Gepubliceerd: 29 mei 2013
Indiener(s): Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (GroenLinks-PvdA)
Onderwerpen: recht strafrecht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33486-8.html
ID: 33486-(R1994)-8

Nr. 8 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 30 mei 2013

Met belangstelling hebben wij kennis genomen van het verslag dat de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft uitgebracht over het met Peru gesloten verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen. Wij constateren dat de leden van de VVD-fractie met het doorbreken van het stilzwijgen bij de goedkeuring, het debat over de wenselijkheid van dit type verdragen en de mogelijke aanzuigende werking ervan wil openen en verder dat de leden van de fracties van de PvdA en de SP steun uitspreken voor het verdrag en dat de leden van de PVV-fractie met belangstelling kennis hebben genomen van het verdrag.

Inleiding

De VVD-fractie heeft de wens geuit het debat over de wenselijkheid van verdragen over overbrenging van gevonniste personen (voortaan: wotsverdragen) te openen. Wij menen er goed aan te doen eerst op deze vraag in te gaan. De eerste ondergetekende merkt naar aanleiding daarvan op, dat een paar jaren geleden een debat is gevoerd met de Tweede Kamer over de overbrenging van gedetineerden uit en naar het buitenland en over het met het oog daarop sluiten van verdragen. Op basis van dat overleg zijn de onderhandelingen over een aantal verdragen, waaronder het onderhavige, door zijn ambtsvoorganger gestart en door de eerste ondergetekende afgerond. Bij brief van 5 november 2007 heeft zijn ambtsvoorganger het beleidskader inzake de overdracht van de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen aan de Tweede Kamer toegezonden (Kamerstuk 31 200 VI, nr. 30). In dat beleidskader is onder meer de ratio van het beleid vastgelegd, te weten dat overbrenging van Nederlanders in buitenlandse detentie niet allereerst humanitair van aard is, maar gericht is op resocialisatie in het land waar men woont. Nederland is erbij gebaat dat Nederlanders die bij ons wonen en die in het buitenland tot een vrijheidsstraf worden veroordeeld niet na het uitzitten van hun straf in Nederland terugkeren zonder dat hun terugkeer in de Nederlandse samenleving is voorbereid. Die voorbereiding kan plaatsvinden door de tenuitvoerlegging van de in het buitenland opgelegde straf, althans een deel daarvan, in Nederland ten uitvoer te leggen. Verder is daarin het toekomstige verdragsbeleid geschetst. Over dat beleidskader heeft de vaste commissie op 13 februari 2008 met zijn ambtsvoorganger een algemeen overleg gevoerd (Kamerstuk 31 200 VI, nr. 115), waarin bleek dat het beleidskader op hoofdlijnen wordt ondersteund. In dat debat kwam ook de noodzaak voor waakzaamheid tegen aanzuigende werking aan de orde. In het verlengde van het Algemeen Overleg heeft de ambtsvoorganger bij brief van 13 februari 2009 onder meer gemeld dat aan Peru een voorstel voor een bilateraal verdrag was gezonden (Kamerstukken II 2008/09, 30 010, nr. 13). Het verloop van de onderhandelingen is verder nog aan de orde gekomen in Kamervragen van het voormalige lid van de Tweede Kamer, mevrouw Van Velzen, van respectievelijk 13 mei 2009 (Aanhangsel Handelingen 2008/09, 2990 en 2009/10, nr. 647).

De leden van de fractie van de VVD stelden verder een aantal vragen van algemene strekking over de goedkeuring van verdragen. Voor de antwoorden op de vragen van deze leden wijst de tweede ondergetekende op het gestelde in de memorie van toelichting bij de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen (Kamerstuk 21 214 (R 1375), nr. 3, blz. 6 en 7). Bij de keuze of een verdrag overeenkomstig artikel 3 van de Rijkswet ter uitdrukkelijke goedkeuring wordt voorgelegd, zijn twee factoren bepalend. In de eerste plaats wordt nagegaan of binding aan het verdrag vereist dat op nationaal niveau uitvoeringswetgeving wordt aangenomen. Wanneer dit het geval is, wordt het verdrag ter uitdrukkelijke goedkeuring voorgelegd. Als hier geen sprake van is, wordt de wenselijkheid om het verdrag ter uitdrukkelijke goedkeuring voor te leggen beoordeeld op basis van de inschatting dat het waarschijnlijk is dat het parlement met de regering van gedachten wil wisselen over het verdrag. Dit kan zijn gebleken uit reacties van de zijde van het parlement op lijsten van in voorbereiding zijnde verdragen die viermaal per jaar worden toegezonden, maar ook anderszins. Bij de beoordeling wordt verder de aard van het verdrag betrokken. Of het verdrag een ieder verbindende bepaling bevat, vormt geen zelfstandige overweging, maar wordt wel meegewogen bij de keuze voor de te volgen goedkeuringsprocedure. Er wordt door de tweede ondergetekende niet bijgehouden of verdragen een ieder verbindende bepalingen bevatten en derhalve is het helaas niet mogelijk om cijfers of voorbeelden te geven van stilzwijgende goedkeuring van verdragen die een ieder verbindende bepalingen bevatten. Voor de volledigheid wordt nog gewezen op de bevoegdheid van het parlement, als het zich niet kan vinden in de keuze van de regering voor stilzwijgende goedkeuring, kenbaar te maken de uitdrukkelijke goedkeuring te wensen. De Rijkswet biedt aldus, zoals de toelichting op de Rijkswet stelt en zoals de regering nog steeds van mening is, een evenwichtige balans tussen het belang van efficiënte en snelle ratificatie van verdragen, enerzijds, en het belang van het parlement om met de regering te kunnen debatteren over verdragen, anderzijds. Tegen deze achtergrond acht de regering het niet aangewezen om af te wijken van de huidige beoordelingscriteria voor de keuze of een verdrag ter uitdrukkelijke goedkeuring moet worden voorgelegd en wijst zij wijziging van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen om die reden af.

Voor de goede orde wordt met betrekking tot het voorliggende verdrag nog opgemerkt dat, zoals in de toelichtende nota respectievelijk de memorie van toelichting is aangegeven, gevonniste personen weliswaar de wens te kennen kunnen geven om in aanmerking te komen voor overbrenging, maar dat zij aan het verdrag geen recht op overbrenging kunnen ontlenen. Verder geldt voor de verdragspartijen dat zij niet verplicht zijn om aan een overbrenging hun medewerking te verlenen, zelfs niet in de gevallen dat aan de verdragscriteria voor overbrenging is voldaan.

De leden van de VVD-fractie stelden voorts een aantal vragen over het aantal Nederlandse gedetineerden in Peru en over Peruaanse gedetineerden in Nederland, alsmede over de rechtspleging in Peru. Op 1 april 2013 waren er 88 Nederlanders in Peru die hebben aangegeven consulaire bijstand te willen ontvangen. Van deze personen bevinden zich er 65 personen in detentie en 12 personen in semi-libertad. Bij 75 personen gaat het om drugsdelicten. De strafbedreiging voor drugsdelicten, voor zover hier relevant, bedraagt voor het basisdelict van artikel 296 Peruaans wetboek van strafrecht, voor smokkel van drugs (anders dan een zeer kleine hoeveelheid) ten minste 8 en ten hoogste 15 jaren gevangenisstraf en geldboete. Is er sprake van strafverzwarende omstandigheden, zoals smokkel door een lid van een criminele organisatie of smokkel van grote hoeveelheden dan is artikel 297 van het Peruaanse wetboek van strafrecht van toepassing en bedraagt de strafbedreiging een gevangenisstraf van tenminste 15 en ten hoogste 25 jaren en geldboete. De meeste Nederlanders zijn als drugskoeriers veroordeeld op grond van artikel 296 en hebben een straf gekregen voor de duur van 6 jaar en 8 maanden. De Nederlanders die zijn veroordeeld op grond van artikel 297 kregen vrijheidsstraffen die variëren van 10 tot 15 jaren.

Deze leden vroegen voorts naar een eventuele aanzuigende werking van wotsverdragen. Wij merken op dat al jaren lang wereldwijd, thans in 100 landen, ongeveer 2500 Nederlanders zijn gedetineerd, waarvan het merendeel voor drugdelicten. Nederland onderhoudt op dit moment met 68 landen een verdragsrelatie die voorziet in de mogelijkheid van overbrenging van gevonniste personen naar Nederland. Uit het vrij constante hoge aantal Nederlandse gedetineerden in het buitenland, maar ook uit het aantal Nederlandse gedetineerden in bij voorbeeld Peru en andere niet-verdragslanden moge blijken dat door Nederlanders in het buitenland drugdelicten worden gepleegd, ongeacht of overbrenging naar Nederland mogelijk is. De indruk kan soms bestaan dat een wotsverdrag aanzuigende werking heeft, omdat aantallen gedetineerden stijgen. Echter, op langere termijn fluctueren de aantallen per land, ook in verdragslanden. De oorzaken daarvan staan niet vast, maar kunnen velerlei zijn. Algemeen bekend is, dat drugsmokkel langs vele routes geschiedt die geregeld wijzigingen ondergaan. In dit verband kunnen zelfs veranderingen in rechtstreekse luchtverbindingen een rol spelen. Er is dan ook geen aanleiding om van een aanzuigende werking van wotsverdragen uit te gaan. Daartegen spreekt ook, dat het bestaan van een wotsverdrag geen recht op overbrenging creërt en derhalve ook geen garantie op overbrenging biedt. Gevraagd naar de werking van door andere landen gesloten wotsverdragen, merken wij dat daarover geen gegevens beschikbaar zijn.

De leden van de VVD-fractie vroegen naar de criteria om overbrenging te weigeren. De verdragen inzake overbrenging van gevonniste personen voor verdragspartijen bevatten geen verplichting voor de verdragspartijen om in te stemmen met een overbrenging. Het gaat bij deze zaken dan ook niet om de toepassing van weigeringsgronden. Beide landen beoordelen per geval of een overbrenging in de rede ligt. In de verdragen zijn wel criteria opgenomen, in het voorliggende verdrag in artikel 3, waaraan in elk geval moet zijn voldaan wil een overbrenging aan de orde kunnen komen. Daarnaast hanteert Nederland nog aanvullende criteria, die in het bovenbedoelde beleidskader zijn opgenomen. De criteria gelden cumulatief. Ook als aan de criteria is voldaan is er geen garantie op overbrenging. Zo is denkbaar dat een staat van veroordeling in een zaak die zijn rechtsorde ernstig heeft geschokt niet instemt met een overbrenging ook al is aan alle hiervoor bedoelde criteria voldaan. Een andere hindernis kan zijn dat er in de staat van veroordeling tegen betrokkene nog andere strafzaken lopen of dat zijn uitlevering is gevraagd door of toegestaan aan een derde staat.

Deze leden vroegen naar de gevolgen van een buitenlandse veroordeling voor het strafblad van betrokkene in Nederland. Indien Nederland instemt met een overbrenging en de tenuitvoerlegging vindt in Nederland plaats, wordt – zoals aangegeven in het beleidskader – de veroordeling opgenomen in de justitiële documentatie. Indien een Nederlander in het buitenland is veroordeeld en aldaar zijn straf ondergaat gebeurt dit doorgaans niet, omdat Nederland daarvan niet op de hoogte hoeft te zijn. Dit ligt anders wanneer Nederland door de staat van veroordeling in kennis wordt gesteld van de veroordeling, want dat leidt wel tot een aantekening in de justitiële documentatie. Die kennisgeving gebeurt bij voorbeeld op grond van artikel 22 van het op 20 april 1959 tot stand gekomen Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (Trb. 1965, 10) of het Kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 betreffende de organisatie en de inhoud van uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten (Pb EU L93/23 van 7 april 2009).

De leden van de VVD-fractie vroegen wat de kosten van de overdracht zijn. Bij een overbrenging betaalt de staat van tenuitvoerlegging de kosten van de overbrenging van de gedetineerde die bestaan uit de kosten van de vliegtickets van de begeleiders van de Koninklijke Marechaussee die betrokkene gaan ophalen, alsmede de ticket voor de veroordeelde.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of het gelet op de doelstelling van het strafrestant van zes maanden ten tijde van het verzoek de verwachting is dat een verzoek binnen zes maanden zal worden afgehandeld. Vooropgesteld wordt dat een verzoek tot overbrenging kan worden gedaan zodra een veroordeling onherroepelijk is geworden. Het komt bij de voortzetting van de procedure niet vaak voor dat een verzoek pas aan het einde van de straf wordt gedaan, waardoor het strafrestant van zes maanden relevant kan worden. Een behandeling van een verzoek na ontvangst in Nederland vergt, uitgaande van een compleet dossier, bij de voortgezette procedure gemiddeld vier tot vijf maanden. Vervolgens zal het buitenland nog moeten instemmen en moet betrokkene worden overgebracht. Tegen deze achtergrond is een behandeling van een verzoek terwijl het strafrestant minder dan zes maanden bedraagt, niet zinvol omdat dan voorzienbaar is dat er na overbrenging geen restant meer overblijft, waarbinnen de terugkeer in de Nederlandse samenleving kan worden voorbereid. Zoals in het beleidskader is aangegeven zal Nederland ernaar streven dat er bij elke overbrenging een reststraf in Nederland ten uitvoer gelegd kan worden, zodat de overbrenging ook kan strekken tot resocialisatie van betrokkene.

De leden van de PvdA-fractie vroegen naar mogelijke complicaties bij een overbrenging indien er bij voorbeeld sprake is van samenloop met een uitleveringsverzoek van een derde staat. Overbrenging van gevonniste personen gebeurt met het oog op de resocialisatie van betrokkene, dat wil zeggen met het oog op de voorbereiding op de terugkeer in de samenleving van het land waar hij voorheen woonde. Het initiatief daartoe wordt meestal door de gedetineerde zelf genomen, doordat hij aangeeft voor overbrenging in aanmerking te willen komen. De volgende stap in de procedure is dat beide staten bezien of betrokkene daarvoor in aanmerking kan komen en dat zij daarbij alles betrekken wat met betrekking tot de veroordeelde speelt. Zijn er complicerende factoren dan ligt het voor de hand dat deze van invloed zijn op de beslissing om het verzoek verder in behandeling te nemen. Indien de staat van veroordeling bij voorbeeld tevens een uitleveringsverzoek van een derde staat heeft ontvangen, ligt het voor de hand dat die staat eerst daarop beslist, alvorens te bezien of hij de wens van betrokkene om te worden overgebracht verder behandelt. Een positieve beslissing op een uitleveringsverzoek aan een derde land, staat immers aan een overbrenging naar de staat van tenuitvoerlegging in de weg. Ook de situatie waarin er tegen betrokkene in de staat van veroordeling nog andere strafzaken lopen, zal aan een overbrenging in de weg kunnen staan. Overigens worden in het algemeen formele verzoeken tot overbrenging pas ontvangen nadat de staat van veroordeling al heeft geoordeeld dat wat hem betreft een overbrenging mogelijk is.

De leden van de PvdA-fractie vroegen hoe kan worden bewerkstelligd dat personen die zich reeds in semi-libertad bevinden wel onder de werking van het verdrag vallen. In de goedkeuringsstukken is diepgaand ingegaan op de werking van de semi-libertad, omdat hieraan zowel voorafgaand als tijdens de onderhandelingen zeer veel aandacht is besteed. Hieraan wordt toegevoegd, dat niet alle gedetineerden voor semi-libertad in aanmerking komen. Zoals hierboven, in antwoord op vragen van de VVD-fractie is aangegeven, kent het Peruaanse recht voor overtreding van de drugswetgeving een basisdelict (artikel 296 Peruaans wetboek van strafrecht) en een delict dat ziet op strafverzwarende omstandigheden (artikel 297 Peruaans wetboek van strafrecht). Personen die zijn veroordeeld voor overtreding van artikel 296 kunnen voor semi-libertad in aanmerking komen. Dit geldt echter niet na een veroordeling ter zake van artikel 297. Dit heeft tot gevolg dat er alleen bij de eerste categorie sprake kan zijn van samenloop van het onderhavige verdrag en de semi-libertad. Met betrekking tot die samenloop wordt hier herhaald, dat het aan de Nederlandse gedetineerde zelf is te bepalen of hij voor semi-libertad of voor overbrenging in aanmerking wil komen. Door de inwerkingtreding van het voorliggende verdrag krijgt hij dus een keuzemogelijkheid. Hij kan vanaf het moment dat zijn vonnis onherroepelijk is geworden kenbaar maken dat hij wil worden overgebracht naar een van de landen van het Koninkrijk. Hij kan ook nadat een derde van zijn straf is ten uitvoer is gelegd verzoeken om in aanmerking te komen voor semi-libertad. Hij kan zelfs nadat zijn verzoek om semi-libertad is afgewezen, alsnog de wens te kennen geven om te worden overgebracht. Als echter zijn verzoek om semi-libertad al is ingewilligd, zal hij niet meer voor een overbrenging in aanmerking kunnen komen, zoals in de goedkeuringsstukken is uiteengezet. De conclusie tijdens de onderhandelingen was dan ook dat personen ten aanzien van wie het verzoek om semi-libertad is ingewilligd, niet in aanmerking komen voor toepassing van het verdrag. Het verdrag zal van toepassing zijn op alle personen die zich in detentie bevinden. Voor zover veroordeelden voor de inwerkingtreding van het verdrag de keuze hebben gemaakt voor semi-libertad, geldt ook voor hen dat toepassing van het verdrag niet tot de mogelijkheden behoort. Overigens zal de Nederlandse ambassade in Peru, vooruitlopend op de inwerkingtreding van het voorliggende verdrag, aan de Nederlandse gedetineerden informatie verstrekken over de onverenigbaarheid van semi-libertad met een wotsverzoek, zodat men daarmee rekening kan houden wanneer men overweegt om een verzoek tot semi-libertad te doen.

De leden van de PVV-fractie vroegen naar de hoogten van de straffen in Peru voor drugdelicten en of in het licht daarvan veel partiële kwijtscheldingen in Nederland worden verwacht. Zoals in antwoord op vragen van de leden van de VVD-fractie is aangegeven, bedragen de vrijheidsstraffen die zijn opgelegd voor overtreding van artikel 296 Peruaans wetboek van strafrecht 6 jaren en 8 maanden, terwijl voor de zwaardere drugsdelicten van artikel 297 Peruaans wetboek van strafrecht vrijheidsstraffen zijn opgelegd die variëren van 10 tot 15 jaren. Gelet op het feit dat de Nederlandse maximumstraf voor lijst I-middelen, want daarom gaat het in de Peruaanse strafzaken, bij vervoer 8 jaren en bij in- of uitvoer 12 jaren en bij samenloop van uitvoer met lidmaatschap van een criminele vereniging 16 jaren bedraagt, zal naar verwachting bij de overname van de tenuitvoerlegging van die straffen niet vaak de noodzaak bestaan om de in Peru opgelegde vrijheidsstraffen aan te passen aan het in Nederland geldende strafmaximum.

De leden van de PVV-fractie vroegen of het aantal personen dat consulaire bijstand ontvangt gelijk is gebleven. De cijfers per 1 april laten zien dat het totale aantal is terug gelopen tot 88 personen.

De leden van de PVV-fractie vroegen of er zal worden afgeweken van de regel dat een overbrenging vanuit Peru zal geschieden naar het land van het Koninkrijk waar betrokkene vandaan komt. Deze regel is identiek aan die in andere verdragen over overbrenging van gevonniste personen. Voor afwijking van de regel bestaat geen aanleiding. In Nederland worden op zeer beperkte schaal vrijheidsstraffen die in andere landen van het Koninkrijk zijn opgelegd ten uitvoer gelegd. Daartoe behoren niet straffen waarvan de tenuitvoerlegging door een van die landen is overgenomen van een derde land.

De leden van de PVV-fractie vroegen naar het aantal Peruanen dat in het Koninkrijk is gedetineerd en dat in aanmerking komt voor overbrenging op basis van het verdrag. In Nederland waren, op peildatum 10 april 2013, drie Peruanen gedetineerd. In de overige landen van het Koninkrijk zijn geen personen uit Peru gedetineerd. Of de drie in Nederland gedetineerde Peruanen kunnen worden overgebracht naar Peru is niet nagegaan, omdat voor een overbrenging in elk geval de instemming van de veroordeelde vereist is en zij pas na inwerkingtreding van het verdrag de wens te kennen kunnen geven voor overbrenging in aanmerking te willen komen. Indien dit gebeurt zullen die verzoeken uiteraard in behandeling worden genomen. Zoals met elke wotsverdrag, zal ook aan dit verdrag na de inwerkingtreding ervan in Nederlandse gevangenissen bekendheid worden gegeven.

De vraag van de leden van de PVV-fractie of het verdrag beide kanten op werkt, wordt bevestigend beantwoord. Overbrenging is mogelijk vanuit de landen van het Koninkrijk naar Peru en vice versa.

De leden van de SP-fractie vroegen of Peru werkelijk bereid is om gedetineerden naar Nederland over te brengen. Onderhandelingen over bilaterale verdragen vinden plaats onder omstandigheden dat beide landen hun belang bij de materie die in het desbetreffende verdrag wordt geregeld, vooraf aan elkaar kenbaar hebben gemaakt. Tijdens de onderhandelingen over dit verdrag was duidelijk dat Peru van plan is mee te werken aan overbrenging van gevonniste personen met de Nederlandse nationaliteit naar Nederland, al zal – zoals gebruikelijk bij dit type verdragen – elke zaak op zijn merites worden beoordeeld.

Desgevraagd door de leden van de SP-fractie, merken wij op dat het Koninkrijk behalve aan Brazilië en Peru ook aan de Dominicaanse Republiek en Cuba voorstellen heeft gedaan voor een verdrag. Het verdrag met Brazilië is begin februari 2013 in werking getreden, terwijl met beide laatstgenoemde landen de onderhandelingen onlangs succesvol konden worden afgerond.

De leden van de SP-fractie vroegen voorts of in relatie tot andere landen de inspanningen gericht blijven op het opnemen van de zogenaamde omzettingsprocedure in het verdrag. Er lopen thans geen onderhandelingen meer over dit type verdragen, maar het zal deze leden verheugen dat zowel Cuba als de Dominicaanse Republiek op uitdrukkelijk Nederlands verzoek hebben ingestemd met opname van zowel de omzettingsprocedure als de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging in het bilaterale verdrag.

De leden van de PVV-fractie vroegen waarop de verwachting is gebaseerd dat Peru in de praktijk de overbrenging niet snel zal weigeren vanwege de aanpassing van de straf. Tijdens de onderhandelingen was al duidelijk geworden, dat de aanpassing van straffen in de praktijk erg mee zou kunnen vallen, maar dat de formele vastlegging van de bevoegdheid tot aanpassing in het verdrag, ook al is deze geclausuleerd, heel gevoelig lag. Hierboven in een eerdere vraag van deze leden is al aangegeven dat er naar verwachting niet vaak de noodzaak zal bestaan tot aanpassing van de straf aan het Nederlandse strafmaximum.

Op de vraag van deze leden waarom de gratiemogelijkheid in de memorie van toelichting een theoretische kwestie is genoemd, antwoorden we dat in de thans 25-jarige praktijk van overbrenging van gevonniste personen slechts incidenteel gratie is verleend.

De leden van de SP-fractie stelden een aantal vragen over de verhouding tussen de semi- libertad en de toepassing van dit verdrag. Ook hen willen wij er graag wijzen dat in de goedkeuringsstukken diepgaand is ingegaan op de werking van de semi-libertad, omdat hieraan zowel voorafgaand als tijdens de onderhandelingen zeer veel aandacht is besteed. De eerste ondergetekende voegt er hier nog aan toe, dat niet alle gedetineerden voor semi-libertad in aanmerking komen. Zoals ik hierboven, in antwoord op vragen van de VVD-fractie heb aangegeven, kent het Peruaanse recht voor overtreding van de drugswetgeving een basisdelict (artikel 296 Peruaans wetboek van strafrecht) en een delict dat ziet op strafverzwarende omstandigheden (artikel 297 Peruaans wetboek van strafrecht). Personen die zijn veroordeeld voor overtreding van artikel 296 kunnen voor semi-libertad in aanmerking komen. Dit geldt echter niet bij een veroordeling ter zake van artikel 297. Dit betekent dat dus alleen voor de eerste categorie er sprake kan zijn van samenloop van het onderhavige verdrag en de semi-libertad. Met betrekking tot die samenloop wordt hier herhaald dat het aan de Nederlandse gedetineerde, zelf is te bepalen of hij voor semi-libertad of voor overbrenging in aanmerking wil komen. Door de inwerkingtreding van het voorliggende verdrag krijgt hij dus een keuzemogelijkheid. Hij kan vanaf het moment dat zijn vonnis onherroepelijk is geworden kenbaar maken dat hij wil worden overgebracht naar een van de landen van het Koninkrijk. Hij kan ook nadat een derde van zijn straf is ten uitvoer is gelegd verzoeken om in aanmerking te komen voor semi-libertad. Hij kan zelfs nadat zijn verzoek om semi-libertad is afgewezen, alsnog de wens te kennen geven om te worden overgebracht. Als echter zijn verzoek om semi-libertad al is ingewilligd, zal hij niet meer voor een overbrenging in aanmerking kunnen komen, zoals in de goedkeuringsstukken is uiteengezet. De conclusie tijdens de onderhandelingen was dan ook dat personen ten aanzien van wie het verzoek om semi-libertad is ingewilligd, niet in aanmerking komen voor toepassing van het verdrag. Het verdrag zal van toepassing zijn op alle personen die zich in detentie bevinden. Voor zover veroordeelden voor de inwerkingtreding van het verdrag de keuze hebben gemaakt voor semi-libertad, geldt ook voor hen dat toepassing van het verdrag niet tot de mogelijkheden behoort. Overigens zal de Nederlandse ambassade in Peru, vooruitlopend op de inwerkingtreding van het voorliggende verdrag, aan de Nederlandse gedetineerden informatie verstrekken over de onverenigbaarheid van semi-libertad met een wotsverzoek, zodat men daarmee rekening kan houden wanneer men overweegt om een verzoek tot semi-libertad te doen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 3

De leden van de PVV-fractie vroegen of er mogelijkheden zijn om de Peruaanse straf in Nederland pas ten uitvoer te leggen op het moment dat de veroordeelde persoon voor voorwaardelijke invrijheidsstelling in aanmerking komt. De eerste ondergetekende merkt daarbij op dat het verdrag ziet op overbrenging van gevonniste personen die zich in detentie bevinden met het oog op de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf. Dit verdrag ziet niet op overname van het toezicht op voorwaardelijke veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen. Verder verwijs ik naar het beleidskader, waarin is opgenomen dat geen overdracht plaats vindt in situaties waarin betrokkene meteen na aankomst in Nederland in vrijheid moet worden gesteld.

De leden van de SP-fractie constateren terecht dat over een overbrenging per geval wordt beslist en dat er voor beide verdragspartijen geen verplichting bestaat tot overbrenging. Er is dus geen sprake van een limitatieve lijst van weigeringsgronden. Met een overbrenging zal in elk geval niet worden ingestemd als aan een van de criteria van artikel 3 van het verdrag niet is voldaan en Nederland zal – zoals ook in het in de inleiding genoemde beleidskader is aangegeven – een overbrenging naar Nederland eveneens toetsen aan het criterium van binding met Nederland van betrokkene. Verder zal een eerdere overbrenging evenzeer een reden kunnen zijn om niet nogmaals in te stemmen met de overbrenging.

Artikel 9

De leden van de PVV-fractie vroegen hoe Nederland zal omgaan met de in artikel 9, eerste lid, vastgelegde mogelijkheid om rekening te houden met de Peruaanse regeling inzake vervroegde of voorwaardelijke invrijheidsstelling. De werking van dit onderdeel van het eerste lid is als volgt. Ingevolge de eerste volzin van het eerste lid worden na een overbrenging de Nederlandse regels voor voorwaardelijke invrijheidsstelling toegepast op de ten uitvoer te leggen straf. Echter, in de gevallen waarin de betrokkene ingevolge de Peruaanse wetgeving of ten gevolge van een Peruaanse beslissing bij voortzetting van de detentie in Peru eerder voor voorwaardelijke invrijheidsstelling in aanmerking zou zijn gekomen dan bij toepassing van de Nederlandse regels ter zake, voorziet het verdrag in de mogelijkheid om bij de tenuitvoerlegging in Nederland rekening te houden met de Peruaanse VI-regels of VI-beslissing. Daarover dient ingevolge artikel 6, tweede lid, onder e, van het verdrag door Peru ook informatie te worden verstrekt. Bij gebreke daaraan zal door Nederland navraag daar naar worden gedaan. Het zal duidelijk zijn dat van vervroeging alleen sprake kan zijn indien de Peruaanse autoriteiten in de desbetreffende zaak eenduidig hebben kunnen aangeven wat de VI-datum in Peru zou zijn. Is dat het geval dan zal krachtens het op 1 november 2012 inwerking getreden zevende lid van artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht de VI-datum worden vervroegd tot de datum waarop deze in Peru de voorwaardelijke of vervroegde invrijheidsstelling zou zijn ingegaan. Voor de goede orde wordt nog opgemerkt, dat het eerste lid van artikel 9 van het verdrag bepaalt dat de tenuitvoerlegging volgens de regels van de staat van tenuitvoerlegging geschiedt. Dit leidt ertoe dat het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van het verdrag en in artikel 15, negende lid, Sr, de toepassing van de regels inzake uitstel en het achterwege blijven van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, bedoeld in artikel 15d e.v. Sr, onverlet laat.

Artikel 18

De leden van de SP-fractie vroegen wanneer het verdrag effect zal krijgen en wanneer overbrenging van gedetineerden naar Nederland mogelijk zal zijn. Anders dan deze leden lijken te veronderstellen heeft dit verdrag geen onmiddellijke werking. De inwerkingtreding van het verdrag is geregeld in artikel 17 van het verdrag. Het daarin bepaalde behelst het volgende. Voor inwerkingtreding is in de eerste plaats nodig dat in beide landen de interne procedures voor de binding aan het verdrag zijn doorlopen. In Peru is de interne procedure inmiddels afgerond. Wanneer voor het Koninkrijk het voorliggende wetsvoorstel tot goedkeuring van het verdrag tot wet is verheven en in werking is getreden, zal vervolgens Peru in kennis worden gesteld van het afronden van alle geldende interne procedures. Na een korte administratieve periode zal het verdrag in werking treden. Meteen na de inwerkingtreding kunnen verzoeken worden gedaan. Artikel 18 bepaalt daaromtrent dat deze betrekking kunnen hebben op veroordelingen die zowel voor als na de inwerkingtreding van het verdrag onherroepelijk zijn uitgesproken.

We hopen hiermee alle gestelde vragen te hebben beantwoord.

De minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

De minister van Buitenlandse Zaken, F.C.G.M. Timmermans