Gepubliceerd: 28 oktober 2011
Indiener(s): Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD)
Onderwerpen: organisatie en beleid sociale zekerheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33015-9.html
ID: 33015-9
Origineel: 33015-2

Nr. 9 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 31 oktober 2011

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

Artikel II wordt als volgt gewijzigd:

a. Voor onderdeel A wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

0A

Aan artikel 18 wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. In afwijking van het tweede lid wordt in de maand waarin de nabestaande de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, het bruto-minimumloon, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met de factor X/Y, waarbij:

– X staat voor het aantal dagen gelegen in de maand waarin de nabestaande de 65-jarige leeftijd bereikt, voordat de nabestaande deze leeftijd heeft bereikt, en

– Y staat voor het aantal dagen van de maand waarin de nabestaande de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.

b. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

E

Aan artikel 67 wordt een lid toegevoegd, luidende:

12. In afwijking van het tweede lid wordt in de maand waarin de nabestaande de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, het bruto-minimumloon, bedoeld in het tweede lid, vermenigvuldigd met de factor X/Y, waarbij:

– X staat voor het aantal dagen gelegen in de maand waarin de nabestaande de 65-jarige leeftijd bereikt, voordat de nabestaande deze leeftijd heeft bereikt, en

– Y staat voor het aantal dagen van de maand waarin de nabestaande de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.

2

Voor onderdeel A van artikel III wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

0A

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt een 1. geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. In afwijking van het eerste lid wordt in de maand waarin de pensioengerechtigde of de echtgenoot van de pensioengerechtigde de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, het bruto-minimumloon, bedoeld in het eerste lid, onder 1°, vermenigvuldigd met de factor X/Y, waarbij:

– X staat voor:

a. het aantal dagen gelegen in de maand waarin de pensioengerechtigde de 65-jarige leeftijd bereikt, vanaf de dag dat de pensioengerechtigde deze leeftijd heeft bereikt, of

b. het aantal dagen gelegen in de maand waarin de echtgenoot van de pensioengerechtigde de 65-jarige leeftijd bereikt, voordat de echtgenoot deze leeftijd heeft bereikt, en

– Y staat voor het aantal dagen van de maand waarin de pensioengerechtigde of de echtgenoot van de pensioengerechtigde de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.

3

Aan artikel XXI worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

D

Aan artikel 72 wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Onze Minister schort de betaling van de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, gedurende ten minste drie maanden op, indien Onze Minister met betrekking tot de rechtmatige uitvoering van deze wet ernstige tekortkomingen heeft vastgesteld als bedoeld in artikel 76, derde lid, totdat:

a. hij heeft vastgesteld aan de hand van de zienswijze van het college dat de ernstige tekortkomingen zijn opgeheven;

b. hij heeft vastgesteld, dat het college aan de in de aanwijzing, bedoeld in artikel 76, derde lid, opgenomen verplichtingen heeft voldaan;

c. hij heeft geoordeeld, dat het college na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 76, derde lid, geen of onvoldoende gevolg heeft gegeven aan de aanwijzing.

E

Artikel 74 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid, wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

3. Onze Minister kan:

a. bepalen dat een meerjarige aanvullende uitkering wordt verminderd indien hij het college een aanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 76, derde lid;

b. een verleende meerjarige aanvullende uitkering verminderen of intrekken indien hij het college een aanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 76, derde lid.

2. Het vierde lid (nieuw) komt te luiden:

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor:

a. de gronden voor verlening van de aanvullende uitkering;

b. de berekening van de hoogte van de uitkering;

c. de voorwaarden, die aan het verzoek worden gesteld;

d. de wijze van beoordeling van het verzoek door de toetsingscommissie;

e. de toepassing van het derde lid.

4

Na artikel XXI wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel XXIA Wijziging van de Wet werk en bijstand na inwerkingtreding Wet interbestuurlijk toezicht gemeentelijke inkomens- en werkvoorzieningen

Indien de Wet interbestuurlijk toezicht gemeentelijke inkomens- en werkvoorzieningen in werking treedt, wordt de Wet werk en bijstand als volgt gewijzigd:

A

Artikel 74 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vijfde lid komt te luiden:

5. Onze Minister kan:

a. bepalen dat een meerjarige aanvullende uitkering wordt verminderd indien hij het college een aanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 76, eerste lid;

b. een verleende meerjarige aanvullende uitkering verminderen of intrekken indien het college in strijd handelt met een wettelijk voorschrift dat betrekking heeft op de meerjarige aanvullende uitkering, of met een voorwaarde die aan het besluit tot verlening van een meerjarige aanvullende uitkering is verbonden dan wel indien hij het college een aanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 76, eerste lid.

2. Aan het zesde lid wordt, onder vervanging van de punt na onderdeel d door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

e. de toepassing van het vijfde lid.

B

Artikel 76 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid wordt na het tweede lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:

3.Onze Minister schort de betaling van de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, gedurende ten minste drie maanden op, indien Onze Minister met betrekking tot de rechtmatige uitvoering van deze wet ernstige tekortkomingen heeft vastgesteld als bedoeld in het eerste lid, in artikel 52 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en in artikel 52 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, totdat:

a. hij heeft vastgesteld aan de hand van de zienswijze van het college dat de ernstige tekortkomingen zijn opgeheven;

b. hij heeft vastgesteld, dat het college aan de in de aanwijzing opgenomen verplichtingen heeft voldaan;

c. hij heeft geoordeeld, dat het college na afloop van de termijn, bedoeld in het tweede lid, geen of onvoldoende gevolg heeft gegeven aan de aanwijzing.

2. In het vierde en vijfde lid (nieuw), wordt «kan, indien» vervangen door «stelt, indien» en wordt «vaststellen» vervangen door: vast.

C

In artikel 77, eerste lid, wordt «de accountantsverklaring daaromtrent slechts aangeeft» vervangen door «slechts hoeft te blijken» en wordt «uitgaven» vervangen door: bestedingen en baten.

5

Na artikel XXVII wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel XXVIIA Wijziging van de Wet werk en bijstand in verband met Wet uniformering loonbegrip

Indien artikel XVIII, onderdeel I, van de Wet uniformering loonbegrip in werking treedt of is getreden en de Wet interbestuurlijk toezicht gemeentelijke inkomens- en werkvoorzieningen in werking treedt of is getreden, wordt in artikel 69, eerste lid, van de Wet werk en bijstand «, premies voor de volksverzekeringen en de vergoedingen, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet van de inkomensafhankelijke bijdragen» vervangen door: , premies volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, die daarover verschuldigd zijn.

Toelichting

Onderdeel 1 en 2

Het voorstel van Wet wijziging ingangsdatum AOW-ouderdomspensioen, zoals dat thans in behandeling is bij de Eerste Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken I 2011/12, 32 846, nr. A), voorziet in wijziging van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen.

Dit kan ook consequenties hebben voor de situatie dat de jongere partner van de pensioengerechtigde inkomsten uit arbeid heeft in de maand van het bereiken van de 65 jarige leeftijd door de pensioenrechtigde dan wel de situatie dat de jongere partner van de AOW-gerechtigde of de Anw-gerechtigde in de maand van het bereiken van de 65 jarige leeftijd nog een deel van die maand inkomen (uit arbeid) heeft. Bijvoorbeeld de jongste partner heeft inkomen uit arbeid en blijft tot de eigen 65e verjaardag doorwerken. Het vaste deel van de vrijstelling, zoals geregeld in artikel 11 van de Algemene Ouderdomswet en de artikelen 18 en 67 van de Algemene nabestaandenwet, gaat dan relatief zwaarder meetellen in de vaststelling van het recht. Dat is niet de bedoeling.

De onderhavige wijzigingen regelen alsnog dat in de maand waarin de echtgenoot van de pensioengerechtigde dan wel waarin de nabestaande 65 jaar wordt, de hierboven vermelde vrijstellingsgrens tijdsevenredig wordt toegepast.

Bijvoorbeeld als de echtgenoot van een pensioengerechtigde op 14 april 2012 65 jaar wordt, dan wordt de vrijstellingsgrens die op dat inkomen van toepassing is, eveneens vermenigvuldigd met 13/30.

Er wordt gekozen voor de constructie om in de maand waarin de echtgenoot van de pensioengerechtigde dan wel waarin de nabestaande 65 jaar wordt, het bruto-minimumloon te vermenigvuldigen met een factor X/Y, waarbij:

– X staat voor:

  • a. het aantal dagen gelegen in de maand waarin de pensioengerechtigde de 65-jarige leeftijd bereikt, vanaf de dag dat de pensioengerechtigde deze leeftijd heeft bereikt, of

  • b. het aantal dagen gelegen in de maand waarin de echtgenoot van de pensioengerechtigde dan wel waarin de nabestaande de 65-jarige leeftijd bereikt, voordat deze leeftijd wordt bereikt, en

– Y staat voor het aantal dagen van de maand waarin de echtgenoot van de pensioengerechtigde dan wel waarin de nabestaande de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.

Onderdeel 3 en onderdeel 4, A en B

Deze nota van wijziging bevat een aanscherping van de aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Minister van SZW) toekomende bevoegdheid om gemeenten een aanwijzing te geven indien hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering van de onder hem ressorterende wet ernstige tekortkomingen signaleert. De aanscherping bestaat uit twee hoofdelementen, te weten: a) de aanzegging van de Minister van SZW dat hij voornemens is de gemeente een aanwijzing te geven gaat gepaard met een opschorting van de betaling van het budget op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en b) een gegeven aanwijzing zal (verdergaande) gevolgen hebben indien de betreffende gemeente een beroep doet op de incidentele- dan wel meerjarige aanvullende uitkering op grond van de WWB. Hoewel deze laatste wijziging inhoudelijk uitgewerkt zal worden in het Besluit WWB 2007, vergt zij aanpassing van artikel 74 van de WWB.

Deze aanscherping wordt zowel opgenomen in de WWB zoals die wordt aangepast, indien de Wet interbestuurlijk toezicht gemeentelijke inkomens- en werkvoorzieningen (Stb. 2011, 442) in werking treedt en als al opgenomen in de WWB, zoals die luidt voor deze inwerkingtreding (artikel XXI, onderdelen D en E), omdat het instrument aanwijzing ook nu al in de WWB is geregeld. In deze Wet interbestuurlijk toezicht worden onder meer de specifieke toezichtarrangementen op grond van de WWB, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet werk en inkomen kunstenaars en de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) afgeschaft. De aanwijzingsbevoegdheden van de Minister van SZW blijven evenwel gehandhaafd, met uitzondering van de aanwijzingsbevoegdheid op grond van de Wsw. De aanwijzing is een specifiek toezichtinstrument waarvan de Minister van SZW gebruik kan maken indien naar zijn oordeel sprake is van een ernstige tekortkoming met betrekking tot een rechtmatige wetsuitvoering. Met de aanwijzing wordt beoogd voorzetting of herhaling van de ernstige tekortkoming te voorkomen. De op te leggen financiële maatregel – indien een gemeente de aanwijzing niet juist opvolgt – zet het preventieve karakter van de aanwijzing extra kracht bij. De achterliggende onrechtmatige wetsuitvoering, die de directe aanleiding voor de aanwijzing vormde, blijft bij een aanwijzing onaangetast. Het onaangetast laten van de achterliggende onrechtmatige wetsuitvoering is, zo is in de praktijk gebleken, een kwetsbaar aspect van het op zich waardevolle instrument van de aanwijzing. Het biedt een gemeente de mogelijkheid van bestuurlijke calculatie. Dit houdt in dat de gemeente zich bij de voorbereiding van een besluit bewust is van het feit dat het in strijd is met de wet, maar de besluitvorming toch doorzet op grond van de afweging dat zij van de wetschending geen direct (financieel) nadeel kan ondervinden. Een aanwijzing, als een bestuurlijke gele kaart, laat een verwijtbare overtreding door de gemeente feitelijk onbestraft. Het inzetten van het generieke instrument van vernietiging heeft wel een bestraffend element, doch dat treft niet zozeer de overtredende gemeente, maar vooral de burger die van die overtredende gemeente ten onrechte geld heeft ontvangen. Het is wenselijk om het instrument van de aanwijzing van deze kwetsbaarheid te ontdoen. Daartoe dienen de genoemde maatregelen, die elk afzonderlijk worden toegelicht.

Opschorting betaling WWB-budget

De formele aanwijzingsprocedure start met een aanzegging, waarmee de Minister van SZW de gemeente gemotiveerd informeert waarom naar zijn oordeel sprake is van een ernstige tekortkoming, dat hij voornemens is de gemeente een aanwijzing te geven en hij het college gedurende acht weken in de gelegenheid stelt zijn zienswijze naar voren te brengen. De voorgestelde wijziging voorziet erin dat de aanzegging gepaard zal gaan met de opschorting van de betaling van het WWB-budget. Een dergelijke opschortingsregeling bestaat al op grond van artikel 17b van de Financiële-verhoudingswet, indien een gemeente haar jaarlijkse verantwoordingsplicht niet of niet tijdig nakomt, en op grond van artikel 4 van de Regeling WWB en WIJ, indien een gemeente haar verplichting tot indiening van het Beeld van de uitvoering niet tijdig nakomt.

De opschortingsregeling, die nader uitgewerkt zal worden in de Regeling WWB en WIJ op grond van artikel 75 WWB, houdt in dat de betaling van het budget als bedoeld in artikel 69 van de WWB geheel wordt opgeschort zolang de gemeente haar onrechtmatige wetsuitvoering niet formeel heeft beëindigd. Om nieuwe bestuurlijke calculatie te voorkomen, is een minimum termijn van 3 maanden voor opschorting geregeld. Zodra de opschorting ongedaan wordt gemaakt worden de ingehouden gelden aan de gemeente betaalbaar gesteld.

De procedure waarin de Minister van SZW zijn voornemen tot het geven van een aanwijzing kenbaar maakt, de aanzegging, en de acht weken die het college de tijd heeft om zijn opvattingen kenbaar te maken, zoals geregeld in artikel 76 van de WWB blijft ongewijzigd. Dit neemt niet weg, dat de opschorting al wordt ingezet met de aanzegging, omdat dan de tekortkomingen zijn vastgesteld.

De opschorting wordt ongedaan gemaakt indien het college én de onrechtmatige uitvoering formeel heeft beëindigd én ook anderszins de in de aanwijzing opgenomen verplichtingen is nagekomen. Het is gebruikelijk dat aan het college de verplichting wordt opgelegd dat hij de Minister van SZW inzicht verschaft in de wijze waarop:

  • geborgd is dat herhaling van de ernstige tekortkoming wordt voorkomen;

  • de gemeenteraad in de besluitvorming wordt betrokken;

  • de informatievoorziening voor medewerkers en burgers wordt aangepast.

De Minister van SZW volgt actief of de opschorting van de betaling ook leidt tot de gewenste beleidsaanpassing door de gemeente. Indien het college niet tijdig en juist uitvoering heeft gegeven aan de aanwijzing, wordt de opschorting beëindigd en wordt aansluitend overgegaan tot korting van het WWB-budget. Deze korting is geregeld in artikel 76, vierde en vijfde lid, van de WWB (in artikel 72 WWB, zoals dat nu luidt). Deze leden worden ook aangepast in artikel XXIA, onderdeel B, om de toepassing van deze korting niet langer meer facultatief te laten zijn.

Relatie aanwijzing en aanvullende uitkeringen op WWB-budget

Thans voorziet artikel 10, vierde lid, van het Besluit WWB 2007 erin dat een verzoek tot een incidentele aanvullende uitkering wordt afgewezen indien de Minister van SZW de betreffende gemeente een aanwijzing heeft gegeven. Als onderdeel van de aanscherping van het aanwijzingsregime zal, eveneens in voornoemd besluit, worden geregeld dat:

  • a. geen recht op een incidentele aanvullende uitkering bestaat over het kalenderjaar waarin de aanwijzing is gegeven en evenmin over het kalenderjaar dat daaraan vooraf is gegaan (de wijziging van artikel 74, vijfde en zesde lid);

  • b. het recht op meerjarige aanvullende uitkering over het jaar waarin de aanwijzing is gegeven alsook over het jaar dat daaraan vooraf is gegaan met 2,5% wordt verlaagd, conform de verschillen in uitkeringsrechten die bestaan tussen de diverse uitkeringscategorieën (de wijziging van artikel 74, vijfde en zesde lid).

In het bestaande artikel 74 dat in de Wet interbestuurlijk toezicht wordt vervangen is de grondslag voor de regeling bij algemene maatregel van bestuur nog iets uitgebreid en aangevuld in de lijn van de voorgestelde wijziging (artikel XXI, onderdeel D).

Onderdeel 4 C

Deze wijziging in artikel 77, eerste lid, WWB, zoals het wordt aangepast in de Wet interbestuurlijk toezicht is louter van technische aard, mede naar aanleiding van het feit dat gemeenten zich vanaf het begrotingsjaar 2010 over specifieke uitkeringen verantwoorden op basis van het baten-lastenstelsel.

Onderdeel 5

De Wet uniformering loonbegrip bevat een aanpassing van artikel 69 WWB, die bij inwerkingtreding niet doorwerkt in de aanpassing van artikel 69 WWB zoals opgenomen in de Wet interbestuurlijk toezicht gemeentelijke inkomens- en werkvoorzieningen. Dit artikel voorziet daarin. De inwerkingtreding van dit onderdeel van de Wet uniformering loonbegrip is voorzien op 1 januari 2013.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. G. J. Kamp