zijn nog een aantal mediators die zo denken, maar als je kijkt naar de ontwikkeling op het gebied van mediation en naar overweging 14 van de Europese mediationrichtlijn, dan staat daar: nationale wetgeving die het gebruik van bemiddeling/mediation verplicht stelt dan wel met stimulansen of sancties bevordert, wordt door deze wetgeving geheel onverlet gelaten, als partijen maar niet de toegang tot de rechter belet wordt. Dat kan niet, dus dat is een grens, maar anders is daar niets op tegen. Dat blijkt ook uit de ervaring in andere landen. In Italië bijvoorbeeld hebben de advocaten geprocedeerd, want die zagen ook een inkomensachteruitgang op zich afkomen. Het is logisch dat de advocaten daar niet zo blij mee zijn, maar er is ook gezegd dat het geen probleem is, het verplicht te stellen.

Tot slot. Het uitvoeringsplan benoemt terecht dat er veel verwarring bestaat over de verschillende vormen van ouderschap na scheiding. We hebben ook een aantal rapporten gezien over het ouderschapsplan. Het is heel goed dat grondig wordt onderzocht niet alleen wat de voordelen daarvan zijn, maar ook hoe het in de praktijk onbedoeld juridiserend kan werken, wat we juist niet wilden. Ik zit ook nog met het punt van het gelijkwaardig ouderschap, het co-ouderschap en de vraag in hoeverre de manier waarop dat nu in de wet is vormgegeven, leidt tot juridische strijd, waarbij de rechten van de ouders centraler komen te staan dan de behoeften van het kind en de continuïteit in de opvoedomgeving. Vanuit de praktijk horen wij dat mensen het uitgangspunt op basis waarvan het is vormgegeven wel begrijpen, maar is het altijd in het belang van de kinderen? Graag hoor ik tot slot ook nog een reflectie van het kabinet op dat punt.

Mevrouw Keijzer (CDA): Voorzitter. Scheiden doet lijden, laten we dat met elkaar vaststellen. Het is natuurlijk een uitspraak die niet altijd op prijs gesteld wordt in het emotionele mijnenveld dat een echtscheiding vaak is, maar het is wel zo. Dat lijden is aanwezig in de effecten op vrienden en familie, maar zeker ook in de effecten op kinderen. Daar is onderzoek naar gedaan. Uit dat onderzoek blijkt dat scheidingskinderen het slechter doen op school en dat zij gedragsproblemen ervaren als zij te maken hebben met een echtscheiding. Desalniettemin is er soms in bepaalde situaties geen andere oplossing dan overgaan tot een echtscheiding. Dan doen in Nederland de meeste ouders het goed. Ze doen hun uiterste best, ongeacht alle emoties van verdriet en verlies die gepaard gaan met een echtscheiding, om de best mogelijke afspraken te maken, zeker ook in relatie tot hun kinderen.

In 15% van de gevallen komen ze er niet zelf uit. Dan komen ze bij een rechter terecht, waarbij er op tegenspraak een besluit genomen moet worden. Op dat moment, en alleen op dat moment, kan verplichte mediation een optie zijn, wat de CDA-fractie betreft. Voor de CDA-fractie is het allergrootste belang daarvan om het bij de ouders tussen de oren te krijgen dat die nadelige effecten voor de kinderen er zijn en om daar met name op in te gaan. Vaak zijn de kinderen de enige verbindende factor die rest op het moment dat er sprake is van een echtscheiding. Ik hoor graag van de Staatssecretarissen hoe die functie een goede plek kan krijgen in het gehele echtscheidingsproces. Er wordt ook weleens gesproken over echtscheidingseducatie.

Er zitten heel goede zaken in de aanbevelingen en in het uitvoeringsplan dat de Staatssecretarissen aan de Kamer hebben doen toekomen. De regierechter is, wat de CDA-fractie betreft, daar zeker een van. Voorkom dat mensen bij verschillende rechters terechtkomen die ook niet weten wat er aan de hand is, waardoor er soms een soort shoppen kan ontstaan. Dat vindt de CDA-fractie echt een heel erg goed voorstel. Wat de CDA-fractie echter mist in het hele verhaal, is de zogenaamde forensische mediation. In het reces heb ik mij daar eens in verdiept en met wat mensen gesproken die daarin werkzaam zijn. Ik denk echt dat de pilots die er op dat gebied geweest zijn, doorgezet moeten worden. Wat is forensische mediation? Die speelt aan het eind van het hele verhaal, wanneer mensen in een vechtscheiding terechtgekomen zijn. Laten we één ding hier met elkaar vaststellen: alle goede ideeën en voorstellen ten spijt zullen er altijd mensen zijn die met elkaar het gevecht aangaan. Dan is wat forensische mediation of ouderschapsonderzoek wordt genoemd, echt een heel goed instrument. Mensen moeten met elkaar aan tafel en we weten dat de professional die daar dan zit, een aanbeveling mag doen aan de rechter, die de rechter meestal ook zal opvolgen. Ik ben ervan overtuigd dat het op een gegeven moment kan helpen om tegen mensen te zeggen: en nu is het afgelopen, nu gaat u zich gedragen en doet u dat niet, dan zal er een besluit over u genomen worden. De kosten daarvan wil ik graag weten. Mij is verteld dat het landelijk bij 5.000 kinderen – dat is 10% van de kinderen die te maken krijgen met een echtscheiding – ongeveer gaat over 1 miljoen euro. Er zijn dagen dat ik dat niet op zak heb, maar ik weet ook wel dat het in de begroting van de twee Staatssecretarissen een vlekje is. Ik hoor graag hoe dat zit en of dat een oplossing kan zijn.

Als laatste nog dit. Te vaak bereiken ons berichten over mensen die zich niet houden aan omgangsregelingen. Laten we man en paard noemen: heel vaak zijn de vaders daar de dupe van. Wordt het niet eens tijd om daartegen op te treden? Vanuit mijn eigen praktijk als advocaat en mediator weet ik hoe lastig dat is. Er zijn wel instrumenten, maar als je dit aanpakt, weet je dat dat ook nadelig kan zijn voor de kinderen. Desalniettemin, wat weegt op een gegeven moment het zwaarst? Kinderen die verscheurd worden door hun ouders? Kinderen die uiteindelijk hun vader niet meer zien? Of moet de overheid dan toch optreden? Wat de CDA-fractie betreft, heeft uiteindelijk, alles afwegend, het laatste de voorkeur.

De vergadering wordt geschorst van 10.57 tot 11.12 uur.

De voorzitter: Ik geef eerst het woord aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en vervolgens aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Staatssecretaris Teeven: Voorzitter, dank. Dank ook aan uw Kamer dat mijn collega en ik zijn uitgenodigd om met de Kamer te spreken over vechtscheidingen. Het is goed dat de commissie ruimte maakt voor een separaat overleg over dit belangrijke onderwerp. Er zijn door een aantal leden onderwerpen aan de orde gesteld die morgen onderwerp zullen zijn van een algemeen overleg met uw Kamer. Daar zullen we sporadisch op wijzen, met name wat het forensisch onderzoek betreft waar bijvoorbeeld mevrouw Van der Burg over sprak. Zij zit natuurlijk ook morgen in de discussie.

Jaarlijks maken ongeveer 55.000 kinderen de scheiding van hun ouders mee. Het overgrote deel komt daar zelf in uit. Daar ligt helemaal geen rol voor de overheid en zo'n rol moeten we daarin ook niet willen. De schattingen lopen een beetje uiteen, maar in naar schatting 10% van de gevallen verloopt de scheiding problematisch. Daar ondervinden kinderen schade van, en een weer wat kleinere groep heeft daar nog meer schade van.

De belangrijkste rol in het beginnen en ook weer beëindigen van vechtscheidingen spelen de ouders zelf. Die moeten we zeker niet vergeten. Alleen de ouders kunnen er uiteindelijk voor zorgen dat een vechtscheiding stopt. De overheid en andere instanties kunnen er zo veel mogelijk aan doen. Zij hebben daar ook een rol in, maar over de grootte en de invloed van die rol kun je verschillend denken. Uiteindelijk zijn er maar twee partijen die een vechtscheiding kunnen stoppen, namelijk de beide ouders zelf. De Inspectie Jeugdzorg heeft dat ook geschreven in het rapport dat is opgesteld na het overlijden van de twee broers in Zeist. We moeten bescheiden zijn, want er is een heel samenspel van factoren die een rol spelen bij een vechtscheiding, waarop professionals simpelweg geen invloed hebben. Het begint bijvoorbeeld al met de vraag hoe we het moment van de start van een vechtscheiding herkennen. Een paar leden hebben die vraag al aangekaart. Wat is precies het moment waarop zo'n scheiding zich ontwikkelt tot een vechtscheiding? Dat is een van de moeilijke vragen.

Scheidingen zijn ook uitermate complex. Er komen veel lastige factoren bij elkaar. Een groot aantal daarvan is vanuit de Kamer geschetst. Er is niet één oplossing. Er is een aantal zaken dat kan bijdragen. Ik zal daar straks per omstandigheid op ingaan, maar er is niet één oplossing te bedenken die ons van dit probleem afhelpt.

Direct bij de beslissing om te gaan scheiden moeten ouders zich eigenlijk afvragen hoe zij de schade voor de kinderen kunnen beperken. Ook al scheiden zij als partners, ze blijven toch opvoeders en ze delen ook de verantwoordelijkheid voor de kinderen. Een scheiding is altijd een belasting voor kinderen, maar hoe schadelijk de scheiding voor kinderen is, hangt vaak van de ouders af, eigenlijk bijna altijd. De term vechtscheiding is relatief nieuw, maar de problematiek is dat niet. Tien jaar geleden hadden de problemen in omgangszaken ook al de aandacht van de toenmalige Minister van Justitie Donner. Hij heeft ook diverse stappen gezet om de echtscheidingsprocedure te verbeteren. Ook toenmalig Minister Rouvoet, die hier al even aan de orde kwam in een interruptiedebatje tussen mevrouw Ypma en de heer Voordewind, heeft zich in het vierde kabinet Balkenende behoorlijk ingezet voor het belang van de ondersteuning van gezinnen.

Diverse partijen werken samen bij het signaleren en bij het beperken van de schade. De Kinderombudsman heeft een uitgebreid rapport geschreven over vechtscheidingen. We danken de Kinderombudsman ook voor zijn betrokkenheid bij dit onderwerp en voor zijn adviezen. Wij hebben allemaal hetzelfde doel voor ogen. Het lijkt me belangrijk om dat te constateren: het belang van de kinderen bij een scheiding moet vooropgesteld.

Wij hebben het uitvoeringsplan gepresenteerd. De heer Voordewind is uitvoerig ingegaan op een aantal concrete acties. We hebben ook een aantal doelen benoemd die daadwerkelijk zouden moeten leiden tot verbetering van de positie van kinderen in een vechtscheiding. Ik heb het even niet over het financiële plaatje, maar over de doelen die zijn benoemd en waarover een grote mate van overeenstemming bestaat.

Voorzitter. Als u me toestaat wil ik nu ingaan op een aantal onderwerpen die als een rode draad door dit overleg heen lopen. Ik zal ze een voor een afgaan, beginnend met de verplichte mediator, eigenlijk een onderwerp dat alle woordvoerders hebben aangekaart. Het is inderdaad zo dat in 80% van de zaken partners met behulp van een deskundige familierechtadvocaat of een mediator tot een goede regeling komen. Ik zei het al: het is lastig om op voorhand te zeggen welke scheidingen problematisch gaan verlopen en welke niet. Er zijn genoeg voorbeelden van partners die bij de aanvang van hun scheiding voor mediation kiezen en uiteindelijk toch terechtkomen in een reeks van procedures bij de rechter om hun recht te halen. Het omgekeerde komt echter ook voor. Er zijn – gelukkig, zou ik bijna zeggen – ook partners die elkaar aanvankelijk geen millimeter gunnen, maar uiteindelijk toch in goed overleg tot een duurzame regeling van hun scheiding komen.

Ik ben er op zich geen tegenstander van, mensen te dringen of te dwingen om naar een mediator te gaan, maar ik zou het niet ongericht willen laten gelden voor iedereen en voorafgaand aan de gang naar de rechter. Dat is niet effectief. Dan schiet je echt je doel voorbij. Heel veel mensen kunnen het gewoon zelf regelen. Die moet je niet naar een mediator sturen. Het is immers ook kostbaar. We hebben uitgerekend wat de kosten zijn van een verplichte mediation voor iedereen. Dan komen we op zo'n 17 tot 18 miljoen. Dat bedrag heeft het Rijk op dit moment doodeenvoudig niet. De gesubsidieerde rechtsbijstand staat op dit moment bij het kabinet op de lat met een taakstelling van 85 miljoen. Mevrouw Kooiman sprak daar al over. Daar kun je niet eventjes 17 of 18 miljoen aan toevoegen. Je zou het geld wel kunnen zoeken – ik kom daar zo nog op terug – in de sfeer van substitutie. Mevrouw Van der Burg sprak over perverse prikkels. Je zou je kunnen afvragen wat je gaat vergoeden. Ga je mediation vergoeden, dan gaat dat ten koste van iets anders. We hebben uitgebreid gepraat over de bezuinigingen op de rechtsbijstand. We hebben ook uitgebreid gepraat over de bezuinigingen in het familierecht. Ik heb die discussies tot in extenso gehad met uw Kamer en denk dat er inmiddels een soort van evenwicht is gevonden. In ieder geval de Orde van Advocaten is er nog steeds niet tevreden mee, maar het wordt niet meer door iedereen als een kaalslag ervaren. Door sommigen nog wel. Ga je een verschuiving aanbrengen en meer mediation vergoeden, ten koste van de vergoeding voor processen bij de rechter, dan kan dat ook weer een andere uitwerking hebben.

Ik vind het wel een goed initiatief en een goed alternatief om een rechter partijen te laten verwijzen naar de mediator. Dat kan goed zijn. Dat gebeurt dan in specifieke gevallen, waarin de rechter dat gewenst acht. De rechter kan partijen dan – en dat sluit aan bij wat mevrouw Berndsen zei – op vrijwillige basis naar een mediator verwijzen, met een zetje in de rug. Zo zou ik het willen zien. Hij kan daarnaast – daar heeft een aantal woordvoerders eveneens over gesproken – ook ouderschapsonderzoek gelasten. In dat geval vraagt hij een speciaal opgeleide mediator om met de partijen een oplossing te vinden voor de problematiek. Mocht dat niet lukken, kan de mediator de rechter adviseren over een oplossing. De collega en ik willen graag met de rechtspraak gaan bezien op welke wijze we daaraan nog een betere invulling kunnen geven. Die stappen worden al gezet, maar daarin kunnen we verbetering aanbrengen. Daar valt echt nog wel wat te verdienen.

Mevrouw Ypma (PvdA): Het doel van die mediation is natuurlijk voorkomen dat het conflict zich verscherpt. Als ik het goed begrijp, is dat een doel dat Staatssecretaris Teeven ondersteunt. Ik heb over twee dingen nog een vraag. Het voorstel van de VVD en de PvdA was om mediation verplicht te stellen voor de gang naar de rechter, zodat die poging gewaagd is voordat men naar de rechter stapt. Is de heer Teeven het met ons eens dat dit een goede zaak zou zijn? Mijn tweede vraag betreft de kosten, 17 à 18 miljoen, volgens de Staatssecretaris. Uit andere landen blijkt echter dat het een kostenbesparing oplevert. Is de heer Teeven bereid om dit uit te werken? Is hij bereid om ook eens een blik op het buitenland te werpen? Ik begrijp dat dit niet nu kan, maar is hij bereid om de uitkomst daarvan aan de Kamer te doen toekomen?

Mevrouw Van der Burg (VVD): Om misverstanden te voorkomen, volgens mij zijn wij het eens over de gerichte benadering. Het hoeft niet allemaal via de mediation. Dat heb ik ook duidelijk in mijn inbreng gezegd.

Staatssecretaris Teeven: Als meneer Teeven wil ik helemaal niet zo veel, maar als Staatssecretaris wil ik daar graag inspanningen voor verrichten, zeg ik tegen mevrouw Ypma. Wat die verplichte mediation betreft, moeten wij ons realiseren – dat is terecht door mevrouw Keijzer en mevrouw Berndsen aan de orde gesteld – dat het toch eerder aan de rechter is om daarover te beslissen. Ik zie er niet direct de meerwaarde van in om in de wet op te nemen dat dit zou moeten gebeuren. Ik zie wel mogelijkheden om mediation wellicht «populairder» te maken – ik zeg dat tussen aanhalingstekens – bij ouders die een conflict hebben met elkaar. Dat zou kunnen, bijvoorbeeld door voor ouders die minvermogend of onvermogend zijn, en dat geldt dan alleen voor hen, de vergoeding voor een advocaat die gaat procederen terug te brengen en de vergoeding voor mediation te verhogen. Daarin zou je kunnen variëren. Dat is een discussie die we ook hebben gehad. Dat laat echter onverlet dat er altijd ouders zullen zijn – ik geloof dat mevrouw Keijzer dat heeft gezegd – die willen procederen. In dat geval zou de rechter moeten zeggen: u staat hier nu wel en u wilt procederen, maar is het geen goed idee dat u nog eens met elkaar praat of dat u naar een mediator stapt? Als het ouders zijn die de kosten van een advocaat zelf dragen, dan zullen die dat alleen doen omdat de rechter het op dat moment zegt. Het resultaat dat daarvan te verwachten valt, kan goed zijn, maar het kan ook negatief zijn. In het laatste geval is er tijd verloren met betrekking tot een omgangsregeling en dat hoeft niet altijd in het belang van een kind te zijn. Ik denk dat er goed gekeken moet worden waar je die mediation in het proces zet. Er moet ook goed gekeken worden naar de rol van de rechter in de individuele zaak. Ik acht het heel erg belangrijk om daar goed naar te kijken.

Mevrouw Ypma (PvdA): Dank u wel, Staatssecretaris, voor dit uitgebreide antwoord. Volgens mij willen wij hetzelfde, namelijk een strijd voorkomen waarin die kinderen betrokken worden. Dat willen we zo veel mogelijk voorkomen. Ik zou nog expliciet antwoord willen hebben op de vraag of de Staatssecretaris bereid is om dit uit te werken en daarbij ook te kijken naar andere landen. Collega Van der Burg verwees al naar Noorwegen, waar het aantal vechtscheidingen met 50% is afgenomen. Als we dat zouden weten te bereiken, dan hebben we volgens mij iets heel moois bereikt met elkaar.

Staatssecretaris Teeven: We zijn bereid om dat uit te werken en we zijn bereid om ons te oriënteren op andere landen, maar er zitten een paar problemen in. Wat is precies het moment waarop de vechtscheiding start? Hoe herken je een vechtscheiding precies? Wat maakt een scheiding tot een vechtscheiding? Er is eigenlijk maar één persoon die een dergelijke beoordeling kan maken, namelijk de rechter voor wie er geprocedeerd wordt en die de zaak voorgelegd krijgt. Als ouders het probleem dat zij samen hebben, niet herkennen als een vechtscheiding, dan is het buitengewoon ingewikkeld om hen naar mediation toe te geleiden.

Mevrouw Kooiman (SP): Wat het laatste aangaat, zeg ik tegen de Staatssecretaris dat het natuurlijk al eerder bij de Kinderbescherming terechtkomt. Dat lijkt me dan een logisch punt. Mijn vraag betrof echter met name de financiering van het traject. Ik hoor ook de Staatssecretaris zeggen dat de gefinancierde rechtsbijstand daar een oplossing voor zou moeten bieden, maar wij weten allemaal dat er enorme bezuinigingen zijn geweest en nog aankomen. Mocht je mediation willen inzetten voor mensen met een heel laag inkomen, dan wordt het betalen van een eigen bijdrage soms onbetaalbaar, zeker voor mensen met een minimuminkomen. Zelfs voor mensen met een middeninkomen is het een behoorlijke hap. Als de Staatssecretaris dit gaat uitwerken, is hij dan bereid om de SVB te vragen om goed door te rekenen wat het zou opleveren als je mediation in een voortijdig stadium zou inzetten? Wat levert dat dan op? Ik denk namelijk dat we uiteindelijk goedkoper uit zijn.

Staatssecretaris Teeven: De Kinderombudsman heeft in zijn rapport geschreven: reken dat nu eens door en de kosten gaan voor de baten uit. Zo simpel is het echter niet. In 2013 heeft een ander bureau geprobeerd om het uit te rekenen en het bleek buitengewoon ingewikkeld om een relatie tussen het een en het ander te leggen. Wat de ombudsman daarover schrijft in zijn rapport, is niet een conclusie die je zo een-twee-drie even kunt trekken. We gaan er nu van uit dat vechtscheidingen altijd ouders betreffen die minvermogend of onvermogend zijn, maar er is natuurlijk een grote categorie ouders die straks in zo'n situatie te maken zouden kunnen krijgen met een rechter die tegen hen zegt: je moet eerst naar de mediator – wat ze dan zelf moeten betalen – en dat leidt dan tot iets of het leidt tot niets. Het leidt tot een oplossing of het leidt niet tot een oplossing. Het probleem van de financiering van de mediation is maar voor een beperkte groep aan de orde. Een groot gedeelte van de ouders, die met een hoog inkomen of een middeninkomen, moet de kosten zelf dragen, of ze nu doorprocederen voor de rechter in een scheidingszaak, met bijstand van een advocaat, of dat het mediation wordt. Mensen met dergelijke inkomens zullen de kosten zelf moeten dragen. We kunnen dat uitwerken.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik wil hier niet opnieuw de discussie voeren over belemmeringen van de rechtsgang en het kapotmaken van de rechtsstaat. Dat hebben we in eerdere algemene overleggen al gedaan, maar ik verwacht van de Staatssecretaris wel wat meer creativiteit. Als hij het niet wil laten doorrekenen door de SVB, zoals de Kinderombudsman vroeg, kan hij ook kijken naar een eventuele pilot. De Staatssecretaris doet al een pilot, bijvoorbeeld met de rechters, om te kijken of dat inderdaad tot een vermindering van het aantal rechtsgangen leidt. Daar zit mogelijk ook een kostenbesparing in. Je kunt ook kijken of je mediation voortijdig inzet, bijvoorbeeld bij de Raad voor de Kinderbescherming, waar die zaken binnenkomen. Daar krijgen ze de eerste signalen. Ik zou het heel fijn vinden als de Staatssecretaris creatief wilde meedenken en dat eventueel als pilot zou willen inzetten.

Staatssecretaris Teeven: Mijn antwoord op de vraag van mevrouw Kooiman raakt ook gelijk de vraag waarom mediation door de Raad voor de Kinderbescherming is wegbezuinigd. De Raad voor de Kinderbescherming heeft gedurende een bepaalde periode mediation verzorgd op de rechtbank. Dat werd «raadsondersteuning ter zitting» genoemd. Vanaf 1998 werd dat toegepast. De rechter schorste dan de zitting voor een gesprek tussen de ouders en een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming, met als doel het bereiken van overeenstemming. Dat was de feitelijke gang van zaken om te proberen tot een resultaat te komen. Bij de start van mediation naast rechtsspraak, in 2005, is die werkwijze gestopt. De Raad is zich daarna meer gaan concentreren op de eigen kerntaak. Het is dus niet wegbezuinigd; er is gekozen voor een andere manier van werken. De Raad heeft inmiddels een frontoffice ontwikkeld. Dat bestaat nu al en het zal in het nieuwe stelsel ook gaan adviseren. We gaan dus een beetje terug naar wat vanaf 1998 gold, en dan specifiek in situaties waarin het gaat om vechtscheidingen. Wij proberen dat nu dus op een andere manier invulling te geven.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Wij hebben het hier over twee varianten. In de ene variant zegt de Kinderombudsman dat er meteen na een scheiding mediation wordt ingesteld. De tweede variant heeft in de Kamer een brede meerderheid, namelijk: doe dat op een later moment, indien er een vechtscheiding dreigt te komen. De Staatssecretaris zegt dat je het alsnog aan de rechter zou kunnen vragen. We zouden toch ook aan de rechters kunnen vragen dat zij standaard terugverwijzen naar zo'n mediator, voordat zij een uitspraak doen of een zaak behandelen? De Staatssecretaris heeft het over de kosten van 17 miljoen. Ik denk dat hij daarmee de totale kosten vanaf het begin bedoelt, en dat zijn natuurlijk andere bedragen dan waar wij het over zouden hebben als het alleen om het laatste stukje ging, wanneer de rechter terugverwijst. Misschien kunnen we die kosten op een of andere manier proberen te achterhalen. Ik denk dat we op veel minder dan 17 miljoen uitkomen.

Staatssecretaris Teeven: Het lijkt mij een goed plan dat mijn collega en ik ons erop richten, daar creatief mee aan de gang te gaan. Ik wijs er overigens op dat de eigen bijdrage voor mediation waar mevrouw Kooiman net over sprak, en een aantal van de leden al eerder, bij de bezuiniging bewust laag is gehouden. De eigen bijdrage is wel omhooggegaan als je gaat procederen met een advocaat, maar de eigen bijdrage voor mediation is juist om die reden wel heel laag gehouden. We zullen heel concreet kijken naar de kosten.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Ik wil dit graag scherp krijgen. Gaat de Staatssecretaris nu de variant bekijken waarbij de rechter standaard terugverwijst naar een mediator voordat hij de zaak in behandeling neemt? Dat is namelijk het scenario dat hier op tafel ligt.

Staatssecretaris Teeven: We zullen laten onderzoeken of dat functioneel is. Daar wil ik de Raad voor de rechtspraak heel nadrukkelijk bij betrekken. Ik ken het standpunt van de Kinderombudsman, maar wil met de Raad voor de rechtspraak en de vakgroep familierecht overleggen of dit een werkbare variant kan zijn. Ik houd dus een slag om de arm.

De heer Van der Staaij (SGP): Dan volgt natuurlijk de onvermijdelijke vraag: wanneer denkt de Staatssecretaris daarover meer helderheid te kunnen bieden? Ik snap dat dit even tijd kost, maar dit onderwerp wordt breed gedeeld en leeft sterk. Op welke termijn zou hierover meer duidelijkheid kunnen komen?

Staatssecretaris Teeven: Zeker. Er ligt ook een initiatiefwetsvoorstel van de Kamer, van Van der Steur c.s. Dat ligt al wat langere tijd in voorbereiding. Ik moet dus afstemming met dat wetsvoorstel zoeken en ook de uitkomsten van het overleg met de rechtspraak meenemen. Het zal dus wel enige tijd kosten.

De heer Van der Staaij (SGP): De Staatssecretaris zegt dat het enige tijd zal kosten, maar juist met dat initiatiefwetsvoorstel in het achterhoofd lijkt het mij ook onwenselijk dat wij een wetsvoorstel behandelen, terwijl er tegelijkertijd nog ergens een onderzoek loopt. Dat kan juist stagnerend werken op de behandeling van het wetsvoorstel.

Staatssecretaris Teeven: Ik wil natuurlijk wel overleg voeren met de initiatiefnemers van dat wetsvoorstel om te bezien of aspecten van de zaak waarover wij vandaag spreken, in te passen zijn in het initiatiefwetsvoorstel betreffende mediation.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Ik dank de Staatssecretaris voor de toezegging dat hij hiermee aan de slag gaat, die hij nu eigenlijk doet. Het lijkt mij logisch dat de Raad voor de rechtspraak hierbij betrokken wordt. Ik weet ook van het wetsvoorstel van de heer Van der Steur. Dat komt binnenkort naar de Kamer. Kan de Staatssecretaris aangeven dat hij hier echt vaart achter zet? Deze problematiek moet namelijk wel zorgvuldig worden uitgezocht. Daarom heb ik de Staatssecretaris ook gevraagd of hij hiermee aan de gang kan gaan en of hij hierin meters kan maken. Wij willen niet dat dit op de lange baan wordt geschoven. Zou de Staatssecretaris bijvoorbeeld kunnen toezeggen dat wij hiermee na de zomer verder kunnen? Het liefst zouden wij dat natuurlijk nog voor de zomer doen, maar dat is misschien wat ambitieus.

Staatssecretaris Teeven: Voor de zomer is sowieso te ambitieus, want er zijn echt raakvlakken met het initiatiefwetsvoorstel. Ook bij het opstellen van het regeerakkoord is al rekening gehouden met de voornemens die binnen de regeringsfracties bestonden om mediation met een initiatiefwetsvoorstel te regelen. Ik moet dus wel degelijk een en ander afstemmen met de initiatiefnemers. Dat kost ook tijd. De bereidheid bij het kabinet is er zeker. Wij zien het probleem en wij zien de urgentie. Wij moeten echter wel uitzoeken hoe wij dat regelen, of wij het wettelijk inregelen, of het überhaupt mogelijk is om dat wettelijk in te regelen en zo ja, hoe wij dat dan gaan doen. Wij zien namelijk ook wel een aantal van de bezwaren die mevrouw Keijzer en mevrouw Berndsen in hun inbreng hebben genoemd. Er zit wel spanning tussen de bereidheid om mediation tot een succes te maken en de wijze waarop je een wettelijke verplichting regelt. Ik ben benieuwd hoe de initiatiefnemers dat in hun wetsvoorstel uitwerken.

Mevrouw Van der Burg (VVD):Wij zullen dit in elk geval intensief volgen, op twee plekken. Het gaat ons erom dat wij de successen van mediation in het buitenland ook in de Nederlandse situatie gaan oogsten. Hoe dat precies gebeurt, is een tweede. Daarom hebben wij ook een uitwerking gevraagd. Wij zien die tegemoet. Wij zullen dit met veel belangstelling en een beetje ongeduld volgen.

Staatssecretaris Teeven: Ik denk dat ik hier niet op hoef te reageren, want ik heb hierover inmiddels alles gezegd.

Mevrouw Keijzer heeft gevraagd of wij het ouderschapsonderzoek in de toekomst ook mogelijk gaan maken. Zij sprak over forensische mediation. Ouderschapsonderzoek kan op dit moment al door de rechtspraak worden ingezet. Daarvoor hoeven wij geen wetswijziging of iets dergelijks te bewerkstelligen. De kosten voor dat onderzoek komen geheel of gedeeltelijk voor rekening van de ouders, afhankelijk van de vraag of zij al dan niet recht hebben op een toevoeging. Ik ben op dit moment in overleg met de Raad voor de rechtspraak over de wenselijkheid en de mogelijkheid om ouderschapsonderzoek op een of andere wijze te financieren. Ik verbaasde mij wel een beetje over het bedrag dat mevrouw Keijzer noemde. Zij zei dat er 1 miljoen nodig zou zijn. Ik denk dat die inschatting echt te hoog is. De Raad voor de rechtspraak heeft een bedrag van rond de € 160.000 gevraagd. Dat zal binnenkort ook worden toegewezen. Overigens is er op dit moment maar een beperkt aantal forensische mediators. Dat is eigenlijk nog eerder het knelpunt dan de financiën.

Mevrouw Keijzer (CDA): Ik ben heel blij met de positieve bejegening van het verzoek van de CDA-fractie. Wij bespreken hier vandaag de vraag wat je kunt doen als er vechtscheidingen zijn. Volgens mij is forensische mediation, ouderschapsonderzoek op grond van een deskundigenbericht bij de rechtbank, wat gedaan wordt door mensen die daarvoor opgeleid zijn, zo'n beetje de enige oplossing die nog rest als mensen eenmaal in die situatie zitten. Ik ben dus heel blij met de positieve benadering van de Staatssecretaris. Ik zou wel graag een terugkoppeling van hem krijgen als hij er definitief uit is: hoe gaat het in de praktijk werken en wat zullen de kosten daarvan zijn? Als wij het inderdaad over € 160.000 hebben, gaan wij het volgens mij morgen doen.

Staatssecretaris Teeven: Zoals ik al zei, is geld niet het grootste probleem. Er is eerder een probleem met het aantal beschikbare mensen dat hierin opgeleid en gespecialiseerd is. De terugkoppeling zal er uiteraard komen.

Mevrouw Keijzer (CDA): Wanneer? Ja, dat is dan zo'n vraag die je in de Kamer stelt.

Staatssecretaris Teeven: Na het zomerreces, dus bij aanvang van het nieuwe politieke jaar.

Mevrouw Keijzer (CDA): Is dat 1 september?

Staatssecretaris Teeven: Ja, begin september. Laten we dat afspreken.

Mevrouw Keijzer (CDA): Mooi. Dan noteer ik die datum. Ik zie bij Staatssecretaris Van Rijn een blik van herkenning; hij maakt dit vaker mee met mij.

Staatssecretaris Teeven: Het is goed om opgevoed te worden door mevrouw Keijzer. Ik vind het geen enkel probleem.

Een groot aantal leden heeft het ouderschapsplan aan de orde gesteld. Mevrouw Berndsen heeft gevraagd of ik bereid ben om met de branche te overleggen over de meer inhoudelijke invulling van het ouderschapsplan. De wettelijke verplichting rondom het ouderschapsplan bestaat nu vijf jaar. Ik heb de parlementaire totstandkoming van het ouderschapsplan een aantal jaren geleden zelf mogen meemaken. De WODC-evaluatie is een eerste verkenning naar de werking van het ouderschapsplan en laat een aantal positieve ontwikkelingen zien. Dat staat enigszins haaks op de constateringen die de afgelopen maanden zijn gedaan. Wij volgen dit met belangstelling, evenals andere onderzoeken. Er zijn namelijk ook onderzoeken die de negatieve kanten van de effecten van het ouderschapsplan belichten. Het is vooral belangrijk dat ouders waar nodig door gekwalificeerde advocaten en mediators begeleid worden in de totstandkoming van het ouderschapsplan. Dat heeft rechtstreeks verband met de acties die wij hebben geformuleerd in het uitvoeringsplan dat wij naar de Kamer hebben gestuurd. In het overleg met de branche zal ik vragen om een goede inhoudelijke begeleiding bij het opstellen van het ouderschapsplan; daarvoor vraagt mevrouw Berndsen terecht aandacht.

Een deel van de problemen die nu naar voren komen, is in de parlementaire behandeling van het ouderschapsplan wel aan de orde gekomen. Ik kijk met een schuin oog naar de heer Van der Staaij, die er toen volgens mij ook bij was. Toen werd bijvoorbeeld al gevreesd dat dit soms te formalistisch zou zijn. Sommige fracties hebben dat destijds opgeworpen. Door een meerderheid van de toenmalige Kamer werden daarin niet al te veel problemen gezien, maar je ziet dat nu, na vijf jaar, wel terugkomen. Wij zullen dit in elk geval goed volgen.

Ik heb goed naar de leden geluisterd en wij kunnen nog geen definitieve conclusies trekken uit de WODC-evaluatie. Het gaat echt om een eerste verkenning. Er lopen momenteel ook wat uitgebreide universitaire projecten met betrekking tot het ouderschapsplan. Het rapport is overigens naar de Kamer gestuurd en alle leden hebben het dus kunnen lezen. Ook dit is onderdeel van het actieplan van mijn collega en mij. Wij zullen bekijken of wij de negatieve effecten, die soms ook in de wet zijn verankerd of samenhangen met de wijze waarop een en ander nu in de wet staat, kunnen verminderen. Dat zou bijdragen aan meer oplossingen.

Een aantal leden heeft gesproken over het feit dat advocaten soms een vechtscheiding in stand houden. Zo hebben de leden het niet gezegd, maar daar komt het ongeveer op neer. Ik heb de advocaten de laatste week veel gehoord over de kwaliteit van de Minister en de Staatssecretaris, maar laat ik er dit over zeggen: in mijn ogen is de kwaliteit van de advocaat in het familierecht belangrijk voor het verloop en de uitkomst van een echtscheidingsprocedure. Het is belangrijk dat een advocaat ook de nodige ervaring en kennis heeft in een echtscheidingsproces, niet alleen op juridisch gebied, maar ook op het gebied van de psychologie. Met behulp van een goede familierechtadvocaat kun je veel problemen voorkomen en hoeven ruzies tussen partners niet in procedures te worden uitgevochten.

Aan de gesubsidieerde rechtsbijstand, waarover een aantal leden gesproken hebben, zitten sinds 2013 inschrijfvoorwaarden. Alleen gespecialiseerde advocaten kunnen op basis van een toevoeging zaken op het terrein van personen- en familierecht behandelen. Een belangrijk onderdeel van de inschrijvingsvoorwaarden is de gedragscode. De doelstelling van de gedragscode is dat de advocaat bevordert dat echtgenoten, al dan niet door mediation, toewerken naar een nieuw evenwicht in de scheiding. Dat is als zodanig opgenomen in artikel 4 van de gedragscode.

Met de inschrijfvoorwaarden en de gedragscode voor gesubsidieerde bijstand hebben wij goede waarborgen gecreëerd om te voorkomen dat een echtscheidingsproces onnodig wordt gecompliceerd. Als je dat nog meer wilt beïnvloeden bij ouders die procederen op basis van gesubsidieerde rechtsbijstand, dan zul je mensen via bezuinigingen op de rechtsbijstand moeten dwingen naar mediation. Dat is een specifiek onderdeel geweest van de discussie die wij over de bezuinigingen in het kader van de rechtsbijstand hebben gehad. Dan maak je het nog onaantrekkelijker om te procederen via een advocaat. Tot nu toe hebben wij daar echter niet voor gekozen. Het kan een manier zijn om mensen naar mediation te dwingen, doodeenvoudig omdat je procederen bij de rechter nog minder vergoedt, maar dit is een weg waar de meerderheid van de Kamer tot nu toe niet voor was. Wij hebben dat ook niet zo uitgevoerd. Ik denk dat wij het nu moeten houden bij de kwaliteitseisen en de gedragsregels die op dit moment gelden voor de procederende familierechtadvocatuur. Gezien het overleg dat ik met deze commissie heb gevoerd over de bezuinigingen in de rechtsbijstand, zie ik ook geen mogelijkheden om nog meer financiële prikkels aan te brengen om mensen te dwingen, niet door te procederen en verplicht naar mediation te gaan. Dat vind ik wel heel ingewikkeld.

Mevrouw Kooiman (SP): Dat is niet wat familierechtadvocaten en mediators in hun brief bedoelden, heb ik begrepen. Er zit gewoon een perverse prikkel in het systeem, voor het continu weer opnieuw procederen, eerst voor de echtscheiding en dan weer voor de omgangsregeling. Dat kost extra geld en levert hun extra middelen op. Zij zeggen dat zij deze perverse prikkel zelf niet willen. Zij willen beloond worden voor het werk dat zij doen om te voorkomen dat er steeds opnieuw geprocedeerd wordt, voor bemiddelingsgesprekken of voor het feit dat zij tot een schikking komen. Ik denk dat de familierechtadvocaten en mediators heel goede ideeën hebben. Het zou de moeite waard zijn als de Staatssecretaris in ieder geval met die groep om tafel zou gaan om te bekijken of het haalbaar is, en als hij de Kamer over de uitkomst zou informeren.

Staatssecretaris Teeven: Ik was nog niet helemaal klaar met de beantwoording. De formulering «perverse prikkels» laat ik voor rekening van de Kinderombudsman. Aan die uitspraak wil ik mij niet wagen. Het klopt inderdaad dat een vergoeding bij echtscheiding op gezamenlijk verzoek of zonder tegenspraak zeven punten bedraagt, terwijl de vergoeding tien punten bedraagt als het op tegenspraak gebeurt. Dat verschil is gelegen in de gemiddelde tijd die een professional aan de zaak besteedt. Bij de totstandkoming van het vergoedingenbesluit in 2000 is die tijdsbesteding ook objectief gemeten. Aan de koppeling van zeven respectievelijk tien punten aan de verschillende vormen van gesubsidieerde rechtsbijstand ligt een meting ten grondslag. Echtscheiding op tegenspraak bleek een professional substantieel meer tijd te kosten dan echtscheiding zonder tegenspraak of op gezamenlijk verzoek. Daarin zit het verschil in honorering. Ik heb al gezegd dat ik best bereid ben om te bezien of wij tot een meer evenwichtige honorering kunnen komen, maar ik benadruk dat dit dan budgettair neutraal zou moeten gebeuren. De kosten voor het gelijktrekken van de honorering bedragen namelijk al snel zo'n 5 miljoen als je de vergoedingen voor echtscheiding zonder tegenspraak en echtscheiding op gezamenlijk verzoek beide zou opwaarderen. Als je de honorering wilt gelijktrekken, moet je dus ook iets afwaarderen. Dat is wel de consequentie. Ik wil best met de beroepsgroep in gesprek gaan, maar wel met het uitgangspunt dat dit budgettair neutraal moet gebeuren.

Mogelijk zouden wij hiervoor een oplossing kunnen vinden door een termijn van nazorg in te voeren. Echtscheidingszaken kenmerken zich door een hoog aantal vervolgzaken. Binnen een periode van twee jaar na afgifte van de toevoeging voor echtscheiding worden er nog ruim 11.000 vervolgtoevoegingen afgegeven en het derde jaar nog eens 6.000 toevoegingen. Dat zijn allemaal zaken waarbij de ex-partner de wederpartij is en waarin nieuwe geschillen ontstaan zijn over alimentatie, omgang, boedelscheiding en dergelijke. Kortom, het is stapelen op stapelen. Alle deskundigen hebben benadrukt dat investering in de beginfase van de echtscheidingsprocedure loont en leidt tot minder vervolgzaken. Daar sprak mevrouw Kooiman over. Ik wil de mogelijkheid verkennen om aan een toevoeging tot echtscheiding de verplichting tot nazorg te verbinden voor bijvoorbeeld een periode van twee jaar. Dat betekent dat de advocaat de echtscheiding en alle geschillen die daaruit voortvloeien, gedurende die twee jaar dient te behandelen. Dat levert ook een besparing op op het gebied van vervolgtoevoegingen. Dat betekent dat wij in de beginfase van de scheiding de tijdsinvestering beter gaan honoreren en dat wij de prikkel voor vervolgprocedures wegnemen. Dit lijkt een werkwijze die oplossingen biedt. De rechterlijke macht zal minder worden belast met vervolgprocedures en rechtzoekenden zullen bij een eventuele vervolgkwestie geen nieuwe eigen bijdrage verschuldigd zijn. Dit lijkt een positief uitgangspunt. Wij zullen dit nader uitwerken met de partijen, uitgaande van de budgettair neutrale benadering. Dan is mevrouw Kooiman op haar wenken bediend. Wij zullen de Kamer hierover in het najaar informeren.

Mevrouw Kooiman (SP): De Staatssecretaris heeft werkelijk al het gras voor mijn voeten weggemaaid. Ik hoop dat hij dat vaker doet. Ik ben blij dat wij in het najaar een brief krijgen en dat de Staatssecretaris in overleg gaat met de vFAS over hun goede ideeën. Ik denk dat zij mee hebben geluisterd met de wensen van de Staatssecretaris en van de Kamer. Ik ben blij en heb hoge verwachtingen.

Staatssecretaris Teeven: Voorzitter. Mevrouw Van der Burg heeft gesproken over gelijkwaardig ouderschap. Zij miste dat in de opdracht aan de staatscommissie. Gelijkwaardig ouderschap maakt nu wel degelijk expliciet onderdeel uit van de opdracht aan de staatscommissie. Ik heb de heer Wolfsen ook gevraagd hoe gelijkwaardig ouderschap beoordeeld dient te worden in het kader van meerouderschap en meeroudergezag, naar aanleiding van de toezegging die in de plenaire zaal is gedaan. In die relatie is dat aan elkaar gekoppeld.

Mevrouw Kooiman heeft gevraagd hoe de maatregel voor scheiden op basis van gezinsinkomen eruit komt te zien. De maatregel maakt onderdeel uit van de stelselherziening in de rechtsbijstand. Daarin staat de eigen verantwoordelijkheid van de rechtzoekenden centraal. Daarover hebben wij eerder al veelvuldig met elkaar gesproken. Ik ben van oordeel dat mensen die uit elkaar gaan en samen over voldoende middelen beschikken, hun eigen echtscheiding moeten betalen. Daaraan zouden geen schaarse publieke middelen te pas moeten komen. Dat is ook precies het uitgangspunt van de maatregel voor scheiden op basis van gezinsinkomen. Als er tussen partners een groot inkomensverschil zit – ik zie dat probleem wel – moet er iets worden geregeld om de toegang tot het recht van de minvermogende partner te waarborgen wanneer zijn of haar partner weigert om de kosten van de echtscheiding te betalen. Zoals ik de commissie in andere samenstelling ook heb meegedeeld, denk ik daarbij aan de mogelijkheid om een lening bij de Staat af te sluiten om daarvan de echtscheiding te financieren. De hoogte van die lening is beperkt. De Raad voor Rechtsbijstand zoekt dan een advocaat die bereid is om de diensten tegen het geldende tarief te verrichten. Op die manier kunnen wij waarborgen dat ook de minder draagkrachtige partner toegang heeft tot het recht. Ook die denkrichting zullen wij uitwerken.

Een onderwerp dat mevrouw Van der Burg al een aantal keren aan de orde heeft gesteld, is de waarheidsvinding. Wat valt precies wel en niet voor tussen ouders? Het is belangrijk dat Bureau Jeugdzorg zich bij de tenuitvoerlegging van een ondertoezichtstelling blijft focussen op pogingen om samen met de ouders de ontwikkelingsbedreiging van kinderen weg te nemen. Wij hebben al eerder met elkaar gedeeld dat jeugdzorginstanties op zoek moeten gaan naar feiten die relevant zijn voor de veiligheid van het kind. In die zin moeten zij dus op zoek gaan naar feiten en niet naar veronderstellingen en meningen. Dat moet het belangrijkste uitgangspunt zijn. Jeugdzorginstanties moeten natuurlijk ook niet als een soort echtscheidingspolitie elke beschuldiging over en weer nagaan. Ik heb vanmorgen een artikel in de Volkskrant gelezen waarvan ik dacht: als maar de helft van de inhoud waar is, is dit wel expliciet de wijze waarop het niet moet. Dat was voor mij de ultieme bevestiging. De collega en ik hebben bij de jeugdzorginstanties wel aangegeven dat de rapportages goed feitelijk onderbouwd moeten zijn. Toevallig heb ik hierover deze week nog even met de collega van gedachten gewisseld. Feiten en meningen moeten binnen de jeugdzorgorganisaties goed worden onderscheiden. De collega en ik zullen daarvoor de komende tijd, ook tijdens de decentralisatie, steeds opnieuw aandacht blijven vragen. Het allerbelangrijkste is dat je feiten enerzijds en meningen en veronderstellingen anderzijds in de rapportages helder tot uitdrukking laat komen. Als een rechter een beslissing moet nemen in een individuele zaak, moet die weten waar het om feiten gaat en waar het gaat om een deskundigenoordeel op basis van een bekende modus operandi, om het zo maar te zeggen. Dat zijn verschillende dingen.

Mevrouw Van der Burg heeft ook gezegd dat de forensisch-medische expertise veel meer dient te worden ingezet bij vechtscheidingen. De gevolgen van een vechtscheiding voor het kind zijn soms lastig zichtbaar. Soms is er helemaal geen sprake van fysieke kindermishandeling, zo blijkt nu. Het is vaak eerder een vorm van geestelijke kindermishandeling. Forensisch-medische expertise richt zich bij uitstek op het vaststellen van fysieke kindermishandeling. Daarvan is bij een vechtscheiding, waarover wij vandaag spreken, niet in bijzondere mate sprake. Ik zie niet de meerwaarde van het specifiek vaker inzetten van forensisch-medische expertise bij vechtscheidingen. Dit speelt wel breder in het onderwerp waarover wij morgen spreken, bij kindermishandeling. Ik denk echter dat wij vechtscheidingen niet te veel als een apart bestaand probleem moeten zien, maar moeten aansluiten bij de bredere aanpak van kindermishandeling. Mevrouw Van der Burg en ik hebben al veelvuldig over de kosten van forensisch-medische expertise gesproken. Ik heb hierover ook al veelvuldig met de collega en met de Kamer gesproken. Dit lijkt mij meer een onderwerp dat wij morgen moeten bespreken in de brede context.

Alle leden hebben over de regierechter gesproken. De pilot regierechter in de rechtbank Groningen is al van start gegaan en loopt naar verwachting tot het eind van 2014. De pilot die de rechtbank Rotterdam wil starten, is in voorbereiding en start naar verwachting deze zomer. Beide pilots zullen geëvalueerd moeten worden. Na afloop is het aan de rechtspraak in samenspraak met het ministerie om te bezien of dit model breder moet worden ingevoerd. Aan de hand van de lopende pilot stel ik in ieder geval al vast dat hiervoor op de werkvloer, bij de rechterlijke macht, veel draagvlak is. Dat is een goede zaak. De inzet van de regierechter is ook een belangrijk thema bij de moderniseringsoperatie die de Minister doorvoert, het programma KEI (Kwaliteit en Innovatie rechtspraak). De rechtspraak zal de best practices uit de pilots ook betrekken bij de inrichting van het familierecht en de procedures daaromtrent. De Minister en ik zullen de Kamer, vanuit het programma KEI respectievelijk vanuit de pilots, periodiek op de hoogte brengen van de voortgang rondom de inrichting van het project regierechter. Het mooie van deze procedure is dat de regierechter gedurende de hele periode aanspreekpunt is en dat hij beter op de hoogte is van de situatie van de ex-partners en hun kinderen. Soms hangt dit nog wel af van de inrichting van een rechterlijke organisatie en de mate waarin soms wordt geschoven met mensen. Het komt voor dat mensen een andere functie krijgen en dit kan het proces rond de regierechten wel doorbreken, maar het uitgangspunt dat aan de orde is gesteld, deelt het kabinet. Wij denken dat dit een waardevolle en zinvolle oplossing kan zijn. Ook de Minister is zich daarvan bewust en stuurt via het programma KEI op de invulling van de regierechter.

Mevrouw Van der Burg en anderen hebben over het buitenland gesproken. De oplossingen die wij in het buitenland al hadden geconstateerd, zijn meegenomen in het plan. Daarbij gaat het onder meer over relatieondersteunend aanbod, mediation en het belang van het kind om met beide ouders contact te houden en geen slepende rechterlijke procedures. De Staatssecretaris van VWS en ik overwegen daarom, hier in Nederland een internationale expertmeeting over het onderwerp vechtscheiding te organiseren om te bekijken wat wij van andere landen kunnen leren.

Mevrouw Kooiman heeft gesproken over de positie van vaders. Zijn wij bereid om te regelen dat een vader bij erkenning van een kind ook direct het ouderlijk gezag krijgt? Ouders vergeten namelijk soms om het gezag aan te vragen nadat zij een kind wel hebben erkend. Ik heb de staatscommissie Herijking ouderschap gevraagd om te reflecteren op de uitgangspunten voor het ontstaan van juridisch ouderschap en gezag. De staatscommissie zal dit punt meteen meenemen en zal hierover rapporteren. Ik heb uitvoerig met de leden van de Justitiecommissies van deze Kamer en de Senaat over de staatscommissie gesproken en daarbij zijn al deze onderwerpen aan de orde geweest. Dit lijkt mij het goede moment om dit bij de staatscommissie te leggen.

De heer Voordewind heeft gevraagd in hoeverre de sancties op het niet naleven van een omgangsregeling afdoende zijn. Als een omgang niet tot stand komt, kan de rechter verschillende dwangmaatregelen opleggen om die te laten nakomen. Hij kan een dwangsom opleggen. Ook afgifte van een kind met behulp van de sterke arm is mogelijk. Dat is een heel nare methode, maar het gebeurt weleens en leidt meestal tot veel maatschappelijke commotie. Een rechter probeert dit natuurlijk te voorkomen. Ook het toewijzen van het eenhoofdig gezag aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft, is nog steeds een mogelijkheid. Verder kan het kind onder toezicht worden geplaatst. Door een wetswijziging is er sinds 2009 niet alleen recht op omgang, maar ook een verplichting tot omgang. Hieraan wordt dus daadwerkelijk invulling gegeven. Ouders wordt ondersteuning geboden als zij er zelf niet uit kunnen komen. De collega en ik lezen ook de brieven die ons worden gestuurd door ouders, vaak vaders, die toch niet in staat zijn om hun omgangsrecht te realiseren. Doordat er met de wetswijziging een verplichting tot omgang is gekomen, is dit probleem wel wat minder geworden, maar een rechter zal in een individuele zaak toch altijd blijven kijken naar het belang van het kind. Ondanks het feit dat een moeder de omgangsregeling frustreert en ondanks het feit dat een vader in zijn recht staat om omgang te krijgen, is het in een individuele zaak niet altijd in het belang van het kind om het gezag dan maar aan de vader toe te wijzen of de omgang te forceren. Een rechter zal in een individuele zaak het dossier altijd moeten toetsen. Als wij straks nog meer regierechters hebben die de geschiedenis en de hele procedure kennen, blijft het bij uitstek aan de rechter om naar het belang van het kind te kijken.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Ik wil mijn twee kostbare interrupties nog niet gebruiken, maar mijn vraag ging over de handhaving. De Staatssecretaris is ingegaan op de mogelijkheden, maar mijn vraag ging over de handhaving.

Staatssecretaris Teeven: Daar heb ik wel iets over gezegd. Een rechter zal in een individuele zaak niet altijd besluiten tot handhaving. De heer Voordewind schetste een aantal consequenties als je het gezag bij de andere ouder legt. Toch zijn er wel situaties waarin een vader volstrekt in zijn recht staat en waarbij je van buiten naar de zaak kijkend zou zeggen dat het gezag naar de andere ouder moet, terwijl de rechter besluit om dat gezien het belang van het kind toch niet te doen. Ik constateer dat ook. Ik zit nu drieënhalf jaar op deze portefeuille. Ik heb in die tijd gesprekken met kinderrechters gehad die zeiden: gezien het hele dossier is het uiteindelijk niet in het belang van het kind om het gezag aan de vader te geven en de omgangsregeling volstrekt te veranderen. Daarvan wordt het kind dan niet beter. Ik begrijp dat dit heel wrang kan zijn voor de ouder die in zijn recht staat en toch geen omgang krijgt, maar dit is wel aan de rechter in de individuele zaak. Dat is het kabinetsstandpunt op dit moment.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Het gaat inderdaad over de handhaving van die sancties. Er is een uitspraak van de rechter en als een van de ouders zich daaraan absoluut niet houdt, is het toch heel raar dat wij accepteren dat die ouder, vaak de verzorgende ouder en vaak de moeder, daarmee wegkomt? Ik begrijp heel goed dat dit aan de rechter is, maar misschien zou de Staatssecretaris met de Raad voor de rechtspraak kunnen bespreken of dit in gelijke mate gewogen wordt, gegeven het belang van het kind. Misschien kan bij die internationale conferentie ook aan de orde komen wat de ervaringen in het buitenland hiermee zijn. Dit is namelijk wel een van de redenen waarom er op een gegeven moment enorm moeilijke situaties en loyaliteitsconflicten voor kinderen ontstaan. Ik vraag de Staatssecretaris dus met klem om eens goed te bekijken of wij deze weging in Nederland op de juiste manier maken, gezien de buitenlandse voorbeelden. Uiteraard moet dat met respect voor de positie van de rechter; zo kent de Staatssecretaris mijn partij. Zou de Staatssecretaris daarop een toezegging kunnen doen?

Staatssecretaris Teeven: In het kader van die conferentie en in het kader van de contacten die de collega en ik met de Raad voor de rechtspraak hebben, zullen wij dit zeker bespreken, ook met de sectie familierecht en vooraanstaande rechters in het kinderrecht en familierecht. Wij zullen ook kijken naar gevallen waarin bepaalde rechterlijke beslissingen niet worden gerespecteerd, waarna toch geen sancties worden doorgezet. Daar gaat het dan in feite om. Wij krijgen tot nu toe het antwoord dat in zo'n individuele zaak het belang van het betreffende kind vooropstaat bij de rechter en dat daarom uiteindelijk de ultieme sanctie niet wordt gehandhaafd, hoewel een rechterlijk vonnis niet wordt gerespecteerd. Wij zullen bekijken hoe de situatie in het buitenland is, want een vechtscheiding in Nederland is niet anders dan in Duitsland, België of andere ons omringende landen. Wij kunnen wel bekijken hoe hiermee door de zittende magistratuur in andere landen wordt omgegaan en hoe het daar wettelijk is geregeld. Ik denk dat wij een deel van die problemen kunnen oplossen door één rechter op het dossier te zetten in plaats van wisselende rechters uit de familiekamers. Ik zeg mevrouw Van der Burg toe dat de collega en ik dat zullen opnemen.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Heel hartelijk dank daarvoor. Ik ben blij dat de Staatssecretaris die trits pakt, want zo heb ik mijn verhaal ook opgebouwd. Het gaat om de combinatie van maatregelen. Zeker ook belangrijk is de regierechter, die de ouders vooraf in de ogen kijkt en zegt: u komt weer bij mij terug over deze omgangsregeling en ik ben degene die dit beoordeelt, dus u houdt mij niet voor de gek. Dat is heel belangrijk, maar het is ook belangrijk dat ouders weten dat niet nakomen en traineren consequenties kan hebben. Laten wij heel goed kijken naar de ervaringen in het buitenland om daarvan te leren. Dank voor de toezegging.

Mevrouw Keijzer (CDA): Je moet altijd voorzichtig zijn wanneer je jezelf als Kamerlid gaat uitspreken over rechterlijke uitspraken, maar ik zou de zaak toch graag willen omdraaien. Als er geen sprake is van kindermishandeling of misbruik, is het nooit in het belang van het kind als de omgang met de vader onthouden wordt. In de verhalen die wij horen en de krantenartikelen die wij lezen, bespeur ik in Nederland te vaak het gevoelen dat het dan uiteindelijk in het belang van het kind is dat het bij de moeder blijft. Ik ben het daar niet mee eens. Ik zou het heel fijn vinden als de Staatssecretaris dit aspect van de Nederlandse cultuur kan meenemen als hij naar het buitenland kijkt. Ik vind het eigenlijk onbestaanbaar. Ik heb dit zelf in mijn praktijk ook meegemaakt. Het is onvoorstelbaar wat mensen elkaar aandoen en de effecten daarvan op de kinderen zijn desastreus. Als een rechter dan uiteindelijk ook nog zegt «uiteindelijk staat u in uw recht, maar ik doe het niet», is dat heel fnuikend voor het vertrouwen van die vaders in onze rechtsstaat.

Staatssecretaris Teeven: Ik ben uiteraard bekend met die geluiden en met de schrijnende gevallen waarin dit voorkomt. Die krijg ik regelmatig op mijn bureau. Ik zie ze dus ook. De collega en ik zullen dit nog nadrukkelijker bespreken met voorzitters van familiekamers. Wij zullen ook kijken hoe het in het buitenland zit. Het omgekeerde is ook waar. Soms worden ouderschapsrechten gedwongen uitgeoefend, bijvoorbeeld door vaders die gedetineerd zijn en toch hun omgangsregeling willen uitoefenen, zelfs als zij betrokken zijn geweest bij een levensdelict in relatie tot de moeder van het kind. Mede op voorstel van de CDA-fractie neemt het kabinet nu stappen om in die gevallen de omgangsregeling voor de vader te beknotten, want soms is die omgang niet in het belang van het kind. Het omgekeerde is dus ook waar. Dat laat onverlet dat de collega en ik de inzet zullen plegen waar mevrouw Keijzer om vraagt.

Mevrouw Keijzer (CDA): Ik dank de Staatssecretaris voor die nuancering. Bij zulke zaken kan ik mij inderdaad van alles voorstellen, maar wij zitten hier vandaag om over vechtscheidingen te praten. Daarbij gaat het om ogenschijnlijk heel normale vaders en moeders die elkaar de tent uitvechten. Soms is er geen sprake van kindermishandeling of kindermisbruik, maar heeft het kind toch geen omgang met de vader. Volgens mij heeft dat ook te maken met de manier waarop sommige mensen in Nederland kijken naar de verhouding van kinderen met vaders en moeders. Dat vind ik onbestaanbaar. Ik zou het heel fijn vinden als de Staatssecretaris ook eens naar dat aspect zou kijken; dat heeft hij al toegezegd, dus dank daarvoor. Soms moet je ook weleens iets forceren.

Staatssecretaris Teeven: Wij gaan ermee aan de slag. Ik heb er inmiddels alles over gezegd.

Mevrouw Berndsen heeft gevraagd hoe ik ga meten of de acties die wij nu inzetten, leiden tot verbetering van de situaties van kinderen. Wij zullen dit inderdaad monitoren. Sommige acties kennen een eigen evaluatie, bijvoorbeeld de pilots die nu bij de rechtspraak lopen. Als het gaat om geweld in afhankelijkheidsrelaties rapporteren wij over de voortgang van de verschillende acties op verschillende momenten. In het kader van de regierechter zullen wij bijvoorbeeld vanuit het KEI-programma rapporteren. Dit kent dus verschillende momenten en het hangt er een beetje van af of dit organisatorische of inhoudelijke verbeteringen zijn.

De bijzondere curator is ook uitgebreid aan de orde gekomen. Ik heb begrepen dat die in de hoorzitting met de Kinderombudsman ook nadrukkelijk aandacht heeft gekregen. Hoe kan ik ervoor zorgen dat de rechtsfiguur van de bijzondere curator verder en vaker wordt toegepast? Deze rechtsfiguur is eigenlijk in het leven geroepen voor situaties waarin er een probleem tussen een ouder en een kind is, niet voor situaties waarin problemen tussen ouders ontstaan. De bijzondere curator is dus niet altijd functioneel. Daarom zijn rechters terughoudend om die aan een kind toe te wijzen, want daardoor krijg je soms drie partijen in een echtscheidingsprocedure. Dat maakt het niet altijd beter en makkelijker. Naar aanleiding van de aanbeveling over de bijzondere curator in het rapport van de Ombudsman van medio 2012 is er wel meer gebeurd om deze rechtsfiguur meer bekendheid te geven en te professionaliseren. De bekendheid is onder meer vergroot door het rapport zelf, maar ook door congressen en artikelen in de vakliteratuur. Door de Raad voor de rechtspraak is een werkgroep bijzondere curator ingesteld die het werkproces bij de benoeming van die rechtsfiguur in familiezaken heeft omschreven. Dat wordt op dit moment in de rechtspraak geïmplementeerd. Mevrouw Berndsen sprak over rapportage en monitoring en dit is nou bij uitstek iets waarover wij zullen rapporteren: wordt er meer gebruik van gemaakt? Dit zorgt in ieder geval binnen de rechtspraak voor meer uniforme toepassing en bekendheid van de bijzondere curator. Daarnaast is de Raad voor de rechtspraak samen met de Raad voor Rechtsbijstand inmiddels vergevorderd met de formulering van kwaliteits- en opleidingseisen die aan bijzondere curatoren gesteld worden. Dat zorgt voor een verdere professionalisering. Tot slot onderzoekt de Raad voor de rechtspraak op dit moment de mogelijkheden om een pilot te starten waarin een professional die in de eerste plaats is opgeleid om met en vanuit het kind te werken, als bijzonder curator wordt benoemd.

De heer Voordewind heeft mij gevraagd om een inhoudelijke reactie op het rapport van de Kinderombudsman. Vanochtend hebben wij in een brief aan de Kamer kort gereageerd. Als het na dit overleg nog gewenst is, zullen wij daarop uitgebreider ingaan, maar niet dan nadat wij een aantal pilots hebben geëvalueerd. De brief hierover zal de commissie dus na de zomer krijgen.

Tot slot heeft Mevrouw Van der Burg mij gevraagd of ik kan toezeggen dat ik terugkom op de voorstellen van de Kamer. Er zijn interessante voorstellen gedaan en wij beiden komen dit najaar terug met een evaluatie van de zaken rondom de regierechter, verplichte mediation en de «perverse prikkels». Zo stelt het kabinet zich dat voor.

Mevrouw Van der Burg (VVD): De Staatssecretaris zegt «dit najaar». Is dat bijvoorbeeld 15 oktober? Dan kunnen wij dit misschien ook nog in de begrotingsbehandeling meenemen.

Staatssecretaris Teeven: Wij zullen bezien of wij die brief voor de behandeling van de begroting van VWS en Justitie kunnen sturen. Dat is een goed idee.

De voorzitter: Dank voor uw antwoorden. Ik geef nu het woord aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid voor de verdere beantwoording.

Staatssecretaris Van Rijn: Voorzitter. Ook ik bedank de verschillende leden voor hun inbreng. Het is belangrijk dat wij nu apart over het onderwerp vechtscheidingen spreken. Gelukkig is dit slechts een beperkt deel van het aantal scheidingen in Nederland. Je kunt er twee beelden van hebben. Je kunt zeggen dat het over het algemeen goed gaat, maar in een aantal gevallen heel slecht. Wij moeten ons echter ook niet blindstaren op deze 10%, want dit wil niet zeggen dat alle andere scheidingen wel goed gaan en dat zulke scheidingen geen belastende gevolgen voor het kind hebben. Mevrouw Keijzer verwoordde het treffend: «scheiden doet lijden», en dat is altijd belastend voor het kind. Er zijn verschillende gradaties in, maar wij praten nu vooral over de gevallen die het meest uit de hand lopen of die het grootste risico hebben om uit de hand te lopen. Vaak denken ouders bij vechtscheidingen zelf dat zij strijden in het belang van het kind, maar tegelijkertijd wordt het kind dan inzet van de strijd en komt het daardoor in de knel. Mevrouw Keijzer wees erop dat het een ernstige risicofactor voor het kind is als het de dupe wordt van zo'n vechtscheiding, met alle latere opvoedingsproblemen en psychische problemen van dien, met name ook waar het gaat om het aangaan van eigen relaties.

In dit debat is al aan de orde geweest dat dit een complexe problematiek is, die zich afspeelt in de privésfeer. Daardoor heb je altijd de discussie waar je als overheid moet ingrijpen en waar juist niet. Betrokkenen zijn soms geneigd om partij te kiezen voor een van de twee ouders, zoals wij ook in het Volkskrantartikel van vanmorgen konden lezen. Dat beperkt zich niet tot de meest betrokkenen, maar komt ook voor bij deskundigen. Wanneer een scheiding escaleert, kan dit dus verschillende oorzaken hebben. Er is geen silver bullet voor. Je kunt geen specifiek instrument aanwijzen waarmee je zulke zaken kunt oplossen of voorkomen.

Vorige week heb ik nog gesproken met een aantal jongeren van Villa Pinedo. Ik heb daar met Nichal, Marleen, Dara en Janina nog eens over hun ervaringen gesproken. Vanaf deze plek wil ik nog eens benadrukken hoe belangrijk het is om de stem van de kinderen een rol te geven in deze hele discussie. Als je ziet welke verantwoordelijkheid in een veel te vroeg stadium op de schouders van deze kinderen komt te liggen, wat dat betekent voor de rest van hun leven en welke keuzes zij moeten maken, kun je aan de ene kant alleen maar onder de indruk zijn van de kracht die daarvan uitgaat. Aan de andere kant zegt het ook iets over de wijze waarop wij met elkaar beleid moeten maken en de wijze waarop wij vanuit de overheid met vechtscheidingen moeten omgaan. Ik werd getroffen door het voortdurende loyaliteitsconflict dat deze kinderen moeten ervaren. Dit heeft mij erg gesterkt in de opvatting dat «scheidingseducatie» erg zinvol kan zijn. Dit is een mooie term voor «weet waar je aan begint, maar weet waar je op moet letten». Wij moeten meer door de ogen van deze kinderen naar het probleem kijken. Gelukkig gebeuren er al heel veel goede dingen, maar deze bewustwording, met name bij de ouders zelf, is een heel belangrijke sleutel om dit probleem aan te pakken. Wij moeten ook werken aan alle oplossingen die daarna komen, zoals mediation, de manier waarop kinderen in een rechtszaak worden gehoord en wat je eraan kunt doen in termen van begeleiding en opvoedingsondersteuning, maar het staat of valt bij het begin: zijn ouders zich voldoende bewust van de zaken waarop zij moeten letten om tot een goede scheiding te komen?

Samen aan de verbetering van de positie van het kind werken vergt niet alleen bewustwording, maar ook een aantal maatregelen van ouders, het sociale netwerk, de professionals en de gemeente. Misschien is het goed om die even langs te lopen. Ouders zijn in de eerste plaats aan zet om escalatie te voorkomen. Daar zijn heel goede voorbeelden van, bijvoorbeeld de online workshop voor ouders van Villa Pinedo, waarin ouders op een heel praktische en handige manier bewust worden gemaakt hoe je door de ogen van kinderen moet kijken als het om je eigen scheiding gaat. Ouders die zelf actief hulp zoeken, kunnen daarbij uitstekend worden ondersteund. Ik heb ZonMw gevraagd om onderzoek te doen naar aanbod, gebruik en effectiviteit van ondersteuning van ouders op dit gebied. Het is ook breder, maar dit is een heel goed voorbeeld van ondersteuning waaraan ouders in heel praktische zin iets kunnen hebben.

Mevrouw Ypma wees erop dat ook het sociale netwerk een belangrijke rol zou kunnen spelen. Daarmee ben ik het erg eens. Ook hier zien wij een beetje een kentering in de manier waarop wij naar echtscheidingen kijken. Waar een echtscheiding vroeger puur als een privéaangelegenheid werd gezien, zien wij langzamerhand ook in de omgeving meer bewustwording van de gevolgen die een echtscheiding heeft. Zoals de heer Van der Staaij opmerkte, kun je daar als overheid niet heel ver in gaan, maar grootouders, vrienden of buren kunnen er wel op wijzen dat je vooral ook door de ogen van het kind moet blijven kijken. Dat kan een erg belangrijke rol spelen in het voorkomen of uit de hand lopen van een scheiding.

De heer Van der Staaij (SGP): Onderzoek laat telkens weer zien dat ouders die professionele ondersteuning zoeken en zich afvragen wat het beste voor de kinderen is, heel veel kunnen vinden. Er is namelijk al heel veel, maar soms gaan ouders hiernaar zelf onvoldoende op zoek. Zij hebben een stimulans nodig. Dit zijn de ouders die professionele ondersteuning vaak juist het hardst nodig hebben. Wat wordt er gedaan om dit te bevorderen?

Staatssecretaris Van Rijn: Dit is een mooi bruggetje naar mijn volgende onderwerp, de rol van de professionals. Die worden vroeger of later in een traject geconfronteerd met de vragen van ouders of met situaties die uit de hand dreigen te lopen. De laatste jaren hebben betrokkenen in de jeugdzorg, juridische beroepsgroepen, de Kinderbescherming, gemeenten en de Kinderombudsman het onderwerp vechtscheidingen omarmd. Zij zien wat het kan betekenen. Bovendien beseffen zij de laatste jaren dat het van belang is om ook tegenover ouders te signaleren dat zij zich bewust moeten worden van de manier waarop zij dit proces ingaan, om een al dan niet meer gedwongen steuntje in de rug te krijgen bij het nadenken. Ik denk dus dat de heer Van der Staaij gelijk heeft. Het is mooi als ouders dit van tevoren beseffen en uitzoeken hoe zij dit moeten doen, maar als ze dat niet automatisch doen, moeten degenen die gesprekken met deze ouders voeren, of dat nou advocaten of hulpverleners van bijvoorbeeld het Centrum voor Jeugd en Gezin zijn, de ouders er al dan niet met zachte drang op wijzen dat ze zich moeten oriënteren op de vraag hoe je dit goed doet.

Het is goed om in de praktijk te zien dat verschillende zorgaanbieders zich actief inzetten om ouders op dat punt te ondersteunen. Het Lorentzhuis, dat specifieke ondersteuning voor het hele gezin verleent, heeft een methodiek ontwikkeld waarmee het veel lof oogst. Ik laat die ook beschrijven, zodat wij hiervoor een soort richtlijn hebben. Mevrouw Van der Burg vroeg naar de richtlijn scheiding die door het Nederlands Jeugdinstituut en de Universiteit Utrecht ontwikkeld wordt. Ik hoop die begin 2015 te ontvangen. Daarmee gaan wij ook voor de professionals wat meer oog krijgen voor de potentiële gevolgen van vechtscheiding en dat ouders daar in een vroeg stadium op worden gewezen.

Mevrouw Ypma en mevrouw Van der Burg hebben gevraagd wat de rol van de gemeenten wordt in de nieuwe situatie. Zij worden na de transitie van de jeugdzorg verantwoordelijk voor de jeugdhulp en dus ook voor hulp en ondersteuning aan kinderen die in de knel kunnen komen bij een echtscheiding. Dit najaar starten er gemeentelijke pilots vechtscheiding. Daarin gaan gemeenten experimenteren met de vormgeving hiervan. Hoe ga je het ontdekken, hoe ga je de triage doen? Hoe kun je vechtscheidingen vroegtijdig signaleren? Ik ben erg blij dat gemeenten veel belangstelling hebben getoond om hieraan mee te werken. Je kunt bijvoorbeeld discussiëren over verschillende vormen van omgangsvoorzieningen die voorkomen dat de zaak uit de hand loopt. Ik denk dat het verzachten van het conflict waar dat nog niet verhard is, een heel belangrijke sleutel is.

Kortom, in het beleid zie je enerzijds veel bewustzijn bij de overheid dat er grenzen zijn aan de maatregelen die je kunt nemen, maar anderzijds zeker op het gebied van jeugdhulp en jeugdzorg een vergrote inzet om de bewustwording bij ouders te vergroten, ook bij ouders die deze van tevoren niet hebben. Er ligt een rol voor de professionals die linksom of rechtsom met deze problematiek worden geconfronteerd, om ouders erop te wijzen dat zij ook door de ogen van het kind dienen te kijken.

Mij zijn ook een aantal specifieke vragen gesteld. Mevrouw Ypma vroeg mij of professionals gebruikmaken van de verplichte meldcode in het kader van vechtscheidingen. Het antwoord daarop is «ja», maar er zit wel een komma bij. Het is erg belangrijk om professionals er nog verder van te overtuigen dat je dan niet alleen maar praat over huiselijk geweld en kindermishandeling in fysieke zin, maar dat het alle vormen van kindermishandeling betreft, ook de geestelijke mishandeling die het gevolg kan zijn van een vechtscheiding. Het lijkt mij dus ook goed om in de verdere uitrol van de meldcode nog eens nadrukkelijk aandacht voor dit punt te vragen. Dat zullen wij dan ook doen.

Mevrouw Ypma heeft ook gevraagd of het Centrum voor Jeugd en Gezin – en breder de gemeente – een rol kan spelen bij het beschikbaar stellen van informatie over vechtscheiding en scheiding aan ouders. De heer Van der Staaij heeft ook een vraag in die richting gesteld. Er is op dit moment al heel veel informatie beschikbaar, maar wij zullen bekijken of wij die nog verder kunnen bundelen en bijvoorbeeld op Rijksoverheid.nl en Opvoeden.nl beschikbaar stellen, zodat iedereen die dat wil, compacte informatie ter beschikking heeft die gebruikt kan worden in de contacten met ouders.

Mevrouw Ypma wees erop dat het niet alleen om de jeugdhulp gaat, maar ook om bijvoorbeeld wat er op scholen gebeurt. Dat is een heel terecht punt. Daar ontstaan vaak de eerste gevoelens dat er iets niet pluis is. Villa Pinedo heeft een online workshop voor ouders gemaakt. Ik zou wel willen bespreken of die gebruikt of omgebouwd kan worden om bijvoorbeeld heel praktische tips voor leerkrachten te geven: hoe je dit herkent, hoe je hiermee omgaat en hoe je de gesprekken met kinderen voert. Ik gebruik de suggestie van mevrouw Ypma graag om dit te bespreken en te bekijken of wij in dezen een extra inspanning kunnen plegen.

Mevrouw Van der Burg heeft gevraagd wat de rol van het AMK is bij beschuldigingen van kindermishandeling bij vechtscheidende ouders. Het AMK richt zich vooral op de veiligheid van het kind. Het moet altijd serieus onderzoek doen naar de veiligheid van het kind, ook als er sprake is van een vechtscheiding. Ik onderschrijf met mevrouw Van der Burg het belang van snel onderzoek, overigens zonder meegesleurd te worden in de strijd van twee ouders, waarbij het wellicht alleen maar beschuldigingen zijn. Met de collega van Veiligheid en Justitie constateer ik dat wij morgen nog wel zullen komen te spreken over de inzet van forensisch-medische expertise, een onderwerp dat ons beiden na aan het hart ligt.

In antwoord op mevrouw Berndsen heb ik al gezegd dat wij veel enthousiasme en interesse bij de gemeenten aantreffen als het gaat over de vraag wat zij straks kunnen betekenen in de nieuwe verhoudingen rondom jeugdhulp en jeugdzorg. Dit gaat ook een rol spelen in de zorg die gemeenten gaan inkopen. Ik heb daarop nu geen zicht, maar zal dit zeker in de gaten houden. Ik heb ZonMw gevraagd om hierin een ondersteunende rol te spelen door te bekijken welk zorgaanbod zou kunnen worden ingekocht.

De heer Voordewind heeft een vraag gesteld over relatie-ondersteunende therapie. Dat is een bijzonder onderwerp dat misschien niet zozeer op deze tafel thuishoort. Het proces dat wij voor pakketbeoordelingen altijd doorlopen, is dat wij een advies van het College voor zorgverzekeringen vragen. Dat bekijkt of iets in het verzekerpakket thuishoort of niet. Dat is in dit geval bekeken. Het College voor zorgverzekeringen heeft gezegd dat hier geen sprake is van een stoornis waarvoor je verzekerde zorg moet bieden. Met mevrouw Ypma vraag ik mij af of het wijs is om iedereen premie te laten betalen voor relatietherapie. Dat is destijds afgewogen. Wel doen wij nu een pilot met de gemeenten en er is dus wel een ondersteunend aanbod voor ouders, tegen het licht van het feit dat er ook gevaar voor kinderen kan zijn. Ik zou hierin eerder de weg zoeken dat het deels tot de normale jeugdzorg en jeugdhulp gaat behoren om ondersteuning te kunnen bieden waar dat nodig is. Ik zou dit niet willen laten uitmonden in een discussie over de vraag of dit wel of niet in het verzekerde pakket zit. Ik wil de suggestie van de heer Voordewind in die zin dus wel meenemen in mijn gesprekken met de gemeenten.

De heer Voordewind (ChristenUnie): De Staatssecretaris verwijst naar de afweging van het College voor zorgverzekeringen, maar uiteindelijk bepaalt de politiek hoe het pakket eruit komt te zien. Wij hebben ook een discussie gehad over de vraag of diëtisten wel of niet in het pakket zouden moeten zitten, omdat je je daarbij ook kunt afvragen of er sprake is van een stoornis. Ik ben blij met de handreiking van de Staatssecretaris, die wil bekijken of dit op een andere manier gefinancierd zou kunnen worden, maar ik zou dit toch nog eens onder de aandacht willen brengen. Uit onderzoeken en de evaluatie blijkt dat er voor mensen met een laag inkomen een drempel is om naar een relatietherapeut te stappen. Dit zou een heel logische stap kunnen zijn die uiteindelijk veel kosten zou kunnen voorkomen.

Staatssecretaris Van Rijn: De vraag wat in en uit het pakket moet, blijft uiteraard altijd een afweging die ook aan de politiek is. Ik neem aan dat de heer Voordewind hiervoor een voorstel zal doen dat is voorzien van dekking.

Voorzitter, tot zover mijn antwoord op de vragen die mij gesteld zijn.

De voorzitter: Dank u. Ik stel voor dat wij in tweede termijn maximaal twee minuten spreektijd met één interruptie hanteren.

Mevrouw Ypma (PvdA): Voorzitter. Het is inderdaad een probleem waarvoor niet één oplossing is. Ik bedank de beide Staatssecretarissen hartelijk voor de vele toezeggingen die zij hebben gedaan.

Ik heb in eerste termijn zes belangrijke punten genoemd en op al die zes punten is een goede reactie gekomen. Het bundelen van informatie op Opvoeden.nl en meer aandacht voor leerkrachten lijkt mij ontzettend belangrijk. Het tweede punt was het verplicht stellen van mediation. Het is goed dat er een voorstel komt om de rechter standaard te laten doorverwijzen naar mediation; de Staatssecretaris heeft althans toegezegd dat hij dit gaat uitzoeken. Onze voorkeur gaat daar absoluut naar uit. Mijn derde punt betrof de meldcode. Die moet echt voor alle vormen van kindermishandeling gelden. Ik vraag de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om die meldcode ook voor de mediators in de gedragscode te laten opnemen. Graag krijg ik daarop nog een korte reactie. Op de prikkel voor advocaten is ook uitgebreid ingegaan, evenals op het punt van één rechter, één dossier. Wij zijn het er erg mee eens dat dit via de termijn voor nazorg geregeld kan worden en wij wachten de voorstellen af. Ten slotte heb ik aandacht gevraagd voor het luisteren naar kinderen in de rechtszaak. De bijzondere curator is daarvan één vorm. De aandacht van rechters zelf en de bijscholing van rechters in dezen is een andere vorm. Daarop heb ik geen reactie gekregen. Wellicht kan de Staatssecretaris die alsnog geven.

Mevrouw Kooiman (SP): Voorzitter. Dit overleg is eigenlijk hartstikke mooi, want wij hebben allen constructief meegedacht en beide bewindspersonen hebben aangegeven dat zij heel veel zaken oppakken. Of het nu gaat om het ouderschapsplan, de bijzondere curator of de voorstellen van de vFAS, beide bewindspersonen hebben aangegeven dat zij met instanties in overleg gaan of dat zij ons in het najaar of zelfs in het voorjaar meer gaan vertellen.

Voor de SP-fractie blijft er één punt over, de verplichte mediation. Zoals ik al heb aangegeven, zijn wij daarvan voorstander. De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie geeft aan dat hij dat instrument pas wil inzetten na het eerste contact met de rechter. Dat lijkt mij iets te laat. Het lijkt mij heel goed om te bekijken of je voorafgaand daaraan al een mediationtraject kunt inzetten. Laten wij wel wezen, de betreffende mensen zijn allemaal getrouwd geweest en moeten dus verplicht bij de rechter scheiden, maar soms wordt bij de Raad voor de Kinderbescherming wel gevraagd om te kijken naar een goede omgangsregeling. Dat leidt vaak al tot heel veel ruzies. Het zou heel mooi zijn als de Raad voor de Kinderbescherming dan al een mediationtraject kon inzetten.

Een grote zorg van onze fractie is de financiering. De eigen bijdrages bij echtscheiding zijn enorm hoog. Bij een lager inkomen kan dat straks wel € 400 tot € 500 zijn. Volgens mij gaat dat in juli al in. Als je dan ook nog eens een eigen bijdrage moet betalen voor mediation, stapelt het zich wel erg op. Zeker bij echtscheidingszaken, waarin financiën een grote bron van ruzies vormen en waar het kind vaak tussenin zit, lijkt mij dat niet wenselijk. Graag krijg ik hierover een toelichting van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Is hij bereid om goed te bekijken of dit beter ingebed kan worden, misschien inderdaad wel bij de Raad voor de Kinderbescherming, die het eerste euvel ondervangt en die er als eerste bij is als zich problemen voordoen bij een scheiding?

Mevrouw Van der Burg (VVD): Voorzitter. Ik dank de beide Staatssecretarissen voor dit overleg en de vele toezeggingen. Ik ga ze niet allemaal herhalen. Wij komen er in het najaar op terug. Ik hoop dat dit medio oktober kan, zodat wij de tijd hebben om onszelf daarop voldoende voor te bereiden. Zoals ik heb aangegeven, is de volgorde der dingen heel belangrijk. 85% komt er zelf uit en dat is prima. Daarmee moeten wij ons vooral niet bemoeien. Het gaat om de ouders met minderjarige kinderen waar zich een probleem voordoet, want die kinderen mogen daar niet de dupe van worden.

Ik was ook blij met de woorden van de Staatssecretaris van VWS over het belang van de kinderen. Als je in zo'n situatie zit, kijk dan vooral naar die filmpjes op de website van Villa Pinedo wat het betekent voor kinderen en geef je daar rekenschap van, want het is soms hartverscheurend.

De regierechten en de sancties vinden wij heel belangrijk. Er moet ook goed gekeken worden naar het nakomen van uitspraken van de rechter. Wij hebben het daarover gehad en ik ben blij met de toezeggingen op dat punt. Wij moeten opletten dat wij de sancties niet slechts bij één partij toepassen en niet bij de andere. Dat blijft een belangrijk aandachtspunt.

Ik heb nog één punt, de forensisch-medische expertise. Ik wil daarop morgen ook graag terugkomen. De Staatssecretaris van V&J ging mij wat kort door de bocht door te zeggen dat dit nooit een rol speelt. Mij ging het juist om de gevallen waarin een van de partners wordt beschuldigd van seksueel misbruik of fysieke kindermishandeling. Als daarvan ernstige vermoedens zijn en als die beschuldigingen serieus worden genomen, moeten die ook onmiddellijk onderzocht worden, zodat dit als angel uit de vechtscheiding kan worden gehaald. Wij willen voorkomen dat men oneigenlijk zaken aan de orde stelt en beschuldigingen uit, of dat men beschuldigingen juist niet serieus neemt terwijl er wel iets aan de hand is. Ik hoor nu soms van jeugdzorg: o, wij doen niets, want het is een vechtscheiding. Dat lijkt mij erg ongewenst, want het kan zijn dat kinderen in gevaar zijn. Ook kan dit een escalerende factor zijn voor een probleem in de relatie. Ik denk dat iedereen zich dat kan voorstellen. Ik wilde hier dus nog even op terugkomen. Die gevallen moeten echt met forensisch-medische expertise worden onderzocht om ze uit de sfeer van elkaar beschuldigen te halen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Voorzitter. Ik dank de beide Staatssecretaris voor de beantwoording. Graag zou ik van de Staatssecretaris van V&J nog helderheid krijgen over de verplichte mediation. Ik hoor hem zeggen dat hij hierin terughoudend is, terwijl ik mevrouw Ypma hem hoor bedanken voor het feit dat hij de verplichte mediation gaat onderzoeken. Ik heb dus wel belang bij een duidelijke uitspraak van de Staatssecretaris. De heer Van der Staaij kan wel zeggen dat het een ouderwetse benadering is, maar misschien ben ik daarom iets meer van V&J. Het is nu eenmaal zo dat wij te maken hebben met mediators die gecertificeerd zijn door het Nederlands Mediation Instituut. Van die mediators maakt de rechtbank ook gebruik. Die hebben kaders en zij hebben een reglement opgesteld, waaraan die mediators zich gewoon te houden hebben. Een van de pijlers daarvan is dat het op basis van vrijwilligheid moet gebeuren. Als je het op een andere manier wilt doen, kan het geen mediation heten. Dan heet het arbitrage. Ik zou het op prijs stellen om hierover duidelijkheid van de Staatssecretaris te krijgen.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. Het is goed dat wij het hierover uitgebreid hebben gehad. De Staatssecretaris van V&J heeft gezegd dat het altijd belastend is voor kinderen als er een scheiding dreigt of als die is ingezet. Daarom is er een groot belang om naar de preventiemaatregelen en het CJG te kijken.

Ik zie de reactie op het rapport van de Kinderombudsman graag tegemoet. Ik dank de Staatssecretaris voor die toezegging.

Ik zie het punt van mevrouw Kooiman, die zich afvraagt wanneer je tot verplichte mediation moet komen als er geen sprake is van een samenlevingscontract of een huwelijk. Dat is inderdaad een dilemma. De Staatssecretaris heeft toegezegd dat hij gaat bekijken wat een goed moment zou kunnen zijn, niet volgens de strategie van de Kinderombudsman, maar later in het proces. Ik wacht dat af.

Ik neem de handschoen van de Staatssecretaris van VWS op wat de kosten voor relatietherapie betreft. Ik ga eens bekijken of dit mogelijk is. Ik begrijp dat er in juni weer een pakketdiscussie komt. Mijn fractie vindt het heel belangrijk om te bekijken of wij dit zouden kunnen realiseren.

Met betrekking tot de naleving en de sancties zou het goed zijn als wij ook het belang van het recht van omgang met de andere partner centraalstellen. Dat is ook van belang voor het kind.

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Ik bedank beide Staatssecretarissen voor de uitvoerige antwoorden en voor de toezeggingen. Daaruit blijkt dat zij over enkele zaken nog met elkaar door willen spreken, onder andere over de verplichte mediation, de versterkte rol van mediation en ervaringen van andere landen. Wij steunen van harte de intentie om op dat pad verder te gaan. Ik ben blij dat de Staatssecretaris van VWS ook nadrukkelijk de stem van de kinderen verwoord heeft. In alle rapporten valt op dat heel vaak over het belang van het kind wordt gesproken, maar dat dit te zeer een holle frase wordt. Het beste geneesmiddel daartegen is om de kinderen zelf aan het woord te laten. Villa Pinedo is in dat verband eerder genoemd.

Ook wij zien een belangrijke rol voor de gemeente weggelegd op het gebied van preventie. Ik bedank de Staatssecretaris voor de toezegging om te bekijken wat gemeenten vanuit hun rol op het terrein van de jeugdzorg op dat gebied kunnen betekenen.

Tot slot. Ik vind het heel goed om juist ook de pijnlijke gevolgen van echtscheidingen voor kinderen geen taboe te laten zijn. Ik snap heel goed dat wij pastoraal willen zijn voor ouders, die geen behoefte hebben om een schuldgevoel aangepraat te krijgen en al genoeg ellende zien. Dat delen wij met elkaar. Heel veel kinderen weten zich ook te redden. Hun gun je het dat hen dit niet nog eens wordt ingewreven, maar aan de andere kant, die van de preventie, is wel heel veel ellende voor kinderen het gevolg van scheidingen en slechte relaties. Dat moeten wij als samenleving eerlijk onder ogen zien en zo veel mogelijk voorkomen.

Mevrouw Keijzer (CDA): Voorzitter. Ook ik dank de beide Staatssecretarissen voor de beantwoording van de vragen. Het gaat in deze discussie over twee onderwerpen. Aan de ene kant wil je vechtscheidingen proberen te voorkomen. Daarin kan de verplichte mediation of hoe je het ook wilt noemen een rol spelen: een doorverwijzing naar een mediator op het moment dat twee ouders een procedure aan het voeren zijn voor een echtscheiding op tegenspraak. Daar kan absoluut een plek zijn voor verplichte mediation, maar ook alleen daar. Ik denk dat je met een mug op een olifant schiet als je het in alle gevallen doet. Aan de andere kant heb je de situaties waarin echt sprake is van een vechtscheiding. Daarop is het pleidooi van het CDA gericht om ouderschapsonderzoek, de forensische mediator, in te zetten. Ik ben blij met de toezegging van de Staatssecretaris. Ik wacht zijn brief af die hij na het reces, uiterlijk voor 15 september, zal sturen en waarin staat hoe dit alles zijn beslag gaat krijgen. Ik ben dan ook zeker geïnteresseerd in de financiering daarvan, niet alleen in de financiering op rijksniveau in de rijksbegroting, maar zeker ook in de vraag wat de doorverwijzing betekent voor de vechtende voormalige echtelieden. Ook daarvoor moet natuurlijk financiering beschikbaar blijven, zeker voor mensen die het zich echt niet kunnen veroorloven.

De voorzitter: Wij gaan gelijk door met de beantwoording.

Staatssecretaris Teeven: Voorzitter. Ik bedank de leden voor hun opmerkingen in tweede termijn.

Ik wil aanhaken bij de woorden waarmee mevrouw Keijzer haar inbreng in tweede termijn begon. Zij zei: verplichte mediation, of hoe je het ook wilt noemen. Volgens mij gaat het niet zozeer om de vraag hoe je het noemt. Uit de inbreng constateren wij dat er twee momenten zijn waarop de mediation een rol gaat spelen. Op het ene moment verwijst de rechter terug en moet men er eerst maar eens zelf uit proberen te komen. Dat is geen verplichte mediation. De rechter zegt dan gewoon dat hij nog geen uitspraak doet en dat mensen eerst even met verstand met elkaar moeten gaan praten. Het andere moment is als de Raad voor de Kinderbescherming op enig moment die rol pakt. De collega en ik hebben toegezegd dat wij dit gaan uitzoeken en dat wij naar de internationale ervaringen gaan kijken.

Wij denken dat er met enige drang – geen dwang – wel een mogelijkheid is om mensen in de richting van mediation te krijgen. Dat gaan wij onderzoeken. Er is wel een probleem, met name in het geval waarover de heer Voordewind sprak, namelijk als er geen sprake is van een huwelijk dat ontbonden wordt, maar als er een relatie is die stopt. Het is helemaal ingewikkeld als dat een relatie zonder samenlevingscontract is, waarbij er helemaal niks over de kinderen is opgemerkt. De vraag is wanneer dan de rol van bijvoorbeeld de Raad voor de Kinderbescherming moet beginnen. Daar zal de komende tijd nadrukkelijk naar gekeken worden, want de Raad voor de Kinderbescherming heeft wel degelijk de mogelijkheid om in dit opzicht wat te doen, maar wij moeten even bekijken wanneer die in beeld komt. De collega en ik hebben het uitgebreide rapport over de casus-Zeist gelezen. In die situatie kwamen de instanties pas heel laat in beeld. Die vechtscheiding was al heel vergevorderd toen de overheid er eindelijk iets van te weten kwam. Het is dus best ingewikkeld. Op welk moment moet je ingrijpen? Wij gaan daarnaar kijken.

Het punt van mevrouw Ypma is duidelijk, maar mevrouw Berndsen heeft ook gelijk. Ik heb de term «verplichte mediation» niet in de mond genomen. Ik ga die mogelijkheid onderzoeken en ik sluit drang niet uit; dwang wel. Volgens mij zit daar de oplossing voor het geheel.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Even voor alle duidelijkheid: ik vind mediation een buitengewoon goed en mooi instrument. Ik vind dus ook dat de effectiviteit daarvan niet ondermijnd of ondergraven moet worden door dit in te zetten in situaties waarin het niet effectvol zal zijn. Bij drang kan ik mij iets voorstellen, maar bij dwang absoluut niet.

Staatssecretaris Teeven: Mevrouw Ypma sprak ook over de meldcode. Er zit wel spanning tussen een meldcode voor mediators en hun geheimhoudingsplicht. Wij zullen dit bezien, mede in het kader van het wetsvoorstel van Van der Steur c.s. Ik zal dit afstemmen met de initiatiefnemers.

Over de termijn voor nazorg hebben wij gesproken.

Luisteren naar kinderen is inderdaad heel belangrijk. Zij hebben natuurlijk een rol. De wettelijke rol van kinderen onder en boven de 12 is verschillend, maar dat zij moeten meepraten, is helder. Het is ook heel belangrijk dat rechters luisteren. Dit is onderdeel van het overleg dat wij hierover voeren.

Over de verplichte mediation heb ik inmiddels heel veel gezegd, evenals over de omgangsregeling, waarover mevrouw Kooiman sprak.

Laat ik nog iets over de financiering zeggen. Laat over dit algemeen overleg geen misverstand bestaan: het moet allemaal budgettair neutraal. Als er geld bij moet, is het niet mogelijk. Dat moet even helder zijn. Die eigenbijdrageregeling gaat volgens mij niet in per 1 juli, maar per 1 januari 2016, uit mijn hoofd gezegd. Sommige dingen gaan in 2015 in en sommige in 2016.

Mevrouw Kooiman (SP): De bedragen die ik in tweede termijn heb genoemd, stammen van 1 oktober 2013, en er komt nog meer aan. Ik heb de Staatssecretaris gevraagd om goed te kijken hoe wij creatiever kunnen omgaan met de inzet van mediation, met name ook in een vroegtijdig stadium, waardoor wij de rechtsgang en de eigen bijdrages kunnen voorkomen. Daarmee kunnen wij heel veel ellende voorkomen, ook voor kinderen. Wij kunnen ook bekijken hoe dit mogelijk budgettair neutraal kan. De Raad voor de Kinderbescherming deed het voorheen ook. Dat was destijds gratis. Ik zie de uitwerking met veel plezier tegemoet.

Staatssecretaris Teeven: Dat is mooi; daar ben ik blij mee.

Mevrouw Van der Burg heeft nog eens de nadruk gelegd op de forensisch-medische expertise en onmiddellijk onderzoek. Wij verschillen niet van mening, maar zoals ik heb aangegeven, is het percentage gevallen waarin sprake is van aantasting van de fysieke integriteit aanmerkelijk lager dan het totale aantal vechtscheidingen. Ik denk dat het verstandig is om hierop morgen in zijn algemeenheid terug te komen. Ik heb ook behoefte om dit nog even binnen het kabinet met de collega's te bespreken. Dan krijgt de Kamer morgen antwoord van het kabinet.

De vragen van mevrouw Berndsen heb ik net beantwoord.

Ik heb de heer Voordewind een reactie toegezegd.

De heer Voordewind benadrukte nog eens het recht van omgang met de andere partner, die niet de verzorgende ouder is. Ik ga met de raad in gesprek en zal dit opnemen. Dat kan ik toezeggen.

Ik ben blij met het vertrouwen van de CDA-fractie in hetgeen ik zal doen rondom het ouderschapsonderzoek.

De voorzitter: Ik dank de Staatssecretaris voor zijn antwoord.

Wij zijn bijna aan het einde van dit algemeen overleg gekomen, maar niet dan nadat ik de toezeggingen heb voorgelezen.

  • De Staatssecretarissen zullen de Kamer in het najaar een brief sturen ten aanzien van financiering van mediation en onderzoek naar de kosten in overleg met de Raad voor de Rechtspraak, de vakgroep familierecht en de initiatiefnemers van het wetsvoorstel. Zij zullen daarin weging bij sancties, situaties in andere landen en de posities van vaders meenemen.

  • De Staatssecretarissen zullen na het zomerreces, in september 2014, terugkoppelen over de mogelijkheden van financiering, opleiding en geschiktheid in het kader van het ouderschapsonderzoek.

  • De Staatssecretaris zal de Kamer naar aanleiding van de brief van de vFAS in het najaar informeren over een uitwerking van de vergoedingen in het kader van de gesubsidieerde rechtsbijstand in de verschillende fases van het proces.

  • De Staatssecretaris zal de Kamer periodiek op de hoogte stellen ten aanzien van de pilot met regierechten en ten aanzien van het KEI-programma.

  • De Staatssecretarissen zullen na de zomer een reactie geven op het rapport van de Kinderombudsman.

Ik dank de mensen op de publieke tribune voor hun belangstelling. Ik dank uiteraard ook de twee Staatssecretarissen, hun ambtenaren en mijn collega's.

Sluiting 12.51 uur.