Kamerstuk 32824-145

Verslag van een algemeen overleg

Dossier: Integratiebeleid

Gepubliceerd: 8 juni 2016
Indiener(s): Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA)
Onderwerpen: immigratie migratie en integratie
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32824-145.html
ID: 32824-145

Nr. 145 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 8 juni 2016

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 21 april 2016 overleg gevoerd met de heer Asscher, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Vice-Minister-President, over:

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 22 januari 2015 inzake de reactie op vragen gesteld tijdens het algemeen overleg Inburgering van 22 januari 2015 (Kamerstuk 32 824, nr. 90);

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 17 december 2015 inzake basisexamen inburgering buitenland (Kamerstuk 32 005, nr. 8);

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 8 februari 2016 inzake cursusaanbod inburgering (32 824, nr. 121);

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 20 april 2016 inzake voortgang inburgering (Kamerstuk 32 824, nr. 129).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de commissie, Van der Burg

De griffier van de commissie, Post

Voorzitter: Van der Burg

Griffier: Esmeijer

Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Azmani, Van der Burg, De Graaf, Pieter Heerma, Karabulut, Marcouch, Öztürk, Sjoerdsma en Voortman,

en de heer Asscher, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Vice-Minister-President.

Aanvang 13.01 uur.

De voorzitter:

Ik heet de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en zijn staf van harte welkom, net als uiteraard de Kamerleden en de mensen die dit debat volgen. De afspraak is vier minuten spreektijd per fractie. Ik geef het woord aan de heer Marcouch van de PvdA-fractie.

De heer Marcouch (PvdA):

Voorzitter. Ik zie de eerste verbetering van het te armoedige inburgeringsonderwijs. Nu gemeenten een verdubbeld budget krijgen om vluchtelingen de weg te wijzen, erkennen wij dat zelfredzaamheid het doel is van inburgeringsonderwijs en niet het startpunt. Nu moet de volgende stap gezet worden. Wij staan voor een enorme maatschappelijke opdracht. Ruim 16.000 erkende vluchtelingen staan klaar om met inburgeringsonderwijs te starten zodra de gemeente met het voor hen afgesproken woonadres komt. De gemeenten moet klaarstaan met een introductieprogramma, zoals bijvoorbeeld Amsterdam dat doet met expats. Kan de Minister een introductieprogramma voor de nieuwe stadsbewoners bespreken met of aankaarten bij de VNG?

Het klokje van de inburgeringstermijn tikt bij de start al een jaar. Als cursisten kunnen bewijzen dat dit niet hun schuld is, kunnen zij de termijn verlengen. Zij hebben dus mensen nodig die helpen de uitstelformulieren in te vullen. Ook vooropleidingen helpen tegen de uitval. Gezinsmigranten slagen vaker door voorinburgering in het buitenland. De asielmigranten hebben dit ook nodig, in het asielzoekerscentrum. Als dat met behulp van vrijwilligers moet, dan vraag ik de Minister of hij zich kan inzetten dat de gemeente, het UWV en uitkeringsinstanties deze vrijwilligers de ruimte geven dit te ondersteunen en te faciliteren. Dit moet nu geregeld worden, want na deze 16.000 mensen volgen na onze strenge toelating dit jaar nog zo'n 30.000 vluchtelingen uit 2015.

Nederland maakt zich doodongerust over hun integratie. Dit is met afstand de grootste zorg. Volgens de kwartaalberichten van het Sociaal en Cultureel Planbureau hebben we een offensief nodig voor het inburgeringsonderwijs. Eén: taalles. Er komt een enorme vraag aan bevoegde taaldocenten op ons af. Het succes zit in de didactiek. De Minister onderzoekt waarom er zo veel mensen uitvallen. Gaat hij dan ook onderwijskundige observaties verzamelen? Het branchekeurmerk voldoet vast prima voor contractzaken, maar de les in de klas moet geïnspecteerd worden door de Onderwijsinspectie. Twee: waarden. Graag vraag ik aandacht voor het inburgeringsvak kennis van de Nederlandse maatschappij. Onlangs was ik te gast bij een Amsterdamse taalschool in het hartje van de joodse buurt, waar ik de Marokkaanse vaders uit Slotervaart vaak mee naartoe nam. Deze buurt leed onder de Tweede Wereldoorlog. De deportaties zijn er bijna voelbaar en de geluiden hoorbaar, zo bedacht ik mij gisteren toen ik een vlogje opnam voor een nominatie van het Verzetsmuseum. Daar kregen de ongeletterde vaders de beelden waardoor zij de geschiedenis beleefden. Tien jaar later hebben de inburgeraars die Nederlands leren bij de taalschool om de hoek daar geen idee van. Pas tijdens de examentraining leren de meeste vluchtelingen het vak kennis van de Nederlandse maatschappij. Zij moeten eerst de taal op niveau A2 leren, zeggen de docenten. Zij melden dat de training vooral alledaagse zaken betreft als het afsluiten van een verzekering. Dit is toch niet wat de Minister bedoelt met Nederlandse waarden leren uitdragen?

Wij hebben een ambitie met inburgering. Ik ging met dezelfde vaders naar de Deltawerken. Onze harten sprongen open van trots op Nederland. Hier voelden wij het gevaar van water, bezworen met Hollands bloed, zweet en tranen. Met deze Nederlandse daadkracht kunnen wij ook de inburgering organiseren. Onze ambitie met inburgering is dat nieuwkomers naast nuttige kennis opdoen ook een emotionele band met ons land ontwikkelen. Het gaat erom de Nederlandse waarden onder de huid te krijgen, op locatie, bij organisaties die onze vrijheidswaarden dragen, zoals het COC, de Anne Frank Stichting of de Rutgers Stichting. Ik wil de Minister vragen deze methode van onderdompeling te ontwikkelen. Kan hij erop reageren hoe dit te doen?

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren):

Ik heb een vraag voor de Partij van de Arbeid. De letterlijke tekst in het regeerakkoord luidt: «Wie zich onvoldoende inzet verliest de verblijfsvergunning». Wij weten nu dat meer dan de helft van de inburgeraars niet slaagt voor het examen. Wat houdt die tekst in voor de Partij van de Arbeid? Wanneer zet iemand zich onvoldoende in en hoeveel mensen moeten hun verblijfsvergunning nu gaan verliezen?

De heer Marcouch (PvdA):

Ik kan nergens uit opmaken dat de geconstateerde uitval te maken heeft met het feit dat mensen zich niet willen inzetten. Ik ben voorstander van het sanctioneren van mensen die zich willens en wetens niet inzetten of inspannen voor hun inburgering, of die die op allerlei andere manieren saboteren. Maar uit mijn eigen gesprekken met taalscholen en inburgeraars kan ik niet opmaken dat het aan de inburgeraars ligt, en uit de brief van de Minister ook niet. Ik zie wel dat er een hoop verbeterd kan worden in het aanbod, zowel in het taalonderwijs als bij het onderdeel kennis van de samenleving, dat op dit moment heel armoedig aangeboden wordt. Er kan ook een hoop verbeterd worden aan de termijnen waarop begonnen wordt. Als zij soms meer dan een jaar moeten wachten, ligt het dan aan de inburgeraars als zij niet begonnen zijn met hun inburgeringstraject, of moet de overheid het beter organiseren?

De voorzitter:

Dank u wel. Graag korter antwoorden.

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren):

Mijn vraag was wanneer iemand zich onvoldoende inzet. Daar heb ik geen antwoord op gekregen. We zien dat mensen drie jaar bezig zijn met het zich eigen maken van datgene wat we hier belangrijk vinden en daar niet in slagen. Als er daadwerkelijk een hoop hoogopgeleide mensen tussen zitten, zoals we vaak horen, zeker van de linkse kant van het politieke spectrum, dan mag je toch verwachten dat mensen slagen. Dat is niet het geval. Daarom stel ik nogmaals de vraag wanneer mensen volgens de Partij van de Arbeid het recht verliezen om hier te zijn als zij zich onvoldoende inspannen, zeker de mensen die niet komen opdagen bij inburgeringscursussen. Dan kun je toch stellen dat iemand zich onvoldoende inzet? Zouden deze mensen volgens de PvdA per definitie hun verblijfsvergunning moeten verliezen?

De heer Marcouch (PvdA):

De wet is daar duidelijk over. Ik ben een voorstander van sanctioneren als mensen zich willens en wetens niet inspannen om in te burgeren. Dat is mijn antwoord op de eerste vraag. Vervolgens constateer ik dat mensen zich wel degelijk inspannen. U zegt dat mensen drie jaar bezig zijn. Als je de inburgeraars kent, weet je dat het in bepaalde gevallen zeker zo kan zijn dat hun basiskennis of persoonlijke mogelijkheden het onmogelijk maken om binnen de gestelde termijn te voldoen aan de vereisten. Maar daarmee is nog niet gezegd dat zij zich niet ingespannen hebben. Ik denk dat het belangrijk is dat mensen zich inspannen en dat wij een goed aanbod hebben waar wij trots op kunnen zijn. Wij hebben het over waarden, over cultuur en over de trots op onze taal. Dan moeten wij ook een warm onthaal en een kwalitatief goed aanbod bieden. Als mensen daar willens en wetens niet aan willen deelnemen, dan hebben wij sancties, die onze wetten toestaan. Dat gaat niet om een verblijfsvergunning innemen maar misschien wel om een boete opleggen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ik begrijp dat de PvdA over het punt uit het regeerakkoord dat mensen hun verblijfsvergunning afgepakt kan worden, zegt: dat gaan we gewoon niet doen. Dat zou echt een pak van mijn hart zijn.

De heer Marcouch (PvdA):

Wat ik zeg is duidelijk: als mensen willens en wetens niet inburgeren, staan daar sancties op. Dat kan een boete zijn of dat iemand geen verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd krijgt. Dat zijn voor de betrokkenen behoorlijk zware sancties. Hier gaat het om de toegankelijkheid van het inburgeringsonderwijs en de kwaliteit daarvan. Ik zou het graag over dit probleem willen hebben en vraag de Minister om dat te verbeteren. Ik ben blij dat de Minister nu ook geld beschikbaar stelt om inburgeraars beter te helpen en te ondersteunen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Aan de begeleiding van inburgeraars moet nog heel veel gebeuren. Daar vinden GroenLinks en Partij van de Arbeid elkaar in. Begrijp ik de heer Marcouch ook goed dat deze partijen elkaar vinden in het feit dat het afpakken van verblijfsvergunningen, zoals staat in het regeerakkoord, niet aan de orde is, en dat de PvdA een voorstel daarvoor niet zal steunen? Ja of nee?

De heer Marcouch (PvdA):

Ik zie graag eerst het probleem alvorens een oplossing te bepleiten. Wat mij betreft volgen er sancties als iemand willens en wetens de inburgering saboteert of daar niet aan mee wil doen. Daarvoor hebben wij in de wet boetes staan. Het verlengen voor onbepaalde tijd zou bij mensen met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ook uitgesteld kunnen worden. Dat zijn allemaal sancties waar ik voor ben. Ik steun alle sancties die de wet toestaat, en geen enkele andere sanctie die buiten onze wetgeving valt. Dat kan überhaupt niet als de wet dat niet toestaat. Volgens mij staat de wet niet toe dat je verblijfsvergunningen intrekt.

De voorzitter:

Aangezien er negen leden aanwezig zijn en de spreektijd ruim vier minuten bedraagt, zal het aantal interrupties beperkter zijn dan andere keren. Houd u daar rekening mee.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Dat is aan u, voorzitter. Het regeerakkoord zegt letterlijk: «Inburgeringinspanningen worden consequent en vanaf het begin gevolgd. Wie zich onvoldoende inzet verliest de verblijfsvergunning». Mijn simpele vraag is de volgende. Deze bestraffing is op dit moment geen staande praktijk. Dat is toch wat de heer Marcouch zegt? Is de Partij van de Arbeid-fractie er ook geen voorstander van dat dit ingevoerd wordt?

De heer Marcouch (PvdA):

Ik ga ervan uit dat mensen zich inspannen en inzetten voor hun inburgering. Als zij dat niet doen, dan staan daar sancties op. Die zijn conform onze wetgeving. De afspraak in het regeerakkoord is op die manier nog niet uitgewerkt. De wet schrijft voor dat iemand gesanctioneerd wordt met een boete of dat zijn verblijfsvergunning niet wordt verlengd. Ik constateer vooralsnog dat de problemen die we zien, helemaal niets te maken hebben met het feit dat mensen zich niet inspannen, maar vooral met de toegankelijkheid en de kwaliteit van het aanbod.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Het is een beetje raar dat de heer Marcouch dat laatste zegt. De Minister heeft een onderzoek aangekondigd om dat uit te zoeken. De conclusie dat het niet aan de hand zou zijn, lijkt me dus voorbarig. Stel dat iemand willens en wetens weigert in te burgeren. Daarover is nu de simpele vraag aan de orde of je een stok achter de deur moet hebben, oftewel een sanctie die verdergaat dan een boete. Het niet verlengen of intrekken van een verblijfsvergunning is in die gevallen in ultimo een geoorloofd en zeer te verdedigen stok achter de deur.

De heer Marcouch (PvdA):

Er is een scala aan maatregelen waarmee je iemand kunt bestraffen wanneer hij willens en wetens niet wil. Wat ik constateer en concludeer, heeft te maken met wat ik zie bij de inburgeringsdocenten en inburgeraars. Ik ben blij met het aangekondigde onderzoek. Ik wacht die feiten graag af, want ik ben het probleem nog niet tegengekomen dat iemand niet wil inburgeren. Ik kom wel een hoop mensen tegen die het niet kunnen en veel moeite hebben. Er is maatwerk nodig. Er zitten analfabete en ongeletterde mensen bij, of mensen met heel veel andere problemen. De wil om in te burgeren, te integreren, deelnemer te zijn aan en te participeren in de samenleving is volop aanwezig. Ik zie dat probleem dus nog niet. Als het onderzoek van de Minister ergens anders op wijst, dan hebben we het er dan over.

De heer De Graaf (PVV):

De PvdA heeft Nederland in de afgelopen jaren, en al veel langer, volledig onder druk gezet. De hele maatschappij staat onder spanning, mede dankzij de PvdA, met steun van de VVD de laatste jaren. Waar zien wij dat aan? Dat zien wij bijvoorbeeld in het onderwijs, waar nu de docenten met de handen in het haar zitten omdat heel veel toestromers de Nederlandse taal niet machtig zijn. De heer Marcouch heeft zelf een aantal problemen benoemd. En wat wil de PvdA? Zij wil een onderzoek en misschien een sanctie. Zij wil alles vooruitschuiven. Laat ik het, misschien als slotstuk van alle interrupties die geweest zijn, duidelijk stellen. Waar ligt de grens voor de Partij van de Arbeid waarna zij zegt: nu is het genoeg; nu ga je het land uit?

De heer Marcouch (PvdA):

Ik ben alleen maar blij dat er een toestroom op onze scholen is van mensen die onze Nederlandse taal willen leren. Dat zou de heer De Graaf ook moeten aanspreken. Als je trots bent op onze taal, wil je dat mensen die taal graag leren. De grens is heel duidelijk: we zijn een democratische rechtsstaat met wetgeving. Daar hebben wij ons allemaal aan te houden. Ongeacht waar je vandaan komt en welke huidskleur je hebt: op het moment dat je de wet overtreedt, dient er gehandhaafd te worden. Of je nou De Graaf, Marcouch of wat dan ook heet, want dat moet niet uitmaken voor de wet. Daar zijn wij trots op.

De heer De Graaf (PVV):

Het is altijd fascinerend om de preoccupatie van de heer Marcouch met huidskleur weer te moeten vernemen. Dat is toch een beetje apart, helemaal voor de Partij van de Arbeid. Ik ben blij dat ik die preoccupatie zelf niet heb. Maar ik ga door op de vraag die ik gesteld heb. Als ik een voorstel indien dat na bijvoorbeeld een jaar of na drie jaar iemands verblijfsvergunning wordt ingetrokken als hij zijn inburgeringsexamen niet heeft gehaald, gaat de heer Marcouch daar dan gewoon in mee? Of zegt hij: nee, dan blijven we labbekakkerig beleid voeren?

De heer Marcouch (PvdA):

Bij voorbaat zal ik geen enkel voorstel van collega De Graaf ondersteunen, dus dit ook niet.

De heer Sjoerdsma (D66):

Voorzitter. Gisteravond, vlak voor dit AO, kwam de Minister opeens met dramatische inburgeringscijfers. Minder dan de helft van de inburgeraars haalt daadwerkelijk het examen. Het is heel treurig maar wij zagen het al van mijlenver aankomen. Niet voor niets stemde mijn partij destijds tegen deze PVV-inburgeringswet en niet voor niets heeft D66 de afgelopen jaren keer op keer gewaarschuwd voor de effecten van deze wet. Maar de Minister wilde niet luisteren en ook niet evalueren, zelfs niet na aandringen van zijn eigen partij.

Nu vindt de Minister de situatie opeens zorgwekkend. Het gevolg is ernaar. Aan de vooravond van de inburgering van meer dan 16.000 asielzoekers dreigt nu een integratieramp, een bijstandsexplosie. Daarom luid ik vandaag de noodklok, want iedereen kan zien dat de tekentafeloplossing van dit kabinet losgezongen is van de praktijk. In die praktijk worden inburgeraars aan hun lot overgelaten. De overheid heeft zich simpelweg teruggetrokken.

Natuurlijk vraag ik van inburgeraars de volle inzet, maar ik vraag dit kabinet ook de zaken op orde te krijgen en inburgeraars de mogelijkheid te geven om in te burgeren. Want niet inburgeraars hebben gefaald, maar deze PVV-wet heeft gefaald. Dat is ook af te leiden uit de cijfers. Voor deze wet slaagde nog twee derde voor het inburgeringsexamen. Nu is dat minder dan de helft. Wanneer waren deze dramatische cijfers bij de Minister bekend? Waarom heeft hij eerdere evaluaties altijd afgehouden, hoewel die al in december 2015 waren beloofd? Is hij nu wel bereid om voor het zomerreces te komen met de evaluatie van de wet en de werking ervan in de praktijk? Hoeveel extra uitkeringen gaat deze wet Nederland kosten? En het allerbelangrijkste: is de Minister bereid om ook naar de aanpassing van de wet te kijken?

Los van de toegankelijkheid en van de uitvoering van de wet, valt er ook veel te zeggen over de kwaliteit. Cursusaanbieders scoren vaak onder de maat, waardoor inburgeraars bijvoorbeeld examen doen op een lager niveau dan eigenlijk zou moeten.

Ik heb ter voorbereiding op dit debat maar weer eens een oefenexamen kennis Nederlandse samenleving gemaakt. Ik moet zeggen: het is een fascinerend examen. Wat moet je bijvoorbeeld doen als je buurvrouw koffie met je wil drinken? A: langsgaan als jou dat uitkomt. B: op hetzelfde moment een afspraak plannen. C: afwachten tot ze het nog een keer vraagt. Ik heb hier als liberaal grote moeite mee. Ik vind ook dat nieuwkomers de waarden van onze maatschappij moeten leren kennen, maar sociale omgangsnormen volledig micromanagen lijkt mij echt geen taak van de overheid.

Ook was ik verbaasd over de vraag waar de VVD voor staat. A: christelijke normen en waarden. B: een schoon milieu. C: een sterke economie. Ik mis het antwoord D: geen van bovenstaande. Maar zonder grappen: zijn dit de vragen die bijdragen aan een goede inburgering? Ik vraag dat de Minister in alle oprechtheid. Sommige vragen zijn niet alleen opvallend of grappig, maar ook ronduit verkeerd. Er worden stomme foutjes gemaakt, zoals een plaatje van de Raad van Europa bij een vraag over de EU. Ook zijn er vragen die echt niet goed in elkaar zitten. Wat doet bijvoorbeeld het bestuur van de provincie Drenthe? Antwoord A, B en C kloppen alle drie niet, maar de inburgeraar wordt hier wel op afgerekend. Dat is echt kwalijk.

Het is daarom des te kwalijker dat er geen inzage is in de examens. De Minister heeft uitgelegd waarom het te duur zou zijn om die inzage te geven. Ik wil hem tegemoetkomen. In plaats van inzage geven, zou ik graag zien dat hij ervoor zorgt dat op de examens en de kwaliteit daarvan wordt toegezien door een onafhankelijke commissie. Dat moet een instituut zijn zoals de onderwijsinspectie, dat inzage kan krijgen in de examens en klachten in behandeling kan nemen. Is de Minister daartoe bereid?

De beste manier om in te burgeren in onze maatschappij is de taal spreken en een baan hebben. Hoe staat het met de uitvoering van mijn motie om te starten met taalonderwijs vanaf dag één dat mensen in Nederland zijn? We zouden hier al begin maart een brief over krijgen, maar die is er nog steeds niet. Ik vraag de Minister waar die vertraging vandaan komt. Waar wachten we op? Waarom verliezen we kostbare tijd? Graag een reactie.

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren):

Voorzitter. Wij spreken vandaag over inburgering, het proces dat moet leiden tot een succesvolle integratie. Helaas is dat niet het geval, integendeel. Gezien de brief van het kabinet moeten we constateren dat het inburgeringsbeleid inmiddels totaal failliet is. De helft van de inburgeraars slaagt niet voor het examen. Grote groepen immigranten belanden in de bijstand. Uitzicht op verbetering is er niet.

Terwijl Nederland juist smacht naar een Australisch immigratiemodel, waar enkel nog kansrijken naar Nederland kunnen komen en strenge inburgeringseisen worden gesteld, lezen wij dat het kabinet op last van het Europees Hof de boel gaat versoepelen. Het Hof stelt namelijk dat het niet halen van nota bene het basisexamen gezinshereniging niet mag beletten. Inspanning of een bewijs van goede wil is straks al voldoende. Mensen die niet binnen de termijn het examen halen, moeten volgens ons het land weer verlaten. Het Hof vindt ook dat het niet halen van het examen vanwege onder andere leeftijd, opleidingsniveau of financiële situatie een reden is voor vrijstelling. Dit alles om gezinshereniging mogelijk te maken. Ten slotte stelt het Hof dat de kosten van het inburgeringspakket met € 200 omlaag moeten.

Het resultaat van dit soort gekkigheid is helaas al bekend. Het komt neer op het beleid uit de jaren tachtig en negentig: geen tot zeer beperkte eisen, lage instapkosten, vrijstelling en alles gericht op gezinshereniging Begrijpt de Minister dat dit soort beleid de maatschappij op de lange termijn ontwricht? De reeds mislukte integratie zal alleen maar uitdraaien op een nog grotere ramp. We zien een enorme oververtegenwoordiging van immigranten op het gebied van schooluitval, criminaliteit en bijstandsafhankelijkheid. Dit kabinet komt helaas tegemoet aan de eisen van het Hof en gaat de inburgeringseisen verlagen. Opleidingsniveau, leeftijd of financiële situatie zijn straks namelijk redenen op zichzelf om vrijstelling te krijgen voor het examen. Hoe gaat de Minister hier precies invulling aan geven? Vanaf welke leeftijd krijgt men straks een vrijstelling cadeau? Hoe ongeletterd moet je zijn voor een vrijstelling? Graag een antwoord.

Wij moeten niet zorgen dat ongeletterden straks geen examen meer moeten doen en dat armlastige immigranten makkelijker toegang krijgen. Wij moeten juist streven naar veel hogere eisen, zodat alleen kansrijken die iets toevoegen aan Nederland ons land kunnen binnenkomen. Wij lezen verder dat het examen € 200 goedkoper wordt. Wat kost dit de belastingbetaler extra? Klopt het dat de Minister ook van plan is geld terug te betalen aan immigranten die het oude tarief hebben betaald? Zo ja, om welk bedrag gaat het dan in totaal?

Het inburgeringsbeleid faalt, nog los van de eerdergenoemde versoepelingen die het kabinet wil doorvoeren. Ook de huidige taaleisen zijn absoluut niet gericht op de zelfstandigheid van immigranten. Het taalniveau om mee te kunnen doen op de arbeidsmarkt is volgens dit kabinet B1. Het kabinet vraagt voor nieuwkomers slechts niveau A2. Anders gezegd, deze mensen worden helemaal niet klaargestoomd voor een baan maar voor de bijstand. Is de Minister bereid eindelijk het niveau op te schroeven?

Tot slot de praktijk. Alle theoretische inburgeringstoetsjes en examens ten spijt, zien we dat er in Nederland een parallelle samenleving is ontstaan. In die samenleving staan de westerse kernwaarden niet centraal. Denk aan de vrijheid van meningsuiting, de gelijkwaardigheid van homo en hetero en die van man en vrouw. Dat die gelijkheid van man en vrouw onder druk staat, zien we in Breda en Rotterdam met het zogenaamde halalzwemmen. In openbare zwembaden worden ramen afgeplakt, worden mannen en vrouwen gescheiden en zijn meisjes boven de zeven jaar niet welkom om met jongetjes te zwemmen. Dat is een heel ernstige zaak. Graag hoort VNL of de Minister onze visie deelt dat dit in Nederland niet hoort. Is de Minister bereid om het zogenaamde halalzwemmen maximaal tegen te gaan door gemeenten te verbieden dit nog langer te faciliteren, eventueel met een korting op het Gemeentefonds?

Willen wij dat de inburgering en daarmee de integratie een succes worden, dan zal Nederland moeten gaan staan voor zijn westerse vrijheidswaarden. Dan moeten wij toe naar een Australisch immigratiemodel. Iedere aantasting van de westerse vrijheid, van onze kernwaarden, dient maximaal te worden ontmoedigd.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Voorzitter. De laatste keer dat deze commissie over inburgering heeft gesproken, is meer dan een jaar geleden. In dat jaar is er veel gebeurd. Het aantal vluchtelingen is toegenomen. Onder andere door de aanhoudende oorlog in Syrië hebben veel mensen in ons land asiel aangevraagd. Dat asiel zal waarschijnlijk worden toegekend.

Wij kunnen dit aan in Nederland. Wij kunnen deze mensen, die vluchten voor oorlog en geweld, opnemen in onze samenleving. Ze moeten daarbij wel de kans krijgen om onderdeel te worden van onze maatschappij. Het belangrijkste daarbij is dat mensen die hier mogen blijven, snel kunnen beginnen aan hun inburgering. GroenLinks vraagt het nu voor de zoveelste keer aan het kabinet: maak de mogelijkheden voor inburgering en integratie beter. We bieden zelfstudie Nederlands aan alsof de gemiddelde vluchteling hier op een Montessorischool heeft gezeten.

De Minister zei bij het algemeen overleg integratie in oktober: «Wij zullen bezien hoe de voorinburgering en de taalcursussen op vrijwillige basis die er nu al zijn, kunnen worden verbeterd of uitgebreid.» Maar wat heeft hij daar tot nu toe voor gedaan? Hoe staat het met de plannen van de Taskforce Werk en Integratie Vluchtelingen? Zijn de voorinburgeringslessen al geïntensiveerd?

Wij hebben geen tijd te verliezen, zoals ook het recente rapport over integratie heette. Maar de beslistermijn over de asielaanvraag is door dit kabinet verlengd naar vijftien maanden. Juist dat onderstreept de noodzaak om de mogelijkheden voor integratie en inburgering voor mensen in afwachting van hun status te vergroten. GroenLinks wil daarom dat vluchtelingen van wie duidelijk is dat zij een reële kans maken op een status, toegang tot de voorbereiding op inburgering in het asielzoekerscentrum krijgen, en niet pas als zij een status hebben. Van bepaalde groepen, zoals Syriërs en Eritreeërs, is al duidelijk dat zij een reële kans maken. Waarom wachten we met het inburgeren van deze mensen, die enorm gemotiveerd zijn?

Om inburgeraars zelfstandig te laten inburgeren, is de toegankelijkheid van informatie ook heel belangrijk. Ik heb daarom bij het algemeen overleg integratie een motie ingediend en aangenomen gekregen om informatie in alle talen beschikbaar te stellen. Maar deze motie is te beperkt uitgevoerd. Veel relevante informatie voor inburgeraars is nog altijd niet vertaald. Dat betreft bijvoorbeeld de informatie over een aanvraag voor termijnverlenging, ontheffing, lening en het vinden van een passende cursus. Wanneer gaat de Minister hier werk van maken?

Dan zijn er de inburgeringscursussen zelf. De Minister zei in het algemeen overleg in oktober dat hij een quickscan zal laten uitvoeren onder de inburgeraars, om te achterhalen wat de oorzaak is van het lagere slagingspercentage op het onderdeel leesvaardigheid, dat veel lager is dan op de andere onderdelen. Volgens Vluchtelingenwerk staan in de brief van de Minister andere slagingspercentages dan de regionale stichtingen Vluchtelingenwerk van Blik op Werk hebben ontvangen. Het is onduidelijk op welk aantal en welke groep de genoemde percentages zijn gebaseerd. De slagingscijfers in de media en in de brief voortgang inburgering verschillen daar ook al van. Klopt dat? Kan de Minister zorgen voor heldere en eenduidige informatie over de slagingspercentages?

Er wordt een tekort aan taaldocenten gesignaleerd. Hoe gaan we dat oplossen? En hoe komt dat: wat zijn de oorzaken? Ook is er steeds meer sprake van selectie aan de poort door aanbieders die analfabete cursisten weigeren. Voor analfabeten ging het aanbod omlaag van 90% naar 68%. Analfabete cursisten kunnen soms alleen bij Vluchtelingewerk terecht. Wat is de reactie van de Minister op dit ongewenste gevolg van marktwerking? Wij vinden dat er een acceptatieplicht van analfabete cursisten moet zijn voor aanbieders. Is de Minister het hiermee eens?

Tot slot heb ik een vraag over de inburgering in het buitenland. Het Europees Hof heeft Nederland op de vingers getikt en geoordeeld dat de mogelijkheid voor ontheffing van het basisexamen inburgering in het buitenland te streng is en dat de kosten voor het examen te hoog zijn, waardoor gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt. Dat is een pijnlijk oordeel van het Hof over het beleid van dit kabinet. Wij vinden het goed dat de ontheffing makkelijker wordt, zoals het Hof heeft geoordeeld, en natuurlijk ook dat het goedkoper wordt. Die € 200 is een hoop geld, dat mensen goed kunnen gebruiken. Gaat dit ook werken met terugwerkende kracht? Er zijn inburgeraars die het examen hebben afgelegd en daarvoor het volle pond moesten betalen. Het Hof heeft geoordeeld dat de prijs niet evenredig was. Krijgen degenen die hierdoor getroffen zijn, dit met terugwerkende kracht vergoed? Dat lijkt mij wel zo rechtvaardig.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Voorzitter. Tijdens de algemeen overleggen inburgering van de afgelopen jaren is er ongeveer Kamerbreed zorg geuit over de aanhoudende slechte cijfers over het aantal nieuwkomers dat het inburgeringsexamen met succes heeft afgerond. Mijn collega van D66 haalde dat zojuist ook aan. Volgens mij was zijn partij een van de eerste die daarover in een AO in 2013 zeer kritisch was. De Minister heeft steeds geantwoord dat het te vroeg was om erover te oordelen. Dat is ook, laten we eerlijk zijn, een verhaal dat de Kamer in die AO's meestal gevolgd heeft. Als mensen drie jaar de tijd hebben, is te verwachten dat de slagingspercentages omhooggaan. De cijfers die gisteren gepresenteerd werden, liggen erg in lijn met de cijfers die wij vorige maand via de media kregen. Ze zijn echt niet goed en dat is een probleem. Daarom is het goed dat de Minister nu ziet dat het probleem zo groot is – hij heeft immers steeds gezegd dat de Kamer te pessimistisch is – en dat hij direct maatregelen aankondigt om gemeentes meer in staat te stellen om actief in te springen en via begeleiding en drang te interveniëren als het mis lijkt te gaan. Dit loopt vooruit op de wetgeving die er nog aankomt. Hoe maakt de participatieverklaring een nadrukkelijke rol voor gemeentes mogelijk? Het CDA heeft in de grote steden de afgelopen weken steeds het signaal afgegeven het gevoel te hebben dat het niet goed gaat. Aangezien de verantwoordelijkheid bij DUO ligt, kunnen we niks, hoewel we meer willen, omdat we aanvoelen dat er na die drie jaar problemen zijn die wij mogelijk hadden kunnen voorkomen door wat dwingender te begeleiden en strakker erbovenop te zitten. Graag krijg ik hier een uiteenzetting over.

Het meest intrigerende zinnetje uit de brief ging over iets anders, namelijk over de consequenties als je niet wilt inburgeren en dus weigert in te burgeren. Er werd verwezen naar vragen van collega Potters naar aanleiding van de uitzending van EenVandaag in maart. Wij zouden daar zo spoedig mogelijk antwoord op krijgen, maar die antwoorden zijn er niet. Ik ben benieuwd naar het antwoord op die vragen over de consequenties in verblijfsvergunningstechnische zin. Het regeerakkoord – daar hebben wij het net in een interruptie ook al over gehad – gaat nog veel verder dan alleen maar dat je je verblijfsvergunning kunt kwijtraken als je het examen niet haalt of als je weigert. Daar staat namelijk: vanaf het begin monitoren en als je niet je best doet, verlies je je verblijfsvergunning. Hoe zit het met de antwoorden op de vragen van collega Potters? Klopt het dat deze zin in het regeerakkoord niet is uitgevoerd? Is het de intentie om het op deze manier uit te voeren? Is het in de praktijk nu zo dat alleen voor geestelijke bedienaren geldt dat het gevolgen heeft voor hun verblijfsvergunning als ze weigeren in te burgeren? Dat betekent namelijk dat ze het land moeten verlaten. Wat mijn fractie betreft moet die stok achter de deur, de ultieme sanctie, er zijn voor mensen die hiernaartoe komen en niet meewerken aan hun inburgering of deze weigeren. Het regeerakkoord gaat nog verder, want daarin staat dat je vanaf het begin wordt gemonitord en dat je eruit gaat als je je best niet doet. Ik vind dat die ultieme sanctie er moet zijn. Klopt het dat dit nu niet zo is? Ziet de Minister mogelijkheden om dat alsnog snel te realiseren, ware het alleen maar omdat het regeerakkoord nog een stuk verdergaat?

Ik wil nog een laatste punt maken. Daarbij ga ik het weer over de motie-Van Dam hebben waar ik al een aantal debatten lang naar vraag. Ik sluit daarvoor aan bij het idee dat collega Marcouch zojuist naar voren bracht. Juist vanwege de huidige instroom van vluchtelingen hebben we in verschillende AO's discussies gevoerd over botsende waarden en de risico's die daarmee samenhangen. Ik vind de suggestie van de heer Marcouch goed om in het inburgeringstraject nadrukkelijker met stage te werken en om overal langs te gaan, zodat de inburgeraar echt voelt en ervaart wat onze waarden, onze samenleving en onze geschiedenis zijn. Dan weet hij: dit is het land waarin ik kom te wonen. Ik ben van mening dat je best op korte termijn met pilots kunt starten. Je moet daarmee beginnen, juist ook omdat de grote steden aangeven dit graag te willen doen. Ik rond af met de vraag of de Minister hierop wil reageren.

De heer Azmani (VVD):

Voorzitter. Meer dan ooit is het onderwerp van dit algemeen overleg van groot belang. Ons land is al maanden in de ban van grote groepen nieuwkomers die hun heil in ons land zoeken. Gelukkig doet dit kabinet er alles aan om deze stroom onder controle te krijgen. De afgelopen maanden hebben wij kunnen zien dat de grenzen van de draagkracht in ons land in zicht kwamen. Ons land kan het gewoon niet aan om ieder jaar vele tienduizenden mensen onderdak en voorzieningen te bieden. En dan spreek ik nog niet over de invloed van zulke grote groepen nieuwkomers op onze samenleving, op onze verzorgingsstaat en op de normen en waarden van ons land. Het is de plicht van ons als politici om onze samenleving daartegen te beschermen.

De voorwaarde voor het overeind houden van onze verzorgingsstaat is een zo goed mogelijke inburgering van nieuwkomers in onze samenleving. Zij moeten zo snel mogelijk weten waar ons land voor staat, welke normen en waarden wij hanteren en wat onze gebruiken zijn. Wij moeten voorkomen dat groepen in onze samenleving tegenover elkaar komen te staan.

De heer De Graaf (PVV):

Ik hoor de heer Azmani van de VVD allemaal zorgen uitspreken over de toevloed van mensen naar Nederland en dergelijke. Waarom heeft de VVD de afgelopen jaren die toevloed dan gefaciliteerd?

De heer Azmani (VVD):

De VVD heeft volgens mij de afgelopen tijd juist een voorstel gedaan om ervoor te zorgen dat we weer controle krijgen op de aantallen en ook op wie we toelaten tot ons grondgebied. Daar heb ik van de PVV eigenlijk weinig anders over gehoord dan alleen maar wat populaire opmerkingen.

De heer De Graaf (PVV):

Dat was too little, too late, want de toevloed was toen al jaren gaande. In het vervolg daarop heb ik de heer Azmani gisteren in een bericht op RTL Nieuws, naar ik meen, zien zeggen dat iemand die zijn inburgeringsexamen niet haalt, zijn verblijfsvergunning moet inleveren. Dat betekent vertrek. Nou hebben wij al in 2013 een motie ingediend die daartoe strekt, maar die is door geen enkele partij gesteund, ook niet door de VVD. Kan de heer Azmani eens uitleggen waarom de VVD die motie toen niet steunde? Was dat misschien omdat er toen geen verkiezingen aankwamen? Dat zou kunnen. Ik geef hem alvast een optie. Waarom bezigt hij nu wel dit soort taal? Is dat vanwege de aankomende verkiezingsstrijd?

De heer Azmani (VVD):

Zeker niet. Ik zou zeggen: mijnheer De Graaf, lees het regeerakkoord. In 2013 is al de wet in werking getreden waarin voorzien is dat het consequenties heeft voor het verblijfsrecht als mensen niet wensen in te burgeren. Dat staat zelfs al in het vreemdelingenrecht. Ik heb geen motie van de PVV nodig om dat te bevestigen. Dat lijkt mij overbodig.

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren):

De VVD sprak terecht over het regeerakkoord. Ik heb daar ook een vraag over. Het is inderdaad zo dat de VVD vrij weinig heeft gedaan om de instroom te beperken, behalve een rapportje laten maken waar voor de rest niets mee gedaan is. Maar over inburgering, stap twee, staat inderdaad in het regeerakkoord waar de heer Azmani naar verwijst, dat wie zich onvoldoende inzet de verblijfsvergunning dient te verliezen. Maar dit is nooit uitgewerkt. De VVD heeft er nooit werk van gemaakt om het kabinet dit te laten uitwerken. Wij zitten inmiddels in het laatste jaar van de kabinetsperiode. Nog elf maanden en dan is het kabinet weg. Waarom heeft de VVD dat nooit gedaan? Als dat zo'n belangrijk punt was voor de VVD om de inburgering te regelen, waarom heeft ze dat dan nooit laten uitwerken? Wat is dat?

De heer Azmani (VVD):

Ik zit in de Kamer om de regering te controleren. Op deze punten van de inburgering heb ik altijd gewezen, ook in voorgaande AO's. De heer Van Klaveren kan het verslag van het laatste AO daarop naslaan. Het lijkt mij in die zin heel helder en duidelijk. Het is niet het laatste jaar van deze kabinetsperiode, maar het eerste jaar waarin consequenties kunnen worden getrokken op basis van de Wet inburgering, die wij al in 2012 hebben vastgesteld. Die is in de Tweede Kamer en ook in de Eerste Kamer bekrachtigd. Omdat de wet per 2013 in werking is getreden, kunnen wij daar nu de effecten van zien. De wet is zodanig ingericht dat niet willen inburgeren in dit land verwijtbaar is en consequenties heeft voor het verblijfsrecht. Dat lijkt mij heel vanzelfsprekend. Volgens mij is dat heel helder.

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren):

Het is op papier misschien heel helder voor de VVD. Het punt blijft gewoon dat het nooit is uitgewerkt. Als wij in de praktijk willen zeggen dat iemand niet voldoet, dus zijn inburgeringsexamen niet heeft gehaald en het land moet verlaten, kan dat niet. Waarom niet? Omdat die wetgeving er niet is. Hoe komt dat? Omdat de VVD dat niet heeft laten uitwerken. De VVD vormt samen met de Partij van de Arbeid de coalitie. Daarom stel ik nogmaals de vraag: als het zo belangrijk is dat iemand het land zou moeten verlaten als hij zijn inburgeringscursus niet haalt, waarom heeft de VVD dat dan niet geregeld? Waarom heeft ze dat niet gewoon afgedwongen?

De heer Azmani (VVD):

Wij hoeven dat helemaal niet af te dwingen. Het staat toch heel duidelijk in het regeerakkoord? In de Wet inburgering van 2013 staat de aanscherping van de eisen. Dat is de manier van uitvoering van de wet. Ik kan mij niet voorstellen dat de regering de wet niet wil uitvoeren. Het lijkt mij heel helder en duidelijk. Ik begrijp dus niet welk punt de heer Van Klaveren wenst te maken.

De heer Sjoerdsma (D66):

Vandaag hebben wij het over de gevolgen en de uitwerking van deze PVV-inburgeringswet. Als dit één ding duidelijk maakt, is dat dat minder integratie meer bijstand gaat opleveren en als we pech hebben ook nog meer criminaliteit. Deze wet werkt niet. Deze wet heeft de VVD alleen maar gesteund om destijds haar rechterflank af te dekken. Wat gaat de VVD doen om de integratie te bevorderen? Wat gaat zij doen om deze bijstandsexplosie af te wenden?

De heer Azmani (VVD):

D66 legt de verwijten weer bij de samenleving neer. De verwijten gaan naar de ontvangende samenleving. De mensen doen hun best niet. Misschien zou ik het ook kunnen omdraaien: misschien was het niet helder en duidelijk genoeg voor deze mensen dat ze hun best moesten doen. Misschien verwachten ze van een samenleving waar D66 partijinvloed op heeft, dat het hun uiteindelijk wel tegemoetkomt, omdat er toch geen consequenties aan worden verbonden. Maar zo zit ik niet in de wedstrijd. De regels in dit land en de informatie daarover zijn heel helder en duidelijk. Die worden ook halfjaarlijks herhaald. Als je niet wenst te integreren of in te burgeren in deze samenleving en dus verwijtbaar niet inburgert in dit land, heeft dat maar één consequentie, namelijk het verlies van verblijfsrecht.

De voorzitter:

De heer Sjoerdsma in tweede instantie.

De heer Sjoerdsma (D66):

Inderdaad in tweede instantie, want dit antwoord was natuurlijk op geen enkele manier een antwoord. De collega's naast mij beamen dat. Het zijn niet de inburgeraars die falen. Het is de wet die faalt. Voor de inwerkingtreding van deze wet slaagde twee derde. Met deze wet slaagt minder dan de helft. Ik vraag de heer Azmani om niet te antwoorden met een riedeltje over mijn partij, want mijn partij heeft altijd gezegd: dit is geen goede wet. Het gaat nu over uw wet, mijnheer Azmani. Wat gaat u doen om deze integratieramp, deze bijstandsexplosie, te voorkomen? Want u zorgt ervoor dat wij straks met enorme socialezekerheidskosten worden opgezadeld voor mensen die geen baan hebben maar wel een uitkering. Daar moet u toch echt wat aan doen.

De heer Azmani (VVD):

Zo zie ik dat helemaal niet, want de mensen die niet bereid zijn om zich de Nederlandse taal – een onderdeel van het inburgeringstraject – eigen te maken, krijgen wat betreft de VVD en volgens de Participatiewet geen bijstand. Laat dat ook helder zijn. Ik zie het risico van die bijstandsexplosie waar D66 het over heeft, niet. Dit legt verplichtingen bij de samenleving, maar vooral bij de nieuwkomers. Ze moeten laten zien dat ze binnen drie jaar in dit land kunnen inburgeren. Met alle respect, de eisen zijn ook niet zodanig hoog dat het lastig is om ze binnen drie jaar te realiseren. Als je je best doet, is het niet eens verwijtbaar. Dus alleen als mensen echt niet hun best doen zijn er verwijtbare situaties. Daar moet het land consequenties aan durven te verbinden. In die zin moeten we dus faciliteren, zoals we op dit moment aan het doen zijn, maar ook bereid zijn om consequenties te trekken. Dat is het verhaal van de wortel en de stok. D66 zou ook gewoon moeten zeggen: als mensen niet bereid zijn om dit te gaan doen, verbinden wij daar consequenties aan.

De heer Sjoerdsma (D66):

Beschamend.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Ik ben toch een beetje verwonderd over de antwoorden en het betoog van de heer Azmani. Vindt hij met het CDA dat in ultimo de sanctie op niet willen inburgeren moet zijn dat je je verblijfsvergunning kunt verliezen en dat er geen verlenging komt? Of zegt de heer Azmani dat dit al zo is? Of sterker nog, zegt hij dat het zo is dat je al tijdens het traject weggestuurd kunt worden als je je niet inspant, zoals in het regeerakkoord staat? Op rijksoverheid.nl staat dat de consequentie van het niet halen van het inburgeringsexamen is dat je een boete kunt krijgen en dat de weg naar het Nederlanderschap is afgesloten. Daar staat niet dat je je verblijfsvergunning kunt verliezen. Als je het de gemeente Rotterdam vraagt, krijg je ook het antwoord dat je een boete kunt krijgen en dat de weg naar het Nederlanderschap is afgesloten, omdat je geen permanente verblijfsvergunning krijgt. Daar wordt ook niet gecommuniceerd dat het al zo is dat je dan je verblijfsvergunning verliest. Dus deelt de VVD de opvatting van het CDA dat dat zou moeten? Of stelt de VVD tegen al deze informatie in en ook tegen de antwoorden van collega Marcouch uit de coalitie in dat deze zin uit het regeerakkoord al gerealiseerd is?

De heer Azmani (VVD):

Wij hebben niet voor niets de Wet inburgering in 2013 juist op dit onderdeel aangescherpt. Het heeft verblijfsrechtelijke consequenties als je niet bereid bent om in te burgeren in dit land. Dat lijkt mij heel helder en duidelijk.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Je zou kunnen betogen dat het niet krijgen van een permanente verblijfsvergunning ook een verblijfsrechtelijke consequentie is. Dat wordt overal gecommuniceerd, maar het regeerakkoord gaat verder. Sterker nog, het regeerakkoord is opgesteld nadat de wet waar de heer Azmani aan refereert, al was aangenomen. Het regeerakkoord is, neem ik aan, niet een samenvatting van wetten die daarvoor zijn aangenomen. Daarin staat de intentie om iets te gaan doen. Die tekst gaat verder. Daar staat dat je vanaf het begin gevolgd wordt als je geen inspanning levert. Ook staat er dat je je verblijfsvergunning verliest als je je niet inzet. De heer Azmani heeft de afgelopen dagen op Twitter geschreven dat het allang gerealiseerd is, maar ik krijg alleen maar signalen dat dit niet waar is. Als dat zo is, kunnen wij hier een discussie voeren over wat wij vinden dat er moet gebeuren. Of blijft de heer Azmani volhouden, ondanks wat iedereen zegt, dat het wel zo is en dat het gewoon wel is gebeurd?

De heer Azmani (VVD):

Volgens mij is het heel erg helder en duidelijk. Dit kabinet is tot stand gekomen na verkiezingen in 2012. Deze wet is in werking getreden in 2013. In het regeerakkoord is vastgelegd dat beide partijen van mening zijn dat de Wet inburgering zowel in het binnenland als in het buitenland aangescherpt dient te worden c.q. dient te blijven. Als iemand de wens uit om niet te integreren en niet in te burgeren in dit land, heeft dat verblijfsrechtelijke consequenties. Natuurlijk kun je daar allerlei juridische bezwaren tegen benoemen. Dat weet ik ook. Ik ben niet voor niets woordvoerder immigratie. Ik kan mij ook voorstellen dat je Syrische vluchtelingen niet terug naar Syrië kunt sturen, maar het heeft wel verblijfsrechtelijke consequenties. Zo iemand kan bijvoorbeeld niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Dat betekent dat hij niet in aanmerking komt voor een vaste verblijfsvergunning. Daarom geef ik aan dat er verblijfsrechtelijke consequenties aan moeten worden verbonden. Volgens mij is dat heel helder en duidelijk. Ik zie geen aanleiding waarom dat niet zou gebeuren. Dit is het eerste jaar waarin wij met elkaar bekijken welke consequenties eraan worden verbonden. Dit is het eerste testjaar waarin wij dat zien. Van de mensen die in 2013 zijn ingestroomd, zien we nu de cijfers. Die hebben we gisteren gepresenteerd gekregen door de Ministers en die cijfers zijn schrikbarend.

De voorzitter:

Ik verzoek de heer Sjoerdsma om niet buiten de microfoon om allerlei commentaar te leveren. Zo debatteren wij hier niet.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Nu wordt het interessant. De heer Azmani geeft aan dat de percentages schrikbarend zijn. Waar ligt dat dan aan? Dat ligt dan toch aan deze wet? Er zijn te weinig docenten, te moeilijke examens en er is te weinig begeleiding. Aanbieders mogen analfabete cursisten weigeren. Dan moet je toch concluderen dat wij de wet moeten bijstellen en dat wij ervoor moeten zorgen dat het aantal inburgeraars die slagen omhoog kan gaan?

De heer Azmani (VVD):

Het ligt allemaal aan de overheid en aan de Staat, ja. Het ligt niet aan de nieuwkomer. Laat dat helder en duidelijk zijn bij GroenLinks. Dat snap ik ook wel, want dat is heel lastig te benoemen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Kan de heer Azmani een antwoord geven dat op de inhoud ingaat?

De heer Azmani (VVD):

Ja, natuurlijk.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Hij doet er vaak zo lang over.

De heer Azmani (VVD):

Ik ga over mijn eigen antwoorden. Als mevrouw Voortman dat vervelend vindt, moet ze geen interruptie plegen.

De voorzitter:

U gaat de vraag gewoon beantwoorden.

De heer Azmani (VVD):

Op de agenda staat ook een brief van twee maanden geleden, waarin de Minister heel helder aangeeft dat er voldoende opleidingsaanbod is in de diverse regio's. Op de kwaliteit wordt toegezien door Blik op Werk. De cursisten die het inburgeringstraject hebben afgerond, geven een cijfer van 8,2 voor de kwaliteit en de waarde van taalaanbieders en de inburgeringsaanbieders. Dus het is heel helder en duidelijk dat je niet meteen de conclusie kunt trekken dat het ligt aan de nieuwe wet of de overheid. Het vergt iets van mensen die hier komen en willen inburgeren in dit land. Zij worden voorzien van informatie en gefaciliteerd door DUO voor de financiën. Uiteindelijk moet je daaraan consequenties verbinden.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Natuurlijk mag je van mensen verwachten dat ze hun stinkende best doen om in te burgeren. De wet is het enige wat veranderd is. De eisen zijn enorm aangescherpt. Als dat vervolgens leidt tot een lager slagingspercentage – de heer Sjoerdsma gaf net ook al aan dat minder dan de helft slaagt – moet je concluderen dat de wet niet werkt en dat die niet ervoor zorgt dat mensen inburgeren. De wet bereikt het doel onvoldoende.

De heer Azmani (VVD):

Volgens mij kunnen wij die conclusie nu niet trekken. Dat is ook de reden waarom de Minister onderzoek daarnaar doet. Dat lijkt mij een goede zaak en ik ben ook blij dat de Minister dat doet. Volgens mij is de Minister zelf ook enorm geschrokken van de cijfers die er liggen. In het AO Inburgering van vorig jaar paste het in de woorden van de Minister nog in een zogeheten cohort. Met andere woorden: er gingen op dat moment nog geen alarmbellen af dat het allemaal misging. Wij dachten toen met zijn allen niet dat het echt niet de goede kant op ging. Nu zijn de eerste cijfers gepresenteerd. Ik prijs de Minister dat hij onderzoekt waar dit exact aan ligt. Maar het is te makkelijk om te zeggen: het ligt aan de wet, de taalaanbieders of de overheid.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ongetwijfeld is het heel erg complex. De VVD hecht net als de SP grote waarde aan inburgering en taal, want dat is de sleutel voor participatie in de samenleving. Dat constaterende kijken we naar de praktijk en zien we dat er sprake was van 15.000 geslaagde inburgeraars per jaar en dat het er nu 6.000 zijn. De doelgroep wordt groter. De VVD kan toch niet alleen wijzen naar de inburgeraar zelf? Het ligt dan toch ook aan het stelsel van inburgering? Kan de heer Azmani dat op zijn minst toegeven?

De heer Azmani (VVD):

Deze commissie kan tijdens dit AO erover filosoferen waar het exact aan ligt. Volgens mij is het juist goed dat de Minister op dat punt een onderzoek doet. Ik moet alleen constateren dat wij twee maanden geleden nog een brief hebben ontvangen waarin staat dat de aanbieders in elke regio goed vertegenwoordigd zijn. Want er werd ook weleens gezegd dat er te weinig aanbieders op de markt waren. Ook werd gezegd dat de kwaliteit van hetgeen er werd aangeboden slecht is, maar de cursisten die zijn ingeburgerd geven een gemiddeld cijfer van 8,2 terwijl de verwachtingen 6,5 waren. Ik vind het dus te gemakkelijk om te zeggen dat het alleen aan de wet of het systeem ligt. We zullen zien waar het exact aan ligt. Bij de categorie «verwijtbaren», die gewoon veel te laat zijn begonnen met inburgering of nog steeds niet bezig zijn – die sluiten wij ook niet uit – moet je op een gegeven moment ook handhaven. Dat is het enige wat ik hierover heb neergelegd.

Mevrouw Karabulut (SP):

Wat de heer Azmani stelt, rijmt niet met de praktijk. Ten eerste zijn er wachtlijsten voor vrijwillige docenten en professionals die mensen in de locaties van het COA inburgeren. Ten tweede zijn er wachtlijsten voor alfabetiserings- en taalcursussen. Daar zitten ook migranten tussen. Ten derde zijn er grote groepen migranten die bezig zijn met hun inburgering, maar omdat de heer Azmani alleen maar spierballen wil laten zien en niet kijkt naar wat wel en niet werkt, blijven zij achter. Ik vind het onverantwoordelijk dat de heer Azmani alleen naar de inburgeraars wijst, zonder dat hij precies kan zeggen hoeveel niet-willenden er zijn. Ik weet dat ook niet, maar ik beweer het ook niet. Ik vind dat stemmingmakerij. Ik vind dat dit de samenleving, de inburgering en het belang daarvan echt ondergraaft. Ik vind dat gewoon onverantwoordelijk. Als je voor een wet hebt gestemd, moet je ook openstaan voor de problemen die die met zich meebrengt, zodat we die kunnen verbeteren. Deze houding brengt ons niets verder, maar zadelt burgers, migranten en niet-migranten op met de problemen die mede door de VVD zijn veroorzaakt.

De heer Azmani (VVD):

Ik hoorde geen vragen, maar laat duidelijk zijn dat deze wet meer verantwoordelijkheid legt bij de nieuwkomer. De intrinsieke motivatie is enorm belangrijk. De vorige wet was vooral gericht op het maar blijven aanbieden van inburgeringstrajecten, met alle consequenties en gevolgen van dien, bijvoorbeeld dat mensen niet voldoende hun best deden. Mevrouw Karabulut weet ook heel goed hoe de oude wet was.

De voorzitter:

Mijnheer Azmani, u vervolgt uw betoog.

De heer Azmani (VVD):

Ik heb in de interrupties al heel veel kunnen zeggen. Mijn vraag aan de Minister is op welke termijn hij terugkomt op de vragen die de VVD al heeft gesteld. Wanneer kunnen wij die antwoorden tegemoetzien?

Als wij kijken naar wat op ons afkomt, gelet op de recente asielinstroom, denk ik dat iedereen worstelt met bijvoorbeeld voldoende opvangplekken. Iedereen zit daarmee in het kader van de maatschappelijke begeleiding van de gemeente. De VVD wil het heldere signaal afgeven dat de migrantenstroom daadwerkelijk ingedamd moet worden. Ik hoop dat dit een helder signaal is voor de Minister. Met deze wet in de hand moet er alles aan gedaan worden om af te dwingen dat degenen die wel voor verblijf in ons land in aanmerking komen, zo snel mogelijk volwaardig meedraaien in deze samenleving.

De voorzitter:

Mijnheer Sjoerdsma, u was al geweest in deze ronde. U hebt twee interrupties.

De heer Sjoerdsma (D66):

Voorzitter, ik neem aan dat ik zelf mag uitkiezen bij wie ik mijn interrupties plaats.

De voorzitter:

Dat mag u. Ik neem aan dat het gaat over het laatste deel van de bijdrage van de heer Azmani en niet over het eerste deel.

De heer Sjoerdsma (D66):

Dank u wel voor deze coulance. Ik ben nu de laatste in de rij. Ik heb alle collega's horen zeggen dat ze grote zorgen hebben over de manier waarop deze wet uitpakt. De heer Azmani ontkent die zorgen. Hij denkt dat het alleen maar aan de inburgeraars ligt. Als nu uit het onderzoek van Minister Asscher blijkt dat deze wet en de uitvoering daarvan niet functioneren, is de VVD dan bereid om de wet aan te passen?

De heer Azmani (VVD):

Ik zeg helemaal niet dat het allemaal aan de inburgeraars ligt. Daarom prijs ik de Minister nu ook dat hij onderzoek doet. Ik maak een onderscheid tussen de categorieën «niet-verwijtbaar» en «verwijtbaar». Als ik alleen de inburgeraars de schuld zou geven, zou ik zeggen dat het allemaal verwijtbaar was. Dat is niet het geval. Natuurlijk ben ik heel benieuwd naar de resultaten van het onderzoek. Aan de hand van de onderzoeksresultaten moeten wij bezien wat wij kunnen doen. Bij deze wet hoort ook de achterkant, dus dat je ook consequenties durft te verbinden aan niet inburgeren. Mensen moeten ook ervaren dat je geen loopje kunt nemen met deze overheid, die het van belang vindt dat mensen gewoon meedoen in deze samenleving. Wat maakt een samenleving? Dat is dat mensen kunnen meedoen en participeren. Dat is in ieders belang, niet alleen in het belang van de ontvangende samenleving, maar ook in dat van de nieuwkomer zelf.

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik vroeg niet naar de maatschappijvisie van de heer Azmani. De heer Azmani laat na al deze interrupties ineens ook de deur open in die zin dat er in de wet misschien iets niet goed is. Hij legt het verwijt immers niet alleen maar bij de inburgeraars. Ik vroeg gewoon of hij bereid is om de wet zo nodig aan te passen als straks uit de evaluatie komt dat deze wet niet functioneert, wat meerdere collega's en ook ikzelf vermoeden. Ik wil gewoon een ja of nee horen.

De heer Azmani (VVD):

Zo zit ik daar op dit moment niet in. Ik denk dat deze wet heel veel succes kan hebben, ook als je consequenties durft te trekken, zodat mensen ervaren, voelen en weten dat het menens is en dat ze in principe binnen drie jaar moeten inburgeren. Als dat duidelijk is, kan deze wet heel goed werken. Als er onduidelijkheid blijft omdat er partijen zijn die er geen consequenties aan willen verbinden, zal het minder effectief zijn. Maar aan wie ligt het dan, vraag ik aan de heer Sjoerdsma.

Mevrouw Karabulut (SP):

Voorzitter. Sinds de wijziging van de Wet inburgering, de bezuiniging van 350 miljoen, de introductie van de marktwerking, het afschuiven onder het mom van eigen verantwoordelijkheid, de strenge regels en het wegvallen van het overheidstoezicht gaat het steeds slechter met de inburgering. Het aantal cursisten dat examen doet, ligt ver onder het gemiddelde van daarvoor. Ik zei het al: van 25.000 een aantal jaren geleden zijn we gegaan naar 6.000 nu, terwijl het aantal behoeftigen, honderdduizenden mensen, groot is. Dat is dus vele malen groter. Er is sprake van een sterke afname, een tekort aan leraren en verslechterde toegankelijkheid en kwaliteit. Mensen moeten toch en masse – daar is ie weer: de eigen verantwoordelijkheid – worden begeleid. Dus dat «zoek het maar uit» en het wegbezuinigen van problemen onder het mom van eigen verantwoordelijkheid, werken niet. Erkent de Minister dat? Erkent de Minister ook dat in die zin nu al geconcludeerd kan worden dat de wet moet worden aangepast?

Naar aanleiding van alle signalen heb ik vorig jaar al vragen gesteld aan de Minister. Wij wisten namelijk een jaar geleden al dat het helemaal niet goed ging en het wordt alleen maar erger. In de antwoorden op mijn vragen zei hij doodleuk: ik zie vooralsnog geen reden om aanvullende maatregelen te nemen. We zijn een jaar verder. Het komt op mij over dat de Minister op zijn handen heeft gezeten. De Minister zei gisteren dat het zorgwekkend is, maar wat heeft hij het afgelopen jaar dan gedaan?

Een onderzoek zoals de Minister voorstelt, is volstrekt onvoldoende. Dat blijkt ook uit de discussie van zojuist. Ik wil gewoon weten wat er gebeurt. Als de overheid zegt dat dit verplicht onderwijs is dat cruciaal is voor de integratie, moet ze haar handen daar niet van aftrekken, maar erbovenop zitten. Hoe zit het met de kwaliteit? Hoe zit het met de toegankelijkheid? Is de Minister bereid om de onderwijsinspectie in ieder geval de kwaliteit en de toegankelijkheid te laten onderzoeken? Ik ben blij dat andere collega's zich nu bij ons aansluiten op dat punt. In de toekomst moeten de inburgering en het taalonderwijs weer als onderwijs behandeld worden.

Behalve dat er marktwerking is, weten wij ontzettend weinig. Dat zei ik al. Ik heb daarom heel veel vragen. Hoe zit het met de mensen die dit jaar hun diploma zouden moeten halen maar dat nog niet hebben gedaan, en die ook niet bekend zijn bij DUO? Zijn dat de onwilligen, zoals de heer Azmani suggereert? Of ligt dat aan de wet, omdat mensen de ruimte krijgen om zelf te gaan zoeken? Hoe gaat de Minister dit in kaart brengen? Hoeveel niet-willenden zijn er eigenlijk? Hoe zit het met de groepsgrootte bij de aanbieders? De heer Azmani stelt dat de slager zijn eigen vlees altijd goedkeurt. Dat weten we, maar hoe zit het nu echt met de groepsgrootte? Hoe is de relatie tussen de docent en de inburgeraars? Hoe zit het met de wachtlijsten? Wat gebeurt er met de jongeren die misschien niet inburgeringsplichtig zijn? Wat gebeurt er na de inburgering? Wat gebeurt er de komende tien jaar? Wat hebben we nodig? Wat gebeurt er als men het examen niet haalt? Wat wordt er eigenlijk getoetst bij het onderdeel «oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt»? Hoeveel diploma's zijn er inmiddels door inburgeraars voorgelegd voor waardering? Welke richting was dat en wat is de uitkomst?

Ik ben helaas nog niet klaar. In het asielzoekerscentrum, in de COA-opvangcentra, zijn heel veel vrijwilligers bezig met het aanbieden van lessen, want er kan soms wel anderhalf jaar zitten tussen het tijdstip dat mensen hier aankomen en het feitelijke begin van hun inburgering. Dat is verloren tijd. Via vrijwillige professionals probeert men dat op te vullen. Ik heb een aantal gesprekken gevoerd met vrijwilligers die met van alles en nog wat bezig zijn. Soms koken ze ook voor de mensen. Zij zeggen: er is te veel druk, wij kunnen het niet meer aan en er zijn wachtlijsten. Wat gaat de Minister daarmee doen? Is zijn stelling, zoals een deel van het kabinet uitstraalt, dat mensen vanaf dag een moeten werken aan hun inburgering op sociaal en cultureel vlak en ook op het vlak van de taal? Of is het: laat ze maar wachten in de hoop dat ze teruggaan en anders beginnen wij weleens met die inburgering?

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog, maar u bent aan het eind van uw tijd.

Mevrouw Karabulut (SP):

In de leesexamens zijn de slagingspercentages laag, al jaren. De Minister heeft nu iets meer uren gegeven daarvoor, maar ik wil gewoon weten hoe dat kan. Hoe zit het met de kwaliteit? De Minister heeft een of ander bureautje in geschakeld. ICE heet dat geloof ik. Dat doet van alles en nog wat in het geheim. Laat de onderwijsinspectie daar in godesnaam naar kijken. Wij willen toch dat mensen de taal leren? Dan moeten wij die kennis ook toetsen.

Voorzitter, ik rond af.

De voorzitter:

Nee, u bent aan het eind van uw termijn gekomen. Ik heb gezegd dat ik u bij vijf minuten afkap, want wij hebben vier minuten afgesproken. U bent nu al over de vijf minuten. U maakt uw punt maar in de tweede termijn. Wij zijn hier met negen collega's. Ik geef het woord aan de heer De Graaf.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik realiseer mij dat ik heel veel vragen had. Ik dank u voor uw begrip en ik ga door in de tweede termijn.

De voorzitter:

Dank u wel. Er zijn heel veel leden aanwezig en er moet ook nog een tweede termijn volgen.

De heer De Graaf (PVV):

Voorzitter. RTL laat net weten dat DUO heeft gezegd dat slechts 24 mensen tot nu toe een boete hebben gekregen. Dat is ongeveer 4,2% of 4,1% van de 555 mensen die een boete zouden kunnen krijgen. Hoe gaat de Minister deze boetes innen? Wat is het traject daartoe? Waarom is het aantal boetes zo «schrikbarend» laag, om nog eens een VVD-woord te gebruiken?

De regering heeft een aantal wijzigingen aangekondigd in het stelsel van inburgering in het buitenland op aandringen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Volgens het Hof zou er geen rekening worden gehouden met de individuele omstandigheden van gezinsmigranten. Gezinshereniging zou moeilijk zijn. Wij weten in Nederland wel beter, want de gezinshereniging draait hier op volle toeren. Zie alleen al de berichten – ik heb dit al gezegd – over docenten die met de handen in het haar zitten vanwege de vele jonge herenigers in het onderwijs. Daarnaast vindt het Hof de kosten van € 110 voor het studiepakket en € 350 voor het examen te hoog. Wat doet de Nederlandse regering? Die bukt en past alles weer aan. Ze buigt voor de EU.

Allereerst deugt de Europese richtlijn niet. Gezinsmigratie uit niet-westerse landen moet niet worden bevorderd, zoals in de richtlijn staat, maar juist onmogelijk worden gemaakt. Zolang de grenzen voor migranten uit islamitische landen niet dicht zijn, moet onder andere de lat voor inburgering torenhoog worden gelegd ter ontmoediging. Er mag dan ook geen enkele uitzondering worden gemaakt wat betreft de eis tot inburgering in het buitenland. De kosten moeten in ieder geval gehandhaafd blijven, maar wat de PVV betreft worden ze juist nog verder verhoogd en betaalt de inburgeraar altijd zelf. Is de Minister bereid om dit pakket aan maatregelen te nemen?

Gisteren zijn de slagingspercentages naar buiten gekomen. De helft van het cohort inburgeringsplichtigen die dit kwartaal aan hun inburgeringsplicht hadden moeten voldoen, heeft dit verzuimd. 60% daarvan heeft zelfs niet deelgenomen aan het examen. Niet deelgenomen nog! En wat doet de Minister? Hij wil eerst een onderzoek. Dat is al gezegd.

Het traject rond de inburgering moet beter. Wat de PVV betreft – het is zojuist ook al gezegd – wordt de verblijfsvergunning van iedereen die het niet haalt, direct ingetrokken. De overheid, de belastingbetaler, de cursusaanbieders, iedereen en de hele samenleving werken hard om inburgeringsplichtigen te helpen slagen. De informatievoorziening is verbeterd. Elk halfjaar ligt er een herinnering aan de inburgeringsplicht op je deurmat. Ook word je herinnerd aan de afloop van de inburgeringstermijn. Er staan oefenexamens op de website. Er is sprake van een herschikking van de vragen van het onderdeel leesvaardigheid, een uitbreiding van de examentijd, verhoging van de bijdrage door de belastingbetaler aan de maatschappelijke begeleiding, want er gaat tweeënhalf keer zo veel belastinggeld naar de maatschappelijke begeleiding. Verder is er een kennisgevingsplicht in 33 of 34 talen op de website; ik was de tel kwijt. Bovendien zijn er strengere kwaliteitseisen aan taalaanbieders. Het ligt blijkbaar aan de hele wereld, aan de hele maatschappij behalve aan de inburgeraar zelf. Hoe verhoudt zich dit tot het uitgangspunt dat de inburgeringsplichtige zelf verantwoordelijk is voor de inburgering?

Ik zal binnen de tijd eindigen. De conclusie die ik trek uit deze hele gang van zaken is dat de overheid het signaal aan inburgeraars geeft dat iedereen verantwoordelijk te maken is voor het falen van de inburgeraar, behalve de inburgeraar zelf en dat hij het dus niet zo nauw hoeft te nemen met de Nederlandse wet. Mijn slotvraag aan de Minister is: ziet de Minister in dat de hele inburgering bestaat uit inspanningen van belastingplichtigen – ik vat het even samen – en dat er amper iets van de inburgeraars wordt gevraagd? Is de Minister bereid om de termijn voor inburgering voor mensen die hier al zijn, in te korten tot maximaal een jaar?

De heer Marcouch (PvdA):

Als ik de heer De Graaf beluister, kan ik niet anders dan concluderen dat de PVV eigenlijk niet wil dat niemand anders dan degenen die in Nederland wonen, kennisneemt van onze taal en cultuur, van de Nederlandse trots dus. Ik zou eigenlijk heel graag van de PVV horen hoe zij tegen de inburgering aankijkt. Wanneer is iemand eigenlijk ingeburgerd?

De heer De Graaf (PVV):

Mag ik? Voorzitter, mijn buurman zit te brullen. Nogmaals, ik zou het fijn vinden als ik gewoon antwoord kon geven.

Ik zie een diametraal verhaal bij de PvdA. De heer Marcouch wil waarschijnlijk graag dat de hele wereld Nederlands leert. Hij is natuurlijk een gestaalde internationalist. Dat moet ook als je de oemma vertegenwoordigt en die uit wilt breiden. Dan wil je dat je voor iedereen verantwoordelijk bent en wil je geld aan iedereen geven. Daar zijn wij het niet mee eens. Wij willen dat de kraan wordt dichtgedraaid, dat de grenzen dichtgaan en dat er geen migratie meer vanuit islamitische landen naar Nederland plaatsvindt. En ja, de mensen die hier zijn moeten zelf hun verantwoordelijkheid nemen, zelf betalen, zelf inspanningen leveren en zelf de kinderopvang betalen. Als je ergens heen gaat, dan heb je toch de motivatie om te slagen in die maatschappij? Laat dat dan ook zien en ga niet tegen 60% of nog veel meer van die mensen zeggen: we doen het lekker niet.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Het moet mij van het hart dat ik vind dat collega's elkaar onderling niet op die manier dienen te bejegenen. De heer Marcouch is een gekozen volksvertegenwoordiger in het Nederlandse parlement. Hij stelt een vraag aan de vertegenwoordiger van de PVV. Die kan ook een normaal antwoord geven zonder dit soort onterechte en bizarre persoonlijke toespelingen te maken. Een beetje niveau graag, mijnheer De Graaf.

De heer De Graaf (PVV):

Ik heb geen enkele boodschap aan de christendemocratische bevoogding van de heer Heerma.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Dat is duidelijk.

De voorzitter:

De heer Marcouch stelt een vraag in tweede instantie.

De heer Marcouch (PvdA):

Ik vind dat Nederland en datgene waar we in Nederland voor staan, de verworvenheden, waarden en cultuur, iets zijn om trots op te zijn. Ik ben alleen maar blij als mensen in het buitenland dat van ons overnemen. Ik heb geen antwoord gekregen op mijn vraag. De heer De Graaf heeft heel veel kritiek op de Wet inburgering en op het inburgeringsbeleid. Dat mag allemaal, maar ik ben simpelweg benieuwd naar de visie van de PVV op de inburgering. Wanneer is iemand nou ingeburgerd? Kijkend naar de werkelijkheid van onze samenleving, wanneer is iemand voor de PVV ingeburgerd? Wanneer doet iemand het goed in de ogen van de PVV?

De heer De Graaf (PVV):

Iemand die naar Nederland wil komen, zal vooraf zijn inburgering moeten regelen. Hij zal zich moeten oriënteren op de taal, op de arbeidsmarkt, op scholing en dergelijke, zodat hij een baan kan scoren als hij naar Nederland komt. Dan kan hij bijdragen, belasting betalen en goed Nederlands spreken. Sterker nog, wij zouden het mooi vinden als iemand de westerse waarden incorporeert die wij hier hanteren en die diametraal staan op vele andere waarden op de wereld. Het zou mooi zijn als die van hemzelf worden. Wij spreken vaak over assimilatie en die gaat misschien net iets verder dan inburgering. Dat zou mooi zijn, want dan ben je veel verder dan inburgering. Het beste is dat iemand die van buiten naar hier komt, in ieder geval bijdraagt aan de maatschappij door de taal te spreken, de cultuur en de waarden te omarmen en vooral door belasting te betalen zoals iedere andere Nederlander. Het is eigenlijk een heel simpel verhaal. Het was ook een vraag naar de bekende weg.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

Voorzitter. Nieuwkomers wordt het onmogelijk gemaakt om in te burgeren. Je krijgt geen begeleiding, geen ondersteuning. Je moet een dure cursus doen van € 6.000 tot € 10.000. Vervolgens moet je een examen doen waarvoor de meeste Nederlanders, ook mensen van de PVV en andere partijen, niet zullen slagen. Is de Minister bereid om zijn eigen ambtenaren dat examen te laten doen en om de examenuitkomsten heel eerlijk met de pers te delen? Ook de partijen die dit soort examens fantastisch vinden, zou ik willen vragen om dit examen te laten doen door de eigen achterban, de leden. Kijk dan eens hoeveel leden van jullie partij dit examen halen.

Als iedereen het inburgeren zo belangrijk vindt, dus om de verworvenheden van Nederland te leren kennen, wat doen we dan met al die Duitsers, Polen, Roemenen, Chinezen en Bulgaren? Dat zijn honderdduizenden mensen in Nederland die geen enkele inburgeringscursus doen. Zij spreken de taal niet en doen zoals zij in hun eigen land hebben gedaan. Daar praten wij hier niet over. Alleen aan mensen uit met name moslimlanden worden hoge eisen gesteld. Dat is een pestmaatregel van het kabinet-Rutte I die het kabinet-Rutte II, het kabinet-Rutte/Asscher, heeft overgenomen. Nu zien wij de effecten daarvan. En wat zegt de VVD in de pers? Schrikbarend! Het CDA zegt: stuur ze terug. De PvdA zegt: alarmerend. Ik dacht toen ik het bericht las: wij hebben het over discriminatiecijfers en racismecijfers, maar helaas hebben wij het over een wet die het zo moeilijk maakt dat mensen niet kunnen slagen.

Wat zie ik in Nederland? Ik zie pestbeleid. Ik zie ontmoedigingsbeleid. Gisteren zat VN-chef Ban Ki-moon in de Tweede Kamer. Hij sprak over xenofobisch nationalisme. Dat ziet onze VN-chef. Dat is een punt waarvan wij moeten schrikken. Dat is alarmerend. Daar moet je maatregelen tegen nemen. Daar moet je wetgeving op inzetten. Je moet de mensen die naar Nederland willen komen niet gaan pesten.

Hoe proberen grote partijen mensen buiten de deur te houden? Dat doen ze op drie manieren. Ze proberen gezinshereniging zo veel mogelijk te ontmoedigen. Helaas lukt dat ook. Ze zijn bezig om bevolkingsgroepen te criminaliseren. Ze willen andere bevolkingsgroepen ontmoedigen om hier te komen. Helaas lopen grote partijen achter het PVV-beleid aan. Verder krijgen de mensen die in Nederland zijn te maken met een integratiedreun. Ze moeten zich maar invechten. Ze moeten hun identiteit inleveren om in Nederland te mogen blijven. Ze worden door de gevestigde politieke partijen in een mal gegoten, de mal van het zogenaamde ideale Nederland. Ik noem het «het Bountykeurslijf»: zwart van buiten, wit van binnen. Dat is een pure integratiedreun. Ze mogen wel meedoen, maar alleen aan de zijlijn. Ze mogen wel meedoen zolang ze luisteren naar de elite. Ze mogen wel meedoen, maar ze mogen niet meebeslissen. Ze mogen wel meedoen, maar ze mogen nooit de overhand krijgen. Dat zag je ook in de discussie ...

De voorzitter:

Mijnheer Öztürk, er is een interruptie van mevrouw Karabulut.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

Ik was net op dreef!

Mevrouw Karabulut (SP):

Dat komt u straks wel weer, hoor. Ik ben ook niet van het xenofobische nationalisme, niet in Nederland maar ook niet in andere landen zoals Turkije. Wat dat betreft zijn wij het eens. Ik vraag mij wel af waar DENK dan wel voor staat. Ik kijk nu even naar de eerste generatie gastarbeiders, mijn ouders. Zij hebben er altijd ontzettend van gebaald dat er geen taal- en inburgeringsvoorzieningen waren. Nu ken ik heel veel vrouwen van de tweede generatie die heel blij zijn met die inburgering. Zij zien in dat dat belangrijk is. Erkent DENK ook dat, als je naar een ander land toe gaat, samenleven ook geven en nemen betekent? Erkent DENK dat de taal een belangrijke sleutel is en dat je in die zin best eisen mag stellen aan mensen?

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

Zover ben ik het met mevrouw Karabulut eens, maar die eisen mogen niet steeds worden verhoogd. Die eisen moeten voor een nieuwkomer helder, duidelijk en behapbaar zijn. Als je een eis stelt aan het examen die de gemiddelde VVD'er en de gemiddelde ambtenaar van de Minister niet kan halen, ga je dan eerlijk en reëel om met die mensen? Ze moeten de taal leren. Dat is terecht. Het is ook terecht dat ze moeten meedoen aan de samenleving, evenals een baan zoeken en belasting betalen. Ze moeten meedoen in de Nederlandse samenleving.

Mevrouw Karabulut (SP):

Zeker, wij zouden het inburgeringsstelsel ook als onderwijs willen benaderen, waarbij je inderdaad rechten en plichten hebt en waarbij de insteek moet zijn dat je mensen kansen biedt en straft waar dat nodig is. Ik ben blij om te horen dat ook DENK vraagt dat mensen zich aanpassen wanneer ze naar een ander land toe gaan, zowel wat betreft de taal als in sociaal-cultureel opzicht. Het is geven en nemen wat dat betreft.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

Aanpassen wil niet zeggen dat ze PVV'er moeten worden. Aanpassen wil zeggen dat ze in dit land leven volgens onze regels, volgens onze Grondwet en de wetten die we met z'n allen maken en niet dat ze zich aanpassen aan een bepaalde ideologie. Daar hebben wij het over.

Ik ga door met mijn betoog. Ook in de discussie naar aanleiding van de opmerking van Johan Derksen over Marokkanen bij voetbalclubs zagen we weer de racistische onderbuikgevoelens van een aantal mensen. Zij zeggen: als je niet met je blote billen meedoucht, hoor je er niet bij. Aan dat soort dingen hoeven deze mensen zich niet aan te passen. Mensen bepalen zelf of ze hun onderbroek uitdoen of niet. Die vrijheid is er.

Wij van DENK verzetten ons fel tegen de dubbele maat. Wij zijn allemaal evenveel Nederlander is de boodschap van DENK. Stop met de pestmaatregelen en omarm de diversiteit. Diversiteit is rijkdom. Zonder diversiteit is Nederland oersaai.

De voorzitter:

De heer De Graaf wil nog een interruptie plegen, maar hij heeft zijn interrupties al verbruikt. De heer Marcouch heeft er nog wel.

De heer Marcouch (PvdA):

De heer Öztürk had het over die onderbroek. Ik deel zijn opvatting dat mensen zelf moeten kunnen bepalen hoe ze zich kleden en wat ze wel of niet doen, zolang zij zich houden aan de wet. Ik vind dat een beginselstandpunt. Ik ben in die zin heel nieuwsgierig naar wat de heer Öztürk vindt van het feit dat de Turkse consul Turkse Nederlanders in Nederland oproept om iets te doen in plaats van ze zelf te laten bepalen wat ze wel of niet moeten doen, bijvoorbeeld aangifte doen of melding doen van een vermeende belediging van Erdogan.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

De heer Marcouch heeft zich ook aangesloten bij het kamp dat Turkije en de Turkse overheid basht. Complimenten daarvoor.

De heer Marcouch (PvdA):

Ik stel gewoon een heel actuele, fatsoenlijke vraag. Ik werp verre van mij dat ik wie dan ook bash. Ik wil graag een reactie hebben op het feit dat een buitenlandse overheid zich inmengt in binnenlandse zaken, waarbij mensen dus niet de vrijheid hebben om zelf de keuze te maken of ze iets wel of niet melden. De heer Öztürk deelde namelijk zelf net dat standpunt.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

Nogmaals, complimenten aan de heer Marcouch dat hij zich aangesloten heeft bij de kant van «hoe kan ik de Turkse overheid en de Turken bashen». Goed, blijkbaar is hem deze vraag ...

De voorzitter:

Zou u de vraag willen beantwoorden en niet nogmaals uw commentaar willen herhalen?

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

Ik ga over mijn eigen beantwoording. Ik ben vrij om te beslissen over mijn beantwoording. Daar gaat u niet over.

De voorzitter:

Dat is juist, maar u hoeft het niet nog een keer extra te benadrukken. U hebt uw vrijheid gekregen en nu beantwoordt u gewoon de gestelde vraag.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

De heer Marcouch heeft mij onderbroken. Om mijn verhaal recht te zetten, heb ik dat herhaald. Dat is de opbouw van mijn verhaal. In Nederland is iedereen vrij om dingen te doen en te laten binnen de wetgeving. Iedereen is vrij om met een brief van een buitenlandse mogendheid te doen en te laten wat hij wil. Daar houdt het ook mee op. Op het moment dat wij hier elkaar gaan beschuldigen en in een hoek proberen te duwen, gaat het mis. Iedereen is in Nederland vrij om met die brief iets of niets te doen. Dat is onze verworvenheid. Wij gaan het hier nu hebben over de inburgering en ik zal doorgaan met mijn verhaal.

De heer Marcouch (PvdA):

Ik vind dit jammer, want ik constateer dat de heer Öztürk namens DENK in felle bewoordingen een Derksen, deze Minister en de Nederlandse overheid bekritiseert, maar geen enkele stellingname of kritische noot laat horen jegens de Turkse autoriteiten, die zich inmengen in onze binnenlandse aangelegenheden en mensen met zo'n e-mail onder druk zetten om iets te doen wat ze misschien helemaal niet willen.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

Ja, u vraagt erom, mijnheer Marcouch, dus dan krijgt u het ook van mij.

De voorzitter:

Spreekt u via de voorzitter.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

Ja. De heer Marcouch probeert carrière te maken en een positie te krijgen in Nederland door zijn groep eigen mensen en moslims – en in dit geval is hij een stap verdergegaan – en Turken te bashen. Dat is aan hem. Dat is zijn tactiek, zijn manier van leven. Zo denkt hij dat hij ergens komt in deze samenleving. Daarom zeg ik tegen de heer Marcouch: blijf dat vooral doen, de mensen zien dat ...

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik sluit mij nu aan bij de opmerkingen die ...

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

Ik was nog niet klaar ...

De heer Sjoerdsma (D66):

... collega Heerma eerder maakte.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

Voorzitter, ik ben niet klaar met mijn verhaal.

De heer Sjoerdsma (D66):

De manier waarop over collega's wordt gesproken ...

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

Voorzitter, ik ben niet klaar met mijn verhaal. Ik snap niet waarom mensen tussendoor iets zeggen.

De voorzitter:

Omdat ze een persoonlijk feit of een punt van orde maken.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

Ja, maar dan moet u hem eerst het woord geven.

De voorzitter:

Dan geef ik nu het woord aan de heer Sjoerdsma.

De heer Sjoerdsma (D66):

Dank u wel dat ik dit punt van orde mag maken. Het lijkt mij goed als wij het in dit debat niet hebben over de motivaties van collega's, de achterliggende redenen en de persoonlijkheden. De heer Öztürk moet gewoon antwoord geven op inhoudelijke vragen.

De voorzitter:

De heer Öztürk gaat in tweede instantie de vraag van de heer Marcouch beantwoorden.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

De heer Marcouch probeert mij op een suggestieve manier in een bepaalde hoek te duwen. Dat doet hij bewust. Als iemand dat doet, moet hij ook klappen kunnen ontvangen. Dan krijgt hij gewoon klappen terug. Ik zeg tegen hem, nogmaals: als u denkt ...

De voorzitter:

Via de voorzitter.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

U denkt carrière te maken en een positie te verwerven in Nederland door uw eigen achterban, de Marokkaanse gemeenschap waar u zo vaak trots op was bij de PvdA, en de andere gemeenschappen te bashen. Dat is aan u, maar laat de rest gewoon met rust.

De voorzitter:

Mijnheer Öztürk, ik verzoek u via de voorzitter te spreken. Dat heb ik al twee keer gedaan. Ik ga ervan uit dat u zich daar nu aan houdt. Anders moet ik op een andere manier optreden. U vervolgt uw betoog.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Voorzitter, ...

De voorzitter:

Nee, wij blijven niet aan de gang. Het punt van orde is gemaakt en het is duidelijk. U hebt uw twee interrupties al gehad; het spijt me.

De heer Marcouch (PvdA):

Ik wil wel de conclusie trekken dat ik geen antwoord heb gekregen op mijn vraag, behalve een scala aan verdachtmakingen, die ik verre van mij werp. Dit is gewoon walgelijk. Een ander woord heb ik er niet voor.

De voorzitter:

Dat is volstrekt duidelijk. Nu vervolgt de heer Öztürk zijn betoog.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

De heer Marcouch krijgt wat hij wil. Dat heb ik hem net gegeven.

Ik kom op de uitspraken van het Europees Hof. Nederlandse gezinsmigranten hebben een zaak tegen de regering aangespannen. Ze zijn voor een groot deel in het gelijk gesteld. De Nederlandse regering is opnieuw op de vingers getikt. Ook Minister Verdonk is in het verleden door de rechter teruggefloten. Het lijkt in Nederland een manier van bestuur te worden: alle waarschuwingen negeren en gewoon doorgaan met je foute rechtse rotbeleid. Onze vraag aan de Minister, tevens vicepremier, is: hoeveel rechtszaken zijn er tijdens deze kabinetsperiode eigenlijk tegen de regering of het kabinetsbeleid aangespannen? Hoeveel van die zaken heeft de Nederlandse regering verloren? Hoe vaak zijn adviezen van de Raad van State bij wetgevingstrajecten niet opgevolgd? Kan de Minister een feitelijke beknopte analyse daarvan overhandigen aan de Kamer? Eigenlijk is dat een gewetensvraag. Is de Minister bereid om zichzelf die gewetensvraag te stellen?

Ik rond af. Inburgeren doe je niet alleen in de Nederlandse samenleving. Als je je op social media begeeft, doe je ook aan inburgeren. Ik zag dat de vicepremier, Minister Asscher, een Facebookbattle met DENK is aangegaan. Maar ik zie dat hij nogal wat beginnersfouten maakt en dat hij niet echt goed ingeburgerd is. Hij heeft weinig likes. In het filmpje dat hij erop heeft gezet, geeft hij mij weinig spreektijd. Hij verwijdert reacties die hij niet leuk vindt. Om die reden heeft onze jongerenbeweging OPPOSITIE de Minister de gratis inburgeringscursus «social media voor beginners» aangeboden. Mijn concrete vraag is: het is gratis, u hoeft geen € 6.000 te betalen, dus bent u bereid om de inburgeringscursus van OPPOSITIE aan te nemen om uw inburgering op social media te laten gelden?

De voorzitter:

Wij zijn aan het eind van de eerste termijn van de Kamer gekomen, maar niet voordat de heer Azmani nog een vraag heeft gesteld. Hij heeft nog interrupties.

De heer Azmani (VVD):

Het is voor het eerst sinds lange tijd dat ik mij weer met dit onderwerp bezighoud. Ik heb zelf in mijn inleiding heel nadrukkelijk aangegeven dat wij in deze samenleving moeten voorkomen dat groepen tegenover elkaar gaan staan. Iedereen moet zijn best doen. Naar aanleiding van de beantwoording van de heer Öztürk op de vragen gesteld in de interrupties, wil ik graag weten waar DENK voor staat. Staat DENK voor het creëren van de tegenstelling, zoals ik in de beantwoording op de vragen van collega Marcouch hoor, of staat DENK ervoor dat wij juist niet tegenover elkaar moeten komen te staan en dat wij één zijn in dit land? Wat ons allen verbindt, is dat wij met zijn allen Nederlanders zijn en dat we aan de hand daarvan onze samenleving opbouwen.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

Wij staan voor een samenleving waarin iedereen in Nederland een plek heeft, waarin niemand uitgesloten wordt en waarin niemand een andere eis krijgt dan een ander. Ik heb vandaag het pleidooi gehouden om loonongelijkheid tussen man en vrouw aan te pakken, samen met de heer Heerma en andere collega's. Daar staat DENK voor. Maar DENK is ook een partij die de ware gezichten van een aantal Kamerleden die hier een sociaal verhaal vertellen maar een andere agenda hebben, wil laten zien. DENK is ook een partij die dat ook op social media durft te zetten. DENK is ook een partij die de ware aard van bepaalde mensen die andere mensen in een bepaalde hoek willen duwen, wil laten zien. Daarmee zal DENK door blijven gaan.

De heer Azmani (VVD):

Wat mij verbaast in de strategie van DENK is dat zij altijd naar de achtergrond van Kamerleden kijkt. Dus nogmaals de vraag: is DENK een partij die gericht is op het creëren van tegenstellingen of wil zij juist niet kijken naar achtergrond en afkomst, maar samen met elkaar één samenleving opbouwen, met mensen van allerlei pluimage? Wij hebben allemaal verschillende meningen. Dat kan allemaal in dit mooie land, zolang wij elkaar daarin maar een beetje vrijlaten. Is DENK dus een partij die opkomt voor één samenleving of ziet zij een samenleving met verschillende groepen daarin?

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

Die tweedeling in de samenleving wordt hier gecreëerd door partijen die alleen maar bezig zijn met peilingen, met frames, met hoe ze de pers of de voorpagina van De Telegraaf halen of met wat ze tegen NU.nl kunnen zeggen: hoe ruig ben ik, hoe kan ik zo veel mogelijk PVV-stemmers terugwinnen? Dat zijn de partijen die een tweedeling veroorzaken. De heer Marcouch begon over mijn achtergrond. Hij stelde een vraag over mijn achtergrond. Toen hebt u niet ingegrepen. Als u daadwerkelijk voor die ene samenleving zou gaan, zou u ook tegen Marcouch zeggen: mijnheer Marcouch, waarom stelt u die vraag aan mijnheer Öztürk? Dat doet u niet en dat is de reden waarom er tweedeling in deze samenleving is.

De voorzitter:

De heer Marcouch wenst een persoonlijk feit te maken. Dat recht heeft een Kamerlid.

De heer Marcouch (PvdA):

De heer Öztürk heeft namens DENK iets gezegd over de heer Derksen en zijn uitingen over de kledingkeuze die je zou moeten maken. Ik heb de heer Öztürk gesteund in die zin dat mensen het recht hebben om zelf te bepalen wat ze wel of niet aanhebben. Vervolgens heb ik daar de vraag aan gekoppeld wat hij vindt van iets actueels. Dat heeft niets met achtergrond te maken, maar met een beginselstandpunt dat de heer Öztürk inneemt. Ik begrijp niet waarom hij daar niet net zo gemakkelijk stelling op inneemt als hij dat eerder in zijn betoog deed ten aanzien van deze Minister of de voetbalcommentator of ieder ander. Dat was mijn vraag. Dat heeft helemaal niks met achtergronden te maken.

De voorzitter:

Dank u wel. U hebt uw persoonlijke feit gemaakt. Daarmee is een einde gekomen aan de eerste termijn van de Kamer. De Minister heeft een korte schorsing nodig om de beantwoording voor te bereiden.

De vergadering wordt van 14.32 uur tot 14.42 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor zijn beantwoording in eerste termijn.

Minister Asscher:

Voorzitter. Gezien het grote aantal sprekers en de vele vragen zal ik afzien van het uitspreken van een inleidend betoog, behalve dat ik zeg het eens te zijn met de Kamerleden die zeggen dat inburgering heel belangrijk is. Inburgering is belangrijk voor de nieuwkomers zelf. Ze moeten de taal leren, de samenleving snappen en hun weg naar werk vinden. Het is ook belangrijk voor de samenleving. Het is dan ook terecht dat wij daar vandaag een debat over voeren. Ik loop de vragen langs. Dan komen alle aspecten van het debat aan de orde.

Ten eerste vroeg de Partij van de Arbeid om ook naar de onderwijskundige aspecten te kijken. Daar ben ik het mee eens. Ik wil een onderzoek doen in samenwerking met Blik op Werk. Als dat onderzoek gedaan is, kom ik daarop terug in de brief die ik reeds heb toegezegd voor na de zomer. Dat element moet daarbij.

Het uitdragen van Nederlandse waarden gaat toch over meer dan alleen het afsluiten van verzekeringen? Zeker. Wij hebben al een keer alle vragen over kennis van de Nederlandse samenleving doorgelicht op normen, waarden, grondrechten, antisemitisme et cetera. Daarbij is gebleken dat er voldoende vragen over die onderwerpen in de itembank zitten. Om ervoor te zorgen dat de kandidaat nog meer vragen over die onderwerpen krijgt in het examen, komen er deze zomer nog eens 111 vragen bij. Maar ik ben het eens met de heer Marcouch dat kennis van de Nederlandse samenleving niet alleen moet gaan over de manier waarop je een verzekering afsluit. Bij het doorlichten is ook gebleken dat dat zeker niet het algemene beeld is. Ik zal daar straks nog iets aan toevoegen naar aanleiding van de voorbeelden van de heer Sjoerdsma bij datzelfde punt.

Hoe zit het met de evaluatie? De wet kent een evaluatiebepaling. Dat is ook logisch bij een nieuw stelsel. Om die reden heb ik eerder gezegd dat je voldoende ervaring moet opdoen en data moet vergaren om te kunnen evalueren. Toch is er nu aanleiding om dit onderzoek te verrichten. Ik proef daar ook veel steun voor bij de Kamer.

De voorzitter:

De heer Marcouch heeft een interruptie, ik denk naar aanleiding van de beantwoording van zijn vraag.

De heer Marcouch (PvdA):

Ik denk dat wij dat zo moeten doen, want anders is de Minister straks ver gevorderd in zijn beantwoording en moet hij hierop terugkomen. Mijn punt over de kennis over de samenleving is dat die te theoretisch is. Het is een theoretisch onderdeel, maar ik zou een onderdompeling in de waarden willen. Ik gaf het voorbeeld van de taalschool die in het midden van de oude joodse buurt in Amsterdam Nederlandse les geeft. Die geeft theorie aan mensen. Maar je kunt bijvoorbeeld ook door het Verzetsmuseum heen wandelen en op die manier over het heden en verleden leren. Je kunt bij de Deltawerken zien wat bloed, zweet, tranen en de volharding van Nederlanders betekenen in de strijd tegen water. Ik zou daar graag een reactie van de Minister op willen krijgen. Ik zou heel graag zien dat we het praktijkdeel, dus Nederland ingaan, de daadwerkelijke inburgering, het daadwerkelijke voelen en proeven in beeld en geluid wat Nederland is, toevoegen aan de inburgering. Ik noemde het de methode van het onderdompelen. Ik ben benieuwd of de Minister daar mogelijkheden in ziet.

Minister Asscher:

Ik had die vraag genoteerd als een apart blokje. Ik wilde eerst ingaan op de vraag of het examen met die rare vragen over verzekeringen en de VVD wel in orde is. Ik pak deze nu, want ik vind dit een heel terecht betoog. Het is prachtig om mensen door het opdoen van ervaringen onder te dompelen in de Nederlandse samenleving. Op die manier worden die waarden niet alleen aanschouwelijk gemaakt, maar gunnen wij mensen ook de kans om de waarden te verinnerlijken. Dat is prachtig. Ik denk dat je met elkaar trots kunt zijn op de dingen die dit land bijzonder maken. Ik vind die gedachte zeer waardevol. Ik hoorde die ook terugkomen in het betoog van het CDA. Wat mij betreft moeten mensen die waarden ook snel leren kennen en tot zich nemen. De bewustwording neemt toe door er vaker mee geconfronteerd te worden, maar ook door het echt mee te maken. Asielgerechtigden kunnen in het asielzoekerscentrum via de voorinburgering al in het kader van maatschappelijke begeleiding en straks ook via de participatieverklaring daadwerkelijk in aanraking komen met die waarden. Toch denk ik dat het pleidooi strekt tot meer. Dus ik wil in de praktijk bekijken of wij hier verder mee kunnen gaan en of wij andere vormen kunnen organiseren. Ik denk niet dat je nu in een keer moet zeggen dat alle inburgeringsplichtigen per se naar X of Y zouden moeten – dat is ook niet het betoog van de heer Marcouch – maar ik wil met die gedachte aan de slag. Ik ga kijken of ik een aantal gemeenten kan vinden die daar ook voor voelen en ik kom daarop terug in de brief die na de zomer komt.

De heer Marcouch (PvdA):

Ik ben blij met deze reactie van de Minister. Collega Heerma noemde het pilots. De Minister gaat bekijken of er mogelijkheden zijn om dit bij bepaalde gemeenten uit te proberen. Dat stemt mij positief.

De voorzitter:

Mevrouw Karabulut heeft hier ook nog een vraag over. Ieder heeft overigens twee interrupties, want wij zitten met zo veel leden dat het niet anders kan.

Mevrouw Karabulut (SP):

Merci, voorzitter. Dit is dan inderdaad de eerste. Ik vind dit allemaal vaag. Het is weer in de orde van: het is heel belangrijk dat mensen onze grondrechten leren. Dus dan gaan wij weer een beetje sleutelen aan de inburgeringscursus, maar wat doen wij met al die mensen die nu bij elkaar in het azc zitten? Daar is geen aanbod, ook niet wat betreft onze grondrechten. Zij worden vervolgens per groep gesegregeerd gehuisvest. Dan zijn wij twee jaar verder. Wat gaat de Minister nou heel concreet voor die groep doen?

Minister Asscher:

Die groep laat juist de urgentie zien van goede integratie en van inburgering. De vragen van de heren Marcouch en Heerma gingen over alle inburgeringsplichtigen. Zij vroegen hoe je dat waarde-element kunt laten ervaren, omdat het dan misschien meer effect heeft. Dat kan iets heel moois zijn. Dus daar reageer ik positief op. Er zijn verschillende vragen gesteld over de inburgering van vluchtelingen. Ik denk dat het van belang is dat je mensen in staat stelt zelf vrijwilligerswerk te doen. Ik zal daar straks wat meer over zeggen. Ik denk dat het van belang is dat mensen de taal kunnen leren. Ik denk dat het van belang is dat mensen met een status op een goede manier begeleid worden naar werk en dat daar in de toewijzing aan gemeenten rekening mee wordt gehouden. Met andere woorden, heel veel dingen kunnen en moeten ook. Je moet ook de lessen uit het verleden leren, waardoor het sneller gaat en je mensen niet te lang in afwachting laat zitten. Je moet ervoor zorgen dat mensen die hier mogen blijven, zich ook kunnen gaan inspannen voor die integratie. Het is een enorme opgave. Daar moeten wij ook realistisch over zijn. Het is geen sinecure, maar ik denk ook dat er heel veel beter kan.

Mevrouw Karabulut (SP):

Op dit moment gebeurt er op alle vlakken te weinig, of het nu gaat om inburgeringsplichtigen of om mensen die nog in afwachting zijn van een status. De Minister zegt wat allemaal zou kunnen en moeten. Dat beaam ik. Dat beamen gemeenten. Dat beamen mensen, maar wat gebeurt er? Wat is het plan van de Minister? Op alle vlakken zijn er achterstanden. De Minister zei vorig jaar nog: niks aan de hand. Gisteren zei hij: zorgwekkend. Waar is het plan? Vooralsnog is er geen plan van het kabinet om inburgeringsplichtigen dusdanig te huisvesten dat ze in aanraking komen met de Nederlandse maatschappij. Vooralsnog zitten mensen heel lang te wachten op een woning. Vooralsnog zijn die inburgeringscursussen en die cursussen over normen en waarden er niet of niet afdoende. Mensen doen hun best – dat beaam ik – maar de vraag is wat het kabinet doet.

Minister Asscher:

Dat is een vrij brede vraag. Ik was de tweede vraag aan het beantwoorden naar aanleiding van de vraag over de kennis van de Nederlandse samenleving. Toen kwam de interruptie van de heer Marcouch over die onderdompeling. Die heb ik beantwoord. Ik denk dat het toch overzichtelijker is als ik de vragen in mijn volgorde beantwoord. Dan kom ik uiteraard ook op de vraag welke maatregelen er getroffen zijn en welke wij nog gaan treffen. Dan kom ik op een heel cluster aan vragen over de vluchtelingenproblematiek.

Mevrouw Karabulut (SP):

Met uw permissie, voorzitter, maar ik vind dit een cruciale vraag om ook de andere antwoorden goed te kunnen duiden. Dus ik wil dat de Minister toch eerst begint deze algemene vraag te beantwoorden, zodat wij de andere vragen beter kunnen plaatsen en beoordelen.

Minister Asscher:

Voorzitter, ik ga niet over de orde van de vergadering. Misschien wilt u mevrouw Karabulut nog een vervolginterruptie toestaan als ik zover ben, maar ik wilde wel de structuur van mijn betoog aanhouden. Ik ga niet over hoeveel interrupties iedere persoon heeft, maar ik wilde wel de structuur aanhouden.

De voorzitter:

Mevrouw Karabulut krijgt later nog een halve interruptie, want de helft was al beantwoord. De Minister vervolgt zijn betoog.

Minister Asscher:

De heer Sjoerdsma stelde een vraag over evaluaties en het onderzoek. Wat mij betreft moet het onderzoek een beeld geven van de barrières die er nu zijn. Zolang wij dat onderzoek niet gedaan hebben, is het voorbarig om aan de ene kant te zeggen: «het ligt aan de eisen, want die zijn te hoog», «de examens zijn te moeilijk», «het onderwijs is te slecht» of «de voorlichting is slecht.» Het zou ook voorbarig zijn om aan de andere kant te zeggen dat het allemaal aan de inburgeraar ligt, omdat die niet zou willen. Dat werd in het debat terecht duidelijk. Wij hebben afgesproken dat DUO dat beoordeelt. DUO beoordeelt of mensen zich voldoende hebben ingespannen. De cijfers vind ik dusdanig dat ik het belangrijk vind om nu onderzoek te doen naar de barrières. De officiële evaluatie is weliswaar pas volgend jaar – zo is het in de wet opgenomen – maar zo krijgen wij eerder een beeld van wat er aan de hand is.

Als dat onderzoek oplevert dat je dingen moet veranderen, dan denk ik dat noch Kamer noch regering daarmee zou willen wachten. Sterker nog, wij krijgen het wetstraject naar aanleiding van het invoegen van de participatieverklaring in de Wet inburgering. Dat kan ook een moment zijn, maar dat is speculatief als wij van mening zijn dat de wet zelf moet worden aangepast om dat te doen.

Waarom zijn die cijfers er nu pas? Er zijn toch al eerder zorgen geweest? Zeker. Er zijn al eerder zorgen geweest, ook van organisaties als VluchtelingenWerk. Het is lastig om bij zo'n nieuw systeem van tevoren te ramen hoe die cohorten zich gaan gedragen, omdat mensen vaker pas op het allerlaatst aan die examens gaan voldoen. Ik geloof dat de heer Azmani dat ook zei. Nu hebben wij het eerste kwartaal gehad van 2016.

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik voel wel een beetje mee met collega Karabulut. Het gaat vandaag grotendeels over die dramatische inburgeringscijfers. Omdat wij nu de vragen volgordelijk aflopen, wordt het een beetje rommelig. Laat mijn vraag dan gaan over die evaluatie. Collega Marcouch heeft in december vorig jaar al gezegd: eigenlijk had die evaluatie in december 2015 moeten zijn afgerond. Dat was een belofte van de voorganger van Minister Asscher. Nu zegt deze Minister: wij gaan de knelpunten en obstructies evalueren. Ik zou graag zien dat hij toezegt voor het zomerreces de hele wet plus de uitwerking te gaan evalueren. Als wij dat niet doen, dan lopen wij straks tegen een enorm probleem op. Een integratieramp en een bijstandsexplosie wil niemand aan deze kant van de tafel. Ik hoor graag of de Minister dat toezegt.

Minister Asscher:

Ik kan de wet niet versneld voor de zomer in zijn geheel evalueren. In de wet zelf staat de bepaling dat er na vier jaar geëvalueerd wordt. Dat is een jaar sneller dan gebruikelijk. Dat betekent dat het in 2017 zal gebeuren. Ik deel met de heer Sjoerdsma dat de cijfers die ik gisteren aan de Kamer heb gestuurd zorgwekkend zijn, omdat een te hoog aantal niet tijdig is geslaagd voor het inburgeringsexamen. Ik wil net als de Kamer weten wat de oorzaken daarvan zijn, zodat wij daar gericht wat aan kunnen doen. Ik wacht niet met het nemen van maatregelen. Ik zal straks de maatregelen opsommen die ik nu al tref, maar ik denk dat wij allen moeten willen weten wat de barrières zijn die men nu ervaart.

Ik heb daar net aan toegevoegd dat wij een wetstraject ingaan van de Wet inburgering naar aanleiding van de toevoeging van de participatieverklaring. Zouden wij uit het nu gelaste onderzoek concluderen dat de wet moet worden gewijzigd, dan is daar een traject voor voorhanden. Dat gaat sneller dan wanneer je nu eerst de complete wet gaat evalueren. Volgens mij hebben wij dus op een presenteerblaadje het antwoord dat de heer Sjoerdsma zoekt. Er kan gesproken worden over de wet. Wij doen onderzoek naar de barrières die er nu zijn en wij gaan daar ook snel met elkaar over in gesprek.

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik vind het goed dat de Minister zegt open te staan voor een wijziging van de wet als dat nodig mocht zijn. Ik vind het goed om te zien dat deze wet niet in steen is gebeiteld voor deze Minister en dat hij bereid is om daar serieus naar te kijken, ondanks datgene wat in het regeerakkoord staat, maar ik wil de evaluatie wel degelijk breder en eerder. Als de Minister dat niet toezegt, dan vraag ik bij dezen alvast een VAO aan.

Minister Asscher:

Dat verzoek was niet gericht aan mij, voorzitter.

De heer Sjoerdsma vroeg of de oefenexamens wel de goede vragen bevat. Zitten er geen fouten in? Wordt er wel voldoende toezicht op uitgeoefend? Ik zal erop toezien dat de oefenexamens en de vragen opnieuw bekeken worden. Dat is nu het kortste antwoord, waarbij ik geen opvatting heb over waar de VVD voor staat. Het gaat mij alleen over de vraag of die oefenexamens een goede voorspelling bieden voor wat je bij het examen te wachten staat. Dat kan immers helpen bij de voorbereiding van de inburgeringsplichtige om succesvol examen af te leggen.

Kan de inspectie geen rol spelen bij de beoordeling van de kwaliteit van de cursussen, vroegen SP en D66. Taalaanbieders zijn commerciële partijen. Zij vallen daarom niet onder het Ministerie van Onderwijs. Bij de start heeft de branche de stichting Blik op Werk gevraagd om via een keurmerk toezicht uit te oefenen. Taalaanbieders die dat keurmerk willen gebruiken moeten aan de voorwaarden voldoen en worden daar jaarlijks op geaudit door de stichting Blik op Werk. Desalniettemin wil ik met de collega van OCW contact opnemen over de mogelijkheid om een stap meer te doen. Zoals ook in mijn brief stond, hebben wij allemaal de behoefte om meer zekerheid te voelen over de geleverde kwaliteit. Ik kom daarop terug. Ik neem dat mee in de toezeggingen die ik zojuist al deed. Ik zal dan in overleg met de collega van OCW bekijken of er meer mogelijk is.

Kan het niveau van A2 naar B1, was een vraag van de heer Van Klaveren. B1 is echt een hoog niveau. Dat zullen veel mensen niet halen, ook veel Nederlanders niet. Mensen die hoger opgeleid zijn, wordt aangeraden dat hogere niveau via het staatsexamen te halen. Die weg staat dus open. Het lijkt mij niet redelijk om dat hoge niveau nu te gaan eisen.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik heb nog een vraag over het vorige punt. Het is cruciaal voor de kwaliteit van de inburgering dat wij de slager niet meer zijn eigen vlees laten keuren, ook om überhaupt inzicht te krijgen, temeer omdat de Minister en bijna alle partijen steeds meer waarde zijn gaan hechten aan inburgering. Ik ben blij dat de Minister toezegt dat hij gaat overleggen met zijn collega van OCW, maar het is niet genoeg, zeker niet nu. Ik zou graag willen dat de Minister toezegt dat de onderwijsinspectie de examens en de kennisoverdracht onderwijsinhoudelijk gaat toetsen.

Minister Asscher:

Dat kan ik niet zomaar toezeggen. Ik heb dat net toegelicht. Laat ik vooropstellen dat Blik op Werk onafhankelijk is. Dat een slager zijn eigen vlees keurt, is niet wenselijk. Dat ben ik met mevrouw Karabulut eens. Desalniettemin is er bij de onderwijsinspectie expertise die nuttig zou kunnen zijn en toegevoegde waarde zou kunnen hebben bij het beoordelen van de kwaliteit van aanbieders van inburgeringscursussen. Daarom begrijp ik de vraag van D66 en SP ook heel goed, maar dit past niet in ons stelsel van onderwijsinspectie, want het gaat hier om private organisaties, die niet onder de onderwijsinspectie vallen. Daar heeft de onderwijsinspectie geen taak in. Desalniettemin ben ik bereid met de collega's van OCW te bekijken of er een rol kan zijn voor de onderwijsinspectie, precies langs de lijnen die de Kamerleden hier aangeven, en daarop terug te komen na de zomer. Ik kan nu dus niet toezeggen dat dat zo is, want daar heb ik de collega's die verantwoordelijk zijn voor de onderwijsinspectie echt voor nodig.

Mevrouw Karabulut (SP):

De Minister kan, gegeven de problematiek, wel die intentie uitspreken. Ik wil erop aandringen om het belang en de inhoud van de inburgering te wegen. Ik begrijp niet dat de Minister dat gesprek met zijn collega's en de terugkoppeling daarvan doorschuift naar na de zomer, terwijl er voor de zomer een onderzoek komt. In dat onderzoek zie ik graag het inhoudelijke oordeel van de inspectie terug. Anders vrees ik dat wij volgend jaar eenzelfde discussie voeren.

Minister Asscher:

Dan hebben wij een misverstand met elkaar. Dat zijn twee verschillende elementen. Wij hebben de vraag of de onderwijsinspectie een rol zou moeten spelen in het reguliere systeem, bij de beoordeling van de kwaliteit van inburgeringscursussen. Zo beluisterde ik de vraag van mevrouw Karabulut. Daarnaast is er de vraag die de heer Marcouch stelde: zorg ervoor dat er in het onderzoek ook gekeken wordt naar onderwijskundige elementen. Dat eerste heb ik toegezegd. Dat zal gebeuren. Wie dat gaat doen is een tweede, maar dat zal gebeuren. Mevrouw Karabulut vroeg vervolgens: mag ik een intentie horen uitspreken? Als ik er geen grond voor zou zien, als ik de logica van die argumentatie niet zou zien, zoals ik net ook ruimhartig heb erkend, dan zou ik dat gesprek niet aanknopen. Dat is op zichzelf immers wezensvreemd voor de onderwijsinspectie. Ik vind dat daar wat in zit. Dat zou interessant kunnen zijn vanwege de expertise van de onderwijsinspectie. Met het oog daarop ben ik bereid dat gesprek met de collega's te voeren. Aan de ene kant begrijp ik dat dat misschien frustrerend is, omdat wij dan afhankelijk zijn van collega's. Aan de andere kant is het ook goed gebruik dat ik dan in overleg treed met de collega's en er dan bij de Kamer op terugkom. Mijn collega's zijn immers verantwoordelijk voor de onderwijsinspectie. Zij kunnen misschien argumenten hebben die ik hier niet paraat heb waarom het geen goed idee zou zijn.

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik begrijp goed dat de Minister niet iets kan toezeggen namens zijn collega van Onderwijs. Dat lijkt mij ook redelijk. Tegelijkertijd proef ik geen urgentie op dit terrein. Dat snap ik niet zo goed. Hij zegt: ik kom na de zomer bij u terug. Dat zou eigenlijk volgende week moeten kunnen, gezien die 16.000 asielzoekers die straks inburgeringscursussen gaan volgen. De Minister kan zijn collega, die nota bene van dezelfde partij is, toch gewoon bellen en zeggen: zouden wij dit moeten doen en, zo ja, hoe? Ik leg de Minister maar gewoon een vraag uit het examen voor. Wie krijgt het geld van de belasting? Is dat A) de gemeente, B) de regering of C) de Koning?

Minister Asscher:

Het is belangrijk dat ik de heer Sjoerdsma gerustel: wij delen het gevoel van urgentie. Ik hoop dat dat ook uit de brief spreekt. Maar, zoals ook bleek uit de eerste termijn van de Kamer, hebben wij ook baat bij goed onderzoek naar wat er daadwerkelijk aan de hand is. Wat zijn de oorzaken? Wat zijn de barrières? Als de heer Sjoerdsma mij vraagt om volgende week met dat onderzoek te komen, heb ik geen goed antwoord op de vraag die hier aan de orde is. Wie valt wat te verwijten? Waar zijn er verbeteringen mogelijk? Wat zijn de barrières in de praktijk? Het gaat ook om een groep die divers is samengesteld. Om dat goed te onderzoeken heb je tijd nodig. Dat doet niets af aan het gedeelde gevoel van urgentie.

De heer Sjoerdsma (D66):

Nu gooit de Minister twee dingen op één hoop. Ik wil dat onderzoek voor het zomerreces, maar het overleg met de collega van Onderwijs over de rol van de onderwijsinspectie wil ik graag volgende week. Er is niks wat die termijn in de weg staat. Dat kan heel snel geregeld worden, want de vraag die ik net aan de Minister voorlegde, is een vraag waaruit blijkt dat de kwaliteit nergens op slaat. De gemeente krijgt immers belasting via de gemeentebelastingen, natuurlijk krijgt de regering ook belastingen en een republikein zou kunnen beargumenteren dat de Koning ook een boel belastinggeld krijgt. Er staat dus drie keer een goed antwoord, maar slechts een daarvan wordt goedgekeurd. Dus ik ben het helemaal eens met mevrouw Karabulut in die zin dat er een grote noodzaak is voor onafhankelijk toezicht en dat dit snel gebeurt, en het liefst door de onderwijsinspectie. Ik hoop echt dat de Minister wil toezeggen dat het niet na de zomer gebeurt maar gewoon volgende week.

Minister Asscher:

Het is heus geen onwil, maar ik moet even goed uitfilteren wat de heer Sjoerdsma vraagt. Dat hangt samen met de twee verschillende elementen. Mevrouw Karabulut en ik verstonden elkaar ook niet meteen. De ene vraag is om binnen het onderzoek niet alleen te kijken naar praktische dingen maar ook naar onderwijskundige elementen. Is dit onderwijskundig verantwoord? Daar hebben wij tijd voor nodig. Dat deelt de heer Sjoerdsma, want dat moet goed gebeuren. De andere vraag is of de onderwijsinspectie een rol zou kunnen spelen, op wat voor manier dan ook, bij de beoordeling van de kwaliteit van aanbieders van inburgeringscursussen. Ik begrijp nu dat de heer Sjoerdsma zegt dat het gesprek met de collega's van OCW niet hoeft te wachten tot de zomer. Dat ben ik met hem eens. Dat hoeft ook niet te wachten. Ik heb meer uit praktisch oogpunt gezegd dit mee te nemen in een brief die ik heb toegezegd voor na de zomer waarin ik op een groot aantal dingen terugkom. Als de heer Sjoerdsma daar heel graag eerder over hoort, dan ben ik daar graag toe bereid. Daar zal het echt niet aan liggen.

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren):

Ik heb nog een vraag over de taaleis. Het hele idee van een inburgeringsexamen is gericht op het feit dat nieuwkomers kunnen meedoen en dat immigranten uiteindelijk integreren. Het minimale wat je daarvoor nodig hebt, is een normaal taalniveau. Nu vragen wij aan mensen die hier nieuw komen het een na laagste taalniveau, terwijl ditzelfde kabinet stelt dat je voor een startkwalificatie – dat is de minimale vereiste die je in onze samenleving nodig hebt om mee te doen, het laagste niveau van het vmbo – minimaal B1 nodig hebt. Dat vragen wij niet van deze mensen. Dus deze mensen zijn straks klaar, hebben een inburgeringsexamen gedaan en staan dan in onze samenleving met lege handen, want ze voldoen niet eens aan de minimale voorwaarden om mee te kunnen draaien op de arbeidsmarkt. Het taalniveau voor een startkwalificatie is B1. Waarom schroeven wij het niet op naar dat niveau? Als inburgeren daadwerkelijk erop gericht is om mensen te laten meedoen, dan moet dat taalniveau gewoon omhoog. Als dat niet gebeurt, dan stomen wij deze mensen gewoon klaar voor de bijstand.

Minister Asscher:

Ik ben net op die vraag ingegaan. Dit gaat over de vraag welke eis je redelijk acht voor het inburgeringsexamen. Daar heeft de Kamer een oordeel over geveld. Dat is neergeslagen in de huidige regels voor de inburgering. Dat beschouw ik nu even als uitdaging genoeg. Wij hebben nog een wereld te winnen om mensen tijdig, afdoende en succesvol te laten inburgeren. Dat gaat over taal, maar meer dan dat. Het gaat ook over oriëntatie op de arbeidsmarkt en over normen en waarden. Dit AO staat vooral in het teken van de vraag hoe wij de problemen die zich daarbij voordoen onder controle krijgen. Daarnaast staat het de heer Van Klaveren vrij om te pleiten voor een hoger taalniveau. Ik kies daar op dit moment niet voor.

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren):

Daarmee kiest het kabinet er niet voor om deze mensen klaar te stomen om mee te draaien in onze samenleving maar om ze klaar te stomen voor de bijstand. Deze mensen voldoen volgens ditzelfde kabinet immers niet aan de eisen die worden gesteld bij een startkwalificatie. Dat is het allerlaagste niveau waarop je mee kunt draaien op onze arbeidsmarkt. De Minister sprak net over oriëntatie op de arbeidsmarkt. Dat kan hij helemaal skippen als deze mensen de taal niet spreken op een bepaald niveau, want dat gaat niet gebeuren.

Minister Asscher:

Dit kabinet heeft, volgens mij mede op suggestie van de heer Azmani, die toen nog integratiewoordvoerder was, een module arbeidsmarkt toegevoegd aan het inburgeringstraject. Dat is van belang. Daarmee geef je mensen de kans om zich te oriënteren. Dat vergroot hun kans op werk. Dat is nieuw. Dat was niet zo. Dat gaat bijdragen.

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren):

Maar dat betekent wel dat die mensen überhaupt dat niveau moeten hebben.

De voorzitter:

Nee, mijnheer Van Klaveren, wij doen interrupties in tweeën en ik heb u niet het woord gegeven. De Minister vervolgt zijn betoog.

Minister Asscher:

Mevrouw Voortman vroeg naar de taal waarin men wordt benaderd. De brief die inburgeraars ontvangen bij aanvang van de inburgeringsplicht, staat in 34 talen op de website van DUO. Dat was het getal waar de heer De Graaf nog naar zocht. Ook andere brieven worden op die website van vertaling voorzien. Voorlichting over inburgering via een film wordt naast het Nederlands in de vijf meest voorkomende talen aangeboden. Dat is van belang voor de toegankelijkheid van informatie. Zo weten mensen waartoe ze verplicht zijn.

Hoe zit het met analfabete inburgeraars, vroeg GroenLinks.

De voorzitter:

U krijgt niet veel kans om vragen te beantwoorden die in eerste termijn gesteld zijn, want mevrouw Voortman heeft, denk ik, nog een vraag over het vorige antwoord.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ja, precies. Mijn vraag was niet hoe het staat met de informatie maar of er nu meer relevante informatie openbaar wordt, bijvoorbeeld over het aanvragen van een termijnverlenging, ontheffing of lening, of over het vinden van een passende cursus. Dat beoogde mijn motie. Dat deel is nog niet uitgevoerd. Zal meer van dat soort informatie in meer talen beschikbaar worden?

Minister Asscher:

Ik noteer deze vraag even voor de tweede termijn, met uw welnemen. Dan kan ik hem precies beantwoorden.

De volgende vraag van mevrouw Voortman ging over de toegankelijkheid voor analfabete inburgeraars. Uit de spreiding over Nederland blijkt dat veel taalaanbieders een cursus aanbieden voor analfabeten. Het is aan die taalaanbieders om te bekijken op welke manier ze dat doen. Er is een aparte opleiding om mensen van niet-Nederlandse afkomst te alfabetiseren. Dat is echt een andere tak van sport. Niet iedere taalaanbieder heeft die competentie in huis. Uit onderzoek is tot nu toe gebleken dat de spreiding daarvan voldoende is, dus ik herken het signaal van GroenLinks op dat punt niet.

Hoe kunnen gemeenten met die participatieverklaring bijdragen aan het beter slagen van inburgeraars? Dat is heel belangrijk. Gemeenten krijgen meer financiële armslag om mensen te begeleiden. Die participatieverklaring vindt plaats aan het begin van het inburgeringstraject. Dat is een prachtig moment om uit te leggen wat de Nederlandse waarden en de fundamentele spelregels van de Nederlandse samenleving zijn, maar ook om uit te leggen dat er bij de rechten in de Nederlandse samenleving ook plichten horen. Een van die plichten is de inburgergingsplicht. Ik vind het een heel belangrijk instrument om te voorkomen dat er groepen zijn die niet of nauwelijks deelnemen aan de samenleving of die de manier waarop wij hier met elkaar leven niet respecteren of kennen. De vormgeving zal zijn een niet-vrijblijvende en vroegtijdige verdieping in de kernwaarden. Dat is een heel belangrijke stap, die ook gaat helpen – dat was een vraag van de heer Heerma – bij het beter benutten van en eerder deelnemen aan de inburgering in Nederland.

Verschillende sprekers hebben gevraagd naar de verblijfsvergunning in het kader van de Vreemdelingenwet als men verwijtbaar niet voldoet aan de inburgeringsplicht. Het klopt dat de Vreemdelingenwet verschillende artikelen bevat als gevolg waarvan het negatieve consequenties heeft voor de verblijfsvergunning als men niet voldoet aan de inburgeringsplicht. Kamervragen daarover heb ik nog niet beantwoord omdat ik even heel precies wil bekijken hoe dat in de praktijk zit. Het is een nieuwe situatie. Wij hebben nu de eerste groep mensen die niet voldoen aan de inburgeringsplicht en van wie wij nog niet hebben vastgesteld of dat verwijtbaar is. In het debat kwam ook naar voren dat de IND zal moeten toetsen of de verblijfsvergunning daadwerkelijk kan worden ingetrokken als verwijtbaarheid is vastgesteld. Wij weten allemaal dat de IND artikel 8 EVRM en de gezinsherenigingsrichtlijn moet meewegen.

Desalniettemin wil ik daar precies naar kijken. Ik zag in de vraag van de heer Heerma ook verschillende schakeringen van gevolgen die het kan hebben voor de verblijfsvergunning. Ik wil wel heel duidelijk stellen dat het niet voor niets een plicht is. Ik vind het heel belangrijk dat mensen die zich in onze samenleving vestigen een goede start kunnen maken en dat wij ze als samenleving in staat stellen de taal te leren en de Nederlandse samenleving te leren kennen. Misschien kan dat beter. Dat was een vraag van de heer Marcouch. Wij moeten ze in staat stellen zich te oriënteren op de arbeidsmarkt, zodat ze een bijdrage kunnen leveren. Dat alles is niet vrijblijvend. Dat betekent dat het gevolgen moet hebben als men er verwijtbaar niet aan voldoet. Dan heb ik het dus niet over mensen die er niks aan kunnen doen. Er zijn verschillende sanctiemogelijkheden in de wet, zoals beboeting. Naar dit punt wil ik even heel precies kijken, want aan de ene kant weten wij allemaal dat artikel 18 en 19 Vreemdelingenwet die gronden kennen. Aan de andere kant zal de IND daarmee moeten omgaan in het licht van internationaalrechtelijke beperkingen, die daar nu eenmaal voor gelden.

De heer Pieter Heerma (CDA):

De Minister schetst in zijn antwoord dat het juridisch allemaal vrij complex is. Daar heb ik begrip voor, maar hij heeft bij andere onderwerpen, bijvoorbeeld de Detacheringsrichtlijn of de omgang met antidemocratische partijen, ook duidelijk uitgesproken wat hijzelf vindt. Het CDA vindt dat als stok achter de deur, naast de boetes, in ultimo de sanctie moet zijn dat je je verblijfsvergunning verliest of dat die niet verlengd wordt. Deelt de Minister dat? Het regeerakkoord gaat zelfs nog verder. Dat zegt dat tijdens de inburgering consequent gevolgd moet worden of men zijn best doet, anders verliest men zijn verblijfsvergunning. Gaat het kabinet daar invulling aan geven?

Minister Asscher:

Niet voor niets heb ik ook even mijn uitgangspunt geschetst. Dat is belangrijk. Ik vind dat wij als ontvangende samenleving een inspanning moeten doen om het mogelijk te maken dat mensen hier goed integreren. Dat is cruciaal. Ik vind dat mensen die onderdeel zijn van onze samenleving gelijk behandeld dienen te worden en gelijke rechten dienen te kennen. Maar ik vind ook dat een inspanning mag worden verwacht. Die inspanning zie je onder andere terug in de inburgeringswet. Die is niet voor niets als verplichting neergelegd. Het heeft niet voor niets consequenties als je daar verwijtbaar niet aan voldoet. Daar ben ik het zeer mee eens. Wat betekent dat dan voor het intrekken van de verblijfsvergunning? Terecht is het in onze rechtsstaat niet aan de Minister om over een individueel geval te oordelen of een en ander te toetsen, maar aan de instanties die daarvoor zijn. Daar gelden de rechtsmiddelen bij, waar wij ook allemaal aan hechten in onze rechtsstaat. Er zal ook getoetst moeten worden aan het internationale recht. Dat lijkt mij prima. Dat doet niets af aan het uitgangspunt dat de heer Heerma, de heer Azmani en ik delen.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Het tweede deel van mijn vraag gaat over het regeerakkoord. De tekst daarvan gaat echt een stap verder, misschien wel meerdere stappen. Dat zegt dat tijdens de inburgering de voortgang gemonitord moet worden en dat men zijn verblijfsvergunning verliest bij onvoldoende inzet. Daar is op dit moment geen sprake van. Komt het kabinet nog met zo'n voorstel?

Minister Asscher:

Het gaat om de vraag hoe je daar vervolgens mee omgaat. De beoordeling van de vraag of men zich verwijtbaar onvoldoende heeft ingezet, is in ons stelsel neergelegd bij DUO. Dat is de uitvoeringsinstantie die belast is met dit deel van ons inburgeringsstelsel. Die kan pas na afloop vaststellen of men zich voldoende heeft ingespannen. Daarbij weegt men de volgende vragen mee. Hoeveel heeft iemand aan de cursus deelgenomen? Hoeveel heeft iemand zich ingespannen? Wat waren de persoonlijke omstandigheden? Iemand die ziek is geweest, om maar een voorbeeld te geven, kun je niet op dezelfde manier iets verwijten als iemand die gezond was. Dat lijkt mij ook redelijk en passend in een rechtsstaat. Die passage in het regeerakkoord kan in mijn ogen dus alleen tot uitvoering komen door na afloop vast te stellen of iemand zich tijdens een inburgeringstraject voldoende heeft ingespannen. Voor de verblijfsrechtelijke consequenties waartoe dat vervolgens leidt, verwijs ik naar het antwoord dat ik net gaf.

Ik kom bij de vraag van mevrouw Karabulut over de wet zelf. Zij stelt dat die wet eigenlijk toe is aan de vuilnisbak, om het kort samen te vatten. Ik begrijp haar zorgen heel goed. Daar is ook reden voor gezien de huidige cijfers. Daar wil ik ook niet omheen draaien. Toch is het goed om te bekijken wat de oorzaken zijn van deze cijfers. Dan weten wij meer. Dan kunnen wij misschien ook met elkaar vaststellen waar verbeteringen nodig zijn. Ik heb al aangegeven: als de wet zelf het probleem is, dan moet je die aanpassen. Dat lijkt mij een normaal uitgangspunt, maar laten wij dat onderzoek wel doen, want het kan ook op andere punten zitten. Maar volgens mij staat de SP wel degelijk achter het idee dat je van mensen zelf een inspanning verwacht.

Welke maatregelen zijn al genomen? Dat vroegen de heer Sjoerdsma en anderen. Wij hebben de bijdrage voor de maatschappelijke begeleiding door gemeenten verhoogd. Er worden meer oefenexamens beschikbaar gesteld. Het onderdeel leesvaardigheid is aangepast. De website en de informatievoorziening van DUO zijn aanzienlijk verbeterd. Daarnaast zal een consequente uitvoering van het handhavings- en boeteproces ongetwijfeld een positief effect hebben op de inburgering van volgende lichtingen nieuwkomers. Daarnaast loopt een onderzoek naar wat daarbij nog beter zou kunnen.

De SP vroeg of ik een beeld heb van hoeveel mensen weigeren om in te burgeren. Dat kun je nu echt niet zeggen. Het is aan DUO om dat per individu vast te stellen. Ik heb geen beeld daarvan, dus ik durf daar geen stelling over in te nemen.

Hoe zit het met de taalcursussen, wachtlijsten, groepsgrootte et cetera? Om aan het keurmerk te voldoen mag een taalaanbieder de inburgeraar niet te lang laten wachten op de start van een cursus. Uit gesprekken met de taalaanbieders heb ik begrepen dat zij inburgeraars zo snel mogelijk laten instromen in het traject. De capaciteit wordt uitgebreid. De groepsgrootte per taalaanbieder ken ik niet, maar die moet wel voldoen aan de kwaliteitseisen. Blik op Werk stelt vervolgens uitgebreide eisen aan het cursusaanbod, zoals welke onderdelen het aanbod moet bevatten en hoe er moet worden gewerkt. Dit staat los van het feit dat wij gaan laten onderzoeken of de kwaliteit daarmee voldoende is geborgd.

Hoe staat het met de lage slagingspercentages van het leesexamen? Wat hebben wij daarmee gedaan? Die slagingspercentages vielen in het bijzonder tegen. Ik heb gevraagd te bekijken wat de oorzaak zou kunnen zijn. Op zichzelf blijken de opgaven op het juiste taalniveau te liggen. Vervolgens hebben wij die opgaven opnieuw laten waarderen door een brede adviescommissie, bestaande uit onafhankelijke toetsenmakers en NT2-docenten. Ook die commissie kwam tot de conclusie dat het taalniveau correct was: A2. Er is besloten om de huidige samenstelling van de examens te handhaven. De vragen zijn opnieuw bekeken en toegewezen aan het examen. Dat heeft een hoger slagingspercentage opgeleverd. Toch ben ik niet tevreden met het resultaat. Ik heb besloten de examentijd zelf te verlengen en te bezien of dat effect heeft. De eerste resultaten lijken aan te geven dat men met iets meer tijd een iets hoger slagingspercentage krijgt.

Hoe innen wij de boetes en waarom is het aantal boetes zo schrikbarend laag, vraagt de PVV. DUO is aan het bekijken hoe het staat met de resultaten van mensen in het eerste kwartaal van 2013. In dat proces hebben inburgeraars ook de mogelijkheid om aan te tonen dat het hun niet is te verwijten dat ze niet aan een en ander hebben voldaan. Vervolgens kan een boete worden opgelegd die rekening houdt met die verwijtbaarheid. Dat proces is nu bezig, dus dat getal zal ongetwijfeld toenemen de komende tijd, maar het is nieuw. Nu die drie jaar verstreken zijn, is dit voor het eerst aan de orde voor de allereerste mensen uit 2013.

De heer De Graaf (PVV):

Ik heb een korte verduidelijkingsvraag. Dat houdt dan in dat 96% van de mensen die op dit moment een boete zouden kunnen krijgen omdat ze verwijtbaar hebben gehandeld, die aantijging bevecht.

Minister Asscher:

Dat zou ik niet kunnen zeggen. Zij moeten stuk voor stuk worden benaderd. Vervolgens kunnen ze reageren en kan dat leiden tot een boete. Ik weet niet of 96% dat heeft aangegeven. Het kan ook zijn dat het proces tussen DUO en de inburgeringsplichtige nog bezig is. Feit is dat wij aan het begin van het proces staan. Ik begrijp de opmerking «wat is dat een laag getal» heel goed, maar dat getal zal stijgen de komende tijd. Dat is een onderdeel van het handhaven van de wet. Het zal het effect hebben dat meer mensen inburgeringsexamen gaan doen.

De heer De Graaf (PVV):

Kan de Minister dan aan het eind van ieder kwartaal aangeven hoeveel mensen succesvol die verwijtbaarheid hebben aangevochten? Het is belangrijk om de voortgang en de percentages te zien.

Minister Asscher:

Ik zie dat het er tijdens dit debat alweer 31 zijn. Ik weet niet of dat komt door de interventie van de heer De Graaf. Laat mij even nagaan of per kwartaal een logische frequentie is, maar natuurlijk ben ik graag bereid om die informatie te verstrekken.

De heer De Graaf vroeg ook of alle maatregelen die ik tref de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeraar niet ondergraven. In mijn ogen is dat niet zo. Het blijft de verantwoordelijkheid van de nieuwkomer om zich in te spannen om in te burgeren. Wij hebben net besproken dat het consequenties kan hebben als hij dat verwijtbaar niet doet. Die verantwoordelijkheid zit in de wet en blijft bestaan. Dat wil niet zeggen dat wij niet met dit soort maatregelen kunnen proberen om ervoor te zorgen dat mensen kansrijker zijn om in te burgeren. Dat doet niets af aan hun eigen verantwoordelijkheid. Dat lijkt mij in ons aller belang: in dat van de nieuwkomer en van de samenleving.

Ben ik bereid de termijn van inburgering in te korten naar één jaar? Nee, dat vind ik geen realistische termijn. Gezien de eisen die wij stellen aan inburgeraars lijkt mij dat niet verstandig.

De heer Öztürk vraagt waarom deze vraag niet aan EU-burgers wordt gesteld. Binnen het EU-verdrag is het niet mogelijk om EU-burgers te verplichten om een inburgeringsexamen te doen. Dat geldt overigens ook voor burgers uit landen die een verdrag hebben gesloten waarin is vastgelegd dat dat niet kan, zoals Turkije. Dat kan ik niet veranderen. Wij hebben daar wel naar gekeken in het kader van de participatieverklaring, omdat ik van mening ben dat ook arbeidsmigranten er belang bij hebben kennis te nemen van de waarden van de Nederlandse samenleving et cetera. Een aantal gemeenten biedt op vrijwillige basis dat soort trajecten aan, maar je kunt dat niet verplichten vanwege het EU-recht.

Ben ik bereid ambtenaren het examen te laten doen? Zeker. Dat gebeurt met grote regelmaat. Ik heb het zelf ook gedaan. Het is buitengewoon goed en ook indrukwekkend om te zien hoe dat hele stelsel werkt en dat er, naast de rare voorbeelden, die altijd om de zoveel tijd opduiken, ook heel veel heel goede onderdelen in dat examen zitten die de inburgeraar echt helpen om zijn of haar weg te vinden in de Nederlandse samenleving.

Dan kom ik op de vluchtelingen. De heer Marcouch geeft een mooi voorbeeld van de gemeente Amsterdam, die daar zelf een additioneel programma voor financiert. Dat leidt tot een bestcasesituatie in die zin dat men wordt ondergedompeld in de waarden. Ik heb net al aangegeven met de VNG en gemeenten te willen bekijken of een uitgebreidere pilot mogelijk is.

Zou je vrijwilligers niet meer ruimte moeten bieden om mensen, in de fase dat ze nog geen status hebben, te helpen met taal en met het voorbereiden op de inburgering? Op dit moment ben ik met een groot aantal partijen (vrijwilligersorganisaties, VluchtelingenWerk, het COA, ...) in gesprek om te bekijken hoe je een en ander op grotere schaal kunt faciliteren. Dat gaat zowel om vluchtelingen de mogelijkheid bieden vrijwilligerswerk te doen in de Nederlandse samenleving als om Nederlandse vrijwilligers de mogelijkheid bieden om te helpen bij de integratie van vluchtelingen. Ik kom daar in mei op terug. Dan zal ik overigens ook de vraag van de heer Sjoerdsma kunnen beantwoorden hoe wij uitvoering geven aan zijn motie over taal op de eerste dag. Het doel onderschrijf ik van harte. Je ziet wat dat betreft ook fantastische voorbeelden. Ik zal in een brief in mei terugkomen op zowel de uitvoering van die motie als de mogelijkheden van vrijwilligerswerk.

Er zijn op dit moment allerlei gratis lesmethodes waar mensen in de noodopvang al mee werken. Zij worden daar ook bij begeleid.

De voorzitter:

Hebt u één moment? De heer Öztürk heeft een vraag, anders loopt het zo door elkaar.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

Ik had twee belangrijke vragen gesteld. De Minister heeft de afgelopen jaren een aantal rechtszaken gevoerd om wetgeving te kunnen doordrukken, terwijl het Europees Hof ons op de vingers tikt. Ik wees op die cijfers. Daarnaast vraagt onze jongerenorganisatie of de Minister alsnog de inburgeringscursus op Facebook wil accepteren.

De voorzitter:

Volgens mij was de Minister nog niet klaar, dus ik ben benieuwd.

Minister Asscher:

Zeker niet. Ik was nu bij het blokje specifieke vragen over de vluchtelingen. GroenLinks vroeg of er een oplossing is gevonden voor het dreigende tekort aan NT2-docenten. Er blijkt een tekort te zijn van ten minste 300 fulltime gecertificeerde NT2-docenten voor het inburgeringsonderwijs binnen een termijn van één jaar. Hogescholen en universiteiten die een reguliere post-hbo-opleiding of een incompanyopleiding verzorgen hebben hun aanbod voor dit jaar verdubbeld. Er volgen nu 495 docenten een opleiding. Een groot deel is afkomstig van de pabo. Met andere woorden, er wordt heel hard gewerkt aan het inlopen van dat tekort.

Hoe gaan wij om met de uitspraak van het Hof van Justitie over het inburgeringsexamen buitenland? Wij leven in een rechtsstaat. De regering houdt zich ook aan de wet. Zij respecteert en implementeert dus ook de uitspraken van deze rechter, niet zo veel meer en niet zo veel minder. Het recht op dit punt is als gevolg van de uitspraken van het Hof inderdaad gewijzigd. Dat klopt.

Wat zijn de kosten van de verlaging van de kostprijs van het inburgeringsexamen buitenland, vroeg de heer Van Klaveren. Die kosten worden geraamd op eenmalig een half miljoen. Daarnaast kosten de verlaging van de examenprijzen en het zelfstudiepakket jaarlijks 2,5 miljoen. Ik kan nu geen goede inschatting maken van de kosten van de examens gemaakt voor 9 juli 2015 die vergoed worden, omdat niet te voorzien is hoeveel mensen een beroep op de restitutieregeling zullen doen.

De kostprijs van het examen is met terugwerkende kracht tot 9 juli 2015 verlaagd. Dat is de datum van de uitspraak van het Hof. Dat is een normale manier om met zo'n uitspraak om te gaan. Er is een restitutieregeling die ook de examens voor die 9de juli bestrijkt. Daar moet men dan wel een beroep op doen. Wij kunnen dat niet automatisch doen.

Of ik de kostprijs weer wil verhogen, vraagt de heer De Graaf. Nee, dat zou in strijd zijn met het recht, met wat het Hof heeft bepaald.

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren):

Ik heb nog een vraag over het aanpassen van de wet naar aanleiding van die uitspraak van het Hof. In de brief van de Minister lees ik dat inspanning of een bewijs van goede wil straks voldoende is. Ook leeftijd, opleidingsniveau en financiële redenen kunnen op zichzelf een reden vormen voor vrijstelling van het inburgeringsexamen. Mijn vraag in eerste termijn was hoe dat specifiek invulling krijgt. Wat houdt dat in? Welk opleidingsniveau moet je hebben om geen inburgeringsexamen meer te hoeven doen? Vanaf welke leeftijd is dat zo en bij welke financiële situatie?

Minister Asscher:

Excuus, ik had die vraag gedetailleerder kunnen beantwoorden. Ik doe dat alsnog. De inburgeringsplicht is gekoppeld aan de AOW-gerechtigde leeftijd. Analfabetisme is op zichzelf geen grond voor ontheffing. Het zelfstudiepakket is immers ook geschikt voor on- of andersgeletterden. Er wordt dus geen ontheffing verleend alleen op grond van leeftijd of ongeletterdheid. Ze kunnen een rol spelen bij het verlenen van een ontheffing. Om de uitspraken van het Hof uit te voeren kan in bijzondere individuele omstandigheden ontheffing worden verleend. Dan spelen dit soort elementen een rol. Het is niet standaard maar het kan. Dat is strikt de uitvoering van de uitspraak van het Hof.

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren):

Het komt er in de praktijk dus op neer dat meer mensen die kansloos zijn, vrijgesteld worden van het inburgeringsexamen en in Nederland zullen verblijven zonder ook maar enige kans te hebben ooit mee te doen?

Minister Asscher:

Het beoordelen van de kansrijkheid hangt samen met de reden voor de inburgeringsplichtige om naar Nederland te komen. Als iemand komt in het kader van gezinshereniging, is dat iets anders dan als iemand die komt in het kader van asiel. Je kunt dat dus niet in zijn algemeenheid zeggen. Wel is er iets positiefs als gevolg van de uitspraak van het Hof: het Hof heeft het stelsel op zichzelf aanvaard. Er waren mensen in Nederland, ook juristen, die zeiden: in feite is zo'n verplicht element vanuit het buitenland in strijd met het recht. Nee, zegt het Hof van Justitie, dat mag Nederland doen. Het helpt ook. Je ziet in de resultaten, hoe pover ze ook zijn, dat het helpt als mensen dat hebben gedaan. Maar Nederland was daar net een tikje te streng in, zegt het Hof ook. Dan moet je luisteren naar de rechter en het aanpassen. Dat hebben wij gedaan.

Ik dank de heer Öztürk voor zijn aanbod. Ik heb geen behoefte aan de cursussen van hem of zijn jongerenbeweging. Ik heb ook geen compleet overzicht van het aantal rechtszaken die tegen de Staat gevoerd zijn en ook niet van de hoeveelheid overwinningen voor de Staat of de wederpartij. Het spijt mij. Dat kan ik niet leveren.

De voorzitter:

Daarmee zijn wij aan het eind van de eerste termijn gekomen. Gezien de tijd stel ik voor om niet volledig beantwoorde vragen in tweede termijn af te handelen.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik heb nog een interruptie, voorzitter.

De voorzitter:

Ja, ook anderen hebben nog een interruptie. Ik geef iedereen één minuut voor de tweede termijn.

De heer Marcouch (PvdA):

Voorzitter. Ik dank de Minister voor de beantwoording van de vragen en de toezegging om te kijken naar de mogelijkheid om pilots op te zetten voor de onderdompeling in de waarden, en de toezegging om de onderwijskundige kwaliteit te betrekken bij het onderzoek. Ook met het oog op de opgave die ons te wachten staat ten aanzien van inburgering wil ik hem vragen om heel kritisch te kijken naar hoe die taalscholen georganiseerd zijn. Ik ben in mijn werkbezoeken op taalscholen terechtgekomen waarin grote groepen soms in een soort tuinhuisje bijeen worden gezet. Ze hebben wel een keurmerk, maar zo'n inburgeraar weet niet beter dan dat hij daar terechtkan. Hij weet dus niet dat er betere scholen zijn, die ik ook bezocht heb. Ik wil graag van de Minister horen hoe hij kritisch gaat kijken naar de didactische en pedagogische omgeving en kwaliteiten van deze taalscholen, zodat de inburgeraars naar goede scholen worden geleid. Ze mogen kiezen, maar die keuze is niet altijd heel erg eerlijk. Ik vind een kritische (onderwijskundige) houding jegens de taalscholen ontzettend belangrijk.

De heer Sjoerdsma (D66):

Voorzitter. Ik dank de Minister voor zijn antwoorden. De cijfers van gisteren waren dramatisch. Daarmee dreigt een integratieramp en een bijstandsexplosie. Je zou daarom verwachten dat er bij de Minister, net als aan deze kant van de tafel, een groot gevoel van urgentie zou zijn om dingen te evalueren en maatregelen te nemen. Ik heb die urgentie niet gezien bij hem.

Dat geldt ook voor de evaluatie van de wet. Ik wil de evaluatie van de hele wet plus de uitwerking daarvan voor de zomer. Vandaar mijn verzoek voor een VAO. Ik dank de Minister wel voor zijn toezegging om ons op korte termijn te laten weten welke rol de onderwijsinspectie kan spelen bij het toezichthouden op de kwaliteit en toegankelijkheid van deze inburgeringsexamens.

Tot slot heb ik nog één vraag, die ik ook in eerste termijn had gesteld: wanneer waren deze dramatische cijfers bij de Minister bekend? Ik zou dat graag nog horen.

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren):

Voorzitter. Dat de integratie is mislukt, is geen nieuw verhaal meer, maar willen wij dat het ooit nog wat gaat worden, dan zullen wij de inburgeringseisen omhoog moeten schroeven en niet moeten versoepelen, zoals wij nu gaan zien. Daar heb ik net een reactie op gekregen van de Minister. Ik blijf bij het standpunt dat dat onverstandig is, zeker als je wilt dat mensen ooit mee gaan doen.

Verder wees ik in mijn eerste termijn op het gevolg van de falende inburgering: de parallelle samenleving, die zich bijvoorbeeld toont in het halalzwemmen, waarbij mannen en vrouwen, jongens en meisjes in openbare zwembaden gescheiden zwemmen. Is de Minister bereid om gemeentes te manen om te stoppen met het faciliteren van deze vorm van sekseapartheid, omdat deze praktijk haaks staat op het landelijk integratiebeleid en omdat die raakt aan een fundamentele waarde van het westen: de gelijkwaardigheid van man en vrouw?

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Voorzitter. Ik maak mij ook zorgen. Het aantal inburgeraars zal de komende jaren alleen maar toenemen. Dan is het wel belangrijk dat het instrumentarium daartoe goed in de wet geregeld is. Daarom sluit ik mij aan bij de vraag van de heer Sjoerdsma over de slagingspercentages. Wanneer waren die bekend? Ik heb daarnaast verzocht om heldere en eenduidige informatie over die slagingspercentages, omdat er een verschil zit tussen de brief van de Minister en de cijfers die de regionale afdelingen van VluchtelingenWerk van Blik op Werk hebben ontvangen. Hoe zit dat?

Daarnaast heb ik gevraagd naar de plannen van de taskforce voor de integratie van vluchtelingen. Worden die lessen geïntensiveerd? Komt de Minister hier in mei ook op terug? De Minister zegt dat er voor inburgeraars in het buitenland een restitutieregeling is. Betekent dit dat iedereen die examen heeft gedaan voor de datum van de uitspraak en die een beroep doet op de regeling, het verschil in prijs terug kan krijgen?

Over de acceptatieplicht voor gemeenten van analfabeten zegt de Minister: veel aanbieders bieden wel degelijk een en ander aan. Ondertussen is het aanbod voor analfabete cursisten wel omlaaggegaan. Wat gaat de Minister daaraan doen?

De heer Pieter Heerma (CDA):

Voorzitter. Er is het afgelopen jaar bij herhaling gewaarschuwd voor achterblijvende inburgeringsaantallen. Die zijn zorgwekkend. De Minister heeft gisteren in zijn brief maatregelen aangekondigd om de mogelijkheden uit te breiden tot begeleiding en tot drang om mensen erop te wijzen dat ze die verplichting en die verantwoordelijkheid hebben en dat ze daarmee aan de slag moeten. Daar wordt vanuit de grote steden ook om gevraagd. Ik kijk uit naar de wetgeving over de participatieverklaring. Die biedt daarvoor nog meer mogelijkheden.

Mijn zorg in dit debat zit aan de andere kant: bij de sanctionering. De Minister is vrij duidelijk in zijn uiteenzetting over de tekst in het regeerakkoord. De facto staat er een stoere tekst waar in de praktijk niets mee gedaan wordt, maar zorgwekkend is het feit dat de Minister het er in beginsel mee eens is dat die stok achter de deur er moet zijn en dat in ultimo de sanctie moet zijn dat je je verblijfstatus verliest dan wel niet verlengd krijgt als je echt weigert en je je eraan onttrekt. Maar het antwoord over wat er in de praktijk gebeurt, doet vermoeden dat dat niet het geval is. Ik herhaal mijn vraag: kunnen alleen imams, geestelijk bedienaren, in de praktijk hun status verliezen als ze echt weigeren om mee te doen? Deelt de Minister de insteek dat er, als dat voor anderen niet kan, dingen moeten gebeuren om dat wel mogelijk te maken omdat die stok achter de deur nu eenmaal nodig is?

De heer Azmani (VVD):

Voorzitter. Ik kan vrij kort zijn. Ik dank de Minister voor zijn antwoorden. Dit AO was het eerste overleg sinds de inwerkingtreding van de wet in 2013. Wij hebben het sec over het eerste kwartaal. Ik denk dat je wat meer tijd nodig hebt om de balans op te maken. Toch is het goed dat de Minister de uitdaging aangaat om een onderzoek in te stellen en de resultaten nog in de zomer naar de Kamer te sturen. Ik zie de antwoorden op de vragen van de VVD daarin tegemoet. Ik heb de Minister horen zeggen, ook in reactie op vragen van collega Heerma, dat hij vasthoudt aan de lijn van het regeerakkoord. Dank daarvoor.

Mevrouw Karabulut (SP):

Voorzitter. Vorig jaar zag de Minister vooralsnog geen reden om aanvullende maatregelen te nemen. Gisteren noemde hij de aantallen en de toestand van de inburgering verontrustend. Dit gehoord hebbende, kan ik gerust concluderen dat het een potje is. Daarbij moest ik terugdenken aan het verleden. Wij hebben eerder discussies gehad over het belang van inburgering. Allerlei politieke partijen hebben daaraan eisen gesteld. Vervolgens zijn wetten gewijzigd en werd de inburgering op afstand geplaatst. Vervolgens vielen de aantallen tegen, maar werd er niet ingegrepen. Hetzelfde gebeurt nu. Op mijn reeks vragen, waar ik nog niet helemaal mee klaar was, zoals u weet, voorzitter, had de Minister geen antwoorden. Dat zegt hij wel eerlijk. Hoe kunnen wij dan beoordelen, nog los van de achterblijvende resultaten en aantallen, wat het inburgeringsonderwijs doet met mensen? Daarom zou ik er erg voor pleiten om het inburgeringsonderwijs onder het onderwijs te brengen, zodat wij weten wat mensen leren.

Ik heb een heel concrete vraag. Kan de Minister ons garanderen dat het onderzoek dat hij laat verrichten onafhankelijk is? Wat mij betreft krijgt de inspectie daarin een heel belangrijke rol. Ik heb er geen zin in dat wij via een of ander privaat bureautje of via de eigen keuring weer allerlei vaagheden krijgen gepresenteerd waardoor wij alsnog niks weten.

De tweede vraag was de hamvraag waar de Minister nog op zou terugkomen. Er zitten nu tienduizenden mensen in de opvang. De Minister heeft het over mensen onderdompelen in de Nederlandse samenleving en in de taal. Die mensen worden vooralsnog zonder perspectief ondergedompeld in massale opvang. Wat doet de Minister daaraan? Wat doet hij met de noodklok, die vrijwilligers luiden? Wat is het integratieplan van dit kabinet? Ik weet het niet. Ik hoop het antwoord alsnog te krijgen.

De heer De Graaf (PVV):

Voorzitter. Het debat heeft vooral uitgewezen dat de meningen over inburgering flink verschillen. De PVV dankt de Minister dat hij tijdens dit AO het percentage mensen die beboet zijn, omhoog heeft weten te krikken van ongeveer 4% naar ongeveer 5%. Dat is een compliment waard. Er is een procent bij gekomen. Relatief is dat 20%. Wat nog veel belangrijker is, is dat mensen die hun inburgering niet halen, niet alleen een boete wordt opgelegd maar ook hun verblijfsrecht wordt afgenomen, waarna ze het land worden uitgezet. Dat moet niet alleen gelden voor verwijtbare gevallen maar voor iedereen. Er moet een drempel worden opgeworpen.

Wat dat betreft staan de Minister en de PVV ver uit elkaar. Wat dat vooral illustreert, is de opmerking van de Minister dat het goed is voor de maatschappij dat zij zich enorm oplopende inspanningen getroost, ook in financiële zin, om het de inburgeraar maar naar de zin te maken en te faciliteren. Wij staan daar recht tegenover. Wij zeggen: nee, dat gaat juist ten koste van de Nederlandse maatschappij. De grenzen moeten dicht. Wij moeten de toestroom stoppen, zodat deze maatschappij eindelijk weer eens een beetje lucht krijgt.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

Voorzitter. Ik wil de Minister nogmaals vragen om te stoppen met deze PVV-inburgeringswet, deze pestmaatregel, en om de nieuwkomers te helpen om een onderdeel in deze samenleving te kunnen worden.

Daarnaast vinden wij het jammer dat de Minister het aanbod afslaat om deel te nemen aan de inburgeringscursus van onze jongerenorganisatie OPPOSITIE. In wezen is hij hiermee een inburgeringscursusweigeraar geworden. Ik weet niet welke ambtenaar zijn Facebookpagina beheert, welke dure belastingcentjes daarin zitten, maar mocht de Minister met ons een battle willen aangaan op Facebook, dan wil ik hem nogmaals vragen om de reacties niet te censureren, de mensen de gelegenheid te geven om in deze open samenleving te reageren en de Kamerleden die hij zogenaamd wil aanpakken iets meer spreektijd te geven in zijn filmpjes. Ik hoop dat er zo een eerlijke battle ontstaat, want dat is Facebook, dat zijn social media. Ik hoop dat hij alsnog het gratis inburgeringsaanbod van OPPOSITIE aanneemt en een beetje inburgert in de social media.

Minister Asscher:

Voorzitter. Op de vraag van de Partij van de Arbeid om kritisch te kijken naar de kwaliteit van de scholen, zeg ik: zeker.

Wanneer waren die cijfers bekend? Die cijfers zijn nu een paar weken bekend. Ik heb eraan gewerkt om op tijd een goede brief af te krijgen voor het AO inburgering. Als de heer Sjoerdsma zegt dat hij dat graag wat eerder had willen hebben, dan begrijp ik dat volkomen.

De heer Sjoerdsma (D66):

Voorzitter, ik heb een heel korte vraag.

De voorzitter:

Ik was niet van plan om interrupties toe te staan. U hebt een VAO aangevraagd. Dat lijkt mij voldoende. De Minister gaat verder met zijn beantwoording.

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik wil toch graag weten wanneer de cijfers precies bekend waren.

De voorzitter:

Dat vragen wij over het algemeen aan het eind van de tweede termijn bij de toezeggingen. Laten wij dat daar doen.

Minister Asscher:

Ik heb daar antwoord op gegeven. Ik kan dat niet preciezer zeggen dan ik net deed. Ik weet dat die cijfers al een aantal weken bekend zijn. Ik heb ze in een brief verwerkt. Ik zie een heel ontevreden gezicht bij de heer Sjoerdsma. Dat vind ik jammer. Het zij zo.

Hij vraagt om een evaluatie voor de zomer. Ik heb net al gezegd dat het niet mogelijk is om de wet voor de zomer serieus te evalueren. Dat lukt mij niet.

Is er een restitutieregeling? Die staat open voor mensen die tijdig een rechtsmiddel hebben aangewend of nog hebben openstaan, niet voor iedereen.

Het CDA had een vraag over geestelijk bedienaren. Ik ben net al uitgebreid ingegaan op hoe het systeem in elkaar zit. Ik heb al aangegeven die Kamervragen van de heer Potters snel te beantwoorden. Ik wil daar even goed naar kijken en kom daarop terug. Wat is dan snel, is meestal de vervolgvraag. Binnen twee weken wil ik die vragen beantwoord hebben.

Is het onderzoek dat verricht wordt onafhankelijk? DUO is daar al mee bezig. Dat is geen privaat, schimmig bureautje.

Hoe zit het met informatie over termijnoverschrijding en vrijstellingen? Die vraag van mevrouw Voortman kon ik niet in eerste termijn beantwoorden. Die informatie is op dit moment alleen in het Nederlands beschikbaar. Ik zal DUO vragen om die ook te vertalen in de vijf belangrijkste talen. Die suggestie van mevrouw Voortman neem ik over. Het Gemeentefonds korten vanwege het gescheiden zwemmen is geen mogelijkheid. Het gaat om een initiatief van een private stichting, waarvoor je het Gemeentefonds niet kunt korten. Cruciaal vind ik overigens wel, net als de heer Van Klaveren, dat er geen sprake is van ongewenste druk om wel of niet deel te nemen aan dat gescheiden zwemmen, net zoals bij andere vormen van gescheiden zwemmen die wij al langer in Nederland kennen. Op dat punt begrijp ik zijn pleidooi heel goed, zij het dat ik hem niet ter wille kan zijn rond het Gemeentefonds.

Ik meen dat ik daarmee de vragen in tweede termijn beantwoord heb.

De voorzitter:

Mevrouw Karabulut geeft aan dat haar vraag nog niet beantwoord is, maar misschien is het niet het gewenste antwoord.

Minister Asscher:

Ik heb aangegeven dat ik nog in mei terugkom op een aantal vragen die haar bezighouden over de verbetering van taalbeheersing tijdens de asielprocedure. Daar gaat een motie van de heer Sjoerdsma en anderen over. Dan ga ik in op vrijwilligerswerk van en voor vluchtelingen. Dan zal ik dus breder een aantal integratieaspecten rond vluchtelingen beschrijven. Volgens mij vroeg zij daarnaar. Ik heb daar ook een termijn aan verbonden, dus ik dacht dat ik die vraag beantwoord had.

Mevrouw Karabulut (SP):

Even voor de zekerheid, voor integratie zijn, naast de taal leren, wonen en in aanraking komen met andere mensen belangrijk. Zou de Minister die aspecten vanuit integratieoptiek willen meenemen, met name het huisvestingsaspect in de opvang of elders?

Minister Asscher:

De huisvesting is bij andere bewindspersonen belegd. Dat weet mevrouw Karabulut ook. Ik zal ingaan op de onderwerpen die ik net noemde: vrijwilligerswerk, participatie, taal, normen en waarden. Dat zijn de elementen die ook op de agenda staan van dit AO inburgering. Vanzelfsprekend kunnen wij het debat dan ook breder voeren, ook met een bredere kabinetsafvaardiging. Dan kunnen wij het hebben over andere elementen die van belang zijn bij de opvang van vluchtelingen.

Mevrouw Karabulut (SP):

Voorzitter ...

De voorzitter:

Nee, wij blijven niet aan de gang. U hebt de kans gehad. U hebt antwoord gehad.

Mevrouw Karabulut (SP):

Het zou een motie kunnen schelen, maar goed. Oké.

De voorzitter:

Dat is prima, maar wij zitten ook tegen het eind van dit AO aan. Ik vind het mooi geweest.

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren):

Ik heb een punt van orde. Mijn vraag is of wij allemaal nog één interruptie mogen doen, want wij hebben nog meer dan tien minuten. Dat lijkt mij ruim voldoende.

De voorzitter:

Nee, dat doen wij niet, want dat is niet de gewoonte in deze commissie.

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren):

Ik zit al jaren in deze commissie.

De voorzitter:

U hebt ruim de tijd gehad om vragen te stellen. Ik geef niet nog een keer iedereen één interruptie.

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren):

Wij hebben tot 16.00 uur de tijd.

De voorzitter:

Wij hoeven de tijd niet altijd vol te maken.

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren):

Deze tijd is gepland voor volksvertegenwoordigers om vragen te stellen aan de Minister om het kabinet te controleren. Het lijkt mij niet meer dan normaal dat wij in ieder geval de tijd vol maken die daarvoor staat.

De voorzitter:

Die gelegenheid hebt u uitgebreid gehad. Wij gaan zo rustig de toezeggingen doornemen, zodat u daar nog vragen over kunt stellen. Dan sluiten wij dit debat. De heer Sjoerdsma heeft een VAO aangevraagd. Daar kunt u al uw ongenoegen nog kwijt als u dat wenst.

Wij zijn aan het eind van de beantwoording gekomen. Ik neem de toezeggingen met u door.

De heer Sjoerdsma heeft een VAO aangevraagd. Dat zullen wij doorgeven aan de Griffie.

De eerste toezegging luidt als volgt.

  • De Minister zal de Kamer informeren over de mogelijkheden om de onderwijsinspectie in te zetten bij de inburgeringscursussen. Wanneer informeert u de Kamer daarover?

Minister Asscher:

Het ging strikt genomen niet over de inburgeringscursussen zelf maar over het toezicht op de bureaus die die cursussen aanbieden. Ik had in antwoord op de heer Sjoerdsma toegezegd om dat niet na de zomer te doen maar sneller. Laat ik daar binnen drie weken op terugkomen.

De voorzitter:

Akkoord. Dan zetten wij die termijn erbij.

Dan komen wij bij de tweede toezegging.

  • Na de zomer komt de Minister met de resultaten van het onderzoek naar de barrières die er nu zouden zijn bij de inburgering. Hierbij wordt ook gekeken naar de onderwijskundige aspecten. «Na de zomer» is een ruim begrip. Kunt u dat wat specificeren?

Minister Asscher:

Ik wilde gaan voor «in de zomer». Als ik zeg «tweede gedeelte van de zomer», is dat dan voldoende specificiek?

De voorzitter:

De laatste week van het zomerreces.

Minister Asscher:

Nee. Nee, nee, nee, nee. Dan weet ik niet of iedereen alweer helemaal terug is. Laten wij zeggen: begin september.

Mevrouw Karabulut (SP):

In augustus zijn wij er ook, dus het mag ook eerder.

Minister Asscher:

U wel, maar er zijn ook mensen die dit moeten doen.

De voorzitter:

Begin september lijkt mij een mooie toezegging.

De derde toezegging luidt als volgt.

  • De Minister zal de Kamer informeren over de stand van zaken ten aanzien van het aantal opgelegde boetes. Ook daar horen wij graag een termijn bij.

Minister Asscher:

Ik had de heer De Graaf beloofd om dat te gaan doen, maar ik weet nu nog niet met welke frequentie. Hij suggereert eens per kwartaal. Op zichzelf heb ik daar geen bezwaar tegen. Ik ga even bij DUO informeren of dat een logisch aggregatiemoment is. Als dat zo is, is dat voortaan het geval. Als het anders is, laat ik het de Kamer nog even weten.

De voorzitter:

Dan noteren wij de toezegging zo; ik zie de heer De Graaf knikken.

Dan kom ik op de vierde toezegging.

  • De Minister zal de Kamer in mei informeren over de inzet van het vrijwilligerswerk. In deze brief wordt ook ingegaan op de uitvoering van de motie-Van Dam.

Minister Asscher:

Nee. Het ging over de motie-Sjoerdsma (32 824, nr. 109), waardoor ik mij realiseerde dat ik de vraag van de heer Heerma over de motie-Van Dam niet had beantwoord. Excuses daarvoor. Die kan ik nu ook niet beantwoorden. Ik heb een en ander nu niet paraat, maar kan wel zeggen dat ik nu geen indicatie heb dat wij de eerder afgesproken termijn niet zouden halen. Het ging hier om ingaan op de motie van Sjoerdsma en anderen – ik ben even kwijt welke anderen – die ging over taalles vanaf dag een, dus al tijdens de procedure, aanbieden. Daar wil ik op ingaan in de brief in mei. Sorry voor deze lange inbreking, voorzitter.

De voorzitter:

Het is beter dat de toezeggingen goed genoteerd worden dan dat wij halve toezeggingen hebben.

Tot slot hebben wij nog de vijfde toezegging.

  • De antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Potters komen binnen twee weken.

Heb ik nog toezeggingen gemist?

De heer Marcouch (PvdA):

Ik mis het kijken naar mogelijkheden om dat onderdompelen als pilots in gemeenten uit te voeren, en het spreken met de VNG over introductieprogramma's.

De voorzitter:

Dat is wel een toezegging, maar volgens mij is er geen schriftelijke terugkoppeling aan de Kamer toegezegd. Vandaar dat die niet genoteerd is, maar ik kijk even naar de Minister.

Minister Asscher:

Ik ben bang dat ik dat wel heb toegezegd. Dan kan ik er nu niet meer onderuit. Ik heb toegezegd om dat in diezelfde brief mee te nemen waarvan wij net hebben gezegd dat die begin september komt. Dus dat klopt.

De voorzitter:

Prima. Dan voegen wij die daaraan toe.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Ik heb er behoefte aan dat wij het VAO niet houden voordat wij de antwoorden op de vragen van de heer Potters hebben. Dat is voor mijn fractie relevant voor de inbreng in het VAO.

De voorzitter:

Dat is aan de aanvrager, maar u kunt daar onderling overleg over hebben.

De heer Sjoerdsma (D66):

Andersom is beter omdat ik een aantal heel urgente dingen in dat VAO wil regelen, andere collega's ook. Misschien kan de Minister toezeggen dat hij de vragen voor het VAO beantwoordt.

De voorzitter:

Minister, u hebt binnen twee weken de antwoorden op de vragen van de heer Potters. De vraag is of dat sneller kan, want de heer Sjoerdsma wil sneller een VAO.

Minister Asscher:

Nee, dat kan zeker niet sneller. Absoluut niet. Nee.

De voorzitter:

Dan is het aan de leden onderling om dat te bepalen en aan de Voorzitter, want die plant de VAO's.

Ik dank de Minister, zijn staf, de Kamerleden en het publiek.

Sluiting 15.55 uur.