Gepubliceerd: 13 september 2013
Indiener(s): Tanja Jadnanansing (PvdA)
Onderwerpen: burgerlijk recht recht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33676-4.html
ID: 33676-4

Nr. 4 VERSLAG

Vastgesteld 13 september 2013

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

Inhoudsopgave

blz.

   

ALGEMEEN

2

   

1. Inleiding

2

2. Jurisdictie

2

3. Forumkeuze

2

4. Erkenning en tenuitvoerlegging

2

   

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

3

ALGEMEEN

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel Uitvoeringswet EU-executieverordening en Verdrag van Lugano (hierna: de Uitvoeringswet). Zij hebben slechts enkele vragen die verderop aan de orde zullen komen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben hierover enkele vragen.

Voornoemde leden merken op dat het wetsvoorstel met zich meebrengt dat buitenlandse vonnissen niet meer worden getoetst alvorens ze ten uitvoer kunnen worden gelegd. Zij vragen of de kwaliteit van de rechtspraak voor wat betreft integriteit en onafhankelijkheid in andere landen even hoog is als in Nederland. Is dat recentelijk nog gemeten en hoe wordt dat in de toekomst gegarandeerd? Zijn er gevallen bekend waarin in het verleden een exequatur is geweigerd op de grond dat er sprake was van een door corruptie tot stand gekomen vonnis? Zo ja, hoe is dat verder afgehandeld? Kan worden voorkomen dat een door middel van corruptie verkregen titel rechtstreeks uitvoerbaar is in Nederland? Zo ja, op welke wijze? Zijn er eventueel aanpassingen mogelijk als er substantiële verslechteringen optreden in de situatie in een Europees land? Is het mogelijk voor een Nederlandse burger om iets te doen op het moment dat hij met een dergelijk vonnis wordt geconfronteerd?

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel en hebben hierover een aantal kritische vragen en opmerkingen.

2. Jurisdictie

De leden van de SP-fractie constateren dat een agentuurovereenkomst die onder omstandigheden wordt aangemerkt als arbeidsovereenkomst niet onder de Brussel I Verordening valt. Door de economische crisis komt het echter steeds vaker voor dat werkgever en werknemer de arbeidsovereenkomst om laten zetten in een opdrachtovereenkomst. Betekent dit dat de Brussel I Verordening niet meer van toepassing zal zijn op deze nieuwe overeenkomst, ook al is de feitelijke verhouding niet anders? Zo ja, acht de regering deze ontwikkeling wenselijk als uiteindelijk een geschil ontstaat?

3. Forumkeuze

De leden van de SP-fractie willen graag weten of er toch een kans bestaat op praktische en/of juridische problemen doordat de EU en de lidstaten nog niet zijn toegetreden tot het Haags Forumkeuzeverdrag, ondanks dat dit niet strijdig is met de Brussel I Verordening. Op welke termijn verwacht de regering dat de EU en de lidstaten het Haags Forumkeuzeverdrag hebben geratificeerd en kunnen toetreden?

4. Erkenning en tenuitvoerlegging

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de Raad voor de Rechtspraak (RvdR) heeft geadviseerd om in de Uitvoeringswet op te nemen dat in Nederland de deurwaarder de met tenuitvoerlegging belaste autoriteit is. Zodoende hoeft een partij die een beslissing ten uitvoer wil leggen zich niet in het Nederlandse procesrecht te verdiepen om te weten bij welke instantie hij moet zijn. In de memorie van toelichting lezen deze leden dat dit niet nodig is, omdat de Verordening rechtstreekse werking heeft. Zij vragen of het toch niet wenselijk is dit toch op te nemen in de Uitvoeringswet, zodat het voor een ieder direct duidelijk is. Zo nee, waarom niet?

De aan het woord zijnde leden merken op dat degene tegen wie een vonnis uit een andere lidstaat ten uitvoer wordt gelegd, daartegen een rechtsmiddel kan instellen. Dit is bijvoorbeeld het geval als die persoon van mening is dat al gevolg is gegeven aan de rechterlijke beslissing. De RvdR heeft om de reden als eerder geadviseerd om in de wettekst expliciet op te nemen dat voor indiening van een verzoek tot weigering een advocaat moet worden ingeschakeld. Dit advies is wederom niet overgenomen door de regering met als motivering dat dat niet nodig is omdat het uit de Verordening en uit het Nederlandse procesrecht volgt. Deze leden vragen of het niet wenselijk is in verband met de duidelijkheid om dit toch in de Uitvoeringswet op te nemen. Zo nee, waarom niet?

De leden van de SP-fractie vragen wat precies het feitelijke verschil zal zijn tussen een exequatur en een certificaat. Onder welke voorwaarden krijgt een buitenlandse rechterlijke beslissing een dergelijk certificaat, zodat tenuitvoerlegging in principe mogelijk is? Hoe wordt er voorts voor gezorgd dat het afschaffen van het exequatur niet ten koste gaat van de rechtsbescherming van degene jegens wie erkenning en tenuitvoerlegging wordt gevraagd? Kan de regering dat nader toelichten? Als het afschaffen van het exequatur niet ten koste van de rechtsbescherming gaat, waar zit dan de (efficiency)winst van deze Verordening en Uitvoeringswet?

Voorts stellen deze leden het op prijs als de regering voorbeelden kan geven van grensoverschrijdende geschillen met beslissingen uit andere lidstaten waar voor erkenning en tenuitvoerlegging voorheen een exequatur vereist was en waarmee geschetst kan worden dat de rechtsbescherming ook in de nieuwe situatie gewaarborgd is.

De aan het woord zijnde leden constateren ten slotte dat het verzoek om een vertaling van de beslissing de executie aanhoudt totdat de geëxecuteerde de beschikking heeft gekregen over de vertaling. Wat betekent dit voor de termijnen die gelden voor het instellen van eventuele rechtsmiddelen tegen die tenuitvoerlegging? Worden deze termijnen ook opgeschort?

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 7 en 8

De leden van de VVD-fractie hebben vanuit het veld enkele vragen en opmerkingen ontvangen die zij graag op hun beurt aan de regering voorleggen. Van wezenlijk belang voor de executie is de beschikbaarheid van een deugdelijk certificaat, dat op verzoek van de belanghebbende partij is afgegeven door het gerecht van oorsprong. De tekst van artikel 42 van de Verordening onderstreept dit. Welk rechtsmiddel staat voor de belanghebbende partij open als het overeenkomstig artikel 53 van de Verordening afgegeven certificaat een fout bevat dan wel, in weerwil van het verzoek van die partij, geen certificaat wordt afgegeven? Zullen de artikelen 31 en 32 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing zijn als het om een misslag gaat? Bestrijkt artikel 13 van de Wet algemene bepalingen ook de gehoudenheid van de Nederlandse rechter om op verzoek van de belanghebbende een certificaat af te geven?

De voorzitter van de commissie, Jadnanansing

De adjunct-griffier van de commissie, Van Doorn