Kamerstuk 33108-16

Beantwoording vraag over de hardheidsclausule tijdens plenaire behandeling op 10 oktober 2012 van het wetsvoorstel

Dossier: Wijziging van de Wet van 30 september 2010 tot invoering van een nieuw griffierechtenstelsel in burgerlijke zaken (Reparatiewet griffierechten burgerlijke zaken)

Gepubliceerd: 17 oktober 2012
Indiener(s): Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD)
Onderwerpen: burgerlijk recht recht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33108-16.html
ID: 33108-16

Nr. 16 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 oktober 2012

Conform mijn toezegging tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Reparatiewet griffierechten burgerlijke zaken (33 108) op 10 oktober 2012 (Handelingen II, vergaderjaar 2012–2013, nr. 11 behandeling Reparatiewet griffierechten burgerlijke zaken), zend ik u hierbij het antwoord op de vragen over de hardheidsclausule van de leden Bontes (PVV) en Schouw (D66).

In de reparatiewet wordt in artikel II, onderdeel E, (artikel 237, vijfde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) een hardheidsclausule geïntroduceerd.

De rechter krijgt op grond van dit artikel de mogelijkheid om de proceskosten te compenseren. Hij kan bepalen dat het griffierecht van de in het gelijk gestelde partij, dat in het kader van de proceskostenveroordeling betaald moet worden door de in het ongelijk gestelde partij, niet hoger is dan het griffierecht dat van deze laatste partij is geheven. Gaat het om een zaak voor de kantonrechter, waarin gedaagde dus geen griffierecht heeft betaald, dan kan deze in het ongelijk gestelde gedaagde worden veroordeeld tot betaling van het griffierecht van eiser tot maximaal het bedrag van het griffierecht dat gedaagde verschuldigd zou zijn geweest als hij eiser was geweest. De rechter kan besluiten tot een dergelijke, niet volledige vergoeding van de proceskosten van de in het gelijk gestelde partij, als hij van oordeel is dat veroordeling tot betaling van het volledige griffierecht, gelet op de proceshouding van de in het gelijk gestelde partij, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Om te bepalen of sprake is van een «onbillijkheid van overwegende aard» zal de rechter een afweging maken tussen de proceshouding van de in het gelijk gestelde partij en de financiële positie van de in het ongelijk gestelde partij. Tot de «proceshouding» behoort ook het instellen van de procedure.

Ter illustratie twee voorbeelden. De rechter kan in de situatie dat een onderneming een burger rauwelijks dagvaardt, dat wil zeggen dat zij een burger in rechte betrekt zonder eerst te proberen om buitengerechtelijk het geschil te beslechten, de hardheidsclausule toepassen als hij de vordering van de onderneming toewijst. Toepassing van de hardheidsclausule leidt er in deze situatie toe dat de burger niet de hogere griffierechten voor een rechtspersoon/niet natuurlijke persoon hoeft te vergoeden aan de wederpartij, maar slechts de griffierechten voor een natuurlijke persoon hoeft te betalen in het kader van de proceskostenveroordeling.

De rechter kan ook besluiten om de hardheidsclausule toe te passen, als hij vaststelt dat de ene procespartij de andere partij onnodig veel extra kosten laat maken door het starten van een gerechtelijke procedure. Stel partijen zijn een betalingsregeling overeengekomen. De partij die betaling verlangt, ontvangt op tijd betaling van de overeengekomen deeltermijnen. Toch vraagt deze partij nog een uitspraak van de rechter voor het geval de betalingsregeling eventueel op een later moment niet wordt nagekomen. De schuldenaar ziet door de proceskosten-veroordeling, waaronder de vergoeding van het griffierecht van de wederpartij, zijn schuld enorm toe nemen. De rechter kan vaststellen dat de proceshouding van de schuldeiser in dat geval reden is om de proceskostenveroordeling te matigen.

De minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten