Gepubliceerd: 21 juni 2013
Indiener(s): Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD)
Onderwerpen: verkeer water
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33442-8.html
ID: 33442-8
Origineel: 33442-2

Nr. 8 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 24 juni 2013

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

Artikel I, onderdeel A, wordt als volgt gewijzigd:

a. Na subonderdeel 1 worden drie subonderdelen ingevoegd, luidende:

1a. In onderdeel m wordt telkens «de Inspectie Verkeer en Waterstaat» vervangen door: de Inspectie Leefomgeving en Transport.

1b. In onderdeel n wordt «in deze wet» vervangen door: bij of krachtens deze wet.

1c. In onderdeel r wordt «de kennis, het inzicht en de vaardigheden» vervangen door: de kennis, het inzicht, de vaardigheden en de leeftijd.

b. In subonderdeel 3 wordt «zeven onderdelen» vervangen door «acht onderdelen» en wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van het daarin opgenomen onderdeel al door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

am. Caribisch-Nederlands schip:

een schip dat op grond van de Vaartuigenwet 1930 BES is geregistreerd in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

2

Artikel I, onderdeel B, komt te luiden:

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

Het eerste lid komt te luiden:

1. Het bepaalde bij of krachtens deze wet is van toepassing ten aanzien van Nederlandse schepen, voor zover ten aanzien van vissersvaartuigen niet anders is bepaald, en, in de bij of krachtens deze wet aangewezen gevallen, op Caribisch-Nederlandse schepen.

2. Onder vernummering van het zesde lid tot zevende lid, wordt na het vijfde lid een lid ingevoegd, luidende:

6. Voor de toepassing van het vijfde lid kunnen bij ministeriële regeling voor niet commercieel gebruikte overheidsschepen nadere regels worden gesteld. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen verschillende categorieën schepen.

3

Artikel I, onderdeel J, komt te luiden:

J

In artikel 17 vervalt het tweede lid, onder vernummering van het derde en vierde lid tot tweede en derde lid.

4

Na artikel I, onderdeel J, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ja

Na artikel 17 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 17a

Deze paragraaf is niet van toepassing op visservaartuigen, met uitzondering van de artikelen 5, 6, 13, aanhef en onderdeel b, 15, 16 en 17.

5

Artikel I, onderdeel K, wordt als volgt gewijzigd:

a. Subonderdeel 3 komt te luiden:

3. Het vierde lid komt te luiden:

4. In afwijking van het eerste lid kan een bemanningslid dat erkenning van zijn vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in de artikelen 22, eerste lid, of 22a, eerste lid, heeft aangevraagd, voor een periode van ten hoogste 3 maanden volstaan met een door Onze Minister op aanvraag afgegeven bewijs van aanvraag om erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs, tezamen met het te erkennen vaarbevoegdheidsbewijs. Het bepaalde in de vorige volzin is niet van toepassing in bij ministeriële regeling aangewezen gevallen. Bij ministeriële regeling worden de voorwaarden vastgesteld waaronder een bewijs van aanvraag om erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs wordt afgegeven.

b. Er wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende:

4. Het vijfde en zesde lid vervallen.

6

In artikel I wordt na onderdeel N een onderdeel ingevoegd, luidende:

Na

Na artikel 21 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 21a

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald voor welke functies of werkzaamheden aan boord van Caribisch-Nederlandse schepen het bezit van een certificaat of enig ander document voorgeschreven is, alsmede welke beroepsvereisten daarvoor gelden.

7

Artikel I, onderdeel P, komt te luiden:

P

Artikel 22a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en tweede lid wordt «een bewijs van beroepsbekwaamheid» telkens vervangen door: een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs.

2. Aan het slot van het eerste lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: De vorige volzin is niet van toepassing op vaarbevoegdheidsbewijzen of bekwaamheidsbewijzen voor het dienstdoen op vissersvaartuigen.

8

In artikel I, onderdeel S, wordt, onder vernummering van de subonderdelen 2 en 3 in de subonderdelen 3 en 4, een subonderdeel ingevoegd, luidende:

2. Het tweede lid komt te luiden:

2. Een vaarbevoegdheidsbewijs, een bekwaamheidsbewijs voor het dienstdoen op tankers door een kapitein of een officier, of een bewijs van aanvraag om erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 18, vierde lid, kan door Onze Minister voorts worden ingetrokken indien is gebleken dat bij de aanvraag ervan onjuiste gegevens zijn opgegeven dan wel dat valse of vervalste documenten zijn overgelegd.

9

Artikel I, onderdeel T, komt te luiden:

T

Artikel 25, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. «kleine schepen» wordt vervangen door: schepen van minder dan 3000 GT of met een voortstuwingsvermogen van minder dan 3000 kW.

2. «klein schip» wordt vervangen door: een schip van minder dan 3000 GT of met een voortstuwingsvermogen van minder dan 3000 kW.

10

In artikel I worden na onderdeel DD twee onderdelen ingevoegd, luidende:

DDa

Artikel 48c, eerste lid, onderdeel h, komt te luiden:

h. huisvesting en voorzieningen voor zeevarenden aan boord van een schip gesteld krachtens artikel 48 van deze wet dan wel artikel 407 van het Wetboek van Koophandel in samenhang met artikel XII van de wet van 6 juli 2011, houdende implementatie van het op 23 februari 2006 te Genève tot stand gekomen Maritiem Arbeidsverdrag (Trb. 2007, 93) (Stb. 2011, 394);

DDb

In de artikelen 49, eerste lid, 52, eerste en tweede lid, 53, eerste lid, 55 onderdeel b, 61 en 69b, eerste lid, wordt «de Inspectie Verkeer en Waterstaat» vervangen door: de Inspectie Leefomgeving en Transport.

11

In artikel I komt onderdeel PP te luiden:

PP

Artikel 62 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel d vervalt «of een voorlopig monsterboekje».

2. Onderdeel e vervalt onder verlettering van de onderdelen f tot en met k in e tot en met j.

3. In onderdeel h (nieuw) wordt «diploma’s, getuigschriften» vervangen door: bekwaamheidsbewijzen.

4. In onderdeel i (nieuw) wordt «artikel 19, tweede lid, onder b; en» vervangen door: artikel 19a, derde lid, onderdeel b;.

5. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel j (nieuw) door «; en» wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

k. de afgifte van bewijzen van aanvraag om erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 18, vierde lid.

12

In artikel I, onderdeel XX, komt het daarin opgenomen artikel 70, eerste lid, te luiden als volgt:

1. Een vaarbevoegdheidsbewijs, afgegeven aan een zeevarende voor het tijdstip waarop artikel I, onderdelen M en XX, van het bij koninklijke boodschap van 13 oktober 2012 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de Wet zeevarenden, de Scheepvaartverkeerswet en de Wet op de economische delicten in verband met de implementatie van de wijziging van de bijlage bij het STCW-Verdrag en de STCW-Code en enige andere onderwerpen op het terrein van de zeevaartbemanning (Kamerstukken II 2012/2013, 33 442, nr. 2), nadat dat voorstel tot wet is verheven, in werking treden, behoudt zijn geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum indien de zeevarende aantoont de in artikel 19a, tweede lid, bedoelde bijscholings- en herhalingstrainingen te hebben gevolgd.

13

In artikel I, onderdeel YY, komt het daarin opgenomen artikel 71 te luiden als volgt:

Artikel 71

Op aanvragen voor bemanningsdocumenten, vaarbevoegdheidsbewijzen, bekwaamheidsbewijzen voor het dienstdoen op tankers en monsterboekjes die zijn ingediend voor het tijdstip waarop artikel I van het in artikel 70 bedoelde voorstel van wet, nadat dat voorstel tot wet is verheven, in werking treedt en op dat tijdstip nog in behandeling zijn, wordt besloten met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens genoemd artikel I.

14

In artikel III wordt in de opsomming van artikelen van de Wet zeevarenden na «60a» ingevoegd:, 64, voor zover aangeduid als strafbaar feit,.

Toelichting

Onderdelen 1 (voor zover betrekking hebbend op subonderdeel a) en 10 (voor zover betrekking hebbend op onderdeel DDb)

De huidige naam van de Inspectie Leefomgeving en Transport wordt nu consequent doorgevoerd in de tekst van de Wet zeevarenden.

Onderdelen 1 (voor zover betrekking hebbend op subonderdeel b), 2 (voor zover betrekking hebbend op artikel 2, eerste lid) en 6

Sinds 10 oktober 2010 maken Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbare lichamen deel uit van het Nederlandse staatsbestel. Deze eilanden zijn tezamen ook bekend onder de naam Caribisch-Nederland. Bij de totstandkoming van de nieuwe staatkundige positie van de eilanden is – in lijn met de afspraken die met de genoemde eilanden over de toepassing van Nederlandse regelgeving aldaar waren gemaakt – ervoor gekozen de (toenmalige) Zeevaartbemanningswet en haar onderliggende regelgeving niet van toepassing te laten zijn op Caribisch-Nederlandse zeeschepen. Voor een nadere toelichting op deze afspraken wordt verwezen naar de memorie van toelichting, behorende bij de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba1 (hierna: Invoeringswet BES) en de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba2. Derhalve zijn op dergelijke schepen nog geen bemanningseisen van toepassing. Onder Caribisch-Nederlandse zeeschepen wordt verstaan: schepen die geregistreerd staan in de lokale registers in Caribisch-Nederland op grond van de Vaartuigenwet 1930 BES. Het betreft doorgaans schepen in de kleine handels- en passagiersvaart die tussen en rond de eilanden in het Caribisch gebied varen. Het STCW-Verdrag en de Europese bemanningsrichtlijn (richtlijn 2008/106/EG) zijn niet van toepassing op de desbetreffende schepen omdat zij niet de vlag van het Koninkrijk voeren.

In het voorgestelde eerste lid van artikel 2 van de Wet zeevarenden wordt bepaald dat het bepaalde bij of krachtens die wet in de gevallen aangewezen bij of krachtens de wet van toepassing is op Caribisch-Nederlandse schepen. Deze bepaling is nodig omdat op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de Invoeringswet BES Nederlandse wetgeving niet geldt in de openbare lichamen tenzij dit uitdrukkelijk is bepaald. Ingevolge het voorgestelde artikel 21a kan bij ministeriële regeling worden bepaald voor welke functies of werkzaamheden aan boord van Caribisch-Nederlandse schepen het bezit van een certificaat of enig ander document voorgeschreven is, alsmede welke beroepsvereisten daarvoor gelden. Deze grondslag is opgenomen op uitdrukkelijk verzoek van de bestuurscolleges van de openbare lichamen. Hiermee kan in ieder geval uitvoering worden gegeven aan de bemannings- en opleidingseisen die zijn neergelegd in de in februari 2001 onder auspiciën van de IMO opgestelde (en in december 2007 herziene) Code voor de veiligheid van kleine commerciële schepen waarmee reizen worden ondernomen in het Caribisch gebied (Code of Safety for Small Commercial Vessels operating in the Caribbean, SCV-Code). Bij de nadere uitwerking van de te stellen eisen in de ministeriële regeling zal van deze Code gebruik worden gemaakt.

Er zijn verschillende redenen om de bevoegdheid deze regels vast te stellen te delegeren naar het niveau van een ministeriële regeling. Ten eerste rechtvaardigt de kleine schaal van de vaart een dergelijke delegatie. De omvang van de Caribische vaart door Caribisch-Nederlandse schepen is beperkt. Voorts kunnen wijzigingen hun oorsprong vinden in de opgedane ervaringen op het gebied van handhaving en beleidsontwikkeling, waardoor het gewenst is om het maatregelenpakket snel te kunnen verfijnen. Nog bezien moet worden welke eisen aan de bemanning van Caribisch-Nederlandse schepen kunnen worden gesteld. Deze eisen zullen mede afhankelijk zijn van het desbetreffende vaargebied. Bij het tot stand brengen van de nadere regels zullen de bestuurscolleges van de openbare lichamen nauw worden betrokken.

Onderdelen 3 en 4

De uitzondering van paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet zeevarenden voor vissersvaartuigen, in artikel 17, tweede lid, die door het voorliggende wetsvoorstel wordt uitgebreid tot vissersvaartuigen met een scheepslengte van minder dan 45 meter, kan voor de overzichtelijkheid beter in een afzonderlijk artikel (17a) worden ondergebracht. De onderdelen 3 en 4 voorzien hierin.

Onderdelen 5 en 8

In voorschrift I/10, vijfde lid, van de bijlage bij het STCW-Verdrag en artikel 19, zevende lid, van de bemanningsrichtlijn wordt de mogelijkheid geboden om in het geval van een aanvraag om erkenning van een buitenlands vaarbevoegheidsbewijs voor een periode van ten hoogste drie maanden dienst te kunnen doen op een schip onder de vlag van het land waar de aanvraag is ingediend, indien men in het bezit is van schriftelijk bewijs omtrent de aanvraag. De voorziening is getroffen om te voorkomen dat gedurende de periode van behandeling van de aanvraag, die in verband met de verplichting tot verificatie van de overgelegde documenten enige tijd in beslag kan nemen, door de aanvrager niet kan worden gevaren. In overleg met de sociale partners in de maritieme sector wordt voorgesteld deze voorziening in artikel 18, vierde lid, van de Wet zeevarenden op te nemen zodat een buitenlandse zeevarende met zijn buitenlandse vaarbevoegdheidsbewijs en het bewijs van aanvraag om erkenning van dat vaarbevoegdheidsbewijs voor een periode van ten hoogste drie maanden kan varen als bemanningslid op een schip onder Nederlandse vlag. De aanvrager zal hiertoe wel reeds een overeenkomst met een scheepsbeheerder moeten zijn aangegaan. Tevens zal worden verlangd dat de aanvrager een verklaring van de scheepsbeheerder overlegt waarin deze verklaart dat de door de aanvrager overgelegde bescheiden bij de aanvraag tot erkenning authentiek zijn en de verstrekte gegevens juist zijn. Deze voorwaarden zullen in de Regeling vaarbevoegdheidsbewijzen zeevaart worden opgenomen. In de genoemde bepalingen van het STCW-Verdrag en de bemanningsrichtlijn zijn radioofficieren en radiooperators van de genoemde mogelijkheid uitgezonderd. Voorschrift 7, derde lid, van de bijlage bij het STCW-F Verdrag3 kent deze uitzonderingsbepaling niet. Voorgesteld wordt daarom dat bij ministeriële regeling de gevallen worden aangewezen waarvoor de mogelijkheid niet van toepassing is.

Indien blijkt dat bij de aanvraag onjuiste gegevens zijn opgegeven dan wel dat valse of vervalste documenten zijn overgelegd, zal tot intrekking van het bewijs moeten kunnen worden overgegaan. De wijziging van artikel 24, tweede lid, voorziet hierin. Daarbij is tevens voorzien in de mogelijkheid tot intrekking van een bekwaamheidsbewijs voor het dienstdoen op tankers door een kapitein of een officier vanwege de hiervoor genoemde redenen. Ook dit bewijs mag ingevolge het voorgestelde artikel 20, vijfde lid, slechts worden afgegeven na controle op de authenticiteit en de geldigheid van de door de aanvrager overgelegde documenten.

Onderdeel 7

Aan artikel 22a, eerste lid, van de Wet zeevarenden wordt een volzin toegevoegd, inhoudend dat die bepaling niet van toepassing is op vissersvaartuigen. Hiermee wordt de huidige situatie voortgezet. Tot nog toe heeft die bepaling namelijk betrekking op bewijzen van beroepsbekwaamheid. Laatstgenoemd begrip heeft blijkens de definitie betrekking op bewijzen die zijn verstrekt overeenkomstig de bemanningsrichtlijn. Die richtlijn is ingevolge artikel 2, onderdeel b, daarvan niet van toepassing op vissersvaartuigen. Doordat in artikel 22a, eerste lid, de term «bewijs van beroepsbekwaamheid» wordt vervangen door andere termen, valt de (indirecte) verwijzing naar de bemanningsrichtlijn weg en is uitdrukkelijke toevoeging van een volzin over niet-toepasselijkheid op vissersvaartuigen nodig. De materie van erkenning van dergelijke buitenlandse bewijzen voor vissersvaartuigen is opgenomen in de Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties zeevisserij.

Onderdeel 9

Artikel 25, tweede lid, wordt redactioneel aangepast.

Onderdeel 10 (voor zover betrekking hebbend op onderdeel DDa)

In artikel 48c, eerste lid, onderdeel h, van de Wet zeevarenden worden enkele nog ontbrekende gegevens ingevoerd in een verwijzing naar de implementatiewet voor het Maritiem Arbeidsverdrag.

Onderdeel 11

De verlettering van de onderdelen van artikel 62 wordt gecorrigeerd. Tevens is voorzien in een grondslag voor de vaststelling van een tarief voor de afgifte van bewijzen van aanvraag om erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Wet zeevarenden.

Onderdelen 12 en 13

De overgangsbepalingen van de artikelen 70 en 71 worden redactioneel aangepast en aangevuld.

Onderdeel 14

Door aanvulling van de in artikel III voorgestelde zinsnede over de Wet zeevarenden in de Wet op de economische delicten wordt de mogelijkheid geopend om ook relevante voorschriften van of krachtens een algemene maatregel van bestuur op basis van artikel 64 van de wet te voorzien van een strafsanctie. De implementatie van het STCW-F Verdrag zal deels op grond van dat artikel plaatsvinden.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus