Kamerstuk 33400-XV-13

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden inzake Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2013

Dossier: Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2013

Gepubliceerd: 5 december 2012
Indiener(s): Brigitte van der Burg (VVD)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33400-XV-13.html
ID: 33400-XV-13

Nr. 13 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 6 december 2012

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid , belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Van der Burg

De adjunct-griffier van de commissie, Lips

Vraag 1

Is er een internationale vergelijking (of kan die gemaakt worden) van de groep van 15–74 jaar of een andere vergelijkbare groep, bijvoorbeeld de beroepsbevolking van het aantal personen, dat werkt en het aantal mensen dat in een uitkering zit?

Antwoord

Onderstaande tabel geeft de netto arbeidsparticipatie in 2011 van de bevolking tussen 15 en 65 jaar weer. Hierbij is uitgegaan van de internationale definitie (1-uursgrens). Internationaal vergelijkbare cijfers voor de bevolking tussen 65 en 74 jaar en over het aantal mensen dat in een uitkering zit zijn niet beschikbaar.

Netto arbeidsparticipatie 2011

Land

Netto arbeidsparticipatie

België

61.9

Bulgarije

58.5

Tsjechië

65.7

Denemarken

73.1

Duitsland

72.5

Estland

65.1

Ierland

59.2

Griekenland

55.6

Spanje

57.7

Frankrijk

63.9

Italië

56.9

Cyprus

68.1

Letland

61.8

Litouwen

60.7

Luxemburg

64.6

Hongarije

55.8

Malta

57.6

Nederland

74.9

Oostenrijk

72.1

Polen

59.7

Portugal

64,2

Roemenië

58.5

Slovenië

64.4

Slowakije

59.5

Finland

69.0

Bron: Eurostat, geraadpleegd 22 november 2012

Vraag 2

Kan de regering uiteenzetten hoeveel personen (procentueel) er in andere landen in een uitkering zitten en hoe zich dat verhoudt tot Nederland (uitgesplitst in type uitkering: werkloosheid, arbeidsongeschiktheid etc.)?

Antwoord

Er zijn geen internationaal vergelijkbare cijfers beschikbaar over het aantal mensen dat in een bepaald type uitkering zit.

Vraag 3

Welke bezuinigingen, dan wel versoberingen worden in deze begroting ten opzichte van de vorige doorgevoerd? Kan de regering hiervan een overzicht geven en een korte toelichting daarop?

Antwoord

Op blz. 21 van de begroting 2013 wordt een overzicht gegeven van ombuigingen die zijn doorgevoerd ten opzichte van de begroting 2012. In deze begroting 2013 zijn de gevolgen van het regeerakkoord Rutte-II nog niet verwerkt. De grootste ombuigingen vinden plaats bij de AOW en de WW. De AOW-leeftijd wordt vanaf 2013 stapsgewijs verhoogd. Dit levert in 2013 € 0,1 miljard op, oplopend naar € 0,7 miljard in 2017. De in deze begroting verwerkte WW-maatregel levert € 750 miljoen op in 2014, oplopend tot € 1 miljard vanaf 2015.

Vraag 4

Worden in deze begroting hogere uitgaven voorgesteld ten opzichte van de vorige begroting? Zo ja, kan de regering hiervan een overzicht geven en een korte toelichting daarop?

Antwoord

Ja, er worden hogere uitgaven voorgesteld ten opzichte van de vorige begroting. Deze zijn voornamelijk het gevolg van een hogere werkloosheidsraming door het CPB voor de jaren 2012 en 2013. Hierdoor stijgen de uitgaven aan WW en Bijstand. Hier staan een meevaller op de loon- en prijsontwikkeling en een aantal ombuigingen tegenover.

Op een tweetal plekken wordt een aansluiting gegeven tussen de uitgaven in de vorige begroting en de uitgaven in de huidige begroting. De aansluitingstabel (blz. 28–30) geeft een aansluiting tussen de stand van de begrotingsgefinancierde uitgaven ten tijde van de ontwerpbegroting 2012 en de ontwerpbegroting 2013. Op blz. 21 (tabel 2.1.2.2) wordt een overzicht gegeven van alle budgettaire mutaties in het SZA-kader. Dit betreft zowel de begrotingsgefinancierde als de premiegefinancierde uitgaven.

Vraag 5

Wat zijn de effecten van het gesloten deelakkoord tussen de PvdA en de VVD voor de begroting van SZW 2013? Graag een overzicht daarvan en een nadere toelichting.

Antwoord

Een aantal maatregelen uit het deelakkoord hebben invloed op de begroting 2013 van SZW. Het terugdraaien van de maatregel reiskostenaftrek werkt door op de uitgaven aan kinderopvang en het kindgebonden budget. De uitgaven aan kinderopvang stijgen met € 14 miljoen en de uitgaven aan het kindgebonden budget met € 12 miljoen. Daarnaast leidt de overbruggingsregeling AOW tot hogere uitgaven in 2013 van € 30 miljoen.

Vraag 5A (door griffie niet genummerd)

Kan de regering de ontwikkelingsvisie geven op het terrein van SZW voor Caribisch Nederland?

Antwoord

Het kabinet streeft naar verbetering van de sociaaleconomische situatie op de eilanden. De verbetering van de niveaus – uitkeringen en minimumloon – maakt daar deel van uit.

In bestuurlijk overleg met de eilanden vóór 10 oktober 2010 is een streven uitgesproken om minimumloon, AOV (wettelijk ouderdomspensioen) en onderstand (vorm van bijstand) verder te verbeteren binnen de randvoorwaarden van economische draagkracht, evenwichtige sociale verhoudingen, specifieke omstandigheden per eiland en budgettaire mogelijkheden binnen Nederland. Economie en samenleving moeten de niveaus kunnen dragen.

Voor het verbeteren van de sociaaleconomische situatie op de eilanden zijn het versterken van economische activiteiten, het verbeteren van de werking van de arbeidsmarkt en het vergroten van werkgelegenheid uitermate belangrijk. Binnen de sociaaleconomische context is sprake van een verbinding tussen beleidsterreinen als arbeidsmarkt, educatie en onderwijs, zorg, sociale woningbouw en wijken en de situatie van jongeren. Om recht te doen aan deze complexe situatie is vanaf 2011 rijksbreed ingezet op een integrale aanpak van de sociaaleconomische problematiek op de eilanden.

SZW neemt diverse maatregelen om de sociaaleconomische situatie in Caribisch Nederland te verbeteren (zie ook het antwoord op vraag 6). Voor de integrale aanpak stellen SZW en betrokken departementen geld ter beschikking waarmee projecten worden uitgevoerd op het gebied van onder meer integrale wijkaanpak, jobcoaching, kinderopvang en sociaal werk. Tevens neemt SZW maatregelen om armoede tegen te gaan: verbreding van de bijzondere onderstand, verhoging toeslag duurzaam arbeidsongeschikten in de onderstand met circa 50%, extra geld voor kinderopvang.

Ook de openbare lichamen dienen zich in te spannen om armoede tegen te gaan, zij zijn zelf verantwoordelijk voor de eilandelijke armoedeaanpak en hebben diverse instrumenten tot hun beschikking om hun rol in te vullen. Voorbeelden daarvan zijn financiële ondersteuning voor specifieke voorzieningen, schuldhulpverlening en kinderopvang. Ook de toeleiding naar werk is een belangrijk aangrijpingspunt voor armoedebestrijding.

Aldus wordt stap voor stap gewerkt aan verdere verbetering van de sociaaleconomische omstandigheden op de eilanden. De verbetermogelijkheden en daarbij te volgen route zijn ook telkenmale onderwerp van overleg met de bestuurscolleges van Caribisch Nederland.

Vraag 6

Welke maatregelen gaat de regering treffen zodat de BES-eilanden zich verder sociaal-economisch kunnen ontwikkelen?

Antwoord

Binnen de sociaaleconomische context wordt een integrale aanpak gevolgd voor de problematiek op terreinen als arbeidsmarkt, educatie en onderwijs, zorg, sociale woningbouw/wijkaanpak en jongerenbeleid in Caribisch Nederland. SZW stelt, samen met andere betrokken departementen, meerjarig financiële middelen beschikbaar voor projecten die bijdragen aan deze integrale aanpak. Het betreft projecten op het gebied van onder meer integrale wijkaanpak, jobcoaching, kinderopvang en sociaal werk. De integrale aanpak wordt de komende jaren voortgezet.

In het kader van de CN-week is in oktober jl. een aanvullend pakket maatregelen met de eilanden overeengekomen. Deze beslaan het terrein van meerdere departementen, zoals het naar Europees Nederland omslaan van een deel van de relatief hoge kosten van nutsvoorzieningen, een financiële bijdrage voor de realisatie van kinderopvang in de brede school op Bonaire, het oprichten van eilandelijke «E-teams» (samenwerkingsverband ondernemers en overheid) om de economische ontwikkeling te stimuleren, het uitbreiden van het nultarief algemene bestedingsbelasting voor een groot aantal voedingsproducten, het verlagen van de benzineaccijns met tien cent per liter en halvering van de vastgoedbelasting voor hotels. Eerder in 2012 was al besloten tot een verhoging van de vrije uitkering van de eilanden, waarmee zij, de middelen ten behoeve van de integrale aanpak daarbij mede in aanmerking genomen, meer armslag hebben voor hun taken, ook op sociaaleconomisch terrein. De inspanningen ten behoeve van de sociaal-economische ontwikkeling van Caribisch Nederland zijn dus velerlei en substantieel. De sociaaleconomische ontwikkeling blijft de komende periode een thema voor monitoring en overleg met de eilandbesturen.

Vraag 7

Welke maatregelen heeft de regering genomen om het arbeidsaanbod in de tekortsectoren te vergroten?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 8.

Vraag 8

Wat zijn de eerste resultaten van het actieprogramma om het arbeidsaanbod in de tekortsectoren te vergroten, dat onder andere samen met de ministeries van Economische Zaken en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden uitgevoerd?

Antwoord

Op 16 april jl. heeft de voormalig minister van SZW, samen met de ministers van EZ en OCW en de staatssecretaris van OCW een reactie gegeven op het Masterplan Bèta en Technologie. In deze reactie zijn ook de maatregelen van het kabinet opgenomen ten aanzien van de mogelijke toekomstige schaarste aan vakkrachten (TK, 2011–2012, 32 637, nr. 33).

In deze brief is uiteengezet dat bedrijven voornamelijk zelf aan zet zijn om over voldoende en goed geschoold personeel te beschikken. Het kabinet ondersteunt het bedrijfsleven hierbij door onder andere het techniekonderwijs beter en aantrekkelijker te maken, de aansluiting tussen het beroepsonderwijs en de arbeidsmarkt te versterken en sociale innovatie en leren op de werkvloer te bevorderen. Het in het regeerakkoord aangekondigde Techniekpact 2020 zal hierop voortbouwen. Als onderdeel van dit Techniekpact zullen met onderwijsinstellingen en bedrijfsleven afspraken wordengemaakt over onder meer transparantie van loopbaanperspectieven, het beschikbaar stellen van voldoende stageplaatsen, het verbeteren van de doorstroom in het beroepsonderwijs en het terugdringen van voortijdige schooluitval in het technisch onderwijs.

De mogelijke schaarste aan vakkrachten in de technische sectoren is niet van de ene op de andere dag opgelost. Een aanzienlijk deel van de maatregelen heeft namelijk pas na enkele jaren een effect. Het kabinet zal de uitkomsten nauwgezet volgen en hierover in gesprek blijven met het bedrijfsleven en de onderwijsinstellingen.

Vraag 9

Hoeveel personen verdienen het wettelijk minimumloon (WML)?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 10.

Vraag 10

Hoeveel mensen verdienen 150% van het WML, 200% van het WML en 300% van het WML?

Antwoord

Voorlopige cijfers van het CBS laten zien dat in 2010 circa 292 000 personen een inkomen verdienden minder dan of gelijk aan het WML. Ongeveer 1 074 000 personen verdienen t/m 130 procent van het WML. Deze cijfers zijn allen gecorrigeerd voor de deeltijdfactor.

Het CBS bezit echter geen data omtrent het aantal personen met een jaarinkomen van 150%, 200%, en 300% WML in 2010. Wel rapporteert het CBS het aantal personen met een bepaald jaarinkomen. Deze gegevens zijn echter niet gecorrigeerd voor de deeltijdfactor. Binnen deze groep is het daarom onduidelijk of zij werkelijk het WML verdienen of dat dit een onderschatting is omdat dit geen voltijd inkomen is.

Gekeken naar het bruto jaarinkomen verdienen 6 430 000 mensen t/m € 26 000 bruto op jaarbasis. Uitgerekend is dit ongeveer 150% van het WML. Verder verdienden 7 998 000 mensen t/m 200% van het WML (t/m € 35 000 per jaar), en 10 068 000 mensen t/m 300% WML (t/m € 50 000 per jaar). Nogmaals met de kanttekening dat deze cijfers niet gecorrigeerd zijn voor een deeltijdfactor en het gezamenlijk inkomen.

Aantal personen WML
 

Aantal personen (x1 000)

t/m WML (<=17 000 euro)

292

t/m 130% WML

1 074

t/m 150% WML (<=25 000 euro)

6 430

t/m 200% WML (<=35 000 euro)

7 998

t/m 300% WML (<=50 000 euro)

10 068

Bron: CBS Statline, geraadpleegd 27 november 2012

Vraag 11

Wat is de inactieven/actieven-ratio in Nederland? Hoe verhoudt zich deze tot andere Europese landen?

Antwoord

Uit gegevens van het CPB (MEV 2013) blijkt dat de inactieven/actieven ratio in Nederland in 2011 68,3% bedraagt. Internationaal vergelijkbare cijfers zijn niet voorhanden. Een maatstaf die internationaal wel beschikbaar is, is de zogenaamde afhankelijkheidsratio (dependency ratio). Deze afhankelijkheidsratio geeft de (demografische) verhouding aan tussen (i) het aantal personen jonger dan 15 en ouder dan 64 jaar en (ii) het aantal personen in de beroepsgeschikte bevolking (15–65 jaar). Onderstaande tabel geeft de afhankelijkheidsratio voor de OESO-landen in 2012 weer.

Afhankelijkheidsratio 2012 OESO-landen

Land

 

Australië

48,3

België

52,5

Canada

43,7

Chili

45,6

Denemarken

53,2

Duitsland

51,2

Estland

48,2

Finland

52,2

Frankrijk

55,1

Griekenland

50

Hongarije

46,3

Ierland

49,6

IJsland

49,9

Israel

61,3

Italië

53,3

Japan

57,1

Luxemburg

47,8

Mexico

50,6

Nederland

49,3

Nieuw Zeeland

50,7

Noorwegen

51,2

Oostenrijk

47,6

Polen

40,5

Portugal

51,7

Slovenië

44,3

Slowakije

38,3

Spanje

48,1

Tsjechië

43,9

Turkije

49,8

Verenigd Koninkrijk

51

Verenigde Staten

49,1

Zuid-Korea

36,9

Zweden

54,8

Zwitserland

47,7

Bron: OECD Statistics, geraadpleegd 26 november 2012

Vraag 12

Welke maatregelen bestaan er op dit moment, die stimuleren om oudere werkzoekenden in dienst te nemen? Kan de regering het hele overzicht geven aan instrumenten?

Antwoord

Er zijn verschillende regelingen1 die de kansen op aanname van ouderen moeten bevorderen, zoals de mobiliteitsbonus voor oudere uitkeringsgerechtigden (een premiekorting van € 7 000 per jaar die werkgevers gedurende maximaal drie jaar kunnen toepassen) en de no-risk polis (een compensatie voor de loondoorbetalingverplichting bij ziekte van een werknemer ouder dan 55 jaar). Het UWV organiseert circa 90 keer per jaar regionale bijeenkomsten waarvoor werkgevers worden uitgenodigd en waar uitleg wordt gegeven over de regelgeving en mogelijkheden om 55-plussers te plaatsen.

Ook organiseert het UWV netwerkbijeenkomsten (netwerktrainingen) voor werkzoekende 55-plussers. Tijdens deze netwerktrainingen worden regelmatig werkgevers uitgenodigd om meteen in contact te komen met die werkzoekenden. Daarnaast geeft het UWV trainingen om ouderen wegwijs te maken in «het gebruik van social media in de zoektocht naar een baan». Tevens worden in samenwerking met de uitzendbranche speeddates georganiseerd voor de doelgroep 55-plus.

Ten slotte kan het UWV een proefplaatsing aanbieden (werken met behoud van uitkering gedurende 3 maanden) en is het UWV verplicht langdurig werklozen een passend werkaanbod te doen (5 000 op jaarbasis). Dit is van toepassing op werklozen die minimaal 52 weken onafgebroken werkloos zijn.

Vraag 13

Hoeveel CAO's zijn er in Nederland?

Antwoord

Per 1 april 2012 zijn er 700 reguliere arbeidsvoorwaarden-cao’s. Hieronder vallen in totaal ruim 6 miljoen werknemers.

Vraag 13A (door griffie niet genummerd)

Hoeveel personen zijn gebonden door (het algemeen verbind verklaren van) een CAO?

Antwoord

Naast de werknemers die al onder de cao vallen (zie het antwoord op vraag 13), worden ruim 500 000 werknemers door avv aan een cao gebonden.

Vraag 14

Waarom zijn de streefwaarden: instroomkans 55+, werkhervatting binnen zes maanden, nalevingsniveau opgave inkomsten uit arbeid, uitstroom naar regulier werk verdwenen?

Antwoord

De begroting 2013 is anders ingericht dan de begrotingen van voorgaande jaren. In deze begroting is de systematiek van Verantwoord Begroten gevolgd, met als doel de begroting (financieel) evenwichtiger te maken en de beleidsmatige samenhang binnen en tussen de artikelen te vergroten. Eén van de uitgangspunten van Verantwoord Begroten is dat de minister zich slechts verantwoordt over die doelen waarvoor hij volledig aanspreekbaar is.

Wij hebben ervoor gekozen om in deze opzet geen streefwaarden aan de doelen te koppelen. Een doelstelling laat zich niet goed in een streefcijfer vangen indien de invloed van externe factoren op het behalen van dat cijfer substantieel is. Dat doet overigens niets af aan het beleidsmatig ambitieniveau, geformuleerd in de doelstelling.

Vraag 15

Hoe kan de regering beoordelen in het jaarverslag 2013 of de gestelde doelen zijn bereikt als er amper doelen in de begroting staan?

Antwoord

Eén van de uitgangspunten van Verantwoord Begroten is dat de minister zich slechts verantwoordt over die doelen waarvoor hij volledig aanspreekbaar is. Op de onderscheiden beleidsdomeinen van de sociale zekerheid zijn er in het algemeen echter allerlei omstandigheden die de minister niet of nauwelijks kan beïnvloeden, zoals de macro-economische ontwikkeling (werkgelegenheid, werkloosheid, dollarkoers) en de schuldencrisis. Daarom zijn in deze begroting selectief concrete doelen benoemd. Per begrotingsartikel is er echter wel ruim voorzien in beleidsinformatie.

Vraag 16

Waarom staan er nauwelijks doelen en streefcijfers in de begroting?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 15.

Vraag 17

Hoe verhouden sectorfondsen zich tot een CAO?

Antwoord

Sectorfondsen zijn stichtingen van sociale partners die tot doel hebben de werking van de sectorale arbeidsmarkt te verbeteren. De stichtingen worden door sociale partners bestuurd en door sociale partners gefinancierd. In veel gevallen hebben de sectorfondsen een directe relatie met een cao. Sociale partners kunnen bijvoorbeeld in een cao afspreken een premie te heffen bij werkgevers en werknemers in de bedrijfstak om de activiteiten van een sectorfonds te financieren.

De werkgevers en werknemersorganisaties die partij zijn bij het sluiten van de cao kunnen de minister van SZW verzoeken cao-bepalingen over sectorfondsen algemeen verbindend te verklaren. Indien de minister van SZW besluit tot het algemeen verbindend verklaren van de cao-bepalingen wordt de werking van deze bepalingen uitgebreid naar de niet aan de cao gebonden partijen in de sector.

Vraag 18

Op welk werkloosheidspercentage en welk aantal werklozen is het uitgavenkader voor werkloosheidsuitkeringen in 2013 gebaseerd?

Antwoord

De uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen in de begroting 2013 zijn gebaseerd op een werkloosheidspercentage (volgens de nationale definitie) van 7% en 555 000 werklozen (MEV 2013, CPB).

Vraag 19

Moet het uitgavenkader voor werkloosheidsuitkeringen worden aangepast, kijkende naar de tegenvallende nieuwe werkloosheidscijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek CBS recent presenteerde?

Antwoord

Het CBS heeft op 15 november jl. nieuwe realisatiecijfers voor de werkloosheid gepubliceerd voor de maand oktober 2012. In deze maand nam de voor seizoensinvloeden gecorrigeerde werkloosheid toe met 17 duizend en kwam deze uit op 536 duizend personen. De raming van de uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen moet derhalve naar verwachting opwaarts worden aangepast.

Vraag 20

De griffie heeft aan dit nummer geen vraag verbonden.

Vraag 21

Hoeveel brieven van burgers heeft het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ontvangen in 2011 en de eerste drie kwartalen van 2012? Wat is de onderverdeling naar onderwerpen? Hoeveel tijd en geld waren gemoeid met de antwoorden?

Antwoord

In 2011 en de eerste drie kwartalen van 2012 heeft het ministerie in totaal 20 577 burgervragen ontvangen waarvan 17 630 burgermails en 2 947 burgerbrieven.

De verdeling naar onderwerp:

• Arbeidsmarkt

10%

• Arbeidsomstandigheden

22%

• Arbeidstijdenwet

4%

• Arbeidsverhoudingen

27%

• Kinderopvang

12%

• Bijstand en schuldhulp

9%

• Sociale verzekeringen

16%

Met de beantwoording is op jaarbasis 9,4 fte gemoeid. Voor de berekening van de kosten wordt uitgegaan van Schaal 10 BBRA volgens de handleiding overheidstarieven incl. overhead (dat is € 92 792,- per fte). De kosten bedragen afgerond bijna € 0,9 mln.

Vraag 22

Hoeveel vragen heeft het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer ontvangen in 2011 en de eerste drie kwartalen van 2012? Hoeveel tijd en geld waren gemoeid met de antwoorden?

Antwoord

In de periode januari 2011-september 2012 heeft het ministerie van SZW 338 Kamervragen ontvangen (mondelinge vragen en commissiebrieven niet meegerekend).

Bij brief van 15 december 2011 heeft de minister van BZK aangegeven dat het inzichtelijk maken van het tijdsbeslag voor Kamerwerk zeer lastig is, omdat dit werk geïntegreerd onderdeel is van het totale takenpakket van beleidsmedewerkers en managers. In deze brief wordt voorts melding gemaakt van een onderzoek naar beleidsdruk. In dit onderzoek is in kaart gebracht hoeveel tijd er grosso modo besteed wordt aan ambtelijke voorbereiding en begeleiding van Kamerwerk.

Het onderzoek is gebaseerd op ruwe schattingen en had niet tot doel de kosten nauwkeurig in kaart te brengen. Analyses van deze schattingen leveren een indicatie op van het tijdsbeslag. De behandelingsduur van een Kamervraag bedraagt bij ruwe schatting 50 uur en de daarbij behorende kosten zijn € 3 750 (TK, 2011–2012, 31 490, nr. 84).

Vraag 23

Wat is de oorzaak dat het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in tegenstelling tot andere ministeries vrijwel altijd binnen de termijnen antwoord geeft?

Antwoord

Het ministerie van SZW hanteert ten behoeve van het beantwoorden van Kamervragen een registratie- en rappelsysteem, teneinde een tijdige beantwoording te realiseren. Met behulp van dit systeem wordt wekelijks de status van openstaande Kamervragen gemonitord.

Vraag 24

Kan de regering toelichten op welke wijze de mogelijkheden voor bijzondere bijstand in de vorm van een aanvullende zorgverzekering of een pas voor culturele, maatschappelijke en sportvoorzieningen worden verruimd?

Antwoord

De wijze waarop de mogelijkheden voor bijzondere bijstand in de vorm van een aanvullende zorgverzekering of een pas voor culturele, maatschappelijke en sportvoorzieningen worden verruimd, worden momenteel nader uitgewerkt.

Vraag 25

Kan de regering een overzicht geven hoe de 100 miljoen voor de verruiming van de mogelijkheden van bijzondere bijstand worden ingezet tot en met 2017?

Antwoord

Voor het hele pakket maatregelen dat is gericht op intensivering van het armoedebeleid heeft het kabinet voor 2014 € 80 miljoen en vanaf 2015 structureel € 100 miljoen vrijgemaakt. De wijze waarop de verruiming van de individuele bijzondere bijstand en de inzet van de extra middelen voor de intensivering van armoedebeleid wordt vormgegeven, wordt nader uitgewerkt.

Vraag 26

Op welke wijze wordt de subsidie van het Jeugdsportfonds verlengd en die voor Sportimpuls verhoogd? Om hoeveel extra investering gaat het tot 2017?

Antwoord

De wijze waarop en de bedragen waarmee de subsidie aan het Jeugdsportfonds wordt verlengd en de Sportimpuls wordt verhoogd wordt – in overleg met het ministerie van VWS en andere relevante partijen – nog uitgewerkt. De middelen maken onderdeel uit van de middelen die het kabinet heeft vrijgemaakt voor de intensivering van het armoedebeleid (voor 2014 € 80 miljoen en vanaf 2015 structureel € 100 miljoen). De verlenging van de subsidie aan het Jeugdsportfonds Nederland heeft betrekking op de jaren 2015 en 2016, de verhoging van de Sportimpuls is structureel.

Vraag 27

Per wanneer wordt de langdurigheidstoeslag geschrapt? Wat is hiervan de reden?

Antwoord

Het inkomensondersteunend instrument van de langdurigheidstoeslag in de WWB wordt niet geschrapt maar omgevormd tot een individuele toeslag voor personen die langdurig van een laag inkomen rond moeten komen zonder zicht op verbetering (maatwerk). Thans is de langdurigheidstoeslag in de WWB nog vormgegeven als een bijzondere vorm van categoriale bijzondere bijstand. Het kabinet wil met de wijziging bereiken dat de ondersteuning terecht komt bij de mensen die dit het hardst nodig hebben.

Vraag 28

Kan de regering toelichten wat precies wordt bedoeld met «per 1 januari 2015 gaat de nieuwe wet ook voor bestaande gevallen in de WSW gelden»? Betekent dit dat per 1 januari 2015 de huidige werknemers onder het regime van de Participatiewet komen te vallen?

Antwoord

In het regeerakkoord zijn afspraken gemaakt over de nieuwe Participatiewet, die een aantal wijzigingen zal bevatten ten opzichte van het wetsvoorstel Werken naar Vermogen. Bij de nadere uitwerking van de Participatiewet gaan wij nader in op de onderwerpen genoemd in deze vraag en in de vragen 30, 32, 33 en 35 t/m 40.

Vraag 29

Kan de regering garanderen dat de huidige werknemers van de sociale werkplaatsen oude rechten (en huidige salaris) behouden?

Antwoord

Het regeerakkoord verandert niets aan de positie van de huidige werknemers met een WSW-dienstbetrekking, en brengt geen wijzigingen aan in hun rechten en plichten.

Vraag 30

Kan de regering een overzicht geven waarin de afbouw van de sociale werkplaats in aantallen werknemers (arbeidsplekken) tot en met 2025 wordt weergegeven?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 28.

Vraag 31

Kan de regering een opbouw geven van de reguliere arbeidsplekken, die het quotum moet opleveren tot en met 2025?

Antwoord

In het regeerakkoord is aangekondigd dat het kabinet een quotumregeling ontwerpt voor het in dienst nemen van arbeidsgehandicapten door werkgevers met meer dan 25 medewerkers. De quotumregeling wordt vanaf 1 januari 2015 in zes jaar opgebouwd tot een quotum van vijf procent voor bedrijven voor het aannemen van arbeidsgehandicapten. Op dit moment worden verschillende uitvoeringsvarianten in beeld gebracht, zodat het kabinet tot een regeling kan komen die werkt en uitvoerbaar is. Bij de nadere uitwerking van de Participatiewet gaan wij nader in op de onderwerpen genoemd in deze vraag en in de vragen 41 t/m 46, 64 en 82.

Vraag 32

Kan de regering toelichten op welke wijze gemeenten beschut werk als voorziening moeten organiseren en welke wettelijke kaders daarbij van kracht zijn?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 28.

Vraag 33

Welke criteria gelden om in aanmerking te komen voor de voorziening van beschut werk?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 28.

Vraag 34

Is het waar dat met de afbouw van de sociale werkplaatsen ook de collectieve arbeidsovereenkomst voor werknemers in de sociale werkplaatsen wordt geschrapt?

Antwoord

Wij zijn geen partij bij cao-onderhandelingen. Het is nu maar ook straks bij invoering van de Participatiewet aan de sociale partners om te bepalen of zij wel of geen cao afsluiten.

Vraag 35

Wat betekent de invoering van de Participatiewet precies voor werknemers, die op 1 januari 2014 op de wachtlijst voor de sociale werkplaatsen staan?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 28.

Vraag 36

Wat betekent de nieuwe Participatiewet voor iemand, die op dit moment «begeleid werkt» of gedetacheerd is bij een reguliere werkgever en een terugkeergarantie heeft naar de sociale werkplaats?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 28.

Vraag 37

Als iemand werkloos wordt, komt hij of zij dan in de nieuwe gemeentelijke voorziening of kan hij of zij terugkeren naar de sociale werkplaats?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 28.

Vraag 38

Krijgen gemeenten de plicht om een voorziening beschut werk te organiseren of is dit een vrijblijvende aangelegenheid? Mocht dit een vrijblijvende aangelegenheid zijn, wat betekent dit dan voor de personen, die zijn aangewezen op beschut werk?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 28.

Vraag 39

Hebben werknemers met een beperking recht op de gemeentelijke voorziening voor beschut werk?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 28.

Vraag 40

Is de gemeentelijke voorziening voor beschut werk straks onderdeel van de gemeenten of kan dit door gemeenten op afstand worden gezet of worden uitbesteed aan partners?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 28.

Vraag 41

Moeten werkgevers een persoon met een beperking in dienst nemen of is detachering ook voldoende om aan het quotum te voldoen?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 31.

Vraag 42

Wat is de bestemming van middelen, die worden opgebracht door de boetes, die worden opgelegd bij het quotum? Komen deze middelen weer ten goede aan de doelgroep? Zo ja, op welke wijze?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 31.

Vraag 43

Op welke wijze wordt de begeleiding en werkplekaanpassing bij reguliere werkgevers binnen het quotum geregeld?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 31.

Vraag 44

Is het werkgevers bij de invulling van het quotum verboden om additionele werkzaamheden aan te bieden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 31.

Vraag 45

Kan de regering uiteenzetten hoe de 100 000 banen, die het quotum oplevert, precies berekend zijn?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 31.

Vraag 46

Op basis van welke cijfers is het getal van 100 000 banen berekend?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 31.

Vraag 47

Kan de regering toelichten of door de gemeente aan wachtlijstbeheer moet worden voldaan als het gaat om de gemeentelijke voorziening voor beschut werk?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 28.

Vraag 48

Kan de regering een overzicht geven van de afbouw van de reïntegratie- en begeleidingbudgetten tot en met 2017 met daarin een specifiek overzicht voor de middelen die beschikbaar zijn voor mensen met een beperking? Antwoord

In de begroting 2013 van SZW zijn in de artikelen 2, 3 en 4 de reeksen opgenomen voor het Participatiebudget voor gemeenten en de budgetten voor het UWV betreffende re-integratie WIA/WAO/WAZO/ZW respectievelijk re-integratie Wajong. Op de bij gemeenten en UWV beschikbare budgetten wordt in het kader van het regeerakkoord een doelmatigheidskorting doorgevoerd, mede in het licht van grote decentralisaties zoals bij de Participatiewet. De korting wordt voor 70 % verhaald op het Participatiebudget van gemeenten en voor 30 % op het re-integratiebudget van het UWV. Bij deze kortingen moet echter rekening worden houden met uitverdieneffecten (weglek naar uitkeringen) van naar verwachting 25 % in het eerste jaar en 50 % in latere jaren.

Participatiebudget gemeenten

Bedragen x € 1mln

2014

2015

2016

2017

2018

structureel

Begroting 2013

736

736

736

736

736

736

Korting Participatiebudget

-51

-102

-142

-180

-192

-192

Weglek naar uitkeringen

13

44

64

84

96

96

Participatiebudget na ombuiging

685

634

594

556

544

544

             

Re-integratiebudgetten UWV

Begroting 2013

262

269

275

280

280

280

Korting Re-integratie UWV

-22

-45

-60

-77

-84

-84

Wegleg uitkeringen

5

20

28

35

42

42

Re-integratiebudget na ombuiging

240

224

215

203

196

196

Op dit beeld zijn de gevolgen van de nog op te stellen Participatiewet van invloed. Jongeren met arbeidsmogelijkheden gaan immers vanaf 2014 onder de verantwoordelijkheid van gemeenten vallen. De hiermee gepaard gaande overdracht van middelen naar gemeenten zal bij de uitwerking van de Participatiewet in beeld worden gebracht.

De re-integratiebudgetten UWV zijn beschikbaar voor trajecten en voorzieningen voor mensen met een beperking.

Vraag 49

Kan de regering een overzicht geven van de middelen, die tot en met 2017 beschikbaar zijn voor voorzieningen voor mensen met een beperking, zoals een jobcoach of een tolk?

Antwoord

De reeks in de onderste rij van de tabel uit het antwoord op vraag 48 betreft de middelen die tot 2017 beschikbaar zijn voor trajecten en voorzieningen voor mensen met een beperking. Zoals ook onder vraag 48 is vermeld zijn de gevolgen van de nog op te stellen Participatiewet hierop nog van invloed.

Vraag 50

Wat is de reden dat de regering opnieuw kiest voor loondispensatie, terwijl de pilots in het land totaal mislukt lijken te zijn?

Antwoord

Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 52.

Vraag 51

Kan de regering toelichten waarom zij personen met een beperking discrimineert door hen een loon onder het minimumloon in het vooruitzicht te stellen?

Antwoord

Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 52.

Vraag 52

Welke personen gaan in de toekomst precies vallen onder de doelgroep loondispensatie? Hoeveel personen betreft dit?

Antwoord

De werking van de arbeidsmarkt moet voor alle werknemers verder verbeteren. Om mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt, die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen, te helpen bij de toetreding tot de arbeidsmarkt, wil het kabinet het instrument van loondispensatie inzetten in de nieuwe Participatiewet. Met het instrument is geëxperimenteerd in de pilot loondispensatie. De evaluatie van de pilot is nog niet afgerond. De eindrapportage wordt in het voorjaar van 2013 verwacht. De evaluatie wordt, zoals in het regeerakkoord ook is afgesproken, gebruikt bij de invulling en maatvoering van het instrument. Dit geldt ook voor de definitie en omvang van de doelgroep in de Participatiewet. De voorstellen hiervoor zullen zo spoedig mogelijk bij de Tweede Kamer worden ingediend.

Vraag 53

Wat wordt er precies verstaan onder een huishouduitkeringstoets?

Antwoord

In het regeerakkoord wordt aangegeven dat de huishouduitkeringstoets inhoudt dat het normbedrag van de WWB wordt verlaagd naarmate in een huishouden meer inwonende volwassenen aanwezig zijn. Hierbij worden de inkomsten van gezinsleden binnen het huishouden niet verrekend met de uitkering van de bijstandsgerechtigde, zodat werken lonend is.

Vraag 54

Kan de regering aangeven welke personen precies onder de huishouduitkeringstoets gaan vallen?

Antwoord

Het regeerakkoord spreekt van «in een huishouden inwonende volwassenen». De verdere invulling hiervan zal nader uitgewerkt worden.

Vraag 55

Kan de regering toelichten of er uitzonderingen zijn op de huishouduitkeringstoets, bijvoorbeeld personen, die zorg verlenen?

Antwoord

Dit valt onder de nadere uitwerking van de maatregel.

Vraag 56

Kan de regering in de volgende concrete situaties toelichten wat de huishouduitkeringstoets precies gaat betekenen:

  • een paar in de bijstand met een werkend meerderjarig kind;

  • een paar in de bijstand met een minderjarig werkend kind;

  • een paar in de bijstand met een meerderjarig studerend kind;

  • een paar met een AOW-uitkering met een meerderjarig werkend kind;

  • een paar met een AOW-uitkering met een meerderjarig kind in de bijstand;

  • werkende ouders met een inwonend kind met een Wajong-uitkering;

  • werkende ouders met een inwonend kind met een bijstandsuitkering;

  • twee meerderjarige samenwonende broers met ieder een bijstandsuitkering;

  • twee meerderjarige samenwonende broers met ieder een wajong-uitkering?

Antwoord

In het regeerakkoord wordt aangegeven dat de huishouduitkeringstoets inhoudt dat het normbedrag van de WWB wordt verlaagd naarmate in een huishouden meer inwonende volwassenen aanwezig zijn. Hoe deze maatregel er precies uit gaat zien en welke personen er precies onder gaan vallen moet nog nader uitgewerkt worden.

Vraag 57

Hoeveel alleenstaande ouders in de bijstand worden getroffen door het schrappen van de toeslag?

Antwoord

Ultimo 2011 ontvingen 78 500 alleenstaande ouders een WWB-uitkering. Deze personen worden geraakt door de maatregel.

Vraag 58

Moet een alleenstaande AOW-er, die samenwoont met een ongehuwde gehandicapte zoon met een lage WAO-uitkering, ook een deel van het AOW-pensioen inleveren?

Antwoord

In het regeerakkoord is het voornemen opgenomen dat de uitkering van iedere AOW’er die samenwoont met één of meer volwassenen per 2015 wordt vastgesteld op 50% van het netto minimumloon. Dit geldt ook als het gaat om eerste graad bloedverwanten. Het voornemen betreft de nieuwe instroom in de AOW, voor AOW’ers waarvan de huishoudsituatie wijzigt en na afloop van het overgangsrecht voor het zittend bestand. De maatregel zal in een wetsvoorstel worden uitgewerkt en aan de Tweede Kamer worden toegezonden.

Vraag 59

Vallen alle huidige jonggehandicapten (met Wajong-uitkering) straks onder de Participatiewet?

Antwoord

Nee, alle jonggehandicapten die nu in de Wajong zitten behouden hun recht op Wajong. Evenzo behoudt iedereen waarbij het recht op Wajong vóór 2014 ontstaat dit recht. Deze personen vallen niet onder de werking van de Participatiewet.

Vraag 60

Kan de regering een overzicht geven van welke jonggehandicapten wel en welke niet onder de nieuwe Participatiewet vallen?

Antwoord

Alle jonggehandicapten die voor inwerkingtreding van de Participatiewet in de Wajong zitten behouden hun recht op Wajong. Zie het antwoord op vraag 59.

Vraag 61

Kan de regering toelichten op wie een vermogens- en/of partnertoets van toepassing is op grond van de nieuwe Participatiewet?

Antwoord

De nieuwe Participatiewet brengt geen wijzigingen met zich mee van de vermogens- en/of partnertoets ten opzichte van de WWB.

Vraag 62

Wat wordt bedoeld met «voor zover werknemers voor een loon onder het wettelijk minimumloon werken, is dat altijd tijdelijk en groeit het totaal van loon en aanvullende uitkering toe naar het wettelijk minimumloon»? Wat betekent «tijdelijk» in dit kader?

Antwoord

Dit onderdeel wordt meegenomen bij de uitwerking van het regeerakkoord van het onderdeel Participatiewet.

Vraag 63

Kan de regering toelichten welk systeem van loondispensatie op dit moment binnen de Wet Wajong bestaat?

Antwoord

Het UWV kan op verzoek van een werkgever of van een Wajonggerechtigde dispensatie geven van de verplichting het wettelijk minimumloon te betalen. Dit is het geval als een Wajonggerechtigde ergens gaat werken en zijn arbeidsprestatie duidelijk minder is dan de arbeidsprestatie van een reguliere werknemer. Zijn loon wordt dan naar evenredigheid verlaagd.

Vervolgens wordt de uitkering aangepast omdat de Wajonggerechtigde inkomen heeft. Hoe meer de Wajonggerechtigde verdient, hoe hoger zijn totale inkomen wordt. Uiteindelijk bedraagt zijn inkomen (loon en uitkering) 100% van het WML. Meestal ligt het inkomen aanvankelijk tussen de 75% en de 100% minimumloon. Als de Wajonggerechtigde 27 jaar of ouder is en ten minste zeven jaar een uitkering heeft gehad, vult de uitkering altijd het loon aan tot 100% van het WML, mits de Wajonggerechtigde zijn verdiencapaciteit geheel benut. Dezelfde aanvulling tot 100% is er ook als de Wajonggerechtigde vijf jaar heeft gewerkt naar zijn maximale kunnen en er geen perspectief is op verdere verbetering van zijn verdiencapaciteit.

Vraag 64

Welke garantie geeft de regering voor het aantal banen dat de regering gaat creëren voor personen met een beperking?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 31.

Vraag 65

Welke maatregelen neemt de regering om de wachtlijsten en de voedseltekorten bij voedselbanken weg te werken?

Antwoord

Voedselbanken zijn een particulier initiatief. Het kabinet ziet voor het verstrekken van voedselpakketten geen taak voor de Rijksoverheid weggelegd. Het is van belang om de onderliggende problematiek aan te pakken en mensen niet afhankelijk te maken van een voedselpakket. Gemeenten zijn bij uitstek hiertoe in staat. Gemeenten werken daarbij regelmatig samen met particulier initiatief zoals een voedselbank. Het gaat dan bijvoorbeeld om mensen die bij de voedselbank komen en daar in contact worden gebracht met de gemeente voor schuldhulpverlening. Bij dit soort afstemming over praktische zaken kunnen mensen gebaat zijn. Werk is de beste weg uit armoede. Het kabinet zet daarom in op het bevorderen van arbeidsparticipatie.

Het kabinet werkt daarnaast aan maatregelen ter intensivering van het armoedebeleid. Hiervoor wordt voor 2014 € 80 miljoen en vanaf 2015 € 100 miljoen structureel vrijgemaakt. Daarnaast wordt de koopkracht van mensen met een laag inkomen ontzien.

Vraag 66

Hoeveel personen met een beperking werken bij de rijksoverheid en zijn in vaste dienst, uitgesplitst naar voormalige uitkering? Voldoet het Rijk hiermee aan de 1% norm?

Antwoord

In het jaar 2011 werkten er 994 personen met een indicatie WSW, Wajong of WIA bij het Rijk, waar dit er volgens de 1%-norm 1 100 hadden moeten zijn. Er vindt geen uitsplitsing plaats naar voormalige uitkering. Er is met uw Kamer afgesproken dat wordt gerapporteerd over het (al dan niet) behalen van de 1%. Zie ook het Jaarverslag Bedrijfsvoering 2011 en de aanbiedingsbrief daarbij van de minister van BZK.

Vraag 67

Welke doelstelling heeft de regering op het gebied van in dienst nemen van personen met een beperking?

Antwoord

De door uw Kamer aangenomen motie Heijnen (TK, 2007–2008, 31 444 VII, nr. 15) verplicht het Rijk om vanaf 2011 1% van het personeelsbestand te laten bestaan uit mensen met een indicatie Wajong, WSW of WIA.

In het regeerakkoord Rutte-II (blz. 65) is de, ook voor het Rijk als werkgever geldende nieuwe doelstelling te lezen. Er komt per 1-1-2015 een verplicht quotum voor middelgrote en grote werkgevers in de markt-, premiegesubsidieerde en collectieve sectoren voor het in dienst hebben van arbeidsgehandicapten op straffe van een boete. Dit quotum wordt stapsgewijs in zes jaar ingevoerd.

Vraag 68

Hoeveel personen met een bijstandsuitkering zijn arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsongeschikt?

Antwoord

De beschikbare cijfers over dit aantal zijn niet eenduidig. In het SCP-onderzoek «Belemmerd aan het werk» (2012) is te lezen dat in 2010 ca 40% van de bijstandspopulatie aangeeft – naar eigen zeggen – arbeidsgehandicapt te zijn. Blijkens de Divosa-monitor 2012–1 had in 2011 ca 27% van de bijstandspopulatie een volledige of gedeeltelijke tijdelijke ontheffing van de arbeidsplicht gekregen van de gemeente. Het is niet gezegd dat deze laatste personen ook allemaal arbeidsongeschikt zijn, daar het bijvoorbeeld ook gaat over ontheffingen voor alleenstaande ouders.

Vraag 69

Hoeveel personen werken op dit moment met behulp van loondispensatie of loonkostensubsidie?

Antwoord

Eind 2011 werkten 10 350 mensen met een loonkostensubsidie vanuit het gemeentelijk domein. Tevens werkten eind 2011 vanuit het UWV-domein 5 409 mensen met loonkostensubsidie. In 2011 is voor 9 800 Wajonggerechtigden (verlenging van) loondispensatie ingezet. Bij de pilotgemeenten waren eind november 2011 123 dienstverbanden met loondispensatie en 265 proefplaatsingen.

Vraag 70

Hoeveel directeuren van sociale werkvoorzieningsbedrijven verdienen boven de Balkenende-norm? Welke bedrijven zijn dat?

Antwoord

Van 1 maart 2006 tot 15 november 2012 was de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens (WOPT) van toepassing. Op grond van deze wet dienden organisaties die onder werking van de wet vielen, de gegevens openbaar te maken van functionarissen van wie de totale beloning in enig jaar boven het normbedrag (voor 2011 € 193 000) uitstijgt. Indien het normbedrag door een sw-bedrijf wordt overschreden zou dit hebben moeten blijken uit de Rapportage Beloningsgegevens, die de Kamer jaarlijks in december wordt toegestuurd door de minister van BZK. Uit deze rapportages zijn ons geen meldingen bekend.

Op 15 november 2012 is de WOPT opgegaan in de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector. Deze wet wordt op 1 januari 2013 van kracht. De WTN stelt strengere eisen aan de inkomens van topfunctionarissen in de (semi-)publieke sector. Voor de sw-sector geldt onder andere dat bestuurders en hoogste leidinggevenden niet meer mogen verdienen dan 130% van het bruto salaris van een minister. Ook hier geldt dat alle (semi-) publieke organisaties de beloningsgegevens jaarlijks voor 31 december aan de Kamer kenbaar moeten maken.

Vraag 71

Hoeveel interim-directeuren zijn er werkzaam in sociale werkvoorziening? Bij welke bedrijven werken deze interim-directeuren?

Antwoord

De gemeente is verantwoordelijk voor het beleid en de uitvoering van de WSW en samen met de vakbonden voor de arbeidsvoorwaarden. Gezien deze verantwoordelijkheidsverdeling beschikt het ministerie van SZW niet over een dergelijk overzicht.

Vraag 72

Kan de regering de cijfers uit de in bijlage 1 bij deze lijst met vragen aangeleverde tabel bevestigen. Zo nee, kan de regering de juiste cijfers verstrekken?

Antwoord

Het kabinet kan de cijfers uit de aangeleverde tabel niet bevestigen. Hieronder zijn daarom de koopkrachtcijfers van het CPB toegevoegd. Hierbij dient aangetekend te worden dat de cijfers nog erg onzeker zijn, omdat er vooruit wordt gekeken tot en met 2017. Enerzijds geldt dat de raming van exogene factoren zoals de loon- en prijsontwikkeling erg onzeker is. Anderzijds geldt dat de verschillende plannen nog nader uitgewerkt zullen worden. Bij de augustusbesluitvorming voor de komende begrotingsjaren worden de effecten bovendien opnieuw bezien.

Mediane koopkracht naar inkomensgroep. Basispad, RA oorspronkelijk (RA-1) inclusief basispad en RA aangepast (RA-2) inclusief basispad

categorie

bruto inkomen 2012

aandeel groep

koopkrachtmutatie mediaan, gemiddeld per jaar 2013–2017

Basispad

RA-1 + basispad

RA-2 + basispad

<175% WML

< € 32 900

39%

0

¼

¼

175–350% WML

€ 32 900 – € 65 800

38%

0

0

0

350–500% WML

€ 65 800 – € 94 000

16%

¼

0

0

>500% WML

> € 94 000

8%

¼

Bron: CPB

Vraag 73

Kan de regering voor iedere groep uit de in bijlage 1 bij deze lijst met vragen aangeleverde tabel tevens het beschikbare inkomen geven (uitgangspunt voor de koopkrachtmutatie)?

Antwoord

Een veelgebruikte indicator om koopkrachtmutaties voor grote groepen huishoudens samen te vatten is de mediaan. De mediaan heeft betrekking op de middelste (relatieve) koopkrachtmutatie van een bepaalde groep huishoudens. De helft van de huishoudens binnen de groep heeft een positievere koopkrachtmutatie dan de mediaan, terwijl de andere helft een negatievere koopkrachtmutatie heeft. De indeling is hierbij op basis van koopkrachtmutatie, niet op basis van het besteedbare inkomen. Het besteedbare inkomen van het huishouden dat exact de mediane koopkrachtmutatie meemaakt, zal hierdoor sterk kunnen afwijken van huishoudens net om de mediaan, en sterk verschillen door de tijd. Er is dus geen beschikbaar inkomen dat standaard als uitgangspunt dient voor de gepresenteerde koopkrachtmutatie en hier weergegeven kan worden.

Vraag 74

Kan de regering de mutaties, en het totaalresultaat (Basis+RA) geven voor het gemiddelde van ieder van de vier groepen uit de in bijlage 1 bij deze lijst met vragen aangeleverde tabel?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 75.

Vraag 75

Kan de regering de tabel in bijlage 1 bij deze lijst met vragen vatten in termen van de gemiddelde mutaties voor de groep?

Antwoord

Zoals in het antwoord op vraag 73 aangegeven, wordt in de presentatie van koopkrachteffecten door het ministerie van SZW en het CPB doorgaans niet de gemiddelde, maar de mediane mutatie weergegeven. Dit heeft vooral een technische achtergrond. De gemiddelde koopkrachtmutatie kan erg beïnvloed worden door uitschieters aan de onder- en bovenkant van een groep. Deze uitschieters maken de interpretatie van de gemiddelde uitkomsten erg lastig. Uitschieters zijn namelijk niet alleen het gevolg van bijvoorbeeld een stapeling van maatregelen, maar kunnen ook het gevolg zijn van data-imperfecties die horen bij steekproefonderzoek. Hierbij doen zich af en toe uitzonderlijke situaties voor waarvan het niet waarschijnlijk is dat deze zich meerdere jaren voordoen. Denk aan een gezin dat van koopwoning is veranderd, tijdelijk voor twee woningen hypotheekrente heeft betaald en daardoor in het steekproefjaar een onrealistisch laag besteedbaar inkomen heeft gehad.

Om dit type effecten zoveel als mogelijk te beperken wordt onder andere uitgegaan van mediane koopkrachtmutaties bij verschillende groepen. De mediaan heeft betrekking op de middelste koopkrachtmutatie en is daarmee veel minder gevoelig voor deze uitschieters. Om te beoordelen of er in doorsnee sprake is van nivellering is het daarom beter om uit te gaan van de mediane mutaties. Zoals uit de geactualiseerde tabel bij vraag 72 blijkt, is er inderdaad in doorsnee sprake van herverdeling van hoge naar lage inkomens.

Vraag 76

Kan de regering de cijfers conform de in bijlage 1 bij deze lijst met vragen aangeleverde tabel tevens geven voor een onderverdeling van de laagste groep in minder dan100% van het WML en 100–175% van het WML (dus mediaan, gemiddelde, aandeel van de groep, beschikbaar inkomen en de koopkrachtmutatie van ieder van deze groepen)?

Antwoord

Voor een nadere onderverdeling van de laagste inkomensgroep kan gebruik worden gemaakt van de onderstaande medianentabel uit de doorrekening van het CPB van het aangepaste regeerakkoord. In de laagste subgroep (<100% WML) zitten immers relatief veel uitkeringsgerechtigden (<120% WML) en AOW-ers (<120% AOW). In de onderstaande tabel worden bovendien nog extra uitsplitsingen gemaakt naar verschillende huishoudtypes. Hiermee wordt een gedetailleerd overzicht gegeven van de mediane koopkrachtmutaties voor verschillende groepen.

Bron: CPB

Vraag 77

Welke middelen zijn er in de begroting 2013 specifiek opgenomen voor armoedebestrijding? Op welke wijze en via welke regelingen worden deze middelen verstrekt aan de gemeenten?

Antwoord

In de SZW-begroting 2013 zijn geen middelen specifiek opgenomen voor armoedebestrijding. Voor het hele pakket maatregelen dat is gericht op intensivering van het armoedebeleid heeft het kabinet voor 2014 € 80 miljoen en vanaf 2015 structureel € 100 miljoen vrijgemaakt. De wijze waarop de verruiming van de individuele bijzondere bijstand en de inzet van de extra middelen voor de intensivering van armoedebeleid wordt vormgegeven, wordt nader uitgewerkt.

Vraag 78

Welke middelen zijn er in de begroting 2013 specifiek opgenomen voor reïntegratieactiviteiten?

Antwoord

In de begroting 2013 zijn voor re-integratieactiviteiten de volgende bedragen opgenomen:

Bedragen x € 1 000

2013

Participatiebudget gemeenten

(inclusief bijdrage van OCW)

861 143

   

Re-integratie Wajong

156 204

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW

101 698

Vraag 79

Kan de regering de middelen specifiek opgenomen voor reïntegratieactiviteiten toelichten opgesplitst per doelgroep?

Antwoord

De gemeenten hebben van de wetgever een grote beleidsvrijheid gekregen bij het bepalen van hoe en aan wie de middelen uit het Participatiebudget worden besteed. Gemeenten leggen dit vast in een gemeentelijke verordening.

UWV zet de re-integratiemiddelen in voor de inkoop van trajecten en diensten en voorzieningen voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WIA/WAO/WAZ/ZW) en jonggehandicapten (Wajong). De re-integratiemiddelen Wajong zijn voorts bestemd voor de financiering van de REA-instituten.

Vraag 80

Op welke wijze en via welke regelingen worden de middelen voor reïntegratieactiviteiten verstrekt aan gemeenten en aan het UWV?

Antwoord

De gemeenten krijgen op grond van de wet Participatiebudget de beschikking over middelen uit het Participatiebudget. In het Participatiebudget zijn het re-integratiebudget (SZW), het budget voor inburgering (voorheen BZK, nu SZW) en het budget voor volwasseneneducatie (OCW) samengevoegd. Het Participatiebudget wordt jaarlijks volgens een objectieve verdeelsystematiek over de gemeenten verdeeld.

UWV krijgt jaarlijks op grond van de betreffende materiewetten de beschikking over re-integratiemiddelen in de vorm van een taakstellend budget voor de inzet van trajecten en voor de inzet van voorzieningen voor de re-integratieondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten en jonggehandicapten. Voorts zijn de middelen bestemd voor de financiering van de REA-instituten. De re-integratiemiddelen zijn meerjarig in de begroting van SZW opgenomen. UWV verantwoordt zich via de reguliere rapportages over de besteding van de middelen.

Vraag 81

Welke doelstelling(en) hanteert de regering als het gaat om armoedebestrijding in 2013?

Antwoord

Het kabinet zet in op het bevorderen van arbeidsparticipatie om het risico op armoede en sociale uitsluiting tegen te gaan. Nederland heeft in het kader van de EU2020 strategie het volgende doel vastgesteld: reductie van het aantal personen (0 t/m 64 jaar) in een huishouden met een lage werkintensiteit (jobless household) met 100 000 personen in 2020. Ook in 2013 zal ingezet worden op het behalen van dit langere termijn doel.

Vraag 82

Welke doelstelling(en) hanteert de regering als het gaat om het aan het werk helpen van personen met een uitkering en van personen met een beperking in 2013?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 31.

Vraag 83

Kan de regering een overzicht geven van de koopkrachteffecten van maatregelen uit de begroting 2013, die niet zijn meegenomen in de koopkrachtberekeningen in de begroting 2013, maar die wel van grote invloed kunnen zijn, bijvoorbeeld werkloosheid of ziek worden?

Antwoord

In bijlage «Koopkracht en specifieke inkomenseffecten» van begroting 2013 van SZW is een beschrijving gegeven van elke beleidsmaatregel met inkomenseffecten in 2013. Voor de berekening van de koopkrachteffecten van (nieuwe) beleidsmaatregelen maken het ministerie van SZW en het CPB gebruik van een statisch koopkrachtmodel. Statische koopkracht laat zien wat het effect van beleid is op de inkomenspositie van bepaalde groepen huishoudens. Hierbij wordt geen rekening gehouden met veranderingen in individuele huishoudens. Met andere woorden, huishoudleden maken geen promotie, veranderen niet van baan, raken niet werkloos, krijgen geen kinderen, gaan niet samenwonen of scheiden, en worden ook niet ziek of mindervalide.

Door de statische aanpak zijn maatregelen met invloed op de overgang naar werkloosheid of ziekte niet zichtbaar in de statische koopkrachtcijfers zoals deze zijn gepresenteerd in de begroting. Het CBS rapporteert jaarlijks over de dynamische koopkrachtontwikkeling van huishoudens. Het gaat hierbij echter om realisaties, waarbij het CBS kijkt naar de feitelijke inkomensontwikkeling van huishoudens. Hierbij is automatisch ook rekening gehouden met factoren als ziekte of werkloos raken.

Vraag 84

Kan de regering toelichten op welke onderdelen de regering de toelichting op de begroting wenst aan te passen als gevolg van het regeerakkoord?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 5. De maatregelen uit het regeerakkoord die betrekking hebben op 2013 waren al opgenomen in het deelakkoord. Daarenboven is in het regeerakkoord besloten het beleidsterrein Integratie en Maatschappelijke samenhang over te hevelen van het ministerie van BZK naar SZW.

Voor een kwantitatief beeld verwijzen wij naar de Nota van Wijziging op de begroting 2013, welke op korte termijn naar de Kamer wordt verzonden.

Vraag 85

Tijdens de formatie heeft het ministerie van SZW informatie gegeven over «maatregelen om het armoedebeleid te intensiveren» (referentie: 2012–0000029673). In deze notitie werd ook de mogelijkheid geschetst voor «financiële educatie» en «landelijke voorziening financiële voorlichting». Hiervoor is respectievelijke een budget van 0,5 miljoen en 10 miljoen nodig. Kan de regering nader ingaan op deze twee beleidsopties? Betekent een «landelijke voorziening voor financiële voorlichting» bijvoorbeeld dat het aantal geldloketten wordt uitgebreid? Hoeveel geldloketten zouden hiermee bekostigd kunnen worden?

Antwoord

De genoemde notitie was uitsluitend bedoeld als informatieve bijdrage van het ministerie van SZW tijdens de kabinetsformatie, en betreft daarom geen staand beleid. Het regeerakkoord is leidend.

Vraag 86

Is het waar dat in de SZW-begroting 2013 geen paragraaf is opgenomen over armoede en schuldhulpverlening? Zo ja, waarom niet?

Antwoord

Zoals aangegeven is de begroting 2013 ingericht via de systematiek van Verantwoord Begroten, met als doel de begroting (financieel) evenwichtiger te maken. Het beleid van SZW rondom armoede en schuldhulpverlening is in financiële omvang relatief beperkt en daarom niet als aparte paragraaf in de begroting opgenomen. Dat neemt niet weg dat het tegengaan van armoede en de koopkracht van mensen met een laag inkomen een belangrijk politiek aandachtspunt is van het kabinet.

Vraag 87

Welk percentage van de zzp'ers spaart voor aanvullend pensioen?

Antwoord

Het kabinet laat op dit moment onderzoek uitvoeren naar de pensioenopbouw van zelfstandigen zonder personeel. Het onderzoeksrapport wordt binnenkort aan de Tweede Kamer gestuurd.

Vraag 88

Welk percentage van de zzp'ers is verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid?

Antwoord

Over de arbeidsongeschiktheidsverzekering is bekend dat ongeveer de helft van alle zelfstandigen zich heeft verzekerd voor arbeidsongeschiktheid. Bij zzp’ers die vooral hun eigen arbeid aanbieden is dat aandeel lager, namelijk 38%. (Bron: Ape rapport Evaluatie einde WAZ, september 2009).

Vraag 89

Welk percentage van de zzp'ers is verzekerd tegen ziekte?

Antwoord

Voor ziekte is 20% van de zzp’ers verzekerd (Bron: EIM rapport Zelfbewust een Zelfstandige positie, 2011).

Vraag 90

Is het waar dat in de begroting niet meer wordt gerapporteerd over de wig en de arbeidskosten ten opzichte van het Eurogebied? Zo ja, waarom niet en kan de regering dat als nog doen?

Antwoord

Die cijfers zijn inderdaad niet in de begroting opgenomen. In de begroting worden bij voorkeur slechts indicatoren opgenomen die ook (min of meer) rechtstreeks door het beleid van SZW te beïnvloeden zijn. Voor beide genoemde indicatoren is dat niet het geval. Onderstaande tabel laat de cijfers voor de wig zien voor de jaren 2011 tot en met 2013.

Omvang wig (in % van het bruto modaal inkomen)
 

2011

2012

2013

Werkgeverswig

20,5

20,9

21,0

Werknemerswig

22,8

22,8

23,0

Totale wig

43,3

43,7

44,0

Bron: Macro Economische Verkenning 2013 (CPB), bijlage 13

In 2011 bedroegen de arbeidskosten per eenheid product ten opzichte van het eurogebied 0,2. Latere jaren zijn niet beschikbaar.

Vraag 91

Kan de regering een overzicht schetsen van de ontwikkeling van de werkgeverslasten als percentage van het Bruto Binnenlands Product (BBP) in de afgelopen twintig jaar?

Antwoord

Onderstaande figuur toont de ontwikkeling van zowel de werkgeverslasten als de lasten op arbeid tussen 1990 en 2011 (lasten op arbeid vanaf 1995).

Ontwikkeling werkgeverslasten en totale lasten op arbeid, 1990 (1995)-2011, % BBP

Ontwikkeling werkgeverslasten en totale lasten op arbeid, 1990 (1995)-2011, % BBP

Toelichting:

Onder «werkgeverslasten» wordt verstaan de sociale lasten voor werkgevers.

Onder «totale lasten op arbeid» wordt verstaan de som van de sociale lasten voor werkgevers en voor werknemers. Deze laatste zijn slechts vanaf 1995 beschikbaar. Cijfers voor het BBP-volume zijn beschikbaar tot en met 2011.

Bronnen: Macro Economische Verkenning 2013 (CPB), bijlage 13 voor de sociale lasten voor werkgevers en werknemers; Nationale Rekeningen (CBS) voor de BBP-cijfers

Vraag 92

Kan de regering inzicht geven in de raming van de werkgeverslasten tot en met 2017? Kan de regering hetzelfde overzicht geven voor de lasten op arbeid?

Antwoord

Voor de raming tot en met 2017 worden de lasten als percentage van het brutoloon van bedrijven gebruikt (conform het CPB), zie onderstaande tabel. Ter vergelijking is ook 2012 in de tabel opgenomen.

Werkgeverslasten en totale lasten op arbeid, 2012–2017, % brutoloon bedrijven
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Werkgeverslasten

27,8

28,0

28,5

28,7

29,1

29,3

Totale lasten op arbeid

48,8

49,9

50,7

50,4

51,0

51,0

Bron: CPB

Vraag 93

Kan de regering toelichten waar (op welke posten) in deze begroting budgetflexibiliteit zit?

Antwoord

In de budgettaire tabel van elke beleidsartikel is een percentage opgenomen, dat aangeeft welk deel van de begrote uitgaven van 2013 juridisch verplicht is. De juridisch verplichte uitgaven zijn te vinden bij de posten inkomensoverdrachten, bijdragen aan ZBO’s, aan andere begrotingen en aan sociale fondsen. Bij de posten subsidies, opdrachten en bekostiging zit budgetflexibiliteit.

Vraag 94

Welke uitgaven zijn juridisch verplicht in de zin dat deze ook niet via wetswijzigingen zijn te voorkomen? Hoe groot is deze flexibiliteit?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 93.

Vraag 95

Kan de regering een lijst geven van de streefcijfers/doelen, die zijn vervallen ten opzichte van de SZW-begroting 2012?

Antwoord

De begroting 2013 is anders opgesteld dan de begrotingen van voorgaande jaren. De streefwaarden uit de begroting 2012 zijn komen te vervallen. Zie ook het antwoord op vraag 14.

Vraag 96

Kan de regering toelichten per streefcijfer waarom deze is vervallen?

Antwoord

Het kabinet heeft in de begroting 2013 de doelen en streefwaarden aangepast of nieuw geformuleerd. Daarbij is het uitgangspunt van Verantwoord Begroten gehanteerd dat er alleen streefwaarden worden opgenomen, die binnen de mogelijkheden van de minister liggen om te bereiken. In 2013 is dit niet mogelijk gebleken. Elk jaar zal bij de begroting dit opnieuw worden bezien.

Vraag 97

Kan de regering een overzicht geven van de voorgenomen wetsvoorstellen met een indicatie van het tijdstip waarop deze aan de Kamer worden aangeboden?

Antwoord

U ontvangt vóór de begrotingsbehandeling een planningsbrief van de voorgenomen voorstellen waarmee een besparing van meer dan € 50 miljoen is gemoeid. Een volledig overzicht van wetsvoorstellen die uw Kamer in 2013 zullen bereiken ontvangt u in de tweede week van januari 2013.

Vraag 98

Kan de regering de stand van zaken schetsen met betrekking tot het aangekondigde wetsvoorstel, waarin doorwerken na het 65e jaar eenvoudiger gemaakt zou worden?

Antwoord

De Raad van State heeft op 26 juli 2012 over dit wetsvoorstel advies uitgebracht. Zie ook het antwoord op vraag 108.

Vraag 99

De regering licht toe dat er minder cijfers met betrekking tot fraude en handhaving worden gepresenteerd dan in de vorige begroting en dat het komend jaar nog geschikte kengetallen op de terreinen van preventie en terugvordering moet worden ontwikkeld, zodat vanaf de begroting van 2014 de kengetallen compleet zijn. Waarom wordt er nu al besloten minder cijfers te presenteren, terwijl de nieuwe kengetallen nog niet compleet zijn?

Antwoord

De begroting 2013 is anders ingericht dan begrotingen van voorgaande jaren. In deze begroting is de systematiek van Verantwoord Begroten gevolgd, met als doel de begroting (financieel) evenwichtiger te maken en de beleidsmatige samenhang binnen en tussen de artikelen te vergroten. In de begroting 2014 streven wij naar het opnemen van kengetallen die over meerdere regelingen heen zoveel als mogelijk vergelijkbaar zijn.

Vraag 100

Wat is het openstaande fraudebedrag (2009, 2010 en 2011), cumulatief en uitgesplitst per type uitkering?

Antwoord

De openstaande fraudebedragen voor de WWB bedragen € 506 miljoen (2009), € 497 miljoen (2010) en € 503 miljoen (2011).

Voor de overige uitkeringsregelingen bij het UWV en SVB zijn alleen de totaalbedragen van uitkeringsvorderingen beschikbaar. Fraudevorderingen maken daar onderdeel van uit, maar zijn niet apart beschikbaar. De uitkeringsvorderingen bij het UWV zijn voor de drie jaren: € 281 miljoen (2009), € 305 miljoen (2010), € 290 miljoen (2011). Bron: Jaarverslag UWV 2010 en 2011. Bij het SVB zijn de uitkeringsvorderingen voor de drie jaren: € 75 miljoen (2009), € 80 miljoen (2010), € 91 miljoen (2011). Bron: Jaarverslag SVB 2010 en 2011.

Vraag 101

Wat gebeurt er met fraudeurs, die niet kunnen terugbetalen?

Antwoord

UWV, SVB en gemeenten moeten gedurende 10 jaar terugvorderen. Zij moeten zich dus 10 jaar inspannen om het te veel aan ontvangen uitkering terug te halen. Als na een periode van 10 jaar nog een bedrag openstaat is het aan de uitvoerder om een kosten/baten inschatting te maken of langer terugvorderen nog effectief is of niet. De uitvoerders kunnen na 10 jaar terugvorderen ook besluiten het openstaande bedrag kwijt te schelden.

Vraag 102

Kan de regering toelichten waarom vooral wordt teruggeblikt met realisatiecijfers en nauwelijks met beleidsindicatoren (prestaties en effecten) voor de toekomst, ook niet voor 2013?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 15, waar wordt uitgelegd waarom in deze begroting weinig concrete doelen worden vermeld. In de begroting is in plaats daarvan met realisatiecijfers en, waar mogelijk met ramingen voor 2013, achtergrondinformatie gegeven over de ontwikkelingen op het desbetreffende beleidsterrein. Ramingen zijn met name opgenomen bij de uitkeringsregelingen in de beleidsartikelen 3 t/m 10.

Vraag 103

Kan de regering toelichten waarom er nauwelijks indicatoren en streefwaarden in de begroting zijn opgenomen in vergelijking met vorig jaar, terwijl dat gezien de rol van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op sommige terreinen wel voor de hand zou liggen, bijvoorbeeld ten aanzien van het bevorderen gezonde en veilige arbeidsomstandigheden)?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 15.

Vraag 104

Kan de regering voortaan in meer paragrafen over beleidswijzigingen of in de beleidsagenda (als daar naar verwezen wordt) een koppeling leggen met de conclusies uit beleidsdoorlichtingen en ander evaluatieonderzoek, zoals is gebeurd in artikel 1?

Antwoord

Wij zullen in de begroting 2014 daar waar relevant een koppeling leggen tussen de beleidswijzigingen en de conclusies uit beleidsdoorlichtingen en ander evaluatieonderzoek.

Vraag 105

Kan de regering in het vervolg in de begroting naast het noemen van beleidsdoorlichtingen bij de paragrafen beleidswijzigingen of in de beleidsagenda (als daar naar verwezen wordt) ook de belangrijkste beleidsconclusies citeren, zodat de relatie tussen de uitkomsten van effectiviteitsonderzoek en de aangekondigde beleidswijziging duidelijk wordt?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 104. Wij zullen daar waar relevant de belangrijkste punten uit de conclusies in de begroting opnemen.

Vraag 106

Geldt de overbruggingsuitkering ook voor personen, die in een arbeidsongeschiktheidsuitkering zitten? Zo nee, wat wordt er voor hen geregeld, bijvoorbeeld voor personen, die een ANW-hiaatverzekering hebben afgesloten tot hun 65e jaar?

Antwoord

Mensen die een publieke arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals bijvoorbeeld een WIA- of Wajong-uitkering, ontvangen, ondervinden geen gevolgen van de verhoging van de AOW-leeftijd. Op basis van de Goedkeuringswet AOW-leeftijd (Stb. 2012, nr. 574) lopen deze uitkeringen door tot aan de verhoogde AOW-leeftijd. Een overbruggingsregeling is voor deze groep niet nodig. Voor mensen die per 1-1-2013 nu reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling, en zich niet hebben kunnen voorbereiden op de AOW leeftijdsverhoging, is in het regeerakkoord afgesproken om vanaf 2013 een overbruggingsregeling te ontwerpen. De vraag of ook mensen met een private Anw-hiaatverzekering of arbeidsongeschiktheidsverzekering hierop een beroep kunnen doen betreft de vormgeving van deze regeling. Daarop zal het kabinet bij de uitwerking van de regeling terugkomen.

Vraag 107

Wat wordt bedoeld met «project duurzame inzetbaarheid»? Wat zijn de resultaten daarvan?

Antwoord

Het doel van duurzame inzetbaarheid is – door middel van het investeren in scholing, gezondheid en mobiliteit – werknemers langer, gezonder en productiever mee te laten draaien op de arbeidsmarkt. Het project Duurzame Inzetbaarheid is gericht op het bij werkgevers, werknemers en andere betrokkenen agenderen, faciliteren en stimuleren van dergelijke investeringen.

Sinds het begin van het project in 2012 zijn meerdere bijeenkomsten met werkgevers en werknemers georganiseerd om hen in contact te brengen met goede voorbeelden van en kennis over het toepassen van duurzame inzetbaarheid op de werkvloer. Hieruit zijn o.a. een manifest en 8 businesscases gedestilleerd die zicht geven op de maatschappelijke noodzaak en het financiële voordeel van investeren in duurzame inzetbaarheid. Voor uitgebreidere informatie over het project, de geboekte resultaten en deze businesscases verwijzen wij u naar de recente brief van de toenmalige minister van SZW d.d. 10 oktober 2012 (TK, 2012–2013, 25 883, nr. 212).

Vraag 108

De regering licht toe dat het arbeidsrecht dusdanig wordt aangepast dat het aannemen en in dienst houden van AOW’ers wordt vereenvoudigd. Wat wordt precies aangepast in de wet? Wat zijn de verwachte effecten hiervan uitgedrukt in cijfers?

Antwoord

Voor de inhoud van het wetsvoorstel zoals het aan de aan de Raad van State voor advies werd voorgelegd verwijzen wij naar de brief van de toenmalige minister van SZW aan de Tweede Kamer van 12 augustus 2011 (TK, 2010–2011, 32 767, nr. 8).

Het is moeilijk om exacte cijfers te verstrekken over de verwachte effecten van dit wetsvoorstel. De versnelde verhoging van de AOW-leeftijd heeft hier mogelijk een impact op. Wel is gebleken dat steeds meer werknemers werken na de AOW. Zij doen dit echter meestal als zelfstandige of als uitzendkracht. Het wetsvoorstel beoogt het werken na de AOW-leeftijd te faciliteren op basis van een arbeidsovereenkomst voor (on)bepaalde tijd.

Vraag 109

De regering stelt voor dat personen, die de pensioengerechtigde leeftijd bereikt hebben meerdere opvolgende contracten kunnen krijgen zonder dat dit leidt tot een vaste arbeidsovereenkomst. Hoe ziet de concrete uitwerking hiervan er uit? Betekent dit een afwijking van de zogenaamde «3x3-regel» van tijdelijke contracten?

Antwoord

Hierover wordt u geïnformeerd bij de indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer.

Vraag 110

Zijn er belemmeringen voor personen met een pre-pensioen om weer aan het werk te gaan en zo ja welke zijn dat?

Antwoord

In principe zijn er geen belemmeringen voor mensen met een prepensioen om weer aan het werk te gaan. Bij prepensioenen is het vaak toegestaan bij te verdienen tot een bepaald percentage van het oude inkomen. Of, en de mate waarin dit is toegestaan, verschilt echter per regeling.

Vraag 111

De regering licht toe dat de afgelopen jaren maatregelen zijn genomen om de activerende werking van de sociale zekerheid te bevorderen wat ertoe heeft geleid dat meer uitkeringsgerechtigden aan het werk zijn gegaan en dat ook de instroom in onder meer de arbeidsongeschiktheidsregelingen vanuit vaste contracten verminderd is. Kan de regering deze bewering nader toelichten mede aan de hand van cijfers?

Antwoord

Op 25 maart 2011 is de kabinetsreactie naar aanleiding van de evaluatie van de Wet WIA aan de Tweede Kamer gezonden (TK, 2010–2011, 32 716, nr. 1). In deze kabinetsreactie wordt onder meer aangegeven hoe de instroom in de WAO/WIA zich heeft ontwikkeld. Zo lag in 2000/2001 de jaarlijkse instroom rond 100 000 personen. In 2011 lag de instroom op minder dan 40 000 personen.

Vraag 112

Kan ook aan oudere werkzoekenden voor de 65-jarige leeftijd meerdere tijdelijke contracten (dan drie) worden gegeven?

Antwoord

Ja, de wet voorziet in de mogelijkheid om bij cao ten nadele van de werknemer van de ketenbepaling af te wijken. Een dergelijke afwijking kan ook betrekking hebben op het aantal tijdelijke contracten alvorens een vast contract ontstaat.

Vraag 113

Kan de regering een overzicht geven van het aantal beschikbare vacatures en het aantal vervulde vacatures in de afgelopen vijf jaar?

Antwoord

Het CBS publiceert cijfers over het aantal ontstane, vervulde en beschikbare vacatures. Onderstaande tabel geeft een overzicht van deze kengetallen.

Vacatures (x 1 000)
 

2007

2008

2009

2010

2011

Ontstane vacatures (jaartotaal)

1 124

1 028

725

743

766

Vervulde vacatures (jaartotaal)

1 105

1 088

794

737

774

Openstaande vacatures (jaargemiddelde)

240

240

143

122

133

Noot: Het CBS berekent het aantal ontstane en vervulde vacatures als een jaartotaal. Deze bevatten ook vacatures die zijn ingetrokken. Het aantal openstaande vacatures is een jaargemiddelde.

Vraag 114

Hoe groot is de kans dat iemand met een werkloosheidsuitkering binnen een jaar aan het werk komt? Hoe hoog is deze kans voor 50+'ers of 55+'ers?

Antwoord

Uit informatie van het UWV over het jaar 2011 blijkt dat 50% van het totaal aantal WW-gerechtigden binnen 12 maanden na instroom in de WW weer uitstroomt vanwege werkhervatting. Voor de groep 55- is dit 52% en voor de groep 55+ is dit 34%. Belangrijke kanttekening hierbij is wel dat dit alleen de groep mensen betreft die op het moment van uitstroom nog recht had op een WW-uitkering. De situatie waarin bijvoorbeeld iemand met een maximum WW-recht van drie maanden, vier maanden na instroom in de WW een nieuwe baan vindt, wordt niet verwerkt in bovenstaande percentages.

De groep mensen die (vlak) na het bereiken van de maximale WW-duur een baan vindt blijft buiten beeld omdat het UWV dit niet registreert. Bovenstaande cijfers vormen daarom een onderschatting van de kans dat iemand binnen 1 jaar na instroom in de WW een baan vindt. Recente cijfers zijn hierover niet bekend. Wel zijn recente cijfers bekend over de baanvindduur van de gehele werkloze beroepsbevolking. Op basis van cijfers van het CBS was de kans om in 2011 binnen 12 maanden na aanvang van de werkloosheid een baan te vinden 64%.

Vraag 115

Welke aspecten van het huidige arbeidsrecht bemoeilijken volgens werkgevers het aannemen van AOW'ers?

Antwoord

In dat verband wordt door werkgevers ondermeer gewezen op het ontslagrecht, de zogenoemde Ragetlie-regel, de ketenbepaling en het beperken van het risico van loondoorbetaling bij ziekte2.

Vraag 116

Wie worden hier bedoeld met «werkgever»? Betreft het hier een officieel standpunt van georganiseerde werkgevers of de mening van individuele werkgevers?

Antwoord

Het betreft hier een standpunt dat werd ingenomen door AWVN na een door hen in 2011 uitgevoerd onderzoek waaraan 65 ondernemers deelnamen. De resultaten van dit onderzoek kunnen niet als representatief worden beschouwd. Het geeft wel een beeld van wat er leeft bij werkgevers. De deelnemers vertegenwoordigden vrijwel alle delen van de private sector.

Vraag 117

Hoe is de pensioenopbouw van arbeidsmigranten geregeld?

Antwoord

De pensioenopbouw bij migranten hangt van diverse omstandigheden af. Gesteld dat een arbeidsmigrant bij een Nederlandse werkgever werkt die voor zijn werknemers een pensioenregeling heeft, dan zal ook deze arbeidsmigrant in de pensioenregeling pensioen opbouwen. De hoogte van het aanvullend pensioen hangt – zoals voor elke werknemer – af van het aantal pensioenjaren, de hoogte van het inkomen en de inhoud van de pensioenregeling. Dit opgebouwde pensioen blijft beschikbaar ook als de arbeidsmigrant naar zijn land terugkeert.

Vraag 118

Wordt de periode van proefplaatsing ook in de WW verruimd van drie naar zes maanden?

Antwoord

In het kader van de Wet modernisering Ziektewet wordt de duur van de proefplaatsing in de ZW verlengd van maximaal 3 maanden tot maximaal 6 maanden. Vanuit beleidsconsistentie en eenvoud wordt deze verruiming ook doorgetrokken naar andere wetten die door het UWV worden uitgevoerd, namelijk de WW, de WAO, de WAZ, de Wajong en de WIA.

Uitgangspunt bij de verruiming tot maximaal zes maanden is dat het instrument gericht wordt ingezet, via maatwerk. Het betreft dus niet een standaardperiode van 6 maanden, maar een maximumperiode. Het UWV heeft de mogelijkheid om de duur van de proefplaatsing af te stemmen op de noodzaak daarvan in de concrete situatie.

Vraag 119

Kan de regering aangeven hoeveel Roemenen en Bulgaren er in Nederland werkzaam zijn?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 120.

Vraag 120

Hoeveel Oost-Europeanen zijn er in totaal werkzaam in Nederland?

Antwoord

Het is niet bekend hoeveel Roemenen, Bulgaren en (overige) Oost-Europeanen in Nederland werkzaam zijn. Cijfers uit de GBA en de polisadministratie zijn naar alle waarschijnlijkheid een onderschatting van het totaal, omdat een substantieel deel niet is geregistreerd en de bestaande schattingen veel onzekerheden kennen. Dat heeft te maken met het feit dat sommige personen onder een andere nationaliteit werken, niet alle werknemers in de polisadministratie staan ingeschreven en een deel van de mensen zwart werkt. Het kabinet zet daarom in op het verbeteren van de registratie, het harmoniseren van databestanden en het aanpakken van illegale tewerkstelling en zwart werk.

Deelcijfers die wel bekend zijn kunnen niet zonder meer met elkaar worden vergeleken of bij elkaar worden geteld: bestanden kunnen dubbelen, peilmomenten en methodes verschillen, of data ontbreken. Bovendien kunnen individuen in meerdere bestanden voorkomen. Personen met een tewerkstellingsvergunning staan bijvoorbeeld ook in de polisadministratie, evenals enkele zelfstandigen. De toenmalige minister van SZW heeft in de notitie van 28 augustus 2012 die als bijlage bij de brief over EU-arbeidsmigratie (TK, 2011–2012, 29 407, nr. 149) aan uw Kamer is toegezonden aangegeven welke informatie wel beschikbaar is met betrekking tot het totale aantal Bulgaren en Roemenen dat in Nederland werkt. Voor meer informatie verwijzen wij u naar deze brief.

Volgens de schatting op basis van een onderzoek van prof. dr. P.G.M. Van der Heijden van de Universiteit Utrecht, waarover uw Kamer op 15 september 2011 is geïnformeerd, waren er in 2009 ongeveer 300 000 personen uit Midden- en Oost-Europa in Nederland. Hiervan zouden er ongeveer 100 000 afkomstig zijn uit Bulgarije en Roemenië. Het gaat hierbij om alle aanwezigen en niet alleen om arbeidsmigranten. De onderzoekers benadrukken zelf dat het een schatting is, waaruit geen conclusies kunnen worden getrokken. Om ook een schatting over het jaar 2010 te verkrijgen, wordt bovengenoemd onderzoek in november van dit jaar herhaald. De resultaten hiervan zijn naar verwachting eind december 2012 beschikbaar.

Vraag 121

Kan de regering aangeven hoeveel EU-inwoners Nederland heeft?

Antwoord

Er stonden op 1 januari 2011 419 000 personen ingeschreven in een Nederlandse gemeente die in een ander EU-land geboren zijn.

Vraag 122

Hoeveel procent van de beroepsbevolking bestaat uit arbeidsmigranten?

Antwoord

De beroepsbevolking wordt door het CBS in kaart gebracht. Het CBS maakt daarbij geen onderscheid naar het begrip «arbeidsmigrant». Het CBS maakt wel onderscheid naar land van herkomst. In het eerste kwartaal van 2012 bestond de beroepsbevolking uit 7 834 000 personen. Daarvan zijn 895 000 eerstegeneratieallochtonen (personen geboren in het buitenland). Verschillende cijfers die verder beschikbaar zijn over arbeidsmigranten geven tezamen geen beeld over het percentage arbeidsmigranten van de beroepsbevolking.

Vraag 123

Kan de regering toelichten wat er gebeurt wanneer er wel genoeg werkzoekenden zijn in Nederland, maar het arbeidsethos van deze werkzoekenden niet voldoet aan de maatstaven van de werkgever?

Antwoord

Onvoldoende arbeidsethos mag er niet de oorzaak van zijn dat mensen op een uitkering zijn aangewezen. Om hieraan uitvoering te geven is afgesproken om het activerende karakter van de bijstand te vergroten door de arbeids- en re-integratieplicht en de plicht tot tegenprestatie naar vermogen voor iedereen te laten gelden en het gebruik van ontheffingen te beperken.

Vraag 124

Kan de regering toelichten wat er gebeurt als de werkzoekenden niet willen werken? Kunnen er in dat geval sancties worden opgelegd door gemeenten? Zo ja, wat voor sancties?

Antwoord

De naleving en handhaving wordt geïntensiveerd, onder meer door de verplichtingen in de regelgeving te uniformeren en de sancties wettelijk vast te leggen. Wettelijk zal worden vastgelegd dat gemeenten de bijstandsuitkering drie maanden stoppen in geval betrokkene de arbeids- en re-integratieplicht niet nakomt.

Vraag 125

De regering vermeldt dat wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat de regels voor het verlenen van tewerkstellingsvergunningen aanscherpt. Het UWV zou voortaan alleen in algemene zin hoeven te onderzoeken of er in Nederland voldoende werkzoekenden zijn voor vacatures. Ook wordt aangegeven dat het mogelijk wordt om in sectoren een maximum in te stellen voor het aantal te verlenen tewerkstellingsvergunningen. Hoe verhoudt dit tot elkaar? Kan de regering enkele voorbeelden geven?

Antwoord

In het wetsvoorstel Herziening Wet arbeid vreemdelingen, dat onlangs bij uw Kamer is ingediend, wordt onder meer de toets op prioriteitgenietend arbeidsaanbod aangescherpt. Het UWV kan dan volstaan met het onderzoeken of er voldoende werkzoekenden op de arbeidsmarkt aanwezig zijn die aan de functie-eisen voldoen van de vacature waarvoor een tewerkstellingsvergunning is aangevraagd. Als dit het geval is wordt de aanvraag om een tewerkstellingsvergunning afgewezen. Het UWV hoeft dan niet langer aan te tonen dat er concreet kandidaten voor de desbetreffende vacature beschikbaar zijn.

Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in de mogelijkheid om een quotum in te stellen voor een bepaalde sector. Dit quotum kan ook op nul worden gesteld. Een quotum kan bijvoorbeeld worden ingesteld als voor een sector relatief veel tewerkstellingsvergunningen worden afgegeven, en de desbetreffende sector onvoldoende inspanningen heeft verricht om te zorgen dat potentieel geschikt arbeidsaanbod is opgeleid of geschoold om de vacatures te vervullen waarvoor een tewerkstellingsvergunning wordt aangevraagd. Deze regeling kan ook worden gebruikt om categorieën vreemdelingen van de specifieke onderdelen van arbeidsmarkt uit te sluiten als Nederland daartoe gebonden wordt door internationale verplichtingen. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan de toegang tot de nucleaire industrie.

Vraag 126

Wanneer kan de Kamer het wetsvoorstel fraudeaanpak door gegevensuitwisseling en efficiënter gebruik van gegevens verwachten?

Antwoord

Het wetsvoorstel fraudeaanpak door gegevensuitwisselingen en het effectief gebruik van binnen de overheid bekend zijnde gegevens, ligt thans bij de Raad van State. Na ommekomst van het advies van de Raad van State wordt dit wetsvoorstel aan uw Kamer toegezonden.

Vraag 127

Waarom wordt in de begroting niet langer de incasso-ratio van fraudevorderingen benoemd? Kan de regering deze cijfers alsnog weergeven?

Antwoord

Incassoratio’s zijn in deze begroting niet opgenomen omdat er wordt gewerkt aan een nieuwe eenduidige methode voor het meten van de mate van terugvordering per regeling. In de begroting 2014 zal voor het eerst volgens deze nieuwe methode gerapporteerd worden. De methode die tot nu toe werd gehanteerd verschilde dermate sterk tussen regelingen, dat onderlinge vergelijking onmogelijk was. Zo werden bij de WWB, in tegenstelling tot bij de SVB-regelingen, alle nog openstaande vorderingen in de noemer meegenomen, waardoor de incassoratio veel lager uitkwam. In het jaarverslag 2011 is voor het laatst gerapporteerd volgens de oude methode. Dit gaf het volgende beeld:

Incassoratio (%) naar uitkeringsregeling

Artikelnummer (JV 2011) en uitkeringsregeling

2009

2010

2011

Art. 46: WWB

11

11

12

Art. 49: AOW

95

95

95

Art. 49: Anw

91

93

90

Art. 50: AKW

89

86

87

Vraag 128

Kan de regering de opmerking dat de «slagkracht» van de Arbeidsinspectie, de SIOD en de Inspectiedienst Werk en Inkomen is toegenomen door deze samen te voegen in de Inspectie SZW nader toelichten? Kan deze toegenomen slagkracht worden uitgedrukt in cijfers?

Antwoord

De Inspectie SZW bundelt de inzet van kennis en kunde van de drie organisaties waaruit zij is ontstaan. Met de vorming van de Inspectie SZW wordt het repertoire aan toezichtinterventies in één organisatie samengebracht. Daardoor kunnen preventie, signalering, bestuursrechtelijke handhaving en strafrechtelijke handhaving, inclusief opsporing, in samenhang worden ingezet. Dit gebeurt vanuit een eenduidige toezichtvisie en op basis van één SZW-brede risicoanalyse. Zo kan de Inspectie over de volle breedte van het SZW-terrein risicogericht de juiste mix van toezichtinstrumenten in onderlinge samenhang inzetten om het meeste effect te bereiken.

De Inspectie SZW is begin dit jaar van start gegaan. Het is nog te vroeg om dat nu al in de cijfers terug te zien.

Vraag 129

De regering licht toe dat Nederland zich inzet op het tegengaan van mogelijk aanzuigende werking van ons sociale zekerheidsstelsel op EU-migranten, mede door vormgeving van Europese regelgeving. Kan de regering toelichten op welke wijze de regering dat doet, wat het afgelopen jaar daarin heeft plaatsgevonden en wat de acties van de regering zijn voor 2013? Welk resultaat verwacht de regering en hoe hoog schat de regering de kansen op het behalen van het resultaat?

Antwoord

In EU-verband bespreekt Nederland de coördinatieregels inzake de sociale zekerheid, die zijn vastgelegd in enkele verordeningen. Besproken wordt de manier waarop werkloosheidsuitkeringen worden berekend in grensoverschrijdende situaties, de beoordeling van het ingezetenschap en de samenhang met de verblijfsrichtlijn (richtlijn 38/2004). In samenwerking met andere lidstaten worden voorbereidingen getroffen voor een discussie op politiek niveau in de eerste helft van 2013. Dit als follow-up van de conferentie die in juli 2012 in Londen plaatsvond over de houdbaarheid van sociale zekerheid in verband met migratie. In overleg met het ministerie van V&J wordt gewerkt aan verbetering van de samenwerking tussen gemeenten en IND bij het beoordelen van het verblijfsrecht in relatie tot het recht op bijstand. In EU-verband geldt dat samenwerking gezocht wordt met de Europese Commissie en andere lidstaten en dat de belangen soms tegengesteld kunnen zijn. Dit kost tijd en het resultaat is moeilijk te voorspellen.

Vraag 130

In het kader van pensioenen en Europa licht de regering toe dat bij de voorbereiding van de IORP richtlijn de Europese Commissie heeft toegelicht rekening te houden met landen, die goed functionerende kapitaal gedekte pensioenstelsels hebben, zoals Nederland. Zijn er aanwijzingen dat hier onvoldoende rekening mee wordt gehouden? Zo ja, waaruit blijkt dit?

Antwoord

De in april 2010 bekend geworden voorgenomen plannen voor de herziening van de IORP-Richtlijn van de Commissie geven reden tot zorgen bij Nederland. De Commissie kondigt daarin aan een gelijk speelveld tussen private pensioenverzekeraars en pensioenfondsen te willen creëren door het Solvency II toezichtkader (dat is opgezet voor verzekeraars) ook voor pensioenfondsen toe te passen. Dat betekent mogelijk voor Nederland dat er een hogere zekerheidseis van 99,5% zal moeten gaan gelden voor pensioenfondsen, met als gevolg dat zij hogere buffers aan moeten houden. Dit kan tot aanzienlijk hogere kosten leiden, die via hogere premies gedekt moeten worden, of de pensioenen moeten evenredig worden gekort.

Inmiddels heeft de Commissie inderdaad aangegeven landen met goed functionerende pensioenstelsels niet te willen bestraffen. Bovengenoemd uitgangspunt om een gelijk speelveld te creëren heeft de Commissie echter niet losgelaten. Het is dan ook nog onduidelijk hoe de geruststellende woorden van de Commissie te verenigen zijn met het uitgangspunt van de IORP-herziening. Zolang dat niet duidelijk is en er niet zwart op wit een geruststelling voor het Nederlandse pensioenstelsel is, blijft het kabinet zijn zorgen kenbaar maken in Brussel.

Het vraagt echter om een lange adem, waarbij goede onderlinge verhoudingen belangrijk zijn, om uiteindelijk de Nederlandse punten binnen te halen. Het kabinet zal zich op een constructieve en gedoseerde wijze blijven inzetten in Brussel, waarbij nauwe contacten worden onderhouden met andere belanghebbenden, zodat er een eensluidende Nederlandse boodschap in de diverse Europese gremia naar voren wordt gebracht.

Vraag 131

Welke lidstaten zijn naast Nederland de mening toegedaan dat het proces van het tegengaan van ongewenste beleidsconcurrentie door EU is afgerond en er weinig reden is voor aanvullende Europees beleid op het terrein van sociale zekerheid en werkgelegenheid?

Antwoord

Discussies over de subsidiariteit en proportionaliteit van Commissievoorstellen vinden met lidstaten vooral plaats bij de onderhandelingen m.b.t. het individuele voorstel. Dan kan ook blijken dat lidstaten hier heel verschillende opvattingen over hebben. In generieke zin valt hier derhalve geen antwoord op te geven.

Vraag 132

Betekent de Solvency II richtlijn dat enkel de kwalitatieve of ook de kwantitatieve (bijvoorbeeld 99,5%-zekerheid) aspecten gaan gelden voor pensioenfondsen?

Antwoord

De Commissie heeft bij het presenteren van haar eerste plannen voor de herziening van de IORP-Richtlijn de kwalitatieve en kwantitatieve elementen uit Solvency II als uitgangspunt genomen. Welke aspecten daadwerkelijk door de Commissie worden voorgesteld om voor pensioenfondsen over te nemen, zal pas met het verschijnen van het uiteindelijke voorstel voor herziening van de IORP-Richtlijn duidelijk worden. Dit Commissievoorstel komt, zo is nu aangekondigd, naar verwachting in de zomer van 2013.

Vraag 133

In Nederland is de arbeidsmobiliteit laag, met name onder ouderen. Kan de regering toelichten hoe hoog de ouderenwerkloosheid is in Nederland ten opzichte van andere landen in de EU?

Antwoord

Onderstaande tabel geeft het werkloosheidspercentage in het 2e kwartaal 2012 van ouderen (55 tot 65 jaar). Hierbij is uitgegaan van de internationale definitie.

Land

Werkloosheidspercentage

Oostenrijk

3,1

Roemenië

3,5

België

4,1

Zweden

4,7

Nederland

4,9

UK

4,9

Italië

5,4

Tsjechië

5,6

Denemarken

5,7

Duitsland

6,0

Slovenië

6,6

Estland

6,8

Finland

6,8

Frankrijk

7,0

Polen

7,8

Hongarije

8,1

Cyprus

9,9

Ierland

10,0

Bulgarije

10,2

Slowakije

10,9

Litouwen

11,2

Portugal

12,8

Griekenland

13,1

Letland

16,8

Spanje

17,6

Bron: Eurostat, geraadpleegd 22 november 2012

Vraag 134

Welke ontslaggronden wijzigen met het voorgenomen besluit (in het regeerakkoord) om het ontslagstelsel te vereenvoudigen?

Antwoord

Met de plannen voor hervorming van het ontslagrecht in het regeerakkoord wijzigen de ontslaggronden niet. De reeds geldende ontslaggronden, genoemd in het huidige Ontslagbesluit, blijven bestaan.

Vraag 135

In welk percentage van de gevallen gaan werkgever en werknemer zonder het UWV of de kantonrechter uit elkaar? In welk percentage van de gevallen gaat dit via het UWV? In welk percentage van de gevallen gaat dit via de kantonrechter?

Antwoord

De meest recente cijfers over ontslag hebben betrekking op 2011. Het aantal gevallen van ontslag met wederzijds goedvinden van werkgever en werknemer buiten het UWV of de kantonrechter om, is niet exact bekend. Hier worden geen cijfers over bijgehouden, aangezien deze vorm van ontslag een zaak is tussen werkgever en werknemer onderling. In 2011 heeft het UWV 30 758 ontslagverzoeken behandeld en zijn er 17 760 ontbindingsprocedures gevoerd. Procentueel geeft dit het volgende beeld over de verdeling van ontslagen via UWV en via de kantonrechter: 63% van de ontslagen vinden plaats via het UWV en 37% via de kantonrechter.

Vraag 136

Wat is de definitie van de regering van een «dynamische arbeidsmarkt»?

Antwoord

De Nederlandse economie verandert continue door globalisering, technologische vooruitgang en het verloop van de conjunctuur. Het is essentieel dat de arbeidsmarkt voldoende dynamisch is om deze (tijdelijke of structurele) aanpassingen te accommoderen zodat mensen op de banen komen waar hun vaardigheden het beste tot hun recht komen. Een dynamische arbeidsmarkt is dan ook een arbeidsmarkt die in kan spelen op conjuncturele schommelingen en structurele veranderingen kan accommoderen.

Vraag 137

Wat is de definitie van de regering van een» mobiele werknemer»?

Antwoord

Arbeidsmobiliteit is een breed begrip en kent geen vaste definitie. Zo is een werknemer «mobiel» als hij of zij op enig moment van functie of baan wisselt. In internationaal verband spreekt men vaak over een werknemer met een baanduur korter dan een jaar als men het heeft over een «mobiele werknemer».

Vraag 138

De regering is van mening dat de arbeidsmobiliteit in Nederland «laag» is. Welke maatstaf hanteert de regering hiervoor?

Antwoord

De arbeidsmobiliteit is laag als men kijkt naar het aandeel mensen met een baanduur korter dan een jaar ten opzichte van andere landen.

Arbeidsmobiliteit in internationaal perspectief (% werknemers met dienstverband <1 jaar, gemiddelde 2006–2009)

Arbeidsmobiliteit in internationaal perspectief (% werknemers met dienstverband <1 jaar, gemiddelde 2006–2009)

Bron: OECD

Vraag 139

Wat is de definitie van de regering van een «productievere baan»?

Antwoord

Met een productievere baan bedoelt het kabinet in algemene zin een baan waarin iemands kennis en vaardigheden beter tot zijn recht komen. Meer specifiek kan dit betekenen een baan die beter aansluit bij de opleiding of het opleidingsniveau dat iemand heeft genoten. Maar dit kan ook betekenen een baan die beter aansluit bij de vaardigheden die iemand tijdens zijn/haar arbeidzame leven heeft opgedaan. Zodoende wordt het huidige menselijk kapitaal beter benut.

Vraag 140

Wat bedoelt de regering met de opmerking dat de ontslagbescherming toeneemt voor werknemers met een vast contract «naarmate zij langer in dienst zijn»?

Antwoord

Daarmee wordt bedoeld dat bij de beoordeling van ontslag de lengte van het dienstverband mede een rol speelt en dat hoe langer het dienstverband is hoe hoger de eventuele ontslagvergoeding is. Dat laatste laat zich verklaren door het feit dat de kantonrechter bij het vaststellen van de vergoeding bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de regel de zogenoemde kantonrechtersformule hanteert. Op grond dan deze formule zijn de lengte van het dienstverband en de leeftijd van de werknemer bepalend voor de hoogte van de vergoeding.

Vraag 141

Wat bedoelt de regering met de opmerking «hoge ontslagbescherming voor ouderen met een vast contract»?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 140.

Vraag 142

Kan de regering toelichten of oudere werknemers in Nederland lastiger aan nieuw werk komen dan in andere Europese landen?

Antwoord

Onderstaande tabel geeft het procentuele aandeel langdurig (>12 maanden) werklozen op het totaal oudere werklozen (55 tot 65 jaar). Hierbij is uitgegaan van de internationale definitie. De werkloosheid onder ouderen is relatief laag in Nederland, maar het aandeel langdurig werklozen daarbinnen is in Nederland wat hoger dan gemiddeld in andere EU-lidstaten.

Land

% Langdurig werkloos

Cyprus

31,8

Zweden

35,7

UK

42,8

Denemarken

42,9

Finland

43,8

Tsjechië

45,0

Slovenië

46,2

Roemenië

47,2

Polen

47,5

Griekenland

55,3

Italië

55,5

Oostenrijk

56,2

Hongarije

59,5

Frankrijk

59,6

Spanje

59,8

Litouwen

60,4

Nederland

61,4

Bulgarije

61,9

Duitsland

63,9

Estland

66,6

Ierland

66,6

Letland

67,1

Portugal

69,3

België

75,6

Slowakije

76,6

Bron: Eurostat, geraadpleegd 22 november 2012

Vraag 143

Wat is de definitie van de regering van een «hoge ontslagvergoeding»?

Antwoord

Het kabinet hanteert geen definitie van een «hoge ontslagvergoeding». In het huidige ontslagrecht komt het voor dat een vergoeding van enkele jaarsalarissen wordt toegekend aan de werknemer bij ontslag. Dit geldt met name voor oudere werknemers met een bovenmodaal inkomen die relatief vaak via de kantonrechter worden ontslagen.

Vraag 144

Hoe hoog is het percentage «hoge ontslagvergoedingen» op het totale aantal ontslagvergoedingen in Nederland?

Antwoord

Gezien het feit dat geen definitie wordt gehanteerd van «hoge ontslagvergoedingen» is niet aan te geven hoe hoog het percentage hoge vergoedingen is op het totale aantal ontslagvergoedingen

Vraag 145

Kan de regering toelichten of Nederland in vergelijking tot andere Europese landen een hoge ontslagvergoeding kent?

Antwoord

De vergoedingen die in Nederland toegekend worden door de kantonrechter zijn redelijk hoog in internationaal perspectief. Dit blijkt uit gegevens uit de Employment Protection database van de OECD. De door de kantonrechter hierbij gehanteerde formule voor de berekening van deze vergoedingen is veelal leidend voor de berekening van een ontslagvergoeding bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden en voor het vaststellen van de hoogte hiervan in het kader van een sociaal plan.

Vraag 146

Wat is het minimum transitiebudget dat een werknemer met vast contract en een modaal inkomen ten deel kan vallen?

Antwoord

In het regeerakkoord is afgesproken dat de omvang van het transitiebudget een kwart maandsalaris per dienstjaar bedraagt met een maximum van vier maandsalarissen. Het minimum transitiebudget bedraagt in geval van een modaal inkomen dan ¼ x € 2 500,- = € 625,-.

Vraag 147

Wat is het maximum transitiebudget dat een werknemer met een vast contract en een modaal inkomen ten deel kan vallen?

Antwoord

In het regeerakkoord is afgesproken dat de omvang van het transitiebudget maximaal vier maandsalarissen is. Het maximum transitiebudget bedraagt in geval van een modaal inkomen (€ 2 500,-) dan € 10 000,-.

Vraag 148

Wat is het maximumbedrag dat aan een werknemer met een tijdelijk contract en een modaal inkomen ter beschikking kan worden gesteld met een transitiebudget?

Antwoord

Het antwoord op deze vraag is hetzelfde als het antwoord op vraag 147, waarbij wordt opgemerkt dat het niet waarschijnlijk is dat werknemers gedurende een zodanig lange tijd op tijdelijke contracten werkzaam zijn dat zij het maximumbedrag zullen bereiken.

Vraag 149

Wat is de verwachte gemiddelde hoogte van een transitiebudget, uitgaande van de gemiddelde arbeidsduur in Nederland en een modaal inkomen?

Antwoord

De gemiddelde baanduur in Nederland is ongeveer 10 jaar. De daarmee corresponderende hoogte van het transitiebudget is € 6 250,- voor een modaal inkomen.

Vraag 150

Kan het transitiebudget (hoogte en/of duur) worden aangevuld met bijdragen van een werkgever, bijvoorbeeld wanneer sociale partners hier afspraken over maken in een sociaal plan?

Antwoord

Het staat werkgevers en werknemers vrij om op individueel of collectief niveau aanvullende afspraken te maken over de hoogte en/of duur van het transitiebudget.

Vraag 151

Heeft de regering voorzien in een oplossing wanneer een werkgever niet de verplichting met betrekking tot een transitiebudget en/of WW-uitkering van één of meerdere werknemers kan nakomen?

Antwoord

In het regeerakkoord zijn geen afspraken gemaakt over verplichtingen van werkgevers met betrekking tot de WW-uitkering. Wel is afgesproken dat werkgevers geen transitiebudget verschuldigd zijn als het ontslag is ingegeven door de slechte financiële situatie van de werkgever en de werkgever failliet zal gaan als hij aan die verplichting moet voldoen. Deze afspraak zal nader worden uitgewerkt in wetgeving waarbij ook de positie van de betreffende werknemers in ogenschouw zal worden genomen.

Vraag 152

In de pilot Van-Werk-naar-Werk (VWNW)-projecten heeft het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid per VWNW-traject maximaal € 2 500 beschikbaar gesteld per werknemer. Komt dit overeen met de voorziene hoogte van het gemiddelde transitiebudget? Zo nee, vanwaar dit verschil?

Antwoord

Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 149 bedraagt een gemiddeld transitiebudget in geval van een modaal inkomen € 6 250,-. Het verschil wordt verklaard door het feit dat het door het ministerie beschikbaar gestelde bedrag een bijdrage is aan experimenten gericht op het bevorderen van «van-werk-naar-werk» trajecten. Aan deze experimenten wordt ook een financiële bijdrage geleverd door de deelnemers zelf.

Vraag 153

Kan de regering toelichten hoeveel actieven en inactieven er op de arbeidsmarkt zijn in de leeftijdscategorie 15–65 jaar, exclusief studenten?

Antwoord

In het derde kwartaal van 2012 waren er 8 781 000 personen in de bevolking tussen 15 en 65 jaar die geen student/scholier waren. Hiervan worden er 6 906 000 tot de beroepsbevolking gerekend (78,6%). Daarvan waren 6 509 000 personen werkzaam en 397 000 werkloos. Inactief, in dit geval gedefinieerd als niet behorende tot de beroepsbevolking en niet zijnde scholier/student, waren 1 875 000 personen.

Vraag 154

De bijstand als tijdelijk vangnet schiet zijn doel voorbij, aldus de regering. Van de 317 000 bijstandsuitkeringen duurt 37% langer dan vijf jaar. Kan de regering per jaar toelichten wat het aandeel is tot 10 jaar?

Antwoord

Het aantal huishoudens met een WWB-uitkering ultimo 2011 is ruim 315 000. Hiervan heeft 37% een duur langer dan vijf jaar. Duurcijfers zijn in de reguliere statistiek gespecificeerd naar jaar tot en met een duur van acht jaar. Na acht jaar zijn de jaren verder niet gespecificeerd, maar is wel een totaalcijfer beschikbaar. Voor ultimo 2011 geldt de volgende onderverdeling voor de duur van de WWB uitkeringen:

duur WWB (jaren)

aantal

aandeel (%)

< 1

75 985

24,1%

1–2

55 430

17,6%

2–3

31 790

10,1%

3–4

20 320

6,4%

4–5

15 215

4,8%

5–6

12 520

4,0%

6–7

11 075

3,5%

7–8

 9 520

3,0%

8 jaar of langer

83 825

26,6%

Totaal

315 680

100%

Bron: CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek

Vraag 155

Welk percentage van de bijstandsgerechtigden kan aan het werk?

Antwoord

Gemeenten kunnen klanten tijdelijk een gedeeltelijke of volledige vrijstelling van de arbeidsplicht geven wanneer ze niet in staat zijn om te werken. Volgens de Divosa-monitor 2012 had in 2011 circa 27% van de bijstandsgerechtigden een ontheffing. Circa 73% van de bijstandsgerechtigden kan dus aan het werk. Voor een deel van hen geldt dat zij arbeidsvermogen hebben, maar ook afstand tot de arbeidsmarkt. Volgens de Divosa-monitor 2012 is bij 63% van alle bijstandsgerechtigden sprake van een belemmering die maakt dat ze een grotere afstand tot de arbeidsmarkt hebben.

Vraag 156

Kan de regering toelichten wat de verwachte kwantitatieve effecten van de maatregelen ten aanzien van de aanpassing van het ontslagrecht en de WW zullen zijn op de arbeidsparticipatie van oudere werknemers?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 158.

Vraag 157

Kan de regering toelichten wat de verwachte kwantitatieve effecten van de maatregelen ten aanzien van de aanpassing van het ontslagrecht en de WW zullen zijn op de arbeidsmobiliteit van de oudere werknemers?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 158.

Vraag 158

Kan de regering toelichten wat de verwachte kwantitatieve effecten van de maatregelen ten aanzien van de aanpassing van het ontslagrecht en de WW zullen zijn op de algemene arbeidsmobiliteit in Nederland?

Antwoord

Het kabinet kan nog niet aangeven wat de kwantitatieve effecten zijn van de maatregelen ten aanzien van de aanpassing van het ontslagrecht en de WW zoals afgesproken in het regeerakkoord op de arbeidsparticipatie en arbeidsmobiliteit van werknemers of groepen werknemers. Het CPB zal gevraagd worden de effecten op werkgelegenheid, werkloosheid en zo mogelijk arbeidsproductiviteit en mobiliteit door te rekenen voor de gehele arbeidsmarkt en zo mogelijk voor afzonderlijke groepen zoals bijvoorbeeld ouderen.

Vraag 159

Kan de regering toelichten hoe lang een WW-gerechtigde gemiddeld gebruik maakt van de WW-uitkering?

Antwoord

In de eerste acht maanden van 2012 bedroeg de gemiddelde uitkeringsduur bij beëindiging 31 weken. Dit cijfer betreft alle redenen voor beëindiging (werkhervatting, bereiken maximum duur etc.). In de eerste acht maanden van 2012 bedroeg de gemiddelde uitkeringsduur bij beëindiging vanwege werkhervatting 19 weken.

Vraag 160

Kan de regering toelichten hoe hoog het uitstroompercentage van WW-gerechtigden is afgezet tegen de duur van de WW?

Antwoord

Op dit moment levert UWV geen cijfers over de uitstroom naar WW-duur behoudens de gegevens zoals vermeld bij het antwoord op vraag 114. In overleg met UWV zal worden bezien of gegevens geleverd kunnen gaan worden over de uitstroom naar WW-duur.

Vraag 161

Ziet de regering een verband tussen de sociale afkomst van een uitkeringsgerechtigde en de werkloosheidsuitkering?

Antwoord

Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 266.

Vraag 162

Waarom ontbreken in de begroting doelstellingen voor reïntegratie?

Antwoord

De begroting 2013 is anders ingericht dan de begrotingen van voorgaande jaren. In deze begroting is de systematiek van Verantwoord Begroten gevolgd, met als doel de begroting (financieel) evenwichtiger te maken en de beleidsmatige samenhang binnen en tussen de artikelen te vergroten. De algemene doelen van het re-integratiebeleid vindt men terug in de wet- en regelgeving (Wet Participatiebudget, Wajong, WIA, WAO, WAZO en ZW). De gemeenten en UWV hebben beleidsvrijheid om binnen deze kaders zelfstandig specifieke doelstellingen uit te werken. De resultaten die zij vervolgens in een kalenderjaar behalen, zijn zeer afhankelijk van de regionale werkgelegenheidsontwikkelingen. Om deze reden zijn er geen cijfermatige doelstellingen in de begroting van SZW opgenomen.

Vraag 163

Hoeveel mensen zijn uitgestroomd naar werk? Wat is de bruto-effectiviteit van re-integratie?

Antwoord

U heeft recentelijk de Monitor Arbeidsmarkt september 2012 (2012D37087, TK, 2012–2013, 33 400 XV, nr. 5) ontvangen, waarin uitgebreid over de resultaten van re-integratie is gerapporteerd. Wij beperken ons daarom hier kortheidshalve tot het vermelden van twee uitkomsten.

  • In 2011 zijn 113 duizend mensen met werk in loondienst na of met re-integratie gestart.

  • Het percentage re-integratietrajecten dat binnen 24 maanden na de start van een traject tot een baan heeft geleid, kent een bruto effectiviteit van 61%.

Vraag 164

De resultaten van Reïntegratie UWV zijn niet meegenomen in de begroting. Waarom niet?

Antwoord

In de begroting van SZW 2012 waren nog indicatoren opgenomen betreffende het re-integratiebeleid. Daarvan is in de begroting 2013 vanwege Verantwoord Begroten vanaf gezien. Zie ook het antwoord op vraag 162.

Vraag 165

Hoe staat het met het experiment naar de netto-effectiviteit van reïntegratie dat onder andere is gestart naar aanleiding van de motie Azmani/Koşer Kaya)?

Antwoord

Per brief van 20 juli jl. heeft de toenmalige minister van SZW uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot het uitvoeren van het experiment naar de netto effectiviteit van re-integratie (TK, 2011–2012, 28 719, nr. 79). Het in deze brief gegeven overzicht komt overeen met de huidige stand van zaken. De eerste resultaten van de verschillende deelexperimenten komen volgens de huidige planning in de loop van 2013 beschikbaar. Eind 2013 zal naar verwachting een cijfermatig overzicht beschikbaar komen dat een representatief beeld geeft van de verschillende deelexperimenten. Dit overzicht wordt aan de Tweede Kamer gezonden.

Vraag 166

Door de regering wordt tot 2014 in het programma Impuls Vakmanschap geïnvesteerd, waarmee de sociale diensten worden gestimuleerd om de effectiviteit van reïntegratieprojecten te vergroten en zich verder te professionaliseren. Divosa en VNG voeren dit programma uit. Kan de regering toelichten welke doelen en resultaten hierbij zijn gesteld?

Antwoord

De Impuls Effectiviteit en Vakmanschap van Divosa en de VNG richt zich op professionalisering bij sociale diensten met als doel het vergroten van de effectiviteit en aantoonbare resultaten van re-integratie door het bevorderen van methodisch werken en de ontwikkeling van een professionele standaard. Het programma bestaat uit vier projectlijnen: kennis & expertise, gebruikers, organisatie & ontwikkeling en bestuurders. Onder meer gaat het om de volgende activiteiten:

  • het ontwikkelen van een gemeenschappelijke visie op het vak en de aansturing daarvan (gericht op leidinggevenden);

  • aandacht voor professioneel besturen (gericht op bestuurders);

  • het ontwikkelen van concrete werkwijzers op basis van bewezen effectieve methodieken (gericht op klantmanagers);

  • het ondersteunen van de oprichting van een beroepsvereniging voor klantmanagers;

  • het verbinden van de werkvloer met de (wetenschappelijke) kennis over wat werkt voor wie.

Alle projectlijnen beogen de transparantie over de effectiviteit van interventies en het lerend vermogen van sociale diensten te vergroten.

Vraag 167

De regering licht toe dat het UWV en de gemeenten de komende jaren nauw zullen samenwerken in de arbeidsmarktregio's. Kan de regering nader toelichten hoe de samenwerking eruit zou moeten zien en in hoeverre gemeenten toegang hebben tot systemen van UWV?

Antwoord

In de wet SUWI staat dat UWV en gemeenten dienen samen te werken bij de registratie van werkzoekenden en vacatures in een landelijk systeem, en dat zij in regio’s dienen samen te werken bij de dienstverlening aan werkgevers en het verrichten van taken met betrekking tot de regionale arbeidsmarkt.

SZW heeft de Programmaraad (samenwerkingsverband UWV, VNG, Divosa en Cedris) gevraagd de samenwerking – conform de wet SUWI – te bevorderen en ondersteunen, en daarvoor financiële middelen beschikbaar gesteld. Op 28 juni jl. is overeenstemming bereikt door VNG in samenwerking met UWV om te komen tot 35 arbeidsmarktregio’s.

De Programmaraad ondersteunt de regio’s bij de inrichting van de dienstverlening aan werkgevers en werkzoekenden en bij de taken met betrekking tot de regionale arbeidsmarkt. Voor werkgevers zal in de regio één gezamenlijk aanspreekpunt tot stand worden gebracht. Voor werkzoekenden zullen UWV en gemeenten de dienstverlening op elkaar afstemmen en daarbij gebruik maken van elkaars sterke punten.

Daarnaast zorgt de Programmaraad voor het tot stand brengen van het landelijk ICT-systeem, door gemeenten toegang te geven tot de UWV-systemen en voor gemeenten de eenmalige uitvraag beter te faciliteren. Op dit moment hebben nog niet alle gemeenten toegang tot de UWV-systemen.

Vraag 168

Wat is de stand van zaken ten aanzien van het vormen van de arbeidsmarktregio's?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 167.

Vraag 169

De regering licht toe dat er keuzes moeten worden gemaakt bij invulling van de verschillende taakstellingen op gebied van werk en inkomen. Welke keuzes stelt de regering hierbij voor?

Antwoord

De taakstellingen op het gebied van werk en inkomen zijn voor de periode 2012–2015 ingevuld. Over de keuzes die daarbij zijn gemaakt, heeft de toenmalige minister van SZW u geïnformeerd met de brief van 14 maart 2011 (TK, 2010–2011, 32 500 XV, nr. 75). De taakstelling uit het regeerakkoord Rutte/Verhagen op het gebied van werk en inkomen voor de periode 2016–2018 (€ 51 miljoen) dient, evenals de taakstelling van € 3 miljoen uit het begrotingsakkoord 2013, nog met maatregelen belegd te worden. Dit zal geschieden in combinatie met de invulling van de uit het regeerakkoord Rutte-II voortvloeiende taakstelling op het gebied van werk en inkomen voor de periode 2016–2018 van € 64 miljoen. De mogelijke invulling van deze drie taakstellingen, inclusief de daarbij horende keuzes, is thans onderwerp van nader overleg. Zodra dit overleg is afgerond informeren wij u over de resultaten daarvan.

Vraag 170

Kan de regering de standaard SZW-koopkrachttabel geven voor het jaar 2013 en de periode 2013–2017, exclusief en inclusief het in het regeerakkoord voorgenomen beleid?

Antwoord

Koopkrachttabel SZW – Exclusief en inclusief regeerakkoord

Actieven:

2013 zonder RA

2013 met RA

2013–2017 zonder RA

2013–2017 met RA

Alleenverdiener met kinderen

       

modaal

-3¾

-3½

2 x modaal

-1¼

-4¼

         

Tweeverdieners

       

modaal + ½ x modaal met kinderen

0

½

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

¼

-1¼

modaal + modaal zonder kinderen

1

2

2 x modaal + modaal zonder kinderen

½

¾

0

         

Alleenstaande

       

minimumloon

½

½

1

modaal

¾

¾

2 x modaal

¼

¼

-1¼

         

Alleenstaande ouder

       

minimumloon

¾

¾

¾

modaal

0

0

¾

         

Inactieven:

       

Sociale minima

       

paar met kinderen

-1

-1

-4¼

-1¼

alleenstaande

-1¼

-1¼

-4

-1½

alleenstaande ouder

-1¼

-1¼

-3½

-3¾

         

AOW (alleenstaand)

       

(alleen) AOW

1

1

AOW +10000

-2¾

-3

-5¼

-5¾

         

AOW (paar)

       

(alleen) AOW

½

¾

AOW +10000

-3

-3

-5¾

-5¼

Leeswijzer:

• De kolommen 2 en 3 presenteren de koopkracht voor het jaar 2013 als gevolg van respectievelijk exclusief en inclusief het in het regeerakkoord voorgenomen beleid.

• Kolom 4 toont de koopkrachtontwikkeling voor de periode 2013-2017 zonder af te wijken van het basispad. Kolom 5, daarentegen, visualiseert het koopkrachtbeeld na verwerking van het regeerakkoord.

Vraag 171

Kan de regering toelichten waarom de mediane koopkrachtmutatie bij inkomensgroep 1x-1,5x modaal afwijkt van de andere inkomensgroepen en in hoeverre er in dat geval nog sprake is van een evenwichtige verdeling van koopkrachteffecten door de voorgestelde maatregelen?

Antwoord

De mediane koopkrachtmutatie is bij de inkomensgroep 1x-1½x modaal ongeveer een half procent negatiever dan bij de andere inkomensgroepen. Dit hangt onder meer samen met de maatregelen in het begrotingsakkoord, waaronder het versneld afbouwen van de zorgtoeslag, het verhogen van het eigen risico en het bevriezen van schijfgrenzen en heffingskortingen. Daarnaast spelen factoren zoals het ingaan van de Wet Uniformering Loonbegrip en de gevolgen van de slechte financiële positie van pensioenfondsen op de indexatie van pensioenen een rol in de totale koopkrachtontwikkeling. Per saldo zorgen deze factoren ervoor dat de mediane koopkrachtontwikkeling bij de inkomensgroep 1–1½x modaal negatiever uitpakt. Over het algemeen valt op dat de mediane koopkrachtontwikkeling voor 2013 geen grote verschillen laat zien tussen inkomensgroepen. Inzet van de partijen die het begrotingsakkoord hebben gesloten was de koopkrachteffecten evenwichtig te verdelen, met bijzondere aandacht voor mensen met lage inkomens. Deze inzet is ook terug te zien in de ontwikkeling van de mediane koopkracht.

Vraag 172

In tabel 2.1.2.1 is te lezen dat de totale SZA-uitgaven de komende jaren behoorlijk oplopen. Hoe is de regering voornemens deze uitgaven te beheersen?

Antwoord

De SZA-uitgaven zullen inderdaad volgens de begroting oplopen van € 70,5 miljard in 2012 naar € 80,5 miljard in 2017. Deze stijging wordt bijna volledig verklaard door het aanpassen van de uitgaven aan de loon- en prijsontwikkeling, in casu € 8,1 miljard in 2017. Zonder deze aanpassingen is de stijging zeer beperkt.

In begroting 2013 zijn evenwel de bezuinigingen van het regeerakkoord 2013–2017 nog niet verwerkt. Het kabinet zal in de komende startnota de nieuwe cijfers inclusief het regeerakkoord aan de Tweede Kamer doen toekomen. Op basis van deze nota zullen nieuwe uitgaven- en inkomstenkaders worden vastgesteld, die dienen om de overheidsfinanciën te beheersen.

Vraag 173

Wat is het bedrag dat er jaarlijks aan premies voor de AOW binnenkomt? Welk bedrag wordt er jaarlijks uitgegeven? Hoe verlopen deze twee zaken zich in de komende tien jaar?

Antwoord

Onderstaande tabel laat de geraamde ontwikkeling van de AOW-uitgaven (inclusief uitvoeringskosten) en de AOW-premie-inkomsten zien. Tot en met 2017 zijn deze cijfers conform begroting, de daaropvolgende jaren betreffen een ruwe schatting. In deze cijfers zijn de regeerakkoordmaatregelen nog niet verwerkt.

x mln €*

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

AOW-uitgaven

33 064

34 497

35 852

36 888

38 205

39 751

41 084

42 509

44 069

45 755

Premie-inkomsten

23 421

22 936

21 223

21 313

20 568

20 968

21 377

21 792

22 218

22 648

Verhouding

71%

66%

59%

58%

54%

53%

52%

51%

50%

49%

* lopende prijzen

Vraag 174

Welk percentage van de personen, die minder kinderopvangtoeslag hebben ontvangen vervangt kinderopvang door informele opvang?

Antwoord

Er is over de groep gebruikers die minder kinderopvangtoeslag hebben ontvangen geen informatie beschikbaar over vervanging hiervan door informele opvang.

Vraag 175

Volgens de begroting treden de gedragseffecten van de bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag sneller op. Betreft het alleen een sneller optreden van de geraamde gedragseffecten of zijn de gedragseffecten ook groter? Zo nee, waarop baseert de regering deze inschatting?

Antwoord

Het is onduidelijk waardoor de daling in het gebruik precies wordt veroorzaakt en of het gedragseffect sneller optreedt of groter is. Vanwege de forse stijging van het gebruik in eerdere jaren en de onzekerheid over de oorzaken van het lagere gebruik in dit jaar, is er voorzichtigheidshalve vanuit gegaan dat het gedragseffect niet groter is dan geraamd maar vooral sneller optreedt als gevolg van de stapeling van maatregelen. In het tweede kwartaal van 2013 kan naar verwachting meer duidelijkheid worden gegeven over de oorzaken van de daling en zal de Kamer daar dan zoals toegezegd over worden geïnformeerd.

Vraag 176

Kan de regering toelichten hoe lang iemand gemiddeld een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangt?

Antwoord

De gemiddelde duur van een ziektewetuitkering is circa 4 maanden.

Vraag 177

Hoe hoog is het uitstroompercentage van uitkeringsgerechtigden op grond van de Ziektewet afgezet tegen de duur van de uitkering op grond van de Ziektewet?

Antwoord

De duur van de uitkering is afhankelijk van de arbeidssituatie van de werknemer. Werknemers die ziek zijn hebben in beginsel twee jaar recht op loondoorbetaling (in geval zij een werkgever hebben), of een ziektewetuitkering (in het geval zij geen werkgever hebben). Mensen met een tijdelijk contract kunnen gedurende de eerste periode van ziekte recht hebben op loondoorbetaling en vervolgens (na afloop van het contract) op een ziektewetuitkering. Voor mensen met een WW-uitkering geldt dat de eerste drie maanden van ziekte de WW-uitkering doorloopt, na drie maanden volgt een ZW-uitkering.

In onderstaande tabel wordt inzicht gegeven in de gemiddelde ziekteduur.

Beëindigde ZW-uitkeringen naar duurklasse (bron: UWV, 2011)

Duurklasse in weken

zwangere vrouwen

flex-werkers

zieke werklozen

overig vangnet

<2

27%

61%

24%

61%

2–6

21%

9%

19%

14%

6–13

25%

5%

16%

8%

13–26

17%

5%

10%

6%

26–52

6%

5%

9%

4%

52–104

2%

5%

7%

3%

niet hersteld

1%

10%

15%

4%

Totaal

100%

100%

100%

100%

Vraag 178

In tabel 2.1.2.3 lopen de overige uitgaven de komen de jaren ontzettend op. Kan de regering dit verklaren en nader toelichten?

Antwoord

De post overige uitgaven bestaat grotendeels uit de nominale ontwikkeling. De nominale ontwikkeling betreft de loon- en prijsontwikkeling waarmee de uitkeringen, budgetten en uitvoeringskosten worden geïndexeerd. De lonen en prijzen stijgen jaarlijks. Hierdoor kent deze ontwikkeling een stijgend verloop.

Vraag 179

In hoeverre overweegt de regering om de financiering aan gemeenten voor de WWB – of in de toekomst de beoogde participatiebudget – WMO en jeugdzorg, te ontschotten? Welke scenario’s ten aanzien van ontschotting zijn er mogelijk?

Antwoord

«Eén gezin, één plan, één regisseur» is in het regeerakkoord als uitgangspunt bij de decentralisaties geformuleerd. Daarbij heeft het kabinet ook aangemerkt dat dit ook één budget van overheidszijde vergt. Op dit moment onderzoekt het kabinet daartoe verschillende scenario’s om op termijn te komen tot meer samenhang in de financiering. Het kabinet vindt het daarbij belangrijk dat de financiering gemeenten ondersteunt en stimuleert tot een doelmatige, doeltreffende en samenhangende uitvoering van de verschillende regelingen.

Vraag 180

Hoe verhouden de cijfers uit tabel 2.1.2.4 van de WW-uitkeringen en de WWB-uitkeringen zich (opgeteld) tot de werkloosheidscijfers van het CBS? Waarom zijn de CBS-cijfers voor de werkloosheid lager dan eerstgenoemde twee bij elkaar opgeteld?

Antwoord

De cijfers die CBS presenteert gaan over de werkloze beroepsbevolking. Dat zijn alle personen van 15–64 jaar zonder werk (of met werk voor minder dan twaalf uur per week), die actief op zoek zijn naar betaald werk voor twaalf uur of meer per week en daarvoor beschikbaar zijn. Niet iedereen die een WW- of WWB-uitkering ontvangt voldoet aan deze criteria. Gedeeltelijk gaat het daarbij om werkzame personen met een aanvullende WW- of WWB-uitkering. Ook kunnen de uitkeringsontvangers een ontheffing hebben van sollicitatieplicht, of zijn zij niet direct beschikbaar omdat zij in een re-integratietraject zitten of zoeken ze om andere redenen niet actief naar werk. Hierdoor zijn de CBS-cijfers lager dan de cijfers uit tabel 2.1.2.4 opgeteld. Het verschil in personen is overigens nog groter, omdat de cijfers in tabel 2.1.2.4 niet het aantal personen maar het aantal herleide uitkeringsjaren weergeven.

Vraag 181

De voornaamste oorzaak voor overschrijding van de SZA-uitgaven is de hogere werkloosheidsuitgaven. Wat zijn de andere oorzaken? Kan de regering dit uitgebreid nader toelichten?

Antwoord

De oorzaak voor overschrijding van de SZA-uitgaven is de hogere werkloosheidsraming van het CPB voor de jaren 2012 en 2013. Hierdoor stijgen de uitgaven aan WW en Bijstand. Het WW-volume volgt (met enige vertraging) het verloop van de werkloosheid en laat dus een grote oploop zien in de jaren 2012, 2013 en 2014. De bijstandsvolumes reageren vertraagd op veranderingen in de werkloosheid. De bijstandsuitgaven stijgen daardoor in de jaren 2013 en 2014.

Vraag 182

In tabel 2.1.3 staat aangegeven dat de uitvoeringsmutaties BUIG de komende jaren fors toenemen. Kan de regering dit verklaren?

Antwoord

De uitvoeringsmutatie BUIG bij Voorjaarsnota wordt grotendeels verklaard door de bijstelling van de WWB-raming op basis van het Centraal Economisch Plan 2012 (CEP 2012). In het CEP 2012 is sprake van oplopende werkloosheid. Daarnaast heeft het CPB de rekenregels aangepast die het verband beschrijven tussen de ontwikkeling van de werkloosheid en die van de WWB. Dit is beschreven in een separate bijlage bij het CEP 2012 en ook gecommuniceerd via het Gemeenteloket van SZW op 6 april 2012.

Vraag 183

Kan de regering de reeks van de basisdienstverlening UWV verklaren?

Antwoord

De reeks basisdienstverlening UWV in de aansluitingstabel verwijst naar een uitvoeringsmutatie die in de Voorjaarsnota 2012 is verwerkt. De toelichting op deze mutatie is eveneens in de Voorjaarsnota te vinden. Door de maatregelen uit het regeerakkoord Rutte/Verhagen groeit de werkloze beroepsbevolking. Dit leidt tot meer uitkeringsaanvragen bij de WW. Hierdoor stijgen de uitvoeringskosten bij de basisdienstverlening van het UWV. Dit effect was eerder nog niet meegenomen.

Vraag 184

In tabel 2.1.3. staat aangegeven dat de uitvoeringsmutaties Rijksbijdragen ouderdomfonds het afgelopen jaar fors is toegenomen. Kan de regering dit verklaren en nader toelichten?

Antwoord

De raming van de premie-inkomsten in het ouderdomsfonds is voor 2012 neerwaarts bijgesteld op basis van cijfers van het CPB. Hierdoor wordt de benodigde rijksbijdrage om het vermogenstekort aan te vullen groter. Voor 2013 en verder zijn de verwachte premie-inkomsten hoger dan eerder gedacht, hierdoor is een kleinere rijksbijdrage benodigd.

Vraag 185

Kan de regering toelichten wat wordt bedoeld met de zin op pagina 31 dat de beleidsdoorlichtingen over de oude begrotingsartikelen, artikel 41 (inkomensbeleid) en artikel 42 (arbeidsmarktbeleid) uit 2011, nu vallen onder de beleidsagenda?

Antwoord

Verantwoord Begroten heeft geleid tot een nieuwe begrotingsopzet. Daarbij is gekozen om in de beleidsagenda het arbeidsmarktbeleid en inkomensbeleid toe te lichten, en daarom worden deze beleidsdoorlichtingen (uitgevoerd in 2011) onder de beleidsagenda geschaard.

Vraag 186

Zijn er wijzigingen ten opzichten van de begroting 2012 met betrekking tot de planning beleidsdoorlichtingen en evaluaties? Zo ja, wat is de achtergrond hiervan?

Antwoord

Er zijn wijzigingen t.o.v. de begroting 2012 in de beleidsdoorlichtingen en evaluaties. De belangrijkste redenen zijn een betere aansluiting bij de beleidswijzigingen die recent zijn opgetreden (o.a. wetswijzigingen, komende beleidsontwikkelingen). Wijzigingen zijn bijvoorbeeld:

  • Naar voren verschuiven van de doorlichtingen op art. 9 Nabestaanden naar 2012 (i.p.v. 2015) en op art. 10 Tegemoetkoming ouders naar 2013 (i.p.v. 2014);

  • Naar achteren verschuiven van de beleidsdoorlichting op art. 4 Jonggehandicapten naar 2017 (i.p.v. 2014).

Vraag 187

Kan de regering de Kamer informeren over de dekkendheid en aanpak van de beleidsdoorlichtingen over de arbeidsmarkt en tegemoetkomingen ouders?

Antwoord

De beleidsdoorlichting Arbeidsmarkt bevindt zich in de voorbereidende fase. Aangezien de beleidsdoorlichting een synthese is van reeds gehouden evaluatieonderzoek (de doorlichting van artikel 44 is in 2012 naar de Kamer gestuurd) en nog uit te voeren onderzoek, zal de beleidsdoorlichting zich richten op de bijdrage aan evenwichtige arbeidsverhoudingen en -voorwaarden.

Het onderdeel vitaliteitspakket zal buiten de doorlichting blijven omdat het beleid met de begroting 2013 is aangepast. Een evaluatie komt nu te vroeg.

De beleidsdoorlichting Tegemoetkoming ouders wordt opgestart en zal naar verwachting begin 2013 afgerond worden, mede in samenhang met de hervorming van de kindregelingen. In de doorlichting worden de drie regelingen op het SZW-terrein (WKB, TOG en AKW) bekeken. Daarmee is de dekkendheid van het artikel gewaarborgd.

Vraag 188

Kan de regering toelichten waarom vijf verschillende beleidsvelden (voormalige artikelen 41 t/m 45) met heldere maatschappelijke doelstellingen zijn samengevoegd in één beleidsartikel met een algemener doel? Hoe vallen deze afzonderlijke beleidsdoelen te controleren?

Antwoord

SZW heeft Verantwoord Begroten aangegrepen voor een herziening van de begrotingsindeling van SZW, met als doel de begroting (financieel) evenwichtiger te maken en de beleidsmatige samenhang binnen en tussen de artikelen te vergroten. In de nieuwe opzet van de begroting wordt conform Verantwoord Begroten een beter inzicht in de financiële instrumenten gegeven. De autorisatiefunctie van de begroting en de vraag waaraan het geld wordt uitgegeven komt voorop te staan. De – voorheen soms omvangrijke – beschrijving van beleidsdoelen wordt kernachtiger geformuleerd.

De vijf beleidsvelden uit de begroting 2012 betreffen allen het terrein van de arbeidsmarkt en maken gezamenlijk in 2013 nog geen 0,1% uit van het begrotingstotaal van het ministerie van SZW. Samenvoegen van deze in financieel opzicht kleine artikelen draagt dus bij aan een evenwichtiger begroting.

De onderscheiden beleidsdoelen van de beleidsvelden die in de begroting 2012 nog als afzonderlijke artikelen waren opgenomen zijn in de huidige begroting niet meer expliciet opgenomen en de realisatie van deze doelen is dus ook niet meer in het begrotingstraject te controleren. Hiervoor wordt verwezen naar beleidsnotities aangaande deze beleidsvelden.

Vraag 189

Kan de regering toelichten wat de logische samenhang binnen beleidsartikel 1 is?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 188.

Vraag 190

Waarom heeft de regering in de tabel voor budgettaire gevolgen voor beleid geen subkopjes met beleidsvelden opgenomen, zoals dat bij een aantal andere begrotingen wel het geval is? Kan de regering dit alsnog doen voor artikel 1 zodat duidelijk is hoeveel geld naar de beleidsvelden inkomensbeleid, arbeidsparticipatie, arbeidsverhoudingen, arbeidsomstandigheden en pensioenen gaan?

Antwoord

Het past niet in de structuur van de SZW-begroting om in artikel 1 met subkopjes naar beleidsvelden te werken. Daar komt bij dat budgettaire beslag van artikel 1 gering is (zie ook het antwoord op vraag 188).

Vraag 191

Hoe staat de regering tegenover het splitsen van artikel 1 in meerdere artikelen, gezien de ongelijksoortigheid van de daaronder vallende beleidsvelden?

Antwoord

Zoals wij in het antwoord op vraag 188 hebben vermeld betreffen de onderscheiden beleidsvelden allen het brede terrein van de arbeidsmarkt. Wij zijn geen voorstander van het opnieuw opsplitsen van artikel 1 in meerdere artikelen. Met de nieuwe artikelindeling hebben wij op dit punt juist de omgekeerde beweging ingezet.

Vraag 192

Hoe kan de Kamer controleren hoeveel geld er naar de verschillende beleidsvelden inkomensbeleid, arbeidsparticipatie, arbeidsverhoudingen, arbeidsomstandigheden en arbeidspensioenen gaat en wat dat oplevert?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 188.

Vraag 193

Kan de regering de Kamer informeren over de dekkendheid en de aanpak (opzet en inhoud) van de beleidsdoorlichting naar het artikel arbeidsmarktbeleid (art. 1) in 2013, vóórdat deze beleidsdoorlichting van start gaat?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 187.

Vraag 194

Is de regering bereid om, in algemene zin, de Kamer per beleidsdoorlichting altijd te informeren over de opzet en inhoud ervan, vóórdat de doorlichting van start gaat?

Antwoord

Wij zijn bereid om de Kamer voorafgaand op hoofdlijnen te informeren over de opzet en inhoud van beleidsdoorlichtingen van SZW, bijvoorbeeld in de begroting van SZW.

Vraag 195

Kan de regering voor het artikel Arbeidsmarkt (artikel 1) per beleidsveld aangeven welke deel van de niet juridisch verplichte uitgaven (79%) bestuurlijk gebonden dan wel beleidsmatig gereserveerd is?

Antwoord

De totale verdeling van artikel 1: 64% beleidsmatig gereserveerd, 21% juridisch verplicht, 15% bestuurlijk gebonden. Een uitsplitsing per beleidsveld is niet mogelijk, zie het antwoord op vraag 188.

Vraag 196

Welke concrete maatregelen is de regering voornemens te nemen om de positie van werknemers met tijdelijke arbeidscontracten en uitzendkrachten te verbeteren? Wanneer kan de Kamer deze voorstellen tegemoet zien?

Antwoord

Het kabinet kijkt samen met sociale partners naar verbetering van de wettelijke bescherming voor verschillende vormen van flexibel werken. Daarbij worden onder andere de zogenoemde ketenbepaling  en het  concurrentiebeding betrokken. Deze op flexibele arbeid gerichte maatregelen maken onderdeel uit van een totaal pakket over verbetering van de werking van de arbeidsmarkt waar de komende tijd met sociale partners over zal worden gesproken. Wij streven er naar in het voorjaar voorstellen aan u te presenteren.

Vraag 197

Welk doel in procenten stelt de regering aangaande de afname van het aantal werknemers met tijdelijke contracten en uitzendcontracten?

Antwoord

Het kabinet heeft zich ten doel gesteld om flexibele en vaste arbeid beter met elkaar in balans te brengen, door de verschillen tussen vaste en tijdelijke werknemers te verkleinen. De omvang van het aantal tijdelijke contracten en uitzendcontracten wordt echter mede bepaald door – en beweegt dan ook mee met – de internationale economische conjunctuur. De invloed daarop is gering. Het is dan ook niet realistisch een doel te formuleren in termen van afname van het aantal tijdelijke contracten en uitzendcontracten.

Vraag 198

Wat zijn de laagste loonschalen in de Rijks-CAO en wat zijn de laagste loonschalen in de schoonmaak-CAO en de catering-CAO?

Antwoord

Het laagste loon in de laagste loonschaal bij het Rijk bedraagt € 1 467,16 per maand. In de schoonmaak-cao is het laagste bedrag in de laagste loonschaal € 1 510,85. In de catering-cao is dat € 1 525,13.

Vraag 199

Met welk bedrag per uur gaat bijvoorbeeld een schoonmaker in de laagste loonschaal van de schoonmaak-CAO erop vooruit indien hij terecht komt in de laagste loonschaal van de Rijks-CAO?

Antwoord

Bij het vergelijken van de drie cao’s moet rekening worden gehouden met het feit dat zowel de secundaire arbeidsvoorwaarden als de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur verschillend zijn. De gemiddelde wekelijkse arbeidsduur bedraagt in de drie cao’s respectievelijk 36, 38 en 40 uur. Omdat deze arbeidsduur verschilt, is het goed om niet alleen te kijken naar maandbedragen maar ook naar uurbedragen. Uitgaande van maandbedragen gaat een schoonmaker in de laagste loonschaal die een overstap maakt naar de laagste loonschaal bij het Rijk er € 43,69 per maand op achteruit (laagste bedrag laagste loonschaal). Uitgaande van uurbedragen gaat deze schoonmaker er echter € 0,23 per uur op vooruit.

Vraag 200

Hoeveel arbodiensten zijn er? Zijn allen arbodiensten gecertificeerd? Zo nee, hoeveel niet en waarom niet?

Antwoord

Er zijn ongeveer 400 arbodiensten. Van deze arbodiensten zijn er thans 101 gecertificeerd. Arbodiensten kunnen zelf bepalen of zij zich conform artikel 20 van de Arbowet laten certificeren. Het certificaat legt een arbodienst eisen op ten aanzien van kwaliteit, professionaliteit en onafhankelijke dienstverlening. Het is ook mogelijk dat een arbodienst niet gecertificeerd is, maar wel gecertificeerde arbokerndeskundigen in dienst heeft. Als een werkgever gebruik wil maken van de vangnetregeling voor aanvullende deskundige bijstand op het gebied van preventie en bescherming, dan dient hij een gecertificeerde arbodienst te contracteren.

Vraag 201

Zijn alle arbodiensten aangesloten bij branche-organisatie? Zo nee, hoeveel niet en waarom niet?

Antwoord

Niet alle arbodiensten zijn aangesloten bij de brancheorganisatie OVAL (Organisatie voor vitaliteit, activering en loopbaanbegeleiding). Arbodiensten beslissen zelf of zij zich aansluiten bij de brancheorganisatie.

Vraag 202

Zijn er certificaten van arbodiensten ingetrokken? Zo ja, hoeveel en om welke redenen?

Antwoord

In de afgelopen jaren zijn geen certificaten van arbodiensten ingetrokken.

Vraag 203

Hoeveel bedrijven, die hulp bij verzuimbegeleiding aanbieden, zijn er? Gebeurt dat volgens de regels? Zo ja, waaruit blijkt dat? Zo nee, welke stappen onderneemt de regering om hierin verandering te brengen?

Antwoord

Recent heeft de Inspectie SZW (TK, 2012–2013, 33 400 XV, nr. 5) onderzoek verricht naar verzuimbedrijven. Naar schatting 50 tot 100 verzuimbedrijven bieden aan werkgevers ondersteuning bij verzuimbegeleiding, met name de uitvoering en registratie van de administratieve verplichtingen volgens de Wet verbetering Poortwachter. Het exacte aantal bedrijven dat hulp bij verzuimbegeleiding biedt is niet bekend. Uit het onderzoek is gebleken dat er problemen zijn geweest inzake omgang met medische persoonsgegevens bij het grootste verzuimbedrijf VerzuimReductie. Op grond van het onderzoek door de Inspectie SZW zijn er geen aanwijzingen gebleken voor omvangrijke misstanden bij andere verzuimbedrijven. Wij verwijzen voor een uitgebreide beschrijving van de resultaten naar genoemde Kamerstukken (TK, 2012–2013, 33 400 XV, nr. 5).

Vraag 204

Welke lessen heeft de regering getrokken uit de onderschatting van het aantal MOE-landers dat in Nederland is komen werken en wat is de schatting van het aantal werknemers dat vanuit Roemenie en Bulgarije naar Nederland zal komen?

Antwoord

Onder het vorige kabinet zijn verschillende maatregelen ingezet om de toename van het aantal migranten in goede banen te leiden. Een onderdeel daarvan is om het aantal EU-migranten beter in beeld te krijgen. Kortheidshalve verwijzen wij ook naar de brief van de toenmalige minister van SZW aan uw Kamer van 28 augustus 2012 over EU-arbeidsmigratie (TK, 2011–2012, 29 407, nr. 149).

Eerder uitgevoerde prognoses van het aantal arbeidsmigranten dat naar Nederland komt als gevolg van de invoering van vrij werknemersverkeer zijn niet betrouwbaar gebleken. Om die reden acht het kabinet het niet zinvol om een voorspelling te doen over het aantal Bulgaren en Roemenen dat naar Nederland komt op het moment dat vrijheid van werknemersverkeer geldt met Bulgarije en Roemenië. Het kabinet is van mening dat het vooral relevant is hoeveel EU-burgers hier daadwerkelijk zijn. Op basis van deze informatie kunnen gemeenten bijvoorbeeld een gericht huisvestingsbeleid voeren. Zoals aangegeven in de brief aan uw Kamer van 28 augustus 2012 heeft het kabinet een aantal maatregelen genomen om het aantal EU-burgers in Nederland beter in beeld te krijgen. Kortheidshalve wordt verwezen naar deze brief.

Vraag 205

Wat doet de Inspectie SZW om vastgelegde vakbondsrechten zoals in ILO-verdragen zijn vastgelegd te handhaven?

Antwoord

Fundamentele vakbondsrechten staan in de ILO verdrag 87. De kern van dit verdrag (Freedom of Association and Protection of the Right to Organise) is dat de overheid de vrijheid van vereniging niet mag inperken voor wat betreft zaken als de statuten, de verkiezingen, de inhoud van programma’s enzovoort. De Nederlandse overheid houdt daarom afstand tot vraagstukken m.b.t. instelling, opheffing, organisatie en of functioneren van vakbonden.

De Inspectie SZW houdt op grond van Art 10 Waadi toezicht op de niet-toegestane vorm van stakingsbreking door het tijdelijk inhuren van personeel. Dit om er voor te zorgen dat werknemers effectief gebruik kunnen maken van hun stakingsrecht. De Inspectie onderzoekt daartoe meldingen van vakbonden.

Vraag 206

Kan de regering in een grafiek de marginale druk naar inkomen toelichten zoals deze zich zou ontwikkelen bij het opstellen van de begroting en zoals deze zich gaat ontwikkelen met het voorgenomen beleid voor de komende kabinetsperiode?

Antwoord

Het CPB behandelt in een notitie die begin december zal verschijnen het effect van het voorgenomen beleid op de marginale druk. De gevraagde grafieken met de marginale druk naar inkomen maken onderdeel uit van deze notitie.

Vraag 207

Kan de regering toelichten welke gevolgen deze marginale druk van het voorgenomen beleid heeft voor werkgelegenheid en arbeidsmarkt?

Antwoord

Over het algemeen stijgt de marginale druk als gevolg van het regeerakkoord. Dit hangt samen met het uitgangspunt dat van hogere inkomens een bijdrage wordt gevraagd. Dit beïnvloedt het arbeidsaanbod negatief. Hier staat tegenover dat de hervorming van de WW en de vermindering van de werkloosheidsval door intensivering van de arbeidskorting en de hervorming van de kindregelingen werken lonender maken, hetgeen een positief effect heeft op het arbeidsaanbod. Het saldo effect van het totale pakket is over de kabinetsperiode licht negatief op de werkgelegenheid (van +¼% in het basispad naar 0%; zie tabel 3.1 in de CPB-notitie van 12 november jl.). Structureel neemt de werkgelegenheid toe met 0,6% (blz. 19, ibidem).

Vraag 208

In tabel 1.1 stelt de regering dat de uitgaven betreffende de opdrachten fors stijgen van € 8 624 000 in 2012 naar € 13 235 000 in 2013. Kan de regering deze stijging nader toelichten?

Antwoord

De stijging van de uitgaven in 2013 ten opzichte van 2012 met € 4,6 miljoen is het gevolg van een in 2012 verwerkte overboeking ad € 4,5 miljoen van het ministerie van SZW naar het ministerie van EL&I (inmiddels: EZ). Het betreft de SZW-bijdrage in de kosten van het TNO-project Arbeidsmarkt en vergrijzing. Door deze overboeking zijn de uitgaven in 2012 lager dan in 2013.

Vraag 209

Kan de regering toelichten welke resultaten de regering verwacht bij de verschillende projecten, die bij zouden moeten dragen aan gezonde en veilige arbeidsomstandigheden, duurzame inzetbaarheid en goede arbeidsverhoudingen waarvoor subsidies worden verstrekt?

Antwoord

Gezonde en veilige arbeidsomstandigheden

Het kabinet geeft werkgevers en werknemers ruimte om zelf maatregelen te ontwikkelen rondom gezonde en veilige arbeidsomstandigheden die zijn toegesneden op de specifieke situatie. In 2013 wordt in dat kader een programma gestart om sectoren en branches te stimuleren tot meer zelfregulering en tevens ruimte geboden voor trajecten die gedrags- en cultuurverandering in gang zetten. Een bedrag van € 2 miljoen is gereserveerd voor het ter beschikking stellen van goede praktijken, het faciliteren van kennisdeling tussen sectoren en branches, en de ondersteuning van de verspreiding van elders bewezen praktijken in andere sectoren. De verwachting is dat daarmee een impuls wordt gegeven aan zelfregulering in branches en sectoren.

Aan de Stichting van de Arbeid is in 2012 subsidie verleend voor de implementatie van arbocatalogi in bedrijven en de uitbreiding van het aantal arbocatalogi in branches. Streven van de Stichting van de Arbeid is om in 50 sectoren een effectieve implementatie in bedrijven te bewerkstelligen in 2013. De uitbreiding van arbocatalogi zal 40 branches betreffen.

Duurzame inzetbaarheid

Voor het project Duurzame Inzetbaarheid is voor de jaren 2013 en 2014 onder «subsidies» en «opdrachten» een bedrag van € 2 miljoen gereserveerd. Circa eenderde van dit bedrag valt onder «subsidies» (tweederde onder «opdrachten»).

Uw Kamer is geïnformeerd over de activiteiten die in het kader van het project worden uitgevoerd in de brief van 10 oktober 2012 (TK, 2012–2013, 25 883, nr. 212). Onderdeel van dit project is het Actieplan Gezond Bedrijf. De toenmalige minister van SZW heeft uw Kamer hier separaat over geïnformeerd. Voor meer informatie over dit actieplan verwijzen wij naar zijn brief d.d. 26 maart 2012 (TK, 2011–2012, 29 544, nr. 388).

Het project Duurzame Inzetbaarheid is gericht op het bij werkgevers, werknemers en andere betrokkenen agenderen, faciliteren en stimuleren van investeren in duurzame inzetbaarheid. Samen met MKB Nederland (Elke Dag Beter) en Syntens brengt het project werkgevers en werknemers in direct contact met praktijkervaring, goede voorbeelden en kennis over het toepassen van duurzame inzetbaarheid. Het project wordt ondersteund door een communicatiecampagne die werkgevers en werknemers bewust maakt van de voordelen van investeren in duurzame inzetbaarheid.

Subsidieregeling kwaliteit arbeidsverhoudingen

Het kabinet maakt met de subsidieregeling kwaliteit arbeidsverhoudingen innovatieve projecten mogelijk die de kwaliteit van de arbeidsverhoudingen verbeteren. In december 2012 wordt het subsidieplafond voor de regeling voor 2013 vastgesteld.

In 2012 bedroeg het subsidieplafond € 0,3 miljoen. Organisaties van werknemers en werkgevers maken vaak gebruik van de regeling om moderne arbeidsverhoudingen te stimuleren. Door de eis van medefinanciering worden alleen projecten goedgekeurd die op een breed draagvlak kunnen rekenen en die praktisch genoeg zijn om concrete resultaten te boeken. De looptijd van projecten bedraagt maximaal 12 maanden.

Vraag 210

Kan de regering toelichten wat de gevolgen zijn van het aanscherpen van het fraudebeleid per 1 januari 2013 voor de productiedoelstellingen zoals geformuleerd in tabel 1.4?

Antwoord

Het aanscherpen van het fraudebeleid per 1 januari 2013 kan gevolgen hebben voor de productiedoelstellingen zoals geformuleerd in tabel 1.4. De verwachting is dat sommige zaken ingewikkelder zullen worden en dus meer mankracht zullen vereisen. Er wordt rekening gehouden met uitbreiding van het aantal inspecteurs om de productie op peil te houden.

Vraag 211

Waarom is het aantal inspecties Wav/WML door de Inspectie SZW lager geraamd in 2012 en 2013 dan de realisatie in 2011?

Antwoord

Het aantal inspecties is in 2012 en 2013 om verschillende redenen lager geraamd dan in 2011. Allereerst inspecteert de Inspectie SZW steeds risicogerichter. Dat betekent dat meer inspecties dan voorheen zullen leiden tot constatering van een overtreding waarvoor verscheidene boeterapporten worden opgemaakt. De afhandeling van dergelijke inspecties kost meer tijd dan bij een inspectie waarbij geen overtreding is geconstateerd. Daarmee neemt de complexiteit en omvang van inspecties toe. In sectoren als champignons, schoonmaak, bouw en uitzendbureaus kent men arbeidsintensieve controles omdat hier sprake is van inlenen, doorlenen, aanneming van werk etc. Dat leidt ertoe dat bij een inspectie meerdere werkgevers worden gecontroleerd en zo nodig worden beboet. Ook worden bij een inspecties meerdere werkgevers gecontroleerd. Zo heeft de Inspectie SZW in 2011 bij haar circa 9 000 inspecties op arbeidsmarktfraude circa 12 000 werkgevers gecontroleerd.

Vraag 212

Hoe hoog was het aantal inspecties en onderzoeken arbeidsomstandigheden door de Inspectie SZW geraamd voor 2011, gezien het gerealiseerde cijfer 14 638 is? Kan de regering onderbouwen dat de raming voor 2012 (15 600) realistisch is?

Antwoord

De oorspronkelijke planning voor 2011 was 16 500 inspecties. In juli 2011 is dat bijgesteld tot 14 800 inspecties. De reden daarvoor was minder capaciteit dan voorzien door verscheidene omstandigheden, zoals FPU en zwangerschap. Een Arbo-inspecteur opleiden kost ruim 1 jaar, dus vervanging op korte termijn voor deze onvoorziene uitval was niet mogelijk. De raming voor 2012 is naar huidig inzicht realistisch.

Vraag 213

Hoe groot is de kans dat een bedrijf in de sector van bijvoorbeeld de bouw en de sector Aardolie, Chemie, Farmacie, Kunststof en Rubber (ACFKR) bezocht wordt door de Inspectie SZW?

Antwoord

De Inspectie SZW heeft een inspectiebrede risicoanalyse uitgevoerd voor de zeer diverse risico’s binnen het domein van SZW. Uitgangspunt bij de weging van deze risico’s was hoe schadelijk het mogelijke effect van het risico is op gezondheid, werking van de arbeidsmarkt en/of op het stelsel van werk en inkomen. Op basis hiervan richt de Inspectie SZW zich bij het toezicht op de risico’s uit de categorie hoog en midden, waar de maatschappelijke schade het grootst is. Voorbeelden van hoge risico’s waar de Inspectie SZW zich op richt zijn arbeidsuitbuiting, illegale tewerkstelling, valgevaar en explosiegevaar (ATEX).

De sectoren en bedrijven waar sprake is van een laag risico, zullen niet bezocht worden door de Inspectie, tenzij er sprake is van een concreet signaal of melding over een bedrijf. Hiermee geeft de Inspectie navolging aan de uitdrukkelijke wens van de samenleving om niet alle bedrijven te inspecteren en weg te blijven daar waar het goed gaat. Kortom, de Inspectie gaat daarheen waar het nodig is. Dat maakt dat een percentage of cijfer van kansberekening geen correct beeld geeft over de inzet van de Inspectie.

Volgens het jaarplan 2013 gaat de Inspectie SZW in 2013 19 400 arbo-, 8 350 AMF- en 590 MHC-onderzoeken uitvoeren. Deze inspecties worden daar ingezet, waar ze het hardst nodig zijn. Per jaar zal de inzet van inspecties kunnen wisselen, afhankelijk van de risicoanalyse.

Vraag 214

Bij hoeveel van de bedrijven in de bouw en de sector Aardolie, Chemie, Farmacie, Kunststof en Rubber is er, gemiddeld genomen, ingrijpen van de Inspectie SZW nodig?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 213.

Vraag 215

Kan de regering toelichten hoeveel personen jaarlijks overlijden door blootstelling aan gevaarlijke stoffen in de sector Aardolie, Chemie, Farmacie, Kunststof en Rubber?

Antwoord

De Inspectie SZW verwijst in haar rapportage naar berekeningen van het RIVM over het jaar 2000 (rapport «Gezondheidseffecten en ziektelast door blootstelling aan stoffen op de werkplek – een verkennend onderzoek», uit 2005). Het RIVM schat dat jaarlijks ongeveer 1 200 personen mogelijk voortijdig overlijden door langdurende blootstelling aan gevaarlijke stoffen in Nederland. Het RIVM berekent dat de sterfte door stofblootstelling in dezelfde grootteorde ligt als die veroorzaakt door verkeers- en privéongevallen.

Vraag 216

Kan de regering toelichten hoe de 12 000 personen, die jaarlijks overlijden door blootstelling aan gevaarlijke stoffen onder hun werk, verdeeld zijn over de verschillende sectoren?

Antwoord

Het getal van 12 002 berust op een drukfout in de gedrukte versie van de Sectorrapportage ACFKR (aardolie, chemie, farmacie, kunststof en rubber) 2012. Dit moet 1 200 zijn. Deze fout is hersteld in de online beschikbare versie. De beschikbare gegevens maken geen onderverdeling naar voortijdig overlijden per sector.

Vraag 217

Kan de regering toelichten wat het effect zou zijn van intensievere (algemene) inspectie in de bouw?

Antwoord

De sector Bouw (inclusief de sector Grond-, Weg en Waterbouw) is een prioritaire sector waar de Inspectie SZW actief inspecteert op arbeidsomstandigheden en arbeidsmarktfraude. Dit gebeurt op basis van risicoanalyse.

De Inspectie constateert relatief meer overtredingen van de arbowetgeving, WAV en WML in de sector Bouw dan in andere risicosectoren. In de komende jaren zal de Inspectie daarom actief blijven inspecteren op de arbeidsomstandigheden, WML, ATW en WAV. Naast inspecties worden eveneens andere interventiemogelijkheden zoals voorlichting en handhavingscommunicatie ingezet.

Vraag 218

Wat zou het effect zijn van intensievere risicogerichte inspectie in de bouw?

Antwoord

Intensievere risicogerichte inspectie in de bouw leidt tot een grotere pakkans van bedrijven die niet wetsconform handelen en het stevig aanpakken daarvan.

Vraag 219

Kan de regering toelichten wat het effect zou zijn van frequenter bezoek van de Inspectie SZW bij bedrijven, die slechts met één (ioniserende) stralingsbron werken of waarvan straling niet hun core business is?

Antwoord

De Inspectie SZW blijft de komende jaren actief inspecteren bij sectoren of bedrijfstakken die werken met stralingsbronnen. Op basis risicoanalyse en de beschikbare capaciteit is de frequentie van de controles bepaald voor deze sector. Daarnaast zet de Inspectie SZW ook andere instrumenten in om de naleving te verhogen, zoals voorlichting aan bedrijven.

Vraag 220

In de periode 2008–2010 werden er gemiddeld 10 000 inspecties in het kader van handhaving WAV/WML verricht, waarom daalt dit naar verwachting in 2012 en 2013 naar circa 8 000?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 211.

Vraag 221

Waarom daalt het percentage inspecties waarbij een overtreding is vastgesteld niet op termijn?

Antwoord

Een belangrijke pijler van de Inspectie SZW is het risicogericht werken. Dit betekent dat de keuze waar te gaan inspecteren ingegeven wordt door de vraag waar de grootste risico’s zijn. De kans dat overtredingen worden aangetroffen, is dan ook groter. Bovendien is een deel van de inspecties ook reactief, dit wil zeggen naar aanleiding van een klacht of melding. Bij dit soort inspecties is de kans dat een of meerdere overtredingen aangetroffen wordt ook groot. Dit maakt dat het aantal inspecties waarbij een overtreding is vastgesteld op termijn niet daalt.

Vraag 222

Wat is de reden van de toename van de opdrachtenbudgetten in 2013 met circa € 4,5 miljoen op het gebied van de arbeidsmarkt (artikel 1)?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 208.

Vraag 223

Wanneer is er sprake van «bovengemiddeld overtreden» van de WAV, WML en Waadi in een bedrijfstak?

Antwoord

Daarvan kan worden gesproken als uit de inspectiebrede risicoanalyse blijkt dat er in een sector relatief vaker sprake is van (een verhoogd risico op) niet wetsconforme naleving van genoemde wetten.

De Inspectie SZW richt zich hierbij op de grootste risico’s. Bij deze risico’s is de maatschappelijke schade gerelateerd aan de doelen van SZW het grootst. Deze risico’s doen zich meestal voor in de sectoren waar (al dan niet tijdelijk via uitzendconstructies) relatief vaak van buitenlandse werknemers gebruik wordt gemaakt, voornamelijk voor arbeid door niet zelfredzame groepen (laaggeschoold werk).

Vraag 224

Kan de regering toelichten wat het gemiddelde percentage overtredingen van de WAV, Waadi en WML is?

Antwoord

Het gemiddelde percentage geconstateerde overtredingen rond arbeidsmarktfraude, dat wil zeggen het ontduiken van de WAV en de WML, bedroeg 17% in 2011. Het percentage ligt de afgelopen jaren tussen de 16 en 18%. Per 1 juli 2012 is de Waadi in werking getreden. Op dit moment loopt een aantal onderzoeken en zijn nog geen gegevens bekend.

Vraag 225

Kan de regering toelichten hoe laag het percentage overtredingen van de WAV, Waadi en WML in een bedrijfstak moet zijn om te rechtvaardigen dat de Inspectie SZW zich minder op een bedrijfstak mag richten?

Antwoord

De Inspectie SZW maakt op basis van een SZW-brede risicoanalyse keuzen voor de risico’s waarop zij haar capaciteit zo effectief mogelijk in kan zetten. In de analyse van de Inspectie SZW is de ernst van het niet norm-conform handelen één van de belangrijke wegingsfactoren. De Inspectie weegt de risico’s op het terrein van SZW, zij onderzoekt binnen welke sectoren en bedrijfstakken de kans op deze risico’s het grootst is en selecteert de bedrijven waar de kans op overtreding hoog is. Hierbij richt de Inspectie zich op de grootste risico’s. Een exact percentage van regelovertreding in een sector of branche om een bedrijfstakgewijze aanpak te rechtvaardigen is dan ook niet te geven. Los daarvan geldt dat iedere individuele klacht of melding van regelovertreding door de Inspectie SZW wordt beoordeeld.

Vraag 226

Kan de regering de arbeidsparticipatie per leeftijdscohort (bijvoorbeeld van 10 jaar) verstrekken?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 227.

Vraag 227

Kan de regering een overzicht geven over de arbeidsdeelname van vrouwen, 55- plussers, niet-westerse allochtonen en gedeeltelijke arbeidsgeschikten?

Antwoord

Onderstaande tabel geeft de bruto en netto arbeidsparticipatie in 2011 van de bevolking tussen 15 en 65 jaar (exclusief personen in inrichtingen, instellingen en tehuizen).

Arbeidsparticipatie per leeftijdsklasse; vrouwen; niet-westerse allochtonen en (gedeeltelijk) arbeidsgehandicapten, 2011
 

Bruto AP

Netto AP

 

%

Totaal

71,1

67,2

15 tot 25 jarigen

42,1

38,0

25 tot 35 jarigen

87,2

82,4

35 tot 45 jarigen

85,7

82,0

45 tot 55 jarigen

82,8

79,0

55 tot 65 jarigen

53,7

51,0

Niet-westerse allochtonen

61,6

53,5

Vrouwen

63,8

60,2

Totaal met aandoeninga

50,8

46,3

wv: Wel arbeidsgehandicaptb

40,7

36,5

Niet arbeidsgehandicapt

69,9

64,9

a. Alle mensen van 15 tot 65 jaar in Nederland, met uitzondering van personen in inrichtingen, instellingen en tehuizen (institutionele bevolking) die aangeven een langdurige aandoening, ziekte of handicap te hebben.

b. Personen die door een langdurige aandoening, ziekte of handicap worden belemmerd bij het uitvoeren of verkrijgen van werk.

Bron: CBS Statline, geraadpleegd 26 november 2012

Vraag 228

Hoe gaat de regering arbeidsparticipatie bevorderen van personen, die geen uitkering ontvangen maar wel inactief zijn?

Antwoord

Het kabinet vindt werk de snelste route naar een goed inkomen en economische zelfstandigheid. Bovendien is elke werkende nodig om onze goede sociale voorzieningen te behouden. Investeren in werk maakt onze economie sterker. Het kabinet zet daarom in op deze doelen door werken aantrekkelijker te maken.

Het kabinet verhoogt de maximale arbeidskorting over de kabinetsperiode met circa € 900 om werk te laten lonen. Dit wordt verder bevorderd door loon niet te verrekenen met uitkeringen in het huishouden, zodat het loon van een niet-uitkeringsgerechtigde die begint met werken geen invloed heeft op uitkeringen in het huishouden. Tot slot zet het kabinet de afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting voort.

Vraag 229

Kan de regering toelichten wat de vorderingen van werkgevers en werknemers zijn in duurzame inzetbaarheid en in hoeverre in cao’s hierover afspraken worden gemaakt?

Antwoord

De gevraagde informatie kunt u vinden in de brief naar uw Kamer van d.d. 26 november 2012 (TK, 2012–2013, nummer nog niet bekend).

Vraag 230

In Caribisch Nederland biedt de overheid waar nodig reïntegratie ondersteuning en inkomensondersteuning op grond van de Onderstandsregeling. Kan de regering hierop een nadere toelichting geven?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 232.

Vraag 231

Kan de regering de aantallen personen, die gebruik maken van deze Onderstandsregeling verstrekken? Hoe hebben deze cijfers zich in de tijd ontwikkeld?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 232.

Vraag 232

Hoe lang maken mensen gemiddeld van de Onderstandsregeling gebruik en wat zegt dit over het tijdelijke karakter van een sociaal vangnet? Wat zijn de jaarlijkse uitgaven aan de Onderstandsregeling in Caribisch Nederland? Waarom stijgen de uitgaven de komende jaren verder? In hoeverre wijkt deze regeling af van de wetgeving in Nederland, zoals de WWB?

Antwoord

Evenals de WWB in het Europees deel van Nederland is de onderstand een sociaal vangnet, met als belangrijk verschil dat de onderstandgerechtigde tot aan het niveau van het wettelijk minimumloon vrij mag bijverdienen. De voorheen bestaande situatie in Caribisch Nederland is bij deze regeling als vertrekpunt genomen. Er geldt een arbeidsverplichting, met de mogelijkheid van tijdelijke ontheffing in individuele gevallen. Het aantal ontheffingen ligt relatief hoog. Bijna de helft van het bestand is als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt aangemerkt en een aanmerkelijk deel zit als tijdelijk arbeidsongeschikt in de onderstand. Bij dit gegeven dient in aanmerking te worden genomen dat er in Caribisch Nederland geen regelingen zijn als WIA, Wajong en WSW. De onderstand heeft daarmee een andere positie dan de WWB in het Europees deel van Nederland. Bij de overname van het bestand per 10 oktober 2010 bedroeg het aantal gerechtigden circa 300. Inmiddels is dit gedaald tot circa 250. De daling wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de in 2011 uitgevoerde herbeoordeling (opschoning) van het bestand. Omdat de historische gegevens van vóór 10 oktober 2010 niet voorhanden zijn, is geen sluitende informatie over de gemiddelde verblijfsduur in de regeling voorhanden. Cijfers over de eerste twee tertalen van 2012 geven wel een indruk van de dynamiek van het bestand: de instroom over deze periode bedroeg 35 cliënten, de uitstroom 29.

De jaarlijkse uitgaven aan de Onderstandregeling zijn te vinden in artikel 2 van de begroting (tabel 2.1). De uitgaven nemen toe van € 0,9 miljoen in 2013 naar € 1,3 miljoen in 2017. Deze stijging wordt verklaard door demografische factoren (groei beroepsbevolking) en door het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd (Onderstanduitkeringen lopen daardoor langer door).

Vraag 233

Wanneer wordt de stringentere toepassing voor kredietverlening voor zelfstandigen in de bijstand van kracht? Heeft dit gevolgen voor het aantal zelfstandigen in de bijstand?

Antwoord

Om gemeenten te stimuleren verdere stappen te zetten op het terrein van selectiviteit en het kredietbeheer van verstrekte leningen, is de financieringssystematiek van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (2004) in overleg met de VNG gewijzigd. Het gaat om een beperkte wijziging waarbij de baten met betrekking tot verstrekt bedrijfskapitaal (rente, aflossing) genormeerd worden op basis van een landelijk gemiddelde. Gemeenten die meer baten genereren dan het landelijke gemiddelde mogen de meerbaten behouden; gemeenten die minder presteren lossen het verschil zelf op. Met deze wijziging ontvangen gemeenten een (financiële) stimulans om bedrijfskapitaal selectief te verstrekken en toe te zien op effectief debiteurenbeheer.

De wijziging in de financieringssystematiek van het Bbz 2004 gaat in per 1 januari 2013. Of dit zal leiden tot een daling of stijging van het aantal zelfstandigen in de bijstand is niet op voorhand vast te stellen. Wel zal de wijziging ertoe leiden dat gemeenten op voorhand een weloverwogen afweging maken of het krediet een geschikt re-integratie-instrument is voor starters of preventief voor gevestigde zelfstandigen. Ten aanzien van verstrekte kredieten bevordert de gewijzigde financieringssystematiek een beter kredietbeheer door gemeenten. Door een grotere selectiviteit wordt duurzame uitstroom bevorderd en zullen ondernemers beter in staat zijn de door gemeenten verstrekte leningen terug te betalen.

Vraag 234

Kan de regering toelichten waarom het budget voor bijstand aan zelfstandigen daalt van 95 miljoen in 2012 naar 67 miljoen in 2013?

Antwoord

Uitvoeringsinformatie van gemeenten over de kosten van bijstand aan zelfstandigen (Bbz 2004) in 2011 (SISA 2011) laat een daling zien van deze kosten. Deze daling wordt, conform de gebruikelijke systematiek, verwerkt in de verwachtingen over de kosten in latere jaren en vindt daarmee haar weerslag in de begroting van SZW. Door nabetalingen over 2011 en het feit dat het budgetdeel van het Bbz, in tegenstelling tot het declaratiedeel, in 2012 niet meer naar beneden kan worden aangepast, werkt deze daling niet volledig door in 2012 maar wel in 2013.

Vraag 235

Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de onderzoeksvarianten voor een nieuwe verdeelsystematiek?

Antwoord

Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 260.

Vraag 236

Wat zijn objectieve factoren voor de verdeling van WWB-gelden aan gemeenten?

Antwoord

Het huidig objectief verdeelmodel beoogt budgetten zo te verdelen dat deze aansluiten bij de onvermijdelijke bijstandsuitgaven. Deze kunnen afwijken van de feitelijke uitgaven. Het verdeelmodel bevat de volgende veertien factoren.

Vijf kenmerken die iets zeggen over de sociale en demografische structuur van de gemeente:

  • Aantal huishoudens met een laag inkomen

  • Aantal eenouderhuishoudens

  • Aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen

  • Aantal allochtonen

  • Aantal laagopgeleiden

Vijf kenmerken die iets zeggen over conjunctuur en economische structuur:

  • Werkzame beroepsbevolking

  • Banen in handel en horeca

  • Procentuele gemiddelde jaarlijkse banengroei

  • Totaal aantal banen

  • Gemiddelde jaarlijkse bevolkingsgroei

Drie kenmerken die iets zeggen over centrumfunctie en stedelijkheid:

  • Relatief regionaal klantenpotentieel

  • Aantal huurwoningen

  • Aantal inwoners in stedelijk gebied

Tot slot is er een vaste voet per huishouden die voor elke gemeente geldt.

Vraag 237

Is het waar dat de Incidentele Aanvullende Uitkering (IAU) vanaf de invoering van de WWB in 2004 een uit 's Rijks middelen gefinancierde voorziening is?

Antwoord

Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 242.

Vraag 238

Is het waar dat de kosten van de IAU vanaf 2014 door gemeenten zelf moeten worden opgebracht? Kan de regering de aanleiding voor deze wijziging nader toelichten?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 242.

Vraag 239

Als de kosten van de IAU voortaan worden ingehouden op het macrobudget van twee jaar later, in hoeverre wordt dan voldaan aan de wettelijke eis dat het macrobudget toereikend behoort te zijn (artikel 69 WWB, artikel 108 Gemeentewet)?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 242.

Vraag 240

Is het macrobudget van twee jaar later na een uitname voor de IAU niet per definitie ontoereikend geworden voor de geraamde kosten in dat jaar zelf?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 242.

Vraag 241

Betekent het feit dat er Incidentele Aanvullende Uitkeringen moeten worden toegekend dat het macrobudget achteraf bezien niet toereikend was en dat het Rijk om die reden de kosten van de IAU alsnog na twee jaar beschikbaar stelt?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 242.

Vraag 242

Heeft het Rijk in beide gevallen niet de wettelijke opdracht om deze onvoorziene extra uitkeringslasten alsnog te financieren in plaats van deze kosten te verhalen op budgetten van gemeenten, die eigenlijk voor iets anders zijn bestemd?

Antwoord

Een van de uitgangspunten van de financieringssystematiek van de WWB is dat het macrobudget toereikend is voor de voor dat jaar geraamde kosten van de te verstrekken uitkeringen van alle gemeenten. De formele invulling van deze tot de wetgever gerichte norm van de toereikendheid geschiedt bij begrotingswet.

De gehanteerde financieringssystematiek, waarbij dit macrobudget zoveel mogelijk via een objectieve verdeelsleutel over gemeenten wordt verdeeld, prikkelt gemeenten om mensen aan het werk te helpen. Inherent aan deze bekostigingswijze is dat een gemeente (met goed beleid) geld over kan houden en (met minder goed beleid) tekort kan komen. Het feit dat sommige gemeenten tekort komen op hun budget betekent derhalve niet per definitie dat het macrobudget niet toereikend is.

Risico’s voor individuele gemeenten worden sinds de invoering van de WWB beperkt door de mogelijkheid om bij een tekort van meer dan 10% een incidentele aanvullende uitkering (IAU) aan te vragen. Omdat de tekorten pas na afloop van het jaar definitief vastgesteld kunnen worden, kan een IAU-verzoek ook pas achteraf worden aangevraagd en uitbetaald.

De voor de verstrekking van IAU-uitkeringen benodigde middelen kwamen vóór 2008 ten laste van het Rijk. Dat leidde tot de onwenselijke situatie dat het Rijk moest bijpassen op een toereikend macrobudget, waar gemeenten met overschotten die middelen mochten behouden. In de jaren 2010–2013 (IAU over 2008–2011) betaalde het Rijk op grond van het afgesloten bestuursakkoord jaarlijks € 9 miljoen en kwam de rest ten laste van het macrobudget. Bij de meerjarig aanvullende uitkeringen (MAU) die in 2009 is geïntroduceerd is vanaf de start het budget gefinancierd uit het macrobudget. Het gaat in essentie immers om een herverdeling van een toereikend budget. Vanaf 2014 (IAU over 2012) worden in overeenstemming met deze systematiek ook de kosten van de IAU ten laste van het macrobudget gebracht. Uw Kamer is hierover ondermeer geïnformeerd bij brief van 27 oktober 2011 (TK, 2011–2012, 30 545, nr. 109).

Deze wijziging is een logisch gevolg van de financieringssystematiek. Zoals reeds opgemerkt geldt daarbij het uitgangspunt dat een toereikend macrobudget wordt vastgesteld. Met het aflopen van de afspraken uit het bestuursakkoord 2007–2011 zal vanaf 2012 geen sprake meer zijn van landelijke tekorten in de omvang zoals die de afgelopen jaren zijn opgetreden. Omdat de toekenning van IAU-uitkeringen niet betekent dat het macrobudget niet toereikend is, past de solidariteitsgedachte – evenals ten aanzien van de meerjarige aanvullende uitkering – dat gemeenten als collectief een vangnet financieren en niet dat vanuit het Rijk extra middelen worden toegevoegd.

Bij de vaststelling van de WWB-budgetten is gekozen voor een systematiek van definitieve vaststelling in september van het budgetjaar. Omdat een aanvullende uitkering pas na afloop van het jaar kan worden vastgesteld, kan verrekening niet plaatsvinden met het macrobudget van het betreffende jaar. De uitname uit het macrobudget vindt daarom twee jaar later plaats. Van belang hierbij is dat dit weliswaar leidt tot een lager macrobudget, maar dat diezelfde middelen via de aanvullende uitkeringen nog steeds ten gunste van gemeenten komen. Dit is in overeenstemming met de systematiek van de MAU die sinds 2009 bestaat. Op deze wijze wordt invulling gegeven aan het toereikendheidsprincipe van het macrobudget.

Vraag 243

Is er door het CPB een doorrekening gemaakt van de gevolgen van de extramuralisering van de zorgzwaartepakketten 1 t/m 3 uit de AWBZ voor de uitgaven van gemeenten op het WWB-inkomensdeel?

Antwoord

Nee.

Vraag 244

Is het waar dat er bij verblijf in een instelling sprake is van een lage bijstandsuitkering (de zogenaamde zakgeldregeling van circa 300 euro), aangezien de kosten voor verblijf, waaronder ook voeding, uit de AWBZ worden gedekt?

Antwoord

Het klopt dat mensen die in een inrichting verblijven een lagere bijstandsuitkering ontvangen (thans € 345,35 netto per maand voor een alleenstaande) aangezien de kosten voor het verblijf, waaronder ook de voeding, uit de AWBZ worden gedekt.

Vraag 245

Is het waar dat de bijstandsuitkering hoger ligt bij een zelfstandige woonsituatie, omdat aanspraak kan worden gemaakt op een volledige bijstandsuitkering?

Antwoord

Bij een zelfstandige woonsituatie zijn de noodzakelijke kosten van het bestaan hoger dan bij een onzelfstandige woonsituatie. Bijgevolg is ook de bijstandsuitkering bij een zelfstandige woonsituatie hoger.

Vraag 246

Kan de regering toelichten in hoeverre zij verwacht dat de bijstandsuitgaven zullen toenemen als gevolg van de extramuralisering van de zorgzwaartepakketten, die beoogt dat het beroep op beschermde woonvormen met gedeelde voorzieningen afneemt ten gunste van thuis (blijven) wonen in een zelfstandige situatie? In hoeverre worden gemeenten hiervoor gecompenseerd via het WWB-inkomensdeel?

Antwoord

Door de VNG en vier grootste gemeenten zijn de gevolgen van de extramuralisering aan de orde gesteld. Momenteel vindt hierover overleg plaats tussen SZW en VWS.

Vraag 247

Maakt de regering bij het doorvoeren van maatregelen, die gevolgen hebben voor de bijstandsuitgaven, een inschatting van de financiële gevolgen voor het WWB-inkomendsdeel?

Antwoord

Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 249.

Vraag 248

Verwachte financiële effecten van rijksbeleid worden bij de invoering van nieuwe wetgeving direct maarjarig ingeboekt. Gaat de regering na in hoeverre deze verwachte effecten van rijksbeleid op de bijstandsuitgaven ook daadwerkelijk optreden?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 249.

Vraag 249

Worden gemeenten gecompenseerd als blijkt dat bepaalde financiële effecten in mindere mate optreden dan voorzien?

Antwoord

Wanneer het Rijk maatregelen doorvoert die financiële gevolgen hebben voor de bijstandsuitgaven wordt een inschatting gemaakt van deze gevolgen. Verwachte financiële effecten van Rijksbeleid worden bij de invoering van nieuwe wetgeving meerjarig ingeboekt op het macrobudget.

Vanuit het uitgangspunt dat onder de WWB de beleidsmatige ruimte en de financiële verantwoordelijkheid bij gemeenten liggen, wordt een systematiek gehanteerd, waarbij gemeenten vooraf een budget ontvangen en geen declaratie achteraf plaatsvindt. De feitelijke ontwikkeling hangt mede af van het gemeentelijk beleid. Het past niet bij de systematiek van de WWB om ramingen achteraf aan te passen aan de realisaties. Dit zou gemeentelijk beleid om het beroep op de bijstand te beperken ontmoedigen. Uit de systematiek volgt dat zowel overschotten als tekorten voor gemeenten zijn. Omdat de raming van het macrobudget in enig jaar gebaseerd is op de uitgaven in het vorige jaar, werkt een verschil tussen raming en werkelijkheid niet meerjarig door.

Vraag 250

De VNG heeft er in 2009 op aangedrongen te monitoren of de wijziging van de alimentatienormen voor kinderalimentatie ertoe hebben geleid dat er vaker en hogere kinderalimentatieplichten worden opgelegd en of dit ook daadwerkelijk leid tot besparingen op de bijstandsuitgaven voor gemeenten zoals deze in 2009 meerjarig door het Rijk zijn ingeboekt. Wat waren de verwachte besparing op de bijstandsuitgaven als gevolg van de herziene kinderalimentatienormen?

Antwoord

De verwachte besparingen als gevolg van de herziene kinderalimentatienormen bedragen structureel € 125 miljoen. Hiervan is € 48 miljoen de verwachte besparing als gevolg van het vaker opleggen van kinderalimentatieverplichtingen. Naar verwachting wordt € 77 miljoen bespaard als gevolg van de toename van de hoogte van de te betalen kinderalimentatie.

Vraag 251

Van welke verwachte toename in het aantal oplegde kinderalimentatieplichten en van welke verwachte toename in de hoogte van de kinderalimentatieplichten is de regering uitgegaan?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 250.

Vraag 252

Zijn er al resultaten van de monitor (voor de wijziging van de alimentatienormen) bekend en kan de regering de Kamer hierover informeren?

Antwoord

Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 254.

Vraag 253

Kan uit de monitor voor de wijziging van de alimentatienormen worden afgeleid of het aantal opgelegde kinderalimentatieplichten en de hoogte van de kinderalimentatieplichten inderdaad zijn toegenomen in de mate die werd verondersteld?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 254.

Vraag 254

Blijkt uit de monitor voor de wijziging van de alimentatienormen dat de bijstanduitgaven inderdaad afnemen in de mate waarin dat werd verwacht?

Antwoord

Per 23 november 2012 zijn de resultaten van de monitor van de gewijzigde kinderalimentatienormen beschikbaar op de website van het CBS (www.cbs.nl/cvb).

De uitkomsten van de monitoring bevestigen noch weerleggen de veronderstelde (besparings)effecten.

Vraag 255

Wanneer raakt de Kamer op de hoogte van de aanpassingen op het verdeelsystematiek inkomensdeel van de WWB?

Antwoord

Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 260.

Vraag 256

Wanneer kan de Kamer de wijzigingen tegemoet zien in het Besluit bijstand zelfstandigen (Bbz)?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 257.

Vraag 257

Wat is de stand van zaken ten aanzien van de uitvoering van de motie Peeters/Azmani om de successen van de systematiek van de WWIK te integreren in de Bbz?

Antwoord

Het Bbz en de WWIK zijn twee zodanig verschillende regelingen, dat het niet eenvoudig is gebleken om succesvolle elementen van de WWIK budgetneutraal en met behoud van uitgangspunten in het Bbz te integreren. Gelet op de economische ontwikkelingen is de budgetneutraliteit nog belangrijker geworden. Bezien zal worden hoe de motie in het licht van het regeerakkoord kan worden uitgewerkt.

Vraag 258

Kan de regering een nadere toelichting geven op het streven om per 2014 de verdeelsystematiek van het inkomensdeel-WWB aan te passen? Worden daarbij ook de Incidentele Aanvullende Uitkering en Meerjarige Aanvullende Uitkering betrokken?

Antwoord

Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 260.

Vraag 259

Welke knelpunten ervaart de regering ten aanzien van de huidige verdeelsystematiek?

Antwoord

Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 260.

Vraag 260

Is de regering van plan om de Tweede Kamer begin 2013 nader te informeren over het concrete voorstel ten aanzien van de verdeelsystematiek van het inkomensdeel van de WWB?

Antwoord

Naar aanleiding van de evaluatie van het verdeelmodel voor de WWB in 2008 is afgesproken om niet meer jaarlijks, maar slechts periodiek onderhoud aan het verdeelmodel te plegen (TK, 2008–2009, 30 545, nr. 75 ). Daartoe is in overleg met de VNG een project gestart om te komen tot een nieuwe of verbeterde verdeelsystematiek voor het inkomensdeel van het WWB budget vanaf 2014. De Incidentele Aanvullende Uitkering (IAU) en Meerjarige Aanvullende Uitkering (MAU) worden hierbij nadrukkelijk meegenomen.

Recent is de eerste fase van dit project, de brede verkenning naar een nieuwe of verbeterde verdeelsystematiek, afgerond. De Kamer is geïnformeerd over de uitkomsten van deze verkenning (TK, 2012–2013, 30 545, nr. 116). Met de VNG is afgesproken dat de volgende varianten nader zullen worden onderzocht in de vervolgfase: verbeteringen aan de huidige verdeelsystematiek, multiniveau-analyse, verschillenanalyse en trendmodel.

De onderzoekers die de verkenning hebben uitgevoerd, zien verschillende mogelijkheden voor verbetering van de huidige verdeelsystematiek. Deze zullen in de uitwerking worden meegenomen. Het gaat daarbij onder meer over mogelijkheden om de arbeidsmarkt beter in het model mee te nemen. Daarnaast zal worden nagegaan of en zo ja in welke mate de kleinere gemeenten objectief gebudgetteerd kunnen worden. Verder lijken verbeteringen mogelijk door aanpassingen in de huidige vangnetten (IAU en MAU) en dempers (waarmee de verschillen tussen de modeluitkomsten en de historische uitgaven worden ingeperkt).

De uitwerking van deze varianten zal in 2013 plaatsvinden. SZW zal de onderzoeksbureaus vragen bij de uitwerking ook de maatregelen uit het regeerakkoord waar relevant (zoals de Participatiewet) mee te nemen. Daarbij zal ook bezien worden wat dit betekent voor het tijdpad voor invoering van een nieuwe of verbeterde verdeelsystematiek.

Na uitwerking van de varianten zal – evenals in de verkenningsfase – een bestuurlijke conferentie worden georganiseerd om wethouders de gelegenheid te bieden te reageren op de varianten. Ook zal de Raad voor de financiële verhoudingen en de VNG gevraagd worden advies uit te brengen. Vervolgens zal een besluit worden genomen over de toe te passen verdeelsystematiek en zal de Kamer hierover worden geïnformeerd. Op dit moment is hierover nog geen exact tijdpad te geven.

Vraag 261

Wat ligt onder de aanname dat vermindering van de reïntegratiemiddelen leidt tot meer uitkeringslasten WWB? Hoe verhoudt zich dat met het gegeven dat de netto-effectiviteit van reïntegratiemiddelen niet bekend zijn?

Antwoord

Het kabinet houdt er rekening mee dat door taakstellende kortingen op de re-integratiemiddelen het aantal WWB-uitkeringen kan toenemen. Dit zogenoemde weglekeffect is, op basis van CPB-doorrekening, in het regeerakkoord geraamd op 25% in het eerste jaar en 50% in de jaren daarna.

Het is niet juist te stellen dat over de netto effectiviteit van re-integratiemiddelen niets bekend is. Inmiddels is er over diverse instrumenten bekend onder welke omstandigheden (selectiviteit, vraaggerichtheid, moment van interventie etc.) en voor wie ze bijdragen aan de re-integratie van werklozen. Tijdelijke loonkostensubsidies bijvoorbeeld zijn effectief voor werkloze ouderen.

In een brief aan de TK over re-integratie (augustus 2012) is verslag gedaan van de effectiviteit van re-integratiemiddelen. Daarbij is ook aangegeven dat momenteel projecten lopen die nog meer informatie moeten opleveren over de netto effectiviteit van het re-integratiebeleid.

Vraag 262

Welke regio's en/of gemeenten hebben een hoger aantal bijstandsgerechtigden ten opzichte van het landelijk gemiddelde?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 263.

Vraag 263

Welke regio's en/of gemeenten behalen betere resultaten in uitstroom uit de WWB dan het landelijke gemiddelde?

Antwoord

Vanzelfsprekend heeft een grote groep gemeenten een hoger aantal bijstandsgerechtigden dan landelijk gemiddeld of betere resultaten dan landelijk gemiddeld. Het voert te ver om in dit antwoord de volledige overzichten op te nemen.

Via het CBS is hierover wel informatie beschikbaar. Het CBS heeft ter vergelijking van uitkeringen tussen gemeenten een tool ontwikkeld waar per gemeente inzichtelijk wordt gemaakt wat het relatieve aantal uitkeringen is. Wij verwijzen uw Kamer graag naar deze tool: http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/arbeid-sociale-zekerheid/cijfers/extra/personen-uitkering.htm

In het persbericht van het CBS (PB12–055) van 28 september 2012 (http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/A18BE1C6-F7F2-4203-84BC-8A0DE073941F/0/pb12n055.pdf ) over het aantal bijstandsuitkeringen per juni 2012, is de ontwikkeling van het aantal bijstandsuitkeringen bij gemeenten weergegeven. CBS geeft aan dat voor gemeenten met meer dan 100 000 inwoners ten opzichte van juni 2011 de grootste daling zich voordeed in de gemeenten Haarlem, Haarlemmermeer en Dordrecht.

Het ministerie van SZW werkt aan een verbetering van de kernkaart, die een vergelijking tussen gemeenten presenteert op het terrein van werk en inkomen. De verbeterde kernkaart komt voor de zomer van 2013 beschikbaar.

Vraag 264

Wat is het percentage moeders met kinderen jonger dan vijf jaar dat een bijstandsuitkering ontvangt?

Antwoord

Van het totaal aantal WWB uitkeringen ultimo 2011 is circa 8% alleenstaande ouder met kinderen jonger dan 5 jaar. Voor het grootste deel betreft dit alleenstaande moeders.

Vraag 265

Kan de regering toelichten hoe lang een bijstandsgerechtigde gemiddeld een WWB-uitkering ontvangt?

Antwoord

Omdat de duur van WWB-uitkeringen langer dan acht jaar niet gespecificeerd kan worden vanuit de reguliere statistiek, is het niet mogelijk een exacte gemiddelde duur weer te geven. Wel is de mediaan beschikbaar. Ultimo 2011 is de mediaan van de duur van een huishouden WWB uitkeringen 34 maanden.

Vraag 266

Ziet de regering een verband tussen de sociale afkomst van een bijstandsgerechtigde en de WWB?

Antwoord

Van uitkeringsgerechtigden met een WW- of WWB-uitkering worden geen gegevens omtrent de sociale afkomst geregistreerd. Daarom kan het kabinet het gevraagde verband niet leveren.

Vraag 267

In de kerncijfers fraude WWB is te zien dat het aantal overtredingen en het benadelingsbedrag fors is toegenomen. Worden er beleidsmatige consequenties verbonden aan de geconstateerde oorzaken (het verzwijgen van inkomsten uit werk en vermogen en onjuiste opgave woonsituatie)? Wat zijn de verwachtingen voor 2012?

Antwoord

De cijfers laten zien dat fraude met de WWB aandacht verdient en aandacht krijgt. Cijfers over verwachtingen voor 2012 zijn niet beschikbaar. Beleidsmatig wordt er zowel lokaal als nationaal ingezet op het voorkomen en opsporen van fraude en waar nodig op het sanctioneren. Dit was al zo en de nieuwe kerncijfers onderschrijven deze inzet.

Op 1 januari 2013 treedt de wet Aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (de fraudewet) in werking. Fraude met de sociale zekerheid wordt steviger gesanctioneerd. Daarnaast is er ook aandacht voor preventie. Zo zet SZW samen met uitvoeders in op het toegankelijk maken van informatie over rechten en plichten, bijvoorbeeld via www.weethoehetzit.nl. Verder is de Tweede Kamer al eerder geïnformeerd over het wetsvoorstel Aanpak fraude door bestandskoppelingen. Met dit wetsvoorstel worden nieuwe mogelijkheden gecreëerd voor uitvoering om met bestandskoppelingen fraude te voorkomen en te bestrijden.

Vraag 268

Kan de regering toelichten hoe de hoogte van de netto AIO-bedragen zich verhoudt tot de hoogte van de bijstandsnormen in tabel 2.3? Klopt het beeld dat personen in de bijstand, die pensioengerechtigd worden en een beroep moeten doen op de aanvullende inkomensondersteuning ouderen (AIO), er in netto inkomen op vooruit gaan?

Antwoord

Het klopt inderdaad dat mensen in de bijstand die pensioengerechtigd worden en een beroep moeten doen op de AIO er in netto inkomen op vooruit gaan. Tot 1 januari 2012 was het netto AIO-bedrag namelijk gelijk aan de netto AOW uitkering, rekening houdende met de ouderenkorting. De netto AOW is hoger dan de bijstand voor personen onder de pensioengerechtigde leeftijd, doordat deze ouderenkorting wordt toegepast. Echter per 1 januari 2012 wordt, met uitzondering van de AOW, de dubbele algemene heffingskorting in het refentieminimumloon afgebouwd. De AIO is niet uitgezonderd van deze afbouw. Daarom wordt het bedrag van de AIO per 1 januari 2012 geïndexeerd met de stijging van het referentieminimumloon van de bijstand. Hierdoor is de AIO hoger dan de bijstand en lager dan de AOW.

Netto bijstandsbedragen per maand (1 juli 2012)

1 juli 2012

Bijstand

AIO

Alleenstaande (70%)

889,02

975,33

Alleenstaande ouder (90%)

1 143,02

1 227,39

Paar (100%)

1 270,03

1 342,47

Vraag 269

Hoe ontwikkelt de verhouding tussen de netto AIO-maandbedragen zich in de toekomst, gegeven geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon die wel geldt voor de bijstand maar niet voor de AOW?

Antwoord

Evenals in de bijstand wordt de dubbele algemene heffingskorting in de AIO geleidelijk afgebouwd. Daarom wordt de AIO per 1 januari 2012 geïndexeerd met de stijging van het netto referentieminimumloon van de bijstand en niet met dat van de AOW. Echter het bedrag van de AIO is op 1 januari 2012 hoger dan het bedrag van de bijstand omdat er rekening wordt gehouden met de ouderenkorting. In de toekomst zal het bedrag van de AIO tussen het bedrag van de bijstand en het bedrag van de AOW liggen.

Vraag 270

Kan de regering toelichten wat de gevolgen zijn van de kortingen op de middelen voor participatie voor het aantal reïntegratietrajecten en het aantal door bijstandsontvangers gestarte banen na een traject in 2012 en daarna?

Antwoord

Op dit moment kan nog geen antwoord worden gegeven op deze vraag. De cijfers over het aantal in 2012 gestarte re-integratietrajecten zijn nog niet beschikbaar

Vraag 271

Kan de regering een uitsplitsing maken voor wat betreft het aantal reïntegratietrajecten naar leeftijd en duur van de uitkering?

Antwoord

Op basis van de realisatiecijfers 2011 kan de volgende uitsplitsing naar leeftijd gemaakt worden van re-integratietrajecten.

Re-integratie-trajecten naar leeftijdsklasse

WWB

Arbeidsgehandicapten

WW

15–34

51 200

21 314

2 657

35–44

43 600

10 321

7 905

45–54

40 900

9 186

11 879

55–64

21 000

3 293

6 539

Totaal

156 700

44 114

28 980

Bron:

CBS, Statistiek Re-integratie Gemeenten 2011

UWV, kwantitatieve bijlage bij het jaarverslag 2011

UWV, kwantitatieve bijlage bij het jaarverslag 2011

Onderstaande tabel betreft het aantal re-integratietrajecten naar duur van de WWB-uitkering

Re-integratietra-jecten naar duur van de uitkering

WWB

< 1 jr.

39 600

1–2 jr.

32 900

2–3 jr.

18 600

3–4 jr.

11 500

4–5 jr.

8 300

> 5 jr.

45 800

Totaal

156 700

Bron:

CBS, Statistiek Re-integratie Gemeenten 2011

Cijfers betreffende de uitsplitsing van re-integratietrajecten naar duur van de uitkering behoren niet tot de reguliere uitvraag bij UWV en zijn derhalve niet voorhanden.

Vraag 272

Kan de regering een uitsplitsing maken voor wat betreft het aantal reïntegratietrajecten naar bijstandsontvangers en niet-uitkeringsgerechtigden (nuggers)?

Antwoord

Volgens het CBS werd op 31 december 2011 3,8% van de gemeentelijke re-integratietrajecten ingevuld door een persoon die bij de start van het traject niet-uitkeringsgerechtigd was (NUG) of een Anw-uitkering ontving. De rest van de trajecten werd door gemeenten bestempeld als vervuld door personen in de categorie « overig», wat in de praktijk met name WWB’ers zijn.

Vraag 273

Wat verklaart het grote verschil per provincie bij het aantal eerste indicatiebesluiten en herindicaties? Hoe komt het dat een kwart van alle aanvragen in 2011 in Noord-Brabant hebben plaatsgevonden?

Antwoord

De WSW-statistiek biedt hier geen inzicht in. Mogelijke factoren zijn, mede gelet op navraag bij Cedris, de lokale bekendheid van sw-bedrijven, verwijsgedrag van bijvoorbeeld scholen dat regionaal kan verschillen en de economische situatie en lokale mogelijkheden aan de onderkant van de arbeidsmarkt die ertoe kunnen leiden dat meer mensen een indicatie vragen.

Vraag 274

Is de indicatie «begeleid werk» gekoppeld aan een bepaald percentage loonwaarde? Zo ja, welk percentage van het WML is dit?

Antwoord

Nee. Het advies begeleid werken geeft alleen aan dat de WSW-arbeid onder aangepaste omstandigheden ook mogelijk is bij een reguliere werkgever. Dit heeft niet met loonwaarde te maken, maar vooral met de vraag of iemand aangewezen is op beschutte werkzaamheden vanwege bijvoorbeeld een bepaalde aandoening.

Vraag 275

Kan een overzicht worden gegeven van het aantal detacheringen (als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen) en het aantal gerealiseerde plaatsen in begeleid werken (als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen) per SW-bedrijf, zodat een vergelijking tussen SW-bedrijven mogelijk wordt?

Antwoord

De WSW-statistiek biedt alleen inzicht in de cijfers per gemeente, en als daar sprake van is, per Gemeenschappelijke Regeling. Deze cijfers worden jaarlijks gepubliceerd op het Periodiek Overzicht Resultaten (POR) op het SZW-Gemeenteloket.

Vraag 276

Kan een overzicht worden gegeven van de financiële situatie per SW-bedrijf? Kan per SW-bedrijf met rode cijfers worden aangegeven wat hiervan de (hoofd)oorzaak is?

Antwoord

Nee, het Rijk beschikt niet over een dergelijk overzicht. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het beleid en de uitvoering van de sw-sector. De financiële situatie per sw-bedrijf staat in de afzonderlijke jaarverslagen en/of jaarrekeningen. Deze worden ter goedkeuring voorgelegd aan de gemeenteraad van de betrokken gemeenten.

Vraag 277

Wat zijn de succesfactoren in de sociale werkvoorziening Drenthe voor het hoge uitstroompercentage van de wachtlijsten naar begeleid werk?

Antwoord

In Drenthe zijn 3 sw-bedrijven actief: Alescon (gemeenten Assen, Hoogeveen, Midden-Drenthe, De Wolden, Tynaarlo, Aa en Hunze), de EMCO-groep (gemeenten Emmen, Coevorden en een gedeelte van de gemeente Borger-Odoorn) en Reestmond (gemeenten Meppel, Westerveld, Staphorst en De Wolden).

Het hoge uitstroompercentage van de wachtlijst naar begeleid werken komt vooral voor rekening van Alescon. Dit sw-bedrijf heeft grote stappen gezet in de beweging van binnen (beschutte op productie gerichte arbeid binnen de muren van het sw-bedrijf) naar buiten (werken bij een reguliere werkgever). Het aandeel begeleid werken is 20% terwijl landelijk sprake is van een gemiddeld percentage van 6%. Alescon plaatst 91% van de instroom in begeleid werken rechtstreeks vanaf de wachtlijst3. Uit het jaarverslag blijkt dat de succesfactoren zijn: een strakke sturing/regie van de betrokken gemeenten op het naar buiten plaatsen van werknemers, ondernemerschap en goede relaties met werkgevers, een actief wachtlijstbeheer (binnen vier weken een intake gesprek met daarin helderheid over de mogelijkheden van mensen, verwachtingenmanagement en een passende baan) en de juiste begeleiding (63% van de mensen op de wachtlijst heeft bijvoorbeeld een psychische beperking en dus andere begeleiding nodig dan mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking).

Vraag 278

Wat is de achtergrond van de scheve verhouding mannen en vrouwen (70–30) in de WSW-populatie?

Antwoord

Hier is geen nadere informatie over beschikbaar. Het aanvragen van een indicatie voor de WSW gebeurt op vrijwillige basis. Uit de WSW-statistiek blijkt dat de afgelopen zes jaar het aantal vrouwen met een WSW-dienstbetrekking met 3% is toegenomen.

Vraag 279

Wat is de achtergrond van de scheve verhouding bij voltijdwerk tussen mannen en vrouwen (85–15) in de WSW-populatie?

Antwoord

Hierover is geen informatie beschikbaar. Overigens geldt ook voor het landelijke totaal van de werkzame beroepsbevolking dat het aandeel vrouwen op het totaal voltijdwerkenden relatief klein is, namelijk 22%.

Vraag 280

Is het waar dat de helft van de groep personen met een beroep op de WSW met een dienstbetrekking meer dan 120% van het WML verdient?

Antwoord

Uit de WSW-statistiek 2011 blijkt dat 48,1% van de mensen met een WSW-dienstbetrekking meer dan 120% van het minimumloon verdient.

Vraag 281

Is het waar dat ongeveer 75% van de oude populatie (voor 1998) meer dan 120% van het WML verdient, en bijna een kwart meer dan 140% van het WML?

Antwoord

74,9% van de oude populatie (voor 1998) verdient meer dan 120% van het minimumloon. Hiervan verdient 23,8% meer dan 140% van het minimumloon.

Vraag 282

Minstens de helft van de (nieuwe) instroom in de WSW krijgt de indicatie «begeleid werk». Is het waar dat dit voor een groot deel personen zijn met een Wajong-uitkering?

Antwoord

Van de geïndiceerden met een eerste indicatie krijgt 48% het advies begeleid werken. Het percentage dat daadwerkelijk begeleid werkt is 6,1. Van het aantal mensen dat begeleid werkt heeft 28% een uitkering wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid. Daarvan had 58% een Wajong-uitkering.

Vraag 283

Wat is de oorzaak van het feit dat tweederde van de uitstroom uit een begeleid werken-plek terug naar de wachtlijst keert?

Antwoord

Uit de WSW statistiek 2011 kan worden opgemaakt dat tweederde van de mensen die uitstromen uit een begeleid-werken-plaats terugkeren op de wachtlijst. Mensen waarvan de begeleid-werken-dienstbetrekking niet verlengd wordt of wordt beëindigd behouden hun indicatie. Na beëindiging keren zij terug op de wachtlijst. Tenzij de gemeenten anders heeft bepaald bij verordening, bepaalt de datum van indicatie de volgorde op deze wachtlijst. Op het moment dat deze persoon bovenaan de wachtlijst staat kan de gemeente opnieuw een begeleid-werken-dienstbetrekking of een WSW-dienstbetrekking aanbieden. Dat niet iedereen terugkomt op de wachtlijst heeft te maken met het feit dat er ook mensen uitstromen naar werk buiten de WSW, naar een sw-plek bij een andere gemeente, naar een uitkering, met pensioen gaan of overlijden. Wij verwijzen naar tabel 5.16 van de WSW-statistiek 2011.

Vraag 284

Kan de regering een overzicht geven over de afgelopen vijf jaar van het aantal huishoudens, dat niet in aanmerking komen voor de toeslag op grond van de Toeslagenwet, omdat deze groep valt onder de «1990 maatregel»?

Antwoord

Hierover zijn geen cijfers beschikbaar. Dit komt omdat het UWV deze afwijzingsgrond niet separaat registreert. Bovendien is niet bekend hoeveel huishoudens sowieso afzien van aanvraag van een uitkering op grond van de TW omdat zij zelf al vaststellen dat zij op basis van de «1990-maatregel» niet voldoen aan de voorwaarden voor het recht op uitkering.

Vraag 285

Heeft de regering inzicht in de oorzaken waarom AOW-gerechtigden aanspraak maken op de AIO? Wat zijn de belangrijkste oorzaken?

Antwoord

Burgers kunnen aanspraak maken op de bijstand wanneer hun inkomen beneden het sociaal minimum ligt. Dit kan bij AOW-gerechtigden voorkomen wanneer zij een onvolledige AOW-opbouw hebben en daarnaast onvoldoende aanvullende voorzieningen hebben opgebouwd, door middel van bijvoorbeeld aanvullend pensioen of vermogen.

Vraag 286

Om welke redenen wordt er bijstand verstrekt aan in het buitenland gevestigde Nederlanders?

Antwoord

De bijstandsverlening aan in het buitenland gevestigde Nederlanders vloeit voort uit de toenmalige Bijstandswet. Hierin was de regeling Bijstand Buitenland opgenomen, op grond waarvan de Nederlandse overheid haar eigen onderdanen die in het buitenland wonen indien noodzakelijk (langdurig) financiële hulp kon verlenen. De regeling Bijstand Buitenland is sinds 1996 afgesloten voor nieuwe instroom en kent derhalve alleen bestaande gevallen. De juridische basis hiervoor is artikel 78h van de WWB.

Vraag 287

De regering licht toe dat sinds 1996 geen nieuwe gevallen meer worden toegelaten ten aanzien van bijstand aan in het buitenland gevestigde Nederlanders. Kan de regering toelichten waarom de begrotingsuitgaven de komende jaren zullen toenemen volgens tabel 2.1 pagina 40, in plaats van afnemen? Welke belemmeringen liggen er om deze begrotingspost af te schaffen?

Antwoord

Van deze regeling maakten eind 2011 nog circa 230 belanghebbenden gebruik. De populatie wordt steeds kleiner, waardoor de uitgaven voor algemene bijstand afnemen. Daartegenover staat dat de uitgaven voor bijzondere bijstand stijgen vanwege kosten die verband houden met de hoge leeftijd van de doelgroep. Hierdoor nemen de begrotingsuitgaven per saldo toe.

Omdat eventuele afschaffing van de mogelijkheid om op grond van overgangsrecht van 1996 bijstand in het buitenland te blijven ontvangen een inbreuk is op het eigendomsrecht, dienen de belangen van betrokkenen te worden gewogen tegen het algemene belang.

Vraag 288

Welke verplichtingen kent het Nibud als gevolg van het verlenen van instellingssubsidie van rijkswege?

Antwoord

Het Nibud krijgt jaarlijks van het ministerie van SZW subsidie voor de onafhankelijke budgetvoorlichting aan consumenten en intermediairs met het doel financiële bewustwording te bevorderen en het ontstaan van (problematische) schulden te voorkomen. Het Nibud stelt hiervoor jaarlijks een activiteitenplan op waarover verantwoording wordt afgelegd. Gedurende het jaar dient het Nibud minimaal drie maal met het ministerie van SZW te overleggen over de uitvoering van dit plan en de voorgenomen activiteiten voor het volgende jaar. Naast de subsidie van het rijk bestaan de inkomsten van het Nibud uit subsidie van de Stichting BKR, projectsubsidies en inkomsten uit verkoop.

Vraag 289

De modernisering van de Ziektewet houdt in dat lasten met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2010 worden toegerekend. Dat betekent dat werkgevers geen mogelijkheid hebben gehad om voorzieningen, bijvoorbeeld in de vorm van de verzekering, te treffen voor deze lasten. Waarom heeft de regering, in het kader van de rechtszekerheid, niet ervoor gekozen om deze lasten toe te rekenen vanaf een toekomstig moment, bijvoorbeeld 1 januari 2014, waardoor werkgevers voldoende tijd hebben om zich hierop voor te bereiden?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 343.

Vraag 290

Waarom wordt, ondanks het belang van bevordering van arbeidsparticipatie, voor kleine werkgevers het perspectief om gedurende maximaal twaalf jaar de financiële gevolgen te voelen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, beperkt tot twee jaar?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 344.

Vraag 291

In tabel 3.2 is te zien dat de uitkeringslasten IVA tot aan 2017 worden verdrievoudigd. Kan de regering dit verklaren? Hoe kan ervoor worden gezorgd dat de lasten niet verder oplopen?

Antwoord

De oploop van de lasten is inherent aan de ingroei van deze relatief nieuwe regeling. Aangezien de WIA-instroom nog groter is dan de WIA-uitstroom stijgen de uitkeringslasten IVA en WGA. De IVA onderscheidt zich van de WGA door het duurzame karakter van de arbeidsongeschiktheid. Voor toekenning van een IVA-uitkering moet deze duurzaamheid zorgvuldig worden onderbouwd. De IVA-lasten stijgen harder dan de WGA-lasten omdat er geleidelijk meer doorstroom vanuit de WGA naar de IVA plaatsvindt. Van doorstromers is gebleken dat de arbeidsongeschiktheid toch duurzaam is.

De oploop van de lasten kan worden verminderd door verdere aanscherping van de toelatingscriteria. Het kabinet ziet hiertoe echter geen aanleiding.

Vraag 292

Kan de regering een overzicht verschaffen van de mate waarin IVA- en WGA-uitkeringen via CAO-afspraken worden aangevuld, inclusief cijfers over de hoogte van de aanvullingen, het aantal CAO’s dat dergelijke afspraken bevat en het aantal personen met een IVA- en WGA-uitkering dat een bovenwettelijk aanvulling ontvangt, hoe hoog deze aanvullingen zijn en de impact van de bovenwettelijke aanvullingen op de prikkel tot (meer) benutting van de resterende arbeidscapaciteit?

Antwoord

Uit onderzoek van het ministerie van SZW blijkt dat 45 van de 100 onderzochte cao’s afspraken bevatten over een aanvulling van de WGA-uitkering bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35–80%. De aanvulling loopt uiteen van 75–100% van het salaris. De duur van de aanvulling loopt uiteen van 2–5 jaar. De aanvulling van de WGA-uitkering bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer loopt eveneens uiteen van 75–100% van het salaris. Ook de duur van de aanvulling is 2–5 jaar. Dit is geregeld in 35 van de 100 onderzochte cao’s. Een aanvulling op de IVA-uitkering is geregeld in 25 cao’s. De aanvulling loopt hier uiteen van 80–100% van het salaris. De duur van de aanvulling is 1–5 jaar.

Het ministerie van SZW heeft geen informatie over de vraag hoeveel werknemers daadwerkelijk een bovenwettelijke aanvulling ontvangen, hoe hoog deze aanvulling is en wat de impact van de bovenwettelijke aanvullingen op de prikkel tot (meer) benutting van de resterende capaciteit is.

Vraag 293

Kan de regering toelichten in hoeveel CAO’s afspraken zijn gemaakt om in het tweede ziektejaar meer dan 70% van het laatstverdiende loon door te betalen, inclusief de mate vaan aanvulling?

Antwoord

Uit onderzoek van het ministerie van SZW blijkt dat in 64 van de 100 onderzochte cao’s is afgesproken dat in het tweede ziektejaar meer dan 70% van het laatstverdiende loon wordt doorbetaald. In 27 van deze 64 cao's is de aanvulling onvoorwaardelijk meer dan 70%. De aanvullingen variëren hierbij meestal van 75 – 90% van het salaris.

In 23 van de 64 cao's wordt in het tweede ziektejaar alleen meer dan 70% van het loon betaald als de zieke werknemer actief meewerkt aan re-integratieinspanningen. In het merendeel van deze cao's is de loondoorbetaling gelijk aan of groter dan 80% van het salaris.

In 14 cao’s van de 64 cao’s wordt het tweede ziektejaar onvoorwaardelijk meer dan 70% aangevuld maar bij actief meewerken aan re-integratieactiviteiten geldt een hogere aanvulling.

Vraag 294

Kan de regering toelichten hoe het kan dat de WIA-uitgaven met 0,5 mld stijgen (p. 53) en de WAO-uitgaven met 0,5 mld dalen (p. 54)? Dit suggereert dat de invoering van de WIA geen positieve budgettaire consequenties meer heeft ten opzicht van de WAO. Wat is de reactie van de regering op deze conclusie?

Antwoord

Dankzij een aantal stelselwijzigingen op het terrein van ziekte en arbeidsongeschiktheid, met als sluitstuk de invoering van de WIA, is een dreigende toename van de arbeidsongeschiktheidslasten voorkomen. Sinds 2003 zijn de lasten, gecorrigeerd voor inflatie, zelfs afgenomen. De uitstroom uit de WAO is jaren lang hoger geweest dan de instroom in de WAO+WIA. Het aantal arbeidsongeschikten (WAO+WIA) is gedaald van ongeveer 800 000 in 2002 naar minder dan 600 000 nu.

Inmiddels vindt WAO-uitstroom voor het overgrote deel nog slechts plaats door pensionering en overlijden. Daarmee resteert een WAO-bestand dat heel geleidelijk leegloopt. De komende jaren compenseert de opbouw van het WIA-bestand in lastentermen voor de afname van het WAO-bestand.

Vraag 295

Waarom neemt de instroomkans in de WIA in 2011–2013 toe en uitstroomkans af? Is dit een incidentele of een structurele ontwikkeling?

Antwoord

In de begroting wordt de instroomkans WIA en WAO gezamenlijk gepresenteerd. De oorzaak van de WIA-instroomstijging ligt deels bij ingroei-effecten van de nieuwe regeling en deels bij stijging van de instroom vanuit het vangnet ZW. Naar verwachting is de stijging van de WIA-instroom niet structureel.

De uitstroomkans WAO+WIA wordt nog vooral bepaald door de WAO-uitstroom. Door pensionering van WAO’ers die vlak na de oorlog zijn geboren ligt de uitstroom in 2011 en 2012 op een relatief hoog niveau. De WAO-uitstroom normaliseert in 2013. De WIA-uitstroom neemt juist toe, als gevolg van de geleidelijke opbouw van het bestand. Per saldo neemt de uitstroomkans WAO+WIA in 2013 af. Naar verwachting is dit een incidentele afname.

Vraag 296

Wat zijn de resultaten van de reïntegratietrajecten voor WGA-gerechtigden?

Antwoord

In 2011 zijn 3 126 WIA-trajecten afgerond, waarvan 848 hebben geleid tot plaatsing (bron: UWV, kwantitatieve informatie bij jaarverslag 2011).

Vraag 297

Waarop is de raming verhoging uitstroom Wajong totaal gebaseerd in 2013 in tabel 4.2 op pagina 57?

Antwoord

Een jaarlijks hoger wordende uitstroom uit de Wajong is een logisch gevolg van de steeds groter wordende groep Wajonggerechtigden. In het bijzonder blijkt dat meer Wajonggerechtigden de pensioengerechtigde leeftijd bereiken in 2013 dan in 2012.

Vraag 298

Wat is de huidige stand van zaken van het beleid om Wajongers voor 2010 vrijwillig de mogelijkheid te geven om over te stappen naar de Wajongregeling van na 1 januari 2010 naar aanleiding van eerdere toezeggingen van de regering aan het lid Azmani?

Antwoord

Bij brief van 2 november jl. heeft de toenmalige staatssecretaris van SZW de Tweede Kamer bericht dat deze mogelijkheid per 1 januari 2013 wordt geopend middels een algemene maatregel van bestuur. De brief is aan de orde geweest in het algemeen overleg WSW/Wajong van 22 november jl. De algemene maatregel van bestuur is inmiddels in het Staatsblad gepubliceerd (Stb. 562).

Vraag 299

Kan de regering cijfers geven van de instroom in de Wajong in 2006, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011 en de verwachting in 2012?

Antwoord

Deze cijfers zijn opgenomen in onderstaande grafiek.

Vraag 300

In hoeverre sluiten de resultaten van de instroom in de Wajong vanaf 2010 aan bij de ramingen van destijds?

Antwoord

Bij het Wajong-wetsvoorstel is verondersteld dat de instroom in de werkregeling met 10% kan dalen. Als 2009 met een instroom van 17 600 als basisjaar wordt gehanteerd en de aanname is dat 60% van de instroom in de werkregeling komt, dan zou een daling van 10% van de instroom in de werkregeling resulteren in een totale instroom van 16 500 Wajonggerechtigden (17.6*60%*0.9+17.6*40%). In 2011 was de instroom iets lager dan dit aantal, namelijk 16 300. Een vergelijking voor het jaar 2010 is niet goed mogelijk, omdat nog bijna de helft van de instroom in dat jaar bestond uit oude Wajonggerechtigden.

Vraag 301

Is het waar dat 26% van de totale groep personen in de Wajong werkt?

Antwoord

Ja.

Vraag 302

Is het waar dat in de nieuwe Wajong (vanaf 2010) 62% van de personen met een uitkering op grond van deze wet werkt en dat het percentage bij de oude groep Wajong (voor 2010) op 22% werkzaam ligt? Indien dit juist is, wat is de verklaring voor dit grote verschil?

Antwoord

Het klopt niet dat 62% van de mensen in de nieuwe Wajong werkt. In totaal maakt 62% van de nieuwe Wajonggerechtigden onderdeel uit van de Wajong-werkregeling. De personen die onder de werkregeling vallen hebben mogelijkheden om arbeid te verrichten. Het is echter niet zo dat iedereen die in de werkregeling zit ook daadwerkelijk een baan heeft en arbeid verricht.

Vraag 303

Wat zijn de resultaten van de reïntegratietrajecten voor Wajong-gerechtigden?

Antwoord

In 2011 zijn 6 400 Wajonggerechtigden aan werk geholpen, 3 200 zonder re-integratietraject, de overigen met een extern ingekocht re-integratietraject (bron: UWV, jaarverslag 2011).

Vraag 304

Kan de regering toelichten of de gerealiseerde kerncijfers van de nieuwe Wajong (per 1 januari 2010) corresponderen met de toentertijd gemaakte ramingen?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 300.

Vraag 305

Kan de regering toelichten of de weken uit maandeneis, zoals deze nu in de WW bestaat, onverkort van kracht blijft?

Antwoord

In het regeerakkoord zijn geen voornemens opgenomen die betrekking hebben op de referte-eis die voorschrijft dat men de laatste 36 weken tenminste 26 weken gewerkt moet hebben.

Vraag 306

Met hoeveel euro stijgen de WW-uitgaven structureel indien de loongerelateerde periode 18 maanden is in plaats van 12?

Antwoord

Wanneer alle overige maatregelen met betrekking tot WW en ontslag uit het regeerakkoord onveranderd blijven zullen de uitgaven structureel met circa € 0,2 miljard toenemen wanneer de 18 maanden loongerelateerde uitkering gevolgd worden door een minimumuitkering van 6 maanden. De maatregelen met betrekking tot de WW worden betrokken bij het overleg met de sociale partners.

Vraag 307

Met hoeveel euro stijgen de WW-uitgaven structureel indien de loongerelateerde periode 24 maanden is in plaats van 12?

Antwoord

Wanneer alle overige maatregelen met betrekking tot WW en ontslag uit het regeerakkoord onveranderd blijven zullen de uitgaven structureel met circa € 0,3 miljard toenemen wanneer de 24 maanden loongerelateerde uitkering niet gevolgd worden door een minimumuitkering in de WW. Zie ook het antwoord op vraag 306.

Vraag 308

Met hoeveel stijgen de WW-uitgaven structureel indien de loongerelateerde periode 12 maanden is en de periode waarin de WW-uitkering aan het minimumloon gerelateerd is 26 maanden is?

Antwoord

Wanneer alle overige maatregelen met betrekking tot WW en ontslag uit het regeerakkoord onveranderd blijven zullen de uitgaven structureel met circa € 0,6 miljard toenemen wanneer de 12 maanden loongerelateerde uitkering gevolgd worden door een minimumuitkering van 26 maanden. Zie ook het antwoord op vraag 306.

Vraag 309

Kan de bezuiniging op de WW worden opgevangen door de premies kostendekkend vast te stellen en te verdelen onder werkgevers en werknemers? Zo ja, hoe hoog is de werkgeverspremie in dat geval en hoe hoog de werknemerspremie? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

In begroting was rekening gehouden met een verhaal van de WW bij de werkgevers van € 750 miljoen in 2014 en € 1 miljard in de jaren daarna. Er was dus geen sprake van een bezuiniging op de WW-uitgaven, waardoor ook niet kan worden aangegeven hoe deze bezuiniging anders kan worden opgevangen.

In het regeerakkoord is wel sprake van een bezuiniging op de WW van ruim € 700 miljoen in 2017 door een beperking van de duur in de WW. Deze bezuiniging heeft evenwel geen invloed op de premiehoogte voor het fonds voor het AWf.

Het exploitatietekort voor de WW-fondsen wordt overigens voor 2014 geraamd op bijna € 4 miljard.

Vraag 310

Het percentage personen, dat na de WW-uitkering doorstroomt naar de bijstand, is voor 2012 geraamd op bijna 8%. Kan de regering een raming geven voor de doorstroom na de beperking van de WW in 2014, 2015, 2016 en 2017?

Antwoord

Met verschillende maatregelen uit het regeerakkoord wordt de WW activerender waardoor meer mensen een baan zullen vinden en dus niet in de WWB zullen stromen. Aan de andere kant wordt voorgesteld de WW-duur te beperken waardoor mensen eerder dan nu in de WWB zullen stromen als ze geen baan vinden binnen de voor hen geldende WW-duur. Momenteel worden de maatregelen uit het regeerakkoord nader uitgewerkt. Hierdoor is het op dit ogenblik nog niet goed mogelijk een inschatting te geven van het effect op de doorstroom naar de WWB, noch voor de gehele groep WW-ers, noch voor de jongeren onder hen.

Vraag 311

Het percentage werkloze jongeren, dat vanuit de WW doorstroomt naar de bijstand, was in 2010 7,7%. De korte duur van het WW-recht blijkt de belangrijkste oorzaak van de hoge doorstroom. Kan de regering een raming geven van de doorstroom voor de doorstroom in 2013, 2014, 2015, 2016 en 2017?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 310.

Vraag 312

Kan de regering toelichten hoeveel personen een WW-uitkering hebben als alle vacatures door personen met een WW-uitkering zouden zijn vervuld?

Antwoord

Uit informatie van het CBS blijkt dat er in het derde kwartaal van 2012 106 000 openstaande vacatures en 304 000 personen met een WW-uitkering waren. Het aantal vacatures dat in een jaar ontstaat, en eventueel vervuld kan worden door iemand met een WW-uitkering, is wel fors hoger (766 000 ontstane vacatures in 2011). Hierbij dient wel rekening gehouden te worden met het feit dat er mogelijk geen match gemaakt kan worden tussen vacature en WW-gerechtigde, vacatures ook vervuld kunnen worden door niet-werklozen of personen met een andere uitkering (bijvoorbeeld WWB) en dat niet alle vacatures altijd bekend zijn bij het UWV. Daarbij is er sprake van zoektijd waardoor er altijd een bepaald aantal vacatures, en uitkeringen, zal zijn.

Vraag 313

Hoe groot is de verwachte instroom in de WW de komende vijf jaar en hoe groot is de uitstroom in deze periode?

Antwoord

In de begroting 2013 is, op basis van de economische vooruitzichten van de MEV 2013, uitgegaan van de volgende in- en uitstroom voor de WW.

Personen x 1 000

2012

2013

2014

2015

2016

2017

WW-instroom

461

520

547

522

489

453

WW-uitstroom

428

487

521

523

505

474

Deze cijfers zijn nog exclusief de doorwerking van het nieuwe regeerakkoord. De maatregelen uit het regeerakkoord worden momenteel uitgewerkt. In de begroting voor 2014 worden nieuwe ramingen verwerkt.

Vraag 314

Wat is het aandeel personen met een WW-uitkering in de leeftijdsgroep 50 tot 55 jaar?

Antwoord

Mensen tussen de 50 en 55 jaar maken circa 15% uit van het totale WW-bestand.

Vraag 315

Wat is het aandeel personen met een WW-uitkering in de leeftijdsgroep jonger dan 27 jaar?

Antwoord

Mensen onder de 27 jaar maken circa 7% uit van het totale WW-bestand.

Vraag 316

Heeft een persoon, die bijvoorbeeld in november 2013 werkloos raakt en een WW recht van 38 maanden heeft, 37 maanden later nog WW?

Antwoord

Ja, mits deze persoon aan de voorwaarden van het recht op WW voldoet. Maar het is natuurlijk te hopen dat deze persoon binnen 37 maanden een nieuwe baan vindt en geen WW meer nodig heeft.

Vraag 317

Wat is het gemiddeld opgebouwde WW- recht van de volgende leeftijdsgroepen: jonger dan 27, 27 t/m 34, 35 t/m 44, 45 t/m 54, 55 t/m 64? Wat is het geraamde gemiddelde recht van deze groepen in 2015, 2018 en 2025?

Antwoord

In onderstaande tabel wordt de verdeling van het gemiddelde WW-recht naar leeftijdsgroep gegeven. Cijfers zijn op basis van de instroom 2011.

leeftijdscategorie (WW-instroom)

gemiddeld recht op moment van instroom (maanden)

tot 27 jaar

5

27 tot 35 jaar

10

35 tot 45 jaar

18

45 tot 55 jaar

26

55 tot 65 jaar

33

De ontwikkeling van het recht voor toekomstige jaren is geen onderdeel van de reguliere (uitgaven-) ramingen. Ook de in het regeerakkoord voorgestelde maatregelen hebben invloed op het WW-recht per leeftijdsgroep. Momenteel worden deze maatregelen nader uitgewerkt. Hierdoor is het op dit ogenblik niet goed mogelijk een inschatting te geven van de ontwikkeling van het WW-recht.

Vraag 318

Is de regering voornemens om werknemer onvoorwaardelijk het recht te geven op loondoorbetaling in de tijd tussen een positief advies van het UWV en de stap naar de rechter?

Antwoord

Wij zijn van mening dat dit niet direct in de rede ligt. Dit is in het huidige ontslagrecht ook niet het geval. Nadat de arbeidsovereenkomst met een vergunning van UWV is opgezegd, kan de werkgever de arbeidsovereenkomst opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn. De werknemer kan vervolgens naar de rechter als hij meent dat het ontslag kennelijk onredelijk is. De werkgever is – behoudens voor zover het betreft het loon over de opzegtermijn – niet verplicht in de tussengelegen periode loon te betalen. Dat ligt ook niet voor de hand omdat na ommekomst van de opzegtermijn de arbeidsrelatie is verbroken.

Vraag 319

Is de regering voornemens om het transitiebudget bij onvrijwillig ontslag of het niet verlengen van een tijdelijk contract van minstens één jaar voor alle leeftijdgroepen van toepassing te laten zijn? Zo ja, kan de regering toelichten wat de meerwaarde van een dergelijk budget is voor een werknemer, die bijvoorbeeld in 2015 wordt ontslagen op 65-jarige leeftijd?

Antwoord

Bij de uitwerking van de maatregelen uit het regeerakkoord zal hier aandacht aan worden besteed.

Vraag 320

Is de regering voornemens om het transitiebudget bij onvrijwillig ontslag of het niet verlengen van een tijdelijk contract van minstens één jaar af te trekken van de ontslagvergoeding of komt dit daar bovenop?

Antwoord

In het regeerakkoord is afgesproken dat een werknemer naast het transitiebudget in aanmerking kan komen voor een ontslagvergoeding als het ontslag ten onrechte is of in hoofdzaak verwijtbaar aan de werkgever. De afspraak in het regeerakkoord voorziet niet in anticumulatie van het transitiebudget op deze vergoeding.

Vraag 321

Is de regering voornemens om de ontslagvergoeding te maximeren op een half maandsalaris per gewerkt jaar, ongeacht de verwijtbaarheid en leeftijd van de werknemer?

Antwoord

Conform het regeerakkoord is het kabinet voornemens om de ontslagvergoeding die de rechter kan toekennen bij een naar zijn oordeel onterecht gegeven of een in hoofdzaak aan de werkgever te verwijten ontslag te maximeren op een half maandsalaris per dienstjaar, met een grens van € 75 000. Als het ontslag niet in hoofdzaak aan de werkgever is te verwijten (bijvoorbeeld werkgever en werknemer hebben beide schuld aan het ontslag), zal er geen vergoeding verschuldigd zijn. De veronderstelling dat de leeftijd van de werknemer niet van belang is voor het vaststellen van de hoogte van de vergoeding is juist. Alleen de lengte van het dienstverband speelt een rol.

Vraag 322

Welke voorwaarde is de regering voornemens te stellen aan het afwijken bij CAO van het afspiegelingsbeginsel?

Antwoord

Of, en zo ja, welke voorwaarden hieraan gesteld worden zal nader worden bezien bij de uitwerking van deze afspraak uit het regeerakkoord.

Vraag 323

Welke voorwaarde is de regering voornemens te stellen aan de procedure in de CAO, die de UWV-toets vervangt?

Antwoord

Zoals opgenomen in het regeerakkoord is het kabinet voornemens te bepalen dat geen UWV advies vereist zal zijn voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst als in de cao is voorzien in een vergelijkbare procedure voor het toetsen van een voorgenomen ontslag.

Vraag 324

Door de verlaging van de ontslagvergoedingen wordt het in een aantal gevallen goedkoper voor een werkgever om een werknemer te ontslaan. Heeft de regering een inschatting gemaakt van een toename van het aantal ontslagen hierdoor? Zo ja, kan de regering deze aan de Kamer zenden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Het kabinet verwacht geen toename van het aantal ontslagen als gevolg van de maatregelen. De gronden voor een rechtmatig ontslag blijven onveranderd en ook de preventieve toetsing van ontslag blijft bestaan. De vraag doet veronderstellen dat werkgevers alleen vanwege een mogelijk hoge vergoeding werknemers in dienst houden. Die veronderstelling deelt het kabinet niet. Het is niet zo dat op dit moment veel werknemers hun baan uitsluitend daaraan hebben te danken. Bovendien neemt de ontslagbescherming voor een aantal kwetsbare groepen juist toe. Werknemers aan de onderkant worden relatief vaak ontslagen via de huidige UWV-route, waarbij er in het huidige stelsel in beginsel geen sprake is van een ontslagvergoeding. In het nieuwe systeem moet de werkgever aan iedere ontslagen werknemer een transitiebudget geven. Wel is het mogelijk dat er rond de periode van invoering sprake is van strategisch gedrag van werkgevers. Werkgevers kunnen er voor kiezen geplande ontslagen uit te stellen als ze denken dan goedkoper uit te zijn of juist versnellen als ze denken duurder uit te zijn. Verder wordt het aantal ontslagen sterk wordt beïnvloed door de economische conjunctuur.

Vraag 325

Hoeveel lager is een ontslagvergoeding binnen het nieuwe ontslagstelsel voor een werknemer van 63 jaar met een dienstverband van 45 jaar en waarbij de werkgever volledig verwijtbaar is?

Antwoord

In het huidige stelsel is geen wettelijk recht op een ontslagvergoeding geregeld. De hoogte van een eventuele vergoeding wordt nu bepaald door de rechter, waarbij de hoogte kan verschillen al naar gelang het gaat om een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag of een vergoeding naar billijkheid bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter (met toepassing van de zogenoemde kantonrechtersformule).

In het nieuwe systeem bedraagt de vergoeding bij een in hoofdzaak aan de werkgever te verwijten ontslag maximaal een half maandsalaris per dienstjaar, met een grens van € 75 000.

Vraag 326

In de visie van de regering zou de aanpassing van het ontslagrecht zoals afgesproken in het begrotingsakkoord jaarlijks 2,5 miljard aan economische groei opleveren. Hoeveel levert de in het regeerakkoord beoogde wijziging van het ontslagrecht aan jaarlijkse economische groei op?

Antwoord

Het CPB heeft nog geen berekening gemaakt van het welvaartseffect van de maatregelen in het regeerakkoord met betrekking tot het ontslagrecht. Het CPB zal nog gevraagd worden een dergelijke analyse te maken voor de maatregelen op het terrein van ontslag en WW.

Vraag 327

Kan de regering toelichten, met betrekking tot personen, die uitstromen uit de WW naar werk, hoeveel maanden recht op een WW-uitkering zij nog hadden?

Antwoord

De mensen die in 2011 uitstroomden naar werk hadden gemiddeld genomen nog 14 maanden resterend WW-recht.

Vraag 328

Welke inkomsten worden wel en welke inkomsten worden niet verrekend met een WW-uitkering?

Antwoord

De WW kent standaard de systematiek van urenverrekening. Na een jaar WW geldt voor langdurig werklozen dat 70% van het inkomen uit werkhervatting wordt verrekend met de uitkering. In bepaalde gevallen wordt, ook gedurende het eerste jaar, in specifieke situaties 100% van de inkomsten verrekend. Dat zijn bijvoorbeeld situaties waarbij sprake is van samenloop van een WW-uitkering met een VUT-uitkering of pre-pensioen, een uitkering op grond van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en een wettelijke buitenlandse uitkering wegens arbeidsongeschiktheid.

Vraag 329

Hebben ouderen, die gedeeltelijk een WW-uitkering ontvangen, bijvoorbeeld tien uur werken en dertig uur een WW-uitkering, ook recht op de premiekorting voor werkgevers?

Antwoord

De werkgever die een (gedeeltelijk) werkloze van 50 jaar of ouder met een WW-uitkering (deels) in dienst neemt, mag een premiekorting toepassen. De voorwaarde is dat er voorafgaand aan het dienstverband sprake is van een WW-uitkering. Het bedrag van de korting wordt naar evenredigheid verminderd, indien de met die werknemer overeengekomen gemiddelde arbeidsduur per week in het tijdvak waarover premie wordt betaald korter is dan de volledige arbeidsduur van 36 uur per week. In het genoemde voorbeeld kan de werkgever nog een premiekorting toepassen van 10/36 van het bedrag van premiekorting dat in de wet wordt genoemd.

Vraag 330

Hoe werkt de WW-opbouw van iemand, die gedeeltelijk in WW zit, maar ook werkt?

Antwoord

Elke dag waarin tenminste sprake is van 1 gewerkt uur telt mee als loondag. Als sprake is van 52 loondagen per jaar dan telt dat jaar mee als 1 jaar arbeidsverleden. Hiervoor maakt het niet uit of iemand naast werk een (gedeeltelijke) uitkering ontvangt.

Vraag 331

Welke overgangsregelingen is de regering voornemens te treffen aangaande het schrappen van de IOAW en de aanpassing van de IOW?

Antwoord

Momenteel wordt gewerkt aan de uitwerking van het regeerakkoord. Op specifieke punten van deze uitwerking wil het kabinet niet vooruitlopen.

Vraag 332

Op welke punten verschilt de Cessantiawet in Caribisch Nederland van de regelgeving voor Nederland? Waarom heeft alleen Caribisch Nederland een dergelijke wet?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 333.

Vraag 333

Hoeveel zou het kosten om soortgelijke regelgeving als de Cessantiawet in te voeren voor Nederland?

Antwoord

Op grond van de Cessantiawet BES kent de werkgever zijn werknemer een eenmalige uitkering toe als de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer eindigt. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, heeft de werknemer onder voorwaarden jegens de overheid recht op de uitkering.

Het bestaan van de Cessantiawet laat zich verklaren door het ontbreken van een regeling ter zake van werkloosheid (de WW) zoals die in het Europese deel van Nederland voorkomt. De uitkering heeft daarmee materieel de betekenis van een eenmalige uitkering ter overbrugging van de periode tussen twee banen (gelijk aan de WW in het Europees deel van Nederland). De Cessantiawet moet dan ook bezien worden binnen de bijzondere context van Caribisch Nederland. De regeling is «beleidsluw» overgenomen vanuit de situatie van het land Nederlandse Antillen. De context in het Europees deel van Nederland is door het bestaan van de WW een geheel andere. Het invoeren van een soortgelijke regeling als de Cessantiawet in het Europees deel van Nederland wordt dan ook niet overwogen. Het invoeren ervan zou, los van conjuncturele invloeden, op jaarbasis ongeveer € 250 miljoen kosten. In tijden van laagconjunctuur valt dat bedrag hoger uit.

Vraag 334

Het aantal geconstateerde overtredingen en het benadelingsbedrag is met circa 50 procent toegenomen. Waarom is dit een direct gevolg van het beoordelen van alle samenloopsignalen en niet toename van het aantal overtredingen? Kan er ook met terugwerkende kracht naar voorgaande jaren beoordeeld worden?

Antwoord

Bij de WW is in 2011 het totale benadelingsbedrag toegenomen in vergelijking met 2010. Het totaal aantal fraudegevallen is met zo'n 50% toegenomen. Hiervoor zijn grofweg twee redenen aan te wijzen. Allereerst heeft UWV in 2011, in tegenstelling tot 2010 en voorgaande jaren, alle samenloopsignalen (werken naast een uitkering) kunnen afdoen. Hiertoe heeft UWV in 2011 de nodige efficiencymaatregelen genomen. Op de tweede plaats is het WW-volume en het nominatief aantal overtredingen toegenomen.

De daling van het gemiddelde benadelingsbedrag van € 1 955 in 2009 naar € 1 423 in 2011 laat zien dat UWV steeds meer in staat is om overtredingen snel te constateren en af te doen. Hierdoor blijft benadeling relatief beperkt en is er slechts sporadisch sprake van het afdoen van overtredingen met lange terugwerkende kracht.

Vraag 335

Welke doelstellingen worden door de regering geformuleerd bij aanpak van jeugdwerkloosheid? Welke concrete effecten worden nagestreefd?

Antwoord

Het kabinet streeft ernaar dat jongeren werken of op school zitten. Langs de kant staan is geen optie. Daar is het beleid op gericht.

Een belangrijk speerpunt in de aanpak van jeugdwerkloosheid is het tegengaan van schooluitval. Het doel is om zoveel mogelijk jongeren met minstens een startkwalificatie de arbeidsmarkt te laten betreden, omdat dit de kansen van jongeren significant verbetert.

Ook zet het kabinet in op het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs en het versterken van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Zo is in het regeerakkoord opgenomen dat er € 250 miljoen beschikbaar is voor het intensiveren van het MBO, gekoppeld aan prestatieafspraken met instellingen. Daarnaast wordt ingezet op minder en arbeidsmarktgerichtere opleidingen.

Voor jongeren die toch aan de zijlijn van de arbeidsmarkt komen te staan, streeft het kabinet ernaar dat deze zo snel mogelijk in staat worden gesteld om aan het werk te gaan of een opleiding te volgen. Hier ligt ook een belangrijke rol voor de regio’s. Juist op regionaal niveau kan de aansluiting tussen onderwijs, arbeidmarkt en zorg versterkt worden om maatwerk te bieden voor deze jongeren. De VNG organiseert in samenwerking met de ministeries van SZW, OCW, VWS en andere betrokken partijen regionale werkconferenties, waarbij partijen in de regio samen aan de slag gaan om knelpunten die zij in de praktijk tegenkomen aan te pakken.

Vraag 336

Wat voor mogelijke gevolgen heeft het voor de verschillende premies, die samenhangen met het afdekken van het ziekterisico en arbeidsongeschiktheid, die een MKB werkgever over de loonsom betaalt, wanneer de werkgever een langdurig zieke aan het einde van het dienstverband een contract voor onbepaalde tijd aanbiedt?

Antwoord

Met de wet Beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters worden de lasten van ziekte en arbeidsongeschiktheid van tijdelijke contracten en uitzendkrachten doorberekend aan de individuele werkgever. Afhankelijk van de werkgeversgrootte kan deze premie individueel, sectoraal of gedeeltelijk sectoraal en gedeeltelijk individueel bepaald zijn. Bij individuele premiedifferentiatie stijgen bij langdurige ziekte en beroep op de ZW en/of WGA de premies voor de werkgever. Indien de werkgever mogelijkheden ziet om de betrokkene geheel of gedeeltelijk werk te laten verrichten, bijvoorbeeld elders in het bedrijf, kunnen daarmee de uitkeringslasten dalen en daarmee ook de premie van de werkgever. Dit staat los van de vraag of de werkzaamheden middels een contract voor onbepaalde tijd of anderszins worden uitgevoerd.

Vraag 337

Wat zijn de mogelijke verschillen voor een mogelijke premiestijging of een arbeidsongeschiktheidsverzekering loopt bij het UWV of bij een verzekeraar voor de afdekking van het ziekte- en WGA risico voor de MKB werkgever?

Antwoord

In 2013 geldt voor de ZW-risico’s bij publieke verzekering een sectoraal bepaalde premie en voor de WGA-risico’s van werknemers met een vast dienstverband een individueel bepaalde premie (met verschillende bandbreedtes voor kleine en voor grote werkgevers). Bij private verzekering van deze risico’s is het afhankelijk van de verzekeraar hoe de premie precies wordt bepaald.

Vraag 338

Hoeveel kunnen de premies stijgen voor een werkgever met 25 werknemers wanneer één werknemer een WGA-uitkering gaat ontvangen?

Antwoord

Het effect van WGA-instroom op de werkgeverspremie hangt in de eerste plaats af van de gekozen wijze van verzekeren, privaat of bij het UWV. Verzekeraars in de markt gaan verschillend om met het doorberekenen van schadelast in hun premies.

Het UWV maakt in haar premiestelling onderscheid tussen kleine en grote werkgevers. De grens ligt bij een loonsom van 25 maal het premieplichtig loon per werknemer. In 2013 geldt voor kleine werkgevers een minimumpremie van 0,47% en een maximumpremie van 1,56%. Voor grote werkgevers geldt een minimumpremie van 0,13% en een maximumpremie van 2,08%.

Een werkgever met 25 werknemers, van wie 1 werknemer de WGA instroomt, betaalt vanaf het tweede jaar na de WGA-instroom bij publieke verzekering de maximale premie. Als de werkgever niet eerder WGA-instroom heeft gehad, betekent dit een stijging van de minimum- naar de maximumpremie.

Overigens wordt vanaf 2014 een sectorale premie voor kleine werkgevers geïntroduceerd en wordt de harde grens tussen kleine en grote werkgevers vervangen door een geleidelijke overgang van sectorale naar individuele premiedifferentiatie. De premiestijging na WGA-instroom wordt daarmee voor de genoemde werkgever met 25 werknemers sterk beperkt.

Vraag 339

Hoeveel werknemers zonder vast contract (flexwerkers) krijgen een uitkering op grond van de Ziektewet door uitstel van de werknemersprikkel ZW met een jaar?

Antwoord

De maatregel om het arbeidsverleden van invloed te laten zijn op de lengte van de loongerelateerde ZW-uitkering is met één jaar uitgesteld. In het regeerakkoord is daarbij opgenomen dat voor de maatregel binnen een jaar een alternatief wordt gevonden.

Het aantal rechthebbenden op een ZW-uitkering wordt niet beïnvloed door uitstel van de maatregel. De arbeidsverledeneis heeft namelijk alleen invloed op de hoogte van deze uitkering.

Vraag 340

Kan het kabinet toelichten waar de «incidentele lastenenveloppe» AOF premie (waarvan 649 euro miljoen wordt ingezet ter dekking financieel tekort) zich bevindt, hoe hoog deze is en waar deze voor bedoeld was/is?

Antwoord

In de Miljoenennota 2013 is toegelicht dat de lastendekkende zorg- en sectorpremies hoger zijn uitgevallen dan bij het begin van de kabinetsperiode was voorzien (blz. 72). Een deel van deze lastenverzwaring op arbeid is gecompenseerd door elders de lasten te verlagen. Dit is de oorsprong van de € 649 miljoen lagere AOF-premie in 2013.

Vervolgens is in het deelakkoord begroting 2013 deze premieverlaging niet doorgegaan en is de € 649 miljoen aangewend ter dekking van het onder andere niet doorgaan van de maatregel reiskostenaftrek.

Vraag 341

De invoering van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters is uitgesteld tot 1 januari 2014. Kan de regering toelichten of zij voornemens is deze wet ongewijzigd vanaf 1 januari 2014 in te voeren? Zo nee, wanneer kan de Kamer een gewijzigd wetsvoorstel hieromtrent tegemoet zien?

Antwoord

De Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid is inmiddels in het Staatsblad gepubliceerd. De verschillende onderdelen van deze wet treden op verschillende momenten in werking. In het kader van het regeerakkoord is afgesproken om de arbeidsverledeneis, waarvan inwerkingtreding oorspronkelijk was voorzien per 1 januari 2013, uit te stellen tot 1 januari 2014. In de tussentijd wordt hiervoor een alternatief gezocht. Een alternatief moet dezelfde besparing realiseren. Over mogelijke alternatieven zal afstemming met sociale partners plaats vinden. Tevens kunnen wij – conform het verzoek in de motie van het lid Van Hijum (TK, 2011–2012, 33 241, nr. 21) – berichten dat met sociale partners overleg zal worden gevoerd over de mogelijkheden tot werkhervatting van vangnetters. Voor de zomer van 2013 verwachten wij de Tweede Kamer nader te kunnen informeren over mogelijke alternatieven voor de arbeidsverledeneis.

Vraag 342

Kan de regering toelichten of bij het uitstel van de maatregelen voor werknemers in het kader van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters ook de keuring na één jaar ziektewet is uitgesteld?

Antwoord

Dit onderdeel van het wetsvoorstel zal op 1 januari 2013 in werking treden.

Vraag 343

Waarom is er in het kader van de rechtszekerheid, niet ervoor gekozen om de WGA-flex lasten toe te rekenen vanaf een toekomstig moment, bijvoorbeeld 1 januari 2014, waardoor werkgevers voldoende tijd hebben om zich hierop voor te bereiden?

Antwoord

De lasten vanaf 1 januari 2012 tellen mee voor de premiedifferentiatie ZW en WGA voor flexkrachten in 2014. De publieke verzekeraar gebruikt bij de vaststelling van de premie het omslagstelsel, wat betekent dat teruggekeken wordt in de tijd. Vanaf 1 januari 2012 houdt het UWV voor flexkrachten de lasten per werkgever bij. Vanaf dat moment is het mogelijk lasten toe te rekenen aan individuele werkgevers. Door dit te benutten bij het vaststellen van de premiedifferentiatie wordt bereikt wat is beoogd, namelijk een hogere premie voor bedrijven met meer dan gemiddelde lasten en een lagere premie voor bedrijven met lager dan gemiddelde lasten. Werkgevers kunnen hier invloed op uitoefenen door in te zetten op preventie en re-integratie. Dat kunnen zij niet pas per 2014, maar dat kunnen zij nu al. Deze premiedifferentiatie die ingaat per 2014, geeft de beoogde prikkel aan de individuele werkgever om het verzuim te beperken en de mogelijkheden daartoe optimaal te benutten. In de toelichtingen op het wetsvoorstel is uiteengezet, dat de systematiek zodanig zou zijn. Voorts is daarom in 2012 bekend gemaakt met publicatie van de wijziging van het Besluit Wfsv (Stb. 2012, 494) hoe de premiedifferentiatie met ingang van 1 januari 2014 zal plaatsvinden. De werkgevers worden ook door het UWV geïnformeerd over deze lasten.

Vraag 344

Waarom wordt ondanks het belang van bevordering van arbeidsparticipatie, voor kleine werkgevers het perspectief om gedurende maximaal 12 jaar de financiële gevolgen te voelen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, beperkt tot nog slechts twee jaar?

Antwoord

Gekozen is om kleinere werkgevers geen of een beperkte prikkel te geven om risicoselectie te voorkomen. Risicoselectie is juist voor kleine werkgevers relatief vaak een reactie op individuele premiedifferentiatie. Tevens wordt de premiedifferentiatie bij de publieke verzekeraar verbeterd. Voor kleine werkgevers leidt één schadegeval nu direct al tot de maximumpremie. Dat wordt voorkomen. Dit sluit ook beter aan bij de private premiestelling waarbij bij kleinere bedrijven niet alleen naar individuele risico’s wordt gekeken, maar ook naar het sectorale risico.

Vraag 345

Wat zijn de meest actuele ramingen met betrekking tot de instroom van de WW op basis van de laatste werkloosheidscijfers?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 313.

Vraag 346

Op basis waarvan wordt aangenomen dat het bruto jaarsalaris van vrouwen, die een uitkering vanwege zwangerschap of bevalling ontvangen, sneller zal stijgen?

Antwoord

Het betreft jonge vrouwen die een uitkering vanwege zwangerschap of bevalling ontvangen. Deze jongste generatie vrouwen is gemiddeld hoger opgeleid en heeft daardoor gemiddelde een hoger loon dan oudere generaties. De jaarlijkse indexering van deze loongerelateerde uitkering schiet tekort als die is gebaseerd op de gemiddelde loonontwikkeling. Daarnaast geldt dat naar verwachting de jongste generatie vrouwen in de vruchtbare leeftijd vaker een grotere deeltijdbaan heeft dan oudere generaties. Dit leidt tot hogere uitkeringslasten voor het zwangerschaps- en bevallingsverlof.

Vraag 347

De uitkeringslasten voor zwangerschaps- en bevallingsverlof stijgen in 2013 met circa 25 miljoen. Dit komt aldus de regering door de verdere toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen. Waarop is dit gebaseerd? De regering wordt in dit kader gewezen op een brief van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 september 2012 staat geschreven dat de arbeidsparticipatie van moeders een stabiel beeld laat zien.

Antwoord

De arbeidsparticipatie van moeders laat in 2012 inderdaad een stabiel beeld zien. In de brief meldde de toenmalige staatssecretaris ook dat het percentage moeders met grotere deeltijdbanen toeneemt. Naar verwachting geldt dat voor de totale populatie van vrouwen in de vruchtbare leeftijd. Dit leidt tot hogere uitkeringslasten voor het zwangerschaps- en bevallingsverlof.

Vraag 348

Welke geboortecijfers liggen ten grondslag aan de raming van de Wet arbeid en zorg (WAZO)?

Antwoord

De raming wordt twee keer per jaar aan de meest recente volumegegevens van het CBS over geboorten geijkt.

Vraag 349

Heeft de hoogte van de kinderopvangtoeslag gevolgen voor de ramingen voor de WAZO? Zo ja, kan de regering dit nader toelichten?

Antwoord

Nee, de hoogte van de kinderopvangtoeslag heeft geen gevolgen voor de ramingen van de WAZO.

Vraag 350

De evaluatie van de Wet kinderopvang maakt melding van het feit dat «de ontwikkeling van de pedagogische kwaliteit zorgelijk» is. Hoe valt dit te rijmen met een daling van de subsidiegelden ten behoeve van het verbeteren van de kwaliteit in de kinderopvang? Naar welke projecten gaan deze subsidiegelden? Wat zijn de resultaten van deze projecten?

Antwoord

De sector is zelf primair verantwoordelijk voor de pedagogische kwaliteit. Gezien het belang van een goede kwalitatieve opvang stelt de overheid voor de periode 2013–2016 een subsidie van € 20 miljoen beschikbaar. Deze subsidie is nog niet belegd.

Vraag 351

Hoe beoordeelt de regering de toegankelijkheid van de klachtenprocedures in de kinderopvang?

Antwoord

Op dit moment is wettelijk vastgelegd dat ouders toegang moeten hebben tot een klachtenprocedure. Een houder dient dit vast te leggen in een klachtenregeling. Het huidige klachtrecht is echter wel ingewikkeld. Er zijn regionale klachtencommissies en een landelijke Geschillencommissie die alleen toegankelijk is voor ouders die klant zijn bij een ondernemer die is aangesloten bij de Brancheorganisatie. Daarbij speelt dat alleen de ouders die terecht kunnen bij de landelijke Geschillencommissie een bindende uitspraak krijgen. Ondernemers hoeven adviezen van een klachtencommissie niet na te komen. In lijn met het regeerakkoord is daarom een wetsvoorstel in voorbereiding die het klachtrecht in de kinderopvangsector vereenvoudigt en verbetert. Wij zullen u begin 2013 nader informeren over dit voorstel voor wetswijziging.

Vraag 352

Op dit moment is 70% van de kinderopvangcentra en gastouderbureaus aangesloten bij de stichting klachtencommissie kinderopvang. Hoe beoordeelt de regering het functioneren van deze commissie? In hoeverre zijn de regering problemen bekend, die voorkomen hadden kunnen worden door de losse stichtingen en commissies te vervangen door één onafhankelijk klachteninstituut?

Antwoord

De SKK is een onafhankelijke instelling opgericht voor de kinderopvangsector. Een oordeel over het functioneren van SKK is dan ook aan de sector. Er zijn geen problemen bekend die voorkomen hadden kunnen worden door één onafhankelijk klachteninstituut.

Vraag 353

Zou een centraal klachteninstituut voor de hele kinderopvang naar de mening van de regering de toegankelijkheid van het klachtrecht voor ouders kunnen verbeteren?

Antwoord

Een centraal klachteninstituut zal op de eerste plaats het klachtrecht voor ouders vereenvoudigen. Zoals in het antwoord op vraag 351 is toegelicht is er een wetsvoorstel in voorbereiding die het klachtrecht in de kinderopvangsector vereenvoudigt en verbetert en informeren wij u hierover begin van het volgende jaar.

Vraag 354

Hoe kan de stijging in de uitgaven aan de kinderopvangtoeslag in de jaren na 2013 worden verklaard? Gaat de regering iets doen om deze stijging te beperken? Zo ja, wat? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Vanaf het begin van de regeling in 2005 tot 2011 stegen de uitgaven aan kinderopvangtoeslag fors. De vorige kabinetten hebben een aantal maatregelen genomen die een neerwaarts effect op de toeslag hebben. In 2011 en vooral in 2012 en 2013 nemen de uitgaven aan kinderopvangtoeslag daardoor af. De verwachting is dat ouders hun gedrag in 2014 volledig zullen hebben aangepast aan de nieuwe situatie en dat een deel van de groei uit de eerdere jaren zich dan zal voortzetten. Er staan in het regeerakkoord geen aanvullende maatregelen om verder op de kinderopvangtoeslag te bezuinigen.

Vraag 355

Hoe valt de stijging van 708 miljoen naar 1 miljard van de werkgeversbijdrage kinderopvang van 2011 naar 2012 te verklaren?

Antwoord

Om ervoor te zorgen dat werkgevers 1/3 van de kosten van kinderopvang voor werknemers betalen is de premieopslag voor werkgevers in 2012 verhoogd van 0.34% naar 0.5%. Hierdoor neemt de werkgeversbijdrage in 2012 toe.

Vraag 356

Waaraan worden de subsidies kinderopvang besteed?

Antwoord

Subsidies Kinderopvang worden in 2013 onder andere besteed aan GGD-NL voor de uniformering van het landelijke toezicht op de kinderopvang dat door de gemeentelijke GGD-en wordt uitgevoerd en de Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang (BOinK) voor haar werkzaamheden bij de totstandkoming van sectorbrede regelingen.

Vraag 357

Waaraan worden de opdrachten kinderopvang besteed? Wat zijn de resultaten daarvan?

Antwoord

Het budget voor opdrachten wordt onder andere besteed aan het beheer en de doorontwikkeling van het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRKP) en de Gemeenschappelijke Inspectieruimte Kinderopvang (GIR). Daarnaast wordt uit dit budget de opzet van een systeem van Continue Screening in de kinderopvang bekostigd. De beoogde resultaten zijn het in de lucht houden van een goed functionerend LRKP en GIR: essentieel voor een rechtmatige toeslagtoekenning én voor een goede werking van toezicht op en handhaving van de kwaliteit in de kinderopvang en het tot stand brengen van een systeem waarmee van alle werkenden in de kinderopvang doorlopend kan worden vastgesteld of ze blijven voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een verklaring omtrent het gedrag (continue screening).

Ook wordt uit het budget «opdrachten kinderopvang» het onderzoek op het terrein van de kinderopvang bekostigd en wordt het ondermeer ingezet ten behoeve van monitoring, doelgroepouders en vertrouwensinspecteurs.

Vraag 358

In de toekomst wordt de financiering van het peuterspeelzaalwerk onder de Wet Kinderopvang gebracht. Daarbij zal bestaande gemeentelijke financiering worden betrokken. Betekent dit dat het hele bedrag bij het totale budget van de kinderopvang wordt betrokken?

Antwoord

De vormgeving van deze maatregel moet nog worden uitgewerkt. Wij informeren de Tweede Kamer te zijner tijd over de vormgeving.

Vraag 359

Gaat de nieuwe financiering van het peuterspeelzaalwerk qua inkomsten en uitgaven op dezelfde manier plaatsvinden als de kinderopvangtoeslag?

Antwoord

Zie antwoord op vraag 358.

Vraag 360

Kan de regering de laatste, actuele cijfers geven over de vraag naar kinderopvang in 2012 en kan de regering aangeven hoe deze zich verhouden tot de ramingen voor dit jaar?

Antwoord

Het aantal kinderen dat gebruik maakt van kinderopvang is in de eerste 9 maanden van 2012 met 4% gedaald ten opzichte van 2011. Het gemiddeld aantal uren per kind daalde in dezelfde periode met 6% ten opzichte van 2011. Deze daling in het gebruik is iets sterker dan in de begroting 2013 is geraamd voor het jaar 2012.

Vraag 361

Waarop is de raming gebaseerd dat het kinderopvanggebruik vanaf 2014 zal toenemen?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 354.

Vraag 362

Voor welke sector brede regelingen is Boink verantwoordelijk?

Antwoord

BOinK is een belangenvereniging van ouders in de kinderopvang. In die hoedanigheid is het een gesprekspartner voor SZW. BOinK heeft o.a. het convenant kwaliteit afgesloten voor zowel de kinderopvang als voor de peuterspeelzalen, heeft afspraken gemaakt over algemene leveringsvoorwaarden voor de kinderopvang, en heeft afspraken gemaakt over de geschillenregeling. Tevens zit BOinK in het bestuur van BKK en geven daarmee richting aan de kwaliteitsagenda in de kinderopvang.

Vraag 363

Hoe hoog is de subsidie die Boink ontvangt?

Antwoord

BOinK ontvangt van SZW een bedrag van circa € 250 000 per jaar. Deze subsidie is onder meer bedoeld voor activiteiten in het kader van het convenant kwaliteit kinderopvang, het convenant kwaliteit peuterspeelzalen, en dagarrangementen trajecten. Daarnaast heeft BOinK incidenteel subsidie ontvangen voor de ontwikkeling van bepaalde producten. In 2013 resteert hiervan alleen de uitfinanciering van de subsidie voor de kinderopvangkaart ad € 118 000.

Vraag 364

Op basis waarvan wordt gesteld dat het gebruik van kinderopvang in 2014 weer stijgt?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 354.

Vraag 365

Waarom wordt de «Ouderbijdrage volgend kind in Euro per uur voor gezinsinkomen» bij 1,5 x modaal en 3 x modaal twee keer zo hoog ingeschat bij de raming 2012 en 2013 dan de realisatie in 2011?

Antwoord

De reden hiervan is dat de kinderopvangtoeslag voor het tweede en volgende kind met ingang van 2012 is verlaagd, waardoor de ouderbijdrage stijgt. Voor gezinnen met een inkomen van 1,5x modaal daalt de toeslag van circa 94% in 2011 naar 88% in 2012, waardoor de ouderbijdrage verdubbelt van circa 6% naar 12%. Bij een gezinsinkomen van 3x modaal daalt de toeslag van circa 90% in 2011 naar 78% in 2012 en stijgt de ouderbijdrage derhalve van circa 10% naar 22%.

Vraag 366

De bijdragen van ouders aan de kinderopvang stijgt van 27% in 2011 naar 37% in 2013. Kan de regering toelichten hoe deze stijging wordt verdeeld over de inkomensgroepen?

Antwoord

De stijging van de ouderbijdrage met 10%-punt tussen 2011 en 2013 is een gemiddelde over alle inkomens. De stijging is met circa 2%-punt het laagst voor de laagste inkomenscategorie (inkomens tot 130% van het wettelijk minimumloon) en neemt toe tot circa 12%-punt in de categorie tussen 2 en 3x modaal. Boven 3x modaal is de stijging sterker (circa 26%-punt) vanwege de afbouw van de vaste voet van 33,3% naar 0% met ingang van 2013.

Vraag 367

Kan de regering toelichten waarom de uitgaven voor kinderopvang in 2012 en in 2013 dalen tot respectievelijk 2,8 en 2,6 miljard ten opzichte van 3,1 miljard in 2011 en ze vanaf 2014 weer toenamen tot 2,9 miljard in 2017?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 354.

Vraag 368

Waar is informatie over «de koopkrachtenveloppe», die (deels) wordt gebruikt voor een verhoging van het kindgebonden budget, terug te vinden in de begroting?

Antwoord

De verhoging van het kindgebonden budget maakt onderdeel uit van een aantal koopkrachtmaatregelen (de koopkrachtenveloppe). Informatie over de koopkrachtenveloppe is terug te vinden in de Voorjaarsnota 2012 (TK, 2011–2012, 33 280, nr. 1, bijlage 2, blz. 17, 18 en 35). De koopkrachtmaatregelen worden bekostigd door het terugsluizen naar de burger van een deel van de middelen uit de btw-verhoging die in het begrotingsakkoord 2013 is afgesproken.

Vraag 369

De regering doet bepaalde aannames over de opbrengsten van de bezuinigingen en de volumegroei in de kinderopvang. Als de geplande bezuinigingen meer opleveren dan verwacht en de volumegroei lager wordt dan verwacht, is het dan begrotingstechnisch mogelijk nu reeds aan te geven dat structurele meevallers in de kinderopvang worden «teruggegeven» aan de kinderopvang?

Antwoord

Het is niet conform de begrotingsregels om meevallers «terug te geven» aan het beleidsterrein waar de meevaller zich voordoet. Een van de begrotingsregels is namelijk dat meevallers in de uitgaven niet mogen worden gebruikt om intensiveringen mee af te dekken.

Vraag 370

Waarom is er niets opgenomen in dit hoofdstuk over fraude en handhaving? Kan de regering alsnog de daarvoor bestemde gegevens verstrekken?

Antwoord

In de Beleidsagenda wordt verwezen naar fraude, misbruik en oneigenlijk gebruik van de sociale zekerheid en handhaving. Boetes bij fraude met de kinderopvangtoeslag zijn geregeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regeling (Awir) en worden per 1 januari 2013 bij recidive verhoogd naar maximaal 150% van het benadelingsbedrag. Deze wijziging wordt geregeld in de Overige Fiscale Maatregelen die meeloopt bij het Belastingplan 2013. Wij zullen met de Belastingdienst overleggen welke mogelijkheden er zijn om in de toekomst hierover gegevens op te nemen.

Vraag 371

Wat zijn de beoogde kwaliteitseffecten, die de regering voorstaat op het gebied van kinderopvang? Kan de regering deze kwaliteitseffecten uitdrukken in meetbare doelstellingen?

Antwoord

De doelstellingen op het gebied van kwaliteit staan in de «Kwaliteitsagenda kinderopvang» die de toenmalige minister van SZW in maart 2012 aan de Kamer heeft gestuurd. Met deze agenda hebben alle betrokkenen de ambitie om de pedagogische kwaliteit op een hoger plan te brengen. In het regeerakkoord is aangegeven dat het kabinet nog een extra impuls wil geven aan de taalvaardigheden van beroepskrachten. Dit zal nader worden uitgewerkt. In het volgende NCKO-onderzoek zal de ontwikkeling van de kwaliteit kwantitatief worden gemonitord.

Vraag 372

Welke financiële bijdrage levert de rijksoverheid aan De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) in het kader van het pensioentoezicht?

Antwoord

DNB en AFM ontvangen een overheidsbijdrage van circa € 40 miljoen voor de kosten van het toezicht. Dit is een forfaitair bedrag voor het geheel van de toezichtstaken. In het regeerakkoord is het voornemen opgenomen deze bijdrage vanaf 2015 te beëindigen. Vanaf dat moment komen de kosten volledig bij de (pensioen)sector te liggen.

Vraag 373

Hoeveel pensioenfondsen zijn er op dit moment in Nederland? Wat is het verloop in de afgelopen vijf jaar? Hoe is de verdeling naar opf-en, bpf-en en beroepspensioenfondsen?

Antwoord

DNB had aan het eind van het derde kwartaal van dit jaar 422 pensioenfondsen onder toezicht. Daaronder bevonden zich 334 ondernemingspensioen- of spaarfondsen en 12 beroepspensioenfondsen. Aan het eind van het derde kwartaal van 2007 stonden 726 fondsen onder toezicht, waaronder 616 ondernemingspensioen- of spaarfondsen en 13 beroepspensioenfondsen.

Vraag 374

Wat is de hoogte van een gemiddeld pensioen?

Antwoord

In 2010 bedroeg volgens CBS-gegevens het gemiddelde aanvullende pensioen € 12 700 per jaar. Dit gemiddelde is genomen over alle personen met een aanvullend pensioen.

Vraag 375

Hoe hoog is het bedrag dat in de derde pijler wordt gespaard voor pensioen?

Antwoord

Het is niet mogelijk aan te geven om welke bedragen het hierbij gaat. Sommige besparingen zijn onmiskenbaar bedoeld voor de oudedagsvoorziening, zoals een lijfrente. Andere vormen van vermogensvorming, zoals spaargelden of het eigen huis, kunnen daaraan niet ondubbelzinnig worden toegeschreven, terwijl ze wel die functie kunnen hebben.

Vraag 376

Wat zijn de effecten van een versnelde invoering van de AOW zoals deze in het deelakkoord is aangekondigd?

Antwoord

De AOW-gerechtigde leeftijd gaat van 2016 t/m 2021 versneld stijgen ten opzichte van het begrotingsakkoord. Concreet betekent dit dat de AOW-gerechtigde leeftijd in 2018 in plaats van in 2019 de 66 jaar bereikt, en in 2021 in plaats van in 2023 doorstijgt naar 67 jaar. Daarna wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de gemiddelde resterende levensverwachting, zoals ook al in het begrotingsakkoord was afgesproken. Of deze koppeling al in 2022 of 2024 wordt ingezet, wordt nog nader bepaald. Er is dus geen structureel verschil met het begrotingsakkoord.

De additionele besparing van de versnelde AOW-leeftijdsverhoging is € 150 miljoen in 2017. Personen die in 2017 de 65-jarige leeftijd bereiken ontvangen maximaal 3 maanden later een AOW-uitkering dan conform het begrotingsakkoord.

Vraag 377

Wat is de laatste stand van zaken rondom de gerechtelijke procedure(s) in verband met de MKOB?

Antwoord

De rechtbank Haarlem heeft in april 2012 in een aantal zaken een uitspraak gedaan met betrekking tot de MKOB. Naar het oordeel van de rechtbank is de MKOB geen fiscale maatregel, maar een uitkering bij ouderdom die valt onder de werkingssfeer van Verordening 883/2004 (EU) en sociale zekerheidsverdragen. De SVB is hiertegen in hoger beroep gegaan en is in afwachting van de uitspraak.

Vraag 378

Hoeveel personen, geboren na 31 december 1947, maken gebruik van een vut- of pre-pensioen uitkering in 2013 en hebben een inkomen hoger dan 150% van het minimumloon?

Antwoord

In 2013 zijn er naar eerste inschatting op basis van steekproefgegevens circa 80 000 personen die per 1-1-2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling en die datzelfde jaar de leeftijd van 65 jaar bereiken. Hiervan heeft circa 70% (50 à 60 000 personen) een huishoudinkomen hoger dan 150% van het minimumloon. Bij het CBS zijn preciezere gegevens op dit punt uitgevraagd.

Vraag 379

Hoe hoog is de gemiddelde korting op het pensioen indien een pensioen respectievelijk met 1, 2, 3, 6, 9, 12, 16, 20, 24 maanden eerder wordt opgenomen?

Antwoord

Het kortingspercentage dat wordt gehanteerd bij eerdere ingang van het pensioen hangt af van de specifieke actuariële kenmerken van een fonds. Globaal kan worden uitgegaan van ongeveer 8% per volledig jaar dat het pensioen vervroegd wordt opgenomen.

Vraag 380

Private verzekeringen, die in het verleden zijn afgesloten, zoals een nabestaandenuitkering, WIA- en WAO-hiaatverzekeringen, arbeidsongeschiktheidspensioenen en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen kennen een eindleeftijd van 65 jaar. Hoeveel personen hebben een private verzekering, die tot uitkering is gekomen voor 2013 en wat is het geschatte benodigde bedrag om dit inkomensgat te dichten?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 383.

Vraag 381

De regering zal vanzelfsprekend uit het oog van betrouwbaar bestuur en zorgvuldige wetgeving een afwezig hebben gemaakt of verzekerden, de verzekeraars of de overheid verantwoordelijk zijn voor het inkomensgat bij private verzekeringen. Kan de regering toelichten welke afwegingen hierbij zijn gemaakt en op basis waarvan de huidige keuze tot stand is gekomen?

Antwoord

In het regeerakkoord is afgesproken om voor mensen die per 1 januari 2013 nu reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling, en zich niet hebben kunnen voorbereiden op de AOW leeftijdsverhoging, vanaf 2013 een overbruggingsregeling te ontwerpen. De vraag of ook mensen met een private Anw-hiaatverzekering of arbeidsongeschiktheidsverzekering hierop een beroep kunnen doen betreft de vormgeving van deze regeling. Daarop zal het kabinet bij de uitwerking van de regeling terugkomen.

Vraag 382

Bij vut- en prepensioen regelingen is er een overgangsregeling voor personen met een inkomen dat lager is dan 150% van het minimumloon. Heeft de regering overwogen een overgangsregeling voor privaat verzekerden te introduceren? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 106.

Vraag 383

Hoeveel personen, geboren na 31 december 1947 hebben een inkomen uit een private verzekering die als einddatum 65 jaar kent in 2013?

Antwoord

Deze gegevens zijn niet beschikbaar. Het verbond van verzekeraars schat het aantal zelfstandigen dat een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft afgesloten op 7 000.

Vraag 384

Hoeveel personen, geboren na 31 december 1947 hebben een inkomen uit een private verzekering die als einddatum 65 jaar kent in 2016?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 383.

Vraag 385

Hoeveel personen, geboren na 31 december 1947 hebben een inkomen uit een private verzekering die als einddatum 65 jaar kent in 2018?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 383.

Vraag 386

Hoeveel personen, geboren na 31 december 1947 hebben een inkomen uit een private verzekering die als einddatum 65 jaar kent in 2021?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 383.

Vraag 387

Kan de regering een overzicht geven van alle inkomensverzekeringen, waarbij een contractuele eindleeftijd van 65 jaar geldt?

Antwoord

De groep van inkomensverzekeringen, waarbij een contractuele eindleeftijd van 65 jaar geldt, is zeer divers. Zo zijn er private arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, private Anw-hiaatverzekeringen, private WIA/WGA-hiaatverzekeringen en lijfrentes. Een uitputtend overzicht van private inkomensverzekeringen is niet te geven. De verzekering is immers een afspraak tussen de verzekeraar en de verzekerde. De overheid is hierbij geen contractspartij.

Vraag 388

De introductie van de VUT ertoe heeft ertoe geleid dat het arbeidsongeschiktheidsrisico minder verbonden is met de leeftijd. Welke gevolgen heeft de extreem snelle verhoging van de AOW-leeftijd op de toekomstige WIA instroom?

Antwoord

De snellere verhoging van de AOW-leeftijd zal ertoe leiden dat personen ouder dan 65 jaar de WIA kunnen instromen. Dit kan ertoe leiden dat de toekomstige WIA-instroom toeneemt. Op de WIA-lasten zal dit effect overigens niet zo groot zijn, omdat deze personen kort na WIA-instroom pensioneren.

Vraag 389

Hoeveel ondernemingspensioenfondsen zijn het afgelopen jaar geliquideerd en hoeveel pensioenregelingen zijn ondergebracht bij private verzekeraars?

Antwoord

In de periode van 1 januari 2011 tot 1 november 2012 zijn 98 ondernemingspensioenfondsen geliquideerd. Van 66 fondsen zijn de aanspraken bij verzekeraars ondergebracht.

Vraag 390

Wat betekent het liquideren van ondernemingspensioenfondsen voor de pensioenrechten van de desbetreffende werknemers en wat zijn de gevolgen voor de pensioenlasten van werkgever?

Antwoord

Als een pensioenfonds geliquideerd wordt en de regeling wordt ondergebracht bij een verzekeraar betekent dat dat de reeds opgebouwde pensioenaanspraken van de betreffende werknemers ook worden overgedragen aan de verzekeraar. Bij liquidatie gaan de aanspraken (en rechten) over naar ofwel een verzekeraar ofwel een andere pensioenuitvoerder.

In zijn algemeenheid kan niet worden aangegeven wat de gevolgen zijn voor de pensioenlasten van de werkgever, omdat de financiële consequenties onder meer afhankelijk zijn van de vraag of er wijzigingen komen in de pensioenregeling van de werkgever.

Vraag 391

Hoeveel premiepensioeninstellingen (PPI’s) zijn er op dit moment actief?

Antwoord

Er zijn inmiddels 8 PPI’s die een vergunning hebben verkregen.

Vraag 392

Wat is de verdeling tussen Nederlandse en buitenlandse bedrijven die zich door PPI’s laten bedienen?

Antwoord

Wij beschikken niet over klantinformatie van een PPI. Het is daarom niet mogelijk aan te geven hoe de verdeling tussen Nederlandse en buitenlandse klanten van een PPI is.

Vraag 393

Kan de regering toelichten hoeveel personen naar de verwachting in 2013 en verder een beroep zullen doen op overbruggingsregeling voor de AOW-leeftijd?

Antwoord

In 2013 gaat het naar verwachting om circa 15 000–20 000 personen die per 1-1-2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling en die voldoen aan de inkomenseis van 150% WML en de geldende partner- en vermogenstoets. Dit aantal neemt in de loop der tijd af tot slechts enkele duizenden in 2017.

Vraag 394

Wat was de oorspronkelijke raming (qua aantal personen) ten tijde van het begrotingsakkoord met betrekking tot het hogere beroep op de bijstand als gevolg van de verhoging van de AOW-leeftijd uit dat begrotingsakkoord?

Antwoord

De verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd uit het begrotingsakkoord leidt in 2013 tot een verwachte toename van het aantal uitkeringsjaren in de bijstandsregelingen (WWB/IOAW/IOAZ) van circa 700. Dit betekent dat er ruim 8 000 huishoudens in 2013 één maand (en de jaren daarna meerdere maanden) langer een beroep doen op de bijstand.

Vraag 395

Kan de regering nader ingaan op de (fiscaal-)technische consequenties van het voornemen om het opbouwpercentage in het Witteveenkader, zoals vastgelegd in het regeerakkoord, te verlagen naar 1,75%?

Antwoord

De precieze fiscaal-technische consequenties komen aan de orde in een wetsvoorstel van de staatssecretaris van Financiën die deze aanpassing regelt. In het algemeen geldt dat pensioenfondsbesturen op grond van de Pensioenwet de premie dienen vast te stellen. De Pensioenwet eist van deze besturen dat zij daarbij een evenwichtige afweging van belangen maken. Deze evenwichtige belangenafweging zal ook gevolgen kunnen hebben voor de premiestelling door individuele pensioenfondsbesturen bij een inperking van het Witteveenkader. Het is moeilijk in zijn algemeenheid hierover op dit moment uitspraken te doen. Binnen de fiscale kaders geldt de omkeerregel waardoor de premie in beginsel niet wordt belast. Als de regeling als fiscaal bovenmatig wordt aangemerkt, wordt de pensioenregeling onzuiver. Een onzuivere regeling komt niet voor facilitering in aanmerking.

Vraag 396

Kan het zo zijn dat ondanks de verlaging van het opbouwpercentage, de premies niet omlaag gaan? Zo ja, hoe werkt dit vanuit het oogpunt van de fiscaliteit? Kan het zo zijn dat er over een bepaald deel van de betaalde premie wel belasting moet worden betaald?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 395.

Vraag 397

Wanneer kan de Kamer het toegezegde onderzoek over een pensioenfonds voor zzp'ers tegemoet zien?

Antwoord

Het onderzoeksrapport is zo goed als afgerond en zal binnenkort, voorzien van een kabinetsreactie, aan uw Kamer worden gestuurd.

Vraag 398

Op basis van welk wetsvoorstel wordt de AOV-leeftijd in Caribisch Nederland verhoogd? Waarom is er gekozen voor maximaal 65 jaar?

Antwoord

De leeftijdsverhoging AOV is vervat in de Wet algemene ouderdomsverzekering BES zoals die sinds 1 januari 2011 geldt. Artikel 39a van de wet regelt het invoeringsschema van de stapsgewijze leeftijdsverhoging naar 65 jaar, overeenkomstig de afspraken die vóór de transitie met de toenmalige bestuurders van de eilanden van Caribisch Nederland zijn gemaakt. Verdergaande verhoging is vooralsnog niet afgesproken, gelet op de geheel andere uitgangspositie en context van Caribisch Nederland. Gezien de fase waarin beleid en uitvoering in Caribisch Nederland zich nu bevinden – en de rijksbrede afspraak van een periode van legislatieve rust – zijn verdergaande stappen ten aanzien van de AOV-leeftijd op dit moment niet aan de orde.

Vraag 399

Wanneer treedt het wetsvoorstel Koşer-Kaya/Blok in werking?

Antwoord

Het is de bedoeling het wetsvoorstel versterking bestuur pensioenfondsen, wanneer dit op korte termijn door de Tweede Kamer en de Eerste Kamer zal zijn aanvaard, zo spoedig mogelijk in werking te laten treden. Het wetsvoorstel Koser-Kaya/Blok is meegenomen in dit wetsvoorstel. Dit voorkomt dat de pensioensector kort achter elkaar wordt geconfronteerd met twee wetten, die beide hetzelfde beogen, namelijk versterking van het bestuur van pensioenfondsen.

Vraag 400

Op welke wijze is in de begroting rekening gehouden met de voorgenomen keuze ten aanzien van de te hanteren rekenrentes voor pensioenfondsen?

Antwoord

Pensioenfondsen vallen onder de verantwoordelijkheid van sociale partners en financiële stromen van en naar pensioenfondsen komen daarom niet voor op de SZW-begroting. De voorgenomen keuze ten aanzien van de te hanteren rekenrente heeft dan ook geen directe gevolgen voor de uitgaven op de SZW-begroting.

Vraag 401

Hoe hoog is de jaarlijkse premie-inleg voor pensioenen?

Antwoord

Over 2011 hadden de pensioenfondsen volgens gegevens van DNB in totaal € 29 miljard premie-inkomsten.

Vraag 402

Hoe hoog is de jaarlijkse premie-uitgave voor pensioenen?

Antwoord

Over 2011 keerden de pensioenfondsen volgens gegevens van DNB in totaal € 24,5 miljard aan pensioenen uit.

Vraag 403

Hoeveel personen gaan jaarlijks met pensioen?

Antwoord

De meest actuele gegevens van het CBS hebben betrekking op de periode september 2010 tot september 2011. In deze periode zijn ruim 75 000 werknemers van 55 jaar of ouder met pensioen gegaan, met inbegrip van degenen die gebruik hebben gemaakt van VUT-regelingen of vroegpensioen.

Vraag 404

Wat is het gemiddelde rendement van de pensioenfondsen van de afgelopen vijf jaar?

Antwoord

Over de periode 2007 tot en met 2011 bedroeg het gemiddelde rendement van de pensioenfondsen 3,1%.

Vraag 405

Wat is het gemiddelde rendement van de pensioenverzekeraars de afgelopen vijf jaar?

Antwoord

Het is uit de informatie die DNB ter beschikking staat niet goed mogelijk het rendement op bij pensioenverzekeraars ondergebrachte pensioenregelingen te isoleren van dat op andere producten van een levensverzekeringsmaatschappij.

Vraag 406

Hoe komt het dat de «Uitkeringslasten MKOB» bijna verdubbelen in 2012 ten opzichte van 2011?

Antwoord

De MKOB bestaat pas sinds juni 2011. De uitkeringslasten in 2011 beslaan dus uitsluitend de maanden juni t/m december, terwijl de uitkeringslasten in 2012 een geheel jaar beslaan.

Vraag 407

Waarom dalen de lasten bij «Uitkeringslasten MKOB» amper van 2012 tot 2013 en gaan de lasten weer stijgen na 2013 terwijl de MKOB verlaagd is en het volume amper toeneemt?

Antwoord

Per 1 januari 2013 daalt het MKOB-bedrag met € 75 op jaarbasis, ten gevolge van de Wet Uniformering Loonbegrip. Enerzijds dalen de uitkeringslasten MKOB door deze verlaging in 2013 met ruim 18,5%. Anderzijds veroorzaakt de stijging van het MKOB-volume in 2013 een stijging van de uitkeringslasten met een kleine 3%. Dit resulteert in een daling van de uitkeringslasten MKOB met circa 16%.

In 2014 stijgt het MKOB-volume wederom met een kleine 3%, evenals de uitkeringslasten.

Vraag 408

Hoe vindt de opbouw van de AOV op Caribisch Nederland plaats?

Antwoord

De AOV wordt op jaarbasis opgebouwd met 2% per kalenderjaar.

Vraag 409

Bouwen mensen die in Nederland wonen, maar in het buitenland werken AOW op?

Antwoord

In het algemeen bouwen mensen die in Nederland wonen maar in het buitenland werken geen AOW-rechten op. Deze groep personen is in de regel verzekerd in het land waar gewerkt wordt. Hier zijn uitzonderingen op. Bijvoorbeeld wanneer een werknemer door zijn Nederlandse werkgever voor een beperkte periode in het buitenland wordt tewerkgesteld (detachering). Dan bouwt die persoon wel AOW-rechten op.

Vraag 410

Vanaf welk jaar wordt de AOW-leeftijd in het regeerakkoord gekoppeld aan de levensverwachting? Is dit in 2022 of in 2024?

Antwoord

In het regeerakkoord is afgesproken dat de AOW-leeftijd na 2015 sneller wordt verhoogd. Hierdoor wordt in 2018 de AOW-leeftijd 66 jaar en in 2021 67 jaar. Daarna wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de gemiddelde resterende levensverwachting, zoals ook al in het begrotingsakkoord was afgesproken. Of deze koppeling al in 2022 of 2024 wordt ingezet, wordt nog nader bepaald. Desalniettemin zal de AOW-leeftijd structureel niet afwijken van de afspraken in het begrotingsakkoord. De in het regeerakkoord afgesproken versnelling van de AOW-leeftijd zal in een wetsvoorstel worden uitgewerkt en aan de Tweede Kamer worden toegezonden.

Vraag 411

Hoeveel bedraagt de resterende levensverwachting bij 65 jaar in 2022?

Antwoord

Volgens de meest recente bevolkingsprognose van het CBS van december 2010 bedraagt de resterende levensverwachting bij 65 jaar in 2022 voor mannen en vrouwen respectievelijk 18,8 en 21,3 jaar.

In december 2012 publiceert het CBS een nieuwe bevolkingsprognose waarin deze verwachtingen mogelijk worden bijgesteld.

Vraag 412

De hoogte van het AOW-basispensioen is in de begroting zo geregeld dat alleenstaanden een uitkering van 70% van het WML en een duohuishoudens een uitkering van 50% van het WML ontvangen. Kan de regering toelichten hoe dit precies zit met huishoudens bestaand uit drie of meer personen, die allen AOW-gerechtigd zijn? Kan de regering een overzicht geven van de verschillende typen (meerpersoons) huishoudens en de bijbehorende uitkering?

Antwoord

De AOW kent op dit moment geen specifieke bepalingen of uitkeringsnormen voor meerpersoonshuishouden, waarbij meer dan twee meerderjarige personen in een huishouden wonen. In de praktijk heeft de SVB daarom beleid ontwikkeld met betrekking tot meerpersoonshuishoudens. De beleidsregels sluiten aan bij de wet en zijn mede gebaseerd op de bestaande rechtspraak. In de situatie van een meerpersoonshuishouden wordt eerst bepaald of het mogelijk is binnen het meerpersoonshuishouden twee personen aan te wijzen die aangemerkt zouden kunnen worden als gehuwd omdat zij de kosten met elkaar delen en zorg voor elkaar dragen. Deze twee personen krijgen dan elk de gehuwdennorm van 50%. Degene binnen het meerpersoonshuishouden, van wie echter niet kan worden vastgesteld dat deze als gehuwde kan worden aangemerkt, wordt beschouwd als alleenstaande en krijgt daarmee de uitkeringsnorm van 70%. Is het binnen een meerpersoonshuishouden niet mogelijk om twee personen specifiek aan te merken als gehuwd, bijvoorbeeld omdat de kosten door allen worden gedeeld (bijvoorbeeld drie zussen), dan wordt elk individu binnen het meerpersoonshuishouden aangemerkt als alleenstaande. Zij krijgen dan ieder de uitkeringsnorm van 70%.

Bij commerciële relaties, waarbij personen in één woning wonen maar het gebruik van de woonruimte en de huishouding een strikt zakelijk karakter hebben, bedraagt de uitkeringsnorm 70%.

Vraag 413

In 2015 wordt de partnertoeslag afgeschaft. Kan de regering toelichten hoe wordt voorzien in voorlichting over deze maatregel?

Antwoord

De afgelopen jaren is regelmatig gecommuniceerd over de afschaffing van de partnertoeslag AOW, via radio, advertenties en internet. De SVB heeft in 2009 brieven gestuurd aan de groep geboren vanaf 1950 tot 1956 waarbij kans op een jongere partner aanwezig is en waarin werd gewezen op het afschaffen van de partnertoeslag.

De informatie over de afschaffing van de partnertoeslag is dit jaar meegenomen in de communicatie over de verhoging van de AOW-leeftijd, om verwarring van boodschappen te voorkomen. Op dit moment loopt daar een campagne over via radio, advertenties en internet.

Vraag 414

Het aantal geconstateerde overtredingen en het benadelingsbedrag zijn met circa 50 procent toegenomen door extra aandacht aan sanctiebeleid. Wat zijn de voornaamste overtredingen, die zijn geconstateerd, en overweegt de regering tevens om met terugwerkende kracht te kijken?

Antwoord

De voornaamste overtredingen bij SVB betreffen het niet doorgeven van samenwonen en inkomen bij AOW, AIO, Anw. Overtredingen worden altijd met terugwerkende kracht hersteld, dat wil zeggen dat de uitkering wordt beëindigd of verlaagd met ingang van de wijziging in omstandigheden die er toe leidt dat de uitkering aangepast moet worden.

Vraag 415

Hoe groot is het totale pensioenvermogen?

Antwoord

Eind tweede kwartaal 2012 bedroeg volgens gegevens van DNB het totale vermogen van de pensioenfondsen € 856,5 miljard.

Vraag 416

Waarom geldt de overbruggingsregeling voor vroeggepensioneerden niet ook voor arbeidsongeschikten, die in dezelfde situatie verkeren?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 106.

Vraag 417

Wat zijn de meest actuele dekkingsgraden? Hoe groot is het tekort in euro's van pensioenfondsen gezamenlijk ten opzichte van de grens voor indexatie (130%)?

Antwoord

Eind oktober jl. bedroeg, onder toepassing van de momenteel gehanteerde UFR, de gemiddelde dekkingsgraad 101,3%. Om op een dekkingsgraad van 130% te zijn uitgekomen, zou het gezamenlijke vermogen van de fondsen indicatief € 240 miljard hoger geweest moeten zijn.

Vraag 418

Welk percentage van de werknemers zijn verzekerd via hun pensioenfonds voor het nabestaandenpensioen?

Antwoord

Uit gegevens van DNB blijkt dat 95% van de actieve deelnemers aan een pensioenfondsregeling via hun pensioenfonds is verzekerd voor het nabestaandenpensioen.

Nabestaandenpensioen in pensioenregelingen, 2012
 

Aantal (*1000)

In % van totaal

Totaal actieve deelnemers pensioenfondsen

5 823

100

Partnerpensioen in regeling

5 527

95

Partnerpensioen op risicobasis verzekerd

1 748

30

Partnerpensioen maar niet geldig bij ongehuwdheid of geen geregistreerd partnerschap

116

2

Bron: DNB.

Vraag 419

Welk percentage van de werklozen is niet langer verzekerd voor het nabestaandenpensioen via het pensioenfonds gedurende de werkloosheidsperiode?

Antwoord

Op grond van de gegevens in de tabel van antwoord 418 kan dit percentage bij benadering worden becijferd op circa 30%. Bij een partnerpensioen dat op risicobasis is verzekerd vervalt immers de aanspraak op een nabestaandenpensioen bij werkloosheid.

Vraag 420

Welk percentage van de werknemers is niet verzekerd voor het nabestaandenpensioen, omdat deze werknemers niet zijn getrouwd en geen samenlevingscontract hebben?

Antwoord

Uit de tabel van antwoord 418 blijkt dat 2% van de actieve deelnemers aan een pensioenregeling is uitgesloten omdat zij niet getrouwd zijn of geen samenlevingscontract hebben.

Vraag 421

Kan de regering een overzicht geven van de «witte vlekken» in het nabestaandenpensioen?

Antwoord

Het nabestaandenpensioen is niet meegenomen in het «witte vlekken» onderzoek dat door het CBS is uitgevoerd. Omdat 95% van de actieve deelnemers aan een pensioenregeling over een nabestaandenpensioen beschikt zal de witte vlek bij het nabestaandenpensioen niet veel afwijken van het beeld van de witte vlek bij het ouderdomspensioen.

Vraag 422

Kan de regering een koopkrachtplaatje laten zien van de inkomensgevolgen voor een huishouden wanneer een van de partners is overleden vóór de pensioengerechtigde leeftijd en de overgebleven partner nog niet pensioengerechtigd is?

Antwoord

De veranderingen zijn ingrijpend wanneer iemand in een gezin overlijdt, ook in financiële zin. De gevolgen zijn sterk afhankelijk van de specifieke situatie zodat het onmogelijk is hiervoor een representatief koopkrachtplaatje te presenteren. In zijn algemeenheid bestaan de inkomsten van een gezin waarvan de partner overlijdt uit de volgende componenten:

  • Allereerst zijn er inkomsten uit werk of een uitkering van de nabestaande.

  • Daarnaast kunnen nabestaanden recht hebben op een Anw-uitkering. Een deel van de overige inkomsten kunnen invloed hebben op de hoogte van de Anw-uitkering. Uitgezonderd zijn inkomsten uit een aanvullend nabestaandenpensioen, rente, dividend en spaartegoeden. Inkomsten uit arbeid, winst uit eigen onderneming of inkomen uit vervroegd pensioen worden gedeeltelijk verrekend. Inkomsten uit uitkeringen worden volledig verrekend met de Anw-uitkering.

  • Indien er de overleden persoon kinderen onder de 18 heeft, krijgen deze kinderen een halfwezenuitkering.

  • Indien de overleden partner pensioen opbouwde heeft de nabestaande recht op partnerpensioen dat is opgebouwd bij de ex-werkgever van de overleden partner.

  • Een mogelijke uitkering uit een overlijdensrisicoverzekering. In de praktijk is deze vaak verbonden aan een hypotheek.

  • De verschillende wijzigingen in het inkomen kunnen invloed hebben op de te betalen belastingen, heffingskortingen, en toeslagen van de overheid.

Vraag 423

Is het mogelijk om de kinderbijslag te stoppen binnen de EU? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Nee. In artikel 67 van de coördinatieverordening 883/2004 is voorgeschreven dat een persoon recht heeft op gezinsbijslag (daartoe wordt ondermeer de kinderbijslag gerekend) ook voor de gezinsleden die in een andere EU-lidstaat wonen. Kinderbijslag dient derhalve onder dezelfde voorwaarden te worden toegekend voor kinderen in Nederland als voor kinderen wonend in andere lidstaten van de EU.

Vraag 424

Wat zijn de demografische ramingen van het aantal kinderen voor de jaren 2012 t/m 2017?

Antwoord

Het ministerie van SZW maakt voor haar ramingen van de uitgaven aan kinderbijslag gebruik van prognosecijfers van het aantal kinderbijslagkinderen die door de SVB geleverd worden. De laatste raming voor 2012 en 2013 staat ook in de begroting 2013. De volgende tabel toont de raming van het aantal kinderbijslagkinderen in de periode 2012–2017.

Jaar

Aantal kinderbijslagtelkinderen (jaargemiddelde, x1 000)

2012

3 453

2013

3 435

2014

3 423

2015

3 408

2016

3 390

2017

3 371

Vraag 425

Hoe verhielden de ramingen van de geboortecijfers zich met de realisaties voor de jaren 2009, 2010 en 2011?

Antwoord

Zowel door het ministerie van SZW als de SVB wordt geen gebruik gemaakt van geboortecijfers voor het berekenen van de uitgaven aan kinderbijslag. Niet alle kinderen die geboren worden hebben recht op kinderbijslag. De volgende tabel toont een vergelijking van de raming van het aantal kinderbijslagtelkinderen in 2009, 2010 en 2011 ten tijde van de begroting 2010 (opgesteld in september 2009).

Jaar

Raming begroting 2010 (x1000)

Realisatie aantal kinderbijslagtelkinderen (jaargemiddelde, x 1000)

2009

3 491

3 495

2010

3 469

3 490

2011

3 448

3 484

Vraag 426

Is het waar dat de Sociale Verzekeringsbank regelingen uitvoert voor andere ministeries dan het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid? Betalen deze ministeries uitvoeringskosten voor deze regelingen aan de SVB? Zo ja, is dit kostendekkend? Zo nee, uit welk budget wordt in dat geval de uitvoering deze regelingen bekostigd?

Antwoord

De SVB voert ook enkele wetten en regelingen uit voor andere ministeries zoals het cliëntbeheer van toegelaten rechthebbenden tot de Wet uitkering vervolging oorlogsslachtoffers (Wuvo) voor de minister van VWS en de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom (TNS) voor de minister van BZK. De desbetreffende ministeries voorzien in een kostendekkende financiering van de uitvoeringskosten.

Vraag 427

Op pagina 90 vermeldt de regering een uitsplitsing van de toerekening naar kostenplaats (uitkeringssoort) voor het UWV en de SVB. Kan de regering dit ook uitsplitsen naar kostensoort (bijvoorbeeld afschrijving, ICT, huisvesting, loonkosten)?

Antwoord

Nee. De begroting van SZW bevat alleen uitgaven naar uitkeringsregelingen (wetten). Bij de jaarverantwoording van UWV en SVB wordt een toerekening naar kostensoort gegeven. De Kamer ontvangt deze informatie jaarlijks in mei.

Vraag 428

Uit tabel 11.3 blijkt dat de uitvoeringskosten voor de Wet Wajong in 2012 153 miljoen bedragen. Dat is 20 miljoen meer dan in 2011 en dan in de jaren na 2012. Hoe is die tijdelijke verhoging te verklaren? Hangt dit samen met de herindeling van het huidige Wajong-bestand? De regering wordt erop gewezen dat die laatste maatregel onderdeel uitmaakt van het door de Kamer controversieel verklaarde wetsvoorstel Werken naar Vermogen. Kan de regering een nadere onderbouwing geven van de opbouw van dit bedrag?

Antwoord

De hogere uitvoeringskosten Wajong in 2012 hangen inderdaad samen met de herindeling van het zittende bestand. Weliswaar is het wetsvoorstel Werken naar Vermogen door de Kamer controversieel verklaard; de hogere uitgaven worden verklaard door de kosten die het UWV in de eerste helft van 2012 (tot het moment van controversieel verklaren) reeds heeft gemaakt in verband met de herindeling. In de aansluitingstabel (tabel 2.1.3 van de begroting 2013) is de mutatie te vinden die als gevolg van het controversieel verklaren van de Wet Werken naar Vermogen is verwerkt.

Vraag 429

De tabellen 96.1, 96.2 en 96.3 geven een overzicht van de apparaatsuitgaven in euro's. Kan de regering deze ook aangeven in fte's?

Antwoord

Nee, alleen na afloop van het jaar is er informatie beschikbaar over het aantal fte’s. In het jaarverslag 2012 zal gerapporteerd worden over de bezetting ultimo 2012.

Vraag 430

Wat is de ontwikkeling van de apparaatsuitgaven in de afgelopen vijf jaar?

Antwoord

Het totaal van de apparaatsuitgaven (personeel, materieel, huisvesting, automatisering en bijdrage aan IWI) is opgenomen in onderstaande tabel (bedragen in € 1 000).

2007

2008

2009

2010

2011

270 944

267 102

264 673

263 410

249 208

Vraag 431

Kan de regering toelichten of de afname van de capaciteit van de Inspectie SZW als gevolg van de taakstelling gevolgen heeft voor het aantal inspecties met betrekking tot arbeidsmarktfraude en/of arbeidsomstandigheden?

Antwoord

In zijn brief aan de Tweede Kamer d.d. 14 maart 2011 (onze referentie BO/BA/2011/4198) heeft de toenmalige minister van SZW uiteen gezet hoe de taakstelling voor het toezicht wordt uitgewerkt.

In de brief is uiteen gezet dat per 1 januari 2012 de bundeling van de SZW-toezichthouders zou plaatsvinden. Dit heeft zijn beslag gekregen met de vorming van de Inspectie SZW, waar de voormalige Arbeidsinspectie, de Inspectie Werk en Inkomen en de Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst in zijn opgegaan. De vorming van de Inspectie SZW was een belangrijke voorwaarde om efficiënter te gaan werken, hetgeen heeft geleid tot een reductie van het aantal fte van de Inspectie met 33 fte.

De taakstelling heeft gevolgen gehad voor de uitvoering van de taken. Op basis van een risicoanalyse is bezien hoe met relatief beperkte maatschappelijke gevolgen het toezichtbereik beperkt zou kunnen worden.

Dit heeft er toe geleid dat de Inspectie SZW met 127 fte bijdraagt aan de taakstelling o.a. door selectiever onderzoek te doen naar ingediende klachten over arbeidsomstandigheden en gemelde bedrijfsongevallen en het aantal sectoren waar onderzoek gedaan wordt naar arbeidsomstandigheden, terug te brengen. Verder zal de Inspectie SZW haar inspanningen op het gebied van de handhaving van de WML herijken, omdat de wijziging van de regelgeving de bewijsvoering zal vereenvoudigen en handhaving minder bewerkelijk zal maken. Evenzo zal de bestuursrechtelijk afdoening van overtreding op het gebied van illegale tewerkstelling en het vrije verkeer van ingezetenen van de MOE-landen meebrengen dat de opsporingscapaciteit terug gebracht kan worden.

Vraag 432

Kan de regering toelichten hoe hoog het aantal arbeidsinspecteurs per werknemer is in Nederland?

Antwoord

De Inspectie rekent niet met het aantal arbeidsinspecteurs per werknemer. De capaciteit wordt op basis van risico-analyse daar ingezet waar de risico’s het grootst zijn en de naleving het laagst is. Dit is bijvoorbeeld het geval in sectoren waar sprake is van laaggeschoolde arbeid en waar kwetsbare groepen werken of bij notoire overtreders. Bedrijven waarvan geconcludeerd is dat zij zich aan de regels houden, zullen minder vaak worden geïnspecteerd. Dat maakt dat een percentage of cijfer van aantal arbeidsinspecteurs per werknemer geen correct beeld geeft over de inzet van de Inspectie.

Vraag 433

Het opsporen van fraude is één van de speerpunten voor 2013 van de Inspectie SZW. Kan de regering toelichten waarom het aantal geplande inspecties op het gebied van arbeidsmarktfraude in 2013 desondanks meer dan 10% lager ligt dan in 2011 (van 9 925 naar 8 330 inspecties)

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 211.

Vraag 434

Kan de regering toelichten hoe vaak een bedrijf in Nederland gemiddeld wordt geïnspecteerd door de Inspectie SZW?

Antwoord

Volgens het jaarplan 2013 gaat de Inspectie SZW in 2013 19 400 arbo-, 8 350 AMF- en 590 MHC-onderzoeken uitvoeren.

Totaal worden dus 28 340 onderzoeken uitgevoerd. Dit is overigens niet gelijk aan het inspecteren van 28 340 bedrijven. Een belangrijke pijler van de Inspectie SZW is het risicogericht werken. Dit betekent dat de keuze waar te gaan inspecteren ingegeven wordt door de vraag waar de grootste risico’s zijn. Dit heeft mede tot gevolg dat deze inspecties zich zullen concentreren bij bedrijven waarvan verwacht wordt dat er een of meerdere overtredingen aan zullen worden getroffen. Daarnaast zullen de bedrijven waarvan bekend is dat zij zich aan de regels houden, minder vaak bezocht worden. Een gemiddelde geven is dus lastig en zal een vertekend beeld van de werkelijkheid geven.

Vraag 435

In tabel 99.1 is te zien dat de onvoorziene uitgaven vanaf 2013 buitensporig oplopen. Kan de regering dit verklaren en nader toelichten? Kan de regering deze uitgaven nader specificeren?

Antwoord

De onvoorziene uitgaven lopen op ten opzichte van 2012, omdat in 2012 de onvoorziene uitgaven inmiddels gedaan zijn en het budget dat niet nodig bleek is ingeleverd bij het ministerie van Financiën. Inmiddels is ook de resterende € 8,5 miljoen ingeleverd bij het ministerie van Financiën. Op artikel 99 staan middelen gereserveerd die later nog verdeeld moeten worden, zoals loon- prijsbijstellingen, nog in te vullen taakstellingen en middelen voor de uitvoering van beleid waarover nog geen overeenstemming is met een uitvoeringsinstantie over hoeveel het zou moeten kosten. Middelen die nodig blijken te zijn voor het specifieke doel waarvoor ze gereserveerd zijn, blijven staan op de post onvoorziene uitgaven om budgettaire risico’s (tot op zekere hoogte) mee af te dekken.

Vraag 436

Waarom fluctueren de onvoorziene kosten zo door de tijd?

Antwoord

De post onvoorziene uitgaven fluctueert door de tijd, omdat dit een stelpost is van allerlei budgettaire reeksen die niet per definitie vlak verlopen. Met name door kasschuiven die gedaan zijn fluctueert het verloop van de onvoorziene uitgaven.

Vraag 437

Kan de regering nader toelichten waarom ervoor wordt gekozen om in de begroting een reorganisatievoorziening op te bouwen? Wat maakt dat er sprake is van een negatief saldo?

Antwoord

Het Agentschap SZW valt onder de regeling agentschappen 2012 (Staatscourant, nr. 20668) en dient bij de jaarverslaggeving bij het vormen van een voorziening uit te gaan de wettelijke voorschriften zoals als die vermeld staan in boek 2 van Burgerlijk Wetboek , Titel 9. Daarin zijn de voorwaarden opgenomen wanneer er een voorziening in de balans dient te worden opgenomen. Er is hier geen sprake van een keuze maar van een wettelijke verplichting.

Er is sprake van een negatief saldo indien de baten (opbrengsten) lager zijn dan de lasten (kosten). De belangrijkste oorzaak van dit negatieve saldo is de dotatie van € 2,235 miljoen aan de voorzieningen.

Vraag 438

Hoe reëel is de verwachting dat wordt afgezien van de uitvoering van de ESF-programmaperiode 2014–2020? Welke factoren spelen hierbij een rol?

Antwoord

Met de zinsnede dat wordt afgezien van de uitvoering van de ESF-programmaperiode 2014–2020 wordt geen verwachting uitgesproken. Het gaat er hier om dat er op dit moment geen duidelijkheid is of er een nieuwe programmaperiode (2014–2020) komt en als die er komt of het Agentschap SZW deze dan zal uitvoeren. Daarnaast is ook de omvang hiervan nog niet bekend.

De factoren die een rol spelen zijn:

  • Komt er een nieuwe programmaperiode?

  • Wat is de financiële omvang van de nieuwe programmaperiode?

  • Gaat het Agentschap SZW de uitvoering van deze nieuwe programmaperiode op zich nemen?

Vraag 439

Waarom heeft de eigenaar het eigen vermogen in 2011 afgeroomd met een bedrag van 0,375 miljoen euro?

Antwoord

Het eigen vermogen, inclusief het onverdeeld resultaat 2010, bedraagt € 1 084 000 (exclusief bestemmingsreserve). Deze stand is hoger dan de zogenaamde 5%-norm (maximaal eigen vermogen = 5% van de gemiddelde omzet van de laatste drie jaren). Het maximaal aan te houden eigen vermogen bedraagt ultimo 2010 conform de 5% norm € 863 000 (2009: € 826 000). Bij de eerstvolgende suppletoire wet dient te worden aangegeven op welke wijze de overschrijding ad. € 221 000 binnen het begrotingsjaar 2011 wordt hersteld (art. 19.2 Regeling baten-lastendiensten 2007). De eigenaar van het Agentschap SZW heeft begin februari 2011 besloten het eigen vermogen met in totaal € 375 000 af te romen. Hiermee wordt de overschrijding van de 5%-norm in het begrotingsjaar 2011 hersteld.

Vraag 440

Op welke wijze wordt ervoor zorg gedragen dat het aantal geheel of deels gegronde beroepsprocedures van 38 procent in 2011 zal afnemen naar 22 à 20 procent waarmee wordt voldaan aan de kwalitatieve prestatie-eisen?

Antwoord

Het Agentschap SZW gaat er vanuit dat het aantal geheel of deels gegronde beroepsprocedures van 38% in 2011 een uitschieter (trendbreuk) betreft en dat er geen speciale maatregelen nodig zijn. Bovendien is het aantal (hoger) beroepsprocedures relatief gering (2011: 34) zodat elke gegronde procedure een impact heeft van 3% afwijking.

Vraag 441

Welke hoogte van de AWf-premie heeft het UWV geadviseerd?

Antwoord

Het UWV heeft wettelijk geen taak om te adviseren over de premie AWf.

Het UWV heeft wel in de Juninota 2012 een zogenaamde calculatiepremie opgenomen van 4,14% voor 2013. Dit is een premie bij een neutrale exploitatiepositie van het fonds in 2013. Het kabinet heeft de premie vastgesteld op 1,7% voor 2013 en daarbij de tekorten in dit fonds geaccepteerd. Deze tekorten worden door het Rijk aangevuld via het geïntegreerde middelenbeheer tussen sociale fondsen en het Rijk.

Vraag 442

Wat valt er precies onder de 8,689 miljard bij Uitkeringen/Verstrekkingen onder de WAO en wat valt er precies onder de 9,569 miljard bij Uitkeringen/Vertrekkingen onder de WW?

Antwoord

Onder de WAO-fondsen vallen de uitkeringslasten van de premiegefinancierde arbeidsongeschiktheidsregelingen (WAO, WIA (IVA en WGA), WAZ en re-integratie) minus het vangnet WGA. Zie in de tabel hieronder voor een uitsplitsing.

WAO fondsen (x € 1 mln)

2013

WAO uitkeringslasten

5 742

IVA uitkeringslasten

1 000

WGA uitkeringslasten

1981

WAZ uitkeringslasten

216

WAO uitkeringslasten nominaal

100

IVA uitkeringslasten nominaal

17

WGA uitkeringslasten nominaal

39

WAZ uitkeringslasten nominaal

4

reintegratie uitkeringslasten

102

reintegratie uitkeringslasten nominaal

1

/- Vangnet WGA

513

Uitkeringen totaal

8 689

Onder de WW-fondsen vallen de uitkeringslasten van de WAZO, WW, vangnet ZW, re-integratie WW en het vangnet WGA. Zie in de tabel hieronder voor een uitsplitsing.

WW fondsen (x € 1 mln)

2013

Zwangerschaps/bev. verlof  uitkeringslasten

1 197

Zwangerschaps/bev. verlof  uitklsten nominaal

30

WW uitkeringslasten

6 070

WW uitkeringslasten nominaal

149

Vangnet ZW uitkeringslasten

1 570

Vangnet ZW uitkeringslasten nominaal

40

Re-integratie WW

0

Re-integratie WW nominaal

0

Vangnet WGA

513

Uitkeringen totaal

9 569

Vraag 443

Hoeveel miljard gaat er per sociale verzekeringsfonds naar de ZW, de WGA, de WW en de overige uitkeringen?

Antwoord

De uitkeringsbedragen per fonds en naar regeling zijn in 2013 als volgt.

Fonds

Regeling

Uitkeringsbedragen 2013 (€ mld)

Sectorfonds

ZW

0.6

 

WGA

0.5

 

WW

2.5

 

Totaal Sfn

3.7

AWf

ZW (incl. WAZO)

1.9

 

WGA

-

 

WW

3.4

 

Totaal AWf

5.3

Ufo

ZW (incl. WAZO)

0.3

 

WGA

0

 

WW

0.3

 

Totaal Ufo

0.7

Totaal € 9,6 miljard

Vraag 444

Kan de regering de ontvangen WW-premies uitsplitsen naar de ontvangen bedragen in het AWf en in de sectorfondsen?

Antwoord

De premiebaten van het AWf in 2013 bedragen € 2,8 miljard en de premiebaten van de sectorfondsen in 2013 bedragen € 5,3 miljard. Om op het bedrag aan WW-premies te komen dat in tabel 4.3.3 van de begroting 2013 staat moeten hier nog de premiebaten Ufo bij worden opgeteld en de inkomensoverdrachten van worden afgetrokken.

Vraag 445

Kan de regering toelichten welke bedragen werden betaald door het AWf en welke door de sectorfondsen?

Antwoord

De totale uitgaven van het AWf, Ufo en de sectorfondsen samen bedraagt € 12,2 miljard. Het grootste gedeelte van de uitgaven betreft uitkeringen (€ 9,6 miljard). De sectorfondsen betalen 40% van de uitkeringen, het AWf 53% en het Ufo de rest. De overige uitgaven bestaan uit uitvoeringskosten en onderlinge betalingen.

Vraag 446

Waaruit bestaat het bedrag van circa 1 miljard uitvoeringskosten WW? Kan de regering dit uiteenzetten? Hoe hoog was dit bedrag de afgelopen vijf jaar?

Antwoord

In tabel 4.3.2 en 4.3.3 (bijlage 4.3) zijn de premiegefinancierde uitgaven weergegeven op fondsniveau. De in deze tabellen weergegeven uitvoeringskosten betreffen de uitvoeringskosten die worden toegerekend aan deze fondsen. Daarbij zijn bij de WW de aan de werkloosheidsfondsen (het Algemeen Werkloosheidsfonds, de sectorfondsen en het Uitvoeringsfonds voor de Overheid) toegerekende uitvoeringskosten samengevoegd.

Dit is niet hetzelfde als de uitvoeringskosten die samenhangen met de uitvoering van de werkloosheidswet. De uitvoeringskosten WW zijn weergegeven in tabel 11.3 van de begroting. Het verschil wordt verklaard doordat uit de drie fondsen meer dan alleen WW-uitkeringen worden gefinancierd. Het gaat om:

  • Algemeen Werkloosheidsfonds: WW (na zes maanden), ZW (deel), WAZO en re-integratie;

  • Sectorfondsen: WW (1e zes maanden), ZW (deel), WGA (deel);

  • Uitvoeringsfonds voor de overheid: WW, ZW, WAZO en WGA voor (ex-)overheidspersoneel.

Onderstaande tabel geeft een meerjarig overzicht.

(bedragen x € 1 mln)

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Uitvoeringskosten WW-fondsen

936

792

1 022

911

951

932

1 031

Vraag 447

Wat is het vermogen in de laatste vijf jaar van het Awf en de in de laatste vijf jaar van de sectorfondsen?

Antwoord

Vermogenspositie sociale fondsen

(x € 1 mln)

2007

2008

2009

2010

2011

AWf

7 138

9 148

6 308

2 451

-859

Sectorfondsen

518

383

-600

-943

-754

Bron: UWV

Vraag 448

De spreiding in het koopkrachtbeeld wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door de Wet Uniformering loonbegrip. Kan de regering dit nader toelichten aan de hand van concrete voorbeelden?

Antwoord

In de brief van de staatssecretaris van Financiën van het vorige kabinet van 20 juni 2012 (EK, 2011–2012, 32 131, nr. F.) is een actualisatie gegeven van de effecten van de wet uniformering loonbegrip. Het vorige kabinet heeft ervoor gekozen om de wet uniformering loonbegrip verspreid in te voeren in 2012 en 2013. In 2012 is de inkomensgrens waarover de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW wordt geheven, verlegd van circa € 34 000 tot circa € 50 000. Hierdoor kon de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW met 0,8% worden verlaagd. In 2013 gaan de overige elementen van de wet in. Onderstaande tabel laat de inkomenseffecten van de wet zien voor de 18 standaard huishoudens, en laat daarbij het afzonderlijke effect zien voor 2012 en 2013. De tabel laat zien dat de wet een spreiding tot gevolg heeft tussen huishoudens, en tussen 2012–2013.

Tabel: effecten uniformering loonbegrip

Actieven:

2012

2013

Totaal

Alleenverdiener met kinderen

     

modaal

½

½

1 ¼

2 x modaal

– 1

¼

– ¾

       

Tweeverdieners

     

modaal + ½ x modaal met kinderen

½

– ¼

¼

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

– ¾

– ¼

– 1

modaal + modaal zonder kinderen

½

¾

1 ¼

2 x modaal + modaal zonder kinderen

– ½

½

0

       

Alleenstaande

     

minimumloon

½

– 1 ½

– 1

modaal

½

¾

1 ½

2 x modaal

– 1 ¼

½

– ¾

       

Alleenstaande ouder

     

minimumloon

0

– ¼

– ¼

modaal

½

½

¾

       

Inactieven:

     

Sociale minima

     

paar met kinderen

½

– ¾

– ½

alleenstaande

½

– 1 ¼

– ¾

alleenstaande ouder

½

– 1

– ½

       

AOW (alleenstaand)

     

(alleen) AOW

¼

0

¼

AOW +10000

¾

– 1 ½

– ¾

       

AOW (paar)

     

(alleen) AOW

½

1

1 ¼

AOW +10000

¾

– 1

– ¼

De spreiding van effecten van uniformering loonbegrip heeft overigens ook effecten op de ontwikkeling van de bijstandsnormen waardoor in 2012 een positief koopkrachteffect optreedt en in 2013 eenmalig de bijstand negatief wordt beïnvloed. De bijstandsuitkeringen zullen, ondanks de koppeling aan de lonen, per 1 januari eenmalig nominaal dalen. Voor een paar gaat het om een daling van circa € 15 netto per maand inclusief vakantiegeld. Voor de beoordeling van de koopkrachtontwikkeling van deze groep kan overigens niet naar het separate effect van uniformering loonbegrip in 2013 worden gekeken, maar moet gekeken worden naar het integrale koopkrachtbeeld zoals gepresenteerd in de begroting. Hieruit blijkt dat de totale koopkracht van uitkeringsgerechtigden, net als van de meeste Nederlanders in 2013 daalt, maar dat deze ontwikkeling in lijn is met het algemene beeld van de koopkrachtontwikkeling.

Vraag 449

Kan de regering inzicht bieden in het effect van het deelakkoord dat PvdA en VVD hebben gesloten op de armoedeval (werkloosheidsval, herintredersval en deeltijdval) en de marginale druk? Kan de regering dit toelichten in een update van tabel 4.3 ten aanzien van de verwachting voor 2013 en 2017? Kan de regering hierbij in ieder geval ingaan op de situatie waarom de minst verdienende partner één keer en anderhalf keer modaal verdient?

Antwoord

Onderstaande tabel presenteert de effecten van het deelakkoord en het regeerakkoord op de werkloosheidsval, herintrederval en deeltijdval, zoals gepresenteerd in tabel 4.3 van de SZW-begroting. De cijfers voor 2017 zijn indicatief, op basis van de thans beschikbare informatie. Nadere uitwerking van de plannen in het regeerakkoord kan tot andere cijfers leiden. De cijfers voor 2013 op basis van het deelakkoord zijn marginaal gewijzigd ten opzichte van de stand in de begroting.

De werkloosheidsval verbetert door de maatregelen in het regeerakkoord voor de alleenstaande ouder en de alleenstaande. Een alleenstaande ouder die 4 dagen tegen het minimumloon gaat werken gaat er in 2013 nog financieel op achteruit. Door de voorgenomen hervorming van de kindregelingen gaat dit huishouden er straks op vooruit. Ook voor de alleenstaande wordt werken meer lonend. Dat komt door de hogere arbeidskorting en de afbouw van de dubbele heffingskorting in de bijstand.

Werken wordt meer lonend (marginale druk wordt lager) voor herintreders. Dat komt door de hogere arbeidskorting die deze partner ook grotendeel verzilvert. Ook de deeltijdval voor gepresenteerde huishoudens wordt kleiner. Meer werken wordt meer lonend. Dat heeft te maken met de hogere arbeidskorting.

Het inkomen van de herintredende partner van ½ x modaal voor 3 dagen werk is te vergelijken met een modaal inkomen voor 5 dagen werk. Deze persoon verdient (in 2013) € 16 750 voor 3 dagen werk. Voor 5 dagen zou deze persoon € 27 917 verdienen. Hetzelfde geldt voor de minstverdienende partner die een dag extra gaat werken. De minstverdienende partner met een inkomen van 2/3 modaal voor 4 dagen werk zou € 27 917 verdienen voor 5 dagen werk.

De herintredersval en deeltijdval waarbij de minstverdienende partner anderhalf keer modaal verdient is aan de tabel toegevoegd (zie huishoudens met *). De marginale druk voor de minstenverdienende partner die 4 dagen gaat werken tegen 2/3x anderhalf modaal neemt toe van 72% in 2013 tot 76% in 2017. Dat komt door de afbouw van de algemene heffingskorting.

Arbeidsmarktprikkels

Werkloosheidsval (inkomensvooruitgang bij aanvaarden werk vanuit een bijstandsuitkering)

 

Vooruitgang

 

2013 begroting

2013 regeerakkoord

2017 regeerakkoord

       

alleenverdiener met kinderen

3%

3%

4%

alleenstaande

16%

16%

23%

alleenstaande ouder (gaat 4 dagen werken)

-5%

-4%

7%

Herintredersval (marginale druk bij aanvaarden werk niet-werkende partner)

 

 

Marginale druk

 

2013 begroting

2013 regeerakkoord

2017 regeerakkoord

hoofd minimumloon, partner 3 dagen werk (0,6xminimumloon)

79%

79%

75%

hoofd modaal partner 3 dagen werk (1/2xmodaal)

50%

50%

43%

hoofd 2xmodaal partner 3 dagen werk (1/2xmodaal)

49%

49%

43%

       

*hoofd 2xmodaal partner 3 dagen werk (1/2x anderhalf modaal)

47%

47%

42%

Deeltijdval minstverdienende partner (marginale druk bij dag extra werk)

 

 

Marginale druk

 

2013 begroting

2013 regeerakkoord

2017 regeerakkoord

     

 

hoofd minimumloon, partner van 3 naar 4 dagen werk (0,8xminimumloon)

73%

73%

71%

hoofd modaal partner van 3 naar 4 dagen werk (2/3xmodaal)

58%

58%

55%

hoofd 2xmodaal partner van 3 naar 4 dagen werk (2/3xmodaal)

71%

70%

68%

       

*hoofd 2xmodaal partner van 3 naar 4 dagen werk (2/3x anderhalf modaal)

72%

72%

76%

Vraag 450

Hoe wordt de Kamer op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen om tot een integrale aanpak te komen in het sociale domein? Welke twaalf focusgemeenten zijn hiervoor geselecteerd en wat is het tijdspad van deze pilot om knelpunten te signaleren?

Antwoord

Binnen het kabinet is de minister van BZK coördinerend bewindspersoon voor de samenhang tussen de decentralisaties. Het kabinet streeft naar voortzetting van de intensieve samenwerking met gemeenten en waar nodig versterking. Zo werkt het kabinet o.a. samen met een aantal focusgemeenten. De samenwerking met de focusgemeenten heeft de volgende doelen:

  • Inzicht in mogelijke knelpunten en oplossingen op systeemniveau waar gemeenten tegenaan lopen bij het vormgeven van een integrale aanpak in het sociale domein.

  • Het verzamelen en verspreiden van innovatieve voorbeelden van integrale werkwijzen van gemeenten.

De focusgemeenten zijn: Raalte, Tynaarlo, Amsterdam, Rotterdam, Eindhoven, Breda, Leeuwarden, Enschede, Emmen, Pijnacker-Nootdorp en Zoetermeer gezamenlijk, Hoogeveen en Zaanstad.

De Tweede Kamer zal geïnformeerd worden door de minister van BZK.