Kamerstuk 33000-VIII-167

Verslag van een schriftelijk overleg over de uitvoering van de motie Van der Werf/Klijnsma over aanvragen met een technische noodzaak

Dossier: Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2012

Gepubliceerd: 18 januari 2012
Indiener(s): Jan van Bochove (SGP)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33000-VIII-167.html
ID: 33000-VIII-167

Nr. 167 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 18 januari 2012

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 hebben enkele fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 18 november 2011 inzake de uitvoering motie Van der Werf/Klijnsma over aanvragen met een technische noodzaak (Kamerstuk 33 000 VIII, nr. 54).

Bij brief van 16 januari 2012 heeft de staatssecretaris deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Van Bochove

Adjunct-griffier van de commissie, Thomassen

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris over de uitvoering van de motie Van der Werf en Klijnsma over aanvragen met een technische noodzaak. Zij hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen. Allereerst willen de leden aanstippen dat het natuurlijk geen wetmatigheid is dat de maximale bedragen in het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten (Brim) verlaagd worden, maar een politieke keuze om veel minder geld aan cultuur uit te geven. De leden betreuren dat. Verder valt op dat er twintig miljoen beschikbaar zou zijn voor restauratiemiddelen; is dit een gegarandeerd bedrag of moet daarover nog een afspraak met het Interprovinciaal Overleg (IPO) gemaakt worden? Willen provincies dit bedrag zelf aanvullen en zijn er voorbeelden van provincies die dit (gaan) doen? Voorts vragen de leden hoe de genoemde middelen van twintig miljoen over het land worden verdeeld. Is de staatssecretaris van mening dat 20 miljoen per jaar voldoende is voor de restauratiebehoefte van Nederlandse monumenten? Zo ja, waarop wordt die aanname gebaseerd? Zo neen, wat zijn de kosten van de restauratieachterstand die op deze manier ontstaat op de lange termijn? Is de staatssecretaris van mening dat een lening, zelfs met lage rente, een redelijk alternatief is voor de eigenaren van monumenten die hun monument niet voldoende kunnen onderhouden, zo vragen de leden.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris over uitvoering van de motie Van der Werf en Klijnsma. Voornoemde leden zijn verheugd dat de staatssecretaris het mogelijk maakt om in 2012 aanvragen voor de Brim, waarbij sprake is van technische noodzaak, een beroep te laten doen op het restauratiefonds. Onder technische noodzaak wordt dan verstaan «het gevaar lopen van het voortbestaan van het gebouw waarbij belangrijke cultuurhistorische waarden verloren dreigen te gaan». De leden stellen echter vast dat dit in feite staand beleid is. Er is een restauratiefonds en er is de Brim-regeling. De laatste wordt in 2013 opnieuw ingericht op basis van een evaluatie die in 2012 bekend wordt. Voor het overgangsjaar 2012 wordt de Brim zo ingericht, dat de laagste offertes voor onderhoud, het eerst in behandeling worden genomen. De leden vragen de staatssecretaris of zij niet vreest dat op deze manier achterstallig onderhoud dat in 2012 een hoge herstelprijs heeft, niet kan worden uitgevoerd, waardoor in 2013 nog hogere kosten moeten worden gemaakt? Ook vragen voornoemde leden of de staatssecretaris niet vreest dat een gebouw, dat nu nog binnen de Brim-regeling valt, bij niet-honoreren van de aanvraag op grond van de prijs, het jaar erna in de duurdere restauratiecategorie valt? De leden begrijpen dat de staatssecretaris voor het jaar 2012 een uitzondering maakt op de Brim-bepalingen in die zin, dat een afgewezen aanvraag een beroep mag doen op een laagrentende lening via het Nationaal Restauratiefonds (NRF). Deze lening wordt echter pas in 2013 geëffectueerd. Graag zien de leden bij deze oplossing voor uitvoering van de motie, de garantie dat het NRF voor deze uitzonderingsgevallen in het overgangsjaar, niet louter de restauratieregels hanteert, maar ook onderhoud honoreert. Kan de staatssecretaris die garantie geven? Daarnaast vragen voornoemde leden de staatssecretaris of het NRF voor de uitkering aan de afgewezen Brim-aanvragen een maximum voor de totaaluitgave heeft meegekregen. De leden van genoemde fractie ontvangen begin 2013 graag een overzicht van het aantal verzoeken dat bij het NRF is binnengekomen, zijnde afgewezen Brim-aanvragen, en hoeveel aanvragen daarvan zijn gehonoreerd. Kan de staatssecretaris een dergelijk overzicht toezeggen, zo vragen de leden.

II Reactie van de staatssecretaris

De leden van de PvdA-fractie geven aan dat het verlagen van de maximale bedragen een bezuiniging zou betekenen op cultuur. Daar is geen sprake van: het totale budget voor het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten (Brim) is alleen met de generieke korting op de cultuuruitgaven (2,2% in 2012 en 5% per 2013) verlaagd. Het maximale bedrag per monument is wel verlaagd zodat meer eigenaren van de regeling gebruik kunnen maken.

Voor restauratiesubsidies die via de provincies zullen gaan lopen, heb ik een bedrag van € 20 miljoen beschikbaar gesteld. De provincies zien voor zichzelf een taak weggelegd in het behoud en beheer van gebouwd erfgoed. Vanuit hun rol als gebiedsregisseur willen de provincies tijd, energie en geld steken in de monumentenzorg. De verdeling van het rijksbudget is een zaak van de provincies zelf. Een aantal provincies zoals Noord-Brabant, Overijssel, Gelderland en Noord Holland, heeft bovendien al aangegeven forse bedragen beschikbaar te stellen voor de restauratie van (rijks)monumenten.

De verdeling over het land is in een vorige provinciale subsidieregeling zo gebeurd dat iedere provincie een basisbedrag kreeg plus daarop een aandeel naar rato van het aantal rijksmonumenten. Ik verwacht binnenkort de afspraken met het IPO te kunnen formaliseren.

Naast deze € 20 miljoen, is vanaf januari 2012 het Restauratiefondsplus werkzaam. Hier kunnen eigenaren van niet-woonhuismonumenten een laagrentende lening voor restauratie van het rijksmonument afsluiten. Met deze laatste geldstroom is in totaal € 17 miljoen per jaar gemoeid. Ik verwacht dat de optelsom van de door de provincie ingezette middelen gemiddeld ruim € 20 miljoen per jaar miljoen zal bedragen. Zo wordt een subsidiestroom vanuit verschillende overheden van ruim € 57 miljoen ingezet in deze restauratiesector. Dit bedrag is voldoende om substantieel in de jaarlijkse restauratiebehoefte te investeren. De laatste raming over hoeveel restauratiesubsidie jaarlijks nodig is, is in 2006 opgesteld en kwam toen uit op jaarlijks € 58 miljoen subsidie. Ik verwacht dat het beschikbare bedrag voldoende is om de achterstand niet weer te laten oplopen.

Ik ben van mening dat een laagrentende lening een goed instrument is voor het behoud en herstel van rijksmonumenten en in veel gevallen een goed alternatief voor subsidies. In ons land hebben we via het Nationaal Restauratiefonds een ruime ervaring met dit instrument voor woonhuismonumenten opgebouwd. Uit enquêtes van het NRF en van onafhankelijke partijen wordt deze constructie door eigenaren zelf positief beoordeeld.

De leden van de CDA-fractie stellen dat voor het overgangsjaar 2012 het Brim zo is ingericht, dat de laagste offertes voor onderhoud, het eerst in behandeling worden genomen. De leden vragen of op deze manier achterstallig onderhoud dat in 2012 een hoge herstelprijs heeft, niet kan worden uitgevoerd, waardoor in 2013 nog hogere kosten moeten worden gemaakt?

De aanvragen 2012 voor een Brimsubsidie leiden tot een toekenning voor de periode 2013–2018. Een aanvraag die in 2012 wordt afgewezen kan per 2013 een laagrentende lening krijgen. Er is dan dus geen sprake van kostenstijging t.o.v. de gehonoreerde Brimaanvragen. Overigens staat het een aanvrager vrij zelf te taxeren hoe kansrijk zijn aanvraag is. Hij kan dan al in 2012 besluiten geen reguliere Brimaanvraag in te dienen maar een lening aan te vragen.

Een monument dat dagelijks wordt gebruikt, zal niet snel in een toestand van totale restauratie belanden. Gebruikers verzorgen, los van subsidieregelingen, het klein onderhoud als het repareren van lekke goten of het vervangen van gebroken ruiten. Alleen bij een situatie van leegstand of verwaarlozing kan een monument in korte tijd in een slechte staat komen te verkeren. Dat zijn zorgelijke situaties waar ik via de wind- en waterdichtregeling en de haalbaarheidsregeling voor herbestemmingen actief beleid op voer.

In het contract tussen OCW en het NRF is bepaald dat ook onderhoud en instandhouding in aanmerking komen voor een laagrentende lening. Het NRF houdt zich zorgvuldig aan die contracten. Ik heb het NRF geen beperkingen gegeven ten aanzien van een maximum aan toe te kennen leningen voor afgewezen Brim-aanvragen. Wel zijn er zoals gemeld in mijn brief van 18 november voor alle genoemde financieringsmogelijkheden plafonds.

De leden van de CDA-fractie ontvangen begin 2013 graag een overzicht van het aantal verzoeken dat bij het NRF is binnengekomen, zijnde afgewezen Brim-aanvragen, en hoeveel aanvragen daarvan zijn gehonoreerd. Het NRF rapporteert maandelijks aan het ministerie van OCW over de bestedingen. Ik zal begin 2013 een overzicht sturen van afgewezen Brim-aanvragen die een laagrentende lening hebben gevraagd en gekregen.